elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwichten 

zwichten , zwichten , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. – Een molen zwichten, zeil minderen, met harde wind. De zeilen worden dan gedeeltelijk of geheel opgerold; vgl. zeil. || De wind begint op te steken: we moeten de molen zwichten (door middel van de vang tot staan brengen en door het afslaan van borden of het innemen der zeilen de windvang verminderen). De molen gaat staan: zeker om te zwichten. Een veerman … (om) over te zetten, mits genyetende van yder persoon een halve stuyver, en by ’t swichten van de molens aen alle vier wiecken (dus bij harde wind) ende sonnenonderganck eens soo veel, Hs. (Wormer, a° 1638), Zaanl. Oudhk. Zo ook elders (vgl. VAN DALE, KOOLMAN, Tijdschr. 10, 148). || (De molenaars) sullen oock gehouden zijn de lichtste Zeylen te leggen opte swackste Roeden, ende oock de swackste Roeden altijt eerst te swichten (keur v. Uitgeest, a° 1663), LAMS 523. Sullen mede alle Molenaars … by buyig weer ofte harde Wind, de Zeylen in tijds swigten en afslaan. Instr. v.d. Beemster 86. – Overdrachtelijk wordt de uitdr. ook gebezigd door iemand die binnenkomende zegt: Goeienavond, heren! ik moet eerst effen zwichten (mijn overjas uittrekken). – Vgl. zwicht, zwichtbord en zwichtstelling.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zwichten  , zwechte , fuiven.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zwichten , swichte , werkwoord , Ook: zeil minderen bij een windmolen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zwichten , zwichten , zwichten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal