elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klepper

klepper , klippel , rijpaard
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
klepper , klipper , rijpaard
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
klepper , klepper , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zekere vis. Zeelt. Lat. Cyprinus tinca. Zie synon. op zeelt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klepper , klepr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kleprs , kleprken , deurklopper
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klepper , klepper , klepperd , zelfstandig naamwoord de , 1. Kletskous, roddelaar(ster). 2. Groot, log mens, dier of ding. | Hai vong’n klepper(d) van ’n snoek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klepper , klippel , langbenig paard.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
klepper , klepper , de , kleppers , 1. houten sandaal Nao de oorlog bint kleppers in de moede kommen (Sle), Dei had zu’n haost de klepper vleug hum nao (Bco), In de oorlog haw van die lösse klompen diew kleppers nuumden (Pdh) 2. (groot) dier, meestal van een paard Ie hebt daor een mooie fiere klepper (Die), Een klepper is een peerd det graag op de loop giet (Ruw), ...een draver of riepeerd (Bui), Wat een klepper(d) van een kou (Bov), zie ook klepperd 3. muziekinstrument, klepper De kinder hadden kleppers tussen de vingers en bij het geluud zungen ze een leeidtie (Eex) 4. flapuit, gezegd van een meisje (Midden-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klepper , klepperd , de , klepperds , (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. paard dat met de ijzers van slappe achterbenen tegen de voorpoten tikt 2. groot voorwerp of dier (Zuidoost-Drents veengebied) Wat een klepperd van een boerderij een kou (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klepper , klepper , (Gunninks woordenlijst van 1908) klepper
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klepper , klèpper , forse jongen , Diejen oudste van 'n pôr hûis wéijer dé's nen hille klèpper geworre. Het oudste kind van een paar huizen verder dat is een forse jongen geworden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klepper , klepper , zelfstandig naamwoord , de; 1. houten sandaal 2. instrumentje waarmee men een kleppend geluid maakt 3. paard dat met de achterste benen tegen de voorbenen tikt of dat onder het lopen bij de tenen over de grond tikt zodat de hoefijzers snel versleten raken 4. oud paard dat nauwelijks nog kan draven 5. hol gebouwd paard met hoge benen 6. paard dat snel op hol slaat
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klepper , klepper , zelfstandig naamwoord , kleppers , kleppertie , 1. luxe paard Ze kwamme mettun tilbrie mette klepper d’r voor Ze kwamen met een tilbury met het luxe paard ervoor 2. flinke vrouw Kaerel, kaerel, wat hettie een klepper van een wijf; hij ken d’r wel twêê keer uit Jonge, jonge, wat een flinke vrouw heeft hij; hij past er wel twee keer in
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
klepper , [klaphout] , klepper , (mannelijk) , kleppers , klepperke , klepper, klaphout , Es de klokke nao Roeame zeen in de Gooj Waek, gaon de kinjer smörges mètte kleppers/mètte klup róndj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
klepper , glaze klepper , kleine, platte drijftol die in de hoogte sprong bij ’n zweepslag; ook: puntige, houten tol met ’n metalen punt
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
klepper , klèpper , zelfstandig naamwoord , WBD (Hasselt) - langbenig paard, elders 'klippel' genoemd of 'hôoge'; WBD III.1.3:226 'klepper' = houten sandaal; WBD III.4.4:221 'klepper' = iets groots in zijn soort; ook 'bonk', 'joekel', 'kanjer', ' knoert', 'kadee'; Antw. KLEPPER znw.m. - ... Buitengewone jongen, iemand die zich onderscheidt door geleerdheid, verstand, bekwaamheid, stoutmoedigheid, deugnietenstreken enz. 'Ne geleerde klepper; 'ne felle klepper.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal