elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vliegen 

vliegen , vleugen , gevlogen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vliegen , vlijgen , (= vliegen), voor: veel bij de straat zijn, van meisjes, vooral wanneer het haar om eenʼ vrijer te doen is. Zulk een meisje krijgt den schimpnaam van vlijgert, en: vlijggad; maakt zij zich daaraan in ʼt geheel niet schuldig, dan zegt men: zijʼs niks nijt vlijgachtig; loopen en vlijgen bie stroat, tautologie – vlijgerei = het veel samenkomen van jongens en meisjes, die elke gelegenheid daartoe opzoeken; watʼn gevlijg! = wat een geloop, gedraaf, buitengewone drukte bij de straat! – ʼt wark vlōgt mie an, zegt de ordelijke en ijverige vrouw, wanneer zij het huiswerk niet op tijd af kan doen of afgedaan kan krijgen; dʼr vlōgt ʼn dik stōk wind = het waait hard; – oet en in vlijgen = onophoudelijk ʼt huis in- en uitloopen. Als zelfstandig naamwoord komt het voor in de uitdrukking: ʼt dut mie nei as vlijgen! (Ommelanden) = ʼt benieuwt mij geducht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vliegen , vliegen , (sterk werkwoord) , zie een zegsw. op haastig I, en vgl. vlienen. In de bouwkunde. Van houten voorgevels, inzonderheid van het puntig toelopende bovenstuk van een voorschot. Vooroverhellen. Men bouwt topgevels vliegend, omdat ze, als ze te lood (naar de loodlijn) worden geplaatst, schijnbaar achteroverhellen. || Hoeveel moeten we het voorschot vliegen laten (hoeveel cm moet het uit het lood komen)? Veel huizen en pakhuizen benne vliegend ’ebouwd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vliegen , vlienen , (sterk werkwoord, intransitief) , Vliegen. Het verl. deelw. en praes. enkelv. schijnen niet in gebruik te zijn. || De vogels vlienen deur de lucht. Kijk deer es ’en hoop spreeuwen an kommen vlienen. Ik wou de eenden grijpen en net vlonen ze weg. – Evenzo elders in N.- Holl. || Juist toe ie weer op Guurtje miende an te vlienen ... stond Piet Bras voor hem, Sch. t. W.1, 302 (W.-Friesl.). – Het ww. is door misverstand ontstaan uit de inf. vlien. || Het Swaluwken komt vlien op der kist, VALCOOGH, Regel d. Schoolm. 36. Vandaar luidt in W.-Friesl. de 3e pers. enkelv. praes. nog vliet. || Wup! deer vliedt het mes een gezicht veer over ’t ais (ijs), Sch. t. W., t.a.p.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vliegen  , vleege , vleeg, vlügs, vlüh, vloog, gevlaoge , vliegen. Laote vleege, een wind laten. Hae zuut ze vleege, hij is snik. De doeve vleegen oet, gezegd tegen iem. die de broek open laat staan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vliegen , vleigen , vlääg, evläägen; ik vleige, dů vlögst, hei vlög, wi, i, zei vleigt , vliegen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vliegen , vleeng , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: vleege, 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: , vliegen. t Vlùg um van de haane, hij werkt verbazend vlug
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vliegen , vliêge , D’r énne laote vliêge Een wind laten.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vliegen , vlieng , vleug, evlöang , vliegen; * ik sloa niks of as vlieng: mij past alles.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vliegen , vliegen , vleeigen, vlegen, vleigen, vlaigen , sterk werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook vleeigen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), vlegen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), vleigen (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), vlaigen (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. vliegen Der vleug een korhaon oet de heide (Dro), De hagel vleug mij um de oren geweerhagel (Sle), De vonken vleeigt over het dak (Eex), Der is mie een mugge in het oge vlogen (Bco), Maor ik wus niet, waor Hinderk steuven of vleugen was waar hij gebleven was (ti), Der is mij een stuk oet de kop van het haarspit vleugen (Oos), Ze vleugen mekaor in de haoren (Anl), ...um de hals (Gro), Er vliegt malle lappen langs de locht gezegd van lelijke buien (be:Zdw), Die zet alle veugelties vliegen doet niet veel (Hol), Die kèrel was niet te vertrouwen, ik was er zowat invleugen (Sle) 2. snel gaan Je moeten de koien even opholden, aanders vleigen ze alle dammen in rennen (Een), De dagen en de maonden, die vleegt er langes (Hijk), In een knik in de weg vleug hij de sloot in (Mep), De kinder kwamen der anvliegen, toen ze bes zagen (Oos), Hol toch is op aal hen en weer te vleigen rennen (Bov), Het geld vlög je deur de handen (Sti), Het zwaore wark vlug hum van de handen gaat snel (Bei) *Een vleigende kraaie hef altied wat (Erf), ...viendt aoveral wat (Mep); In Medemblik ziet ze ze vliegen (Hgv); Dat lieg ie! Antw. Stik de doeme in het gat, dan vlieg ie (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vliegen , vliegen , vliegen. (vlieg, vlòg, gevlòggen).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
vliegen , vlîêgen , vlög, vleug, vleugen, evleugen , vliegen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vliegen , vliegn , vliegen. Der vleugn ’n troep kraajn aover de âkkers.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vliegen , vliegen , werkwoord , 1. zich met vleugelbewegingen door de lucht voortbewegen 2. (van bijen) zwermen 3. (van een vliegtuig) zich door de lucht voortbewegen 4. zeer snel gaan 5. snel voorbijgaan, bijv. De tied vligt 6. een snelle beweging maken 7. zich snel verspreiden, snel uiteengaan, uiteenspatten e.d., bijv. De bujje vligt uut mekaere 8. zweven, in de lucht hangen, bijv. De haastdraoden vliegen weer 9. in Et liekt wel vliegen het lijkt er niet op, het slaat op niets 10. laten schieten, bijv. iene vliegen laoten een wind laten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vliegen , vlíége , vliegen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
vliegen , vliejge , vliegen , Lòt die vliejge mèr vliejge. Laat die vliegen maar vliegen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vliegen , vlege , ich vleeg, doe vluugs, hae vluugtj, zie vlege, , 1. vliegen 2. een wind laten , Doe mós neet hoeager wille vlege es dien vluuegels dich kónne drage: je moet niet meer ondernemen dan je verantwoord kunt doen. Doe mós neet wille vlege vuuerdes se vluuegels höbs. Doe zuus ze vlege. Ein vlegendje kraon vingtj mieër es ein zittendje: iemand die zich onder de mensen begeeft heeft meer kans om zijn voordeel te behalen. Vrieje det de stökker t’r vanaaf vlege.: iemand die zich onder de mensen begeeft heeft meer kans om zijn voordeel te behalen. Vrieje det de stökker t’r vanaaf vlege.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vliegen , vlôog , werkwoord , verleden tijd van 'vliege' vloog
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
vliegen , vlaege , vlaog – gevlaoge , vliegen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal