elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pummel 

pummel , pummel , grof, lomp mensch.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
pummel , pümmel , (mannelijk) , lummel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
pummel , pummel , zie spitlikker.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pummel  , pummel , lummel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
pummel , pummel , penis.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
pummel , pummel , de , pummels , 1. onverschillig persoon (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Ik heb nog nooit zo’n onverschilige pummel zien, as ie bint (Hijk) 2. dik persoon (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat is dat een dikke pummel! (Coe), z. ook poemel 3. (verkl.) lief klein kind (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ie zulden det kiend opvreten, zoe’n lief pummeltien (Hgv) 4. penis (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) De roene luup de hiele tied met zien pummel der oet (Pdh), Het is een jonkien, het hef een pummeltien (Sle), z. ook piemel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pummel , pummel , poemel , zelfstandig naamwoord , de 1. pummel, lompe vent 2. dikke manspersoon 3. penis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pummel , pummeltjen , pakje, zakje (brood) (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal