elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: raad 

raad , rao , voor: rade, in: te rao gaon = te rade gaan.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
raad , raod , (mannelijk) , raad.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
raad , road , in: is gijn road tou, ook, en sterker: - gijn levendige road tou = dat kan onmogelijk in orde komen, zooveel als: wij zijn (of: men is) ten einde raad; ik wijt mie gijn road van kopzeerte = ik heb een ondragelijke hoofdpijn. Vgl. ʼt Middel-Hoogduitsch: daz er sin selbe rat ne weiz. (Eneït von Heinrich von Veldeke, 1189.) Vgl. begriepen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
raad , te roade , in: te roade goan (of: geven) = een’ raad geven, bv. tegen kiespijn; ook: opgeven om er naar te raden; te roade geven = laten raden; ik geef joe te roade woar ik west bin, wat hij tegen mie zee, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
raad , raad , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast soms nog reed. Zie de wdbb. || Ik zel je ’en goeie reed geven. – Vgl. de samenst. wanraad.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
raad , reed , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie raad.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
raad , road , in: is gijn road ton = goede raad is duur, enz. (letterlijk: er is geen raad “voor”), vergel. levendig *; “geen raad weten” wordt hier wederkeerig vervoegd, vooral in de beteekenis van: zich niet weten te bergen, bvb. ’k wijt mie gijn road! ’k wijt mie gijn road van kopzeerte. Op bldz. 484 II midd. is deze vorm verkeerdelijk als Nederlandsch beschouwd. Merkwaardig is ter vergelijking de regel “daz er sin selbe rat ne weiz” uit het Middelhoogduitsche gedicht Eneit, v. Heinr. v. Veldeke, uit het jaar 1189; intussen komt “’k weet me geen raad” enz. ook elders in de spreektaal, natuurlijk evenzeer met beperkte beteekenis, voor. Vergel. begriepen * (bldz. 500), ook de aanteekening.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
raad  , raod , raad.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
raad , raod , mannelijk , raad
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
raad , reid , zelfstandig naamwoord de , Raad, advies. Zegswijze reid ten end, ten einde raad (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
raad , raod , de , raoden , 1. raad A’k oe een goeie raod mag geven, gaot er niet hen (Ruw), Wij zagen wel det er raod eschaft mus worden (Hgv), Hij had nog wel aordig eleerd en kun veule meinsen met raod en daod bijstaon (Hav), Hie was hielmaol met de raod op het èende (Sle), ...ten einde raod radeloos (Klv), Goeie raod is duur (Dwi), Hij wus hom gien raod van koespien (Row), Vrogger gung de jeugd bij de aoldere mensen te raod (Zwin), Der was gien raod toe um het veur mekaer te kriegen was geen mogelijkheid (Dwi) 2. (gemeente)raad De raod vergadert elke twiede maandag van de maond (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
raad , rood , raad. ‘k weet er gènne goeie rood mè, ik weet niet goed wat ik moet doen; hij zit in de rood, hij zit in de (gemeente)raad.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
raad , raod , raad
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
raad , raod , raad.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
raad , ginne raod , geen raad , És ge meej’jew áéremoej ginne raod wit, dan zéd’de nie wérd, dé ge ze hét. Als je met je armoede geen raad weet, dan ben je niet waard, dat je ze hebt. Leren leven met het weinige dat er is.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
raad , raod , zelfstandig naamwoord , de 1. (g. mv.; vooral in vaste verb.) wat men bedenkt, weet om uit problemen enz. te komen 2. (g. mv.) advies, raad die men een ander geeft 3. gemeenteraad, adviescollege, bestuurscollege e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
raad , rao , bijwoord , verkorte vorm van raod of van het ww. raoden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
raad , raed , zelfstandig naamwoord , raede , raedtjie , 1. raad Goeie raed is dier Goede raad is duur 2. gemeenteraad D’r zatte gêênêêns twêê Leefbaore in de raed Zie ook gemêênteraed; ’k Weet me gêên raed Ik ben wanhopig
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
raad , rood , raad
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
raad , ginne raod , geen raad
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
raad , raod , (zelfstandig naamwoord) , raad.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
raad , raod , raad
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
raad , rôd , raad , Goeje rôd is duûr. Goede raad is duur. (Kojje rôd trowwes ók.) , Rôd van Élf. Raad van Elf. Het gevolg van Prins Carnaval.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
raad , raod , (mannelijk) , 1. raad, advies 2. gemeenteraad , Alle goje raod inne windj slaon. Emes raod gaeve. Zich geine raod weite.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
raad , raod , zelfstandig naamwoord , raad, advies gemeenteraad; MP gez. Goeje praot kost niks en goeje raod is gèld wèrd. Cees Robben - Prent van de Week - Hij wies ginne raod; agge meej oewen èèrmoej ginne raod wit; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; ro.t, znw. m. 'rood' - raad; gemeenteraad; znw. vr. 'root'- (honing)raat.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
raad , raod , raad; advies (raad)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal