elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sluif

sluif , sluve , omslag van een boek
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
sluif , sluve , omslag van een boek
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
sluif , sluuf , zelfstandig naamwoord de , Lange, smalle reep wol die opgewonden is of tot een dun strengetje bijeen gebonden. Het is hetzelfde woord als sluuf, maar hier als zelfstandig naamwoord gebezigd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sluif , sloef , de , sloeven , (Kop van Drenthe) = dop Het omhulsel van een koeiehoorn is een sloef (Row), As wai ons in de vingers sneden haren, kregen wai er een lap om met een sloef erom tou vingerbeschermer (Rod) Sloevies om de vingers rubber vingerbeschermers bij het aardappelrooien (Pei), z. ook sleup
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sluif , sloefien , sloefe, sloef, sloepien , zelfstandig naamwoord , et 1. sluif, foudraal, vaak: vingerling, vingerbeschermer 2. (verkl.) condoom 3. omslag voor brieven, enveloppe
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sluif , sluif , sloif , zelfstandig naamwoord , sluive, sloive , sluifie, sloifie , 1. ruime linnen vingerbeschermer Iedere landerrebaaier had altijd een paor sluive bij ‘m voor klôôve en voor ’t snije met bladriet 2. losgestoten koeienhoorn Ook sloif; [O] 1. omhulsel (bijv. vingersluif) 2. pijpendop Van wies is die pijpesloif?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal