elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roepen 

roepen , [luid spreken] , ropen , als infinitief en geropen als participium voor roepen en geroepen worden in Dord dikwijls gebezigd. Gelijk men weet komen deze vormen bij onze oudere dichters, met name bij Cats, meer dan eens voor.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
roepen , rop , roept; hij rop = hij roept, Gron. hij ropt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
roepen , rôpen , (sterk werkwoord) , roepen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
roepen , roupen , (= roepen), in: hij ropt ’r nijt hard van, of: hij het ’r nijt hard van roupen = hij wijst het verzoek wel niet van de hand, of: keurt het voorstel of plan niet geheel af, maar had toch gewichtige bezwaren, toonde zich er weinig mee ingenomen, zoodat op zijne hulp of medewerking niet te rekenen valt. – Ook voor: lof van spreken: “zai roupen nait van dei maid” = zij zeggen van dat meisje weinig goeds, zij heeft geen besten naam; ruipen, rijpen, raipen = riepen. ropt = roept, van: roupen = roepen. Zie ook: roppen 2.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roepen  , roope , roop, rups, rup, reep, geroope , roepen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
roepen , roupen , röup, eroupen; ik roupe, dů ropst, hei rop, wi, i, zei roupt , roepen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
roepen , roepen , verl. deelw.: gerope (pl.m. 1900).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
roepen , roopm , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: rop, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: reup , roepen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roepen , roepen , ropen, rooupen, roupen , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ropen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), rooupen (Midden-Drenthe), roupen (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. roepen Moet wij der nog meer volk bij rooupen (Anl), Even wachten hoeveul as e röp slaat, van een koekoeksklok (Sle), De koekoek rup tegen regen (Eri), Ik zal oe der morgenvro wel uutroepen wekken (Dwi) 2. schreeuwen Ie hoeft niet zo hard te roepen, ik bin niet doof (Ruw), Roepen en reren te keer gaan (N:be:Zui en Eex), Hij röp moord en braand (Mep) 3. wekken Ik heb oe al zo vake ereupen. Heur ie niet, da’k oe roepe (Zdw) 4. ontbieden Roep ze maor even; het is middag (Man), Wil ie de hond roepen? Die is vlak achter het huus (Eli) 5. pochen Het mot geweldig wezen, ze roupt er nogal over (Bov), Meester ruup er niet zo haard van (ov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roepen , roepen , roepen. Roep gien erink veurde-j em in de zak ebben ‘niet te vroeg juichen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
roepen , roepm , roepen. Hie röp oe niet weer. Wie reupm ’m wel drie keer. Ik heb eroepm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roepen , roepen , werkwoord , 1. roepen, schreeuwen, kreten slaken e.d.; van bep. vogels: de karakteristieke roep, het kenmerkende geluid laten horen 2. door te schreeuwen meedelen, verkondigen 3. met stemverheffing iemand vragen, bevelen te komen, ontbieden, dringend vragen, verzoeken 4. luidkeels uiten 5. bep. geluid produceren door jonge bijenkoninginnen als ze nog in de cel zitten 6. wekken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roepen , roepe , werkwoord , roep, roop, geroope , 1. wekken, thuis ophalen Hoe laet mo’k roepe? Hoe laat zal ik je wekken? 2. waarderen Ze roepe d’r over Ze hebben daar veel waardering voor 3. roepen De voerman heb geroope: ‘Overend hooooor!’
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
roepen , bè oe roepe , ontbieden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
roepen , roewpe , roep, ruupt, riejp, , roepen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
roepen , rope , ich roop, du reups, hae reuptj, zie rope, ich r , roepen , Doe kums wie gerope. Op emes rope.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
roepen , raope , raep – geraope , roepen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal