elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schorteldoek

schorteldoek , schutteldoek , vaatdoek
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
schorteldoek , schutteldoek , vaatdoek
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
schorteldoek , [kledingstuk] , schorteldoek , (mannelijk) , schorteldoeken , schort, voorschoot, een vrouwen kleedingstuk. Vroeger droeg men hier vrij algemeen een schorteldoek van zijde of andere fijne stof, niet te verwisselen met boezelaar, boezel, bontje of slob; ze worden ook nog gedragen, doch veel smaller. Een dorp in Waterland droeg weleer den naam van Schorteldoekshaven.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schorteldoek , schòldôk , (mannelijk) , Boezelaar. Eig. schorteldoek. Schort beteekent: afgesneden kleedingstuk. Vgl. Eng. short.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
schorteldoek , schòldôk , (mannelijk) , Boezelaar. Eig. schorteldoek. Schort beteekent: afgesneden kleedingstuk. Verg. Eng. short.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
schorteldoek , schiöldouk , mannelijk , schort. zie ook: slüi
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schorteldoek , scheurreldoek , voorschoot of schort.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
schorteldoek , skùldook , zelfstandig naamwoord , schort, voor netjes, bij jak en rok
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schorteldoek , skorteldoek , zelfstandig naamwoord de , (Voor)schoot (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
schorteldoek , schöddeldoek , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie sköt
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schorteldoek , schorreldoek , zelfstandig naamwoord , de; schorteldoek, halve schort
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schorteldoek , schorteldoek , scholdoek , schort.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal