elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: put 

put , pit , put. Ook in Znid-Beveland gebruikelijk. Zie Nieuw Mag. van N. T. II, bl. 230.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
put , patte , mesthoop.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
put , [mestgat] , patte , (vrouwelijk) , mestgat.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
put , pûte , (vrouwelijk) , [weinig gebruikelijk] in de pûte kommen, in verval raken.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
put , patte , mest; pattegat, aaltengat.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
put , pütte , (mannelijk) , pütten , put.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
put , petten , pettens, , laagten, gedeeltelijk uitgegraven grond, aan den voet van den westelijken Rijtdiepsdijk, welke grond tot onderhoud van dien dijk heeft gediend. De grootere en kleinere plassen, ontstaan door uitbaggering van veen, heeten baggelputten, ook: baggelpetten. “Heden had niet ver van Enumatil een kindje het ongeluk in het water te vallen in eene zoogenaamde pet, waar baggerturf was uitgegraven.” (1881)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
put , put , pudde , gedeelte van een graafwerk dat door een ploeg volk wordt aangenomen. De put werd gerekend op 52/3 kub. meter. thans is de put (Duitsch Putschaft) geen maatstaf meer bij het aannemen van graafwerk, maar wordt berekend bij de kub. meter, vierk. meter of meter. De uitdrukking der polderjongens: we gaan naar de put = wij gaan naar het werk. Op ’t Hoogeland spreekt men ook van put; daar wordt hij gerekend op 16 voet lengte en breedte en 4 voet diepte, dus nagenoeg = 23.4 kub. meter.
pudde (Stad-Groningsch) = putte, (Oldampt) = put.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
put , pet , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Put. In verschillende opvattingen. – 1) Een gegraven vierkant gat in een stuk weiland, met daarin geboorde wel (Assendelft). De petten dienen om het vee drinkwater te verschaffen, als in de zomer de sloten droog zijn. || De pet is zwavelig. – Ook in sommige stallen vindt men petten (welputten). – Vgl. petdeksel, petwater en petten. 2) De put met vijver op de werf van een papiermolen, waaruit deze van het nodige zoetwater wordt voorzien. || Betaald voor ’t boren van een nieuwe pet by de molen de Eendragt, diep 76 voete, waarvan de zogenaamde Coffydik gevonden is op de diepte van 66 voet, f 378, Hs. (a° 1765), verz. Honig. – Vgl. Petakker, petboor, petboorder, pethaak, Petland, petmolen, Petsloot. 3) In verkl. petje. Kuiltje, holtetje (Krommenie). || Er zitten petjes in. Je moete ze (nl. de rijst in water) koken dat er petjes in kommen. Pet is in Fri.-Holl. vorm van put, die ook verderop in N.-Holl. (BOUMAN 79) en in Friesl. (doch daar alleen in de zin van uitgegraven veendobbe) gebruikelijk is. Ook in het Ofri. vindt men pet. Eertijds was de vorm ook elders in Holl. gewoon; vgl. Inform, 343 (Den Haag, a° 1514) en KIL. “pet, Hol. j. put, puteus”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
put , put , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – In molens. Het ijzeren bakje, waarin de tap van het spil draait. In pelmolens is de put met vier wiggen in de pan vastgemaakt, in oliemolens rust hij op een legeringsbalk. – Bij het bikkelen met kootjes is put of putter de beknaming van een der zijden van de koot. Zie koten 2. || Nee, eerst putten en dan ruggen. – Zie verder op pet en vgl. de samenst. ierput.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
put , puttĕ , put.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
put , put , (beerput) - Een put verlaten, een (beer)put ledigen, schoonmaken. De putverlaters, de nachtwerkers; met een middeleeuwsch eufemisme te Utrecht ‘die syndaelsniders’ geheeten. (Door Verdam 7, 1143, en evenmin door Overvoorde en Joosting, Gilden v Utr. II, 252 - is deze verbloeming begrepen. Van der Monde (Beschr. V. Utr. I, 130 – 131) begreep die wel.- Verg. een heymelycheit verlaten, Rek. Buurkerk 200.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
put  , pöt , poet  , pötje , put. kuiltje waarin geknikkerd wordt.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
put , putte , vrouwelijk , putten , puttien , put
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
put , putte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , putn , putjen , put
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
put , patte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , patn , patjen , verzamelplaats van afvalwater of mest
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
put , put , 1. put. 2. pomp
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
put , pet , zelfstandig naamwoord de , Variant van put.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
put , put , zelfstandig naamwoord , put. Vóór er waterleiding en pompen waren haalde men water uit een put. De simpelste manier was om een emmer aan een touw in het water te plonzen. Maar meestal gebruikte men een installatie die in al zijn eenvoud heel doeltreffend was. In de mik (zie aldaar) van een rechtstaande boom was een dwarsbalk gelegd die als een hefboom om een pin draaide. Aan de ene zijde hing een contragewicht (meestal een oude emmer met stenen). Aan de andere kant een dunne paal (de zwèngel) waaraan de emmer kon hangen in een haak of een oud hoefijzer (de puthaok). Door het tegengewicht kon een volle emmer moeiteloos naar boven worden gehaald. Om de put stond een houten putkùip om te voorkomen dat men er in viel en dat er vuiligheid in viel. Aanvankelijk waren de putten gemetseld. Later werden ze van betonringen gemaakt, ook de putkùip. De zegswijze “ze zèn getrouwd ònder d’n puthaok”wil zeggen dat ze ongehuwd samenwonen. Oftewel “hokken”.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
put , putte , puttie , put.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
put , put , putte, pudde , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook putte (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), pudde (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. waterput De emmer is mij van de haol vallen en non lig e in de put (Sle), Een pudde weur opzet met törf en wit zaand er achter (Klv), As Pinkstern en Paoschen op iene dag komp of: as de putte in de pareboom hangt nooit (dk), (fig.) Die moej wat opmontern, want die zit zo in de put (Anl) 2. veenput (veend.) Bij het persen was het de put en bij het törfgraven de koele (Ndo), Törf op de losse putte zetten turf neerzetten op de het jaar ervoor vergraven veenput, die weer is volgebonkt (Bov), De bovenste lange turf zetten ze op de lösse put, aanders as men die an de kaante van de bagger zette, dan kun de bagger niet dreugen, umdat er dan gien wiend bij kun (Pes), Dat was een minne putte veen (Bco), Wij hebt een put veen huurd in Bunermoeras (Bor), Törfgraoven wör put veur put daon (Eev), z. ook koel, lege, underkoel, (fig.) Hij het de put er oet heeft het werk gedaan (Row) 3. grote hoeveelheid Het was een hele put wark, mar nou het klaor is, bin ik bliede dow der achter egaone bint (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
put , putte , put
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
put , putte , put.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
put , putte , put , zelfstandig naamwoord , de 1. waterput 2. figuur van een put op het ganzenbord 3. beerput (lett.), mestput e.d. 4. uit te graven deel van het veen, deel van de bodem met veen, eerst te ontginnen deel van een stuk heide e.d. 5. veenput 6. grote hoeveelheid werk, zware klus
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
put , pit , uitdrukking , In de pit zitte In de put zitten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
put , pit , zelfstandig naamwoord , pitte , pitjie , 1. put, kuil Om te bewaore gaon de errepels in de pit, maor je ken ôk zellef in de pit zitte Om ze te bewaren gaan aardappelen in een kuil (bovengronds of ondergronds), maar je kunt ook zelf in de put zitten 2. [O] put in de haard, waarin de brandstof ligt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
put , putte , (zelfstandig naamwoord) , put.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
put , put , putte , welput, waterput , vroeger was er geen waterleiding en maakte men gebruik van een waterput op het erf; een gevaarlijke plek op het erf, want er waren hele diepe putten bij en kinderen konden er zo invallen als ze te ver over de rand gingen hangen;
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
put , pöt , (vrouwelijk) , pötte , pötje , put
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
put , put , zelfstandig naamwoord , putje , put; WBD waterput (op het boerenerf); in de Hasselt ook 'waoterput' genoemd; WBD putkèùp - putkuip (bovengrondse afsluiting rond eigenlijke put); WBD putmik - putgalg (naast de put staande gaffelvormige paal met putzwengel); WBD puthaok (ook in Hasselt) - puthaak (stok welke scharnierend of d.m.v. een ketting opgehangen is aan de putzwengel); WBD putról (Hasselt) - windas boven de put; ook genoemd: wèndas, wènaos; WBD moosput (ook in hs KI83) - zinkput (voor vuil water uit o.a. gootsteen), ook genoemd 'mooskèùl', Hasselt: 'moowskèùl'; WBD puteemer (ook Hasselt en Korvel) - putemmer (zinken of gekuipte houten emmer waarmee men water put; WBD III.4.4:145 'put' = dal; WBD III.1.1:77 'putje' = kinkuiltje; Jan Naaijkens - Dè's Biks – put zn - put; WBD III.1.1:152 'putjes' = kneukelkuiltjes; Lowie van Dorrus Misters - De welwaterput kennen we allen wel, die zijn er op de dorpen nog genoeg te zien. Waar hier de waterleiding nog niet bestaat, zal er wel een pomp zijn aangelegd. Maar voor hen, die geen put kennen, willen wij hiervan een korte beschrijving geven. De oude put was van baksteen opgetrokken en ca. 3 à 4 meter diep, rond van vorm en ruim 1 meter in doorsnee. Op de bovenlaag, iets boven de begane grond, stond de putkuip gemaakt van planken, zeskantig van vorm en ca. 1 meter hoog. Op een paar meter afstand achter de putkuip stond de putmik. Dit is een boom van ca. 15-20 cm dik en ongeveer 3 meter hoog, waarvan het boveneinde een mik was, dus een V. In deze mik lag een ronde ijzeren staaf en daarop de putroei met inkeping en het dikste eind naar achter. Aan de roei was met een ketting verbonden de putzwengel, een lange dunne spar, waaraan onder een flinke haak, veeltijds een halfsleets hoefijzer om de emmer aan te hangen. Bij het water putten werd deze emmer met de zwengel omlaag gelaten. Bij het water een forse naar onder gerichte slag en de emmer kon vol worden opgehaald. Om het ophalen van die gevulde emmer te vergemakkelijken vormde het achtereind van de putroei een tegengewicht, dat zo nodig door het opleggen van een tweede stuk hout nog werd verzwaard. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 ‘”Hygiëne” in vroeger dagen’; NTC 28-4-1951)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
put , put , ruim van een schip
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal