elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vertelsel 

vertelsel , vertelster , (= vertelling) = sprookje; ze’k joe ’n vertelster vertellen?
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vertelsel  , vertelselke , verhaaltje.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vertelsel , vertélsel , o , vertélsels , leugen(s), kletspraat.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vertelsel , vertelseltien , zelfstandig naamwoord , et; vertelsel, verhaaltje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vertelsel , vertèssel , zelfstandig naamwoord , "vertelsel, verhaal; vertèsselkes (Heerkens SVD), naam van een gedichtenbundeltje; Vertelt dan is gaauw in vertesseltje"". (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Henk van Rijen - 'vetèssel'; Stadsnieuws -  Ge moet hier naa gin vertèsselke gòn ophange ik gelêûf oe vur ginne sènt. (280310) Je moet hier nou geen fabeltje gaan vertellen ik geloof je absoluut niet. WBD III.3.1:252 'vertesseltje’ = sprookje"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal