elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwik 

zwik , zwik , (mannelijk) , spon in een vat.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zwik , swik , het uiterste, zeer buigzame deel van eene hengelroe, gewoonlijk eene dunne twijg die aan het boveneinde van een hengelstok wordt vastgemaakt. Te Groningen te koop aangeboden: “Hengelstokken, zwikken, haken, snoeren,” enz. Zie: swikken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zwik , zwiksken , (onzijdig) , Een hazelnoten verlengstukje op een hengelroede.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
zwik , zwiksken , (onzijdig) , Een hazelnoten verlengstukje op een hengelroede.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zwik  , zwiekje , een ris, een reeks. Ein hiële zwiek, een hele serie.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zwik  , zwoek , schok.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zwik , zwik , m , D’n hélle zwik Alles bij elkaar.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zwik , zwikkie , rommel, mikmak
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zwik , swikkie , zelfstandig naamwoord ’t , Zootje. | Zegswijze hai het ’t hêle swikkie verkocht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zwik , zwoeke , twijg, buigzaam stuk hout.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
zwik , zwoeke , twijg.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zwik , zwik , de, het , zwikken , 1. boel(tje) De hiele zwik wuurd verkoft (Pdh), Daor vuil mai het heile zwikkie op de grond (Row), Met dat zwikkie wi’k niks van dooun hebben (Eex), Ze gungen met het heeile zwikkie naor de dierentuun de hele groep (Gas), Het pèerd rukde met geweld an, en doe was het hiele zwikkien kepot (Sle), De hiele zwik is nog gien kwartien weerd (Zwe), Hij haar het hiele zwikkie bloot hangen liep zonder broek (Klv) 2. buigbaar deel van een Duitse pijp, ook de pijp zelf (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) De piep met het zwik en porseleinen kop, woor op stund Leve de Landbouw (de), De zwengelpiep of de zwik (Emm) 3. klein drempeltje ...en die staand was weer of escheiden van de gruppe deur een klein drumpeltie, dat ze de zwik nuumden (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zwik , zwik , zwak , 1. in: een ele zwik ‘veel, een boel’; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: buigbaar gedeelte in een pijpensteel. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: zwak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zwik , zwikkien , zooitje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zwik , zwik , zelfstandig naamwoord , de; alles bij elkaar, de hele boel, bijv. Hier hej’ de hiele zwik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zwik , zwoeks , zelfstandig naamwoord , slaag (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zwik , [groep] , zwik , (mannelijk) , groep, gezelschap , Ze ginge mètte ganse zwik nao bènne.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal