elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vitten 

vitten , fietjen , vietjen , zich onledig houden met iets wat eigenlijk geen werk kan heeten, maar waarin vrouwen nogal behagen vinden, bv. poetsen, afstoffen, wrijven, schuren als dit geheel onnoodig is; “ik bin zat van aal dat vietjen” = dat gefietje begunt mie te vervelen, zegt bv. de huisvader. Oostfriesch fitjen = met eene veeren stoffer zacht over iets heen strijken; Nedersaksisch fitjen, Göttingen enz. fitchen = fietjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vitten  , fitte , vitten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vitten , fitse , zeuren met het eten. Eten met lange tanden Wa zitte me daor toch wér te fitse!.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vitten , vitten , zwak werkwoord, onovergankelijk , vitten Zit toch niet aal zo te vitten! (Hijk), Ie moet niet altied zo op je jongen zitten te vitten (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vitten , vitten , werkwoord , vitten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal