elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klus

klus , klusje , een klein drafje, ook een klein vrachtje
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
klus , klusje , een klein drafje, ook een klein vrachtje
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
klus , kluts , klus , (klus) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meestal in verkl. klussie. – 1) Werkje, karweitje. || Ik heb nog ’en klussie voor de timmerman. Al die kousen te stoppen is nog ’en heel klussie. Och, ik had nog allerlei klussies te doen, en dan is zo’n morgen gauw om. – Evenzo elders in Holl.; vgl. Uitlegk. Wdb. op Hooft 2, 163: “Nog zeggen de timmerlieden: ik heb daar een kluts, een klutsjen”. – Zie klutsen. 2) Klein partijtje, vrachtje. || Ik heb nog ’en klussie bonen te koop. ’t Is maar ’en klein klussie. Een klussie geld (een gedeelte van een vol zakje). – Gewestelijk ook elders bekend. 3) Zegsw. Met klus en kluis, met hutje en mutje, met alles en alles. || Hij is hoopstoops (plotseling) weer thuis ’ekommen, mit klus en kluis (met zijn hele rommeltje). Ze zitten nou mit klus en kluis op straat.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klus , [vooruitstekende kin] , klus , vooruitstekende kin. Ook persoon met zo’n kin.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
klus , klus , zelfstandig naamwoord de , Uitzakkende onderlip.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klus , klussie , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Klusje, karweitje. 2. Partijtje, zootje. | Ik hew nag ’n klussie brandhout lègge.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klus , klus , de , klussen , klus Ik har der een hiele klus an (Dwij), Hij dee allerhaande klussies (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klus , klots , hoeveelheid.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal