elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grep

grep , gruppe , (vrouwelijk) , een ril, smal slootje. V. Kil.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
grep , grippe , greppel
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
grep , grippe , greppel
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
grep , grübbe , grüppe , (vrouwelijk) , greb, greppel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
grep , [uitgraving] , grüppe , (vrouwelijk) , gruppel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
grep , grup , greppel, dienende tot afwatering, dus tot drooglegging der landerijen. Kil. grippe, gruppe, groeve; Oostfriesch grüppe, grüp; Nedersaksisch gruppe, Holsteinsch grüppel, gripp, gröpp, Angel-Saksisch groepe. (Bij v. Dale: grep, grop, grup) Zie ook: geut, en: group.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
grep , [greppel] , grüppe , (mannelijk) , Greppel. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
grep , grup* , (bl. 138 en 522), vgl. bij v. Dale: grep, grog, grup.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
grep , grüppe , (mannelijk) , Greppel. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
grep  , grib , greppel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
grep , gruppe , Diepe voor, zo als dikwerf in wei- of bouwland gemaakt wordt tot afleiding van ’t water. Dus het groepe van Kiliaan die dit van grope en gruppe schijnt te onderscheiden. In ’t Stadregt van Deventer 3 D. tit. A art. 42 staat groepe voor de goot die langs de stoepen loopt; doch daar voor is het thans niet meêr in gebruik.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
grep , gruppe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , grupn , grupken , 1 greppel, 2 mestgoot, achter de koeien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
grep , grep , grip, grùp , v , greppe , grepke , grip, greppel(s), greppeltje; grip greppel (in stal), mestgoot. [Oef]; mestgoot De grip uutdoên De mestgoot in de koeienstal schoonmaken; grùp mestgreppel, mestsleuf.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
grep , grib , grub , grefke vur ut gótstiënwater. Vánne grib oêt luëpt ut water de graaf i. (zie grats)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
grep , grip , uitgestoken giergreppel of -kuil(en) achter de koeien.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
grep , gruppe , 1. mestgoot in een stal. 2. greppel voor afwatering. 3. aanduiding voor de rivier de (Gelderse) IJssel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
grep , gruppe , 1. mestgoot in de stal achter de koeien; 2. greppel voor afwatering.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
grep , grip , groep , (grip) afwateringsgeultje, (groep) goot achter de koeien, voor de mest.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
grep , gruppe , 1. greppel; 2. afvoergoot voor gier en mest in de stal achter de koeien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
grep , gruppe , 1.afvoer voor vuil water. 2. mestgroep in de koestal. 3. greppel in de wei.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
grep , gröppe , gruppe, gröppel, greppel, greppe, groppe , zelfstandig naamwoord , de 1. mestgoot achter vee 2. gangpad achter de mestgoot 3. greppel in het land, ook ter afscheiding van percelen; ook: kleine sloot die veelal droog is 4. landsgrens, met name de grens met Duitsland, ook: aanduiding van de Atlantische Oceaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grep , grip , zelfstandig naamwoord , grippe , grippie , greppel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
grep , grip , dur de grip wegspuulle , afwateringsgeultje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
grep , gruppe , (zelfstandig naamwoord) , 1. grup, mestgoot voor mestafvoer in de stal; 2. greppel voor afwatering; 3. aanduiding voor de rivier de IJssel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
grep , grip , grippel , greppel
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
grep , grup , groep , gruppe , 1. greppel; 2. goot in de stal waarin de uitwerpselen terechtkomen; grupdeurtjes (groepdeuren), de kleine deurtjes in de stal waardoor de mest naar buiten werd gegooid.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
grep , grip , zelfstandig naamwoord , greppel, sloot (Den Bosch en Meierij; West-Brabant); grip; greppel, voedergoot of mestgoot in de stal (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal