elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vervelen 

vervelen , vervélen , (zwak werkwoord) , vervelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vervelen , vervelens , verveling; oet vervelens gōng hij noa de kroug; tot vervelens tou = zoo dikwijls herhalen tot het verveling veroorzaakt. Vgl. goudens, en: kwoadens.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vervelen , vervelens , verveling: oet vervelens; vergel. goudens *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vervelen  , verfaele , vervelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vervelen , verveule , werkwoord , Vervelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vervelen , verveulens , zelfstandig naamwoord , in de combinatie tot verveulens an toe, tot vervelens toe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vervelen , vervelen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , vervelen Zien eeuwige gezeur begunt mij te vervelen (Eli), Ik heb hum er aal daog zitten en dat verveelt (Gas), Regen verveelt heil gauw (Nor), Hij verveelt zuk hier dood (Wes), Die man verveelt zuk nooit, die is aaid an het husseln (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vervelen , vervelen , vervelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vervelen , vervild , verveeld , Ik héb m'n aojge nog nóó't vervild, sénds ik meej wèrreke zéij ópgehaauwe. Ik heb me nog nooit verveeld, sinds ik met werken ben opgehouden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vervelen , verveele , vervilt, vervilde, vervild , tot last zijn, vervelen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vervelen , vervaele , vervaeltj, vervaeldje, vervaeldj , 1. vervelen 2. zich vervaele = zich vervelen , Lik mich neet zoea te vervaele mèt dien gezanik.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vervelen , verveele , zwak werkwoord , vervelen; WBD III.1.4:400 'zich vervelen’,'vervelen', 'zijn eigen vervelen' = idem; WBD III.1.4:410 'vervelen' = idem; B verveele - vervilde - vervild; – vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vervilt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
vervelen , vervaele , vervelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal