elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spinde

spinde , spinde , spindeke , broodkas. Lat. Barb. spenda, spijs-kamer: het zij van spendere, uitreiken, voederen; het zij van spenan, trekken, vertrekken. Dus is een spint haver, eig. een maal haver, zoo veel men op eens ver-strekt tot een voer. Eng. to spend, uitgeven.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
spinde , spinne , etenskas
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
spinde , spinne , etenskas
Bron: Boers, B. (1843), [Overflakkees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
spinde , spinde , Brood- of etenskast, id. Overijselsch, bij Kiliaan spende, spinde en spijnde, hetwelk overeenkomt met het Drentsche spiende; het woord is van spenden, spinden, geven, deelen, uitdeelen, Lat, expendere, Eng. to spend, Duitsch spenden; thands spendeeren met een bastertuitgang, Duitsch spendiren en waarvan ook spint, als deel, toedeel, maat. Spinde is dus een kast, waarin men bergt ’t geen uitgedeeld, verbruikt, genuttigd wordt. Zoo heeft Kiliaan nog spind-brood, deyl-brood, panis gradilis, enz. Bij Bilderdijk komt spinde nog voor (vergelijk ook op schappe), de Dieren, blz. 45: ‘Vermelde ik ’t huisdier, dat, van ’t warme bont omringd, / Zich aan de haardsteê vlijt, langs dak en boomtak springt, / En ’t knagend ondier weert uit voorraadschuur en spinden.’
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
spinde , spein , (onzijdig) , speinen , spinde, spijskast, het broodspeintje, bergplaats voor het benoodigde, dienende voor het dagelijks ontbijt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
spinde , spinde , etenskast. Zegsw.: de muzen liggen hōm dood veur de spinde = hij heeft niets om van te leven. Gron. spin, spinne, spien = ouderwetsche spijs- of broodkast; de moezen leggen d’r dood veur de spien = daar is weinig nering, die menschen hebben geen bestaan. Bild. spinde = etenskast, bergplaats voor den mondvoorraad. Kil. heeft, behalve: spende, spinde, spynde, ook: spindbrood, deylbrood; zoo oudt. ook: spinden = uitdeelen; Oostfr. spinde, spinte, Nederd. spinde; HD. spenden = geven, deelen, uitdeelen, met spinde, enz. van het Lat. expendere = afwegen. (v. Dale: spinde = spijskamer, spijskast.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spinde , spinde , (vrouwelijk) , etenskast.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spinde , spin , spinne, spien , ouderwetsche spijs- en broodkast. Spreekwoord: De moezen leggen d’r dood veur de spien (de muizen liggen er dood voor de spijskast), zooveel als: daar is weinig nering, zijn bedrijf levert geen bestaan op. Drentsch spinde = etenskast; Friesch spyn, Zeeland spinne = broodkast, provisiekast; Kil. spende, spinde spynde, v. Dale spinde, Bild. spinde = etenskast, enz.; Oostfriesch spinde, spinte, Nederduitsch spinde. Van het oude: spenden, spinden = geven, deelen, uitdeelen, Hoogduitsch spenden, en dit van het Latijnsche expendere = wegen, afwegen; uitgeven, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
spinde , spijn , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Spinde, kastje tot berging van het ontbijtgoed. Weinig gebruikelijk. || Zet ’et brood maar in ’et spijn. – Bij vissers wordt ook een lade tot berging van kleine benodigdheden voor de visserij, in de botters, aldus genoemd. – De vorm spijn is ook elders in N.-Holl. bekend (BOUMAN 100), alsmede in Friesl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
spinde , spinne , zie spin *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
spinde , spiendĕ , etenskast.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
spinde , speende , [spēnә] , vrouwelijk , spinde, broodkast
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spinde , spinde , Kas, waar in boter, brood en andere eetwaren bewaard worden. Ook onder anderen in dien zin bij Kiliaan. [Brood-spinde, kaste daar ’t brood in bewaard wordt; spenden, spinden bij Kil., ausspenden H.D. is uitdelen.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
spinde , speene , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kast voor brood en toebehoren. Oarns t mesken bouwn in de speene hebm lig’ng, ergens kind aan huis zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spinde , spinnechie , (ouderwets), kastje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
spinde , spoin , zelfstandig naamwoord ’t , Verouderd voor spinde of spijskast.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
spinde , spinde , spinne , brood en servieskast; * Spinde: straatnaam.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
spinde , spinde , de , (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.) = (deel van) een waardeel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spinde , spinde , spiende , de , spindes , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook spiende (Zuidwest-Drenthe) = provisiekast Een spinde kan driehoekig en veerkant wezen (Sle), De spiende was een kaaste tussen de beddestèen (Die), Een spiende kan zowel een lösse as een iengebouwde kaste wèzen (Hgv), Een spiendtien kan hier ok gewoon een klein kassie wezen (Nam), Daor ligt de moezen dood veur de spinde het is er armoedig (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
spinde , spijntje , spintje , spinde. ook spingtje, kleine voorraadkast, opbergplaats voor kleren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
spinde , spinde , spiende , broodkast. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: spiende (niet Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spinde , spiende , spinde, kast tussen twee beddestees. Veule zal der niet in de spiende ween.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spinde , spiende , spiene, spinde , zelfstandig naamwoord , de 1. spinde, provisiekast, broodkast, ook: kast om het servies in te bewaren 2. rookhok in verbinding met een rookkanaal, hetz. als wieme, rookhokke
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
spinde , spin , zelfstandig naamwoord , spinne , spinnechie , [veroud] muur- of kelderkast, meestal tussen de twee bedsteden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
spinde , spiende , (zelfstandig naamwoord) , spinde, provisiekast, broodkast.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spinde , spind , spinde, spinkt, spiende, spiend, spient, spijnd , (houten) kast, soms in de wand ingebouwd, waarin het brood, maar ook wel andere etenswaren, bewaard werd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal