elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: raadsel

raadsel , raadsels , Witje-witje zat op ’t hektje, Witje-witje brak zien nektje, Is gijn man in ’t hijle land, Dei witje-witje weer moaken kan. Hiervoor ook: Istje-menistje lag op de bank, Istje-menistje vōl van de bank, Is gijn, enz. (Antwoord: ei);’k Kwam op ’n diektje, ’k Kwam op ’n damke, Kwam mie ’n roodbōnt (of: zwartbōnt) hōndje tegen; ’k Heb die ’t nō al dreimoal zegd en nog wijst nijt hou ’t hōndje hijt (– weet gij niet hoe ’t hondje heet). (Antwoord: kwam.); Mien mouder hat ’n doosje, In dat doosje zat ’n roosje, Dat roosje gōng van krōlderdekrōl; Kenst nijt roaden al worst ook dōl. (Antwoord: walnoot.); Op Eli goa ik, Op Eli stoa ik, Op Eli bin ik welgemoud, Dat ik mien man verlössen mout; ook: Roar ijs, wat is dat veur goud? (Oplossing: Eene vrouw kon voor haren man, die gevangen zat, de vrijheid herkrijgen, indien zij een raadsel wist te bedenken, dat niemand kon oplossen. Dat gelukte haar: Eli had haar hondje geheeten, van welks huid zij pantoffels droeg.);’k Gooi ’n dinktje rond op ’t hoes en ’t zel d’r lank weer ofkomen (Antwoord: kluwen garen.) Ook Oostfriesch, Solingen, enz.;’k Gooi ’n dinktje wit op ’t hoes en ’t komt ’r rood weer of. (Antwoord: ei.);’k Gooi ’n dinktje rood in de put en ’t zel d’r zwart weer oetkomen. (Antwoord: kooltje vuur.) Kinderen breiden zoodanige opgaven wel uit, bv.:’k Gooi ’n dinktje allijn op ’t hoes en ’t komt ’r bie honderdoezenden weer of, waarvan het antwoord moet zijn: een zakje met zaadkorrels, enz.; Stōn ’n juffrou in de deur, Har ’n witbont schoetje, ook: witte schuddeldouk veur; Hou langer dat ze stōn, Hou meer dat ze vergōng. (Antwoord: brandende kaars.); Een rond oud mannetje, Een dik vet wijf, Zij hadden drie kindertjes, En ook nog wat in ’t lijf. (Antwoord: ijzeren pot. Het hengsel is ’t mannetje, de pot de vrouw en de pooten zijn de kindertjes.); Doags gait ’t van klapperdeklap, ’s Oavens stait veur ’t ber en gapt. (Antwoord: muilen.); Gait ’n dinktje rond om thoes en kikt alle piepergoatjes in. (Antwoord: de zon.); Olle grieze graue, Slept alle nachten in daue; Al het hij ook gijn vlijs of bloud, Hij dait doch alle mensen goud; ook Oostfriesch (Antwoord: roggemolen.); Stōn ’n mantje op de diek, Zien oogtjes gōngen van kiekerdekiek, Zien hoartjes gōngen van krōlderdekrōl, Kenst nijt roaden al worst ook dōl. (Antwoord: schaap); Vijr (of: Vair) olle wieven, Kenn’ kander nijt (nait) kriegen, Hou harder dat ze loopen, Hou meer dat ze verkoopen (Antwoord: molen, eigenlijk: molenwieken.) Zie ook: roar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
raadsel , raodsel , röödsel , röödselke , raadsel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
raadsel , raodsel , onzijdig , raodsels , räödseltien , raadsel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
raadsel , reisel , zelfstandig naamwoord ’t , Raadsel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
raadsel , röadseltie , raadseltje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
raadsel , raodsel , het , raodsels , raadsel ’s Aovends bij het vuur weurden der wal is raodsels opgeven (Emm), Het is mij een raodsel, woor die sleutel bleven is (Hijk), Zij is altied nog een raodsel west (Eri), Waor die lu het allemaole van doet, is mij een raodsel (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
raadsel , raodsel , raadsel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
raadsel , raodsel , raosel , (Kampen) raadsel. Ook: raosel (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
raadsel , raodsel , reutseltien , raadsel. Bie de wienteraomd mekaere reutselties opgeevm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
raadsel , rôdseltje , raadseltje , Oopa moet dik nô de kléénkénder lûstere want dan hôn ze wir 'n rôdseltje. Opa moet dikwijls naar de kleinkinderen luisteren want dan hadden ze weer een raadseltje.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
raadsel , raodsel , zelfstandig naamwoord , et 1. opzettelijke, in vraagvorm gestelde puzzel, bedoeld om iemands vindingrijkheid te testen 2. ingewikkelde zaak, moeilijk oplosbaar probleem
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
raadsel , raosel , zelfstandig naamwoord , raosels , raoseltie , raadsel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
raadsel , rôdsel , raadsel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
raadsel , raodsel , (zelfstandig naamwoord) , röödseltien , raadsel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
raadsel , ròdsel , raadsel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
raadsel , raodsel , (onzijdig) , raodsels , räödselke , raadsel , Emes ei räödselke opgaeve.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
raadsel , ròdsel , zelfstandig naamwoord , ròdseltje , raadsel; R.J. 'raodseltje'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
raadsel , raodsel , raodsels , räödselke , raadsel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal