elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sjabloon

sjabloon , schampeljoen , patroon van een kleed
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
sjabloon , schampeljoen , patroon van een kleed
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
sjabloon , schapseljoen , (onzijdig) , schapseljoenen , model, voorbeeld, mal. Dat is een goed schapseljoen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sjabloon , schampeljoun , patroon, model, voorbeeld; da’s ’n mooi kind, doar ken je schampeljoun noa nemen. Zeeland schampeljoen = patroon van een kleed, Noord-Holland schampeljoun = patroon, model; Kil. schampelioen, bij anderen ook schampioen = proeve, enz. Hoogduitsch Schablon, Schablone, Zweedsch schampbun = voorbeeld. Verbastering van het Fransch échantillon = monster, proeve. Zie ook: kezoan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sjabloon , schabeljoen , schafteljoen, schapseljoen , (skábəljoen, met hoofdtoon op joen) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Meest in verkl. schabeljoentje. Daarnaast schapseljoen. Patroon, voorbeeld, mal, b.v. voor een kledingstuk. || Ik zeI je wel ’en skabeIjoentje geven, hoe dat je ze maken moete. Dat’s ’en goed schapseljoen. – In de vorm schapseljoen, sknapseljoen, schanspiljoen is het woord ook elders in N.-Holl. gewoon (BOUMAN 91; O. Volkst. 2, 176; Navorscher 43, 695). Als schampeljoen vindt men het in Zeel., te Katwijk en in Gron. (MOLEMA 361), alsmede bij de 17de-eeuwse Hollanders, b.v. BREDERO en OUDAAN (vgl. OUDEMANS). KIL. vermeldt: “schampelioen, specimen, exemplum, exemplar, tessera praecidanea, exemplar ad formam. Gal. escantillon”, en wijst door dit Fra. woord meteen de oorsprong aan. Vgl. Hgd. schablone. De vissers noemen soms de kurken aan een schakel, die een andere vorm hebben dan de gewone kurken aan een visnet, schafteljoenen. Het is niet duidelijk waarom deze zo heten. De gewone naam is bollen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sjabloon , schampeljoun* , Hoogduitsch Schablon, Schablone; vgl. kezoan * (bl. 532.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sjabloon , schampeljoun , voorbeeld, patroon
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
sjabloon , skapseljoen ,  skabbeleur , zelfstandig naamwoord ’t , Patroon, model (voor handwerkjes), schablone. Uit Oudfrans escantillon, Frans échantillon. Zie het N.E.W. onder sjablone.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sjabloon , schááñspeljoen , zelfstandig naamwoord , schááñspeljoene , schááñspeljoentjie , [O, Fr, change patron] mal, patroon, matrijs Zie ook petrôôn
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal