elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vijg 

vijg , vijg , veeg , lasteren of nietswaardig vrouwspersoon. Het beteekent eigenlijk niets, zooals men ook zegt: Gij zijt mij dat niet waard. Ik wil er dat niet voor geven
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
vijg  , vieg , vijg.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vijg , viige , vrouwelijk , vijg
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vijg , viege , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , vieng , vijg
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vijg , viege , vijg.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vijg , viege , vieg , de , viegen , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook vieg (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = vijg Jammer det er zoveule pitties in die viegen zit (Mep) *Elk zien meug, zee de boer en hie at viegen (Bov); Elk zien meug, mor ik eet viegen veur de dörst (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vijg , vîêge , vijg
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vijg , viege , zelfstandig naamwoord , de; vijg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vijg , viege , (zelfstandig naamwoord) , vijg.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vijg , vieg , (vrouwelijk) , viege , viegske , vijg
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vijg , vèèg , zelfstandig naamwoord , "1. vijg; vijg, zowel voor de vrucht v.d. vijgeboom als van de dadelpalm , ook 'smèrlap’ of 'veègedaal' genoemd; MP gez. 'Ieder zene meug', zi den boer, èn hij fraat vèège. WBD III.2.3:173 'vijg' = dadel, ook 'dadel' of 'vijgendaal’; Pierre van Beek – Komt men ""als Jan met kraaien naor de mert (markt)"" of ""mee vijgen nao Paosen"" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950); 2. veeg; ‘Hier is dieje bandiet van ons, assie nie löstert, gift em mar un vèèg; tegen zen oren’, zeej ons moeder tegen zuster Willemien. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
vijg , vie~g , vijg
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal