elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: puthaak 

puthaak , puthoak , in: over de puthoak trouen, zooveel als: als gehuwd samenleven zonder getrouwd te zijn; wordt alleen van vreemden, bv. polderwerkers, landloopers, enz. gezegd; van ingezetenen heet het: zij hokken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
puthaak , püthaok , (mannelijk) , Van een man en vrouw, die niet wettelijk getrouwd zijn, zegt men: Z(i)ee bint aover de püthaok etrouwd. De püthaok is de schepter van den pütbaas (zie dat woord). Ook Gron. In de Ned. Bet. bestaat de uitdrukking: Over de püthaok vrije – (zonder toestemming). O. V. II. p. 102.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
puthaak , pethaak , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Bij papiermolens. Een haak om de pet schoon te houden van kroos. Zie pet 2 en vgl. krozer. || Een ijzeren pethaak, Verkopings-Catal. (Wormerveer, a° 1855), Zaanl. Oudhk. – Pethaak voor puthaak in de gewone bet. is ook elders in Holl. gebruikelijk (DE JAGER, Freq. 2 422) Vgl. ook BURGHOORN, Kluchthoofdige Snorre-pijpen (ed. 1644), 24: “hij is noch te rekenen van ons geslacht: … sen Vaertjes besem-stok, en men Moertjes houte steel van heur pethaeck bennen an eene boom ewassen”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
puthaak , püthaok , (mannelijk) , Van een man en vrouw, die niet wettelijk getrouwd zijn, zegt men: Z(i)ee bint aover de püthaok etrouwd. De püthaok is de schepter van den pütbaas (zie dat woord). Ook Gron. In de Ned. Bet. bestaat de uitdrukking: Over de puthaok vrije – (zonder toestemming). O.V. II, p. 102.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
puthaak  , pöthaok , puthaak. Enne mins is genne pöthaok, men kan iemand niet alles opleggen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
puthaak , puthaaken , mannelijk , puthaaken , puthaak
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
puthaak , puthoake , haak boven de waterput.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
puthaak , puthaak , putstok , de , Ook putstok (Zuidwest-Drenthe) = puthaak met een krul om een emmer water naar boven te halen Het ummertie is mij van de puthaoke vallen (Eli), Het was een apart span. Zij waren ook aover de puthaoke etrouwd, d.i. zij lèefden as man en vrouw, mar waren niet veur de wet etrouwd (Hgv), Over den puthaak ‘de gewone en voornaamste ceremonie, welke bij zoodanige echtverbintenis onder deze volksklasse in acht wordt genomen is, dat getuigen eenen puthaak voor een grooten boom leggen, geliefden daarover heen stappen en het huwelijk is gesloten. [...] De bruidegoms waren meestal scharenslijpers’ (dc)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
puthaak , put-aoke , puthaak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
puthaak , puthaoke , puthaak. “Zie bint aover de puthaoke etrouwd” wordt ezeg aover ’t hokkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
puthaak , puthaoke , putshaoke, puttehaoke , zelfstandig naamwoord , de 1. puthaak (met een emmer eraan om water te putten) 2. varkensstaartvormige haak aan een puthaak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
puthaak , put-aoke , (zelfstandig naamwoord) , puthaak. Uitdr.: Aover de put-aoke trouwen ‘ongehuwd samenwonen’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
puthaak , putaok , 1. puthaak, stok met daaraan een haak met een hoefijzer of een gedraaid ijzer waaraan men een emmer hing om water uit de put, die op het erf stond, na , 2. hang t’ur nie zo mee oewen putaok bove = sta er niet zo met je neus bovenop
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
puthaak , pöthaok , (mannelijk) , puthaak
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal