elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: plok

plok , plok , ruif
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
plok , plokke , ruif
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
plok , plok , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Het plokken, plukken. Zie de wdbb. – Overdr. ’ Is ’en hele plok, ’t is een heel werk, een hele deun. || ’t Is ’en hele plok voor zo’n oud mens om teugen de wind op te komen. – Zie plokken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
plok , plok , zelfstandig naamwoord , plokke , plokkie , 1. voederruif We voerde de knijne deur de plok van ’t hok We voerden de konijnen door de ruif van het hok 2. pluk D’r hong altijd een plok haer voor z’n ôôge As schoolkindere deeje me mee an d’n errebeezeplok De plokke stof leeje achter de kast De stofvlokken lagen achter de kast
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
plok , plòk , zelfstandig naamwoord, persoonsvorm , WBD III.4.4:256 'plok' = menigte, troep
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal