elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vocht

vocht , vocht , (vòcht) , (zelfstandig naamwoord) , Vochtigheid. || Die spiegel is bedorven van de vocht. We hebben hier (in huis) ’s winters altijd last van de vocht. – Zo ook hier en daar elders in Holl. (OPPREL 88).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vocht , vôch , vocht.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vocht , vocht , het , 1. vocht Deur aal dat zweeiten hef e een koppel vocht verloren (Eex), Der zit aordig vocht in de locht het is vochtig weer, kans op regen (Sle), Ik heb vocht in de knienen (Hol), z. ook vochten 2. sap Der zit een boel vocht in die haandperen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vocht , vócht , vochtig, vocht.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
vocht , vocht , vocht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vocht , de vocht , zelfstandig naamwoord , [O] vochtigheid Die boeke binne oitgeslooge van de vocht Die boeken zijn uitgeslagen van de vochtigheid
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vocht , vôcht , vochtig. ‘t hùìjs is vocht, het huis is vochtig
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
vocht , vocht , zelfstandig naamwoord , vocht; sap van een vrucht
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
vocht , vóch , vocht
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal