elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vlegel

vlegel , vlègel , (mannelijk) , vlègels , vlegel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vlegel , vlaegel , vlegel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vlegel , vliäägel , mannelijk , vlegel, dorsvlegel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vlegel , vleagl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , vleagls , vleaglken , vlegel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vlegel , vlaegel , kwoj-jóng; doarsvlaegel.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
vlegel , vlegel , vlègel, vleigel , de , vlegels , Ook vlègel (Zuidwest-Drenthe, zuid), vleigel (N:Rod) = 1. dorsvlegel Vroeger dörscherden ze mit de stok of de vlegel (Gee), Een leg dörsen met de vlegel (And), Ze dorsten met tweei vlegels (Bal) 2. ondeugend, brutaal, lomp, onbeschoft etc. persoon, vlerk, vlegel Een flink pak op de ribben mut die vlègel hebben (Hgv), Geef die brutaole vlègel toch een lier um de oren (Ruw), Wat een luie vlegel (Sle), ...onbeschofte vlegel (Eri), ...lompe vlegel (Koe), ...onbezunnen vlègel (Hgv) *Klein mar kregel is better dan een grote vlegel (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vlegel , vlegel , 1) dorsknuppel; 2) ondeugende jongen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
vlegel , vlegel , vlegel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vlegel , vlèègel , 1. vlegel, dorsvlegel. 2. rakker, lomperd.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vlegel , vlegel , zelfstandig naamwoord , de 1. vlegel, vlerkige persoon 2. dorsvlegel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vlegel , vleegel , ondeugend kind
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
vlegel , vlègel , (zelfstandig naamwoord) , 1. kwajongen; 2. dorsvlegel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vlegel , vleejgel , vlegel, deugniet
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vlegel , vlieëgel , (mannelijk) , vlieëgels , vlieëgelke , 1. vlegel, ondeugd 2. dorsvlegel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vlegel , vlaegel , vlegel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal