elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onklaar

onklaar , onklaer , ziekelijk
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
onklaar , onklaer , ziekelijk
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
onklaar , [onwel] , onklaor , onwel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
onklaar , onklaor , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. onklaar, defect Die jonges hebt de mesiene onklaor maakt (Eli), Ik bin nog wel een toertien onklaor mit mien gebreuken arm (Dro) 2. (een beetje) ziek (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Hij is wat onklaor op de borst (Nije) 3. niet terzake kundig, niet capabel (Zuidoost-Drents veengebied) Hij is onklaor heeft geen verstand van het werk (Bco) 4. nog niet klaar (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord) Dat peerd is nog onklaor niet beleerd (Pdh) 5. in de problemen (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Nou bin’k onklaor, de kabel is mij knapt (Gas), Met zo’n hölp bi’j mooi onklaor, ij kunt het beter allennig dooun (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onklaar , onklaor , defekt. Met oe gepruts is ’t hele dink onklaor erâk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
onklaar , onklaor , bijvoeglijk naamwoord , 1. defect, kapot, in het ongerede 2. enigszins ziek, niet fit 3. niet gereed, niet klaar om iets te gaan doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
onklaar , onklöör , (bijvoeglijk naamwoord) , onklaar, stuk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal