elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keuvel

keuvel , kovel , In de keuren van Breda, onder mij in handschrift berustende, leest men, artikel Fruyteniers: “Item sullen de fruyteniers elk jaar eenen kovel moeten dragen gelijk andere ambagte: Item so wie zijnen kovele niet en hadde nog des Pincxters niet mede en ginge offeren gelijk gewoonlijk is die soude verbeuren eenen ouden schilt.” Kovel of keuvel, bij KILIAAN overgezet cucullus, schijnt een onderscheidingsteeken der ambachten of gilden geweest te zijn; misschien op dezelfde wijze als nog, op de kaasmarkten in Noord-Holland, de veemen door hunne bijzondere hoeden onderscheiden worden. Zie wijders over kovel of keuvel mijne aanteekening op kamalie-wand in DE JAGER’S Taalkundig Magazijn, 1. D. bl. 157, en A. DE ROOY, Mengelstukjes, bl. 9 en 10.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
keuvel , keuvel , vrouwenmuts (eilandsche)
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
keuvel , keuvel , vrouwenmuts (eilandsche)
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
keuvel , kovel , een gestikt vrouwenmutsje uit vele stukjes samengesteld. Thans zoo goed als verouderd Zie: witkeuvelder en Weil. art. keuvel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
keuvel , keuvel , zelfstandig naamwoord , keuvels , keuveltie , klederdrachtmuts van de Zuidhollandse eilanden (16501950) Ook krulle, krullemust
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
keuvel , keuvel , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.3:112 'keuvel' = kap v.e. lange schoudermantel (kovel)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal