elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vlaai 

vlaai , vlaai , (vrouwelijk) , vlaaien , del, holle vlakte, geul, eene laagte in het wei- of bouwland; zulke vlaaien zijn veelal nadeelig, doordien het water er staan blijft, waardoor een waterachtig gewas ontstaat.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vlaai , vlaai , vlei , (zelfstandig naamwoord) , Door de natuur gevormde del of geul in weiland (de Wormer). || Vlaaien in je land benne kwaad, want ’et water blijft er in staan. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 112). Misschien is in vlaai, vlei een onduidelijke vocaal gesyncopeerd en is het woord ontstaan uit vallei; vgl. § 83 voorwerk. – Onzeker is ook of het bij Groenlandsvaarders gebruikelijke vleie, vlaai, in de zin van ijsveld, ijsschots(?), hetzelfde woord is. Is de eigenlijke bet. daarvan veld, dan zou dit mogelijk zijn; is deze echter schots, dan zou men eerder denken aan vlade, platte koek (Mnl., KIL., Staten-Bijbel enz.), waaruit ons vla, slappe toespijs (zie verder FRANCK op vlade). || De Schepen leggen aen de ys-velden als aen haer Anckers, door de haecken wel vast gemaakt. En dikwils leggen verscheyde Schepen aen een Vleye, maer liefst zynze ’er alleenig aen, F. MARTENS, Vojagie n. Groenland 18. Aan de grootste ys-vlayen leggen de Scheepen niet altijd het veyligst, om dat door de kragt des strooms en rondte der zee, dikmaals komen te scheuren en te breeken, tot groot gevaar der Scheepen, ald. 19.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vlaai , vlaai , vlei , (bijvoeglijk naamwoord) , Van water. Bedorven, stinkend, troebel. Synon. flauw, ontzet. || ’t Water is vlaai (het stinkt). Die sloot is vlaai (de vissen sterven er in). De Kaddegats aen d’Ooster-sy (het Kattegat te Oost-Zaandam, dat als houthaven dienst deed). Daer zijn de schoone Water Vlay, Daer lost men ’t Hout wel op de Kay, Saenl. Wassende Roos 5. – Vgl. Stad-Fri. flei en Gron. vlei, vlies dat op gekookte melk of koffie komt, en dunne laag op enige vloeistof, b.v. onzuiver water (MOLEMA 455). Oost-Fri. flêje, flêi, flê, dun vliesje of vel dat iets bedekt, ook van de grauwe staar op het oog (KOOLMAN 1, 505); evenzo Mnd. vlî, vlig, staar, en onzuivere laag op olie (LÜBBEN 5, 273).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vlaai  , flaai , vla. flaetje, flaaie
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vlaai , flaai , m , vlaai flaai mi krinte vlaai met krenten; stukske flaaj punt vlaai.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vlaai , vlaai , zelfstandig naamwoord de , Door de natuur gevormde del of geul in weiland. De herkomst van het woord is onzeker. In de vakliteratuur wordt o.a. gewezen op de mogelijkheid in vlaai een variant van vallei te zien (Zie Boek. onder vlaai I), een woord dat verwant zou zijn met vlaai = platte koek (Zie Boek.) of een variant van vlije = geul, kreek, misschien behorend bij het werkwoord vlijen (Zie M. Schönfeld ‘Nederlandse Waternamen’, blz. 218).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vlaai , flaaj , sort gebak.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
vlaai , flaaj , vla(ai), bekend cirkelvormig gebak met vulling.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
vlaai , vlaai , zelfstandig naamwoord , de; vlaai (bep. deeggebak)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vlaai , vlaoi , zelfstandig naamwoord , vlaoije , vlaoichie , vallei, laagte in bouwof weiland
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vlaai , vlaoi , zelfstandig naamwoord , lompe vrouw (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
vlaai , flaaj , (vrouwelijk) , flaje , flaetje , 1. vlaai 2. lollige, uitgelaten vrouw 3. koeflater , Soearte flaaj: abbrekoeaze, appele, bieëre, kese, krónsjele, proeme, pudding, gruuemele, linze, rieste, flaaj mèt en sónger reipkes en mèt of sónger dèksel.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vlaai , flaaj , vlaai
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal