elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vlooien 

vlooien  , vluëje , werkwoord , vlooien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vlooien , vlojje , vlooien D’n aop vlojje De aap vlooien; uitvlooien Wa zitte toch te vlojje? Wat zit je toch te zoeken?
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vlooien , vlooie , werkwoord , Slaan (verouderd) | Je moete raak vlooie.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vlooien , vlooien , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. vlooien De aopen zit te vlooien (Row) 2. flikflooien (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Hie zat de hiele aovend um dat wicht toe te vlooien, mor of e der verkering met hef, wee’k niet (Sle), z. ook flikvlooien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vlooien , vlooie , uitdrukking , Gao d’n aop maor vlooie Tegen een kind dat zich verveelt; Hij zit d’n aop te vlooie Nutteloos werk verrichten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vlooien , [van vlooien ontdoen] , vlojje , vlooien, van vlooien ontdoen , ”Wa gòdde doewn?” ”D'n aâp vlojje”. ”Wat ga je doen?” ”De aap vlooien”. Gezegd tegen iemand die al te nieuwsgierig is.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
vlooien , vloeëje , vloeëjde – gevloeëjd , vlooien
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal