elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vies 

vies , vies , afkeerig, walgelijk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
vies , [aardig, geestig] , viesch , aardig, geestig. Een viesch man is een aardige of geestige persoon.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
vies  , fies , vies. Fieze mop, gewaagde anecdote. Op eine fieze kier, op zekere keer. Fieze metente, kletspraatjes.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vies , fiês , erg fiês keduuk erg kapot; lelijk fiês in de kiekert staon lelijk in de kijker staan; wel degelijk fiês in de smiéze hébbe wel degelijk in de gaten hebben.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vies , vies , fies, viesk , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de combinatie vies bai weze, zeer goed bij de tijd zijn, zeer uitgeslapen zijn. Zegswijze hai is fies bai, hij is zeer goed bij de tijd. Verouderde variant viesk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vies , vies , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vies, smerig Hondehaor is een vieze boel in huus (Rui), Zit toch niet zo vies te kauwen (Vtm), Dat is wel zo’n vies kadaster, een echte smeerlap! (Schn), Hij hef altied van die vieze prooties schuine praatjes (Bal), Hij is te vies um an te pakken (Dal), Een gaoie borrel, door is e nait vies van (Eco), Wat is het vies weer (Oos) 2. erg, zeer Hie hef het hum even vies zegd goed duidelijk (And), Dat zal hum nog vies geld kosten veel (Sle), Zij hebt hum vies bij de bok daon behoorlijk bedrogen (Ker), Pas mar op, dat ze oe niet pakt, want dan bi’j der vies bij lelijk (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vies , vies , vies. Zo vies as een värken, Vîêze värkens wödden niet vet ‘vieze varkens worden niet vet’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vies , fies , vies, onzedelijk. Ik vinne hum mâr ’n fieze keerl. Hie lig vaeke te loern.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vies , vies , bijvoeglijk naamwoord , 1. vuil, onsmakelijk 2. een gevoel van viesheid opwekkend 3. schunnig, schuin, bijv. vieze bakken vieze moppen 4. smerig, gemeen, bijv. een vieze diefstal, Peerden kun wat vies wezen enigszins onbetrouwbaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vies , vies , bijwoord , 1. op ernstig misse wijze, bijv. Hi’j is d’r vies bi’j 2. in hoge mate, bijv. Hi’j is vies bi’j een zeer ontwikkeld persoon 3. in onaangenaam hoge mate, bijv. Hi’j kan iene vies ofsnauwen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vies , fies , bijwoord , erg (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vies , vies , bijvoeglijk naamwoord , intelligent (West-Brabant); vies; kieskeurig (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vies , vies , viezer, viest , 1. vies, vuil 2. erg 3. eens , Det zuut t’r vies oet: dat ziet er niet mooi uit.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vies , fie~s , vies
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal