elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vloot

vloot , vleut , *vleut, ondiep, van een rivier.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
vloot , vloot , (vrouwelijk) , vloten , vlootje; kaasvloot, portelvloot, bij het kaasmaken in gebruik, zijnde ondiep en langwerpig vierkant. Vroeger werden ze uit vijf stukken zamengesteld, thans maakt men ze uit één stuk hout.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vloot , vloot , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , [weinig gebruikelijk] ondiep.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
vloot , vloot , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , ondiep; vloot plôgen, ondiep ploegen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vloot , vloote , (vrouwelijk) , ondiep bord, bottervloot.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vloot , vloote , (vrouwelijk) , vlote, vlöter , vloot.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vloot , vloot , (bijvoeglijk naamwoord) = ondiep, van een water; ook van soepborden gezegd; Oostfriesch flôt, Nedersaksisch flot. Van: vlieten, en zooveel als: waar het water (ver)vloten is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vloot , vloo , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Ondiep. ʼt Is hier arg vloo, daor st(i)eet gîn half vôt water. De vlooë motten, een zwemplaats in de gracht, waar de iezermotten gingen zwemmen. Er was ook: ʼn Diepe motten. Zoo zui niks vangen; î vist te vloo (ge moet den dobber omhoog halen). Vloo bouwen. ʼn Ondiepe voor ploegen. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
vloot , vlöte , (mannelijk) , Ondiep kuipje, waarin de melk in den kelder staat, om den room boven te laten komen. De afgeroomde melk heet: vlötemelk. Kil. Geld. Vlotemelk.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
vloot , vloot , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij boeren. De lage bak waarin men de kaas bij het persen zet, om het uitzijpelende vocht (de portel) op te vangen. Ook kaasvloot en portelvloot genoemd. Zie verder douwvloot, persvloot. – Het woord is ook elders bekend, vooral in samenst. als botervlootje, melkvlootje enz.; zie de wdbb. – Vgl. ook hakvloot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vloot , vloot , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij vissers. Kurk op de zegen. Synon. vleet. || Bind de vloten an de zegen. – Ook elders in N.-Holl. gebruikelijk. Evenzo bij VAN DALE vlotter, houten of kurken klosje om een sleepnet boven water te houden. Het voorwerp heet naar het op het water dijven; vgl. vloten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vloot , vloot , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Vloot houden, bijhouden, op kunnen tegen. || Hij ken niet vloot houwe (kan niet mee, raakt achter). – Ook: niet verflauwen, doorzetten met dezelfde ijver als te voren. || Je moete vloot houwe, jongen! – De uitdr. is ontleend aan (koopvaardij-)schepen die de vloot (het konvooi) bij konden houden, op zij konden blijven (vgl. VAN LENNEP, Zeemans-wdb. 248 op vloothouder), en is ook elders bekend. Vgl. alsnog WOLFF en DEKEN, Corn. Wildschut 1, 340: “Zij is mij zo verre voor uit, dat ik met haar geen vloot houden kan”, en 3, 80: “al had mij iemand gezworen, dat ik zo wèl vloot zou kunnen houden, ik had het niet kunnen gelooven”, alsook 1, 246 e.e.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vloot , vloo , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Ondiep. ʼt Is hier arg vloo, daor st(i)eet gîn half vôt water. De vlooë motten, een zwemplaats in de gracht, waar de îzermotten gingen zwemmen. Er was ook: ʼn dîpe motten. Zoo zui niks vangen; î vist te vloo (ge moet den dobber omhoog halen). Vloo bouwen. ʼn Ondiepe voor ploegen. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
vloot , vlöte , (mannelijk) , Ondiep kuipje, waarin de melk in den kelder staat, om den room boven te laten komen. De afgeroomde melk heet: Vlötemelk. Kil. Geld. Vlotemelk.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
vloot , vloët , vloeët , vluëtje , houten plankje om het vleesch te snijden.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vloot , vloot , vloot
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
vloot , vloot , ondiep
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
vloot , vloôt , zelfstandig naamwoord de , 1. Botervloot. 2. Lage bak waarin de kaaskoppen onder de pers staan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vloot , vloôt , zelfstandig naamwoord de , Vloot (van schepen), in de zegswijze de vloôt niet volge kenne, het tempo van de anderen niet kunnen volgen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vloot , vloët , liëge, platte houte kuüp.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
vloot , vleute , vloot.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vloot , vloot , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = ondiep Daor heb ie een vlote stee in het water (Bco), Het land vloot umjagen ondiep ploegen (Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vloot , vleute , de , vleuten , 1. schapenvacht (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) 2. in sloten drijvende graszode die vroeger bij arme mensen werd gebruikt als extra deken in de bedstede (Zuidwest-Drenthe, zuid), z. ook bij vluus
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vloot , vloot , deegbak.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
vloot , vleut , vleute , ondiepe tobbe, bijvoorbeeld om melk af te romen; vleute(r)melk, afgeroomde melk.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vloot , vloeët , vloot
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal