elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oomzegger

oomzegger , naamzegger , neef
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
oomzegger , naamzegger , neef
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
oomzegger , [neef, nicht] , oomzegger , (mannelijk en vrouwelijk) , oomzeggers , een oom- of peetzegger is een broeders of zusters kind; deze noemt men ook neef en nicht, even als de kinderen van oom en peet; zoo doende zijn het allen neven en nichten. Om ze evenwel van malkander te onderscheiden, noemt men hier de kinderen van broeder en zuster oom- en peetzeggers, de anderen neef en nicht.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
oomzegger , oomzegger , neef, zoon van broeders of zusters. Zoo ook: oomzegster = nicht, broeders- of zusterskind. Ook Gron. Overijs. Tessel. - Zeel. noomzegger.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
oomzegger , oomzegster , zie: oomzegger.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
oomzegger , oomzegger , neef of nicht, en dan ook oomzegster, in betrekking tot vaders- of moeders broeder; ook Drentsch. Wordt gebruikt om de verwantschap onderling van die jegens ooms en tantes te onderscheiden, en zoo hoort men ook: muizegger en muizegster, voor: tantezegger, enz. Overijselsch oomzegger; Zeeland noomzegger; Tesselsch oomzeggers = die tegen elkanders vader oom moeten zeggen. Oostfriesch ômsegger = neef.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
oomzegger , oomzegger , oomzegster , (zelfstandig naamwoord) , Neef, nicht. Fra. neveu, nièce. || ’t Is ’en oomzegger van me. – Evenzo verderop in N.-Holl., in Friesl. (omkesizzer), Gron., Overijsel, Oost-Friesl., Zeel. (noomzegger), enz.; vgl. Ned. Wdb. 23; MOLEMA 307a; KOOLMAN 2, 683. – Zie peetzegger en grootvaderzegger.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
oomzegger , oomzägger , mannelijk , broers- of zusterskind
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
oomzegger , oumzègger , zelfstandig naamwoord de , Neefje of nichtje, dat tot een familielid zodanig in betrekking staat, dat het tegen hem ‘oom’ zegt. Verkleinvorm oumzèggertje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
oomzegger , oomzegger , oomzegster , de , oomzeggers , Ook vaak gebruikt i.p.v. oomzegster = oomzegger Wij hebt er weer een oomzeggertien bij ekregen (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
oomzegger , oomzegger , oomzèger , oomzegger (neef). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: oomzèger
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
oomzegger , omkezegger , oomzegger , zelfstandig naamwoord , en var. de; oomzegger
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
oomzegger , nôômzegger , zelfstandig naamwoord , nôômzeggers , nôômzeggertie , oomzegger, neef
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal