elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ragebol 

ragebol , raagshoofd , ragebol.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
ragebol  , ragebol , raagbol, ook meisje met ruw slordig haar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ragebol , raoversbol , zelfstandig naamwoord , ragebol.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
ragebol , ragebolle , raegebolle , ragebol.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ragebol , ragebol , raegebolle , de , Ook raegebolle (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. ragebol Apmit doe ik de ramen buten nog wel ies mit de ragebolle (Bro), Spinkoppen wegjagen deej in het keukenèende meer met de ragebol en op de deel met een riezebessem (Sle), Wij zegt nou ragebol, mor eerder zeden wij altied kopstubber (Eke), z. ook rouwkop 2. bepaalde haardracht Wat hef die meid een raegebolle op de kop wild, ongekamd haar (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ragebol , ragebòlle , ragebol
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ragebol , raegebol , raegebolle , zelfstandig naamwoord , de 1. ragebol 2. wilde haardos, geheel van lang krullend hoofdhaar, ook: haardos met extra fijne krulletjes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ragebol , ragebolle , (zelfstandig naamwoord) , ragebol.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ragebol , raogusbol , ragebol
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
ragebol , ragesbol , roegebolle, raovesbol , ragebol (ook in de betekenis: verwilderd haar).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ragebol , raovesbol , zelfstandig naamwoord , ragebol (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ragebol , raovesbòl , raogerbòl, raogesbòl, ragebol, raagbol , zelfstandig naamwoord , "1. borstel op een lange stok om hoger gelegen delen van het huis te kunnen schoonmaken; Henk van Rijen - raovesbòl c.q. grôote steek; DANB raovesbòl; Henk van Rijen - 'raobe(r)sbòl'; Frans Verbunt - raogesbòl, raoversbòl, raovesbòl; Dirk Boutkan (1996) - raovesbol (blz. 95); WBD (III.2.1:320) 'raovesbòl, raoverskòp, raobesbòl' = ragebol, 'raagbol'; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Par. 225a (blz. 175) is m.b.t. 'ragebol' onvolledig. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw.m. (weinig gebr.) 'raafbol' - ragebol; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'raoversbol' zelfstandig naamwoord - ragebol; WNT RAAGBOL (vrijwel geheel verdrongen door RAGEBOL) bep. borstel, z.a. RAAGBORSTEL, ook vervormd tot RAAFBORSTEL, sinds Halma (1710) in de woordenboeken; ook: raag-, raafstok. 2. in overdrachtelijke zin: het hoofdhaar, al dan niet gelijkend op 1; ...mee zoo'n lange haoren en zoo'n flabberboks om z'n beene en zoo'n pereplu van 'nen hoed op z'nen raogersbol!"" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939); Heure pluusen hoed, op durre raoversbol... (Tony Ansems, Heure pluusen hoed; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal