elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gedoente

gedoente , gedoente , gedoetje , bezitting
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
gedoente , gedoente , gedoetje , bezitting
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
gedoente , [spul; bedrijf] , gedoente , (onzijdig zonder meervoud) , spul, bedrijf, hij heeft daar een mooi gedoente, hij is in het gedoente van zijn vader getreden, wat was dat vroeger een allerliefst gedoente, nu een vervallen spul.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gedoente , gedoo , gedoent  , 1. boerderij; eigen gedoo = eigene boerderij, tegenovergestelde van meierboer (Gron. huurboer) zijn. 2. Ook voor: leven, drukte, en voor: boel, omstandigheid, geval: zoo’n misselîk gedoo he’k nog nooit zeen. Gron. gedounte, voor: moeite, last; hij wil d’r gijn gedounte mit hebben = zich er niet mee bemoeien; ’t is ìjn gedounte = ’t is ééne moeite; wat veur gedounte is dat? = waar komt dat leven, dat allarm vandaan? (v. Dale: gedoe (gewest) = drukte, opschudding, beweging; ook = iemands zaak, nering, bedrijf. ZNederl. gedoensel. gedoent = last, moeite, lastige drukte
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gedoente , gedounte , (gedoente); hij wil d’r gijn gedounte mit hebben, ook: gijn spul mit hebben = hij wil zich er niet mee bemoeien, er niets mede te doen hebben; ’t is ìjn gedounte = ’t is ìjn spul = die dingen zijn gelijk of hebben evenveel waarde, ’t is dus om ’t even wat men kiest; ook: ’t is ééne zaak, ééne moeite, ook Oostfriesch; de hijle toavel (koamer, enz.) tot zien gedounte hebben = van de tafel, de kamer, enz. het vrije gebruik hebben; zij hebben peerd en woagen tot heur gedounte = zij houden er paard en rijtuig op na, eigenlijk zooveel als: zij kunnen ten allen tijde over paard en rijtuig beschikken, zoo dikwijls uitgaan als zij willen. Vooral heeft dit op landbouwers betrekking. (Vgl. v. Dale artt. gedoe, en: gedoente.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gedoente , gedounte , gedoe
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gedoente , gedoente , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze dageleks gedoente, dagelijks werk. – D’r gien gedoente mee hewwe, er geen bemoeienis mee hebben, er niet(s) mee van doen hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gedoente , gedoente , het , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = 1. boerderij (Zuidwest-Drenthe, zuid) Zien gedoente zag der goed uut, alles lag der netties bij (Ruw) 2. gedoe, drukte (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) Wat een gedounte, daor (Ros) 3. verkering (Veenkoloniën) Zij hef al laank gedounte mit hum had (Ros), zie ook gedoe
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gedoente , gedoente , zelfstandig naamwoord , et 1. het omgaan of te maken hebben met 2. (lichte) verkering, omgang 3. drukte, vermoeiend gedoe 4. bedrijf, vooral: boerderij 5. bouwwerk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gedoente , gedoentes , zelfstandig naamwoord, meervoud , gedoentje , "nering, bedrijf; vaak ook als ‘gedoentje’ voor kleine boeren; Cees Robben – Hij zaag de gedoentes, vervallen, keduuk (19551119); gedoentje; verkleinwoord; bedrijf, in het bijzonder boerenbedrijf of kleine nering; Ze waar vruug weduwvrouw geworre en ze moes heel 't gedoentje van de boerderij besture en dè kreeg ze nie enkeld klaor, mar ze kreeg 't klaor mee groot gemak... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun in den trein’; NTC 16-9-1939); ""As we deez' köpke koffie op hebben, mijnheer pastoor, dan gaon we ons gedoentje 'ns bekijke."" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939); Frans Verbunt – kleinschalig bedrijf; Daor giender onder d'iepen lee/ 't gedoentje van d'r boerestee. (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Sterke vrouw’, 1939); Graot zaat op zen aaw gedoentje/ èrges midde op de haai/ vèr van de bewonde wèèreld/ wèèd van trubbel èn lewaai. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Graot zene Kèrsmes; WBD III.3.1:86 ' gedoentje', 'gedoe, bedrijf, fabriek' = zaak; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - gedoentje zelfstandig naamwoord  - klein boerderijtje; WNT GEDOENTE - II) abstract: Doen in den zin van 'zaak, nering, bedrijf', - iemands zaak,nering of bedrijf, met inbegrip van de gebouwen, den grond enz."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal