elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vief 

vief , fief , levendig, vlug, flink, bij de hand, van meisjes gezegd; da’s ’n fieve maid = een flinke meid (vrijster), synoniem met: ’n flink wicht. Sara Burgerh.: ’t is een vif platje, (p. 34); zij is zoo vif als een lichtstraal (p. 227). Zuid-Limburg fiefig, Hoogduitsch pfiffig. Van ’t Latijnsche vivus, vivax = levendig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vief , fîf , (bijvoeglijk naamwoord) , Levendig, vlug. Bij Wolff en Deken: vif. ’n Fîf ventjen (zoowel lichamelijk als geestelijk). H(i)ee is zoo fîf, vlug, bij de pinken. Tînes is fîf op de schaassens, op de b(i)eenen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
vief , fîf , (bijvoeglijk naamwoord) , Levendig, vlug. Bij Wolff en Deken: vif. ’n Fîf ventjen (zoowel lichamelijk als geestelijk). H(i)ee is zoo fîf, vlug bij de pinken. Tînes is fîf op de schaassens, op de b(i)eenen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
vief  , vief , vlug.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vief , vief , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , fit, actief De jaoren gaot wel tellen, mar hij is nog goed vief (Koe), Hij is nog so vief as wat (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vief , fief , kwiek, keurig. ’t Is een fief keerltien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vief , fief , vlug , Héij is hiil fief vur zun'nen aauwer, héij kan nog goed van plak, héij lupt lék ne kieviet. Hij is heel vlug voor zijn leeftijd, hij is nog goed ter been, hij loopt als een kievit.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
vief , wief , bijvoeglijk naamwoord , kwiek, vlug
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vief , fief , kwiek, levendig
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vief , vief , (vie\f) , vief, levendig, kwiek , Dae is nog vief vuuer ziene laeftied.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vief , fief , bijvoeglijk naamwoord , kwiek, levendig, vlug; uit Franse 'vif'; GD08 we blèève fief èn hêel aktief
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
vief , fief , vitaal
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal