elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.

-schap, -schop, soms ook -schap achtervoegsel, nl. in woorden als bliedschop, rekenschop
-zaam, -zem, -zaam, achtervoegsel in afleidingen als zwiegzem, redzem
à propos, apperdepo, apprepo, zelfstandig naamwoord, et; onderwerp waarover men net sprak, gespreksstof die net aan de orde was
à propos, apperdepo, apprepo, tussenwerpsel, apropos
Aa, ao, zelfstandig naamwoord, de; aanduiding voor een riviertje, bijv. de Noordwooldiger Ao (van weleer)
aai, aai, zelfstandig naamwoord, de 1. keer dat men aait 2. klap
aaien, aaien, werkwoord, 1. aaien, strelen 2. met te weinig kracht schoonmaken 3. de hitte van een bep. stof, voedsel, drinken verdragen
aaipoes, aaipoes, aaiepoes, tussenwerpsel, gezegd wanneer men een kat aait
aal, aol, zelfstandig naamwoord, de; aal, paling
aalangel, aolangel, zelfstandig naamwoord, de; hengel met toebehoren waarmee men op aal vist
aalfuik, aolfoeke, aolefoeke, zelfstandig naamwoord, de; aalfuik
aalhaak, aolhaoke, aolehoek, zelfstandig naamwoord, en var. de; aalhaak
aalkaar, aolkeer, aolkaer, aolkaar, zelfstandig naamwoord, de; aalkaar
aalken, aolken, werkwoord, opvallend loeien
aalkub, aolkubbe, zelfstandig naamwoord, de; achterste deel van een aalfuik
aalkwab, aolkwabbe, zelfstandig naamwoord, de; aalkwab, kwabaal
aalmik, aolmikke, aolemikke, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als smietliende
aalmodderen, aolmodderen, werkwoord, paling proberen te vangen uit de modder van sloten
aalpeuren, aolpoeren, aolepoeren, werkwoord, paling peuren e.d.
aalpieper, aolpieper, aolepieper, zelfstandig naamwoord, de; aalpieper, grote modderkruiper
aalpik, aolepikke, zelfstandig naamwoord, de; bep. peur om aal mee te vangen
aalprikker, aolprikker, zelfstandig naamwoord, de; palingsteker, aalschaar
aalreiger, aolreiger, aolereiger, zelfstandig naamwoord, de; blauwe reiger
aalschaar, aolschere, zelfstandig naamwoord, de; aalschaar
aalshuid, aolehuud, aolshuud, zelfstandig naamwoord, de 1. huid van een aal, nog bekend van het gebruik aan een dorsvlegel 2. dommerik
aalsteken, aolstikken, werkwoord, ‘steken’ van aal
aalsteker, aolstikker, zelfstandig naamwoord, de; degene die aal ‘steekt’
aalstreep, aolestreep, zelfstandig naamwoord, de 1. donkere streep over de rug van een paard of ezel die verder geen of heel weinig tekening vertoont 2. paard of ezel als bedoeld onder bet. 1
aalsuut, aolsute, zelfstandig naamwoord, de; onderste, laatste stuk van een palingfuik
aalsvel, aolevel, aolsvel, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als aolehuud bet. 1
aaltrekken, aoltrekken, werkwoord, paling vangen door die op een bep. manier uit een bijt te trekken
aalvissen, aolevisken, werkwoord, vissen op aal
aalvisser, aolvisker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die op paling vist
aambeeld, ambeeld, aambield, zelfstandig naamwoord, en var. et; aambeeld
aamstuk, aomstok, zelfstandig naamwoord, et 1. deel van een slachtdier waarin de endeldarm zit 2. vetrijk deel van de hals, nl. waar men het varken steekt om het te doden voor de slacht
aamt, am, aom, aam, zelfstandig naamwoord, de; zwelling, de toestand van de uier waarin die enigszins hard wordt
aamtig, ammig, amig, aomig, bijvoeglijk naamwoord, zwellend, gezegd wanneer de uier van een koe wat vol is of erg vol lijkt te zijn
aan, an, voorzetsel, 1. tegen iets of iemand aan 2. nabij, bijv. De auto staot vlak an de sloot 3. vast tegen, bevestigd op 4. bij, toegevoegd aan 5. gesitueerd te, ter plekke van 6. gericht tegen 7. tegen, bijna (m.b.t. leeftijd, aantal) 8. met betrekking tot, bijv. Et mekeert him niet an geld 9. tot/op een bep. puntIn de tijd, activiteiten enz. 10. bestaand uit, zich bevindendIn een bep. toestand 11. ter uitdrukking van een voldoende of behoorlijke hoeveelheid, graad, bijv. et an tied hebben genoeg tijd hebben 12. door, als gevolg van
aan, an, bijwoord, 1. aan het lichaam 2. tegen, vlakbij 3. aangekomen 4. naar, in de richting van 5. volgend, gaand na 6. arriverend 7. naar een bep. punt in tijd, activiteiten 8. bij, op het punt waar men moet zijn 9. door z’n geld heen 10. oververmoeid 11. van lampen enz.: brandend 12. van apparaten: in werking 13. op een kier 14.waar, juist, bijv. in Is d’r wel wat van an? 15. in d’r van op an kunnen erop kunnen rekenen, vertrouwen 16. in d’r mit an moeten ermee om (weten te) gaan 17. bestaand, m.b.t. een liefdesrelatie e.d. 18. voortgaand 19. in de directe nabijheid 20. aan de gang 21. ter uitdrukking van verbazing, verrassing 22. om de aandacht op te wekken, bijv. Begriep toch es an 23. in d’r an willen kunnen geloven 24. tegen iets staand, zodat men niet getikt mag worden 25. in ontgonnen staat 26. raak, in hoge mate aan de gang
aan elkaar, annenneer, annelkere, annenkaander, bijwoord, 1. aaneen, aan elkaar, zonder tussenruimte, zonder tussenpozen 2. naar elkaar
aan-, an-, aan-, aan-, eerste lid van veel ww.; ze zijn niet alle opgesomd in dit woordenboek
aanaarden, anaorden, werkwoord, de aard, het karakter overdragen
aanaarden, aneerden, aneerderen, aneren, werkwoord, aanaarden, met aarde aanvullen
aanaarder, aneerder, zelfstandig naamwoord, de; aanaarder, aanaardploeg
aanaardploeg, aneerdploeg, aneerploeg, zelfstandig naamwoord, de; aanaardploeg
aanademen, anaosemen, anaodemen, werkwoord, aanademen
aanamelen, anaemelen, werkwoord, voortdurend zeuren
aanbakken, anbakken, werkwoord, 1. aanbakken, vastbakken 2. doen aanbakken
aanbaksel, anbaksel, zelfstandig naamwoord, et; aanbaksel
aanbedelen, anbedelen, werkwoord, voortdurend bedelen
aanbelanden, anbelanen, werkwoord, 1. terechtkomen, aanbelanden 2. een maatschappelijke positie verwerven, terechtkomen in de maatschappij
aanbelangen, anbelangen, anbelaangen, anbelanen, anbelannen, werkwoord, aanbelangen, betreffen
aanbenen, anbienen, anbienderen, werkwoord, 1. snel(ler) gaan stappen, lopen 2. bijhouden met het lopen 3. opschieten, voortmaken
aanbenzen, anbeinselen, werkwoord, snel voortgaan
aanbetalen, anbetaelen, werkwoord, aanbetalen
aanbeteren, anbeteren, werkwoord, verder genezen
aanbetreffen, anbetreffen, werkwoord, betreffen, aangaan
aanbeulen, anbeulen, werkwoord, 1. steeds loeien 2. voortdurend hard werken
aanbeuzen, anbeuzen, werkwoord, hetz. als annuren, nuren, opnuren
aanbiezen, anbiezen, werkwoord, heel snel lopen/opschieten
aanbijten, anbieten, werkwoord, ontbijten
aanbinden, anbienen, werkwoord, 1. aanbinden 2. aangaan: van een zaak, een proces
aanbinder, anbiener, zelfstandig naamwoord, de; degene die het touw om de weesboom aantrok
aanblazen, anblaozen, werkwoord, 1. door blazen doen vlammen 2. naar iemand blazen, aanademen 3. besmetten door aanademen, aanblazen
aanblèren, anblaeren, werkwoord, voortdurend blèren
aanblessen, anblessen, werkwoord, aanblessen, aanbikken
aanblijven, anblieven, werkwoord, 1. blijven vervullen, niet aftreden 2. zich blijven voordoen 3. niet verbroken worden (van bijv. een verkering) 4. in werking blijven 5. in leven blijven 6. niet achterop raken t.o.v. een ander 7. in de race blijven (bij schaatsen)
aanblokken, anblokken, zwak werkwoord, stevig blokken
aanbochelen, anpochelen, werkwoord, voortdurend pochelen
aanbokselen, anbokselen, anboksen, werkwoord, opschieten: met het lopen, met het werk
aanbomen, anbomen, werkwoord, 1. aantrekken en vastzetten van de weesboom met een lijn 2. aanhaken van een wagen aan die er voor staat
aanborstelen, anbosselen, werkwoord, opschieten met het werk, hard werken
aanbouw, anbouw, zelfstandig naamwoord, de 1. aanbouw 2. aangebouwd deel
aanbouwen, anbouwen, werkwoord, 1. aan een bestaand gebouw vastbouwen 2. veel huizen bouwen 3. aanaarden 4. eerst zodanig ploegen dat er een rechthoekig stuk ontstaat waardoor het ploegen verder gelijkmatig kan gaan
aanbraden, anbraoden, werkwoord, 1. aanbraden 2. aanbranden
aanbranden, anbranen, werkwoord, 1. aanbranden 2. moeten trouwen
aanbranderig, anbraanderig, bijvoeglijk naamwoord, aangebrand ruikend
aanbreien, anbreien, anbreiden, werkwoord, 1. door te breien vergroten 2. klaar zijn met breien, zo ver met breiwerk komen als men kan 3. opschieten met het breien
aanbreken, anbreken, werkwoord, 1. aanbreken 2. een begin maken bij het turfmaken 3. beginnen
aanbrengen, anbrengen, werkwoord, 1. bezorgen, brengen bij 2. aanslepen, aandragen 3. winst, oogst opleveren 4. aangeven 5. plaatsen, door vastspijkeren, ophangen enz. een vaste plaats geven
aanbrenger, anbrenger, zelfstandig naamwoord, de 1. degene die iemand aanbrengt, vaak: verklikker 2. degene die goederen, dieren naar de oproeper brengt bij een openbare verkoping
aanbruisen, anbroezen, werkwoord, steeds op stormachtige wijze doorgaan
aanbuizen, anbuizen, werkwoord, opschieten
aanbussen, anbussen, werkwoord, aanvullen van een bus in een naaf
aancommanderen, ankommederen, werkwoord, en var.; hetz. als anrikkemederen
aancrimineren, ankrimmeneren, werkwoord, voortdurend klagen, zeuren
aandacht, andacht, aandacht, zelfstandig naamwoord, de; aandacht, belangstelling, interesse
aandaveren, andaeveren, werkwoord, aan één stuk door kletsen
aandeel, andiel, andeel, zelfstandig naamwoord, et 1. aandeel, gedeeltelijk bezit 2. medeverantwoordelijkheid voor het gebeurde
aandeelrommel, andielrommel, zelfstandig naamwoord, de; zaken die van een aantal mensen gemeenschappelijk bezit zijn
aandenken, andaenken, zelfstandig naamwoord, et 1. herinnering 2. voorwerp waardoor de herinnering voortleeft
aandiedelen, andiedelen, werkwoord, voortdurend diedelen
aandikken, andikken, werkwoord, 1. aandikken: dikker worden 2. mooier, groter voorstellen dan het is
aandikker, andikker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die voortdurend de zaken mooier, groter enz. voorstelt dan ze zijn
aandoen, andoen, werkwoord, 1. aan het lichaam doen, aantrekken 2. berokkenen, toebrengen 3. in z’n gevoel, gemoed raken 4. de indruk wekken 5. naar het recht vervolgen 6. aansteken, aandraaien, aanzetten 7. meer open of meer dicht zetten, bijv. de deure even andoen 8. aansteken, aanleggen 9. aangeven, aanreiken
aandoening, andoening, andoenige, zelfstandig naamwoord, de 1. ziekelijke aandoening 2. gevoel van zorg
aandoenlijk, andoenlik, bijvoeglijk naamwoord, aandoenlijk: vertederend
aandonkeren, andonkeren, werkwoord, steeds meer donker worden, invallen van duisternis
aandraaien, andri’jen, werkwoord, 1. aandraaien: vastdraaien, vaster draaien 2. aandoen, in werking stellen door te draaien
aandrang, andrang, zelfstandig naamwoord, de; aandrang: nadruk
aandraven, andraeven, werkwoord, 1. aandraven: vlugger draven 2. voortdurend hard lopen, draven
aandribbelen, andribbelen, werkwoord, voortdurend dribbelen
aandrijfwiel, andriefwiel, zelfstandig naamwoord, et; wiel waarmee een werktuig wordt aangedreven, bijv. et andriefwiel naor de döskaaste
aandrijven, andrieven, werkwoord, 1. voortdrijven, aanjagen 2. doen voortgaan, doen werken 3. verder in hout of ander materiaal doen gaan
aandrijver, andriever, zelfstandig naamwoord, de 1. persoon die de drijvende kracht is 2. deel van een ouderwetse brandspuit, aangebracht om sterker te kunnen spuiten
aandrijving, andrieving, zelfstandig naamwoord, de 1. het aandrijven 2. aandrijvingsmechaniek
aandrinken, andrinken, werkwoord, opschieten met drinken
aandrogen, andreugen, werkwoord, steeds droger worden
aandrukken, androkken, werkwoord, 1. aanduwen, opduwen 2. vastdrukken, vaster drukken
aanduiden, anduden, werkwoord, 1. aanwijzen, naar iets wijzen 2. aanduiden, uitdrukken, een teken zijn van
aanduiding, anduding, zelfstandig naamwoord, de; aanduiding: aanwijzing, het aanduiden
aandurven, andurven, werkwoord, 1. aandurven: zich sterk genoeg voelen t.o.v. iemand 2. durven ondernemen
aanduwen, andouwen, werkwoord, aanduwen: door tegen iets of iemand te duwen doen bewegen, verplaatsen
aandwingen, andwingen, werkwoord, voortdurend aandringen om iets te krijgen, blijven zeuren
aaneen, anien, aniene, anienen, bijwoord, 1. zonder tussenruimte 2. achtereen, zonder tussenpozen
aaneensluiten, aniensluten, werkwoord, aaneensluiten
aaneggen, aneiden, aneggen, werkwoord, bewerken door te eggen, met een eg bewerken
aanergeren, anargeren, bijwoord, erger worden
aanerven, anarven, werkwoord, aanerven, door erfenis in eigendom krijgen
aaneten, aneten, werkwoord, 1. vlotter eten, vlot doorgaan met eten 2. beginnen te eten 3. ontbijten
aanezelen, anezelen, werkwoord, steeds doorgaan met hard werken
aanflikkeren, anflikkeren, werkwoord, voortdurend flikkerend lichten
aanflitsen, anflitsen, werkwoord, 1. aanfloepen 2. voortdurend weerlichten
aanfloepen, anfloepen, werkwoord, met een floep gaan branden, schijnen
aanflutteren, anflutteren, werkwoord, 1. snel kleren aandoen 2. moeizaam, met kleine straaltjes melken, zodat men lang bezig is
aanfoeteren, anfoeteren, werkwoord, voortdurend foeteren
aanfok, anfok, zelfstandig naamwoord, de; aanfok
aanfokken, anfokken, werkwoord, 1. aanfokken 2. vermeerderen van een verzameling
aanfokselen, anfokselen, werkwoord, 1. zich extra inspannen om het werk op tijd af te krijgen 2. in tegen et wark anfokselen er maar niet toe komen met het werk te beginnen
aanfottelen, anfottelen, werkwoord, 1. doen opschieten, aansporen 2. voortmaken
aangaan, angaon, zelfstandig naamwoord, de 1. gaan in de richting van 2. zich richten op, uitlopen op 3. aanwippen, aansteken 4. aan het Avondmaal gaan 5. stoeien, vaak: luidruchtig 6. luidruchtig tekeergaan 7. beginnen van de school, een kerkdienst 8. gaan branden van een licht, gaan werken van een apparaat 9. aanvatten, te werk gaan 10. van start gaan van werk, activiteiten 11. passend zijn op dergelijke wijze, bijv. Et gaot niet an, zo laete thuus te kommen 12. doorgaan/laten doorgaan van een koop, scheiding, relatie e.d. 13. voortduren 14. doodgaan, sterven, in d’r mit angaon; los geschreven in d’r an gaon id. 15. betreffen, raken 16. verantwoordelijk zijn, de baas zijn, zeggenschap hebben 17. redelijk gaan, er goed voorstaan 18. overkomen, meemaken
aangapen, angaepen, werkwoord, nieuwsgierig, verwonderd aankijken
aangaren, angeren, werkwoord, meer gaar worden
aangebakken, anbakt, bijvoeglijk naamwoord, 1. met aanbaksel 2. ineengeperst (van sneeuw)
aangebonden, anbunnen, bijvoeglijk naamwoord, in kot anbunnen kort aangebonden, snel boos
aangebrand, anbraand, bijvoeglijk naamwoord, 1. aangebrand: van spijzen 2. geneigd tot driftig reageren
aangedaan, andaon, bijvoeglijk naamwoord, 1. aangedaan, geroerd 2. beduusd 3. aangetast
aangehaald, anhaeld, bijvoeglijk naamwoord, behept
aangeklauwd, anklauwd, anklaaid, in d’r mit anklauwd wezen niet weten wat te doen, ermee zitten, zich er geen raad mee weten
aangekocht, ankocht, bijvoeglijk naamwoord, aangekocht
aangelande, angelaande, zelfstandig naamwoord, de; aangelande, ook: bezitter van één of meer aangrenzende percelen
aangenaam, angenaem, bijvoeglijk naamwoord, aangenaam
aangenomen, anneumen, angeneumen, bijvoeglijk naamwoord, aangenomen
aangereed, anred, angered, bijvoeglijk naamwoord, in zels anred zelfgemaakt, gezegd van stoffen voor kleding enz.
aangeschoten, anscheuten, bijvoeglijk naamwoord, 1. aangeschoten 2. in lichte mate dronken
aangespen, angaaspen, werkwoord, aangespen
aangetrouwd, antrouwd, angetrouwd, bijvoeglijk naamwoord, aangetrouwd, aangehuwd
aangeven, angeven, werkwoord, 1. aangeven, aanreiken 2. beduiden 3. melden, aangeven 4. opleveren
aangever, angever, zelfstandig naamwoord, de 1. degene die aanreikt 2. degene die iets meldt, bij een instantie aangeeft 3. degene die het voortouw neemt: bij een rel, moppen vertellen
aangewerkt, anwarkt, anwaarkt, bijvoeglijk naamwoord, zover met het werk dat men klaar is en niet verder kan
aangewezen, anwezen, bijvoeglijk naamwoord, aangewezen
aangezicht, angezicht, zelfstandig naamwoord, et 1. mombak 2. aangezicht, gelaat
aangifte, angifte, zelfstandig naamwoord, de; aangifte: kennisgeving
aanglooien, anglooien, werkwoord, glooiend (laten) lopen
aangluipen, angloepen, werkwoord, gluipend aankijken
aangniezen, angniezen, werkwoord, 1. grijnzend toelachen, op onnozele wijze toelachen zonder geluid voort te brengen 2. voortdurend grijnzen
aangraven, angreven, werkwoord, en var. 1. opschieten met het graven 2. de eerste handelingen van het turfgraven verrichten
aangreep, angreep, zelfstandig naamwoord, de; kleine klus die snel uit te voeren is
aangriezelen, angriezelen, werkwoord, 1. enorm tegenstaan, vooral gezegd van eten 2. gezegd wanneer men iets griezelig gevaarlijk vindt
aangrijpen, angriepen, werkwoord, 1. grijpend aanpakken, grijpend vastpakken 2. benutten, er werk van maken 3. aanpakken, flink aan het werk gaan 4. sterk ontroeren
aangrijzen, angriezen, werkwoord, 1. als zeer gevaarlijk/risicovol/onaangenaam opvatten 2. grijzen, grijs worden
aangroeien, angruuien, angrujjen, angruien, werkwoord, 1. opnieuw groeien, verder groeien 2. sterk gaan groeien 3. langzaam maar zeker dichtgroeien, verlanden
aanhaal, anhael, anhaol, zelfstandig naamwoord, de; het zich op de hals halen
aanhaken, anhaoken, werkwoord, aanhaken, vasthaken, aankoppelen
aanhalen, anhaelen, aanhaolen, werkwoord, 1. naar zich toe halen 2. aanhalen: van veters, knopen enz. 3. vleiend naar zich toe halen, opzettelijk aardig zijn tegen 4. zich inlaten met iemand, tot goede kennis of vriend maken 5. eerdere woorden herhalen, noemen uit 6. gaan uitvoeren, zich tot taak rekenen 7. zich op de hals halen 8. krachtiger worden van de wind 9. groeien, groter worden10. iets of iemand afhalen 11. verschil maken, meer effect hebben 12. winnen van honing door bijen 13. aanharken 14. koeien bijeendrijven en ophalen voor het melken
aanhalerig, anhaelerig, anhaelderig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. aanhalig, te zeer eropuit geliefkoosd te worden 2. sterk geneigd om met ieder om te gaan
aanhalig, anhaelig, anhaolig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, sterk geneigd aangehaald, geliefkoosd te willen worden, ook gezegd van iemand die een ander graag aanhaalt
aanhang, anhang, zelfstandig naamwoord, de 1. aanhang, mensen die meekomen, familie en/of vrienden en bekenden 2. wat achter een trekker e.d. is gekoppeld
aanhangen, anhangen, werkwoord, 1. aanhangen: blijven vastkleven 2. niet erg meegerekend worden, niet tot de vaste kern van een groep behorend
aanhankelijk, anhaankelik, bijvoeglijk naamwoord, aanhankelijk
aanharken, anharken, anhaarken, werkwoord, 1. aanharken 2. met een hooihark harkend bijeenbrengen
aanharksel, anharksel, zelfstandig naamwoord, et; dat wat men bijeenbrengt door harken
aanhebben, anhebben, werkwoord, 1. aanhebben: dragen van kleding 2. in werking hebben, brandend enz. hebben: m.b.t. vuur, verwarming, verlichting, de autolichten
aanheisteren, anheisteren, werkwoord, voortdurend bezig zijn met opruimen, schoonmaken of met werk anderszins
aanhemelen, anhemmelen, werkwoord, reinigen, schoonmaken, vooral: door resten weg te nemen, opruimen, door bijeen te brengen, ook: het overschot aan eten opmaken, het laatste voedsel in de voor het voer bestemde goot voor de koeien bijeenvegen
aanhitsen, anhissen, anhiesen, werkwoord, 1. aanhitsen van een hond 2. opstoken, aanzetten
aanhobbelen, anhobbelen, werkwoord, 1. sukkelend of evt. versneld voortgaan 2. blijven ruziën 3. zonder vaste regel voortgaan
aanhogen, anhogen, werkwoord, 1. aanvullend ophogen (met grond e.d.) 2. aanaarden
aanhooien, anhujjen, anhuien, werkwoord, 1. harkend hooi bijeenbrengen 2. opschieten met het hooien
aanhooisel, anhujsel, zelfstandig naamwoord, et; hooi dat is blijven liggen bij het tiemen
aanhoorder, anheurder, zelfstandig naamwoord, de; iemand die iets aanhoort; vooral: iemand van een kerkenraad die een predikant in diens eigen gemeente hoort
aanhoren, anheuren, werkwoord, 1. aanhoren 2. langsgaan en informeren naar de toestand 3. klinken en daardoor begrepen worden, bijv. Et heurt oons niet vremd an het klinkt ons niet vreemd in de oren
aanhorten, anhotten, werkwoord, rukkend trekken
aanhoud, anhoold, zelfstandig naamwoord, et 1. aanspraak, gelegenheid om met iemand in gesprek te komen, vriendschap 2. aanloop, visite
aanhouden, anholen, werkwoord, 1. aanhouden 2. blijven houden 3 lopend bijhouden, bijna inhalen 4. over iets onderhouden, iemand op iets aanspreken 5. onderweg bij een café e.d. aansteken 6. nog niet besluiten, nog niet toekennen e.d. 7. blijven vasthouden aan, het blijven houden op
aanhoudend, anholend, bijvoeglijk naamwoord, aanhoudend, voortdurend
aanhouder, anhoolder, anholer, zelfstandig naamwoord, de; doorzetter
aanjagen, anjaegen, werkwoord, 1. opdrijven, voortdrijven, tot spoed manen 2. in vuur anjaegen sneller doen branden 3. hard rijden of schaatsen
aanjager, anjaeger, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die het vee opdrijft 2. ventilator e.d. 3. hetz. als grösbeugel, zaodbeugel 4. soort blaasbalg 5. bep. ouderwetse handbrandspuit
aanjammeren, anjammeren, werkwoord, voortdurend jammeren, klagen, zeuren
aanjanken, anjanken, werkwoord, voortdurend janken of evt. zeuren
aanjengelen, anjengelen, werkwoord, 1. voortdurend zeuren, huilerig klagen 2. voortdurend storend in werking zijn van radio, televisie e.d.
aanjeuzelen, anjeuzelen, werkwoord, voortdurend klagend zeuren
aanjutten, anjutten, werkwoord, licht aantikken
aankankeren, ankankeren, werkwoord, voortdurend kankerend zeuren
aankarren, ankarren, ankarken, werkwoord, sneller gaan rijden, met name sneller gaan fietsen
aankauwen, ankauwen, werkwoord, sneller gaan kauwen, vooral: opschieten met het eten
aankeffen, ankeffen, werkwoord, voortdurend keffen
aankielen, ankielen, werkwoord, door een wig in iets te drijven verstevigen
aankijk, ankiek, zelfstandig naamwoord, de; het kijken naar, bekijks
aankijken, ankieken, werkwoord, 1. kijken naar 2. uitzien op, uitzicht hebben op 3. aanschouwen, bekijken 4. interpreteren, aanzien 5. blijven nadenken om het evt. alsnog te doen, in de gaten houden 6. een kort bezoek brengen
aanklagen, anklaegen, werkwoord, 1. aanklagen 2. steeds klagen
aanklampen, anklaampen, werkwoord, aanklampen
aanklauwen, anklauwen, werkwoord, 1. door aan te harken netter maken, reinigen 2. bijeenharken 3. hard werken om iets klaar te krijgen
aanklauwen, anklaweren, werkwoord, zich redden, het volhouden
aankleden, anklieden, ankleden, werkwoord, 1. kleding aantrekken 2. stofferen, van meubels voorzien enz.
aankleppen, ankleppen, werkwoord, licht doen slaan van de klepel tegen de binnenkant van een luidklok, vaak: als begin van het luiden
aanklepperen, anklepperen, werkwoord, voortdurend druk kletsen
aankleuren, ankleuren, werkwoord, schaamrood worden
aanklinken, anklinken, werkwoord, vaster maken door steviger te klinken, aan te doen sluiten
aankloppen, ankloppen, werkwoord, 1. aankloppen: vaster doen zijn, vaster doen aansluiten 2. kloppen om binnengelaten te worden of om z’n binnenkomst aan te kondigen
aankniezen, ankniezen, werkwoord, een raar gezicht trekken (tegen iemand)
aanknijpen, ankniepen, werkwoord, verder vastknijpen
aanknipogen, anknipogen, werkwoord, knipogen tegen
aanknippen, anknippen, werkwoord, aanknippen: met een knippende beweging of met een knippend geluid in werking stellen
aanknoeien, anknoeien, werkwoord, 1. voortdurend knoeien 2. opschieten met het werk, de activiteiten
aanknopen, ankneupen, anknopen, werkwoord, 1. door te knopen aan iets bevestigen 2. stevig vastknopen 3. met iemand een gesprek beginnen, een relatie aangaan
aanknopingspunt, ankneupingspunt, zelfstandig naamwoord, et; aanknopingspunt
aanknuchen, anknichen, anknichelen, werkwoord, voortdurend licht, kort hoesten
aanknutselen, anknusselen, anknutselen, werkwoord, 1. voortdurend met iets bezig zijn, met werk blijven klooien 2. opschieten met het werk, de activiteiten
aankomeling, ankommeling, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die leerjongen is of kan zijn 2. jongen of meisje dat groot begint te worden/al wat kan helpen
aankomen, ankommen, zelfstandig naamwoord, et 1. eerste indruk, eerste kennismaking 2. situatie waarbij men nog maar aan het begin staat en waarbij men nog veel moet leren, nog veel ervaring moet opdoen 3. begin van een bevalling
aankomen, ankommen, ankoemen, werkwoord, 1. arriveren 2. naderen, dicht komen bij 3. bijhouden, aankunnen 4. in aantocht zijn 5. gaan gebeuren 6. een bep. gevoel opwekken door de manier van benaderen 7. doel treffen, flink raken 8. aangaan voor een kort bezoek 9. afhangen van 10. aanraken 11. verwerven 12. overkomen, zich openbaren van ziekte e.d. 13. groeien, groter, dikker worden 14. blijven leven en gaan groeien na verplanten of poten 15. zich ontwikkelen 16. op een bep. manier overkomen 17. ontstaan van een verkering 18. betreffen, zich toespitsen op,In ankommen op 19. aansporend: vooruit, kom, bijv. Kom an!
aankomend, ankommend, ankommen, bijvoeglijk naamwoord, 1. aankomend: opgroeiend, halfvolwassen 2. nog maar net begonnen als arbeidskracht e.d. 3. komend, aanstaand
aankomend, ankem, anken, aankem, aanken, tankem, bijvoeglijk naamwoord, komend, volgend, bijv. ankem jaor
aankomst, ankomst, zelfstandig naamwoord, de; aankomst: het aankomen
aankondigen, ankondigen, ankundigen, werkwoord, aankondigen, het gaan plaatsvinden bekendmaken
aankoop, ankoop, zelfstandig naamwoord, de 1. aankoop: het aankopen; 2. het aangekochte
aankoopcoöperatie, ankoopkoperaosie, zelfstandig naamwoord, de; aankoopvereniging
aankopen, ankopen, werkwoord, 1. aanschaffen, aankopen 2. steeds maar weer kopen
aankoppelen, ankoppelen, werkwoord, 1. koppelen aan, vastmaken aan 2. snel in aantal toenemen
aankraaien, ankri’jen, werkwoord, voortdurend kraaien
aankrabben, ankrabben, werkwoord, 1. door te harken ontdoen van bladeren, hooi enz. 2. bijeenbrengen door te harken
aankrijgen, ankriegen, werkwoord, 1. nemen door vast te pakken 2. toetasten 3. aantrekken 4. aan het lichaam krijgen 5. aan het branden krijgen, in werking stellen
aankruien, ankrojen, werkwoord, 1. met een kruiwagen brengen 2. voortdurend met een kruiwagen in de weer zijn
aankruimelen, ankrummelen, werkwoord, 1. voortdurend moeizaam of stuntelig rijdend of lopend gaan 2. opschieten met het lopend of fietsend gaan 3. langzaam bezig zijn met dingen 4. met kleine dingen bezig zijn
aankruipen, ankroepen, werkwoord, 1. aankruipen 2. besluipen 3. naderen van een bep. leeftijd
aankruiper, ankroeper, zelfstandig naamwoord, de; iemand die een ander aankruipt
aankruiperig, ankroeperig, bijvoeglijk naamwoord, geneigd iemand aan te kruipen
aankruisen, ankruzen, ankrusen, werkwoord, aankruisen
aankuchelen, ankochelen, werkwoord, steeds blijven kuchen
aankunnen, ankunnen, werkwoord, 1. tegen iets of iemand opgewassen zijn, de ander de baas kunnen 2. in een gevecht kunnen overwinnen 3. kunnen uitvoeren, kunnen volbrengen 4. in staat of gewend zijn om te verbruiken
aankwanselen, ankwaanselen, werkwoord, voortdurend kopen en weer verkopen zonder dat het iemands beroep is
aankwatsen, ankwietsen, werkwoord, opdrijven door met een takje te dreigen of te slaan
aankwattelen, ankwattelen, werkwoord, steeds kwattelen
aanladen, anlaeden, werkwoord, 1. sneller gaan met het laden 2. geheel vol laden
aanlanden, anlanen, werkwoord, 1. belanden, terechtkomen 2. gaan aanleggen (aan de wal)
aanlangen, anlangen, werkwoord, aanreiken, overhandigen
aanleg, anleg, zelfstandig naamwoord, de 1. aanleg 2. aangelegd werk 3. aanlegplaats 4. begaafdheid, talent
aanleggen, anleggen, werkwoord, 1. aanleggen 2. bij iets leggen, gereed leggen 3. tegen iets leggen, aan iets vastmaken 4. richten van een geweer e.d. 5. afmeren 6. pleisteren 7. tot een goede vriendschap, verkering (proberen te) komen 8. aanmaken, tot branden brengen
aanlegplek, anlegplak, zelfstandig naamwoord, et; aanlegplaats
aanlegsteiger, anlegsteiger, zelfstandig naamwoord, de; aanlegsteiger
aanleiding, anleiding, anleidige, zelfstandig naamwoord, de; aanleiding
aanlengen, anlengen, werkwoord, verdunnen
aanleren, anleren, werkwoord, aanleren
aanleven, anleven, werkwoord, toeleven (naar iets)
aanleveren, anleveren, werkwoord, 1. aanleveren, bezorgen voor verdere handel, gebruik, verkoop 2. thuis, op het adres waar besteld is bezorgen 3. steeds blijven opleveren
aanlichten, anlochten, werkwoord, voortdurend weerlichten
aanlieven, anlieven, werkwoord, wennen aan de persoon met wie men trouwt
aanliggen, anliggen, werkwoord, 1. grenzen aan 2. van biggetjes: bij de zeug liggen om te zogen
aanlijmen, anliemen, werkwoord, aanlijmen
aanlonken, anlonken, werkwoord, aanlokkelijk zijn
aanloop, anloop, zelfstandig naamwoord, de 1. aanloop 2. inleidende woorden 3. begin van een ontwikkeling 4. bezoek dat zich met enige regelmaat aandient 5. kort onaangekondigd bezoek dat men brengt
aanlopen, anlopen, werkwoord, 1. sneller gaan lopen 2. binnenwippen, terloops bezoeken 3. bij anderen onderdak zoeken en vinden (van huisdieren) 4. voortdurend binnenkomen, toelopen 5. opdoen, toevallig krijgen 6. inhalen, bijbenen 7. tegen iets aanlopen bij het draaien 8. zich ontwikkelen, uitlopen op 9. ten einde lopen 10. verkeerd aflopen 11. een bep. kleur krijgen, vooral: in het gezicht 12. snel boos, driftig worden 13. toenemen van de wind 14. groter worden van een bedrag, aantikken 15. nadruppelen, nog steeds komen, bijv. ’t Lopt nog de hieltied an op et gironommer 16. schuin lopen naar links, rechts 17. geleidelijk omhooglopen 18. een geleidelijk verloop hebben, in een geleidelijk lopende lijn gaan
aanloper, anloper, zelfstandig naamwoord, de; huisdier dat is komen aanlopen
aanloten, anlotten, werkwoord, door lotten in militaire dienst moeten
aanluiken, anloeken, werkwoord, licht aan iets trekken
aanlummelen, anlummelen, werkwoord, voortdurend lummelen, voortdurend z’n tijd verdoen, er voortdurend niet echt werk van maken
aanmaaien, anmi’jen, werkwoord, 1. een begin maken met het maaien: van grasland, een akker rogge enz. 2. iemand inhalen of bijhouden met het maaien 3. druk maaien, opschieten met het maaien
aanmaak, anmaek, zelfstandig naamwoord, de 1. ontginning 2. het aanmaken, produceren van goederen etc.
aanmaakhout, anmaekhoolt, zelfstandig naamwoord, et; aanmaakhout
aanmaakturf, anmaekturf, zelfstandig naamwoord, de; aanmaakturf
aanmaken, anmaeken, werkwoord, 1. doen branden: van een vuur, een kachel 2. ontginnen 3. aanleggen: van wegen, paden enz. 4. produceren van voorwerpen 5. bereiden, klaarmaken van eten enz. 6. voortmaken, opschieten 7. opnieuw beginnen van een verkering
aanmaker, anmaeker, zelfstandig naamwoord, de; bep. lichte turf
aanmakerij, anmaekeri’je, zelfstandig naamwoord, de; ontginning
aanmanen, anmaonen, maenen, werkwoord, aanmanen, sommeren
aanmaning, anmaoning, anmaening, anmaenige, zelfstandig naamwoord, de; aanmaning
aanmatigen, anmaotigen, werkwoord, 1. een air aannemen, aanmatigend optreden 2. zich aanpassen 3. als gewoonte aannemen 4. aanmoedigen
aanmeerderen, anmeerderen, werkwoord, 1. groter worden in aantal, hoeveelheid 2. steeds meer geld krijgen
aanmekkeren, anmekkeren, werkwoord, voortdurend zeuren
aanmelden, anmelden, anmellen, werkwoord, aanmelden: opgeven
aanmelding, anmelding, zelfstandig naamwoord, de; aanmelding
aanmengen, anmingen, anmengen, werkwoord, aanmengen
aanmennen, anmennen, werkwoord, 1. door te mennen aansporen, bijsturen van een paard 2. binnenhalen met paard en wagen 3. aansporen, achter de broek zitten
aanmerken, anmarken, anmaarken, werkwoord, 1. aanmerken: kritiseren 2. van een merkteken voorzien, kenmerken, aanblessen
aanmerking, anmarking, anmaarking, zelfstandig naamwoord, de 1. aanmerking, bedenking, kritiek 2. in in anmarking in aanmerking
aanmesten, anmesten, werkwoord, verder gaan met mesten van een dier, vooral i.v.m. de voorgenomen slacht
aanmeten, anmeten, werkwoord, 1. aanmeten 2. in je wat anmeten laoten zich wat laten aanpraten 3. zich eigen maken, als gewoonte aannemen 4. toedienen, geven 5. flink doorstappen, met grote passen lopen 6. gewoon worden te doen
aanmieren, anmierken, werkwoord, voortdurend zeuren
aanmiezeren, anmiezeren, werkwoord, steeds zacht regenen
aanmiggelen, anmiggelen, werkwoord, steeds licht regenen
aanmodderen, anmodderen, werkwoord, 1. aanmodderen, voortdurend klungelen 2. een beetje opschieten
aanmoedigen, anmoedigen, werkwoord, aanmoedigen, opwekken
aanmoorden, anmoren, werkwoord, steeds moordend bezig zijn
aanmotten, anmotten, werkwoord, voortdurend zacht regenen
aanmotteren, anmotteren, werkwoord, hetz. als anmotten
aannaaien, anni’jen, werkwoord, aannaaien
aannaderen, annaoderen, werkwoord, zich toeëigenen
aannemelijk, annemelik, bijvoeglijk naamwoord, 1. innemend, plezierig, gemakkelijk in de omgang 2. geloofwaardig 3. geschikt, zodat men het gemakkelijk neemt
aannemen, annemen, werkwoord, 1. aannemen 2. als lidmaat opnemen, belijdenis/eerste communie doen
aannemer, annemer, zelfstandig naamwoord, de; aannemer
aanneming, anneming, zelfstandig naamwoord, de; belijdenis
aanneuren, annuren, werkwoord, hetz. als nuren, opnuren
aannodigen, annugen, werkwoord, blijven uitnodigen, aandringend uitnodigen
aanpaanderen, anpaanderen, werkwoord, stevig aan komen stappen
aanpak, anpak, zelfstandig naamwoord, de; aanpak
aanpakken, anpakken, werkwoord, 1. aanvatten, te werk gaan 2. flink, hard werken 3. bewerken, ook in negatieve zin: aantasten 4. aannemen 5. onder handen nemen, de waarheid zeggen, op z’n plaats zetten 6. aanranden 7. benaderen om iets bij de ander te bereiken, door te dringen 8. toetasten, beginnen te eten of te drinken 9. aanspreken van, beginnen gebruik te maken van een bep. voorraad, een bep. hoeveelheid eten, drinken, voeder
aanpakker, anpakker, zelfstandig naamwoord, de; aanpakker, iemand die van aanpakken, hard werken weet
aanpalen, anpaolen, werkwoord, aan een paal zetten
aanpangelen, anpangelen, werkwoord, voortdurend sjacheren
aanpappen, anpappen, anpaampen, werkwoord, 1. aanpappen 2. ongestoord met iets voortgaan 3. extra zuigen aan een pijp
aanpassen, anpassen, werkwoord, 1. aanpassen: passen van een kledingstuk, schoeisel 2. passend maken, overeen doen stemmen met zoals het het beste uitkomt 3. zich voegen naar de omstandigheden 4. wagen om te doen, het lef hebben
aanpeuteren, anpeuteren, werkwoord, doorwerken, opschieten met het werk, meer werk verzetten
aanpezen, anpezen, anpiezen, werkwoord, 1. hard fietsen 2. onvermoeid, vlot, aan één stuk doorwerken
aanpielen, anpielen, anpielken, werkwoord, voortgaan met het werk
aanpiepen, anpiepen, werkwoord, 1. voortdurend blijven zeuren 2. een pijp opsteken 3. vaak, langdurig een pijp roken
aanpieren, anpierken, werkwoord, aan komen lopen met een kruiwagen met piepend wiel
aanpieren, anpieren, werkwoord, opschieten met het werk
aanpietsen, anpietsen, werkwoord, 1. door voort te drijven verder doen gaan, sneller doen lopen enz. 2. aanzetten sneller te werken, meer te doen 3. voortmaken, harder werken, zich meer inspannen 4. steviger in elkaar zetten, beter vastbinden enz.
aanpikken, anpikken, werkwoord, 1. door pikken beschadigen 2. vastmaken door aan te haken 3. meenemen door langs te gaan, oppikken 4. aanstippen, kort aanraken
aanpingelen, anpingelen, werkwoord, voortdurend pingelen
aanpissen, anpissen, werkwoord, tegen iemand aan urineren (door honden)
aanplakboom, anplakboom, zelfstandig naamwoord, de; boom waarop aankondigingen worden geplakt of geprikt
aanplakken, anplakken, werkwoord, 1. aanplakken: van aanplakbiljetten e.d. 2. door middel van een aanplakbiljet e.d. bekend doen maken 3. aansmeren 4. aanpappen
aanplakplaats, anplakplaets, anplakplaetse, zelfstandig naamwoord, de; plek, plaats waar aankondigingen e.d. worden aangeplakt
aanplakplek, anplakplak, zelfstandig naamwoord, et; plek, plaats waar aankondigingen e.d. worden aangeplakt
aanplant, anplaant, zelfstandig naamwoord, de 1. aanplant: het nieuw geplante, het nieuw beplante stuk 2. dat wat men als aanplant laat groeien
aanplanten, anplaanten, werkwoord, aanplanten: doen ontstaan, voorzien van aanplant, van meer gewas voorzien
aanplanting, anplaanting, zelfstandig naamwoord, de 1. het aanplanten 2. het aangeplante
aanploegen, anploegen, werkwoord, aanploegen: voortdurend ploegen
aanploeteren, anploeteren, werkwoord, voortdurend ploeteren
aanpluizen, anpluzen, werkwoord, voortdurend pluzen
aanpoesten, anpoesten, werkwoord, 1. aanblazen: door blazen doen vlammen 2. naar iemand blazen, aanademen 3. besmetten door aanademen, aanblazen 4. zich flink inspannen
aanpoetsen, anpoetsen, werkwoord, voortdurend bezig zijn met poetsen
aanpongen, anpongen, werkwoord, slordig dichtnaaien
aanporren, anporren, anporken, werkwoord, 1. aanporren, aanzetten, aansporen 2. een por geven 3. opschieten, voortmaken met het werk
aanpoten, anpoten, werkwoord, 1. aanbenen, snel, krachtig voortstappen 2. opschieten, voortmaken met het werk 3. met een ziekte besmetten 4. aanplanten
aanpoteren, anpoteren, werkwoord, 1. sterk stimuleren te doen, aanzetten 2. hetz. als anpoten, bet. 2
aanpotten, anpotten, werkwoord, 1. oppotten, het geld dat men heeft opsparen 2. toenemen, vermeerderen: van een bedrag aan geld
aanpraten, anpraoten, werkwoord, 1. aanpraten: met mooie woorden doen geloven of doen kopen 2. voortdurend praten
aanpreken, anpreken, werkwoord, aanpraten, aansmeren
aanpresenteren, anprissenteren, werkwoord, aanpresenteren
aanprevelen, anprevelen, werkwoord, voortdurend in zichzelf praten
aanpriegelen, anpriegelen, werkwoord, voortdurend priegelen, opschieten met het priegelen
aanprijzen, anpriezen, werkwoord, 1. aanprijzen 2. de prijs zichtbaar maken met een prijskaartje e.d.
aanprutsen, anprotsen, anprutsen, werkwoord, voortdurend prutsen, zie ook protsen
aanpruttelen, anpruttelen, werkwoord, voortdurend pruttelen
aanpunten, anpunten, werkwoord, aanpunten
aanrabbelen, anrabbelen, werkwoord, veel en druk praten
aanrachelen, anrachelen, werkwoord, voortdurend rachelen
aanraden, anraoden, werkwoord, aanraden
aanraffelen, anraffelen, werkwoord, aan één stuk door praten
aanragen, anraegen, werkwoord, schoonmaken door raegen
aanraken, anraeken, werkwoord, 1. aanraken: net raken, beroeren 2. ontstaan van een verkering
aanraking, anraeking, anraekinge, zelfstandig naamwoord, de 1. aanraking 2. contact
aanrakken, anrakken, werkwoord, 1. opruimen en/of schoonmaken, vaak m.b.t. woon- of bedrijfsgedeelte van een huis 2. bijeenbrengen van hooi dat is blijven liggen 3. opmaken van restjes eten
aanramen, anraomen, werkwoord, 1. flink aantrekken, rukken 2. voortdurend raomen, vooral bet. 4
aanrammelen, anrammelen, werkwoord, voortdurend rammelen
aanranden, anranen, werkwoord, 1. aanranden 2. te lijf gaan anderszins 3. aanmanen te betalen
aanrander, anraander, anraner, zelfstandig naamwoord, de; aanrander
aanratelen, anrattelen, werkwoord, voortdurend kletsen
aanratelen, anraetelen, werkwoord, voortdurend rammelen, ratelend gaan
aanrazen, anraozen, werkwoord, aanrazen: voortgaan met razen, tieren
aanrechtplaat, anrechtplaete, zelfstandig naamwoord, et; aanrechtblad
aanrecommandatie, anrikkemedaosie, zelfstandig naamwoord, de; aanbeveling
aanrecommanderen, anrikkemederen, anrikkederen, anrikkemeren, anriklammaderen, anrik, werkwoord, en var.; aanbevelen, recommanderen
aanredden, anredden, anredderen, werkwoord, 1. opruimen 2. opknappen 3. gebruik maken van land
aanredderen, anredderen, werkwoord, voortdurend bezig zijn met opruimen, schoonmaken enz.
aanreiken, anrekken, anrieken, anreiken, werkwoord, 1. aanreiken, aangeven 2. langsbrengen
aanrekenen, anrekenen, werkwoord, 1. aanrekenen: toerekenen, verantwoordelijkstellenvoor 2. goedberekenen, goed nagaan 3. in op je anrekenen: zodanig te werk gaan dat men zelf voordeel heeft, op eigen voordeel uit
aanrepelen, anrepelen, werkwoord, voortdurend repelen
aanreppen, anreppen, werkwoord, 1. opschieten, voortmaken 2. opknappen, schoonmaken
aanresolveren, anrisselveren, werkwoord, opschieten, vooral niet dralen
aanrichten, anrichten, werkwoord, aanrichten: veroorzaken, stichten
aanriegelen, anriegelen, werkwoord, toenemen van het aantal mensen op een bep. plaats (vooral: op een bijeenkomst)
aanrijden, anrieden, werkwoord, 1. aanrijden: sneller rijden, opschieten met het rijden, schaatsen 2. tegen een persoon of dier rijden in het verkeer 3. naar een bep. plaats vervoeren door te rijden 4. rijdend langskomen
aanrijding, anrieding, zelfstandig naamwoord, de; aanrijding
aanrijgen, anri’jen, werkwoord, aanrijgen: van kralen
aanrijpen, anriepen, werkwoord, aanrijpen
aanrijven, anrieven, werkwoord, 1. aanharken 2. gereed maken 3. flink aantrekken om het stevig vast te krijgen, flink sluitend te krijgen
aanrimpelen, anrimpelen, werkwoord, aanrimpelen
aanrochelen, anrochelen, werkwoord, voortdurend rochelen
aanroeren, anreuren, anruren, werkwoord, 1. licht aanraken 2. terloops noemen, oppervlakkig behandelen 3. roerend mengen
aanroezen, anroezen, werkwoord, ongeordend verlopen
aanroffelen, anroffelen, werkwoord, 1. hard werken 2. snel maar slordig werken
aanrollen, anrollen, werkwoord, aanrollen, vooral: met een fiets komen aanrijden
aanrommelen, anrommelen, werkwoord, 1. aanmodderen, aanrommelen 2. voortdurend onweren
aanronselen, anroonselen, werkwoord, voortdurend kwanselen, roonselen
aanrooien, anrooien, werkwoord, rommelen, rotzooien (fig.), vooral: ten gunste van zichzelf
aanroppen, anroppen, werkwoord, voortdurend roppen, voortdurend hard werken
aanruigelen, anroegelen, werkwoord, 1. voortdurend roegelen 2. hetz. als anriegelen
aanruimen, anrumen, werkwoord, opruimen
aanrukken, anrokken, anrukken, werkwoord, aanrukken: met een ruk trekken aan
aanruwen, anruwen, werkwoord, dingen gereedmaken voor het melken
aansappelen, ansappelen, werkwoord, voortdurend sappelen
aanscharen, anscharen, werkwoord, in een schare meegaan
aanschellen, anschellen, werkwoord, aanbellen
aanscherpen, anscharpen, werkwoord, 1. aanscherpen 2. scherper formuleren, scherper eisen 3. aanzetten, motiveren
aanscheuren, anscheuren, werkwoord, flink aantrekken, flink rukken
aanschieten, anschieten, werkwoord, 1. aanschieten 2. snel aantrekken 3. aanklampen, aanspreken met een bep. doel 4. langsgaan, binnenwippen 5. grenzen aan, liggen 6. in d’r aorig mit anscheten wezen er bep. niet mee geholpen zijn 7. overvallen worden (door de slaap)
aanschijten, anschieten, werkwoord, in anschieten kommen (met korte ie) (ermee) komen aanzakken, komen aanzetten
aanschikken, anschikken, werkwoord, aanschikken: aan tafel gaan zitten om te eten
aanschimpen, anschimpen, werkwoord, voortdurend schimpen
aanschooien, anschooien, werkwoord, voortdurend bedelen
aanschorselen, anschosselen, werkwoord, (komen) aanschoffelen, (opnieuw) met de schoffel bewerken, met de schoffel in orde brengen
aanschreppen, anschrippen, anschreppen, werkwoord, voortdurend met inspanning werken
aanschrijven, anschrieven, werkwoord, 1. aanschrijven, schriftelijk oproepen 2. in goed/slecht anschreven staon goed/slecht aangeschreven staan
aanschrijver, anschriever, zelfstandig naamwoord, de; brief waarin een jongen wordt uitgenodigd om op zondagavond bij het beoogde meisje te komen
aanschrijving, anschrieving, zelfstandig naamwoord, de; aanschrijving: officiële schriftelijke mededeling of oproep
aanschrobben, anschrobben, werkwoord, schoonschrobben
aanschroeven, anschroeven, werkwoord, 1. aanschroeven 2. iemand nadrukkelijk zeggen dat hij moet opschieten, iemand aanzetten tot verhoogde activiteit
aanschuiven, anschoeven, werkwoord, 1. aanschikken 2. aanduwen
aanschuren, anschoeren, werkwoord, aanlopen bij het draaien
aansijpelen, ansiepelen, werkwoord, voortdurend siepelen
aansimmen, ansimpelen, ansimperen, werkwoord, voortdurend zachtjes huilen
aansingelen, ansingelen, werkwoord, 1. aansingelen, een paard de buikriem omdoen 2. aantrekken van de lijn waarmee het veulen vastzat aan de singel, d.i. de buikriem
aansjacheren, ansjacheren, ansjachelen, werkwoord, steeds sjacheren
aansjanteren, ansjaanteren, ansjaantelen, antjaantelen, werkwoord, 1. voortdurend neuriën 2. voortdurend dreinerig huilen 3. voortdurend zeuren
aansjouwen, ansjouwen, werkwoord, 1. door te dragen brengen 2. voortdurend lopen
aanslaan, anslaon, werkwoord, 1. aanslaan 2. van gewas: opschieten, gaan groeien 3. gaan blaffen 4. hoorbaar gaan luiden van een klok, uurwerk 5. door werking resultaat hebben 6. in de smaak vallen, positief worden gewaardeerd 7. aan iets een bep. waarde toekennen 8. een belastingaanslag opleggen
aanslag, anslag, zelfstandig naamwoord, de 1. aanslag 2. ondeugende streek 3. plankje aan één deur van een samenstel van dubbele deuren, waarmee de naad ertussen wordt afgedekt 4. vieze laag die ergens op is gaan zitten 5. bezigheid, werk 6. omgang met anderen, contact met anderen, aanspraak 7. verkering 8. instelling om goed met anderen om te kunnen gaan 9. belastingaanslag
aanslempen, anslempen, werkwoord, brassen, smullen, overdadig eten en/of drinken
aanslempen, anslempen, anslemmen, werkwoord, I door te slempen stevig doen zijn
aanslepen, anslepen, werkwoord, 1. voortdurend blijven lopen 2. over de grond voorttrekken
aanslijpen, ansliepen, werkwoord, aanslijpen: door te slijpen scherp of scherper maken, bijv. de beitel ansliepen
aanslijten, anslieten, werkwoord, hetz. als anschoeren
aanslikken, anslikken, werkwoord, 1. voortdurend snoepen 2. voortdurend elkaar kussen
aanslingeren, anslingeren, werkwoord, met een slinger doen starten
aansloffen, ansloffen, werkwoord, voortgaan met lopen: om op tijd te komen, om op tijd het werk af te krijgen
aansloven, ansloven, werkwoord, zich voortdurend uitsloven
aansluipen, ansloepen, werkwoord, 1. door te besluipen zeer dicht naderen 2. in ansloepen kommen komen aansluipen
aansluiten, ansluten, werkwoord, aansluiten
aansluitstuk, ansluutstok, zelfstandig naamwoord, et; aansluitingsstuk, -mof
aansmeren, ansmeren, werkwoord, aansmeren
aansmijten, ansmieten, werkwoord, opleveren
aansnaaien, ansnaaien, werkwoord, voortdurend snoepen, voortdurend nagaan of er iets te krijgen of te snoepen valt
aansnateren, ansnaeteren, werkwoord, voortdurend kletsen
aansnijden, ansnieden, werkwoord, 1. aansnijden: de eerste snee in iets maken 2. beginnen te spreken over 3. opschieten met het snijden
aansnobben, ansnobben, werkwoord, voortdurend snoepen
aansnoeren, ansnoeren, werkwoord, aansnoeren: vaster snoeren, stevig aantrekken
aanspannen, anspannen, werkwoord, aanspannen
aanspanter, anspanter, zelfstandig naamwoord, de; een niet volledige spant in het dak, met name in schuin toelopende delen
aanspelen, anspeulen, werkwoord, 1. opspelen bij kaarten 2. de bal toespelen 3. voortdurend spelen
aanspijkeren, anspiekeren, werkwoord, 1. vastspijkeren 2. door licht te spijkeren bevestigen
aanspitten, anspitten, werkwoord, 1. beginnen met het spitten 2. spittend bewerken
aanspraak, anspraok, anspraoke, zelfstandig naamwoord, de 1. gelegenheid om met mensen te praten 2. recht op iets
aansprakelijk, anspraokelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, aansprakelijk: verantwoordelijk, vaak: degene zijnd die om schadevergoeding kan worden gevraagd
aanspreekbaar, anspreekber, bijvoeglijk naamwoord, aanspreekbaar
aanspreken, anspreken, werkwoord, 1. aanspreken, toespreken 2. aandringen op betaling, vergoeding, op correcter gedrag 3. m.b.t. een voorraad geld: beginnen te gebruiken 4. gaan benutten 5. aangenaam of positief gevonden worden
aanspreker, anspreker, zelfstandig naamwoord, de; aanspreker, hetz. als anzegger
aanspuwen, anspi’jen, werkwoord, voortdurend spi’jen
aanstaan, anstaon, werkwoord, 1. aanstaan: op een kier staan 2. aangenaam zijn, bevallen 3. aandringen 4. werken, ingeschakeld staan 5. begrijpen, tot zich door laten dringen
aanstaande, anstaonde, zelfstandig naamwoord, de; aanstaande vrouw, man
aanstaande, anstaonde, bijvoeglijk naamwoord, 1. komende, aanstaande 2. toekomstig
aanstaarten, anstatten, werkwoord, aanstaarten
aanstappen, anstappen, werkwoord, 1. doorstappen, snel voortstappen 2. op iets/iemand aanstappen
aanstaren, ansteren, ansteernen, anstaeren, werkwoord, aanstaren
aansteekkomfoor, anstikkompfoor, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als kefoor, speciaal gebruikt om iets aan te steken, bijv. een pijp
aansteekplank, anstikplaanke, zelfstandig naamwoord, de; stuk waarmee men een tafel kan verlengen
aanstekelijk, anstikkelik, bijvoeglijk naamwoord, 1. aanstekelijk: besmettelijk 2. tot de houding leidend om hetz. te doen
aansteken, anstikken, werkwoord, 1. doen branden, doen ontvlammen 2. aanleggen, aanwippen, vooral: om iets te drinken en evt. te eten 3. besmetten 4. weten te enthousiasmeren 5. schenden, aantasten door ongedierte (zoals rupsen) 6. geprikkeld, geërgerd raken 7. in de gek anstikken iemand openlijk voor spot zetten 8. openmaken om aan de inhoud te beginnen
aansteker, anstikker, zelfstandig naamwoord, de 1. aansteker: voor rookartikelen 2. degene die een brand, een lamp enz. aansteekt 3. verlengstuk van een tafel
aanstellerig, anstellerig, anstelderig, bijvoeglijk naamwoord, aanstellerig
aanstellerij, anstelleri’je, anstelderi’je, zelfstandig naamwoord, de; aanstellerij
aanstomen, anstoemen, werkwoord, snel naderen
aanstonds, aansend, aansen, aansens, aanst, aans, aansies, aansten, aa, bijwoord, en var.; over een klein aantal ogenblikken, straks
aanstotelijk, anstotelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. medelijden opwekkend, zielig 2. aanstootgevend
aanstoten, anstoten, anstotten, werkwoord, aanstoten
aanstrijd, anstried, zelfstandig naamwoord, de; neiging die men voelt
aanstrijken, anstrieken, werkwoord, 1. aanstrijken: door strijken doen ontbranden 2. licht aanstrijken van een snaar 3. aansmeren 4. aan komen lopen 5. aan komen schaatsen
aanstrompelen, aanstrampelen, werkwoord, (komen) aanstrompelen
aanstropen, anstrupen, anstroepen, werkwoord, 1. aantrekken, in z’n kleren schieten 2. touw dat een lus vormt, aantrekken
aanstruisen, anstroezen, werkwoord, krachtig aan komen lopen
aantal, antal, zelfstandig naamwoord, et; aantal exemplaren van iets
aantasten, antaasten, antasten, werkwoord, 1. aantasten: aanvreten, beschadigen 2. gaan eten, toetasten
aantekenboek, antekenboekien, zelfstandig naamwoord, et; notitieboekje
aanteuten, anteuten, werkwoord, voortdurend teuten
aantijgen, antiegen, werkwoord, beschuldigen, aanwrijven
aantimmeren, antimmeren, werkwoord, veel timmeren, bouwen
aantogen, antogen, werkwoord, 1. aanslepen, aandragen 2. voortdurend togen
aantokkeren, antokkeren, werkwoord, voortdurend tokkeren
aantonen, antonen, anteunen, werkwoord, aantonen
aantonten, antonten, werkwoord, slordig dichtnaaien
aantrekken, antrekken, werkwoord, 1. aantrekken 2. bij een bep. ruimte of grond voegen 3. terugvliegen naar het bijenvolk waarvan werd afgesplitst
aantuigen, antugen, werkwoord, aanschaffen, aankopen
aanvaarden, anveerden, anvaerden, werkwoord, aanvaarden: accepteren, zich schikken in, in gebruik nemen
aanval, anval, zelfstandig naamwoord, de; aanval, ook van een bep. ziekte, een bep. gemoedsgesteldheid
aanvallen, anvalen, werkwoord, 1. strijd gaan leveren 2. volop gaan eten en evt. drinken 3. zich openbaren 4. als eerste ervaringen hebben, al dan niet goed vallen, op een bep. wijze uitpakken
aanvallig, anvallig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. vriendelijk en lief, lieftallig 2. gezegd van de leeftijd waarop men dat is 3. gezegd van grond waar gewas gemakkelijk opschiet
aanvaren, anveren, anvaeren, werkwoord, (komen) aanvaren
aanvatten, anvatten, werkwoord, 1. aanvatten, beginnen aan iets 2. aanpakken 3. aangrijpen
aanverramen, anvraomen, werkwoord, voortdurend zich krachtig inspannen bij het werk
aanvertrouwd, anvertrouwd, bijvoeglijk naamwoord, toevertrouwd, goed in staat zijnd uit te voeren, de verantwoordelijkheid te dragen
aanveteren, anvieteren, anvitteren, werkwoord, 1. krachtig aanmoedigen, nadrukkelijk zeggen dat iemand moet opschieten, aanzetten tot activiteit 2. opschieten, sneller gaan in een bep. activiteit
aanvliegen, anvliegen, werkwoord, 1. vliegend naderen, aankomen 2. in anvliegen kommen hard aan komen rennen, fietsen, rijden, schaatsen 3. zich voegen bij een ander bijenvolk 4. naar de keel vliegen 5. stressverschijnselen krijgen door ongeduld, angstige spanning
aanvliegplank, anvliegplaankien, zelfstandig naamwoord, de; plankje onder het vlieggat van een bijenkast, aan de buitenkant
aanvlotten, anflutten, werkwoord, 1. snel aanschieten van kleding 2. even binnengaan, aandoen, niet met de bedoeling lang te blijven
aanvoelen, anvulen, anveulen, werkwoord, aanvoelen
aanvoer, anvoer, zelfstandig naamwoord, de; aanvoer
aanvoeren, anvoeren, werkwoord, 1. aanvoeren 2. mesten van kalveren
aanvoersloot, anvoersloot, zelfstandig naamwoord, de; sloot die water toevoert
aanvordelen, anfoddelen, werkwoord, opschieten: met het lopen
aanvraag, anvraog, anvraoge, zelfstandig naamwoord, de; aanvraag, verzoek
aanvragen, anvraogen, werkwoord, 1. aanvragen, een aanvraag doen 2. verder vragen, gericht doorvragen 3. nadrukkelijk vragen
aanwaaien, anwi’jen, werkwoord, 1. aanwaaien, in anwi’jenkommen 2. spontaan overkomen, toevallig optreden
aanwas, anwas, zelfstandig naamwoord, de, et 1. vreemde uitgroeiing aan het lichaam van mens of dier, aan een boom, tak of plant 2. groei, uitbreiding van een bedrijf, met name: vermeerdering van een bestand aan vee 3. nieuwe aanplant, toestand van gewas, bos waarin dat opnieuw groeit 4. aanhang 5. nieuwe leden van een vereniging
aanwensel, anwaensel, anwaens, anwaenst, zelfstandig naamwoord, et; aanwensel, hebbelijkheid
aanwerken, anwarken, werkwoord, 1. opschieten met het werken 2. zodanig vlot en goed werken dat men de achterstand wegwerkt 3. groter doen worden van honingraten
aanwetten, anwetten, werkwoord, 1. door slijpen scherper maken 2. door wetten scherper maken
aanwijs, anwies, zelfstandig naamwoord, de; aanwijs, aanwijzing
aanwijzen, anwiezen, werkwoord, 1. aanwijzen 2. aanduiden als dat wat opmerkelijk is 3. aanstellen of kiezen in een bep. functie 4. toewijzen
aanwijzerbord, anwiezerbod, zelfstandig naamwoord, et; aanwijsbord
aanwijzing, anwiezing, zelfstandig naamwoord, de 1. het aanwijzen, het uitleggen 2. aanwijzing, korte uitleg 3. signaal, teken dat ergens op wijst
aanwinden, anwienen, werkwoord, geheel opwinden
aanwinnen, anwinnen, werkwoord, 1. groter worden, zwellen 2. meer opbrengst leveren
aanwinst, anweenst, zelfstandig naamwoord, de; aanwinst
aanwispelen, anfiespelen, werkwoord, steeds bezig zijn met iets schoon te maken, te reinigen
aanwroeten, anvrotten, anwrotten, werkwoord, 1. voortdurend wroeten 2. zich voortdurend krachtig inspannen
aanzachten, anzaachten, werkwoord, verder genezen van wonden
aanzagen, anzaegen, werkwoord, voortdurend zagen
aanzakken, anzakken, werkwoord, aan komen lopen
aanzeggen, anzeggen, werkwoord, 1. aanzeggen 2. gelasten of nadrukkelijk uitnodigen om te doen 3. zeggen waar het op staat, in verb.
aanzegger, anzegger, zelfstandig naamwoord, de; leedaanzegger
aanzegging, anzegging, anzegginge, zelfstandig naamwoord, de; mededeling door anzeggen
aanzelen, anzelen, werkwoord, vastzetten met bep. banden
aanzemelen, anzemelen, werkwoord, steeds zeuren, klagen
aanzet, anzet, zelfstandig naamwoord, de 1. begin van een handeling 2. stimulans 3. kleine inspanning
aanzetten, anzetten, werkwoord, 1. op een kier zetten 2. aanhechten van nieuw garen 3. aanbouwen 4. steviger, hoger maken 5. aankoeken, zich neerzetten van een laag 6. doen toenemen met het bedoelde 7. voeden van een moerdop (bij bijen) 8. gaan groeien (van gewas) 9. verzadigd(er) maken 10. opzetten (van de lucht) 11. aanzetten, stimuleren 12. opjagen, aandrijven (van paarden) 13. opzetten, aanstoken 14. kracht ontwikkelen, een aanloop nemen 15. beginnen te trekken (van trekdieren) 16. in werking stellen 17. doen ontbranden 18. fokken, als vee nemen 19. kinderen nemen 20. door te slijpen scherper maken 21. in anzetten kommen ergens aankomen, naderen 22. gaan naar
aanzetter, anzetter, zelfstandig naamwoord, de 1. aanstichter 2. kort, niet zo dik stuk hout, knippel
aanzetting, anzetting, zelfstandig naamwoord, de; plaats waar iets vast zit aan iets anders
aanzeulen, ansulen, anseutelen, werkwoord, 1. langzaam naderen: lopend, fietsend of schaatsend 2. voortdurend langzaam en stuntelig glijden op de schaats
aanzeveren, anzieveren, werkwoord, 1. voortdurend kwijlen 2. steeds zeuren
aanzitten, anzitten, werkwoord, 1. aandringen 2. in een lastig parket zitten
aanzoek, anzuuk, anzeuk, zelfstandig naamwoord, et, de; aanzoek, plechtig verzoek
aanzoeken, anzuken, anzeuken, werkwoord, aanzoeken, verzoeken
aanzoeten, anzuten, werkwoord, sterker worden, toenemen
aanzuigen, anzoegen, werkwoord, aanzuigen: door zuigen aantrekken
aanzuipen, anzoepen, werkwoord, 1. voortdurend drinken, steeds zuipen 2. opschieten met het drinken
aanzuren, anzoeren, werkwoord, aanzuren: zuurder maken
aanzwelen, anzwillen, werkwoord, land bewerken door het hooi in zwelen, wiersen te brengen
aanzwellen, anzwillen, werkwoord, in een toenemend aantal komen van mensen
aanzweren, anzweren, werkwoord, voortdurend zwetsen
aanzwetsen, anzwetsen, werkwoord, voortdurend zwetsen
aap, aep, aepe, zelfstandig naamwoord, de 1. aap 2. ondeugend jongetje, kwajongen 3. groot bedrag aan geld waar men vooreerst genoeg aan heeft, buit, schat
aapje, aepien, zelfstandig naamwoord, et 1. kleine aap 2. bidelot
aar, aore, ore, aoder, zelfstandig naamwoord, de 1. korenaar of daarop gelijkende aar 2. bloedader 3. waterader
aard, aord, zelfstandig naamwoord, de 1. aard, wezen, karakter 2. soort mensen 3. gewenste gemoedsgesteldheid 4. in verb. als een aord oorverdovend lawaai
aardappel, eerpel, eerappel, eerdappel, eerpel-, eerappel-, eerdappel, zelfstandig naamwoord, de; 1. aardappel, vrucht van de aardappelplant 2. aardappelplant
aardappelbestoppen, eerpelbestoppen, werkwoord, en var.; inkuilen van aardappelen
aardappelboer, eerpelboer, zelfstandig naamwoord, en var. de; aardappelboer
aardappelbok, eerpelbok, zelfstandig naamwoord, de; platte schuit voor aardappelvervoer
aardappelboor, eerpelbore, zelfstandig naamwoord, en var. de 1. aardappelboor, aardappelkruk 2. fopmiddel: denkbeeldig gereedschap waarvoor men kinderen, aankomende knechtjes enz. op pad stuurde om het te halen
aardappelbouw, eerpelbouw, zelfstandig naamwoord, de; aardappelakker
aardappelbouwen, eerpelbouwen, werkwoord, aardappelen verbouwen
aardappelbrij, eerpelbri’j, zelfstandig naamwoord, de; aardappelpap
aardappelbuik, eerpelboek, zelfstandig naamwoord, en var. de 1. zeer dikke buik, door het eten van veel aardappelen 2. iemand met zo’n buik
aardappelbult, eerpelbult, zelfstandig naamwoord, en var. de; hoop aardappelen
aardappelcenten, eerpelcenten, zelfstandig naamwoord, et; geld dat men voor de aardappelen ontvangt
aardappeldobbe, eerappeldobbe, zelfstandig naamwoord, de; aardappelkuil
aardappeldollen, eerpeldollen, werkwoord, aardappelrooien
aardappeldop, eerpeldoppien, zelfstandig naamwoord, et; elk der doppen die men op z’n vingers kan doen bij het handmatig rooien van aardappelen
aardappeleggen, eerpeleiden, werkwoord, eggen van een akker met aardappelplanten
aardappelgaarder, eerpelgeerder, eerpelgaerder, zelfstandig naamwoord, de; degene die de aardappelen raapt bij het rooien
aardappelgat, eerpelgat, zelfstandig naamwoord, et; gat, kuil gegraven voor het bewaren van aardappelen, bedekt met stro en aarde
aardappelgeld, eerpelgeld, zelfstandig naamwoord, et; geld dat men voor de aardappelen ontvangt
aardappelgreep, eerpelgriepe, zelfstandig naamwoord, de; greep voor het rooien van aardappelen
aardappelhak, eerpelhakkien, zelfstandig naamwoord, de; aardappelhakker
aardappelhakker, eerpelhakker, zelfstandig naamwoord, de; aardappelhakker
aardappelhok, eerpelhokke, zelfstandig naamwoord, et; hok waarin men aardappels bewaart, opslaat
aardappelhouw, eerpelhouwgien, zelfstandig naamwoord, et; schoffeltje om onkruid te ‘hakken’
aardappelhut, eerpelhutte, zelfstandig naamwoord, de; deels in de grond gemaakte hut om aardappels in te bewaren of soortgelijk gat
aardappeljassen, eerpeljassen, werkwoord, schillen van aardappelen
aardappelkarren, eerpelkarken, werkwoord, met paard en wagen de aardappeloogst van het land halen
aardappelkeuren, eerpelkeuren, werkwoord, de kwaliteit van aardappels onderzoeken
aardappelkever, eerpelkever, zelfstandig naamwoord, de; coloradokever
aardappelkist, eerpelkiste, zelfstandig naamwoord, de; kist waarin men aardappelen vervoert, bewaart
aardappelkom, eerpelkoeme, zelfstandig naamwoord, en var. de; kom voor aardappelen, aardappelschaal
aardappelkop, eerpelkop, zelfstandig naamwoord, de; 1. bep. maat waarin men aardappelen koopt, verkoopt 2. (scheldwoord) wit hoofd van een mens, ook: zo’n persoon
aardappelkorf, eerpelkörf, zelfstandig naamwoord, de; korf waarin men aardappelen bewaart, vervoert
aardappelkrab, eerpelkrabbe, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als krabber, bet. 1,2
aardappelkrabben, eerpelkrabben, werkwoord, aardappelrooien
aardappelkrabber, eerpelkrabber, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als krabber, bet. 1,2
aardappelkruimel, eerpelkrumme, eerpelkrummel, zelfstandig naamwoord, de; aardappelkruimel
aardappelkuil, eerpelkoele, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als eerpelgat
aardappelkuis, eerpelkuis, zelfstandig naamwoord, de; benaming voor een kalf
aardappelkweek, eerappelkwieke, zelfstandig naamwoord, de; loof van gerooide aardappelen
aardappelland, eerpellaand, zelfstandig naamwoord, en var. et; aardappelland
aardappellichten, eerpellichten, werkwoord, machinaal rooien van aardappelen
aardappellof, eerpellof, zelfstandig naamwoord, et; aardappelloof
aardappelmand, eerpelmaand, eerpelmaande, eerappelmaande, zelfstandig naamwoord, de; 1. mand waarin men aardappels doet (bij het rapen van het land) 2. (verkl.) aardappelmandje
aardappelmeel, eerpelmael, zelfstandig naamwoord, et; aardappelmeel
aardappelmennen, eerpelmennen, werkwoord, met paard en wagen de aardappeloogst van het land halen
aardappelmolen, eerpelmeule, zelfstandig naamwoord, de; groentemolen voor aardappelen
aardappelnazoeken, eerpelnaozuken, werkwoord, de achtergebleven aardappels van het land zoeken
aardappelnegotie, eerpelnegosie, zelfstandig naamwoord, de; aardappelhandel, het venten met aardappelen, ook: de aardappels die bij het venten aangeboden worden
aardappelpens, eerpelpeinze, zelfstandig naamwoord, de; 1. dikke buik 2. scheldwoord: iemand met zo’n buik
aardappelplag, eerpelplagge, zelfstandig naamwoord, de; taaie plag geschikt/gebruikt om aardappels mee te bedekken
aardappelpoep, eerpelpoep, zelfstandig naamwoord, de; scheldwoord voor een dik iemand; lett.: aardappel-Duitser
aardappelpoffen, eerpelpoffen, werkwoord, poffen van aardappelen
aardappelpootstok, eerappelpootstok, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als pootstok
aardappelpot, eerpelpot, zelfstandig naamwoord, en var. de; pot waarin men aardappelen kookte, vooral: voor het vee
aardappelpoten, eerpelpoten, werkwoord, poten van aardappelen
aardappelpoter, eerpelpoter, zelfstandig naamwoord, de; 1. iemand die aardappels poot 2. pootstok 3. hetz. als pootlorrie
aardappelpotersstok, eerpelpotersstok, zelfstandig naamwoord, de; pootstok
aardappelprikken, eerpelprikken, werkwoord, door te prikken aardappels ongeschikt maken voor menselijke consumptie (zodat ze bewaard bleven als veevoer)
aardappelprikker, eerpelprikker, zelfstandig naamwoord, de; machine waarmee men aardappelen ongeschikt maakte voor menselijke consumptie door ze te prikken
aardappelpuit, eerpelpoede, zelfstandig naamwoord, de; iemand die veel aardappels eet
aardappelpunter, eerappelpunter, zelfstandig naamwoord, de; arm iemand die over het gerooide land naar aardappelen loopt te zoeken die de rooier liet liggen
aardappelrank, eerpelraanke, zelfstandig naamwoord, de; stengel van de aardappelplant; meervoud eerpelrangen aardappelloof
aardappelroede, eerpelroe, zelfstandig naamwoord, de; stuk grond van vier bij vier meter met aardappelen
aardappelrooien, eerpelrooien, eerpelroden, werkwoord, aardappelrooien
aardappelrooier, eerpelrooier, eerpelroder, zelfstandig naamwoord, de; aardappelrooier: degene die de aardappelen rooit, tegenwoordig: bep. machine
aardappelrooiersdop, eerappelrooiersdoppien, zelfstandig naamwoord, et; elk der doppen die men op z’n vingers had wanneer men met de handen aardappels rooide
aardappelrooierstijd, eerpelrooierstied, zelfstandig naamwoord, de; tijd van het rooien van de aardappelen
aardappelrooiersvork, eerpelrooiersvörke, zelfstandig naamwoord, de; speciale vork waarmee men aardappelen rooit
aardappelrug, eerpelrogge, zelfstandig naamwoord, de; veld met aardappelen
aardappelschiften, eerpelschiften, werkwoord, aardappels sorteren
aardappelschijf, eerpelschieve, zelfstandig naamwoord, de; schijfje van een aardappel
aardappelschillen, eerpelschellen, werkwoord, aardappels schillen
aardappelschiller, eerpelscheldertien, zelfstandig naamwoord, en var. et; aardappelmesje
aardappelschillersbak, eerpelscheldersbakkien, zelfstandig naamwoord, en var. et; bakje waarin men de aardappelen schilt
aardappelschillerskorf, eerpelschelderskörfien, zelfstandig naamwoord, en var. et; korfje waarin men aardappels schilt
aardappelschillersmand, eerpelscheldersmaantien, zelfstandig naamwoord, en var. et; korfje waarin men aardappels schilt
aardappelschillersmes, eerpelscheldersmes, zelfstandig naamwoord, en var. et; aardappelmesje
aardappelschoffel, eerpelschoffel, eerpelschoffeltien, zelfstandig naamwoord, et 1. kleine schoffel om de aardappelen mee te schoffelen 2. oeverzwaluw
aardappelschokmachine, eerpelschokmesiene, zelfstandig naamwoord, de; machine waarmee men de aardappelen sorteert en schoon 'schokt'
aardappelschop, eerpelschoppe, zelfstandig naamwoord, en var. de; schop om aardappelen mee te scheppen
aardappelschot, eerpelschot, eerpelschut, zelfstandig naamwoord, et; schot aan de voor- of achterkant van een wagen met aardappelen
aardappelschotel, eerappelschottel, zelfstandig naamwoord, de; aardappelschaal
aardappelschrabmachine, eerpelschrabmesiene, zelfstandig naamwoord, de; machine met behulp waarvan men aardappelen schrapt
aardappelschrabsel, eerpelschrabsel, zelfstandig naamwoord, en var. et; aardappelschrabsel
aardappelschuit, eerpelschute, zelfstandig naamwoord, de; platte schuit voor aardappelvervoer
aardappelschuur, eerappelschure, zelfstandig naamwoord, de; aardappelschuur
aardappelsorteermachine, eerappelsorteermesiene, zelfstandig naamwoord, de; machine die de aardappels sorteert
aardappelspruit, eerpelsprute, zelfstandig naamwoord, de; spruit aan een aardappel
aardappelspuiten, eerpelspuiten, werkwoord, spuiten van verdelgingsstof op aardappelplanten
aardappelstam, eerpelstamme, zelfstandig naamwoord, de; de gehele aardappelplant
aardappelstampen, eerpelstampen, werkwoord, dooreenstampen van aardappelen
aardappelstamper, eerpelstamper, zelfstandig naamwoord, de; stamper om aardappelen mee te stampen
aardappelstang, eerpelstange, eerappelstange, zelfstandig naamwoord, de; de gehele aardappelplant
aardappelsteek, eerpelstikke, zelfstandig naamwoord, de; oog in een aardappel
aardappelstip, eerpelstip, zelfstandig naamwoord, de; vet in, bij de aardappelen die men eet
aardappelstomer, eerpelstomer, zelfstandig naamwoord, de; 1. aardappelstomer, installatie voor het stomen van aardappelen 2. dubbele pan waarin aardappelen werden gekookt
aardappelstrampel, eerpelstraampel, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als eerpelstamper
aardappelteil, eerpeltiele, zelfstandig naamwoord, de; aardappelschaal
aardappeltijd, eerpeltied, zelfstandig naamwoord, de; tijd van de aardappeloogst
aardappelveld, eerpelveld, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als eerpelbouw
aardappelvork, eerpelvörke, zelfstandig naamwoord, en var. de; hetz. als eerpelrooiersvörke
aardappelwagen, eerpelwaegen, zelfstandig naamwoord, de; wagen waarmee men aardappelen vervoert
aardappelwater, eerpelwaeter, zelfstandig naamwoord, et; water waarin men de aardappelen kookt
aardappelwieden, eerappelwieden, werkwoord, wieden van aardappels
aardappelzak, eerpelzak, zelfstandig naamwoord, de; aardappelzak
aardappelzeef, eerpelsjouwe, eerpelsouwe, zelfstandig naamwoord, de; toestel met behulp waarvan men o.m. pootaardappelen en aardappelen voor consumptie afzonderde door gebruikmaking van diverse typen roosters
aardappelzeef, eerpelzeve, zelfstandig naamwoord, de; zeef met behulp waarvan men pootaardappelen afzondert
aardappelzetten, eerpelzetten, werkwoord, aardappels poten
aardappelzeven, eerpelsouwen, eerpelsjouwen, werkwoord, werken met de eerpelsjouwe
aardappelzoeken, eerpelzuken, eerpelzuuiken, werkwoord, en var.; zoeken, rapen van de aardappels bij het rooien
aardappelzoeker, eerpelzuker, zelfstandig naamwoord, en var. de; raper bij het aardappelrooien
aardbei, eerbeie, erebeie, eerdbeie, eerdbeze, zelfstandig naamwoord, de; aardbei
aardbeienbed, eerbeiebedde, erebeiebedde, zelfstandig naamwoord, de; aardbeienbed
aardbeienpol, eerbeiepolle, erebeiepolle, zelfstandig naamwoord, de; aardbeiplant
aardbodem, eerdbojem, zelfstandig naamwoord, de; aardbodem
aarde, eerde, ere, zelfstandig naamwoord, de; 1. aardbol 2. aardbodem 3. de stof aarde, grond
aardebaan, eerdebaene, erebaene, zelfstandig naamwoord, de; aardebaan
aardebult, eerdebult, erebult, zelfstandig naamwoord, de; hoop mest gemengd met aarde, gebruikt voor bemesting
aardedong, eerdedong, eredong, zelfstandig naamwoord, de; mest gemengd met aarde
aardedongbult, eerdedongbult, zelfstandig naamwoord, de; hoop mest gemengd met aarde, gebruikt voor bemesting
aardekar, eerdekarre, eerdkarre, zelfstandig naamwoord, de; wipkar
aardekrui, eerdekroje, erekroje, zelfstandig naamwoord, de; flinke, holle kruiwagen
aardemest, eerdemes, zelfstandig naamwoord, de; mest gemengd met aarde
aarden, eerden, eren, bijvoeglijk naamwoord, aarden
aarden, aorden, aoren, werkwoord, 1. de aard of gewoonten hebben van, passen bij 2. zich thuis gaan voelen, wennen aan 3. groeien, gedijen 4. afstammen, z’n afkomst hebben 5. lijken op, de eigenschappen hebben 6. erfelijk zijn, in nao aorden
aardewagen, eerdewaegen, zelfstandig naamwoord, de; wagen waarmee aarde werd vervoerd
aardewerk, eerdewark, eerdewaark, zelfstandig naamwoord, et; aardewerk, gebakken aarde
aardewerken, eerdewarken, bijvoeglijk naamwoord, van aardewerk
aardgas, eerdgas, zelfstandig naamwoord, et; aardgas
aardhommel, eerdhommel, eerdhummel, zelfstandig naamwoord, de; kleine hommel
aardig, eerdig, erig, bijvoeglijk naamwoord, met aarde vermengd
aardig, aorig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. aangenaam, prettig 2. aanvallig, lief 3. welwillend, welgevallig 4. prettig, een aangename stemming oproepend 5. in aanzienlijke mate, flink wat, nogal, danig 6. vreemd, eigenaardig
aardigheid, aorighied, zelfstandig naamwoord, de 1. het aardige, leuke van iets, plezier dat men ondervindt 2. iets leuks, iets dat waardering verdient 3. iets dat leuk is en ‘voor de aardigheid’ wordt gegeven
aardman, eerdmannegien, zelfstandig naamwoord, et; kabouter
aardrijk, eerdriek, zelfstandig naamwoord, et; aardrijk
aardrijkskunde, eerdriekskunde, zelfstandig naamwoord, de; aardrijkskunde
aards, eerds, bijvoeglijk naamwoord, aards, ondermaans, tot de aarde behorend
aardschuit, eerdeschute, ereschute, zelfstandig naamwoord, de; aardschuit
aardzwaluw, eerdzwelver, eerdezwelver, zelfstandig naamwoord, de; oeverzwaluw
aars, maos, maas, zelfstandig naamwoord, de; achterwerk, in Lik mi’j de maos bekijk het maar, loop naar de pomp
aars, neerze, zelfstandig naamwoord, de; aars: achterwerk, aarsopening, endeldarm
aarts-, aarts, bijvoeglijk naamwoord, zeer intensief, in hoge mate, bijv. ’t Is een aartse lillikerd hij is vreselijk lelijk
aas, aos, zelfstandig naamwoord, aas bij kaarten
aas, aos, zelfstandig naamwoord, et, de 1. aas (voor vis) 2. vervelende persoon
aaskrob, aoskrobbe, zelfstandig naamwoord, de; aaskever
aasvis, aosvis, zelfstandig naamwoord, de; lokvis
absoluut, abseluut, absluut-, obsluut, bijwoord, absoluut: volstrekt, geheel, beslist
abuis, abuus, abuis, zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, et; abuis, vergissing
academie, akedemie, zelfstandig naamwoord, de; academie, academisch genootschap, academische instelling
academisch, akedemisch, bijvoeglijk naamwoord, academisch: m.b.t. een academie of universiteit
acceptabel, akseptaobel, bijvoeglijk naamwoord, acceptabel
accepteren, aksepteren, werkwoord, accepteren: pikken
accident, aksedent, zelfstandig naamwoord, et; voorval
accijns, aksiens, zelfstandig naamwoord, de; accijns, belasting
acclamatie, aklemaosie, zelfstandig naamwoord, de; acclamatie
accommodatie, akkemedaosie, zelfstandig naamwoord, de; accommodatie: geschikt verblijf of inrichting
accorderen, akkederen, werkwoord, 1. goed kunnen opschieten 2. tot overeenstemming komen
accuraat, akkeraot, akkedaot, akkeraat, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. accuraat 2. in sterke mate
ach, ae, tussenwerpsel, ach, och
ach, ao, tussenwerpsel, oh, ach, och
acht, achte, aachte, telwoord, zn.; acht
achtbaar, achtber, bijvoeglijk naamwoord, achtbaar
achtdaags, achtdaegs, bijwoord, achtdaags
achten, achten, aachten, aachte, werkwoord, achten
achter, aachter, achter, voorzetsel, bijwoord, 1. achter 2. na
achter-de-aars, aachterneers, bijwoord, achterwaarts, rugwaarts; aachterneers praoten krom praten
achteraan, aachteran, aachteran-, bijwoord, 1. aan de achterkant 2. na, achteraf
achteraanbengelen, aachteranbingelen, werkwoord, achteraanlopen, op een slungelige wijze
achteraf, aachterof, bijwoord, 1. achteraf gelegen, afgelegen 2. naderhand 3. na (in tijd)
achterafplek, aachterofplak, zelfstandig naamwoord, et; afgelegen plaats
achteras, aachterasse, zelfstandig naamwoord, de; as van achterwiel(en)
achterbaks, aachterbaks, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1. achterbaks, geneigd stiekem te doen 2. zich op de achtergrond houdend, vaak: zodat men niet opvalt
achterbaksheid, aachterbaksighied, zelfstandig naamwoord, de; het achterbaks doen
achterbalk, aachterbalke, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als aachterkop
achterbeen, aachterbien, zelfstandig naamwoord, et; achterbeen: van een paard of vos
achterbot, aachterbottien, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als aachteraendelbottien
achterbout, aachterboolte, zelfstandig naamwoord, de; achterbout
achterdaal, aachterdaele, bijwoord, achter langs
achterdwars, aachterdwas, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, achter in de boerderij: dwars op de stal van de lengterichting
achtereen, aachterien, bijwoord, achtereen
achtereind, aachteraende, zelfstandig naamwoord, et 1. achtereind, eind van het achterste deel 2. achterdeel van mens, dier
achtereindbord, aachteraendelbottien, zelfstandig naamwoord, et; achterste aendelbod
achteren, aachteren, bijwoord, 1. achter, aan de achterkant 2. in van aachteren achteraf, naderhand 3. in achterstand, in in ’t aachteren
achterflap, aachterflappe, zelfstandig naamwoord, de 1. bep. aan een ouderwetse vrouwenonderbroek 2. grote klep aan de achterkant van een vrachtauto
achtergaan, aachtergaon, werkwoord, achterlopen: van een uurwerk
achtergang, aachtergang, aachtergaank, zelfstandig naamwoord, de; gangpad op de stal achter de koeien langs
achtergatsneef, aachtergatsneve, zelfstandig naamwoord, de; achterneef of zoon van een achternicht of -neef
achtergatsnicht, aachtergatsnicht, aachtergatsnichte, zelfstandig naamwoord, de; achternicht of dochter van een achternicht of -neef
achtergevel, aachtergevel, zelfstandig naamwoord, de; gevel aan de achterkant
achtergooien, aachtergooien, werkwoord, naar achteren gooien (van garven)
achtergordijn, aachtergedien, zelfstandig naamwoord, et; gordijn voor het achterraam
achterhaard, aachterheerd, zelfstandig naamwoord, de; plaats van een tweede kachel, of plaats daarachter
achterhalen, aachterhaelen, werkwoord, 1. achter iets of iemand aangaan en aldus bereiken, te pakken krijgen 2. nagaan, alsnog uitzoeken 3. zorgen dat iets alsnog goed komt 4. een achterwaartse beweging maken (met z’n hand)
achterhands, aachterhaans, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. achterwaarts: van een klap, mep enz. met een arm 2. stiekem
achterheen, aachterhenne, bijwoord, erachteraan
achterhoef, aachterhoeve, zelfstandig naamwoord, de; hoef van een achterpoot
achterhouden, aachterholen, werkwoord, 1. bewaren 2. niet vrijgeven, verduisteren 3. verzwijgen
achterhout, aachterhoolt, zelfstandig naamwoord, et; bep. wagenladder: zijstuk aan de achterkant van een wagen
achterhuis, aachterhuus, zelfstandig naamwoord, et; achterste deel van een woning, vaak aangebouwd, ook: bedrijfsgedeelte achter aan een woning gebouwd
achterijzer, aachteriezer, zelfstandig naamwoord, et; hoefijzer van een achterpoot
achterkeer, aachterkeer, zelfstandig naamwoord, et; de twee naar voren stekende balken, palen van het achterstel van een boerenwagen
achterkeuken, aachterkeuken, zelfstandig naamwoord, de; bijkeuken
achterklamp, aachterklaampe, zelfstandig naamwoord, de; klaampe (bet. 5) aan de achterkant van een ziedledder
achterklap, aachterklappe, aachterkleppe, zelfstandig naamwoord, de 1. achterklep 2. hetz. als kleppe, bet. 3, ook: vergelijkbare wagenladder, opstaand schot bijv. van een aanhangwagentje 3. laster, praatjes achter iemands rug om
achterkop, aachterkop, zelfstandig naamwoord, de; achterste stuk van een hooiraam
achterlangs, aachterlanges, bijwoord, aan de achterkant langs
achterlicht, aachterlocht, zelfstandig naamwoord, et; achterlicht
achterlijf, aachterlief, zelfstandig naamwoord, et; achterlijf
achterlijk, aachterlik, aachterliek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. achterlijk in ontwikkeling: van personen 2. achter qua groei (van planten, dieren) 3. achter met het werk, de activiteiten
achterlijn, aachterliende, zelfstandig naamwoord, de; touw achter aan een wagen, vastzittend aan de weesboom
achterna, aachternao, bijwoord, 1. van achteren na 2. later, achteraf
achternabenen, aachternaobienen, werkwoord, met grote passen achternalopen
achternagaan, aachternaogaon, werkwoord, 1. volgen, achter iemand aan gaan 2. navolgen, op dezelde manier doen
achternajagen, aachternaojaegen, werkwoord, achternasturen
achternakomen, aachternaokommen, werkwoord, 1. achterna komen, nazitten, achtervolgen 2. volgen op iets
achternalopen, aachternaolopen, werkwoord, 1. lopend volgend 2. iemand volgen om te controleren
achternapraat, aachternaopraot, zelfstandig naamwoord, et; achterafpraat
achternapraten, aachternaopraoten, werkwoord, praten, roddelen over iemand die net weg is
achternaroepen, aachternaoroepen, werkwoord, naroepen
achternazitten, aachternaozitten, werkwoord, achtervolgen
achterneef, aachterneve, zelfstandig naamwoord, en var. de; achterneef
achternicht, aachternichte, zelfstandig naamwoord, en var. de; achternicht
achterom, aachteromme, aachteromme-, achterom(-)
achteromgaan, aachterommegaon, werkwoord, langs de achterkant gaan
achteromglooien, aachterommegluwen, werkwoord, wantrouwend omkijken
achteromkijken, aachterommekieken, werkwoord, 1. achteromkijken 2. terugblikken op wat is geweest
achteromkijkertje, aachterommekiekertien, zelfstandig naamwoord, et 1. het niks krijgen 2. hetz. als ommekiekertien bet. 1
achteromlopen, aachterommelopen, werkwoord, achterom lopen, langs de achterkant lopen
achteromzien, aachterommezien, werkwoord, 1. achteromkijken 2. terugblikken op eerder 3. hetz. als ommekiekertien bet. 1
achterop, aachterop, bijwoord, 1. achterop 2. achter in het voortgaan 3. achter in ontwikkelingen
achteropfietsen, aachteropfietsen, werkwoord, aan de achterkant van een groep fietsen
achteropkijken, aachteropkieken, werkwoord, hetz. als ommekiekertien bet. 1
achteropkomen, aachteropkommen, werkwoord, 1. achteropkomen, achter iemand aan komen rijden 2. achterop raken
achteroprijden, aachteroprieden, werkwoord, achteraan, aan de achterkant rijden, fietsen, schaatsen
achteropstaan, aachteropstaon, werkwoord, niet bep. vooraan staan, vooral fig.
achteropstap, aachteropstap, zelfstandig naamwoord, de; opstap aan een fiets
achteroverdrukken, aachteroverdrokken, werkwoord, achteroverdrukken
achterovergeven, aachterovergeven, werkwoord, zich neervleien op z’n rug
achteroverkiepen, aachteroverkiepen, werkwoord, achterover (doen) vallen
achteroverkletsen, aachteroverkletsen, werkwoord, achterover (doen) vallen
achterovermieteren, aachterovermieteren, werkwoord, achterover (doen) vallen
achteroverschuiven, aachteroverschoeven, werkwoord, achteroverdrukken, verduisteren
achteroverslaan, aachteroverslaon, werkwoord, 1. hard achterovervallen 2. snel opdrinken 3. meejatten
achterplank, aachterplaankien, zelfstandig naamwoord, et; achterste aendelbod
achterraam, aachterraem, zelfstandig naamwoord, et; achterruit
achterrad, aachterrad, zelfstandig naamwoord, et; achterwiel
achterreep, aachterriepe, zelfstandig naamwoord, de; touw achter aan de wagen om de wiezeboom mee vast te maken
achterrong, aachterwronge, zelfstandig naamwoord, de; achterste ronge (bet. 1) aan een wagen
achterschemel, aachterschammel, zelfstandig naamwoord, de; achterste schammel van een boerenwagen
achterschot, aachterschot, aachterschut, zelfstandig naamwoord, et 1. beschot achter in de bedstee 2. achterste schotje van een kinderstoel 3. opzetstuk op de achterkant van een wagen, kruiwagen e.d. 4. achterste wand van een strontbak 5. hetz. als aachteraendelbottien
achtersluithout, aachtersluuthoolt, zelfstandig naamwoord, et; sluuthoolt aan de achterkant van een boerenwagen
achtersmijten, aachtersmieten, werkwoord, garven naar achteren werpen, d.i. op de daarvoor bestemde zolder
achtersmijter, aachtersmieter, aachterommesmieter, zelfstandig naamwoord, de; degene die de garven naar achteren werpt, d.w.z. naar de veurlegger
achterspeler, aachterspeulder, aachterspeuler, zelfstandig naamwoord, de; achterspeler
achterst, aachterst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, achterst
achterstaan, aachterstaon, werkwoord, achterstaan, vaak: onderdoen
achtersteek, aachtersteek, zelfstandig naamwoord, de 1. achtersteek 2. bep. pen: onderdeel van een boerenwagen
achterstel, aachterstel, zelfstandig naamwoord, et 1. achterstel van een voertuig, vooral: van een boerenwagen 2. achterste, achterwerk
achterstevoren, aachtersteveuren, aachtersteveur, bijwoord, 1. achterstevoren, met de achterkant voorop 2. in de omgekeerde volgorde, van achteren naar voren
achterstuk, aachterstok, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als aachterkop
achteruit, aachteruut, bijwoord, 1. achterwaarts, terug 2. naar het achterhuis, naar het bedrijfsgedeelte 3. achteraf t.o.v. een doorgaande weg, vaak: een eind achter een huis, een boerderij gelegen 4. terug, naar een eerder, minder ver gevorderd stadium
achteruitboeren, aachteruutboerken, werkwoord, achteruitboeren, een teruggang ondergaan in een boerenbedrijf of andere zakelijke onderneming
achteruitbouwen, aachteruutbouwen, werkwoord, 1. naar achteren bouwen 2. uitbouwen van de weg af
achteruitgaan, aachteruutgaon, werkwoord, 1. achteruitgaan: naar achteren gaan, naar het bedrijfsgedeelte gaan om te werken 2. verminderen in kwaliteit, gezondheid 3. verminderen in welstand
achteruitketsen, aachteruutkitsen, werkwoord, naar achteren kitsen
achteruitkrabben, aachteruutkrabben, werkwoord, achterwaarts krabben
achteruitlopen, aachteruutlopen, werkwoord, 1. achteruitlopen, teruglopen 2. naar achteren lopen: d.i. naar het bedrijfsgedeelte, ook: lopen in de richting van de weg af, het land in
achteruitmoffelen, aachteruutmoffelen, werkwoord, wegmoffelen
achteruitpikken, aachteruutpikken, werkwoord, achterwaarts pikken
achteruitschoren, aachteruutschoren, werkwoord, achteruitschuiven
achteruitschuiven, aachteruutschoeven, werkwoord, achteruitschuiven
achteruitslaan, aachteruutslaon, werkwoord, achteruitslaan, naar achteren trappen
achteruitteren, aachteruutteren, werkwoord, 1. achteruitteren, armer worden door meer uit te geven dan men ontvangt 2. achteruitgaan door een ziekte, in de terminale fase belanden
achteruittrappen, aachteruuttrappen, werkwoord, achteruitslaan, naar achteren trappen
achteruitvegen, aachteruutvegen, werkwoord, 1. naar achteren vegen 2. achteruitslaan, naar achteren trappen
achteruitvliegen, aachteruutvliegen, werkwoord, 1. achteruitvliegen: zich vliegend achterwaarts begeven 2. zeer snel naar achteren gaan
achteruitwonen, aachteruutwonen, werkwoord, afgelegen wonen: ver van de doorgaande weg
achteruitzetten, aachteruutzetten, werkwoord, 1. naar achteren zetten 2. achterstellen, niet begunstigen
achterwam, aachterwamme, aachterwanne, zelfstandig naamwoord, de; van de naald van het dak naar de achtermuur lopend dakgedeelte van een boerderij
achterweg, aachterweg, bijwoord, in aachterweg kommen als bijeffect hebben, verwacht of onverwacht gevolgd worden door
achterweg, aachterweg, zelfstandig naamwoord, de; achterweg
achterwege, aachterwegens, aachterwege, bijwoord, en var.; achterwege
achterwiel, aachterviel, aachterwiel, zelfstandig naamwoord, et; achterwiel
achterzwerm, aachterzwaarm, zelfstandig naamwoord, de; nazwerm
achtponder, achtponder, zelfstandig naamwoord, de; dier of baby van acht pond, i.h.b. van een haas gezegd
achttien, achentien, telwoord, var. van achttien
achttienlijnen, achttienlinies, bijvoeglijk naamwoord, van het glas van een ouderwets soort petroleumlamp: van een bep. omvang, wijdte
achtvoud, achtvoold, zelfstandig naamwoord, et; achtvoud
acrobaat, akrobaot, zelfstandig naamwoord, en var. de 1. acrobaat 2. lenig, vlug iemand 3. grappig iemand
acrobaatsleutel, akrobaatsleutel, zelfstandig naamwoord, de; gefingeerde sleutel: voor de grap werden kinderen, beginnende knechtjes enz. op pad gestuurd
actie, aktie, zelfstandig naamwoord, de 1. actie 2. beweging, bedrijvigheid 3. streven of optreden om iets te bereiken
actueel, aktueel, bijvoeglijk naamwoord, actueel
Adam en Eva, Adam-en-Eva, zelfstandig naamwoord, de 1. klokjesgentiaan 2. tuinplant: blauwe ridderspoor 3. monnikskap
adder, adder, zelfstandig naamwoord, de 1. adder 2. hoopje menselijke uitwerpselen in de natuur 3. venijnige persoon
adderbloem, adderbloeme, zelfstandig naamwoord, de; wolverlei
addergebroed, addergebruud, zelfstandig naamwoord, et; addergebroed
adderkruid, adderkruud, zelfstandig naamwoord, et; adderwortel
adderolie, addereulie, zelfstandig naamwoord, de; adderolie
addervaren, addervere, addervaoren, zelfstandig naamwoord, de; bep. plant: varen, vooral: gewone eikvaren
addervarenplukker, addervereplokker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die adderveren kwam plukken
adderwortel, adderwottel, zelfstandig naamwoord, et; adderwortel
adel, aodel, zelfstandig naamwoord, de; adel
adelijk, aodellik, bijvoeglijk naamwoord, adellijk
adem, aosem, aodem, aozem, zelfstandig naamwoord, de 1. adem, asem 2. ademtocht 3. antwoord, reactie op iets in woorden
ademen, aosemen, aodemen, werkwoord, en var.; asemen, ademen, ademhalen
ademhalen, aosemhaelen, aodemhaelen, werkwoord, ademhalen, ademen
ademig, aomig, bijvoeglijk naamwoord, kortademig
ader, ater, zelfstandig naamwoord, et; bevestigingsketting van een ploeg
advertentie, adverteensie, advertaensie, zelfstandig naamwoord, de; advertentie
advocaat, advekaot, abbekaot, zelfstandig naamwoord, en var. de; advokaat
af, af, tussenwerpsel, blijf van me af, hou je koest (tegen een hond)
af-, of-, af-
afaccorderen, ofakkederen, werkwoord, 1. tot overeenstemming komen, samen besluiten tot 2. afrekenen, het betalen 3. direct tegen je zeggen waar het op staat 4. een pak slaag geven
afbaggeren, ofbaggelen, werkwoord, langdurig, heel veel baggelen
afbakenen, ofbaokenen, ofbaekenen, werkwoord, afbakenen
afbalken, ofbalken, werkwoord, langdurig luidruchtig zingen of schreeuwen
afbeelden, ofbelen, ofbielen, werkwoord, afbeelden
afbeelding, ofbeling, ofbelinge, ofbeelding, ofbielding, zelfstandig naamwoord, de; afbeelding
afbeerliggen, ofbeerligen, ofbeerlaggen, werkwoord, zeer veel, langdurig arbeid verrichten waarbij men al z’n lichamelijke kracht nodig heeft
afbenen, ofbienen, werkwoord, veel, grote afstanden langdurig lopen
afbenzen, ofbeinselen, werkwoord, 1. niet snel, maar ook niet langzaam naar beneden lopen 2. veel, langdurig lopen op de manier als onder bet. 1. aangegeven 3. een pak slaag geven 4. afpeigeren, afbeulen 5. veel, hard werken
afbeslagen, ofbeslegen, bijvoeglijk naamwoord, tekenen vertonend van drachtigheid
afbeulen, ofbeulen, werkwoord, 1. afbeulen 2. lang en veel zwaar werk doen 3. een pak slaag geven, kwellen 4. veel, langdurig schreeuwen
afbeuzelen, ofbeuzelen, werkwoord, langdurig zeer hard werken
afbewegen, ofbewegen, werkwoord, zich verwijderen
afbijten, ofbieten, werkwoord, 1. afbijten 2. doodbijten (binnen een bijenvolk) 3.van zich houden door bijten 4. afsnauwen 5. ferm beantwoorden van pesterij e.d.
afbijter, ofbieter, zelfstandig naamwoord, de; dier dat achterblijft in ontwikkeling, klein, erg tenger kind
afbinden, ofbienen, werkwoord, afbinden
afbladderen, ofbladderen, ofbladden, ofblaekeren, ofblasteren, werkwoord, afbladderen
afblazen, ofblaozen, werkwoord, 1. afblazen 2. winden laten
afblijven, ofblieven, werkwoord, afblijven
afbloeden, ofbloeden, werkwoord, bloed verliezen
afbloeien, ofbluuien, werkwoord, uitbloeien
afbochelen, ofbochelen, ofpochelen, ofbokselen, werkwoord, langdurig, veel en hard werken
afbodderen, ofbodderen, ofbodderen, werkwoord, zeer veel, zeer hard werken
afboenen, ofbunen, werkwoord, door te boenen geheel schoonmaken
afbokken, ofbokken, werkwoord, afsnauwen
afbonken, ofbonken, ofbolsteren, ofbonkselen, werkwoord, 1. afbonken: van de bovenste veenlaag, ook wel van de bovenste laag heide, om er zand onder vandaan te halen e.d. 2. door hard te slaan bevroren grond verwijderen
afbonksel, ofbonksel, zelfstandig naamwoord, et; bonkaarde die wordt verwijderd
afborstelen, ofbosselen, werkwoord, 1. afborstelen 2. erg hard werken
afbouwen, ofbouwen, werkwoord, 1. afbouwen 2. het ploegen afronden 3. de ploegvore dieper maken
afbraak, ofbraok, ofbraoke, zelfstandig naamwoord, de 1. het afbreken of afgebroken worden 2. overblijfselen van het afbreken, af te breken gebouw waarvan men het materiaal op het oog heeft dat door de sloop vrijkomt 3. vee dat men heeft om te verkopen, flinke hoeveelheid geld die men ontvangt voor verkocht vee 4. afbreuk, negatief effect
afbranden, ofbranen, werkwoord, 1. door te doen branden vernietigen, opruimen, wegnemen 2. door te verbranden weggenomen worden, kleiner worden 3. door brand met de grond gelijk worden
afbreekbaar, ofbreekber, bijvoeglijk naamwoord, afbreekbaar
afbreien, ofbreiden, ofbreien, werkwoord, 1. breiwerk voltooien 2. snel afmaken 3. zich gemakkelijk van iets afmaken 4. heel veel breien
afbreken, ofbreken, werkwoord, 1. afbreken 2. vee verkopen van een veestapel 3. afkraken
afbreuk, ofbreuk, ofbreuke, zelfstandig naamwoord, de 1. afbreuk 2. hetz. als ofbraok(e), bet. 3
afbreuken, ofbreuken, bijvoeglijk naamwoord, 1. door afbraak niet meer bestaand 2. door afbreken niet meer of slechts nog op gebroken wijze aan een boom zittend
afbrillen, ofbrillen, werkwoord, aan iemand zien, van iemand afkijken, gadeslaan wat de ander doet
afbrobbelen, ofbrobbelen, werkwoord, haastig en daardoor slecht afwerken, vluchtig afmaken
afbruisen, ofbroezen, werkwoord, snel en slordig afmaken
afbuien, ofbujjen, werkwoord, wegtrekken
afbuigen, ofbugen, werkwoord, afbuigen
afbuilen, ofbulen, werkwoord, een wind laten
afbuizen, ofbuizen, ofbuisteren, werkwoord, 1. slaag geven 2. zich forceren, zich bovenmatig inspannen door hard te werken 3. heel veel werken
afbulderen, ofbulderen, werkwoord, bulderend tekeergaan
afdaling, ofdaeling, zelfstandig naamwoord, de; afdaling: het afdalen
afdangelen, ofdangelen, werkwoord, slenterend en zich op spelende wijze her en der begeven
afdeling, ofdieling, zelfstandig naamwoord, en var. de; afdeling
afdenken, ofdaenken, werkwoord, afdenken: zeer veel denken, in verb. als wat ofdaenken
afdoen, ofdoen, werkwoord, 1. afdoen, afleggen, afzetten 2. wegnemen (van een deel) 3. tot een bep. lengte, hoeveelheid gaan en daar afknippen, afstrijken enz. 4. van iets af nemen, wegnemen 5. buiten gebruik raken, afgedankt raken, in ofdaon hebben 6. ongunstig beoordelen 7. afhandelen 8. afschepen 9. in ofdoen van iene zich negatief over iemand uitlaten
afdokteren, ofdokteren, werkwoord, heel veel een arts bezoeken
afdoppen, ofdoppen, werkwoord, van een dop, schaal ontdoen
afdorsen, ofdösken, ofdusken, werkwoord, afdorsen
afdraaien, ofdri’jen, werkwoord, afdraaien
afdraden, ofdraoden, werkwoord, afdraden
afdragen, ofdregen, werkwoord, afdragen
afdrager, ofdreger, zelfstandig naamwoord, de; kind dat de kleren overneemt van een ouder kind, ze als volgende draagt
afdrinken, ofdrinken, werkwoord, 1. het bovenste drinken 2. heel veel drinken
afdrogen, ofdreugen, ofdrugen, werkwoord, 1. afdrogen 2. droog worden 3. slaag geven, op z’n kop geven, ook: te pakken nemen, glansrijk van de ander winnen
afdroogdoek, ofdreugdoek, ofdruugdoek, zelfstandig naamwoord, de; afdroogdoek
afdrukken, ofdrokken, werkwoord, afdrukken
afduvelen, ofduvelen, werkwoord, afvallen van iets, naar beneden vallen
afduwen, ofdouwen, werkwoord, afduwen
afdwalen, ofdwaelen, ofdwelen, werkwoord, afdwalen
affaire, affaere, affaer, zelfstandig naamwoord, de; bezigheid die geld oplevert, werk, beroep
affikken, offieken, werkwoord, afsnijden
afflodderen, offlodderen, werkwoord, 1. snel en onzorgvuldig doen, voltooien 2. zich in lichte mate wassen 3. veel op pad, op visite zijn
affoeteren, offoeteren, werkwoord, heel veel foeteren
affrontatie, affrontaosie, zelfstandig naamwoord, de; slechte behandeling
affronteren, affronteren, werkwoord, 1. vernederen, beledigen, kwetsend raken 2. zich verstaan met, confronteren
affrontering, affrontering, offronteren, zelfstandig naamwoord, de; belediging
afgaan, ofgaon, werkwoord, 1. gaan naar, in de richting van 2. verlaten 3. verlaten van het toneel 4. loslaten, uit of van iets schieten 5. stoppen: met het lid zijn van, met het volgen van een opleiding e.d. 6. afschieten, in werking gaan, ontbranden e.d. 7. afnemen, verminderen 8. versleten raken, langzaam kapot gaan 9. in meerdere of mindere mate lukken 10. een gek figuur slaan, een erg slechte indruk oproepen 11. zakken: voor een examen e.d. 12. aflopen, beëindigen: van een markt
afgaand, ofgaond, bijvoeglijk naamwoord, 1. aflopend, verminderend 2. aftredend
afgaffelen, ofgaffelen, werkwoord, snel maar slordig afmaken
afgang, ofgang, zelfstandig naamwoord, de 1. het verlaten van het toneel 2. stoelgang 3. blamage, slecht figuur
afgapen, ofgaepen, werkwoord, aan kunnen, kunnen behappen
afgappen, ofgappen, werkwoord, stiekem stelen
afgazen, ofgazen, ofgaezen, werkwoord, afgazen
afgebrand, ofbraand, bijvoeglijk naamwoord, tot de grond verbrand
afgebruiken, ofbruken, ofgebruken, werkwoord, afgebruiken
afgedaan, ofdaon, bijvoeglijk naamwoord, afgedaan; niet meer bruikbaar, niet meer gewaardeerd
afgedragen, ofgedreugen, ofdreugen, bijvoeglijk naamwoord, afgedragen
afgedriemeten, ofgedriemeten, bijwoord, in hoge mate
afgeduveld, ofgeduveld, bijwoord, in een groot aantal, in hoge mate
afgejacht, ofgejacht, bijvoeglijk naamwoord, afgetrommeld
afgejakkerd, ofgejakkerd, ofjakkerd, bijvoeglijk naamwoord, te veel werk gehad hebben om te doen
afgekalfd, ofkalfd, ofgekalfd, bijvoeglijk naamwoord, afgekalfd hebbend
afgeknezen, ofknezen, bijvoeglijk naamwoord, opgescheurd
afgeladen, oflaeden, bijvoeglijk naamwoord, gezegd als je eet tot je verzadigd bent, of als men veel heeft gedronken
afgeladen, ofgelaeden, bijvoeglijk naamwoord, overvol, afgeladen
afgelegen, ofgelegen, bijvoeglijk naamwoord, afgelegen
afgelopen, oflopen, ofgelopen, bijvoeglijk naamwoord, 1. afgelopen; 2. uitgewerkt
afgemieterd, ofgemieterd, bijwoord, in hoge mate
afgepast, ofgepast, ofpast, bijvoeglijk naamwoord, afgepast
afgereden, ofreden, ofgereden, bijvoeglijk naamwoord, door veelvuldig gebruik versleten zijn (van fietsen enz.)
afgeren, ofgeren, werkwoord, een schuine kant maken (aan kledingstof)
afgesproken, ofspreuken, ofgespreuken, bijvoeglijk naamwoord, afgesproken
afgestompt, ofstompt, bijvoeglijk naamwoord, afgestompt
afgestreken, ofstreken, bijvoeglijk naamwoord, afgestreken, vlakgestreken
afgetrapt, ofgetrapt, oftrapt, bijvoeglijk naamwoord, van schoeisel: versleten, afgesleten
afgeven, ofgeven, werkwoord, 1. onder dwang aan een ander geven 2. overhandigen 3. van zich laten gaan 4. weggaan 5. zich inlaten met, omgaan met 6. zich laatdunkend uiten over
afgewerkt, ofwarkt, ofgewarkt, bijvoeglijk naamwoord, totaal gebruikt
afgewijd, ofwi’jd, ofgewi’jd, bijvoeglijk naamwoord, in ofwi’jd(e) praot praatjes van niks
afgezaagd, ofgezaegd, ofzaegd, bijvoeglijk naamwoord, afgezaagd
afgezogen, ofzeugen, ofgezeugen, bijvoeglijk naamwoord, afgezogen
afgezonderd, ofgezunderd, ofzunderd, bijvoeglijk naamwoord, afgezonderd
afgiechelen, ofgiechelen, werkwoord, heel veel giechelen
afgifte, ofgifte, zelfstandig naamwoord, de; afgifte
afglijden, ofglieden, werkwoord, afglijden, naar beneden glijden
afglooien, ofglooien, werkwoord, afhellen, afgolven
afgniffelen, ofgniffelen, werkwoord, 1. stiekem afpakken 2. veel, vaak gniffelen
afgranzen, ofgraanzen, werkwoord, afsnauwen
afgrauwen, ofgrauwen, werkwoord, 1. iemand grauwend toespreken 2. vaak, voortdurend grauwend spreken
afgraven, ofgreven, ofgraeven, werkwoord, weggraven, afgraven
afgrendelen, ofgrundelen, werkwoord, afgrendelen: afsluiten met een grendel
afgrenzen, ofgreenzen, werkwoord, afgrenzen
afgrijmen, ofgriemen, werkwoord, voortdurend griemen
afgrijs, ofgries, zelfstandig naamwoord, de; afschuw
afgrijselijk, ofgrieslik, oegrielik, oergrieslik, oergruuslik, ogrieslik, of, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, en var. 1. heel erg, in zeer hoge mate 2. in hoge mate lelijk, in hoge mate erg
afgrijzen, ofgriezen, werkwoord, afgrijzen
afgrissen, ofgrissen, werkwoord, met een snelle beweging afhandig maken
afgunst, ofgeunst, zelfstandig naamwoord, de; afgunst, jaloezie
afhaken, ofhaoken, werkwoord, 1. los doen door van elkaar te haken 2. mest met een mesthaak van de wagen halen 3. twijgen van de braam met behulp van een stiekelmes afsnijden en oppakken 4. hetz. als wellen bet. 1 5. haakwerk voltooien 6. niet langer meedoen, met iets stoppen
afhakselen, ofhakselen, werkwoord, slecht maaien
afhalen, ofhaelen, ofhaolen, werkwoord, 1. ophalen 2. iemand of iets van een bep. punt ophalen en verder meenemen 3. met kracht iemand of iets ergens afnemen, afhalen 4. van een onderliggend deel trekken, trekken aan iets dat vastzit, van iets plukken 5. bevestigen, vastmaken 6. een ruk of beweging anderszins van zich af maken 7. op iemand afgeven, laatdunkend over iets doen 8. nog net blijven leven, in et van/op de dood ofhaelen
afhandelen, ofhaandelen, werkwoord, 1. elkaar een hand geven bij het afscheid 2. afhandelen, afwerken van een kwestie, van een verrekening van geld, in het bijzonder van een overeen te komen verkoop
afhandig, ofhaandig, bijvoeglijk naamwoord, en var. 1. afhandig 2. ver weg, nogal afgelegen, niet bij de hand hebbend
afhang, ofhang, zelfstandig naamwoord, de; hellend verloop
afhangen, ofhangen, werkwoord, 1. glooien, een hellend verloop hebben 2. overhellen, uitsteken en daardoor overhangen 3. afhankelijk zijn van
afharksel, ofharksel, zelfstandig naamwoord, et; hooi dat men van de zijkanten van een vracht hooi of van een hooiberg plukt, harkt; ook wel blad en takken die men harkt, de op het land achtergebleven aren die men harkt
afhechten, ofhechten, werkwoord, 1. afhechten 2. loskoppelen
afhemelen, ofhemmelen, werkwoord, 1. schoonmaken door af te nemen 2. afkluiven 3. stevig onder handen nemen, een pak slaag geven, mores leren
afhengsten, ofhingsten, werkwoord, afbekken
afhoren, ofheuren, werkwoord, afhoren: uithoren, ondervragen
afhouden, ofholen, werkwoord, 1. verwijderd houden 2. omgang beletten, terughouden, weerhouden 3. in mindering brengen, inhouden
afhouwen, ofhouwen, werkwoord, 1. afhakken, afkappen, afsnoeien 2. afhouwen, afhakken
afhuilen, ofgoelen, werkwoord, afhuilen: veel huilen
afijn, afijn, tussenwerpsel, welnu, toe dan maar
afjacht, ofjacht, bijvoeglijk naamwoord, in ofjacht op erop uit om, ook: tuk op
afjagen, ofjaegen, werkwoord, 1. doen afmatten, zeer vermoeid maken door hard te laten werken of lopen 2. aftrommelen: van bijen 3. veel, voortdurend rijden 4. in z’n geheel bejagen (van terrein)
afjager, ofjaeger, zelfstandig naamwoord, de; bijenkorf met afgetrommeld volk
afjakkeren, ofjakkeren, werkwoord, 1. te snel en vluchtig verrichten 2. heel veel werken 3. doodmoe doen worden door te veel, te hard laten werken, vooral inzake paarden en personen 4. afrijden, nl. door intensief gebruik of jakkerend rijden 5. voortdurend grote afstanden afleggen, veel rijden
afjanken, ofjanken, werkwoord, veel janken in diverse bet.
afjatten, ofjatten, werkwoord, 1. jatten, pikken 2. veel jatten, stelen
afjemelen, ofjemelen, werkwoord, veel zeuren
afjeuzelen, ofjeuzelen, werkwoord, veel jeuzelen
afjoelen, ofjoelen, werkwoord, veel joelen
afjutten, ofjutten, werkwoord, de vloeibare substantie van iets scheppen, met name van een wagen
afkalven, ofkalven, werkwoord, 1. afkalven: van een koe 2. afkalven, afbrokkelen van een oever door water
afkammen, ofkammen, ofkemmen, werkwoord, afkammen: afgeven op, afkraken
afkanten, ofkaanten, werkwoord, 1. afkanten: van een breiwerk 2. kanten afsteken, bijv. van een gazon; door te graven bijwerken 3. hetz. als slootsnieden
afkappen, ofkappen, werkwoord, 1. afkappen 2. afhouwen: van een slachtdier
afkarren, ofkarken, ofkaorken, ofkarren, ofkorken, ofkaoren, werkwoord, 1. fietsend flinke afstanden afleggen, moeizaam fietsen 2. veel en/of moeizaam rijden 3. zolang een fiets blijven gebruiken tot die niet meer gerepareerd kan worden
afkauwen, ofkauwen, werkwoord, 1. door kauwen opmaken of minder doen zijn 2. heel veel kauwen 3. heel veel praten
afkeer, ofkeer, zelfstandig naamwoord, de; afkeer
afkeren, ofkeren, werkwoord, afkeren, afwenden, afhouden
afkerig, ofkerig, bijvoeglijk naamwoord, afkerig
afkerven, ofkarven, werkwoord, afkerven
afketsen, ofketsen, ofkitsen, werkwoord, 1. niet afgaan van een geweer of patroon 2. schampend wegspringen; 3. niet door laten gaan 4. door te strijken doen ontvlammen (bijv. m.b.v. een lucifer)
afkeuren, ofkeuren, werkwoord, afkeuren
afkibbelen, ofkiffelen, werkwoord, 1. snijdend stukjes van iets nemen, bijv. de betere stukjes of juist de slechte plekken van kaas 2. veel ruziën
afkiemen, ofkiemen, werkwoord, aardappels van uitlopers ontdoen
afkieperen, ofkieperen, werkwoord, onbruikbaar worden, als het ware afsterven door tintelende kou
afkijken, ofkieken, werkwoord, 1. naar iets kijken om na te kunnen doen, stiekem afzien om na te doen 2. ten einde zien 3. zeer veel bekijken 4. zien of een merrie tochtigheidsverschijnselen vertoont als die enkele weken na een dekking opnieuw bij de hengst wordt gebracht
afklagen, ofklaegen, werkwoord, veel klagen
afklappen, ofklappen, werkwoord, dichtklappen: van een val e.d.
afklauwen, ofklauwen, werkwoord, met trekkende bewegingen van iets halen, in het bijzonder: mest van een wagen
afklauwer, ofklauwer, zelfstandig naamwoord, de; mesthaak
afkleden, ofklieden, ofkleden, werkwoord, afkleden: zodanig kleden dan men slank lijkt
afkloppen, ofkloppen, werkwoord, 1. afkloppen 2. aftrommelen van bijen
afkluiven, ofkluven, ofkloeven, ofkluuiven, ofkloven, werkwoord, afkluiven
afknagen, ofknaegen, werkwoord, afknagen
afknakken, ofknakken, werkwoord, 1. afknakken, van iets knakken 2. plotseling tot een eind komen
afknappen, ofknappen, werkwoord, afknappen
afknauwen, ofknauwen, werkwoord, afkluiven
afknibbelen, ofknibbelen, werkwoord, 1. bezuinigen op, minder uitgeven aan 2. afdingen op de prijs van iets 3. knagend van iets afhalen, afknabbelen, knijpend eraf trekken
afknijpen, ofkniepen, werkwoord, 1. afknijpen 2. streng drillen
afknikken, ofknikken, werkwoord, hetz. als knikken bet. 2
afknoeien, ofknoeien, werkwoord, knoeiend, prutsend afmaken
afkoken, ofkoken, werkwoord, afkoken
afkomen, ofkommen, ofkoemen, werkwoord, 1. van iets af gaan, een bep. plaats verlaten 2. naar iets toe gaan: om te bereiken, te verkrijgen, om te weten 3. officieel bekend gemaakt worden, uitgevaardigd worden 4. het genoemde kwijt raken, van iets bevrijd raken 5. wegvliegen van een zwerm bijen 6. voltooid worden, tot voltooiing komen
afkomst, ofkomst, zelfstandig naamwoord, de; afkomst
afkondigen, ofkondigen, ofkundigen, werkwoord, afkondigen
afkonkelen, ofkonkelen, werkwoord, heel veel samenzweren en daarbij heimelijk praten
afkonvooien, ofkevooien, werkwoord, afschepen
afkoop, ofkoop, zelfstandig naamwoord, de; het afkopen
afkopen, ofkopen, werkwoord, afkopen
afkoppen, ofkoppen, werkwoord, ontdoen van het bovenste stuk, de bovenste laag
afkorten, ofkotten, werkwoord, korter maken, afkorten
afkorting, ofkotting, ofkottige, zelfstandig naamwoord, de; afkorting
afkraken, ofkraeken, werkwoord, afkraken
afkrijgen, ofkriegen, werkwoord, 1. nemen, pakken: van iets dat op een bep. hoogte staat of ligt 2. aannemen van iets dat iemand in handen heeft, aanreikt e.d. 3. afpakken, ontnemen 4. klaarkrijgen 5. in mindering krijgen, minder hoeven te betalen 6. geknipt worden door een kapper
afkruien, ofkrojen, werkwoord, afkruien
afkruimelen, ofkrummelen, werkwoord, afkruimelen
afkruipen, ofkroepen, werkwoord, afkruipen
afkruisen, ofkruzen, werkwoord, afkruisen
afkunnen, ofkunnen, werkwoord, 1. afkunnen, af kunnen krijgen 2. het redden, voor elkaar kunnen krijgen
afkwaken, ofkwaeken, werkwoord, 1. veel kletsen 2. veel kwaken
afkwakkelen, ofkwakkelen, werkwoord, veel sukkelen, veel ziekelijk zijn
afkwakken, ofkwakken, werkwoord, veel en steeds tabakssap spugen
afkwatsen, ofkwatsen, ofkwietsen, werkwoord, veel en steeds tabakssap spugen
afkwebbelen, ofkwebbelen, werkwoord, voortdurend druk over iets kwebbelen
afkwellen, ofkwellen, werkwoord, heel veel moeten doorstaan, moeten lijden
afkwetteren, ofkwetteren, werkwoord, heel veel kletsen, babbelen
aflaat, oflaot, zelfstandig naamwoord, de; aflaat, bep. kwijtschelding
aflachen, oflachen, oflaachen, werkwoord, aflachen: heel veel lachen
afladen, oflaeden, werkwoord, 1. afladen: ontdoen van de lading, ontladen 2. geheel en al laden
aflakken, oflakken, werkwoord, aflakken
aflamenteren, oflammeteren, werkwoord, veel zeuren
aflasten, oflassen, werkwoord, afgelasten
aflaten, oflaoten, werkwoord, 1. vocht afgeven, nat zijn, ook: een bep. kleur, verf afgeven, afplekken 2. slijm uitscheiden als teken van tochtigheid 3. naar beneden laten, geleiden
aflegapparaat, oflegapperaot, zelfstandig naamwoord, et; aflegapparaat
afleggen, ofleggen, werkwoord, 1. afdoen, uittrekken 2. in et ofleggen sterven 3. mager worden 4. m.b.t. een dode: reinigen, evt. scheren, met het doodsgewaad bekleden en evt. in de kist leggen 5. verrichten, doen 6. een afstand geheel volgen 7. van iets leggen, nemen en weer neerleggen
aflegger, oflegger, zelfstandig naamwoord, de 1. degene die een lijk aflegt 2. aflegapparaat 3. persoon die de bossen koren die het aflegapparaat maakt, neerlegt op de grond 4. kunstzwerm die ontstaat door uit een sterk volk drie of vier raten te halen met broedsel en bijen die daar bij zitten
afleiden, ofleiden, werkwoord, afleiden
afleider, ofleider, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die afleidt 2. degene die bij een verkoping de dieren van de stal haalt
afleidersgeld, ofleidersgeld, zelfstandig naamwoord, et; geld ter betaling van een ofleider, bet. 2
afleiding, ofleiding, ofleidige, zelfstandig naamwoord, de; afleiding, ontspanning
afleidingmanoeuvre, ofleidingsmeneuvel, zelfstandig naamwoord, de; afleidingsmanoeuvre
afleren, ofleren, werkwoord, afleren
afleuteren, ofleuteren, werkwoord, veel leuteren, veel kletsen
aflevering, oflevering, zelfstandig naamwoord, de; aflevering
afleveringsdek, ofleveringsdek, zelfstandig naamwoord, et; koedek gebruikt wanneer een koe werd afgeleverd
afleveringshalster, ofleveringshelster, zelfstandig naamwoord, et; halster waarmee een verkochte of ter verkoop aangeboden koe wordt afgeleverd
aflezen, oflezen, werkwoord, aflezen
aflichten, oflochten, werkwoord, met een lantaarn de laatste rondgang door de boerderij maken voor het naar bed gaan, vooral: om het vee te inspecteren
aflichten, oflichten, werkwoord, 1. aflichten 2. wegnemen van grond: onder een andere laag vandaan
afliggen, ofliggen, werkwoord, open zijn van een draaibrug
afloeren, ofloeren, werkwoord, 1. van iets of iemand afkijken door te loeren 2. stiekem alles zien wat er gebeurt
afloop, ofloop, zelfstandig naamwoord, de; afloop
aflopen, oflopen, werkwoord, 1. weglopen, zich lopend verwijderen 2. geheel lopen, ten einde lopen 3. zich begeven naar 4. naar beneden lopen 5. van stapel lopen 6. naar omlaag vloeien of doen vloeien 7. hellen, glooien 8. ten einde lopen 9. stoppen, ophouden 10. op een bep. manier eindigen 11. het einde vormen, het gevolg zijn 12. z’n grens, limiet hebben 13. door erin te lopen doen verslijten, bijv. schoenen oflopen 14. beginnen te ratelen, te zoemen e.d. 15. niet langer werken, ophouden, bijv. De klokke is oflopen 16. heel veel lopen 17. kalmeren 18. overal langs lopen, naar iedereen of elke relevante plek lopen 19. tijdens een draaiende beweging los raken 20. van een koe: lang dragen voordat het dier kalft
aflossen, oflossen, werkwoord, aflossen
afluisteren, ofluusteren, oflusteren, werkwoord, afluisteren
afluizen, ofluzen, werkwoord, afhandig maken
afmaaien, ofmi’jen, werkwoord, afmaaien
afmaken, ofmaeken, werkwoord, afmaken
afmarcheren, ofmesjeren, werkwoord, afmarcheren
afmartelen, ofmattelen, werkwoord, afmartelen: geheel afmatten, zich kwellen door hard te werken
afmeesteren, ofmeisteren, werkwoord, hetz. als ofdokteren
afmekkeren, ofmekkeren, werkwoord, 1. van geiten, minder van schapen: mekkeren 2. heel veel zeuren, zaniken
afmerken, ofmarken, werkwoord, van een merkteken voorzien
afmesten, ofmesten, werkwoord, 1. mest weghalen bij het vee 2. uitmesten 3. geheel slachtrijp maken door te mesten 4. op z’n donder geven, een pak slaag geven
afmeten, ofmeten, werkwoord, afmeten: de afmetingen vaststellen, gedeelten meten en afscheiden
afmiauwen, ofmauwen, werkwoord, heel veel miauwen
afmiegen, ofmiegen, werkwoord, door ertegen te urineren van iets verwijderen, ervan doen afbreken
afmieren, ofmierken, werkwoord, heel veel zeuren, zaniken
afmieteren, ofmieteren, werkwoord, 1. van iets afgooien 2. van iets vallen
afmijnen, ofmienen, werkwoord, afmijnen
afminderen, ofminderen, werkwoord, hetz. als minderen (d.i. minderen bij breien)
afmoffelen, ofmoffelen, werkwoord, afhandig maken
afmoorden, ofmoren, werkwoord, 1. afbeulen 2. heel veel moorden begaan
afmuffen, ofmuffen, werkwoord, winden laten
afnachten, ofnaachten, werkwoord, de stal met vee inspecteren voor men naar bed gaat
afnemen, ofnemen, werkwoord, 1. vastpakken en verwijderen 2. kopen 3. laten ondergaan van een examen 4. van een school e.d. nemen 5. van het hoofd nemen 6. van iets halen, losmaken van iets en verwijderen 7. verwijderen, afvegen 8. aannemen, pakken van een ander, afpakken 9. onttrekken, aftappen 10. positief of negatief opvatten, zich positief of negatief tonen over wat de ander zegt, doet 11. in omvang, aantal verminderen 12. in intensiteit, hevigheid, kracht afnemen
afnemer, ofnemer, zelfstandig naamwoord, de; afnemer: koper
afnetelen, ofnettelen, werkwoord, aftuigen
afneuzen, ofneuzen, werkwoord, afneuzen, speurend bekijken
afnijfelen, ofniefelen, werkwoord, 1. behendig of stiekem afhandig maken 2. heel veel niefelen
afnokken, ofnokken, werkwoord, afnokken
afopperen, ofopperen, werkwoord, heel wat opperen
aforten, ofotten, werkwoord, schoonmaken, met name: de resten voer, hooi, stro weghalen
afpaaien, ofpaaien, werkwoord, heel veel lopen, wandelen of slenteren
afpaffen, ofpaffen, werkwoord, 1. heel veel roken 2. heel veel met een vuurwapen schieten
afpakken, ofpakken, werkwoord, afpakken
afpangelen, ofpangelen, ofpingelen, werkwoord, steeds zodanig praten dat de ander het toch geeft, aftroggelen, in het bijzonder: zo praten dat de ander toch verkoopt terwijl het geboden bedrag te laag is
afpassen, ofpassen, werkwoord, afpassen
afpeigeren, ofpeigeren, werkwoord, afpeigeren
afpellen, ofpoelen, werkwoord, afpellen
afpiegelen, ofpiegelen, werkwoord, vermoeien, afmatten
afpiepen, ofpiepen, werkwoord, veel piepen, vooral: veel huilen
afpieren, ofpierken, werkwoord, voortdurend knoeiend bezig zijn en daarbij niet opschieten
afpikken, ofpikken, werkwoord, 1. afpikken, afhandig maken 2. bij kippen: door te pikken proberen te verjagen, verstoten 3. door tegen iemand aan te gooien af doen zijn
afpimpelen, ofpimpelen, werkwoord, steeds alcoholische drank nuttigen
afpissen, ofpissen, werkwoord, 1. door tegen iets aan te urineren dat los doen raken, van iets anders af doen vallen 2. bij urineren met de straal over iets heen komen
afplaggen, ofplaggen, werkwoord, 1. van de plaggen ontdoen die de bovenste laag van de grond vormen 2. dik schillen
afplakken, ofplakken, werkwoord, 1. afplakken 2. dik schillen
afplassen, ofplassen, werkwoord, 1. een schijfje hout van een boom halen 2. dik schillen
afploegen, ofploegen, werkwoord, 1. heel veel ploegen 2. in het midden van de akker beginnen en per vore steeds meer naar de zijkanten ploegen
afploeteren, ofploeteren, werkwoord, heel veel ploeteren, heel veel zwoegen, hard werken
afplompen, ofplompen, werkwoord, heel veel plompen
afpluizen, ofpluzen, werkwoord, afpluizen
afplukken, ofplokken, werkwoord, afplukken
afpoedelen, ofpoedelen, werkwoord, wassen
afpoederen, ofpoeieren, werkwoord, 1. flink slaag geven 2. afschepen
afpoepen, ofpoepen, werkwoord, een wind laten
afponder, ofponder, zelfstandig naamwoord, de; controleur die de boter keurt en het juiste gewicht aangeeft
afpongen, ofpongen, werkwoord, veel verstelwerk of naaiwerk verrichten
afportretteren, ofpottereteren, werkwoord, op de foto zetten
afpotten, ofpotten, werkwoord, afpotten; door een aftelrijmpje of -liedje bepalen wie ‘hem’ moet zijn, wie als eerste mag vertrekken e.d.
afprakkeseren, ofprakkeseren, werkwoord, afprakkezeren: heel veel nadenken
afpraten, ofpraoten, werkwoord, 1. met elkaar afspreken 2. heel veel praten
afpreuzen, ofproezen, werkwoord, heel veel prutsen, knoeien
afprijzen, ofpriezen, werkwoord, afprijzen
afprikken, ofprippen, werkwoord, heel veel breien
afproeven, ofpruven, werkwoord, een beetje van iets proeven
afpruimen, ofproemen, werkwoord, heel vaak, veel tabak pruimen
afpruttelen, ofpruttelen, werkwoord, heel veel brommen, mopperen
afpuffen, ofpuffen, werkwoord, een wind laten
afraaien, ofraaien, werkwoord, door te maaien van hoge pollen gras e.d. ontdoen
afrabbelen, ofrabbelen, werkwoord, 1. vluchtig, snel en slordig afmaken, afraffelen 2. heel veel roddelen, kletsen
afraden, ofraoden, werkwoord, afraden
afraderij, ofraoderi’je, zelfstandig naamwoord, de; het afraden
afraffelen, ofraffelen, ofroffelen, werkwoord, 1. afraffelen 2. afrafelen 3. veel kletsen
afraken, ofraeken, werkwoord, van iets af raken, ervan bevrijd raken
afrakken, ofrakken, werkwoord, opruimen en schoonmaken
aframen, ofraomen, werkwoord, door te stoten, trekken van iets af doen vallen
aframmelen, oframmelen, werkwoord, 1. heel druk en veel achter elkaar praten 2. afraffelen, afroffelen, zich snel afmaken van iets 3. een aframmeling geven
afranden, ofranen, werkwoord, afranden
afranselen, ofraanselen, werkwoord, afranselen
afrastering, ofrastering, ofrasterige, zelfstandig naamwoord, de; afrastering: rasterwerk
afratelen, ofrattelen, werkwoord, en var. 1. heel veel vertellen, druk praten 2. snel en klaterend vloeien, met name van diarree
afrazen, ofraozen, werkwoord, veel schreeuwen, gillen, tieren, razen
afreageren, ofreageren, werkwoord, afreageren
afredden, ofredden, ofredderen, werkwoord, 1. opruimen, schoonmaken 2. hetz. als oflochten
afreden, ofri’jen, werkwoord, 1. pasklaar maken van kleding 2. met de ri’je bewerken
afreien, ofreiden, werkwoord, afreien, vlak maken, vlakstrijken
afreizen, ofreizen, werkwoord, 1. geheel doorreizen, langs iedereen, heel veel personen, plekken gaan 2. heel veel reizen, afreizen 3. vertrekken 4. door veel, lang reizen erg vermoeid zijn
afrekenen, ofrekenen, werkwoord, afrekenen: verrekenen,
afrekening, ofrekening, ofrekeninge, ofreken, zelfstandig naamwoord, de; afrekening
afrekentje, ofrekentien, zelfstandig naamwoord, de; kwitantie
afrekken, ofrikken, werkwoord, afrasteren
afrekken, ofrekken, werkwoord, met de hand reiken tot
afremmen, ofremmen, werkwoord, afremmen
afrepelen, ofrepelen, werkwoord, 1. voortdurend repelen 2. met een vrouw naar bed gaan 3. vaak geslachtsgemeenschap hebben
afrepen, ofrepen, werkwoord, recht, kant maken
afreutelen, ofreutelen, werkwoord, heel veel, druk praten
africht, ofricht, ofgericht, bijvoeglijk naamwoord, afgericht
africhten, ofrichten, werkwoord, africhten
afriegelen, ofriegelen, werkwoord, rollend vallen
afrijden, ofrieden, werkwoord, 1. wegrijden 2. naar beneden rijden 3. het praktische deel van het rijexamen afleggen 4. geheel rijden 5. in alle richtingen doorrijden 6. zo lang rijden met/op, dat het voertuig enz. onbruikbaar is geworden 7. africhten, langdurig rijden op (een paard)
afrijmen, ofriemen, werkwoord, 1. afrijmen 2. veel rijmen
afrikaan, afrikaon, zelfstandig naamwoord, de; bep. plant: afrikaantje
afrit, ofrit, zelfstandig naamwoord, de 1. het gaan rijden, het moment van wegrijden 2. weggedeelte waarover men van een weg kan afslaan/op een weg kan komen
afritsen, ofritsen, werkwoord, 1. afstropen, bijv. inzake de bladeren van een tak, de vruchten van een struik 2. met een snelle beweging afsnijden
afrittelen, ofrittelen, werkwoord, 1. heel veel kletsen 2. heel veel, druk en snel heen en weer lopen
afrochelen, ofrachelen, ofrochelen, werkwoord, heel vaak en veel slijm opgeven; heel veel rochelen
afroeien, ofroeien, ofruien, werkwoord, 1. zich roeiend verwijderen 2. stroomafwaarts roeien 3. roeiend afleggen 4. heel veel roeien
afroepen, ofroepen, werkwoord, 1. naar beneden roepen 2. oproepen, met luide stem aankondigen 3. bij afslag verkopen 4. officieel afkondigen
afroeper, ofroeper, zelfstandig naamwoord, de; degene die door af te roepen bij afslag verkoopt
afroffelen, ofroffelen, werkwoord, 1. slaag geven 2. door te boenen, borstelen, wrijven schoonmaken 3. snel en met een roffelend geluid van iets af gaan
afrollen, ofrollen, ofrulen, werkwoord, 1. wegrollen, door te rollen verwijderen/zich verwijderen 2. naar beneden rollen 3. ontrollen, zich ontrollen
afrond, ofrond, bijvoeglijk naamwoord, 1. afgerond 2. vrij van schulden 3. rond(er) gemaakt
afronden, ofronden, werkwoord, afronden
afronselen, ofroonselen, werkwoord, ongeregelde handel drijven, sjacheren
afroppen, ofroppen, werkwoord, van iets rukken
afrossen, ofrossen, werkwoord, 1. door te boenen, af te kloppen reinigen, met borstelende bewegingen afkloppen 2. afranselen 3. afbeulen
afruigen, ofroegen, werkwoord, ruw afwerken
afruimen, ofrumen, ofroemen, werkwoord, afruimen
afruisen, ofroezen, ofrausen, werkwoord, 1. z’n werk op haastige en onzorgvuldige wijze afmaken 2. veel, vaak wild tekeergaan
afsabbelen, ofsobbelen, ofsabbelen, werkwoord, 1. afsabbelen 2. veel zoenen
afsabelen, ofsaobelen, ofsabelen, werkwoord, afsabelen
afsalpeteren, ofsalpeteren, werkwoord, bedwelmen met salpeterlucht
afscharrelen, ofscharrelen, werkwoord, 1. zich scharrelend voortbewegen 2. met veel meisjes ‘gaan’
afschaven, ofschaeven, werkwoord, afschaven
afscheid, ofscheid, zelfstandig naamwoord, et 1. afscheid, de handeling waarbij men de ander verlaat 2. bijeenkomst ter gelegenheid van iemands afscheid
afscheiden, ofscheiden, werkwoord, afscheiden
afscheren, ofscheren, werkwoord, 1. door te scheren wegnemen 2. geheel scheren 3. knippen van de heg
afschermen, ofscharmen, ofschaarmen, werkwoord, afschermen
afschieten, ofschieten, werkwoord, 1. afvuren 2. van iets af doen vallen door goed te vuren 3. door te schieten doden 4. overtollig wild schieten 5. heel veel schieten 6. snel gaan naar 7. naar beneden schieten, zich snel van iets laten vallen, plotseling vallen 8. afschampen
afschijnen, ofschienen, werkwoord, flink warmte afgeven
afschijten, ofschieten, werkwoord, één of meer winden laten gaan
afschilferen, ofschilferen, werkwoord, 1. afvallen, uiteenvallen in schilfers, in schilfers loslaten 2. in schilfers ontdoen, in schilfers afnemen
afschillen, ofschellen, werkwoord, afschillen
afschminken, ofsmienken, werkwoord, afschminken
afschoffelen, ofschoffelen, werkwoord, 1. bij het schoffelen afsnijden 2. veel schoffelen 3. het schoffelen afmaken 4. afschepen, afhouden
afschotelen, ofschottelen, ofschoddelen, 1. afschotelen, afpoeieren, misdelen en buitensluiten; in het bijzonder: onterven 2. afscheiden bijv. met een schot: van een kleine ruimte
afschoten, ofscheuten, bijvoeglijk naamwoord, afgescheiden door een schot e.d.
afschrabben, ofschrabben, ofschraepen, werkwoord, afschrabben
afschreppen, ofschrippen, ofschreppen, werkwoord, heel veel werken
afschrijven, ofschrieven, werkwoord, 1. het geld van een bankrekening e.d. doen gaan 2. als waardevermindering of verlies boeken 3. in een aftrekpost onderbrengen 4. als verloren beschouwen 5. schriftelijk afzeggen 6. ten einde schrijven 7. door veel schrijven meer en meer onbruikbaar maken 8. veel, vaak schrijven 9. overschrijven 10. met een potlood e.d. uitzetten, aftekenen
afschrijver, ofschriever, zelfstandig naamwoord, de; brief waarin men meedeelt de verkering te beëindigen
afschrijving, ofschrieving, zelfstandig naamwoord, de; afschrijving
afschrikken, ofschrikken, werkwoord, 1. op afstand houden door vrees of ontzag in te boezemen 2. door mogelijk onaangename gevolgen, lastige zaken weerhouden
afschrobben, ofschrobben, ofschrobberen, werkwoord, 1. schrobbend schoonmaken 2. door veel te schrobben verslijten
afschrobbering, ofschrebering, zelfstandig naamwoord, de; afstraffing
afschroeien, ofschruuien, ofschrujjen, ofschruien, werkwoord, afschroeien
afschuilen, ofschoelen, werkwoord, schuilen: tot de bui over is
afschuimen, ofschoemen, werkwoord, 1. schuim van iets afnemen, afhalen 2. naar veel, alle plekken gaan om te vinden wat men wil hebben, om te doen wat men wil
afschuinen, ofschuinen, ofschunen, werkwoord, een schuine kant doen krijgen
afschuiven, ofschoeven, werkwoord, 1. door schuiven verwijderen 2. de baarmoeder naar buiten laten komen 3. geld geven, dokken 4. zich onttrekken, niet uitvoeren, een ander laten doen of voor iets laten opdraaien 5. van zich afzetten 6. door te gaan schuiven afglijden
afschuren, ofschoeren, werkwoord, 1. door schuren wegnemen 2. door schuren gladmaken, reinigen 3. door wrijving, schuring een laag verliezen
afschutten, ofschutten, werkwoord, afschutten
afschuwelijk, ofschuwelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afschuwelijk
afsjacheren, ofsjachelen, ofsjacheren, werkwoord, heel veel venten, heel veel ongeregelde handel drijven
afsjanteren, oftjaanteren, werkwoord, veel zeuren
afsjokken, ofsjokken, werkwoord, 1. ten einde lopen 2. door te sjokken doen verslijten 3. heel veel lopen
afslaan, ofslaon, werkwoord, 1. van zich slaan, door te slaan van zich verwijderen of afweren 2. van zich afslaan 3. afwijzen, een aanbod weigeren 4. door een slag van iets scheiden 5. naar beneden slaan, van iets slaan 6. het uitslaan van iets 7. van een weg gaan, in een andere richting gaan 8. ophouden te werken 9. afhouwen 10. een signaal geven dat men de finishlijn is gepasseerd, vooral: door af te vlaggen
afslachten, ofslaachten, werkwoord, afslachten: afmaken
afslag, ofslag, zelfstandig naamwoord, de 1. afslag, verkoping waarbij men de prijs steeds vermindert tot iemand op het bod ingaat 2. afrit, pad, weg, richting die van een hoofdweg voert 3. verschil tussen levend en geslacht gewicht
afslager, ofslaeger, ofslager, zelfstandig naamwoord, de; afslager
afslanken, ofslaanken, ofslanken, werkwoord, afslanken
afslechten, ofslichten, werkwoord, afslechten
afslenteren, ofslinteren, ofslenteren, werkwoord, 1. slenterend afleggen 2. veel slenteren
afslepen, ofslepen, werkwoord, 1. tot het laatst toe afdragen 2. heel veel lopen, sjouwen 3. naar beneden slepen
afslijpen, ofsliepen, werkwoord, afslijpen
afslijten, ofslieten, werkwoord, 1. door schuring van iets afgaan 2. door slijten in grootte, omvang afnemen
afslikken, ofslikken, werkwoord, 1. aflikken: likkend van iets ontdoen 2. heel veel likkend van iets ontdoen 3. heel veel zoenen
afsloffen, ofsloffen, werkwoord, afsloffen
afslokken, ofslokken, werkwoord, ’t doorslikken af kunnen, aan kunnen
afslompen, ofslompen, werkwoord, afzakken
afsluiken, ofsloeken, werkwoord, heel veel slachten zonder vergunning
afsluitdijk, ofsluutdiek, zelfstandig naamwoord, de; afsluitdijk
afsluiten, ofsluten, werkwoord, 1. afsluiten 2. afkanten van breiwerk
afsluiter, ofsluter, zelfstandig naamwoord, de 1. degene die afsluit 2. lied, anecdote etc. waarmee men een feest, een officiële bijeenkomst e.d. afsluit 3. werktuig, voorwerp of onderdeel waarmee men iets afsluit, dicht doet zijn
afsluiting, ofsluting, zelfstandig naamwoord, de 1. afsluiting 2. afsluiter 3. afscheiding
afsluitschuifje, ofsluutschoefien, zelfstandig naamwoord, et; schuifje, zeer klein schotje voor het vlieggat van een bijenkast (om die af te sluiten)
afsmelten, ofsmulten, werkwoord, afsmelten
afsmijten, ofsmieten, werkwoord, afsmijten
afsnaaien, ofsnaaien, werkwoord, afhandig maken
afsnateren, ofsnaeteren, werkwoord, heel veel praten
afsnauwen, ofsnauwen, werkwoord, afsnauwen
afsnijden, ofsnieden, werkwoord, 1. van iets snijden 2. doorsnijden zonder geheel los te snijden 3. doorsnijden op de vereiste lengte 4. afhouwen 5. iemand afsnijden, voornamelijk in het verkeer 6. een kortere weg nemen
afsnoeien, ofsnuuien, ofsnuien, ofsnujjen, ofsnuusteren, werkwoord, 1. van iets snoeien, door te snoeien wegnemen, om doen vallen 2. overal op zoek zijn naar 3. veel op zoek zijn naar 4. afpikken, afhandig maken
afsnoeisel, ofsnuuisel, ofsnujsel, ofsnuisel, zelfstandig naamwoord, et; dat wat afgesnoeid is
afsnoepen, ofsnupen, ofsnoepen, werkwoord, afsnoepen: heel veel snoepen
afsnotteren, ofsnotteren, werkwoord, 1. veel huilen (in verb.) 2. veel snuiten (in verb.)
afsnuiten, ofsnuten, ofsnotten, werkwoord, heel veel snuiten
afsodemieteren, ofsodemieteren, werkwoord, 1. smakkend vallen 2. smijten, smakkend doen vallen
afsokkelen, ofsokkelen, ofsukkelen, werkwoord, 1. sukkelend een afstand gaan, over een weg lopen e.d. 2. naar beneden lopen 3. gedurende een lange periode sukkelig, ziekelijk zijn
afspelen, ofspeulen, werkwoord, 1. ten einde spelen, geheel afspelen 2. heel veel spelen 3. gebeuren, plaatsvinden 4. doen gebeuren, laten verlopen 5. als voorstelling plaatsvinden
afspeuren, ofspeuren, werkwoord, heel veel speuren, bijv. We hebben alles ofspeurd
afspijkeren, ofspiekeren, werkwoord, 1. geheel, definitief vastspijkeren, vastspijkeren van wat nog vastgemaakt moet worden 2. heel veel timmeren
afsplijten, ofsplieten, werkwoord, afsplijten
afsplitsen, ofsplissen, ofsplitsen, werkwoord, afsplitsen
afspoelen, ofspulen, ofspoelen, werkwoord, afspoelen: wegspoelen
afspraak, ofspraoke, ofspraok, zelfstandig naamwoord, de; afspraak, overeenkomst
afsprenkelen, ofsprenkelen, werkwoord, besprenkelen, door te sprenkelen enigszins afspoelen
afspringen, ofspringen, werkwoord, 1. met een sprong naar beneden komen 2. met een sprong zich verwijderen van 3. met één of meer sprongen op iemand afschieten 4. afketsen 5. veel dekken door een hengst, bijv. Die oolde hingst moet nogal wat ofspringen
afspruiten, ofspruten, werkwoord, afspruiten: van aardappelen
afspuwen, ofspi’jen, werkwoord, 1. zeggen, uiten 2. zich verdedigen tegen 3. veel overgeven, braken
afstaan, ofstaon, werkwoord, afstaan
afstallig, ofstallig, bijvoeglijk naamwoord, enigszins afgelegen
afstammen, ofstammen, werkwoord, afstammen
afstampen, ofstampen, werkwoord, door te stampen verwijderen
afstand, ofstaand, ofstand, zelfstandig naamwoord, de 1. het opgeven van het bezit van iets, de aanspraak op iets e.d. 2. tussenruimte tussen twee punten
afstandblik, ofstaandblikkien, zelfstandig naamwoord, et; blikje om de raampjes in een bijenkast goed op onderlinge afstand en op de juiste afstand van de kant van de kast te houden
afstandelijk, ofstaandelik, bijvoeglijk naamwoord, afstandelijk
afstandig, ofstaandig, bijvoeglijk naamwoord, het niet eens zijnd met iets
afstandsonderwijs, ofstaansonderwies, zelfstandig naamwoord, et; afstandsonderwijs
afstap, ofstap, zelfstandig naamwoord, de; afstapje
afstappen, ofstappen, werkwoord, 1. zich door te stappen verwijderen 2. toestappen op iets of iemand 3. naar beneden stappen 4. van een rijwiel, een motorfiets e.d. stappen 5. door stapvoets te gaan, rustiger worden
afsteken, ofstikken, werkwoord, 1. van zich afsteken 2. doen ontbranden, doen afgaan 3. uitspreken, uiten 4. wegsteken, graven door te steken 5. door met een spade e.d. te steken bijwerken 6. met een vork afladen, naar beneden doen komen 7. geven, afschuiven 8. op opvallende wijze verschillen van iets soortgelijks
afsteker, ofstikker, zelfstandig naamwoord, de; afsteker
afstekken, ofstekken, werkwoord, een omheining, afrastering aanbrengen
afstekking, ofstekking, zelfstandig naamwoord, de; het afrasteren, het omheinen, de afrastering, omheining
afstel, ofstel, zelfstandig naamwoord, et; afstel
afstelen, ofstelen, werkwoord, ontstelen
afstellen, ofstellen, werkwoord, 1. afstellen 2. afschaffen
afstelstek, ofstelstikke, zelfstandig naamwoord, de; ijzeren pin in een ploeg om mee af te stellen
afstemmen, ofstemmen, werkwoord, afstemmen
afsterven, ofstarven, werkwoord, afsterven
afstomen, ofstumen, werkwoord, veel roken, in bijv. Die stuumt hiel wat of rookt erg veel, vaak
afstoten, ofstoten, werkwoord, 1. van zich wegduwen met een stoot 2. van zich afhouden, verstoten 3. met een stoot van iets scheiden, verwijderen 4. naar beneden stoten 5. opgeven, van de hand doen 6. niet als onderdeel van het lichaam aannemen
afstoter, ofstoter, zelfstandig naamwoord, de; lam dat door het schaap is verstoten
afstraffen, ofstraffen, werkwoord, afstraffen
afstralen, ofstraolen, werkwoord, afstralen
afstrepen, ofstrepen, werkwoord, 1. door te strepen schrappen uit een lijst e.d. 2. door te strepen markeren
afstrijden, ofstrieden, werkwoord, 1. heel veel redetwisten, bekvechten 2. tot het einde toe strijden, zich inspannen, doorworstelen om een ziekte te doorstaan, evt. om uiteindelijk toch te overlijden
afstrijken, ofstrieken, werkwoord, 1. van iets strijken, van zich strijken, van kleren, schoeisel strijken 2. in brand doen gaan door langs een bep. oppervlak te strijken 3. vlakstrijken
afstrippen, ofstrippen, ofstripsen, werkwoord, afranselen
afstromen, ofstromen, werkwoord, afstromen: naar beneden stromen
afstrompelen, ofstraampelen, ofstrompelen, werkwoord, 1. strompelend naar beneden gaan 2. strompelend afleggen 3. heel veel strompelen, gebrekkig lopen 4. heel veel lopen
afstronten, ofstronten, werkwoord, de uitwerpselen bij de koeien wegvegen
afstrooien, ofstri’jen, werkwoord, uitmesten (van een stal)
afstropen, ofstrupen, werkwoord, afstropen: stropend ontdoen
afstropen, ofstreupen, werkwoord, 1. heel veel stropen 2. overal gaan, zich her en der begeven om wat te vinden, te verkrijgen
afstruinen, ofstrunen, werkwoord, afstruinen
afstuderen, ofstuderen, werkwoord, afstuderen: een studie voltooien
afstuiten, ofstuiten, werkwoord, na het raken terugspringen, wegspringen
afstuiven, ofstoeven, werkwoord, afstuiven
aftakelen, oftaekelen, werkwoord, 1. aftakelen, iemand zeer bestraffend toespreken, vooral: een pak slaag geven 2. aftakelen, achteruitgaan, verminderen in kracht, gezondheid
aftakken, oftakken, werkwoord, 1. stapsgewijze verlagen in getal 2. achteruitgaan
aftandig, oftanig, oftandig, bijvoeglijk naamwoord, aftandig
aftands, oftaans, oftaand, bijvoeglijk naamwoord, 1. aftands: gezegd van een paard dat volledig heeft gewisseld zodat aan de tanden niet meer te zien is, hoe oud het is 2. met geen, weinig of versleten tanden; ook: tijdelijk zonder tanden, door wisseling 3. oud en versleten 4. veel verteld en daardoor afgesleten, clichématig
aftappen, oftappen, werkwoord, aftappen
aftasten, oftaasten, werkwoord, aftasten
aftekenen, oftekenen, werkwoord, 1. tekenwerk voltooien 2. afbeelden of afgebeeld zijn in duidelijke lijnen, omtrekken 3. heel veel tekenen 4. ter bevestiging van een aflossing tekenen
aftekening, oftekening, ofteken, zelfstandig naamwoord, de; het getekend zijn, aftekening in patronen, figuren
aftellen, oftellen, werkwoord, 1. tellend verminderen 2. door een aftelrijmpje of -liedje aanwijzen 3. een telturf apart leggen
aftelvers, oftelvassien, ofvessien, zelfstandig naamwoord, et; aftelrijmpje of; liedje
afteren, ofteren, werkwoord, 1. het teren voltooien 2. heel veel teren, teerwerk verrichten 3. aftakelen, hard achteruitgaan in gezondheid, lichaamskracht
afteuten, ofteuten, werkwoord, heel veel kletsen, teuten
aftichelen, oftiggelen, werkwoord, afranselen
aftijgen, oftogen, werkwoord, 1. zolang dragen tot het versleten is 2. heel veel lopen 3. van iets afdragen
aftikken, oftikken, werkwoord, 1. door te tikken van iets scheiden, doen vallen 2. aftikken bij een spel 3. door tikken met de dirigeerstok de uitvoering van een muziekwerk beginnen of onderbreken
aftoeren, oftoeren, werkwoord, heel veel rijden
aftoffelen, oftoffelen, werkwoord, 1. ten einde lopen, geheel lopend afleggen 2. heel veel lopen 3. tot het laatst toe dragen
aftokken, oftokken, oftokkelen, werkwoord, afhandig maken, aftroggelen
aftouteren, oftoolteren, werkwoord, heel veel schommelen
aftrappen, oftrappen, werkwoord, 1. de aftrap verrichten 2. van zich aftrappen 3. door te trappen van zich houden, van zich verwijderen 4. naar beneden trappen 5. door ertegen te trappen afbreken 6. met stelligheid, rigoureus verwijderen 7. her en der lopen 8. vasttrappen van veengrond bij turfwinning
aftreden, oftreden, werkwoord, aftreden
aftrekbaar, oftrekber, bijvoeglijk naamwoord, aftrekbaar
aftrekken, oftrekken, werkwoord, 1. van iets verwijderen door te trekken 2. door aan iets of iemand te trekken naar beneden doen komen 3. van het lijf, het hoofd trekken 4. in de hanen d’r van oftrekken er niets meer aan doen, er niet meer mee te maken willen hebben 5. door te trekken scheiden 6. afstroppen, stropend ontdoen 7. masturberen 8. in mindering brengen 9. verminderen met, het verschil in getal, waarde bepalen 10. uithalen van breiwerk 11. naar beneden trekken 12. wegtrekken: van een bui, bijv. De bujje is oftrokken
aftrekpost, oftrekpost, zelfstandig naamwoord, de; aftrekpost
aftreksel, oftreksel, zelfstandig naamwoord, et; aftreksel
aftuffen, oftuffen, werkwoord, 1. overal gaan (met een auto enz.) 2. heel veel gaan met een motorvoertuig e.d. 3. winden laten
aftuigen, oftugen, werkwoord, 1. aftuigen 2. ontdoen van versierselen
afvaardigde, ofveerdigde, zelfstandig naamwoord, de; afgevaardigde
afvaardigen, ofveerdigen, werkwoord, afvaardigen
afvaart, ofvaort, zelfstandig naamwoord, de 1. afvaart 2. plaats van de ofvaort
afval, ofval, ofgeval, zelfstandig naamwoord, de, et 1. te vroeg afgevallen fruit 2. wat na bewerking overblijft of uiteindelijk als vuil kan worden afgevoerd
afvalappel, ofvalappel, zelfstandig naamwoord, de; valappel
afvalberg, ofvalbulte, zelfstandig naamwoord, de; afvalberg
afvallen, ofvalen, werkwoord, 1. naar beneden vallen 2. losgaan en vallen 3. vermageren 4. niet meer meetellen, niet meer rekenen, niet meer mee kunnen of mogen doen 5. in de steek laten, laten vallen 6. teleurstellen 7. niet bep. gemakkelijk, aangenaam zijn
afvallig, ofvallig, bijvoeglijk naamwoord, afgevallen, van hout, bijv. ofvallig hoolt in de bos sprokkelen
afvangen, ofvangen, werkwoord, afvangen
afvaren, ofveren, ofvaeren, werkwoord, 1. stroomafwaarts varen 2. heel veel varen 3. weggaan, vertrekken
afvegen, ofvegen, werkwoord, afvegen
afventen, ofventen, werkwoord, ventend langsgaan, bijv. de hiele kriete ofventen mit lotten
afverrelen, ofvorrelen, vorrelen, werkwoord, een kalf dat geboren moet worden, in stukken snijden om zo de koe te verlossen
afverven, ofvarven, werkwoord, en var.; afverven
afvijlen, ofvielen, werkwoord, afvijlen
afvlaggen, ofvlaggen, werkwoord, afvlaggen
afvliegen, ofvliegen, werkwoord, 1. zich vliegend van een bep. punt verwijderen 2. in een snel tempo ergens op afkomen, ergens op afvliegen 3. naar beneden vliegen 4. zich zeer snel van een bep. punt verwijderen 5. zich zeer snel naar beneden spoeden 6. snel en krachtig van iets gaan en wegvliegen
afvlieger, ofvlieger, zelfstandig naamwoord, de; bijenvolk dat sterk geneigd is tot zwermen
afvloeien, ofvloeien, werkwoord, afvloeien
afvloeken, ofvluken, werkwoord, afvloeken
afvlogen, ofvleugen, werkwoord, weggevlogen (bij bijen)
afvoer, ofvoer, zelfstandig naamwoord, de 1. afvoer: het tegenovergestelde van aanvoer 2. het afvoeren van afvoerwater en wat daar evt. door meegenomen wordt 3. afvoerpijp, afvoerleiding, afvoergoot e.d.
afvoeren, ofvoeren, werkwoord, 1. voor de laatste maal voeren op een dag en nog even controleren 2. naar elders voeren 3. van een lijst schrappen
afvoersloot, ofvoersloot, zelfstandig naamwoord, de; sloot die dient om water en evt. andere vloeistoffen af te voeren
afvragen, ofvraogen, werkwoord, afvragen
afvragerij, ofvraogeri’je, zelfstandig naamwoord, de; het ofvraogen
afvreden, ofvredigen, werkwoord, een afrastering aanbrengen
afvreding, ofvrediging, zelfstandig naamwoord, de; afrastering
afvuisten, ofvoesten, ofvoesken, werkwoord, elkaar een hand geven bij het weggaan
afvuren, ofvuren, werkwoord, afvuren
afwachten, ofwaachten, werkwoord, afwachten
afwas, ofwas, zelfstandig naamwoord, de 1. het afwassen 2. hetgeen afgewassen moet worden, vaat
afwasbaar, ofwasber, bijvoeglijk naamwoord, afwasbaar
afwasblik, ofwasblik, zelfstandig naamwoord, et; afwasteil
afwasborstel, ofwasbossel, zelfstandig naamwoord, de; afwaskwast
afwassen, ofwasken, ofwassen, werkwoord, 1. door te wassen van iets verwijderen 2. door wassen reinigen, schoonmaken 3. de afwas doen
afwasteil, ofwasktiele, zelfstandig naamwoord, de; afwasteil
afwasvat, ofwaskvat, ofwasvat, zelfstandig naamwoord, et; houten afwasteil
afwateren, ofweteren, werkwoord, het laatste drinken van de dag geven
afwateren, ofwaeteren, werkwoord, 1. afwateren 2. plassen, urineren
afwateringssloot, ofwaeteringssloot, zelfstandig naamwoord, de; sloot voor het afwateren van overtollig water
afwegen, ofwegen, werkwoord, afwegen
afweger, ofweger, zelfstandig naamwoord, de; degene die het graan weegt
afweging, ofweging, zelfstandig naamwoord, de; afweging, overweging
afweiden, ofweiden, werkwoord, afgrazen, afweiden
afweken, ofwieken, werkwoord, afweken: door week, vochtig maken doen loslaten
afwellen, ofwellen, werkwoord, zie wellen
afweller, ofweller, zelfstandig naamwoord, de; degene die na de maaier komt, het koren tot bundels pakt en neerlegt
afwennen, ofwennen, werkwoord, afwennen
afwerken, ofwarken, werkwoord, 1. geheel doen, afmaken, voltooien 2. stevig aanpakken, mores leren, een pak slaag geven 3. de laatste hand leggen aan, de definitieve vorm geven aan, het uiterlijk van iets voltooien 4. werk ten einde brengen 5. heel veel werken 6. met moeite naar beneden weten te krijgen, naar beneden duwen enz.
afwerking, ofwarking, zelfstandig naamwoord, de; afwerking
afwerklat, ofwarklatte, zelfstandig naamwoord, de; lat die afdekt (vooral: m.b.t. naden)
afweten, ofweten, werkwoord, 1. weten van, weet hebben van 2. in et ofweten laoten niet komen, niet doen wat men mocht verwachten, tekortschieten
afweven, ofweven, werkwoord, 1. afweven 2. met iemand afrekenen
afwezig, ofwezig, werkwoord, afwezig
afwezigheid, ofwezighied, zelfstandig naamwoord, de; afwezigheid
afwijden, ofwi’jen, werkwoord, 1. waaien in de richting van iets of iemand af 2. wegwaaien 3. naar beneden waaien
afwijken, ofwieken, werkwoord, afwijken: handelen anders dan naar gewoonte, naar het gebruik
afwijking, ofwieking, zelfstandig naamwoord, de; afwijking
afwijzen, ofwiezen, werkwoord, 1. van de hand wijzen, afslaan, verwerpen 2. een betrekking, het verlangde diploma e.d. niet toewijzen 3. ongegrond verklaren, ontzeggen
afwijzing, ofwiezing, zelfstandig naamwoord, de; afwijzing
afwinden, ofwienen, werkwoord, 1. afwinden, draaiend afhalen 2. kalmeren
afwinnen, ofwinnen, werkwoord, afwinnen
afwisselen, ofwisselen, werkwoord, afwisselen
afworstelen, offrosselen, werkwoord, veel stoeiend worstelen
afwrijven, ofwrieven, ofvrieven, werkwoord, afwrijven
afwroeten, ofvrotten, ofwrotten, werkwoord, heel veel zwoegen
afwuiven, ofwuiven, werkwoord, afwerken met iets
afzagen, ofzaegen, werkwoord, afzagen
afzakkebanden, ofzakkebanen, werkwoord, weggaan
afzakken, ofzakken, werkwoord, 1. naar beneden zakken 2. uitrusten na het eten 3. stroomafwaarts drijven 4. weggaan 5. wegtrekken van buien, onweer 6. verminderen in hevigheid, langzaam verdwijnen 7. in niveau, prestaties minder worden
afzakkertje, ofzakkertien, zelfstandig naamwoord, et; afzakkertje, borrel
afzegger, ofzegger, zelfstandig naamwoord, de; bericht van verhindering, annulering van een afspraak
afzeilen, ofzeilen, werkwoord, naar iemand toe zeilen, ook: met een zeilende, keilende beweging op iemand afgaan
afzender, ofzender, zelfstandig naamwoord, de; afzender
afzet, ofzet, zelfstandig naamwoord, de 1. het verkopen van waren naar elders, afzet 2. hetgeen men wil verkopen 3. zoveel als men in één keer wil maaien van een heel stuk
afzetmarkt, ofzetmark, zelfstandig naamwoord, de; afzetmarkt
afzetpen, ofzetpenne, zelfstandig naamwoord, de; bep. pen waarmee de ploeg werd afgesteld
afzetstek, ofzetstik, zelfstandig naamwoord, de; bep. pen waarmee de ploeg werd afgesteld
afzetten, ofzetten, werkwoord, 1. afnemen 2. iets van zich afzetten, niet meer zo bezig willen zijn met iets 3. op enige afstand neerzetten 4. van iets afnemen en neerzetten 5. buiten werking stellen, uitschakelen 6. de verhitting beëindigen van wat men op een kooktoestel heeft staan 7. op ongeoorloofde of onredelijke wijze teveel laten betalen 8. amputeren 9. een spontane abortus hebben, een jong voor de tijd afdrijven 10. uit het lichaam laten komen 11. weggaan, vertrekken 12. overal gaan, alles bezoeken 13. in de richting gaan van 14. een afsluiting, afzetting aanbrengen 15. uit een openbaar, met macht bekleed ambt zetten 16. afladen, ook: laten af- of uitstappen 17. in iene van de balle ofzetten van de bal afzetten 18. bij een paard de riem van het zeel naar het bit erg strak zetten 19. in je ofzetten zich afzetten, ook in je ofzetten tegen, ook fig.; ook in wat ofzet niet meer strak tegen het lichaam: gezegd van het gierblad
afzetter, ofzetter, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die anderen te veel laat betalen, afzetter 2. koe die lijdt aan abortus Bang 3. laatste bezoek 4. afzakkertje
afzetterij, ofzetteri’je, zelfstandig naamwoord, de; afzetterij, oplichterij
afzeulen, ofzeulen, werkwoord, heel veel zeulen
afzeuren, ofzeuren, werkwoord, heel veel zeuren
afzichtelijk, ofzichtelik, bijvoeglijk naamwoord, afzichtelijk
afzien, ofzien, werkwoord, 1. afzien 2. zien aan 3. afwerken 4. oppervlakkig afwerken 5. een pak slaag geven
afzijdig, ofziedig, bijvoeglijk naamwoord, afzijdig
afzoeken, ofzuken, werkwoord, her en der zoeken, overal zoeken
afzomen, ofzeumen, werkwoord, 1. afzomen, omboorden 2. een pak slaag geven
afzonderen, ofzunderen, ofzonderen, werkwoord, afzonderen
afzondering, ofzundering, ofzunderige, zelfstandig naamwoord, de 1. het afzonderen 2. isolement, verblijf in eenzaamheid 3. afgescheiden ruimte
afzonderlijk, ofzunderlik, ofzonderlik, bijvoeglijk naamwoord, 1. afzonderlijk: apart, alleen 2. uitzonderlijk
afzouten, ofzoolten, werkwoord, 1. afschepen, met een kluitje in het riet sturen 2. terechtwijzen, slaag geven 3. als straf of waarschuwing: een zakje zout geven met Sinterklaas
afzuchten, ofzochten, ofzuchten, werkwoord, heel veel zuchten
afzuigbuis, ofzoegbuize, zelfstandig naamwoord, de; naar beneden lopende buis, onder aan een pomp
afzuiger, ofzoeger, zelfstandig naamwoord, de; zuiglam
afzuigkap, ofzoegkappe, zelfstandig naamwoord, de; afzuigkap
afzwaaien, ofzwaaien, werkwoord, afzwaaien
afzwavelen, ofzwevelen, werkwoord, bijen doden met een brandende lap doordrenkt met zwavel
afzwellen, ofzwöllen, werkwoord, afzweren
afzwermd, ofzwaarmd, bijvoeglijk naamwoord, bijenvolk waarvan de voorzwerm is afgegaan
afzwerven, ofzwarven, werkwoord, afzwerven
afzweten, ofzwieten, werkwoord, afzweten
akelei, akkelei, zelfstandig naamwoord, de; akelei
akelig, aekelig, bijwoord, in hoge mate
akelijk, aekelik, aekelig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. akelig: onaangenaam voor het gevoel 2. zich beroerd voelend 3. vervelend, irritant
Aken, Aeken, zelfstandig naamwoord, et; Aken
aker, aeker, zelfstandig naamwoord, de; aker, nl. bep. emmer
akke, akke, akkak, zelfstandig naamwoord, de; benaming van de ekster
akkefietje, akkefietien, akkrefietien, zelfstandig naamwoord, et 1. lastig werkje 2. onaangenaam meningsverschil, kwestie waarbij de onbetrouwbaarheid, de lastigheid van de ander blijkt, lelijke streek 3. karweitje 4. baantje, kleine betrekking
akker, akker, zelfstandig naamwoord, de; stuk bouwland of weiland, veelal gedeelte daarvan tussen greppels, zo ook inzake bos
akkerhout, akkerhoolt, zelfstandig naamwoord, et; weekhout onder loofbomen, ook gezegd van jonge eiken en ander hout
akkerknol, akkerknolle, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als knolle, bet. 1
akkermeisje, akkermaegies, akkermeisies, meervoud, sneeuwklokjes
akkerwinde, akkerwiende, zelfstandig naamwoord, de; akkerwinde
aks, akse, zelfstandig naamwoord, de; bijl
akselen, akselen, werkwoord, ruziënd tegenwerken
al, al, onderschikkend voegwoord, 1. alsof 2. hoewel 3. ook al
al, al, alle, onbepaald voornaamwoord, heel, geheel, het gehele aantal, alles
al, al, bijwoord, al
alarm, alaarm, zelfstandig naamwoord, et 1. alarm 2. lawaai 3. opschudding
alarmmaker, alaarmmaeker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die veel ongewenst lawaai produceert
albedil, albedil, zelfstandig naamwoord, de; bemoeial, albedil
albegeer, albegeer, zelfstandig naamwoord, de; iemand die alles wil hebben
alcohol, alkehol, olkehol, zelfstandig naamwoord, de; alcohol
alcoholisme, alkeholisme, zelfstandig naamwoord, et; alcoholisme
aleer, aleer, voegwoord, voordat
aleer, aleer, bijwoord, vroeger, in voorbije tijden
alert, allat, bijvoeglijk naamwoord, 1. opgeruimd, in een goede bui, vrolijk en levendig 2. gezond 3. alert, oplettend, ad rem
algedurig, algedurig, bijwoord, steeds
algemeen, algemien, algemeen, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. algemeen, openbaar, op ieder betrekking hebbend, bij/voor iedereen 2. universeel 3. het geheel betreffend
algemeen, algemien, algemeen, zelfstandig naamwoord, et 1. in in ’t algemien in het algemeen, over ’t algemien over het algemeen, veur ’t algemien voor het algemeen belang
alias, alias, zelfstandig naamwoord, de; jongen met gemene streken
alignement, allement, zelfstandig naamwoord, et, in o.a. op ’t allement kommen (moeten) op een bep. plaats (moeten) komen
alkoof, alkoof, zelfstandig naamwoord, de; alkoof, deurloze bedstee
alla, alla, alae, tussenwerpsel, 1. vooruit, komaan 2. vooruit dan maar
allebei, allebeide, allebeiden, telwoord, allebei, allebeide
allebliksems, alderbliksems, bijwoord, telwoord, 1. in zeer hoge mate 2. uitroep van verrassing, teleurstelling, woede
alledaags, alledaegs, bijvoeglijk naamwoord, alledaags, algemeen
alleduivels, alderduvels, alderduvelst, alleduvels, bijwoord, en var.; in heel hoge
allee, allee, tussenwerpsel, allee, vooruit, komaan
alleen, alliend, allien, alliendig, allienig, allinnig, allennig, a, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. zonder gezelschap zonder iemand erbij, onder vier ogen 3. zonder toezicht 4. alleenstaand, solitair 5. met uitsluiting van iets of iemand anders 6. echter, maar
alleenstaand, allienstaond, alliendstaond, bijvoeglijk naamwoord, alleenstaand
allegaar, allegere, allegeer, allegaer, allegaere, onbepaald voornaamwoord, allemaal, alle/allen/alles bij elkaar
allegaar, allegere, allegeer, allegaer, allegaere, bijwoord, louter, één en al
allegaartje, allegeertien, zelfstandig naamwoord, et; allegaartje
allegodgloeiende, allegodsgloeiends, bijwoord, uitroep van pijn en schrik, met name wanneer men zich brandt
allehemels, allerhemelsk, bijvoeglijk naamwoord, buitengewoon, zeer fraai
allemaal, allemaol, allemaole, onbepaald voornaamwoord, allemaal
allemaal, allemaol, allemaole, bijwoord, louter, één en al
allemachtig, allemachtig, tussenwerpsel, allemachtig: uitroep van verbazing
allemachtig, allemachtig, allemachtigst, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, zeer, enorm, reusachtig
allemachtig, allemachies, tussenwerpsel, uitroep van ergernis, verwondering
alleman, alleman, onbepaald voornaamwoord, alleman, iedereen
alleman-de-meeste, alleman-de-mieste, zelfstandig naamwoord, de; de beste qua gezondheid
allemans-, allemaans-, allemans-
allemensen, allemeensken, allemeenskens, tussenwerpsel, uitroep van verbazing
allemieters, allemieters, tussenwerpsel, uitroep van verbazing, schrik
allemieters, allemieters, bijwoord, in zeer hoge mate
allenig, allienigens, zelfstandig naamwoord, de; het alleen zijn
aller-, alder-, aller-, aller- in aldermeerst, alderhadst enz.
alleraardigst, alderaorigst, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1. het meest aardig, het meest beminnelijk 2. erg leuk, erg interessant e.d.
allerafgrijselijkst, alderofgrieslikst, alderoegrieselikst, alderofgrieselikst, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, in zeer hoge mate erg, lelijk enz.
allerakeligst, alderaekelikst, bijwoord, erg akelig, zeer vervelend, op erg akelige wijze
allerbarstend, alderbastends, alderbastendst, bijwoord, enorm, in zeer hoge mate, zeer sterk
allerbedroefst, alderbedroefdst, alderbedroevendst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. het meest bedroefd 2. erg belabberd, heel slecht
allerbenauwdst, alderbenauwdst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. het meest met ademgebrek 2. in zeer hoge mate
allerbest, alderbest, bijvoeglijk naamwoord, allerbest
allerdanigst, alderdaonigst, bijwoord, in hoge mate
allerdeegs, alderdeegst, alderdeegs, alledeegs, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, en var. 1. flink, hard werkend en oppassend 2. zelfs, waarachtig 3. in aanzienlijke mate 4. (tw.) uitroep van verbazing
allerdeksels, alderdeksels, tussenwerpsel, uitroep van plotselinge verrassing, ergernis, schrik
allerdonderst, alderdonderst, alledonders, tussenwerpsel, plotselinge uitroep van schrik, ergernis; potverdrie
allerdonderst, alderdonderst, allendonder, bijwoord, in hoge mate
allerdriest, alderdriest, bijvoeglijk naamwoord, het meest driest
allerdroevigst, alderdroevigst, bijvoeglijk naamwoord, hetz. als alderbedroefdst
allerduurst, alderduurst, bijvoeglijk naamwoord, het meest duur
allereenvoudigst, alderienvooldigst, bijvoeglijk naamwoord, zeer eenvoudig, het meest eenvoudig
allereerst, aldereerst, bijvoeglijk naamwoord, allereerst: vooraf, als eerste, voordat het andere gebeurt
allereeuwigst, alderiewigst, bijwoord, in zeer hoge mate
allerellendigst, alderellendigst, bijvoeglijk naamwoord, 1. het meest ellendig 2. heel ellendig, beroerd
allergauwst, aldergauwst, bijvoeglijk naamwoord, het meest snel
allergemeenst, aldergemienst, bijvoeglijk naamwoord, het meest gemeen
allergewiekst, aldergewiekst, bijvoeglijk naamwoord, zeer gewiekst
allergluipendst, aldergloependst, bijwoord, zeer intens
allergriezeligst, aldergriezeligst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. het meest griezelig 2. in zeer hoge mate slecht
allergrijselijkst, aldergrieselikst, bijwoord, in zeer hoge mate
allergruwelijkst, aldergruwelikst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. het meest gruwelijk 2. in hoge mate slecht, heftig
allerhande, alderhaande, zelfstandig naamwoord, I en var. 1. bep. soort koekjes: allerhande 2. van alles en nog wat
allerhande, alderhaande, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voornaamwoord, en var. 1. vreemd, vaak: sjofel uitgedost 2. minder van kwaliteit 3.wispelturig, nu weer zus, dan weer zo 4. van verschillende soorten
allerhardst, alderhadst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, het meest hard
allerheerlijkst, alderheerlikst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. het meest heerlijk 2. heel heerlijk
Allerheiligen, Alderheiligen, Allerheiligen, Allerillingen, zelfstandig naamwoord, Allerheiligen
allerheiligenmarkt, Alderheiligenmark, Allerrillingenmark, zelfstandig naamwoord, en var. de; vanouds bekende jaarmarkt in Stienwiek
allerijselijkst, alderheiselikst, allerieselikst, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1. zeer slecht 2. zeer intensief 3. in zeer hoge mate
allerkleinst, alderkleinst, allerkleinst, bijvoeglijk naamwoord, het meest klein
allerlaagst, alderleegst, bijvoeglijk naamwoord, het meest laag of leeg
allerlaatst, alderlaest, alderlest, bijwoord, allerlaatst
allerlei, alderlei, bijvoeglijk naamwoord, allerlei
allerlelijkst, alderlillikst, bijvoeglijk naamwoord, het meest lelijk
allerliefst, alderliest, alderliefst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. allerliefst, liever dan iets anders 2. in hoge mate beminnelijk
allermeest, aldermeerst, aldermiest, aldermeest, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, allermeest, meer dan iets of iemand anders
allermieterst, allermieterst, bijvoeglijk naamwoord, uiterst gering
allerminst, alderminst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. het slechtst in kwaliteit 2. het meest beroerd, het meest vervelend
allermisselijkst, aldermisselikst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. het meest misselijk 2. het meest vervelend
allermooist, aldermooist, bijvoeglijk naamwoord, 1. allermooist 2. in op zien aldermooist als het echt meezit, als het echt te gek gaat
allernaarst, alderneerst, aldernaerst, bijwoord, allervreselijkst
allernaast, aldernaost, bijvoeglijk naamwoord, allernaast: het meest verwant, het meest gesteld op
allernodigst, alderneudigst, bijvoeglijk naamwoord, het meest nodig
allerraarst, alderreerst, bijvoeglijk naamwoord, 1. allerraarst 2. heel erg
allerschandaligst, alderschandaoligst, bijvoeglijk naamwoord, 1. het meest schandalig 2. zeer schandalig
allerslimst, alderslimst, bijvoeglijk naamwoord, het meest erg
allersterkst, alderstarkst, bijvoeglijk naamwoord, het meest sterk
alleruiterst, alderuterst, bijvoeglijk naamwoord, alleruiterst: het verst naar een rand, grens, het verst in een tijdsbestek, het hoogst in een prijs e.d.
allerverschrikkelijkst, alderverschrikkelikst, bijwoord, het meest verschrikkelijk
allervlugst, aldervlogst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, het meest vlug, snel
allerwerelds, alderwerelds, bijwoord, in hoge mate
allerzoetst, alderzuutst, bijvoeglijk naamwoord, het meest zoet
allerzuinigst, alderzunigst, bijvoeglijk naamwoord, het meest zuinig
allerzuurst, alderzoerst, bijvoeglijk naamwoord, het meest zuur
alles, alles, zelfstandig naamwoord, et; het geheel
alles, alles, onbepaald voornaamwoord, alles, al de zaken
allesbrander, allesbraander, zelfstandig naamwoord, de; allesbrander
allesziend, allerziende, bijwoord, zo te zien, het geheel overziend
alliantie, alliaansie, zelfstandig naamwoord, de 1. omgang 2. het met anderen betrokken zijn bij en verantwoordelijk zijn voor iets, een zekere verbondenheid, verbond 3. aanstellerij 4. aanraking
almanak, almenak, zelfstandig naamwoord, de 1. almanak 2. iemand met een goed geheugen
alpinomuts, alpinemusse, zelfstandig naamwoord, en var. de; alpinomuts
als, as, onderschikkend voegwoord, 1. als 2. dan, bijv. mooier as, groter as 3. alsof 4. in de hoedanigheid van 5. inleidend op bijzinnen of na vooropgeplaatste groepen, bijv. Ik zol et jammer vienen as…, Janken as hi’j kan! 6. wanneer het zo is dat 7. mits 8. te oordelen aan 9. ook al, ofschoon 10. ter versterking van bep. verbindingswoorden, bijv. de vraoge wie as dat daon het. We zatten in spanning hoe as dat oflopen zol, omreden dat as omdat
alsjeblieft, asjeblief, asjeblieft, asjebluuf, tussenwerpsel, 1. uitroep van verwondering 2. heel graag 3. gezegd ter uitdrukking van beleefheid bij het geven 4. gezegd ter uitdrukking van het beleefd aanvaarden van wat aangeboden wordt
alsjeblieft, asjeblief, asjeblieft, asjebluuf, bijwoord, 1. gezegd ter versterking van een verzoek 2. beslist, in verb.
alsmaar, almar, alsmar, bijwoord, alsmaar
alsof, asof, voegwoord, alsof
altaar, alter, altaor, zelfstandig naamwoord, et; altaar, offertafel
altemarren, altemarren, werkwoord, bep. spelletje met werphoutje spelen
altemet, altemet, altemit, altemis, altemus, altmis, bijwoord, 1. af en toe, soms 2. misschien
alteratie, alderaosie, alleraosie, alteraosie, allerasie, zelfstandig naamwoord, de; alteratie, ontsteltenis, bijzondere drukte, verbouwereerdheid
Altever, Alteveer, zelfstandig naamwoord, et; aanduiding voor een zeer afgelegen plek, lett. ‘al te ver’, in het bijzonder onder Buil
altijd, altied, aaid, altieten, altieden, aaltieden, aaltied, bijwoord, 1. te allen tijde, voortdurend 2. steeds, bij iedere gelegenheid
aluin, aluun, zelfstandig naamwoord, et; aluin
alwijlen, alwielen, bijwoord, in het algemeen
amandel, mangel, zelfstandig naamwoord, de 1. amandelen (in keel, neus) 2. bep. boom: amandel
amandel, amandel, zelfstandig naamwoord, de 1. bep. vrucht: amandel 2. (mv.) hetz. als mangel, bet. 1
amandelklier, mangelkliere, zelfstandig naamwoord, de; keelamandel
amandelknippen, mangelknippen, werkwoord, knippen van de amandelen
amateur, ammeteur, zelfstandig naamwoord, de; amateur
ambacht, ambacht, zelfstandig naamwoord, et; ambacht: vak, handwerk dat men moet aanleren
ambachtsschool, ambachtschoele, zelfstandig naamwoord, de; ambachtsschool
ambitie, ambisie, zelfstandig naamwoord, de; ambitie
Ambrosiuskorf, Ambrosiuskörf, zelfstandig naamwoord, de; puntige bijenkorf met gevlochten hoofd en mijter, mantel, armen en staf, voorstellende Ambrosius, beschermheilige van de imkers
ambtenaar, ambtener, zelfstandig naamwoord, de; ambtenaar
ambtenarij, ambteneri’je, zelfstandig naamwoord, de; ambtenarij, bureaucratie
amel, aemel, bijvoeglijk naamwoord, 1. van personen, dieren, planten: zwak en klein, bleekjes, haast ziekelijk 2. klein, smal, krap 3. armoedig, pover, schraal 4. zwak: van geluid, zicht 5. nogal verlegen
ameldoos, aemeldeuze, zelfstandig naamwoord, de; zeurpot
amelen, aemelen, werkwoord, 1. zeuren, vaak: op kinderlijke, stuntelige wijze 2. in zichzelf praten, ijlen
amelpot, aemelpot, zelfstandig naamwoord, de; zeurpot
ameltje, aemeltien, zelfstandig naamwoord, et; niet sterke persoon, iemand die klein en zwak is
ameltjes, aemelties, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1. smalletjes, bleekjes, klein en zwak 2. niet sterk, niet erg deugdelijk 3. armoedig, een povere indruk makend 4. nauwelijks, niet met de gebruikelijke kracht 5. krap zittend
amerij, aemeri’je, ameri’je, zelfstandig naamwoord, de; amerij, kort ogenblik
ameublement, meubelement, zelfstandig naamwoord, et; ameublement
ammen, ammen, werkwoord, zwellen van de uier van een koe, met name tegen het kalven
amper, amper, aamper, aamper-, bijwoord, amper, nauwelijks, ternauwernood
amper aan, amperan, aamperan, amperham, ampram, ampran, bijwoord, maar net, ternauwernood
amputatie, amputaosie, zelfstandig naamwoord, de; amputatie
analist, annelist, zelfstandig naamwoord, de; analist
analyse, annelyse, zelfstandig naamwoord, de; analyse
ananas, annenas, zelfstandig naamwoord, de; ananas
Anconisch, akonisch, alkonisch, bijvoeglijk naamwoord, in een akonische haene of kiepe bep. zwartbonte kip
Anconische, ankonissen, meervoud, bep. soort kleine kip
ander, eer, aer, aere, ere, onbepaald voornaamwoord, iemand anders
ander, aander, rangtelwoord, eerstvolgend
ander, eer, aer, bijvoeglijk naamwoord, 1. ander: naast de/het eerst genoemde of de/het bekend veronderstelde 2. gezegd van een persoon of zaak: niet dezelfde 3. met andere eigenschappen, aard
ander, aander, onbepaald voornaamwoord, iemand anders
ander, aander, bijvoeglijk naamwoord, ander
anderdaags, aanderdaegs, aanderedaegs, aanderdags, eredaegs, aeredaegs, bijwoord, en var. de; anderdaags, de volgende dag; ook de-woord, bijv. De eredaegs gong ik vot
anderjaars, aanderejaors, bijwoord, het volgend(e) jaar
anderman, aanderman, zelfstandig naamwoord, de; de andere man, iemand anders
andermans, aandermaans, aandermans, onbepaald voornaamwoord, andermans, van een ander
andermiddags, eremiddags, aeremiddags, aanderemiddags, bijwoord, de volgende middag
andermorgens, eremorgens, aeremorgens, aanderemorgens, bijwoord, de volgende morgen
anders, eers, aers, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1. op een andere manier 2. op andere tijden 3. in andere omstandigheden, in ’t andere geval 4. om een andere reden, overigens 5. met andere eigenschappen
anders, aanders, aans, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, 1. anders 2. trouwens, tussen haakjes 3. overigens 4. indien niet 5. eigenlijk
andersdenkend, aandersdaenkend, bijvoeglijk naamwoord, 1. andersdenkend 2. niet-katholiek
andersom, aandersomme, aansomme, eersomme, aersomme, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. andersom 2. tegengesteld aan een andere situatie
anderstalig, eerstaelig, bijvoeglijk naamwoord, anderstalig
anderweeks, ereweeks, aandereweeks, bijwoord, de week erna, de volgende week
anderwege, aanderwegens, bijwoord, elders
andijvie, andievie, zelfstandig naamwoord, de; andijvie
anemoon, annemoon, annemone, zelfstandig naamwoord, de; anemoon
angel, angel, zelfstandig naamwoord, de; glans op het haar van een dier, vooral van vee
angel, angel, zelfstandig naamwoord, de 1. hengel, 2. kafnaald of uitstekend puntje anderszins bij planten 3. kern van een ettergezwel 4. steekorgaan van bijen, wespen e.d.
angelus, angelus, zelfstandig naamwoord, et; angelus: bep. gebed, angelusklokje
angelusklok, angelusklokkien, zelfstandig naamwoord, et; angelusklokje
angst, aangst, zelfstandig naamwoord, de; angst
anijs, anies, zelfstandig naamwoord, et, de; anijs
anijsdrop, aniesdrup, zelfstandig naamwoord, de, et; anijsdrop
anijszaad, anieszaod, zelfstandig naamwoord, et; anijszaad
anker, anker, zelfstandig naamwoord, et; oude wijnmaat: anker
anker, anker, zelfstandig naamwoord, et 1. scheepsanker 2. muuranker 3. uurwerkanker 4. anker van een motor
ankeren, ankeren, werkwoord, 1. aanvegen 2. terugkeren, met name van vakantie
ankerpaal, ankerpaol, zelfstandig naamwoord, de; elk der palen waaraan muurankers zijn bevestigd
ankerturf, ankerturf, zelfstandig naamwoord, de; net als een ankersteen geplaatste turf: ter versteving van het verband van de hoek van twee turfloegen om een hoop turf
ankerverband, ankerverbaand, zelfstandig naamwoord, et; verband zoals bij ankerstenen
ansichtkaart, ansichtkaorte, aansekaorte, zelfstandig naamwoord, de; ansichtkaart
antiplof, antiplof, zelfstandig naamwoord, de, et; (verz.) massieve banden
antiplofband, antiplofbaand, zelfstandig naamwoord, de; massieve band
antiquariaat, antikwariaot, zelfstandig naamwoord, et; antiquariaat
antraciet, antersiet, antresiet, zelfstandig naamwoord, de, bet. 2: et 1. antracietkool 2. antracietkleur
antwoord, aanderd, anderd, zelfstandig naamwoord, et; antwoord
apart, appat, ampat, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, apart
apartheid, appathied, zelfstandig naamwoord, de; apartheid
apartigheid, appattigheden, meervoud, vreemde trekken, kuren
apen, aepen, werkwoord, zeuren
apen-, aepe-, ape(n)-
apendril, aepedril, zelfstandig naamwoord, de; eigenwijze persoon, vooral gezegd van een meisje
apenhaar, aepehaor, zelfstandig naamwoord, et 1. haar (als) van een aap 2. fijn of bep. taai gras 3. bep. zware tabak: Javaanse jongens
apenkop, aepekop, zelfstandig naamwoord, de 1. kop van een aap 2. ondeugende jongen of meisje 3. gebruikt als scheldwoord tegen iemand wanneer men boos is
apenland, aepelaand, zelfstandig naamwoord, et; slechte, haast onbruikbare grond
apenmuts, aepemussien, zelfstandig naamwoord, et; alpinopetje
apennoot, aepeneute, zelfstandig naamwoord, de; pinda
apennotendoppen, aepeneutedoppen, werkwoord, pellen van pinda’s
apennotenknappen, aepeneuteknappen, werkwoord, met de vingers doen knappen van nog niet gepelde pinda’s
apennotenprak, aepeneuteprakke, zelfstandig naamwoord, de; pindasaus
apenpak, aepepak, zelfstandig naamwoord, et 1. merkwaardige kleding die men draagt, waarmee men zich vreemd uitdost 2. uniform van een militair
apenspul, aepespul, zelfstandig naamwoord, et; domme, dwaze vertoning
apentoer, aepetoer, zelfstandig naamwoord, de; lastige, langdurige inspanning om iets klaar te krijgen
apentuin, aepetuun, zelfstandig naamwoord, de 1. dierentuin 2. buitenverblijf van apen in een dierentuin
apostelpaard, apostelpeerden, meervoud, in per apostelpeerden; te voet
apostrof, appestrofe, zelfstandig naamwoord, de; apostrof, weglatingsteken
apotheek, apteek, appeteek, zelfstandig naamwoord, de, et; apotheek
apparaat, apperaot, zelfstandig naamwoord, et 1. toestel, i.h.b. bij machinaal melken: dat onderdeel waaraan de beker vormige elementen vastzitten die om de tepels van de koeien komen te zitten en dat verbonden is met de emmer 2. gek iemand 3. ambtelijke dienst
apparatuur, apperetuur, zelfstandig naamwoord, de; apparatuur
appartement, appattement, zelfstandig naamwoord, et; apartement
appelbloeisel, appelblujsel, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als appelblossem
appelbloesem, appelblossem, zelfstandig naamwoord, de; bloesem van de appelboom, ook verz.
appeldrank, appeldraank, zelfstandig naamwoord, de; appelcider
appelgebakje, appelgebakkien, zelfstandig naamwoord, et; stukje appelgebak
appelhof, appelhof, zelfstandig naamwoord, de; boomgaard met appelbomen bij een boerderij of woonhuis
appelhout, appelhoolt, zelfstandig naamwoord, et; hout van de appelboom
appelig, appelig, bijvoeglijk naamwoord, 1. gezegd van een mooie huid met ronde vlekken, opgevat als teken van gezond zijn 2. in je appelig vulen gezond
appelplukken, appelplokken, werkwoord, plukken van appels
appelrot, appelrot, zelfstandig naamwoord, et; het rot zijn, het bederf van een appel
Appelschaër, Appelschester, Appelscher, zelfstandig naamwoord, de; iemand uit Appelsche; ook bn.: van, m.b.t. Appelscha
Appelschamarkt, Appelschemaat, zelfstandig naamwoord, de; markt te Appelsche
appelschil, appelschelle, zelfstandig naamwoord, de; appelschil
appelschillen, appelschellen, werkwoord, schillen van een appel
appelsien, appelsientien, zelfstandig naamwoord, et 1. appelsien, sinaasappel 2. glas bep. frisdrank: met sinaasappelsmaak
appelsmokkel, appelsmokkel, zelfstandig naamwoord, de; plusfour
appelsmots, appelsmots, appelsmotse, zelfstandig naamwoord, de; appelmoes
appeltijd, appeltied, zelfstandig naamwoord, de; appeltijd
appeltje-poep-in-het-hemd, appeltsje-poep-in-’t-hemd, zelfstandig naamwoord, derde fase bij tiepelen bet. 1
appeltuin, appeltuun, zelfstandig naamwoord, de; appelboomgaard
apport, appot, pot, tussenwerpsel, breng hier, apport (tegen een hond)
apporteren, apperteren, appotteren, werkwoord, apporteren
arbeiden, arbeiden, arrebeiden, werkwoord, arbeiden
arbeidersafkomst, arbeidersofkomst, zelfstandig naamwoord, de; komaf, afkomst uit een arbeidersfamilie
arbeidersboer, arbeidersboer, zelfstandig naamwoord, de; iemand die knecht was bij een boer maar zelf ook enig vee had
arbeidersbouw, arbeidersbouwgien, zelfstandig naamwoord, et; enig bouwland, niet meer dan waarop een arbeider genoeg voor zichzelf kan verbouwen aan aardappelen, groente
arbeidershuishouding, arbeidershuusholing, zelfstandig naamwoord, de; arbeidersgezin
arbeidersjongen, arbeidersjonge, zelfstandig naamwoord, de; arbeidersjongen
arbeiderskleren, arbeiderskleren, meervoud, eenvoudige kleren: als van mensen uit de arbeidersklasse
arbeiderskoe, arbeiderskoe, zelfstandig naamwoord, de; geit
arbeiderskoekje, arbeiderskoekien, zelfstandig naamwoord, et; meelkoekje
arbeiderskoffie, arbeiderskoffie, zelfstandig naamwoord, de; opgewarmde koffie
arbeiderskost, arbeiderskost, zelfstandig naamwoord, de; eenvoudige maaltijd, eenvoudig eten (als bij een arbeider)
arbeidersleven, arbeidsleven, zelfstandig naamwoord, et; leven van hard werken
arbeiderslui, arbeiderslu, arbeidersluden, meervoud, mensen uit de arbeidersstand
arbeidersmaagd, arbeidersmaegien, zelfstandig naamwoord, et; arbeidersmeisje
arbeidersmelkkoe, arbeidersmelkkoegien, zelfstandig naamwoord, de; geit
arbeidersmens, arbeidersmeensken, arbeidersmaensken, meervoud, en var.; mensen uit de arbeidersstand
arbeidersplek, arbeidsplak, zelfstandig naamwoord, et; arbeidsplaats
arbeiderspol, arbeiderspolle, zelfstandig naamwoord, de; erg klein boerenbedrijfje
arbeidersvee, arbeidersvee, zelfstandig naamwoord, et; kippen, geiten, konijnen e.d. die men houdt
arbeidersvrouwmens, arbeidersvrommes, zelfstandig naamwoord, et; arbeidersvrouw
arbeiderswijf, arbeiderswief, zelfstandig naamwoord, et; arbeidersvrouw
arbeidster, arbeister, arbeidster, zelfstandig naamwoord, de; werkster
arbeidzaam, arbeidzem, bijvoeglijk naamwoord, arbeidzaam
archiefstuk, archiefstok, zelfstandig naamwoord, et; archiefstuk
arend, aorend, zelfstandig naamwoord, de; bekende grote roofvogel: arend
arenhark, aoreharke, zelfstandig naamwoord, de; bep. hark waarmee men de achtergebleven aren, stroresten van de akker bijeenharkte
arenharken, aoreharken, werkwoord, bijeenharken van achtergebleven korenaren op het land
arenklauw, aoreklauwe, aoreklauwer, zelfstandig naamwoord, de; bep. hark waarmee men de achtergebleven aren, stroresten van de akker bijeenharkte
arenkrabber, aorekrabber, zelfstandig naamwoord, de; bep. hark waarmee men de achtergebleven aren, stroresten van de akker bijeenharkte
arenlezen, aorelezen, werkwoord, bijeenrapen van overgebleven korenaren op het land
arenschaar, aoreschere, zelfstandig naamwoord, de; fopmiddel (gefingeerde schaar, waarvoor men kinderen, knechtjes e.d. bij wijze van grap op pad stuurde)
arentrekken, aoretrekken, werkwoord, en var.; laatste aren opharken, verzamelen van losse halmen
arentrekker, aoretrekker, zelfstandig naamwoord, de; speciale hark: houten werktuig met houten pinnen van zo’n 20 cm, dat men over de stoppels trok om de aren bij elkaar te trekken
arenzoeken, aorezuken, werkwoord, achtergebleven aren van het land zoeken
arguatie, argewaosie, aargewaosie, zelfstandig naamwoord, de; drukte, heibel
argueren, argeweren, aargeweren, werkwoord, stoeien, druk doen
argument, argement, aargement, zelfstandig naamwoord, et; argument
argumentatie, argementaosie, aargementaosie, zelfstandig naamwoord, de; argumentatie
ark, ark, arke, zelfstandig naamwoord, de 1. woonboot 2. ark van Noach
ark, ark, zelfstandig naamwoord, et 1. gereedschap, meestal van de boer, ook timmergereedschap 2. tafelbestek 3. graafwerktuig, nl. langwerpige, rechthoekige schop met lange, rechte steel
arm, aarm, zelfstandig naamwoord, de 1. arm 2. hoeveelheid die men in z’n arm kan houden 3. arm van een kruiwagen 4. armleuning 5. zwengel van een pomp, deel van de pomp waarop de zwengel steunt 6. aan een arm doen denkend, dragend element 8. hengsel van een mand e.d.
arm, aarm, bijvoeglijk naamwoord, 1 arm, niet bep. rijk, armoedig, pover 2. beklagenswaardig 3. schraal
arm-, aarm-, arme-, arm-, arm-
armbreedte, aarmbrette, zelfstandig naamwoord, de; breedte van een arm
armelijk, aarmelik, bijvoeglijk naamwoord, armelijk
armelui, aarmelu, aarmeluden, meervoud, armelui
armenakker, aarmakker, zelfstandig naamwoord, de; gedeelte van het kerkhof waar de arme mensen begraven liggen
armenbank, aarmbaank, zelfstandig naamwoord, de; kosteloze bank in de r.k. kerk
armenfonds, aarmfoons, zelfstandig naamwoord, et; armenfonds
armenhuis, aarmhuus, zelfstandig naamwoord, et 1. armhuis, armenhuis 2. armenkamer, woonhuis van de armenzorg
armenkamer, aarmkaemer, zelfstandig naamwoord, de; armenkamer: woning van de diaconie voor armen
armenraad, armraod, zelfstandig naamwoord, de; armbestuur
armensteeg, aarmstege, zelfstandig naamwoord, de; pad, weggetje waaraan armenkamers stonden
armetierig, aarmetierig, aarmtierig, bijvoeglijk naamwoord, en var.; armetierig
armholte, aarmholte, zelfstandig naamwoord, de; holte tussen bovenarm en lichaam
armleunstoel, aarmleunstoel, zelfstandig naamwoord, de; stoel met armleuningen
armoede, aarmoede, armoede, armoe, zelfstandig naamwoord, de 1. armoede 2. situatie waarin het erg tegenzit, ellendige toestand
armoededistel, armoedistel, zelfstandig naamwoord, de; lange distel in schraal of slecht onderhouden land, in land van een slechte of armoedige boer
armoedig, aarmoedig, bijvoeglijk naamwoord, 1. armoedig 2. schraal (van grond)
armoedzaaier, aarmoedzi’jer, zelfstandig naamwoord, de; armoedzaaier, iemand met erg weinig geld en goederen
armoeziekte, aarmoedziekte, zelfstandig naamwoord, de; ziekte voortkomend uit het leven in bittere armoede
armslag, aarmslag, zelfstandig naamwoord, de 1. slag met de arm, armzwaai 2. ruimte om zich flink te kunnen bewegen 3. relatieve vrijheid om iets te kunnen doen, vaak: financiële speelruimte
armsterk, aarmstark, bijvoeglijk naamwoord, en var.; zeer sterk in z’n armen
armstoel, aarmstoel, zelfstandig naamwoord, de; stoel met leuningen
armtak, aarmtakke, armtakke, zelfstandig naamwoord, de; elleboog
armvoogdij, aarmvoogdi’je, zelfstandig naamwoord, de; armvoogdij
armzalig, aarmzaolig, aarmzalig, bijvoeglijk naamwoord, 1. armzalig 2. lichamelijk: ongezond, pover
arrenslee, arreslee, arresliede, arrieslee, zelfstandig naamwoord, de; arreslee
arrensleerijden, arresleerieden, werkwoord, rijden met een arreslee
arrestant, arrestaant, zelfstandig naamwoord, de; arrestant: gearresteerde
arrestantenhok, arrestaantehokke, zelfstandig naamwoord, et; arrestantenhok
arrestatie, arrestaosie, zelfstandig naamwoord, de; arrestatie
arve, arve, zelfstandig naamwoord, de; glans van gezondheid op huid of haar
as, asse, zelfstandig naamwoord, de 1. as, spil: van een wagen enz. 2. naaf van ijzer 3. denkbeeldige lijn waarom iets draait of kan draaien 4. as in meetkundige zin
as, aske, asse, zelfstandig naamwoord, de 1. as, overblijfsel van verbrande stoffen 2. het overblijfsel na crematie
asbak, askebak, zelfstandig naamwoord, de 1. asbakje: voor as van sigaretten enz. 2. bak waarin de as in een kachel wordt opgevangen
asbakkenras, askebakkeras, zelfstandig naamwoord, et; asbakkenras
asbult, askebult, askebulte, zelfstandig naamwoord, de 1. ashoop, hoop as die men op z’n terrein heeft liggen als eigen stortplaats 2. hoop as die overblijft na een verbranding
asgat, askegat, zelfstandig naamwoord, et 1. askuil 2. asgat
asgat, asgat, zelfstandig naamwoord, et; gat in de naaf van het wiel van een wagen, waarin nl. de busse zit waarin de as sluit
asiel, asiel, zelfstandig naamwoord, et 1. asiel, toevlucht 2. dierenasiel
asielzoeker, asielzuker, zelfstandig naamwoord, de; asielzoeker
askleurig, askekleurig, bijvoeglijk naamwoord, met/van askleur
askolk, askekolk, zelfstandig naamwoord, de; askolk
asla, askelae, zelfstandig naamwoord, de; asbak in een kachel of stoof
asland, askelaand, zelfstandig naamwoord, et; land waar vuilnis naar toe werd gebracht
aspan, askepaantien, zelfstandig naamwoord, et; asbakje
aspergesteel, aspergestaele, zelfstandig naamwoord, de; aspergestengel
aspiratie, aspiraosie, zelfstandig naamwoord, de; aspiratie: verlangen
aspirine, asperiene, zelfstandig naamwoord, de; aspirine: bekend geneesmiddel
aspirine, asperientien, zelfstandig naamwoord, et; aspirientje
aspot, askepot, zelfstandig naamwoord, de; aspot: waarin as wordt verzameld
asregen, askeregen, zelfstandig naamwoord, de; asregen
asschep, askescheppe, askeschoppe, zelfstandig naamwoord, de; asschop
assessor, assessor, zelfstandig naamwoord, de; assessor: oudere benaming voor wethouder
assimilatie, assimilaosie, zelfstandig naamwoord, de; assimilatie
assistentie, assisteensie, zelfstandig naamwoord, de; assistentie: bijstand, hulp
associatie, associaosie, zelfstandig naamwoord, de; associatie: verband dat men legt
assurantie, assuraansie, zelfstandig naamwoord, de; assurantie: verzekering
astma, asma, zelfstandig naamwoord, de, et; astma
astrant, ekstraant, astraant, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. flink, stevig optredend 2. dapper 3. brutaal, vrijpostig
asvat, askevat, zelfstandig naamwoord, et; asvat
attaque, attak, zelfstandig naamwoord, de; beroerte
attermansrijf, attermaansrieuwgien, zelfstandig naamwoord, et; gezegd van iets dat bij elkaar hoort of moet horen en toch niet bij elkaar past, met name van een kopje en een schotel die niet bij elkaar passen
aurikel, auriekeltien, zelfstandig naamwoord, et; de tuinplant primula
autobandenwagen, autobanewaegen, zelfstandig naamwoord, de; boerenwagen op luchtbanden
autodijk, autodiek, zelfstandig naamwoord, de; autoweg
autokoetsier, autokoetsier, zelfstandig naamwoord, de; betaalde chauffeur van een dokter, notaris enz.
autokogel, autokoegel, zelfstandig naamwoord, de; kogel uit de kogellager van een auto
autorijschool, autorieschoele, zelfstandig naamwoord, de; autorijschool
autorisatie, autorisaosie, zelfstandig naamwoord, de; autorisatie
autoruit, autorute, zelfstandig naamwoord, de; autoruit
autoschoonmaken, autoschoonmaeken, werkwoord, schoonmaken van een auto
autosloperij, autosloperi’je, zelfstandig naamwoord, de; autosloperij
autowagen, autowaegen, zelfstandig naamwoord, de; autowagen
autowasserij, autowaskeri’je, zelfstandig naamwoord, de; autowasserij
autowiel, autoviel, autowiel, zelfstandig naamwoord, et; autowiel
avançatie, aevensaosie, aevesaosie, awwesaosie, emmesaosie, zelfstandig naamwoord, en var. de; het opschieten, het vlot aan de slag gaan
avanceerschoenen, aevenseerschoenen, aeveseerschoenen, evvenseerschoenen, awweseerschoe, in de aevenseerschoenen anhebben flink opschieten
avanceren, aevenseren, aeveseren, aemeseren, awweseren, avveseren, avvers, werkwoord, en var.; opschieten
averecht, averecht, aafrecht, afrecht, bijvoeglijk naamwoord, averecht
avond, aovend, zelfstandig naamwoord, de 1. avond, tijd tussen dag en nacht 2. tijd van een avond 3. visite die men ’s avonds aflegt 4. avondbijeenkomst anderszins, avondpartij 5. avondlucht
avondbrugge, aovendbroggien, zelfstandig naamwoord, et; broodmaaltijd ’s avonds
avonddoek, aovenddoek, zelfstandig naamwoord, de; omslagdoek
avonden, aovenden, werkwoord, avond worden
avondgordijn, aovendgedien, zelfstandig naamwoord, et; overgordijn
avondkleren, aovendkleren, zelfstandig naamwoord, de; avondkleding
avondlicht, aovendlocht, zelfstandig naamwoord, et avondlicht, licht van de avond, zoals dat ’s avonds is
avondlucht, aovendlocht, zelfstandig naamwoord, de 1. avondlucht, luchtgesteldheid van de avond 2. avondhemel
avondmaal, aovendmaol, zelfstandig naamwoord, et 1. avondmaaltijd 2. het Avondmaal
avondmens, avondmeens, aovendmeenske, zelfstandig naamwoord, et, de; avondmens
avondpraten, aovendpraoten, werkwoord, avondpraten, een avondvisite afleggen, op avondvisite gaan
avondprater, aovendpraoter, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die op avondvisite komt, die komt avondpraten 2. dik stuk hout in de kachel 3. hoop uitwerpselen
avondpraterij, aovendpraoteri’je, zelfstandig naamwoord, de; avondpraat, het avondpraten
avondschemer, aovendschiemer, zelfstandig naamwoord, en var. de; avondschemer
avondschool, aovendschoele, zelfstandig naamwoord, de; avondschool
avondster, aovendsteern, zelfstandig naamwoord, de; avondster
avondvierdaagse, aovendvierdaegse, zelfstandig naamwoord, de; avondvierdaagse
avondvlucht, aovendvlocht, zelfstandig naamwoord, de; avondvlucht
avondzon, aovendzunne, zelfstandig naamwoord, de; avondzon
avonturen, aeventuren, aoventuren, avventuren, evventuren, werkwoord, avonturen: riskeren
avontuur, aeventuur, avventuur, evventuur, aoventuur, zelfstandig naamwoord, en var. et 1. ongewone belevenis, geheel aan spannende gebeurtenissen 2. risicovolle onderneming 3. fortuin, geluk 4. kans, in bep. verb.: op ’t aeventuur e.d.: op goed geluk, met een risico dat het niet goed komt/zit
avontuurlijk, aeventuurlik, bijvoeglijk naamwoord, avontuurlijk
azalea, asalia, zelfstandig naamwoord, de; azalea
azen, aozen, werkwoord, azen: stevig verlangen naar, uitkijken naar
baadje, baaitsje, baitsje, zelfstandig naamwoord, et; borstrok voor mannen
baai, baai, zelfstandig naamwoord, de; zeearm
baai, baoi, baai, zelfstandig naamwoord, et; bep. kledingstof: baai
baaien, baoien, baaien, bijvoeglijk naamwoord, baaien, van de kledingstof baai
Baak, Baoke, zelfstandig naamwoord, de 1. mansnaam 2. schertsende aanduiding van een haan
baal, baol, baal, zelfstandig naamwoord, de 1. baal, nl. bep. grote zak van jute etc. met koopwaar 2. de hoeveelheid die in die zak gaat
baalzak, baolzak, zelfstandig naamwoord, de; baalzak
baan, baene, baentien, zelfstandig naamwoord, de 1. aangelegde weg, bijv. in De baene is vri’j ga je gang, niemand zal je tegenhouden, op ’e lange baene zodat het niet gebeurt, of althans in de nabije toekomst niet 2. loop, gang die iets volgt, neemt 3. glad of schoon vlak over ijs, sneeuw waarover men zich begeeft 4. wedstrijdbaan bij schaatsen 5. ijsbaan 6. hetz. als moonsterbaene 7. wedstrijdbaan, baan (die men aflegt) bij sport anderszins 8. afstand van één baan bij sport of spel 9. lange strook stof, lange strook materiaal 10. elk der stroken stof waaruit bep. rokken zijn samengesteld, vandaar dat men spreekt van vier-, zes- en zelfs achtbaensrokken 11. betrekking, baantje
baanbuigen, baenebugen, werkwoord, ijs op sloten enz. uitproberen
baanderen, baanderen, werkwoord, 1. met stevige pas lopen 2. zie banen
baanderhoek, baanderhoeke, baanzerhoeke, zelfstandig naamwoord, de; ruimte voor de grote schuurdeuren van een boerderij
baanderkant, baanderkaante, zelfstandig naamwoord, de; kant van het huis waar de kleine baanders zich bevinden
baanderkozijn, baanderkezien, zelfstandig naamwoord, et; deurkozijn van een baander
baanderopening, baandereupening, zelfstandig naamwoord, de; deuropening van de baander
baanderpaal, baanderpaol, baanzerdeurepaol, zelfstandig naamwoord, de; paal waartegen men de bansdeuren aan de binnenkant sluit
baanderree, baanderreed, baanzerreed, zelfstandig naamwoord, de; oprit naar de grote schuurdeuren van een boerderij
baanderstiep, baanderstiepe, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als stiepe bet. 1
baanderstijl, baanderstiele, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als stiele, bet. 3
baanderverven, baandervarven, werkwoord, verven, schilderen van de grote en/of kleine schuurdeuren
baanmaken, baenemaeken, werkwoord, zich een weg banen door de menigte, door (een groep) mensen heen
baanstuk, baenstok, zelfstandig naamwoord, et; baanstuk
baantjeglijden, baentienglieden, werkwoord, glijden op een baantje van sneeuw of evt. ijs: als spelletje
baantjerijden, baentienrieden, werkwoord, baantjerijden
baantjesman, baentiesman, zelfstandig naamwoord, de; ambtenaar
baanvak, baenevak, zelfstandig naamwoord, et; baanvak
baanveger, baeneveger, zelfstandig naamwoord, de; iemand die door met een grote bezem te vegen de ijsbaan schoonhoudt van sneeuw en slijtsel van ijs
baanwachtershuis, baenewaachtershusien, zelfstandig naamwoord, et; baanwachtershuisje
baar, baore, baor, bore, zelfstandig naamwoord, de; draagbaar, meestal lijkbaar
baar, baor, bar, boor, bore, bijvoeglijk naamwoord, 1. geheel en al, alleen maar, bijv. in de baore zunne, Ie zitten daor boor op ’e ruumte 2. contant
baard, baord, zelfstandig naamwoord, de 1. baard (aan de kin bij mannen) 2. baard van bep. dieren 3. tros waarin bijen gaan zitten, vooral ’s winters 4. braam aan de snede van messen, zeisen enz. 5. sleutelbaard, achterste deel van de sleutel dat draait in het slot 6. snede van een bijl
baardaap, baordaep, zelfstandig naamwoord, de 1. baardaap, scheldnaam voor iemand met een forse baard 2. bep. soort aap: baardaap
baardbrander, baordbraander, zelfstandig naamwoord, de; baardbrandertje, korte pijp, hetz. als neuzewaarmer, baordwaarmer
baarden, baorden, werkwoord, in een tros gaan zitten van bijen
baardgroei, baordgruui, zelfstandig naamwoord, de; baardgroei
baardhaar, baordhaor, zelfstandig naamwoord, het; het geheel aan haar van een baard
baardhaar, baordhaor, zelfstandig naamwoord, de; elk der haren van een baard
baardmaken, baordmaeken, werkwoord, in een tros gaan zitten van bijen
baardman, baordman, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die een (flinke) baard draagt 2. (verkl.) bep. vogel: baardmannetje 3. (verkl.) koolmees
baardschrabber, baordschrabber, zelfstandig naamwoord, de; barbier
baardschurft, baordschurft, zelfstandig naamwoord, de; baardschurft
baardstoppel, baordstoppel, zelfstandig naamwoord, de; baardstoppel
baardwarmer, baordwaarmer, zelfstandig naamwoord, de; kort pijpje, hetz. als neuzewaarmer en baordbraander
baardworm, baordworm, zelfstandig naamwoord, de; baardschurft
baarhok, baorehokkien, baorhokkien, zelfstandig naamwoord, et; baarhuisje, vroeger vaak tevens lijkhuisje
baarhuis, baorehusien, baorhusien, zelfstandig naamwoord, et; baarhuisje, vroeger vaak tevens lijkhuisje
baarmoeder, baormoeder, baormoeder-, zelfstandig naamwoord, de; baarmoeder(-)
baars, baors, baos, zelfstandig naamwoord, de; baars, bep. riviervis
baarshaak, baorshaokien, zelfstandig naamwoord, et; vishaakje voor baars
baas, baos, zelfstandig naamwoord, de 1. man als hoofd van het gezin, ook wel, soms meer, soms minder schertsend gezegd van de vrouw des huizes, in het bijzonder door haar man 2. manspersoon of evt. jongen, ook als aanspreekvorm 3. eigenaar, in relatie tot een huisdier 4. degene die het gezag heeft, die alles mag bepalen, die het voor het zeggen heeft 5. degene die de leiding heeft in een bedrijf, op een bep. afdeling, bij werk dat wordt uitgevoerd, ook: eigenaar van een bedrijf, zaak 6. timmerbaas 7. iemand die heel wat kan, die heel wat voorstelt, ook wel in geval van bep. dieren gezegd 8. groot en/of sterk exemplaar, dier
baasknecht, baosknecht, zelfstandig naamwoord, de; de eerste, dus belangrijkste knecht bij een boer of timmerman
baasspelen, baosspeulen, werkwoord, de baas spelen, steeds z’n wil opleggen
baasspeler, baosspeuler, baosspeulder, zelfstandig naamwoord, de; heerserig iemand, potentaat
baat, baot, zelfstandig naamwoord, de 1. nut, voordeel 2. medisch voordeel, lichamelijke verbetering 3. inkomsten, winst, opbrengst
babbelen, babbelen, werkwoord, babbelen: keuvelen
babbelguigjes, babbelegoegies, babbeldegoegies, babbelgoegies, babbelegoesie, bab, meervoud, 1. fratsen, ondeugende streken 2. bedriegelijke praatjes, uitvluchten, tegenwerkingen 3. drukte, extra werk, bijv. Maek d’r mar niet te vule babbelegoegies van
babbelkont, babbelkonte, zelfstandig naamwoord, de; babbelkous
babbelmuts, babbelmusse, babbelmuts, praatziek iemand
Babel, Baobel, zelfstandig naamwoord, et; Babel
bacil, baksil, zelfstandig naamwoord, de; bacil
badderen, badderen, werkwoord, 1. in bad gaan, plassend, spetterend zich in het water bevinden 2. op vergelijkbare wijze in het zand bezig zijn 3. wadend gaan
badding, batting, zelfstandig naamwoord, de 1. badding, batting, lange, dikke plank, balk 2. stalhout, plank waar de koeien met de achterpoten op staan in de stal
baddoek, baddoek, zelfstandig naamwoord, de; badhanddoek
baden, baaien, werkwoord, 1. wadend gaan, baggeren 2. smerig maken door met modder aan z’n laarzen enz. eroverheen te lopen
badhanddoek, badhaanddoek, zelfstandig naamwoord, de; badhanddoek
badjuffer, badjuffer, zelfstandig naamwoord, de; badjuffrouw
badkamer, badkaemer, zelfstandig naamwoord, de; badkamer
badkuip, badkupe, zelfstandig naamwoord, de; badkuip
badlaken, badlaeken, zelfstandig naamwoord, et; badlaken
badmuts, badmusse, zelfstandig naamwoord, de; badmuts
badplaats, badplaets, zelfstandig naamwoord, de; badplaats (aan zee)
badplek, badplak, zelfstandig naamwoord, de; badplaats (aan zee)
badschoen, badschoe, zelfstandig naamwoord, de; badschoen
badschuim, badschoem, zelfstandig naamwoord, et; badschuim
badspons, badspoonze, zelfstandig naamwoord, de; badspons
badtas, badtasse, zelfstandig naamwoord, de; badtas
badwater, badwaeter, zelfstandig naamwoord, et; water waarin men zich geheel wast (in een teil, kuip)
badzeep, badziepe, zelfstandig naamwoord, de; badzeep
bafferd, bafferd, zelfstandig naamwoord, de 1. grote, grofgebouwde man 2. lompe, hondse vent 3. harde klap die men uitdeelt
bagage, begage, begasie, begaosje, zelfstandig naamwoord, de; bagage (lett.), reisgoed
bagagedrager, begagedreger, zelfstandig naamwoord, en var. de; bagagedrager
bagagekar, begagekarre, zelfstandig naamwoord, de; bagage-aanhanger
bagageruimte, begageruumte, zelfstandig naamwoord, de; bagageruimte
bagger, bagger, baggerd, zelfstandig naamwoord, de 1. modder, slijk 2. veenspecie
bagger, baggel, bagel, zelfstandig naamwoord, de 1. veenspecie 2. baggelturf
baggeraar, baggeler, zelfstandig naamwoord, de; baggelaarsturf
baggerbak, baggelbak, baggerbak, zelfstandig naamwoord, de; houten bak waarin veenspecie wordt gemaakt, waarin het veen wordt fijngemaakt en gemengd
baggerbord, baggelbod, zelfstandig naamwoord, et; elk der plankjes die een turfmaker onder z’n voeten heeft bij het plattrappen van de veenspecie
baggeren, baggeren, werkwoord, 1. baggelen 2. dreunend lopen
baggeren, baggelen, baggeren, werkwoord, 1. wadend gaan door modder enz. 2. in de veenderij: veen spitten of naar boven halen en in de baggelbak met water fijn maken, mengen en verder bereiden
baggerjut, baggeljutte, zelfstandig naamwoord, de; schop voor veenspecie, hetz. als jutte
baggerlaars, baggelleerze, baggerleerze, zelfstandig naamwoord, de 1. baggerlaars 2. grote, smerige laars
baggerlui, baggelluden, baggellu, meervoud, hetz. als baggelmannen
baggermachine, baggelmesiene, zelfstandig naamwoord, de; baggermachine
baggerman, baggelman, zelfstandig naamwoord, de; baggerman, veenarbeider die de turfspecie bijeenbrengt, bewerkt en tot een laag brengt, zodanig dat de turfmaeker tot verdere bewerking over kan gaan
baggerput, baggelpette, zelfstandig naamwoord, de; veenput, hetz. als venepette
baggerturf, baggelturf, baggelerturf, baggerturf, zelfstandig naamwoord, de; baggelaarsturf
baggerwerk, baggelwark, zelfstandig naamwoord, et; het baggelen in bet. 2
bak, bakke, bak, zelfstandig naamwoord, de; beschuit
bak, bak, zelfstandig naamwoord, de 1. bak om in te bergen, te bewaren, te vervoeren 2. regenbak 3. waterbak 4. turfbak 5. baggerbak, mengbak in de veenderij 6. kistje van een marskramer, bijv. mit et bakkien lopen 7. kweekbak e.d. 8. wagenbak 9. mestbak 10. grote auto 11. zijspanbak 12. baggerbak, mengbak in de veenderij 13. voederbak, trog e.d. 14. gevangenis, nor 15. orkestbak 16. (vaak verkl.) kop koffie of thee 17. versnellingsbak 18. mop, poets 19. grote hoeveelheid regen 20. in van de bak naor ’t gemak van de gedekte tafel naar de wc, zo ook: van de bak naor de kak 21. in an de bak kommen (kunnen) aan werk (kunnen) komen 22. in een volle bak gezegd van heel veel mensen bijeen in een zaal, in de trein, in een autobus enz.; bakkien, et 1. kleine bak in div. bet. 2. ouderwets radiotoestel 3. bep. zendapparatuur voor radioamateurs 4. bakje van een zweefmolen
bakaker, bakaeker, baksaeker, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als putaeker
bakbeest, bakbeest, bakbiest, zelfstandig naamwoord, et; groot, zwaar, lomp exemplaar
bakbokking, bakbokken, zelfstandig naamwoord, de; gebakken haring
bakboordkant, bakboordkaante, zelfstandig naamwoord, de; bakboordzijde
bakbrugge, bakkebrogge, zelfstandig naamwoord, de; snee roggebrood met kaas en beschuit
bakemmer, bakemmer, baksemmer, zelfstandig naamwoord, de; emmertje waarmee water uit de regenbak werd geput, putemmer
baken, baoke, baoken, bake, baeken, baken, zelfstandig naamwoord, de 1. oude lap, een kussensloop of een stuk laken e.d., meestal aan een paal of stok, bijv. tegen het dak aan gezet of erop gelegd, uit het raam gehangen enz., als teken om thuis te komen voor degene die ver van huis aan het werk was; meestal als teken dat men moest komen om te eten 2. teken met een speciale boodschap anderszins 3. paal of lat in de grond waarop men zich richt bij het kunstmeststrooien, zaaien 4. idem bij het uitzetten van een sloot, sleuf enz. 5. afbakeningselement tussen bep. percelen, bep. terrein 6. teken ter afbakening van het vaarwater 7. herkenningsteken of -punt waarop men zich kan oriënteren anders dan in de vorige bet.
bakgat, baksgat, zelfstandig naamwoord, et; gat waaruit de baggelbak is getrokken
bakgoot, bakgeute, zelfstandig naamwoord, de; bakgoot (goot met zinken platen erin aan een huis)
bakjesman, bakkiesman, zelfstandig naamwoord, de; venter die met kleine handelswaar langs de huizen ging (meestal in een bak)
bakjessjouwer, bakkiessjouwer, zelfstandig naamwoord, de; venter die met kleine handelswaar langs de huizen ging (meestal in een bak)
bakjesvrouw, bakkiesvrouw, zelfstandig naamwoord, de; vrouwelijke venter met kleine handelswaar (langs de huizen gaand)
bakkebaard, bakkebaord, zelfstandig naamwoord, de; bakkebaard
bakkeleien, bakkeleinen, werkwoord, ruziën
bakken, bakken, werkwoord, 1. bakken 2. stevig vriezen 3. intensief liggen zonnebaden 4. zakken: voor een tentamen, een examen
bakkenbrij, bakkebri’j, bakkenbri’j, zelfstandig naamwoord, de; beschuitpap, pap van melk met beschuit
bakkenkerel, bakkenkerel, zelfstandig naamwoord, de; venter die met kleine handelswaar langs de huizen ging (meestal in een bak)
bakkenkoopman, bakkenkoopman, zelfstandig naamwoord, de; venter die met kleine handelswaar langs de huizen ging (meestal in een bak)
bakkenloper, bakkenloper, bakkienloper, zelfstandig naamwoord, de; venter die met kleine handelswaar langs de huizen ging (meestal in een bak)
bakkentrom, bakketromme, bakketrommel, zelfstandig naamwoord, de; blikken trommel voor het bewaren van beschuit
bakkenverteller, bakkeverteller, zelfstandig naamwoord, de; moppentapper
bakkeraan, bakker-an, ook wel bakkeran, in bakkeran wezen 1. failliet 2. vrij van schuld 3. doodmoe 4. welletjes, gezegd om aan te geven dat iets nu moet ophouden, bijv. Now is ’t bakkeran
bakkerig, bakkerig, bijvoeglijk naamwoord, goed willende plakken, geneigd tot kleven (van sneeuw)
bakkerij, bakkeri’je, zelfstandig naamwoord, de 1. werkplaats van de bakker 2. bakkersbedrijf, bakkerswinkel incl. bakkerswerkplaats 3. het bakken
bakkerin, bakkerinne, zelfstandig naamwoord, de; bakkerin
bakkersbedrijf, bakkersbedrief, zelfstandig naamwoord, et; bakkersbedrijf
bakkersgilde, bakkersgilde, zelfstandig naamwoord, et 1. groep bakkers die zich heeft verenigd 2. bakkersgilde in historische zin
bakkerskar, bakkerskarre, zelfstandig naamwoord, de; bakkerskar
bakkerskorf, bakkerskörf, zelfstandig naamwoord, de; bakkersmand
bakkersmuts, bakkersmusse, zelfstandig naamwoord, de; bakkersmuts
bakkersoven, bakkersovend, bakkersoven, zelfstandig naamwoord, de; oven van een bakker
bakkerstrog, bakkerstrogge, zelfstandig naamwoord, de; bakkerstrog
bakkersverdriet, bakkersverdriet, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als beschutebri’j
bakkerswagen, bakkerswaegen, zelfstandig naamwoord, de; bep. wagen waarop een bakker zijn waren vervoerde
bakkerszaak, bakkerszaeke, zelfstandig naamwoord, de; bakkerszaak
bakkes, bakkes, zelfstandig naamwoord, de; mond
Bakkeveen, Bakkevene, Bakkeveen, zelfstandig naamwoord, et; plaatsnaam: Bakkeveen
bakkrui, bakkroje, zelfstandig naamwoord, de; kruiwagen met laadbak
bakkruimel, bakkekrummel, zelfstandig naamwoord, de; kruimel van beschuit
baklik, baklik, zelfstandig naamwoord, de; in pepieren baklik, geflngeerd instrument voor het halen waarvan kinderen, beginnende knechtjes e.d. naar de bakker werden gestuurd (om ze te foppen)
baklucht, baklocht, zelfstandig naamwoord, de; baklucht
bakmeel, bakmael, zelfstandig naamwoord, et; bakmeel
bakolie, bakeulie, zelfstandig naamwoord, de; olie waarin men bakt
bakoven, bakovend, zelfstandig naamwoord, de; bakoven
bakplaat, bakplaete, zelfstandig naamwoord, de; bakplaat
baksteen, bakstien, zelfstandig naamwoord, de 1. baksteen 2. steen die door bakken is gemaakt
baksteenfabriek, bakstienfebriek, zelfstandig naamwoord, de; baksteenfabriek
baksteenformaat, bakstienfermaot, zelfstandig naamwoord, et; baksteenformaat
bakstenen, bakstienen, bijvoeglijk naamwoord, van baksteen
bakzeiltrekken, bakzeiltrekken, werkwoord, bakzeilhalen (fig.), zich inhouden, een toontje lager zingen
bal, balle, zelfstandig naamwoord, de 1. bal (bij diverse spelen) 2. kerstboombal 3. balvormige bloem, vrucht 4. balvormige versiering op een muts 5. gehaktbal 6. sneeuwbal 7. samengepakte of samenhangende massa anderszins 8. balvormige figuur waarin bijen soms vliegen 9. vuurbal 10. balvormig deel van een bep. lamp 11. teelbal 12. ronding, uitstulping onder aan de voet van een paard 13. flinke ronding onder klompen, bestaande uit daartegen vastgeplakte en samengepakte sneeuw 14. bal van de voet of hand 15. het tegen de bal van de voet sluitende deel van sokken, kousen (van iemand die veel loopt) 16. zak met hooi of balvormig lichaam anderszins aan een laweie
balans, belaans, balaans, zelfstandig naamwoord, de 1. bep. weegwerktuig: balans 2. in in/uut belaans in/uit balans, in/uit z’n evenwicht 3. in de belaans opmaeken de balans opmaken
balansploeg, belaansploeg, balaansploeg, zelfstandig naamwoord, de; balansploeg
balastore, ballestore, zelfstandig naamwoord, de; balastore, papieren voorloper (met horizontale vouwen) van het plisségordijn
baldadig, baldaodig, boldaodig, baldadig, bijvoeglijk naamwoord, steeds geneigd om op wilde of uitgelaten wijze verboden dingen te doen
baldadigheid, baldaodighied, zelfstandig naamwoord, de; baldadigheid
balderen, balderen, belderen, bulderen, bolderen, werkwoord, 1. (van korhoenders) harde geluiden maken en dansen (behorend bij de paartijd) 2. lawaaierig bezig zijn, rumoer maken, vooral: door te stoeien 3. zie bulderen
baldersteen, balderstienen, meervoud, keien waarover men reed, zodat een bulderend geluid ontstond
baldiezen, baldiksen, baldiksten, boldiksen, baldiezen, boldiezen, werkwoord, 1. lawaaierig, heen en weer rennend stoeien en op beweeglijke wijze druk zijn van kinderen, ook van koeien gezegd 2. luidruchtig, lawaaierig zijn, tekeergaan, ook van ouderen 3. door aldus te keer te gaan vernielen, bijv. …dat ze de boel kepot baldiksen
baldiezerig, baldiezerig, bijvoeglijk naamwoord, (van het weer) onrustig, onvast
baldiezig, baldiezig, bijvoeglijk naamwoord, gezegd van heen en weer rennende kinderen, lawaaierig en ruw spelende kinderen
balein, belein, blein, bleine, balein, zelfstandig naamwoord, de; balein: in korset of paraplu
balflint, balflinte, zelfstandig naamwoord, de; zwerfkei, veldkei
balg, balge, balg, zelfstandig naamwoord, de 1. blaasbalg van een smid 2. balg van een harmonica
balg, beerlig, beerlag, beurlig, balg, zelfstandig naamwoord, de; (vaak ruw) lijf, lichaam
balgen, beerligen, beerlaggen, werkwoord, arbeid verrichten waarbij de volle kracht van het lichaam nodig is
balhoofd, balheufd, zelfstandig naamwoord, et; draaibaar voorstel van een ouderwetse boerenwagen
balie, balie, zelfstandig naamwoord, de 1. balie, toonbank waar het publiek wordt geholpen 2. kuip, tobbe
baliemedewerker, baliemitwarker, zelfstandig naamwoord, de; baliemedewerker
balk, balke, baalke, zelfstandig naamwoord, de 1. balk 2. (mv.) holle zolder boven stal, nl. met losse planken en vaak met strobedekking, hilde, ook wel uit palen bestaand 3. notenbalk; balkien ,et 1. kleine balk 2. hetz. als steunhoolt
balken, balken, bulken, werkwoord, 1. aanhoudend hard loeien van koeien, ook van ezels en reeën 2. hard roepen, schreeuwen, luidkeels zingen 3. hard huilen 4. in Et is balkt gezegd wanneer het nog stevig vriest
balkenbrij, balkenbri’j, zelfstandig naamwoord, de; verzamelnaam voor bep. pap, die vooral gemaakt werd na de slacht (de benaming is ook bekend uit bep. Nedersaksische gebieden elders)
balkenhout, balkehoolt, zelfstandig naamwoord, et; balkhout: hout dat balken oplevert of daarvoor geschikt is
balkenschaar, balkeschere, zelfstandig naamwoord, de; fopmiddel, gefingeerd type schaar voor het halen waarvan men bij wijze van grap kinderen of onnozelen op pad stuurde, knechten ‘uitprobeerde’
balkenzolder, balkenzoolder, zelfstandig naamwoord, de; stalzolder die geheel of grotendeels uit balken en/of palen bestond
balker, balkerd, balker, bulkerd, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die veel en hard schreeuwt of huilt 2. iemand die erg luid zingt 3. hard loeiende koe
balkgooien, balkgooien, werkwoord, werpen van de garven naar de voorraadzolder (veelal boven de potstal)
balkhaas, balkhaeze, zelfstandig naamwoord, de; (schertsend) kat
balkhout, balkhoolt, zelfstandig naamwoord, et; (ook verz.) elk der balken, elk der veelal ronde zelfgemaakte palen die met elkaar de zolder van een stal vormen
balklaag, balklaoge, zelfstandig naamwoord, de; laag garven (of evt. hooi) die als eerste op de voorraadzolder van balken wordt gelegd
balklassen, balkelassen, werkwoord, aan elkaar zetten van twee (delen van) balken door middel van een speciale verbinding
balkleggen, balkleggen, balkeleggen, werkwoord, garven als eerste laag op een voorraadzolder (en dan vooral in de hoeken van het schuin aflopende dak) leggen
balklegger, balklegger, balkelegger, zelfstandig naamwoord, de; degene die de garven legt op zolder
balkmaaier, balkmi’jer, zelfstandig naamwoord, de; slechte maaier (die door het niet goed gebruiken van de zeis a.h.w. balken liet staan)
balknoot, balknote, zelfstandig naamwoord, de; muzieknoot op een notenbalk
balksjouwen, balkesjouwen, werkwoord, balken verplaatsen door ze te dragen
ballap, ballappen, meervoud, lapjes leer onder klompen gespijkerd
ballast, ballast, ballaster, zelfstandig naamwoord, de 1. grote houten schop met opstaande randen: voor zand, grint, kolen, kalk, graan enz. 2. ballast van een luchtballon e.d. 3. scheepsballast 4. dat wat men als nutteloos ervaart (en dus weg kan)
ballastschop, ballastschoppe, ballastscheppe, zelfstandig naamwoord, de; ballastschop, grote houten schop voor o.m. kolen, graan
ballen, ballen, werkwoord, 1. tot een bal worden of vormen 2. met een bal spelen, vooral: overgooien 4. neerstrijken van een zwerm bijen
ballenjongen, ballejonge, zelfstandig naamwoord, de; ballenjongen
ballennet, ballenet, zelfstandig naamwoord, et 1. net om ballen in te bewaren 2. balnet (bij tennis)
ballentrekker, balletrekker, zelfstandig naamwoord, de; degene die bij het begin of eind van de werkdag een mand of bal van de laweie omhoogtrok
balletje, ballegies, meervoud, 1. mv. van ballegien, zie ook balle 2. strookje vitrage op ongeveer tweederde van de hoogte van het raam
balletjesrand, ballegiesraand, de; strookje vitrage op ongeveer tweederde van de hoogte van het raam
balletschoen, balletschoe, zelfstandig naamwoord, de; balletschoen
balletschool, balletschoele, zelfstandig naamwoord, de; balletschool
ballon, belon, ballon, blon, zelfstandig naamwoord, de 1. luchtballon 2. lampballon 3. bol van een gloeilamp e.d. 4. zeer bekend, door opblazen balvormig enz. uitdijend feestartikel
ballonkorf, belonkörf, ballonkörf, zelfstandig naamwoord, de; ballonmand
ballonnenwedstrijd, belonnewedstried, ballonnewedstried, zelfstandig naamwoord, de 1. wedstrijd waarbij het erom gaat wiens ballon het verst wordt teruggevonden 2. wedstrijd tussen ballonvaarders
ballonreis, belonreize, ballonreize, zelfstandig naamwoord, de; ballonreis
ballonvaarder, belonveerder, ballonveerder, zelfstandig naamwoord, de; ballonvaarder
ballonvaart, belonveert, ballonveert, zelfstandig naamwoord, de; ballonvaart
balmoralletje, balmerallegien, zelfstandig naamwoord, et; bep. snoepje
balopgooien, balle-opgooien, werkwoord, op-, omhooggooien van een bal
balorig, balorig, bijvoeglijk naamwoord, wild, steeds geneigd tot stoeien, rennen
balpen, balpenne, zelfstandig naamwoord, de; balpen, ballpoint
balpoot, balpote, balpoot, zelfstandig naamwoord, de; balpoot van een kast, tafel
balpunt, balpunt, zelfstandig naamwoord, de; balpen, ballpoint
balschoen, balschoe, zelfstandig naamwoord, de; balschoen, dansschoen
balsem, balsem, zelfstandig naamwoord, de 1. balsemolie 2. wat vetachtig is gelijk balsemolie 3. hondsdraf 4. in wilde balsem akkermunt
balsemolie, balsemeulie, zelfstandig naamwoord, de; balsemolie
balsemstruik, balsemstruke, zelfstandig naamwoord, de; balsemstruik
balsteen, balstien, balderstien, zelfstandig naamwoord, de; zwerfkei, veldkei, balsteen, o.m. gebruikt als markering van een pad naar een huis, naar een oprit, etc.; meestal alleen van niet zo grote zwerfkeien gezegd
balstenen, balstienen, bijvoeglijk naamwoord, van zwerfkeien, balstenen
balstenenmuur, balstiendermure, balstienemure, zelfstandig naamwoord, de; muur van keistenen, balstenen
balstenenstraat, balstienderstraote, balstienestraote, zelfstandig naamwoord, de; straat van keistenen, balstenen
balsturig, balsturig, bolsturig, bijvoeglijk naamwoord, wild, onstuimig en niet geneigd te gehoorzamen, tot rust te komen, balorig
baltsplek, baltsplak, zelfstandig naamwoord, et, de; plaats waar de balts (van het korhoen) plaatsvindt
baltsvlucht, baltsvlocht, zelfstandig naamwoord, de; baltsvlucht
balvast, balvaaste, bijvoeglijk naamwoord, balvast
bamboegordijn, bamboegedien, zelfstandig naamwoord, et; bamboegordijn
bamboeladder, bamboeledder, zelfstandig naamwoord, de; bamboeladder
bamboelat, bamboelatte, zelfstandig naamwoord, de; bamboelat
bamischijf, bamischieve, zelfstandig naamwoord, de; bamischijf
ban-de-bommer, ban-de-bommer, zelfstandig naamwoord, de; (atoom)pacifist
banaan, benaan, zelfstandig naamwoord, de; banaan
bananenijs, benane-ies, zelfstandig naamwoord, et; bananenijs
bananenschil, benaneschelle, zelfstandig naamwoord, de; bananenschil
band, baand, zelfstandig naamwoord, et 1. smal, langwerpig weefsel van katoen, linnen enz. 2. bandstro, stro om bossen rogge, haver enz. te binden
band, baand, zelfstandig naamwoord, de 1. band: om mee vast te maken, te verstevigen, te verwarmen, om bijeen te houden, om mee te binden 2. dat wat iemands bewegingsvrijheid beperkt 3. gevoelsband met iets of iemand 4. band ter versiering of als merkteken omiets aangebracht 5. broeksband 6. band om het wiel van een voertuig 7. boekband 8. boekdeel 9. hetz. als stoelhaokbaand 10. elk der horizontale planken in een laandhekke 11. zichtbare spier even boven het begin van de staart aan weerskanten van het staartbeen van een koe; die spier ontspant zich voor het kalven 12. binnenrand van een biljarttafel 13. bandvormige figuur ontstaan door bep. lichtval 14. frequentieband 15. videoband of filmband 16. doorlopende transportband met producten waaraan men werkt
bandeloos, baandeloos, baneloos, bijvoeglijk naamwoord, (van koeien) bandeloos, zonder banden
bandeloze, baandeloze, baneloze, zelfstandig naamwoord, de; lett. koe zonder banden, gezegd van een koe die maar niet drachtig wordt en dus steeds weer gedekt moet worden
banden, bane-, banden-, zie ook baande-
banden lappen, banelappen, werkwoord, banden plakken
banden plakken, baneplakken, werkwoord, banden plakken
banden pompen, banepompen, werkwoord, oppompen van banden, vooral m.b.t. fietsbanden
bandenbroek, banebroek, zelfstandig naamwoord, de; bep. type klepbroek voor vrouwen
bandeneg, bane-eide, zelfstandig naamwoord, de; eg van banden die voor wagens, auto’s zijn bestemd en die in de lengterichting zijn gesplitst, waarbij het aldus verkregen scherpe vlak de eggende werking heeft
bandenfabriek, banefebriek, zelfstandig naamwoord, de; bandenfabriek
bandenlapperij, banelapperi’je, zelfstandig naamwoord, de 1. het plakken van fietsbanden e.d. 2. gereedschap om fietsbanden mee te plakken
bandenplakspul, baneplakspul, zelfstandig naamwoord, et; bandenplak
bandenschort, baneschölk, baandschölk, baandschulk, zelfstandig naamwoord, en var. de; schort (voor een vrouw) die alleen voor de schoot langs gaat terwijl de stof naar achteren doorloopt, i.t.t. een halve schölk die geen zijkanten heeft; hetz. als middelschölk
bandensleep, banesleep, zelfstandig naamwoord, de; soort sleepbord van halve banden
bandensnijder, banesnieder, zelfstandig naamwoord, de; insteker, die nl. de banden van stro om de garven stuk sneed, omdat het stro los in de dorsmachine moest
bandenwagen, banewaegen, zelfstandig naamwoord, de; grote boerenwagen op luchtbanden, autowagen
bandenwipper, banewipper, zelfstandig naamwoord, de; bandenwipper
bandgarde, baandgarre, baandgadde, zelfstandig naamwoord, de; elk der lange, dunne twijgen over het stro van een dak, nl. om dat daar aan vast te binden
bandig, baandig, banig, bandig, bannig, bijvoeglijk naamwoord, bandig, erg druk bezet, heel veel bezig: zodat men altijd gebonden is; een baandig leven een zwaar leven
bandijzer, baandiezer, zelfstandig naamwoord, et; bandijzer
bandopname, baandopnaeme, zelfstandig naamwoord, de; bandopname
bandopnemer, baandopnemer, zelfstandig naamwoord, de; bandrecorder
bandoppompen, baandoppompen, werkwoord, oppompen van banden, hetz. als banepompen
bandplooi, baandplooie, zelfstandig naamwoord, de; bandplooi (in een heupband)
bandrecorder, baandrekorder, bandrekorder, zelfstandig naamwoord, de; bandrecorder
bandrekel, baandrekel, zelfstandig naamwoord, de; ondeugend kind, ondeugende jongen die heel wat durft uit te halen
bandrem, baandrem, baandremme, zelfstandig naamwoord, de; bandrem: rem op de band van een fiets
bandspijker, baandspieker, zelfstandig naamwoord, de; spijker in een metalen scharnier
banen, banen, baanderen, werkwoord, eruit sturen, wegbonjouren
banenkrant, baenekraante, zelfstandig naamwoord, de; banenkrant
banenplan, baeneplan, zelfstandig naamwoord, et; banenplan
bang, bange, baange, bijvoeglijk naamwoord, 1. bang, bevreesd 2. bezorgd 3. beschroomd
bangmakerij, bangemaekeri’je, zelfstandig naamwoord, de; bangmakerij
bangschijter, bangeschieter, bangeschieterd, bangescheet, bangeschijter, zelfstandig naamwoord, de; enorme bangerik
banjer, banjer, banjerd, zelfstandig naamwoord, de; grote, zwaargebouwde kerel
banjeren, banjeren, werkwoord, banjeren: met grote, enigszins zware stappen lopen
bank, baank, baanke, zelfstandig naamwoord, de 1. bank: bekend zitmeubel 2. kerkbank 3. schoolbank 4. werkbank, draaibanke.d. 5. bep. eenheid op een veenakker: vier meter lang (of tot zes meter) en met de breedte van de lengte van een turf; de diepte was afhankelijk van het aantal lagen turf dat zich toevallig voordeed 6. harde, als zodanig herkenbare laag in de bodem; (bij vergelijking:) een baank in et lief hebben een stijf gevoel in z’n buik hebben 7. opeenhoping van donkere wolken, streep van donkere wolken, hetz. als wolkebaanke 8. mistbank 9. zandbank 10. bank: bekende financiële instelling 11. bankgebouw 12. distributiegebouw, filiaal vanwaar men tuinzaden, pootgoed, meel enz. kon afhalen; baankien, et 1. kleine baank in div. bet., zie onder baank 2. bankbiljet van f 100,- of het bedrag van die grootte
bankboek, baankboekien, zelfstandig naamwoord, et; bankboekje
bankerig, baankerig, bijvoeglijk naamwoord, gezegd van een donkere lucht, bijv. De locht is baankerig
banketstaaf, banketstaeve, zelfstandig naamwoord, de; banketstaaf
bankgarantie, baankgeraansie, zelfstandig naamwoord, de; bankgarantie
bankhamer, baankhaemer, zelfstandig naamwoord, de; bankhamer
bankhouder, baankhoolder, zelfstandig naamwoord, de; bankhouder, directeur van een kleine (geld)bank
bankkist, baankkiste, zelfstandig naamwoord, de; kist als zit- en bergplaats op een wagen
banknummer, baanknommer, baankrekennommer, baankrekeningnommer, voor var. zie ook onder nommer et; bankrekeningnummer
bankrekening, baankrekinge, baankrekening, baankreken, zelfstandig naamwoord, de; bankrekening
bankschroef, baankschroeve, zelfstandig naamwoord, de; bankschroef
bankstaat, baankstaot, zelfstandig naamwoord, de (vaak mv.); bankstaat
bankwerker, baankwarker, zelfstandig naamwoord, de; bankwerker: iemand die bankwerk verricht
bankzaken, baankzaeken, meervoud, bankzaken
bar, bar, zelfstandig naamwoord, de 1. bar: tapkast 2. klein café met bar 3. buffetruimte in een hotel e.d.
bar, bar, barre, bijwoord, in hoge mate
bar, bar, bijvoeglijk naamwoord, ruw, onaangenaam slecht (vooral m.b.t. het weer)
barak, berak, barak, zelfstandig naamwoord, de 1. eenvoudig houten gebouw, barak 2. bouwvallig huis
barakkenkamp, berakkekaamp, zelfstandig naamwoord, et; barakkenkamp
barbecuen, barbecuenen, werkwoord, barbecuen
barbier, barbier, brebier, zelfstandig naamwoord, de 1. ouder woord voor kapper, barbier 2. barbier die tevens de geneeskunst uitoefent
baren, baoren, werkwoord, baren van een kind
baret, bret, brette, beret, barret, zelfstandig naamwoord, de 1. alpinomuts 2. baret van een soldaat
bargen, bargen, baargen, werkwoord, 1. knoeien met vloeistof of kneedbare substantie, morsen, klodderen 2. wadend gaan (en daarbij zichzelf bevuilend)
bargenduits, bargeduuts, zelfstandig naamwoord, et; koeterwaals
bargenmieg, borgemiege, zelfstandig naamwoord, de; urine van een borg, d.i. een gecastreerd mannelijk varken
barjuffrouw, barjuffer, zelfstandig naamwoord, de; barjuffrouw
barmhartig, baarmhattig, barmhattig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. barmhartig: met mededogen 2. genadig
barmhartigheid, baarmhattighied, barmhattigheid, zelfstandig naamwoord, en var. de; mededogen
barnstenen, barnstienen, bijvoeglijk naamwoord, van barnsteen
barok, barok, barok-, berok, berok-, zelfstandig naamwoord, de; barok(-)
baron, baron, beron, zelfstandig naamwoord, de; baron: vrijheer
barrebiesjes, barrebiesies, barbiesies, barrebiesjes, meervoud, barbiesjes, in naor de barrebiesies wezen, - gaon, - helpen
barrel, barrels, meervoud, in: an barrels geheel kapot
bars, bas, bijvoeglijk naamwoord, bars, nors
barst, baaste, baste, zelfstandig naamwoord, de; barst, berst; bassien, et; kleine barst e.d., kleine baste
barsten, baasten, basten, werkwoord, 1. barsten krijgen, barsten vertonen 2. splijten, in stukken breken, van binnenuit scheuren door een bep. druk, uit elkaar springen 3. heel veel van iets hebben, bijv. Ze basten van ’t geld ze hebben heel veel geld
barstend, bastend, bastends, bijwoord, in hoge mate
barsterig, basterig, bastig, bijvoeglijk naamwoord, met barsten, barstjes
Bartjens, Bartje, Bartjes, in volgens Bartje(s) volgens Bartjes, logischerwijs, verder in ’t Is niet volgens Bartje ’t is niet helemaal zoals het hoort, ’t kan niet helemaal door de beugel
bas, bas, zelfstandig naamwoord, de 1. baspartij 2. contrabas 3. laagste mannenstem 4. baszanger
basalt, basalt, besalt, zelfstandig naamwoord, et; basalt
bascule, beskule, baskule, zelfstandig naamwoord, de 1. weegwerktuig voor zware lasten 2. weegschaal voor huiselijk gebruik
basisprijs, basispries, zelfstandig naamwoord, de; basisprijs
basisschool, basisschoele, zelfstandig naamwoord, de; basisschool
basistarief, basisterief, zelfstandig naamwoord, et; basistarief
basisvoorwaarde, basisveurweerde, zelfstandig naamwoord, de; basisvoorwaarde
basisvoorziening, basisveurziening, zelfstandig naamwoord, de; basisvoorziening
bassen, bassen, werkwoord, bassen: van een hond
bassineren, bassineren, werkwoord, een bep. kaartspel spelen
bast, basse, zelfstandig naamwoord, de; borst, of ruimer: lijf, lichaam, bijv. Mit een betien koolde he’k et vot in de basse dan heb ik het direct te pakken
bast, baste, baaste, zelfstandig naamwoord, de 1. bast van een tak of boomstam 2. hard schilachtig laagje in een pan of aan een aardappel, door aanbranden ontstaan
bastaardhond, basterdhond, zelfstandig naamwoord, de; bastaardhond
bastaardras, basterdras, zelfstandig naamwoord, et; bastaardras
basterdklaver, basterdklaover, zelfstandig naamwoord, de; basterdklaver
basterdsuiker, basterdsuker, zelfstandig naamwoord, de; bastaardsuiker
bat, batte, bette, zelfstandig naamwoord, de 1. los houten bruggetje over de mestgoot, over een greppel e.d. 2. houten brug vaak zonder leuning over een brede sloot of rivier 3. houten oploop naar bijv. de laadruimte van een vrachtauto of naar een boot 4. klepdeur 5. losse bodem van een wagen 6. schot waarmee men water of mest tegenhoudt
bataljon, batteljon, zelfstandig naamwoord, et; bataljon
baten, baoten, werkwoord, 1. helpen, voordeel geven 2. in bijv. Die koe ligt daor mar te baoten de indruk te geven dat hij niet in orde is
batig, baotig, bijvoeglijk naamwoord, batig, in een baotig saldo e.d.
bats, basse, zelfstandig naamwoord, de; zitvlak, achterste
bats, batse, bats, zelfstandig naamwoord, de; grote hoeveelheid
bats, bats, batse, zelfstandig naamwoord, de 1. panschop, bats 2. klap 3. flinke snee 4. hard geluid van een klap of val 5. in een eigenwieze batse een eigenwijze persoon
batstel, battestel, zelfstandig naamwoord, et; draagconstructie van een bep. eenvoudige houten brug, een batte
batteling, batteling, zelfstandig naamwoord, de; drijftol, zweeptol
batterij, batteri’je, zelfstandig naamwoord, de 1. batterij, element voor het opwekken van electriciteit 2. (vooral m.b.t. vrouwspersonen) achterwerk, gat, zitvlak, vaak enigszins spottend gezegd wanneer iemand een dik achterwerk heeft 3. in de batteri’je op/op de batteri’je (gaon) naar buiten (gaan); op ’e batteri’jen kommen tevoorschijn komen, weer de oude worden, te berde brengen 4. grote hoeveelheid
bazaar, bazar, bezar, zelfstandig naamwoord, de; fancy-fair
bazelen, baezen, werkwoord, 1. ijlen, bazelen bij koorts, in de slaap, in een droom 2. onzin uitkramen, onsamenhangend praten 3. piepend of zagend geluid geven bij het ademhalen
bazelig, baezig, bijvoeglijk naamwoord, ijlend
bazelig, baezerig, bijvoeglijk naamwoord, 1. geneigd tot baezen, bet. 1 2. kortademig
bazen, baozen, werkwoord, de baas spelen
bazenweer, baozeweer, zelfstandig naamwoord, et; zeer slecht weer bij het werk, nl. werk waarbij men wel erg hard moet werken omdat men het anders te koud krijgt
bazig, baozig, bijvoeglijk naamwoord, 1. bazig 2. (m.b.t. werk) te veel, te zwaar, te vermoeiend
bazin, baozinne, zelfstandig naamwoord, de; bazin, meesteres
, bae, tussenwerpsel, geroepen als nabootsing van de roep van een geit
be-, be-, be-, voorvoegsel in werkwoorden als beplaanten, bewarken, bekrassen; heel productief in de vaak negatieve bet. van ‘voortdurend actief met iets bezig zijn terwijl je je afvraagt waar het allemaal goed voor is’, bijv. in werkwoorden als in Wat bedonder ie toch waarom doe je dat toch, waarom ben je toch steeds daar zo mee bezig
beaarding, beëerdiging, zelfstandig naamwoord, de; het begraven, begrafenis
beademen, be-aosemen, be-aodemen, werkwoord, en var.1. beademen: z’n adem laten gaan over 2. kunstmatige ademhaling toepassen
beademing, be-aoseming, be-aodeming, zelfstandig naamwoord, de; beademing
beamelen, be-aemelen, werkwoord, voortdurend zeuren
beatlepruik, beatlepruuk, zelfstandig naamwoord, de; haardracht als van de Beatles
beavanceren, be-aevenseren, werkwoord, bereiken door druk bezig te zijn, door te werken
bebakken, bebakken, werkwoord, 1. mee bakken, doordat het in of tegen het te bakken voedsel zit 2. voortdurend bezig zijn met bakken
bebazen, bebaozen, werkwoord, de baas spelen over, bazig doen ten opzichte van iemand
bebellen, bebellen, werkwoord, 1. voortdurend bellen (met een fietsbel e.d.) 2. voortdurend telefoneren
bebeten, bebeten, bijvoeglijk naamwoord, in in et zoolt bebeten met voldoende ervaring, vaak te maken gehad hebbend met dat type problemen
beboeren, beboerken, werkwoord, 1. als boer werkzaam zijn op een boerderij 2. druk bezig zijn als boer
bebrand, bebraand, bijvoeglijk naamwoord, blijvend in iets zitten door verhitting
bebroeden, bebruden, bebruuiden, bebruuien, bebreuden, werkwoord, broedend zitten op, uitbroeden
becijferen, becieferen, werkwoord, becijferen: cijferend uitrekenen
becijfering, beciefering, zelfstandig naamwoord, de; becijfering: het cijferend berekenen
beconcurreren, bekonkereren, werkwoord, beconcurreren
bed, bedde, berre, baere, beds; berre-, baere-, beds-, zelfstandig naamwoord, et 1. bed, ledikant, bedstee 2. plaats in een ziekenhuis, hotel enz. 3. rivierbedding 4. tuinbed
bedaan, bedaon, bijvoeglijk naamwoord, 1. dronken 2. vorm van bedoen
bedaard, bedeerd, bedaerd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kalm, rustig
bedacht, bedocht, bijvoeglijk naamwoord, 1. in d’r op bedocht wezen erop bedacht zijn 2. uitgedacht, verzonnen
bedachtzaam, bedochtzem, bedochzem, bijvoeglijk naamwoord, bedachtzaam
bedanken, bedaanken, werkwoord, 1. z’n dank meedelen 2. afwijzen, het niet willen 3. opzeggen van een lidmaatschap e.d.
bedankje, bedaankien, zelfstandig naamwoord, et 1. dankbetuiging 2. beleefde weigering, afwijzing
bedansen, bedaansen, werkwoord, 1. dansend gaan over 2. zich steeds dansend bewegen/uiten
bedaren, bederen, bedaeren, werkwoord, kalmeren, rustig worden
bedaring, bedering, bedaerige, zelfstandig naamwoord, de; rust, bedaarde toestand, bijv. De bi’jen kwammen al in de bedering
bedauwelen, bedouwelen, werkwoord, 1. voortdurend aan het doen zijn 2. steeds maar van alles zeggen, zeuren
bedbank, beddebaankien, zelfstandig naamwoord, et; schap achter de bedstee (met de po erop)
beddenboel, beddeboel, zelfstandig naamwoord, de; het geheel aan bedden, inclusief het beddengoed, al dan niet inclusief ledikanten
beddendek, beddedek, zelfstandig naamwoord, et; het geheel aan dekens en lakens voor op het bed/voor bedden
beddendeken, beddedeken, berredeken, zelfstandig naamwoord, de; beddendeken
beddendeur, beddedeure, bedsdeure, zelfstandig naamwoord, de; bedsteedeur
beddengaanstijd, beddegaonstied, beddegaostied, berregaonstied, beddegaonderstied, , zelfstandig naamwoord, de; bedtijd
beddenglas, beddeglassien, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als bedderaempien
beddengoed, beddegoed, zelfstandig naamwoord, et; beddengoed, meestal alleen: lakens, slopen en dekens
beddenhanger, beddehanger, zelfstandig naamwoord, de; beddenkwast
beddenkast, beddekaaste, zelfstandig naamwoord, de 1. bedstee 2. kast tussen twee bedsteden
beddenkleed, beddeklied, beddekleed, berreklied, zelfstandig naamwoord, et; beddenkleed
beddenkoets, beddekoetse, zelfstandig naamwoord, de; bedstee
beddenkoord, beddekore, beddekoord, berrekore, zelfstandig naamwoord, de 1. koord, lijn waaraan het gordijn voor de bestee was opgehangen 2. beddenkwast, in het bijzonder: het koord daarvan
beddenkrap, beddekrappe, zelfstandig naamwoord, de; houtje aan deuren van bedsteden, om ze mee af te sluiten
beddenkribbe, beddekribbe, zelfstandig naamwoord, de; in een bedstee bevestigde, enigszins op een voederbak gelijkende slaapplaats voor kinderen
beddenkruik, beddekruke, beddekruuk, zelfstandig naamwoord, de; kruik speciaal voor de verwarming van het bed, met heet water gevuld
beddenkussen, beddekussen, zelfstandig naamwoord, et; beddenkussen
beddenkwast, beddekwaste, beddekwaaste, berrekwast, berrekwaste, zelfstandig naamwoord, de; beddenkwast: het geheel of de kwast zelf
beddenlaken, beddelaeken, zelfstandig naamwoord, et; beddenlaken
beddenleger, beddeleger, zelfstandig naamwoord, et; geheel aan planken aan de onderkant van het bed, waar het stro op kwam
beddenlichter, beddelichter, zelfstandig naamwoord, de; beddenkwast of soortgelijk koord met handvat waaraan men zich, in bed liggend, kan optrekken
beddenligger, beddeligger, zelfstandig naamwoord, de; elk der planken aan de onderkant van het bed; er kwam stro op
beddenpan, beddepanne, zelfstandig naamwoord, de; beddenpan: ter verwarming
beddenplank, beddeplaanke, bedsplaanke, berreplaanke, zelfstandig naamwoord, de 1. beddenplank: vaste plank in een bedstee, om iets op te zetten 2. losse plank aan de voorkant van een bedstee, die het beddengoed op z’n plaats houdt
beddenruit, bedderuut, zelfstandig naamwoord, et; geruite stof van matrassen
beddenschot, beddeschut, beddeschot, bedschut, zelfstandig naamwoord, et; houten wand aan de voorkant van de bedstee, houten betimmering van de bedstee aan de voorkant in een muur, ook: de houten achterkant van de bedstee
beddensloop, beddesloop, bedsloop, berresloop, zelfstandig naamwoord, et; sloop om de beddenzak, om het matras
beddensprei, beddesprei, zelfstandig naamwoord, et; bedsprei
beddentijk, beddetiek, beddeteek, berretiek, zelfstandig naamwoord, tijk: bep. stof voor overtrek van beddengoed; overtrek van die stof gemaakt
beddenvulling, beddevulling, zelfstandig naamwoord, de; materiaal waarmee men bedden vult
beddenweer, beddeweer, zelfstandig naamwoord, et; weer dat geschikt is om het beddengoed te luchten
beddenzak, beddezak, bedzak, zelfstandig naamwoord, de; beddenzak, zak die gevuld werd om als bed te dienen
bedderij, bedderi’je, zelfstandig naamwoord, de; beddengoed (inclusief matrassen, kussens enz.)
bedding, bedding, zelfstandig naamwoord, de; rivierbedding
bedeganger, bedeganger, zelfstandig naamwoord, de; bedevaartsganger
bedehuis, bedehuus, zelfstandig naamwoord, et; bedehuis
bedelaar, bedeler, bedelder, zelfstandig naamwoord, de; bedelaar
bedelarij, bedelderi’je, zelfstandig naamwoord, de; bedelarij, het bedelen
bedelarmband, bedelaarmbaand, zelfstandig naamwoord, de; bedelarmband
bedeldeken, bedeldeken, zelfstandig naamwoord, de; bedelaarsdeken, hetz. als lappedeken
bedelen, bedielen, bedelen, werkwoord, 1. toedelen, geven, toewijzen 2. armen ondersteunen met giften
bedelen, bedelen, werkwoord, 1. bedelen of smekend vragen 2. hetz. als inbedelen
bedeling, bedieling, bedeling, bedelige, zelfstandig naamwoord, de; instantie die zorgt dat armen genoeg krijgen om rond te komen, tegenwoordig: de bijstand
bedelketting, bedelketten, bedelketting, zelfstandig naamwoord, de, et; halsketting met bedeltjes
bedelpater, bedelpater, zelfstandig naamwoord, de; pater van een bedelorde
bedelpreek, bedelpreek, zelfstandig naamwoord, de; preek die men houdt om geld in te zamelen voor de kerk
bedelpreken, bedelpreken, werkwoord, een bedelpreek houden
bedelrok, bedelrok, zelfstandig naamwoord, de; rok gemaakt van lapjes
bedelte, bedelte, zelfstandig naamwoord, de, in in de bedelte zitten zitten piekeren, volstrekt in zichzelf gekeerd zijn
bedeltje, bedeltien, zelfstandig naamwoord, et; bedeltje (aan een armband)
bedelwaar, bedelweer, bedelwaer, zelfstandig naamwoord, et; aalmoezen e.d. die een bedelaar bijeenbrengt
bedenk, bedaenk, zelfstandig naamwoord, bedenk, overweging, in in bedaenk, bijv. Ik wil et een peer daegen in bedaenk holen/hebben
bedenkelijk, bedaenkelik, bijvoeglijk naamwoord, bedenkelijk: twijfel, een zekere mate van ongerustheid uitdrukkend
bedenken, bedaenken, werkwoord, 1. bedenken, overleggen, overwegen 2. uitdenken 3. nadenken over 4. van gedachten veranderen 5. begiftigen, toedelen, bedelen
bedenktijd, bedaenktied, zelfstandig naamwoord, de; bedenktijd
bederf, bedarf, bedaarf, zelfstandig naamwoord, et 1. bederf, verrotting 2. iets dat de anderen, het andere, de omgeving, daar waar het in zit aantast, slechter doet worden
bederfelijk, bedarfelik, bedaarfelik, bijvoeglijk naamwoord, 1. vatbaar voor bederf 2. (van het weer) broeierig, zodat snel bederf optreedt in voedsel
bederveling, bedarveling, zelfstandig naamwoord, de; kind dat men verwent, dat zich graag laat verwennen
bederven, bedarven, bedaarven, werkwoord, 1. gaan ontbinden, verrotten, tot bederf overgaan 2. beschadigen, verknoeien 3. iemands karakter slechter maken door te veel toe te geven, door te verwennen 4. het verknallen, verpesten
bedgordijn, beddegedien, zelfstandig naamwoord, et; bedgordijn
bedijen, bedi’jen, werkwoord, 1. bereiken, vooruitkomen 2. zie beti’jen
bedijken, bedieken, werkwoord, bedijken: van één of meer dijken voorzien
bedijkingslegger, bediekingslegger, zelfstandig naamwoord, de; bep. legger bij het waterschap
bedillen, bedillen, werkwoord, regelen, uitmaken, besturen
bedimmen, bedimmen, bedemmen, werkwoord, inhouden, temperen
beding, bedingst, beding, zelfstandig naamwoord, et, de; beding, voorwaarde
bedingen, bedingen, werkwoord, 1. als voorwaarde erbij stellen, afspreken dat men inclusief nog iets koopt, verwerft, zal krijgen of zal doen 2. in Hi’j bedingt alleman hij praat maar wat, terwijl een ander het moet doen
bedisselen, bedisselen, bedieselen, bedusselen, werkwoord, 1. zonder overleg of inspraak regelen, samen even regelen, vaak negatief: min of meer stiekem doen 2. met een platte kapbijl bewerken (zie ook onder dissel) 3. sussen van een ruzie
bedisselkont, bedisselkonte, zelfstandig naamwoord, de; bemoeial, albedil
bedjesmatras, beddegiesmetras, zelfstandig naamwoord, et; matrasje voor een speelgoedbedje
bedlampje, beddelaampien, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als naachtpittien
bedlegerig, beddeliggerig, bedliggerig, bedlegerig, bijvoeglijk naamwoord, bedlegerig
bedmaken, beddemaeken, werkwoord, één of meer bedden opmaken, in gereedheid brengen
bedmiegen, beddemiegen, werkwoord, (ruw in vergelijking met beddepissen) bedwateren
bedmieger, beddemieger, berremieger, zelfstandig naamwoord, de; iemand die lijdt aan bedwateren
bedobben, bedobben, werkwoord, begraven (van voorwerpen, waaronder oogst)
bedoeling, bedoeling, bedoelige, zelfstandig naamwoord, de 1. oogmerk, doel, voornemen 2. beproeving
bedoen, bedoen, werkwoord, 1. zich bevuilen met z’n uitwerpselen 2. voortdurend aan het doen zijn
bedoening, bedoening, zelfstandig naamwoord, de 1. bedoening: gang van zaken, aangelegenheid 2. toeleg, opzet 3. klein bedrijf
bedoezeld, bedoezeld, bijvoeglijk naamwoord, versuft
bedonderen, bedonderen, werkwoord, 1. bedriegen, belazeren 2. voortdurend bezig zijn met iets, terwijl het niks voorstelt enz.
bedonderij, bedonderderi’je, zelfstandig naamwoord, de; het belazeren
bedongen, bedongen, werkwoord, voorzien van dong (natuurlijke mest), bijv. et laand bedongen
bedopmaken, bedde-opmaeken, werkwoord, één of meer bedden opmaken, in gereedheid brengen
bedorven, bedurven, bijvoeglijk naamwoord, 1. bedorven, tot bederf overgegaan 2. erg verwend
bedpeluw, beddepeul, zelfstandig naamwoord, et, de; bedpeluw
bedpissen, beddepissen, werkwoord, bedwateren
bedpisser, beddepisser, berrepisser, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die lijdt aan bedwateren 2. mier
bedprakkesatie, beddeprakkesaosie, zelfstandig naamwoord, de; iets waarover men in bed nadenkt, wat men in bed bedenkt
bedraam, bedderaempien, zelfstandig naamwoord, et; klein raampje in de bedstee
bedrabat, bedderebattien, bedderabbat, bedsrebat, zelfstandig naamwoord, et; smalle rabat, strook stof ter versiering voor de bedstee langs
bedrabbeld, bedrabbeld, bijvoeglijk naamwoord, last hebbend van diarree
bedrading, bedraoding, zelfstandig naamwoord, de; bedrading: het geheel aan aangelegde (electrische) draden
bedragen, bedregen, werkwoord, 1. door gebruik en het ouder worden slijten, dunner worden 2. een geldsbedrag zijn
bedreigen, bedreigen, bedriegen, werkwoord, bedreigen (van/door personen)
bedrevenheid, bedrevenhied, zelfstandig naamwoord, de; bedrevenheid
bedriegen, bedriegen, werkwoord, 1. belazeren, misleiden 2. ontrouw zijn (aan iemand)
bedriegerij, bedriegeri’je, zelfstandig naamwoord, de; bedriegerij, bedrog
bedrijf, bedrief, zelfstandig naamwoord, et 1. boerenbedrijf 2. bedrijf anderszins: voor handel, industrie enz. 3. daden, doen en laten 4. hoofddeel van een toneelstuk e.d.
bedrijfsadministratie, bedriefsadministraosie, zelfstandig naamwoord, de; bedrijfsadministratie
bedrijfsdokter, bedriefsdokter, zelfstandig naamwoord, de; bedrijfsarts
bedrijfsmatig, bedriefsmaotig, bijvoeglijk naamwoord, bedrijfsmatig
bedrijfsresultaat, bedriefsrisseltaoten, meervoud, bedrijfsresultaten
bedrijfsruimte, bedriefsruumte, zelfstandig naamwoord, de; bedrijfsruimte
bedrijfsschade, bedriefsschae, zelfstandig naamwoord, de; bedrijfsschade
bedrijfssluiting, bedriefssluting, zelfstandig naamwoord, de; bedrijfssluiting
bedrijvig, bedrievig, bijvoeglijk naamwoord, bedrijvig
bedrijvigheid, bedrievighied, zelfstandig naamwoord, de 1. winkels, ambachten, bedrijven e.d. 2. bedrijvigheid, drukte
bedrinken, bedrinken, werkwoord, 1. drinken op iets, een borrel schenken ter bekroning van iets 2. in je bedrinken zich bedrinken, zich dronken drinken
bedroefd, bedroefd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bedroevend, ellendig, heel slecht
bedroeven, bedroeven, werkwoord, verdriet aandoen, spijtig vinden
bedrogen, bedreugen, bijvoeglijk naamwoord, bedrogen, om de tuin geleid
bedrogen, bedreugen, bedrugen, werkwoord, geheel droog worden
bedrommen, bedrommen, werkwoord, haastig samenpakken van spullen
bedrongen, bedrongen, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, in het gedrang, opeengedrongen tussen anderen
bedruipen, bedruppen, werkwoord, I bedruipen: genoeg bijeenbrengen, verdienen om alles wat men nodig heeft zelf te kunnen bekostigen
bedrukken, bedrokken, werkwoord, 1. bedrukken, door te drukken bedekken met 2. op iets of iemand drukken 3. voortdurend bezig zijn met drukken
bedrukt, bedrokt, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bedrukt, bedroefd, enigszins somber
bedruppen, bedruppen, werkwoord, met druppels bevochtigen
bedrust, bedderust, zelfstandig naamwoord, de; bedrust
bedschijter, beddeschieter, zelfstandig naamwoord, de; iemand die in bed poept
bedsok, beddesokke, zelfstandig naamwoord, de; bedsok
bedstee, beddestee, bedstee, zelfstandig naamwoord, de, et; bedstee
bedsteedeur, bedsteedeure, beddesteedeure, zelfstandig naamwoord, de; bedsteedeur
bedsteen, beddestien, zelfstandig naamwoord, de; keisteen die men van te voren verwarmde, om hem ter verwarming mee te nemen naar bed
bedsteeplank, bedsteeplaanke, zelfstandig naamwoord, de 1. beddenplank: vaste plank in een bedstee, om iets op te zetten 2. losse plank aan de voorkant van een bedstee, die het beddengoed op z’n plaats houdt
bedstok, beddestok, zelfstandig naamwoord, de; stok met behulp waarvan men de achterkant van het bed goed terecht kon leggen
bedstro, beddestro, bedstro, berrestro, zelfstandig naamwoord, et; stro onder eenbed, in een beddenzak
bedtijd, beddetied, berretied, baeretied, zelfstandig naamwoord, de; bedtijd, hetz. als beddegaonstied
bedtrap, beddetrappe, zelfstandig naamwoord, de; trapje waarmee men over de beddenplank kon komen
bedubben, bedubben, werkwoord, samen beredeneren om er uit te komen
beduiden, beduden, werkwoord, 1. duidelijk maken 2. aanwijzen 3. inhouden, betekenen
beduisteren, beduusteren, werkwoord, 1. door het later worden in het duister, donker nog bezig zijn, vaak: zodat men moet ophouden 2. in Dan bi’j’ eerst wel beduusterd dan kun je eerst niet verder 3. in d’r beduusterd van wezen beduusd
bedverschonen, beddeverschonen, werkwoord, het aanbrengen van schone lakens en slopen op een bed
bedverschoning, beddeverschoning, beddeverschoninge, zelfstandig naamwoord, de; schone lakens en slopen voor een bed
bedverstrooien, beddeverstrooien, beddeverstronen, berreverstroden, beddeverstruien, werkwoord, nieuw stro, strooisel in/onder bedden doen
beëdigen, be-iedigen, werkwoord, beëdigen
beëdiging, be-iediging, zelfstandig naamwoord, de; beëdiging
beeld, beeld, bield, zelfstandig naamwoord, et 1. beeld 2. bijzonder mooi meisje of vrouw 3. plaatje, foto, schilderij of vergelijkbare uitbeelding 4. indruk, impressie, geschetste toestand
beeldend, belend, bijvoeglijk naamwoord, beeldend
beeldhouwwerk, beeldhouwwark, zelfstandig naamwoord, et; beeldhouwwerk: kunstwerk van een beeldhouwer; gebeeldhouwde versiering aan een groter geheel
beeldscherm, beeldschaarm, zelfstandig naamwoord, en var. et; beeldscherm
beeldspraak, beeldspraoke, zelfstandig naamwoord, de; beeldspraak: bekende uitdrukkingsvorm in taal
beeldverbinding, beeldverbiening, zelfstandig naamwoord, de; beeldverbinding
been, bien, zelfstandig naamwoord, et 1. elk der beide benen van een mens 2. poot van een paard of koe 3. been van een passer, schaar e.d., zo ook elk der benen van een driehoek 4. been als onderdeel van een geraamte van mens of dier 5. gebeente 6. in stien en bien klaegen geweldig klagen
beenbeschermer, bienbescharmer, zelfstandig naamwoord, de; beenbeschermer
beenbescherming, bienbescharming, zelfstandig naamwoord, de; beenbescherming
beenbreuk, bienbreuke, bienbreuk, zelfstandig naamwoord, de; beenbreuk
beender, bienderd, zelfstandig naamwoord, de; iemand met lange benen (die bijgevolg met grote stappen loopt)
beenderen, bienderen, werkwoord, beenderen, met grote stappen hard lopen
beengebrek, biengebrek, zelfstandig naamwoord, et; gebrek, mankement aan een been
beengewricht, biengewricht, zelfstandig naamwoord, et; beengewricht
beenholte, bienholte, zelfstandig naamwoord, de; beenholte
beenkap, bienkappe, zelfstandig naamwoord, de; beenkap
beenlengte, bienlengte, zelfstandig naamwoord, de; beenlengte
beenmerg, bienmurg, bienmarg, zelfstandig naamwoord, et; beenmerg
beenontsteking, bienontsteking, zelfstandig naamwoord, de; beenontsteking
beenpijn, bienpiene, zelfstandig naamwoord, de; pijn in z’n been
beenpijp, bienpiepe, bienpupe, zelfstandig naamwoord, de; bep. losse regenpijp, ook tegen de kou gedragen, van de lies tot over de schoenen of klompen gaand
beenruimte, bienruumte, zelfstandig naamwoord, de; beenruimte
beenschacht, bienschacht, zelfstandig naamwoord, de; elk der leren omhulsels onder de knieën gedragen om droog te blijven
beenslag, bienslag, zelfstandig naamwoord, de; beenslag
beenspalk, bienspalk, zelfstandig naamwoord, de; beenspalk
beentje, bientien, zelfstandig naamwoord, et; beentje: klein been
beentransplantatie, bientransplantaosie, zelfstandig naamwoord, de; beentransplantatie
beenvraat, bienvreet, zelfstandig naamwoord, de; botkanker
beenwerk, bienwark, bienwaark, zelfstandig naamwoord, et 1. beenwerk (van vee) 2. fraaie of goede benen van een mens
beenwindsel, bienwiensel, zelfstandig naamwoord, et; windsel om het been
beer, beer, bere, zelfstandig naamwoord, de; muurstut, steunbeer
beer, beer, bere, zelfstandig naamwoord, de; mannelijk varken
beer, beer, bere, zelfstandig naamwoord, de 1. bekend zoogdier: beer 2. dikke, grote en/of sterke en evt. lompe persoon 3. in de Grote Beer bekend sterrenbeeld
beerbarg, beerborg, beerbörg, zelfstandig naamwoord, de; gecastreerd mannelijk varken, mannelijk varken dat al gedekt heeft maar later nog gecastreerd is
beerbig, beerbigge, zelfstandig naamwoord, de; beerbig, mannelijke big
beerhok, berehokke, zelfstandig naamwoord, et; hok waarin een beerhouder een beer heeft
beerhouder, berehoolder, beerhoolder, zelfstandig naamwoord, de; beerhouder, iemand die mannelijke varkens houdt: ter dekking
beermot, beermotte, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als binnenbeer
beerput, beerputte, zelfstandig naamwoord, de; beerput
beers, beers, bijvoeglijk naamwoord, tochtig zijn van een varken
beest, beest, biest, zelfstandig naamwoord, et 1. stuk vee in het boerenbedrijf, vooral m.b.t. koeien, pinken 2. andere beesten dan bij bet. 1 genoemd of beesten inclusief die van bet. 1 3. oude auto, trekker, in een oold besien 4. redeloos, kwaadaardig, liederlijk iemand; besien, et; verkl. van beest
beestenbende, beestebende, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als beesteboel
beestenboel, beesteboel, zelfstandig naamwoord, de; troep, wanordelijke, smerige of ook onzedelijke bende
beestenhandel, beestehaandel, zelfstandig naamwoord, de; handel in dieren, vooral in koeien
beestenhok, beestehokke, zelfstandig naamwoord, et; hok voor dieren, vooral inzake koeien
beestenkoopman, beestekoopman, zelfstandig naamwoord, de; veehandelaar, handelaar in dieren
beestenleven, beesteleven, zelfstandig naamwoord, et; zeer slecht leven
beestenspel, beestespul, biestespul, zelfstandig naamwoord, et 1. beestenspel, circus, ook: tent e.d. met aapjes en andere dieren op een markt 2. de vele dieren, vooral: de vele soorten kleinvee die iemand heeft 3. grote bende, troep, ook: zeer wanordelijke situatie, gezegd bijv. van een feest dat uit de hand loopt
beestenstal, beestestal, zelfstandig naamwoord, de; zeer rommelig vertrek
beestenvoer, beestevoer, zelfstandig naamwoord, et; beestenvoer
beestenwagen, beestewaegen, biestewaegen, zelfstandig naamwoord, de; beestenwagen; hetz. als veewaegen
beestenweer, beesteweer, zelfstandig naamwoord, et; beestenweer, slecht weer
beestenwerk, beestewark, zelfstandig naamwoord, et; beestenwerk
beet, biet, beet, zelfstandig naamwoord, de 1. daad van het bijten, beet 2. indruksel van een biet in bet. 1 3. af te bijten of afgebeten stuk, stukje om te eten, iets hartigs/lekkers om te eten, ook in gien biet niks 4. in te zoep en te biet staon net onder water staan van drassig land
beëten, beëten, werkwoord, eten van, op kosten van iemand, in die mate dat hij zelf niet genoeg heeft
beetgrijpen, beetgriepen, werkwoord, vastgrijpen
beethebben, beethebben, biethebben, werkwoord, 1. vastgepakt hebbend 2. ertussen nemen, te grazen nemen 3. beethebben, vis aan de haak hebben 4. een positieve reactie krijgen
beethouden, beetholen, werkwoord, vasthouden
beetje, betien, bietien, zelfstandig naamwoord, et 1. kleine hoeveelheid, beetje 2. in zoe’n betien zo ongeveer
beetkrijgen, beetkriegen, werkwoord, vastpakken, aanpakken, beetkrijgen
beetnemen, beetnemen, werkwoord, 1. beetnemen: ertussen nemen 2. vastpakken, vasthouden
beetpakken, beetpakken, werkwoord, vastpakken
Beetsterzwaag, Beetsterzwaog, zelfstandig naamwoord, et; bekende plaats, Ned. Beetsterzwaag
bef, bef, beffe, zelfstandig naamwoord, de 1. (ook beffien) bekend kledingstuk: bef, over de borst neerhangend stuk kledingstof (met bandjes boven en onder vastgemaakt), ook wel losse bef 2. aan een bef doen denkende tekening bij bep. dieren; beffien, et; soort halsdoekje, stukje stof aan de halsopening van een jurk
befaamd, befaomd, befaamd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. befaamd 2. gezegd van iemand die veel presteert
befemelen, befiemelen, werkwoord, voortdurend tastend, peuterend bezig zijn
befieken, befiekselen, werkwoord, 1. met een mes bewerken 2. voortdurend bezig zijn met een mes te bewerken
befietsen, befietsen, werkwoord, voortdurend fietsen
beflappen, beflappen, werkwoord, 1. overdekkend liggen bij dieren, ook gezegd van een parende man 2. ertoe rekenen, samenvatten onder
beflijster, befliester, zelfstandig naamwoord, de; beflijster
befrommelen, befrommelen, werkwoord, voortdurend frommelend bezig zijn
befutselen, befotselen, befokselen, werkwoord, snel maar niet zo goed in elkaar zetten
begaafd, begaofd, bijvoeglijk naamwoord, 1. talentvol 2. door geboorte voorzien van een bep. eigenschap
begaan, begaon, werkwoord, 1. lopen op 2. zijn gang laten gaan, In bijv. Laot him mar begaon 3. doen met, t.a.v. iemand 4. verkeerd doen, zich laten gaan in foutief optreden, in gewelddadig optreden, zich vergrijpen 5. zich ongelukkigerwijs verwonden of een ander ongemak toebrengen 6. zelfmoord plegen
begaan, begaon, bijvoeglijk naamwoord, in begaon wezen mit iene begaan zijn met, medelijden hebben met, meeleven
begaanbaar, begaonber, bijvoeglijk naamwoord, begaanbaar
begaanbaarheid, begaonberhied, zelfstandig naamwoord, de; het begaanbaar zijn
begaanheid, begaonhied, zelfstandig naamwoord, de; het begaan zijn
begaderen, begadderen, werkwoord, fiksen, voor elkaar krijgen
begaffelen, begaffelen, werkwoord, 1. een werkje even snel uitvoeren 2. iemand toetakelen en bedriegen 3. ophappen
begapen, begaepen, werkwoord, 1. uit nieuwsgierigheid bespieden 2. de mond wijd genoeg openen (om in de mond te krijgen)
begeer, begeer, zelfstandig naamwoord, et; begeerte, sterk verlangen
begeerlijk, begeerlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. waard om te willen hebben, begeerte opwekkend 2. met begeerte, steeds meer willende hebben, inhalig
begeerlijkheid, begeerlikhied, zelfstandig naamwoord, de 1. begeerlijkheid: hebzucht, inhaligheid 2. het begeerlijk zijn
begeerte, begeerte, zelfstandig naamwoord, de 1. het begeren, willen hebben 2. dat wat men wil hebben, bereiken
begeilen, begielen, werkwoord, in begielen en begaepen (altijd alles) willen kopen wat men ziet
begerig, begerig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. begerig: sterk verlangend te bezitten 2. waard om te begeren
begerigheid, begerighied, zelfstandig naamwoord, de; het begerig zijn
begeven, begeven, werkwoord, 1. bezwijken, het begeven 2. zich begeven in/tussen, zich voegen bij, gaan naar 3. zich ermee bemoeien, zich ermee inlaten, mee gaan doen
begiftigd, begiftigd, bijvoeglijk naamwoord, voorzien van één of meer talenten
begin, begin, zelfstandig naamwoord, et 1. begin, aanvang 2. punt van waaruit iets begint, punt van waaruit iets zich uitstrekt 3. eerste gedeelte van een tijdsbestek 4. eerste deel, eerste resultaat van dat waaraan men werkt
begindatum, begindaotum, zelfstandig naamwoord, de; begindatum
beginjaren, beginjaoren, meervoud, beginjaren
beginkapitaal, beginkaptaol, zelfstandig naamwoord, et; beginkapitaal
beginnen, beginnen, werkwoord, 1. beginnen 2. zich uitstrekken vanaf een bep. punt 3. vooraf bidden
beginnenseinde, beginnensaende, zelfstandig naamwoord, et; kennelijke afwezigheid van een eind aan een bep. activiteit, in gien beginnensaende
beginregel, beginriegel, zelfstandig naamwoord, de; beginregel (van een tekst)
beginsalaris, beginselaris, zelfstandig naamwoord, et; beginsalaris
begintijd, begintied, zelfstandig naamwoord, de 1. aanvangstijd 2. aanvangsfase
beginwerk, beginnewark, zelfstandig naamwoord, et; begin van een bevalling
beglazing, beglaezing, zelfstandig naamwoord, de; beglazing: aangebrachte glasruiten
begluipen, begloepen, werkwoord, begluipen, bespieden, glurend kijken naar
begonia, begonia, begonië, begonium, zelfstandig naamwoord, de; begonia
begoniastek, begoniastekkien, begoniestekkien, zelfstandig naamwoord, et; stekje van een begonia
begoochelen, begoechelen, werkwoord, 1. in elkaar prutsen, min of meer handig maar niet degelijk in elkaar zetten, maken 2. min of meer prutsend bezig zijn
begooien, begooien, werkwoord, 1. gooiend raken, bedekken 2. een afstand begooien 3. voldoende geld hebben voor iets
begraafplek, begreefplak, zelfstandig naamwoord, et; begraafplaats
begrafenis, begraffenis, begraffenisse, zelfstandig naamwoord, de 1. begraving van een lijk 2. begrafenisstoet
begrafenisbijeenkomst, begraffenisbi’jienkomst, zelfstandig naamwoord, de; bijeenkomst bij een begrafenis
begrafenisbode, begraffenisbode, zelfstandig naamwoord, de; degene die de begrafenis aankondigt en regelt
begrafenisdienst, begraffenisdienst, zelfstandig naamwoord, de; kerkelijke dienst bij een begrafenis
begrafenisfonds, begraffenisfoons, zelfstandig naamwoord, et; begrafenisvereniging
begrafenishoed, begraffenishoed, zelfstandig naamwoord, de; hoge zwarte hoed gedragen bij een begrafenis, vooral door de dragers
begrafeniskleed, begraffenisklied, begraffeniskleed, zelfstandig naamwoord, et; kleed dat het paard droeg wanneer het de lijkwagen trok
begrafeniskleren, begraffeniskleren, meervoud, kleding die men draagt bij een begrafenis
begrafeniskoek, begraffeniskoeke, zelfstandig naamwoord, de; koek gepresenteerd bij een begrafenis
begrafeniskoets, begraffeniskoetse, zelfstandig naamwoord, de; begrafeniskoets
begrafenisleider, begraffenisleider, zelfstandig naamwoord, de; degene die de leiding heeft bij de begrafenis
begrafenismaal, begraffenismaol, zelfstandig naamwoord, et; begrafenismaal
begrafenisvereniging, begraffenisveriening, begraffenisverieninge, bergraffenisverieniging, be, zelfstandig naamwoord, de; begrafenisvereniging
begrafenisvolk, begraffenisvolk, zelfstandig naamwoord, et; de mensen die bij een begrafenis aanwezig zijn, naar een begrafenis gaan
begrapen, begraopen, werkwoord, geld bij elkaar schrapen, zeer inhalig zijn
begraven, begreven, begraeven, werkwoord, 1. begraven van dode mensen of dieren, in een graf leggen 2. in de grond verbergen
begrijmen, begriemen, werkwoord, knoeiend smerig maken, besmeren, door tasten vuil maken, bevuilen
begrijpelijk, begriepelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. begrijpelijk, verklaarbaar, te begrijpen 2. goed kunnende begrijpen
begrijpen, begriepen, werkwoord, 1. doorhebben, verstandelijk vatten 2. zich indenken, zich voorstellen 3. denken, de indruk hebben 4. ertoe te rekenen, in d’r bi’j in begrepen wezen
begrip, begrip, zelfstandig naamwoord, et 1. het snappen, het bevatten, benul, voorstellingsvermogen 2. voorstelling, denkbeeld, notie 3. positieve waardering
begroeien, begruuien, begrujjen, begruien, werkwoord, 1. door groeien/begroeiing bedekken of bedekt worden 2. dicht(er) worden: van wond, litteken of gat 3. aangroeien, door groeien voller worden (van gras)
begroeiing, begruuiing, begrujjing, begruiing, zelfstandig naamwoord, de; dat waarmee iets is begroeid
begrotelijk, begrotelik, begreutelik, bijvoeglijk naamwoord, 1. om medelijden mee te hebben/krijgen 2. zonde, tot spijt opwekkend
begroten, begroten, begreuten, werkwoord, 1. voorlopig berekenen 2. medelijden hebben met, als pijnlijk ervaren (voor een ander) 3. erg spijtig vinden om uit te geven aan geld, goederen
begroting, begroting, begrotige, zelfstandig naamwoord, de 1. begroting, raming (fin.) 2. inschatting, voorstelling
begrotingsoverschrijding, begrotingsoverschrieding, zelfstandig naamwoord, de; begrotingsoverschrijding
begrotingsstuk, begrotingsstok, zelfstandig naamwoord, et; begrotingsstuk
begrotingstekort, begrotingstekot, zelfstandig naamwoord, et; begrotingstekort
begrotingsvoorstel, begrotingsveurstel, zelfstandig naamwoord, et; begrotingsvoorstel
beguild, begoeld, bijvoeglijk naamwoord, behuild
begunstigen, begeunstigen, werkwoord, begunstigen
behaaglijk, behaegelik, bijvoeglijk naamwoord, behaaglijk
behaffelen, behaffelen, werkwoord, 1. (door paarden) elkaar voortdurend licht bijten 2. voortdurend onduidelijk praten
behagen, behaegen, zelfstandig naamwoord, et; behagen, genoegen (meestal: in moeilijkheden van een ander)
behakken, behakken, werkwoord, 1. hakkend of snijdend bewerken (veelal met een snoeimes of bijl) 2. maaien met een zeis, met de gedachte aan korte bewegingen 3. snijdend bewerken van poten, hoorns 4. voortdurend hakkend bezig zijn
behalen, behaelen, behaolen, werkwoord, behalen
behalsteren, behelsteren, behalsteren, werkwoord, 1. (inzake veulens) het leren zich te laten leiden, het leren lopen met iemand die het halster vasthoudt, in het bijzonder: de eerste keer een veulen een halster doen dragen 2. van een halster voorzien 3. moeilijke zaken ondernemen
behalve, behalve, behalven, voegwoord, behalve
behamerd, behaemerd, bijvoeglijk naamwoord, gehamerd, met een gehamerd motief
behandelen, behaandelen, werkwoord, 1. iemand behandelen, bejegenen 2. onder behandeling zijn van een arts, tandarts, veearts enz. 3. in behandeling hebben 4. omgaan met iets, iets hanteren 5. erover spreken of schrijven en daarbij het nodige uitleggen 6. voortdurend handel drijven
behandeling, behaandeling, behaneling, zelfstandig naamwoord, de 1. behandeling door een arts enz. 2. het bespreken, beschrijven van iets 3. wijze van bewerking 4. bejegening
behandelingswijze, behaandelingswieze, zelfstandig naamwoord, de; behandelingswijze
behandelkamer, behaandelkaemer, zelfstandig naamwoord, de; behandelkamer
behang, behang, zelfstandig naamwoord, et 1. muurbedekking van behangselpapier 2. te slachten vlees aan een dier
behangen, behangen, werkwoord, 1. door hangen bedekken 2. wanden met behang beplakken 3. voortdurend een slappe, hangende houding aannemen, voortdurend rondhangen
behangerskwast, behangerskwaste, zelfstandig naamwoord, de; behangerskwast
behangerswerk, behangerswark, zelfstandig naamwoord, et; behangerswerk
behangpapier, behangpepier, zelfstandig naamwoord, et; behangselpapier
behangrand, behangraand, zelfstandig naamwoord, de; opgeplakte of op te plakken sierrand langs het behang
behangselpapier, behangselpepier, zelfstandig naamwoord, et; behangselpapier
behangstaal, behangstaele, zelfstandig naamwoord, de; stukje behang om te demonstreren
behappen, behappen, werkwoord, 1. in et behappen kunnen het allemaal aankunnen, het ten volle kunnen doen 2. steeds happend bezig zijn
behartigen, behattigen, werkwoord, behartigen
behaspelen, behaspelen, werkwoord, 1. klaarspelen, iets in elkaar proberen te zetten, iets moeizaam voor elkaar proberen te krijgen 2. zich behelpen 3. door te praten alsnog tot overeenstemming komen, iets bijpraten 4. bespreken, smoezen, roddelend praten over 5. ruziën 6. verward praten over
beheisteren, beheisteren, werkwoord, druk bezig zijn met schoonmaken, het op een andere plaats zetten e.d.
beheksen, beheksen, werkwoord, 1. beheksen 2. snel voor elkaar krijgen 3. beduvelen, belazeren
behemelen, behemmelen, werkwoord, 1. door schuld te bekennen, vergoelijkend, relativerend te praten de boosheid of de scherpte van een tegenstelling uit de weg ruimen of voorkomen 2. opeten, stukjes vlees van een karbonade eten e.d. 3. opruimen, schoonmaken 4. opsnoeien, door af of bij te snijden glad maken 5. voor elkaar brengen
behendig, behendig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. behendig, handig 2. enigszins klein en lichtgebouwd
behendigheid, behendighied, zelfstandig naamwoord, de; behendigheid, het behendig zijn
behoeden, behuden, werkwoord, behoeden, beschermen
behoorlijk, beheurlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. betamelijk 2. vrij groot 3. aanzienlijk, in hoge mate
behoren, beheuren, werkwoord, 1. horen aan 2. zo horen
behoud, behoold, zelfstandig naamwoord, et 1. middel/manier om in goede staat te houden 2. blijvend bezit of genot, bijv. mit behoold van loon
behouden, beholen, werkwoord, behouden, blijven houden
behoudend, beholend, bijvoeglijk naamwoord, behoudend, conservatief
behuisd, behuusd, bijvoeglijk naamwoord, van woonruimte voorzien
behulp, behelp, behulp, zelfstandig naamwoord, et 1. in mit behulp van 2. behelp
behulpzaam, behulpzem, bijvoeglijk naamwoord, behulpzaam
beide, beide, beiden, beidend, telwoord, beide, alle twee, zowel de een als de ander, bijv. de beide maoten, zelfst. in bijv. Ze deugen gien van beiden(d). veur oons beide/-n(d) voor ons tweeën, mit zien beigies met z’n tweetjes
beijzelen, be-iezelen, werkwoord, be-ijzelen
beinselen, beinselen, baenselen, baanselen, werkwoord, 1. rondhangen, rondlopen 2. achter iemand aan zitten om hem te doen opschieten 3. eruit jagen, wegsturen, buiten zetten e.d., verjagen, wegbonjouren
beinzerig, beinzerig, bijvoeglijk naamwoord, van het weer: loom makend
beiteleg, beitelegge, zelfstandig naamwoord, de; niet-verende eg, nl. met harde, rechte stukken ijzer
bejaard, bejaord, bijvoeglijk naamwoord, bejaard, al oud (van mensen)
bejaarde, bejaorde, zelfstandig naamwoord, de; bejaarde
bejaardenbond, bejaordebond, bejaordenbond, zelfstandig naamwoord, de; bond, vereniging voor belangenbehartiging voor bejaarden
bejaardenflat, bejaordeflat, bejaordenflat, zelfstandig naamwoord, de; flat voor bejaarden
bejaardengymnastiek, bejaordegimmestiek, bejaordengimmestiek, zelfstandig naamwoord, de; gymnastiek voor bejaarden
bejaardenhuis, bejaordehuus, bejaordenhuus, zelfstandig naamwoord, et; tehuis voor bejaarden
bejaardenhulp, bejaordehulp, bejaordenhulp, zelfstandig naamwoord, de; bejaardenhulp
bejaardenkoor, bejaordekoor, bejaordenkoor, zelfstandig naamwoord, et; koor van, voor bejaarden
bejaardenoord, bejaordenoord, zelfstandig naamwoord, et; woonomgeving of tehuis voor bejaarden
bejaardenpas, bejaordepas, zelfstandig naamwoord, de; bejaardenpas
bejaardenpremie, bejaordepremie, zelfstandig naamwoord, de; AOW-premie
bejaardenreis, bejaordenreisien, zelfstandig naamwoord, et; tochtje of kleine vakantiereis georganiseerd voor bejaarden
bejaardensoos, bejaordesoos, bejaordensoos, zelfstandig naamwoord, de; bejaardensociëteit
bejaardenstoel, bejaordestoel, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als pakestoel
bejaardentehuis, bejaordentehuus, zelfstandig naamwoord, et; bejaardentehuis
bejaardentocht, bejaordetocht, bejaordentocht, zelfstandig naamwoord, de; tocht, reisje georganiseerd voor bejaarden
bejaardenverzekering, bejaordeverzekering, zelfstandig naamwoord, de; verzekering, assurantie speciaal voor bejaarden
bejaardenverzorgster, bejaordeverzorgster, bejaordenverzorgster, zelfstandig naamwoord, de; bejaardenverzorgster
bejaardenwerk, bejaordenwark, zelfstandig naamwoord, et; bejaardenwerk
bejaardenwoning, bejaordewoning, zelfstandig naamwoord, de; bejaardenwoning
bejagen, bejaegen, werkwoord, 1. jagend gaan over een jachtveld 2. proberen te verkrijgen, winst, voordeel proberen te verwerven 3. voortdurend op wild jagen, ook: voortdurend overal (rijdend) naar toe gaan
bek, bek, zelfstandig naamwoord, de 1. snavel 2. (van dieren) mond, muil 3. (vaak als ruw opgevat) mond van de mens 4. wat met een ‘bek’ wordt vergeleken (van gereedschap e.d.)
bekaf, bekof, bijvoeglijk naamwoord, doodmoe
bekakt, bekakt, bijvoeglijk naamwoord, 1. storend en op haast lachwekkende wijze verwaand 2. in Hi’j kwam d’r bekakt of bekaaid
bekalken, bekalken, werkwoord, met kalk bemesten
bekant, bekaant, bijvoeglijk naamwoord, (van hout) kant, recht, vlak gemaakt, tot planken bewerkt
bekanten, bekaanten, werkwoord, kant maken van hout: tot palen, planken, balken e.d.
bekappen, bekappen, werkwoord, kappend bewerken (vaak met een bijl), ook inzake hoeven, d.i. een voetbehandeling geven bij paarden of koeien, snijdend bewerken
bekend, bekundig, bijvoeglijk naamwoord, in bekundig mit als persoon kennend
bekende, bekunde, zelfstandig naamwoord, de; persoon die men kent, bekende
bekendmaken, bekendmaeken, werkwoord, bekendmaken
bekennen, bekennen, werkwoord, 1. erkennen, openlijk toegeven 2. z’n schuld toegeven inzake een strafbare handeling 3. bekennen bij kaartspelen 4. bespeuren, ontdekken
beker, beker, zelfstandig naamwoord, de 1. drinkbeker 2. vaasachtige sierbeker 3. wedstrijdbeker, wisselbeker, beker als prijs in een sporttoernooi 4. tepelbeker
bekhamer, bekhaemer, zelfstandig naamwoord, de; klauwhamer
Bekhof, Bekhof, zelfstandig naamwoord, de; benaming van de omgeving van de Bekhofstille
Bekhofbrug, Bekhofbrogge, zelfstandig naamwoord, de; bekende brug over de Lende bij Berkoop
Bekhofplaats, Bekhofplaetse, zelfstandig naamwoord, de; vanouds bekende boerderij nabij de Bekhofstille
Bekhofschans, Bekhofschaans, zelfstandig naamwoord, de; bekende oude schans nabij de Bekhofstille
Bekhoftil, Bekhofstille, Bekhoftille, zelfstandig naamwoord, de; bekende brug over de Lende bij Berkoop
bekijken, bekieken, werkwoord, 1. bekijken, z’n blikken laten gaan over, aanschouwen 2. nader beschouwen, afwegen, onderzoeken, nagaan
bekijven, bekieven, werkwoord, bekijven
bekkeling, bekkeling, zelfstandig naamwoord, de; rugleuning van een stoel
bekken, bekken, zelfstandig naamwoord, et 1. bekken: bekend lichaamsdeel 2. bekken: bekend muziekinstrument, behorend tot het slagwerk 3. scheerbekken 4. doopbekken 5. koperen afwasteil 6. melkvat: vat waarin melk wordt bewaard 7. ondiepe kom, in div. andere toepassingen
bekken, bekken, werkwoord, 1. smaken 2. vinnig, snauwerig tegen de ander praten 3. gevat antwoorden, steeds snel antwoord geven
bekkenbreuk, bekkenbreuke, zelfstandig naamwoord, de; bekkenbreuk
bekkentrekken, bekketrekken, werkwoord, overdreven trekken maken met z’n mond
bekkentrekker, bekketrekker, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die soms of steeds een wrang, raar, komisch, de lachlust opwekkend gezicht trekt 2. eigenwijze vrouw, opschepperig meisje met veel verbeelding 3. vrucht die erg zuur/wrang is, zodat men een raar gezicht trekt als men die eet
bekkerd, bekkerd, zelfstandig naamwoord, de; iemand met een grote mond
beklaagde, beklaegde, zelfstandig naamwoord, de; beklaagde
bekladden, bekladden, bekladderen, werkwoord, 1. bekladden, besmeren 2. slechte dingen over iemand vertellen, iemand een slechte naam bezorgen
bekladderen, bekleisteren, werkwoord, 1. besmeren, besmeuren 2. bepleisteren van muren
beklag, beklag, zelfstandig naamwoord, et 1. beklag, het zich beklagen 2. medelijden
beklagen, beklaegen, werkwoord, beklagen, medelijden uitspreken
beklant, beklaant, bijvoeglijk naamwoord, beklant, voorzien van klanten
beklap, beklappe, zelfstandig naamwoord, de; iemand die altijd veel praatjes maakt
beklauteren, beklauteren, werkwoord, 1. beklauteren 2. voortdurend klauterend bezig zijn
beklauwen, beklauwen, werkwoord, 1. met een klauw, hark enz. of op vergelijkbare wijze bewerken 2. voortdurend klauwend, krabbend bezig zijn
bekleden, beklieden, bekleden, werkwoord, 1. van een bep. bedekking voorzien 2. ofleggen van een dode, zie ofleggen, bet. 4
bekleding, beklieding, bekleding, zelfstandig naamwoord, de; bekleding: wat dient om te bekleden, bijv. van de zitplaatsen in een auto
beklemd, beklemd, bijvoeglijk naamwoord, 1. beklemd, vastgeklemd 2. benauwend, beklemmend
beklemmen, beklemmen, werkwoord, beklemmen: benauwen
bekletsen, bekletsen, werkwoord, 1. over iemand roddelen 2. voortdurend kletsend bezig zijn
bekleumen, beklumen, werkwoord, verkleumen, door vernikkelen een kou vatten
bekliemen, bekliemen, werkwoord, smerend, kliederend vuil maken, ook beduimelen, bevingeren
beklimmen, beklimmen, werkwoord, 1. beklimmen: beklauteren 2. voortdurend klimmend bezig zijn
beklinken, beklinken, werkwoord, 1. drinken en met de glazen klinken ter bezegeling of ter viering van iets dat tot stand kwam; ook ruimer: vast afspreken, tot stand brengen 2. elkaar alle goeds toewensen en daarbij met de glazen klinken 3. inzakken en steviger worden 4. vermageren, een ingevallen gezicht krijgen 5. in beklonken laand land dat enigszins is ingezakt nadat het is ontgonnen
bekloppen, bekloppen, werkwoord, 1. bekloppen, kloppen op 2. voortdurend kloppend bezig zijn
beknabbelen, beknabbelen, werkwoord, 1. beknabbelen 2. voortdurend knabbelend bezig zijn
beknibbelen, beknibbelen, werkwoord, 1. minder geld uitgeven, bezuinigen op 2. erg zuinig zijn zodat de ander minder goed wordt behandeld, minder inkomsten heeft 3. benadelen, van de ander iets pakken, afnemen terwijl men evenveel had gekregen 4. in De koenen beknibbelen ’t al mooi hebben al flink wat van het gras op (door te grazen) 5. op de prijs afdingen
beknijpen, bekniepen, werkwoord, 1. knijpend betasten; met name gezegd van nieuwe kleding die onder de aandacht wordt gebracht en die wordt beoordeeld door over de stof te tasten en te knijpen, waarbij men meestal ook de persoon zelf plagerig knijpt 2. bezuinigen, zuiniger worden 3. van kleding: te strak, te nauw zitten, zodat het ‘knijpt’ 4. voortdurend knijpend bezig zijn
beknippen, beknippen, werkwoord, 1. door te knippen bewerken 2. voortdurend knippend bezig zijn
beknobben, beknobben, werkwoord, 1. minder geven, van z’n loon afhouden, minder uitbetalen 2. beduvelen
beknoeien, beknoeien, werkwoord, knoeiend, prutsend bezig zijn; alles zels beknoeien al het werk zelf, provisorisch of met moeite doen
beknopt, beknopt, bijvoeglijk naamwoord, 1. niet bep. uit de kluiten gewassen, klein, niet ruim of groot uitgevallen 2. kort verteld, niet uitvoerig/gedetailleerd meegedeeld
beknutselen, beknusselen, beknutselen, werkwoord, 1. knutselend in elkaar zetten, even voor elkaar brengen, niet opschieten met het werk als gevolg van het knutselend, prutsend bezig zijn 2. bekokstoven, beramen
bekocht, bekocht, bijvoeglijk naamwoord, te duur gekocht hebbend, afgezet
bekogelen, bekoegelen, werkwoord, bekogelen
bekoken, bekoken, werkwoord, 1. door te koken ergens min of meer in vastraken, erdoorheen gemengd worden, mee gekookt worden 2. voortdurend koken
bekokken, bekokselen, werkwoord, bekokstoven
bekomen, bekommen, bekoemen, werkwoord, 1. uitrusten van iets waarbij men vermoeid is geraakt, ook: rust nemen na het eten 2. tot bedaren, tot rust komen, bijkomen van de schrik of boosheid, in de gewone staat raken 3. matigen van temperatuur 4. afnemen van pijn 5. op de uitgedrukte wijze ervaren, bevallen 6. verkrijgen, aan iets komen
bekommeren, bekommeren, bekoemeren, werkwoord, zich bekommeren om of over
bekomst, bekomst, zelfstandig naamwoord, et; bekomst, in je bekomst hebben verzadigd zijn; vaak ruimer: er genoeg van hebben
bekonkelen, bekonkelen, werkwoord, 1. bekonkelen, bekokstoven 2. roddelend praten over
bekonkelfoezen, bekonkelfoezen, bekonkefoezen, bekonkelefoezen, bekonkelgoezen, werkwoord, heimelijk praten (maar zichtbaar), samen beramen
bekoord, bekoord, bijvoeglijk naamwoord, vrij van de mogelijkheid getikt te worden bij bep. spelletjes
bekoordplek, bekoordplakkien, zelfstandig naamwoord, et; plekje waar je volgens een afspraak bij het spel tikkertje niet mocht worden getikt
bekopen, bekopen, werkwoord, 1. bekopen, boeten 2. omkopen, door geld, mooie woorden voor z’n doel, standpunt weten te winnen 3. te duur kopen 4. steeds aan het kopen zijn
bekorten, bekotten, werkwoord, 1. bekorten, korter maken, beknopter maken 2. inhouden 3. besparen 4. tekort doen, niet geven waar men recht op heeft
bekrabbelen, bekrabbelen, werkwoord, 1. bedekken met krabbels 2. voortdurend krabbelend bezig zijn, in meerdere bet.
bekrabben, bekrabben, werkwoord, 1. aan voldoende financiële middelen weten te komen, met name om het hoofd boven water te houden 2. voor elkaar krijgen
bekrassen, bekrassen, werkwoord, 1. van krassen voorzien 2. voortdurend krassend bezig zijn
bekreunen, bekreunen, werkwoord, zich bekommeren
bekribben, bekribben, werkwoord, voortdurend kribbend bezig zijn
bekrimpen, bekrimpen, werkwoord, 1. zuiniger worden en minder uitgeven 2. beperken, reduceren van een bedrijf, van financiële steun e.d. 3. enigszins inkrimpen, door krimpen kleiner worden
bekrompen, bekrompen, bekrumpen, bijvoeglijk naamwoord, 1. niet ruim, erg klein (van ruimte) 2. ineengekrompen, ineengeschrompeld 3. schamel, krap, nogal armoedig 4. erg zuinig 5. bekrompen, kleinzielig, achterlijk van opvatting
bekruipen, bekroepen, werkwoord, 1. heimelijk naar iets toe kruipen 2. kruipend gaan 3. een beklemmend, angstig gevoel krijgen 4. voortdurend kruipen
bekstuk, bekstok, zelfstandig naamwoord, et; iemand met een grote mond
bektergen, bekketargen, bekkentaargen, werkwoord, hetz. als montientargen
bekubben, bekubben, bekubberen, werkwoord, 1. kortwieken 2. in lichte mate snoeien, de uitstekende takjes/randen afknippen/afsnijden 3. haarknippen 4. kappend bewerken van palen e.d. 5. snijdend bewerken van een koeienpoot e.d. 6. snijdend en krabbend schoonmaken van de huid van koeien 7. zoveel mogelijk geld afhandig maken
bekundig, bekundige, zelfstandig naamwoord, de; iemand die men kent, bekende
bekwaam, bekwaom, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. voldoende opgeleid en/of vaardig 2. nuchter, niet aangeschoten
bekwaamheid, bekwaomhied, zelfstandig naamwoord, de 1. het bekwaam, kundig zijn 2. opzicht waarin men bekwaam is
bekwaken, bekwaeken, werkwoord, voortdurend kletsen
bel, belle, zelfstandig naamwoord, de 1. bel 2. trekker, knop waarmee men de bel bedient 3. geluid dat een bel maakt 4. slordige, smerige, slonzige vrouw/meisje 5. vrouw die graag/veel met andere mannen aanpapt, slet 6. eigenwijze vrouw of meid 7. bel snot, enigszins uit de neus hangend 8. kledingstuk van slechte stof, oud, afgedragen kledingstuk 9. vol glas drank 10. lucht- of gasbel 11. waterpas; bellegien, et 1. bloem van de fuchsia 2. (vooral mv.) lelle (bet. 1) aan de hals van een schaap of geit 3. luchtbelletje in priklimonade e.d.
beladen, belaeden, werkwoord, beladen, voorzien van lading
belanden, belanen, werkwoord, belanden, terechtkomen, verzeilen
belang, belang, zelfstandig naamwoord, et 1. iets dat iemand raakt in z’n voorspoed, zijn positie 2. aandeel, participatie 3. belangstelling, in verb.: d’r belang in stellen 4. gewicht, waarde
belangrijk, belangriek, bijvoeglijk naamwoord, 1. van grote betekenis 2. aanzienlijk, groot
belasteren, belasteren, werkwoord, lasterpraatjes vertellen
belasting, belasting, belastige, zelfstandig naamwoord, de 1. kracht, druk doordat iets rust op 2. mentale of lichamelijke belasting 3. belasting die men moet betalen
belastingaangifte, belastingangifte, zelfstandig naamwoord, de; belastingaangifte
belastingcommies, belastingkemies, zelfstandig naamwoord, de; commies van de belastingdienst
belastingdruk, belastingdrok, zelfstandig naamwoord, de; belastingdruk
belastingkantoor, belastingkantoor, zelfstandig naamwoord, et 1. belastingkantoor 2. wc
belastingklad, belastingkladde, zelfstandig naamwoord, de; aanslagbiljet van de belastingdienst
belastingontduiker, belastingontduker, zelfstandig naamwoord, de; belastingontduiker
belastingpapieren, belastingpepieren, meervoud, aangiftebiljet en/of andere papieren die betrekking hebben op het betalen van belasting
belastingparadijs, belastingparredies, zelfstandig naamwoord, et; belastingparadijs
belastingschijf, belastingschieve, zelfstandig naamwoord, de; belastingschijf
belastingtabel, belastingtebel, zelfstandig naamwoord, de; belastingtabel
belastingtarief, belastingterief, zelfstandig naamwoord, et; belastingtarief
belastingtelefoon, belastingtillefoon, zelfstandig naamwoord, de; belastingtelefoon
belastingtruc, belastingtruuk, zelfstandig naamwoord, de; belastingtruc
belastingverlaging, belastingverleging, zelfstandig naamwoord, de; belastingverlaging
belastingvlucht, belastingvlocht, zelfstandig naamwoord, de; belastingvlucht
belastingvoordeel, belastingveurdiel, zelfstandig naamwoord, et; belastingvoordeel
belastingvrij, belastingvri’j, bijvoeglijk naamwoord, belastingvrij
belatafeld, belatafeld, bijvoeglijk naamwoord, belatafeld, bedonderd, gek geworden
beleerd, beleerd, bijvoeglijk naamwoord, (van paarden) gewend, geleerd hebbend in een tuig te lopen, enz.
beleerkar, beleerkarre, zelfstandig naamwoord, de; kar om jonge paarden mee te beleren, om in het gareel te lopen en te leren trekken
beleg, beleg, zelfstandig naamwoord, et 1. broodbeleg 2. materiaal en constructie waarmee men aftimmert, afdekt 3. soort voering, witte stof tussen de kragen van mantels en jassen; beleggien, et; belegje, lat ter afwerking deels over het kozijn en deels over de muur lopend
belegen, belegen, bijvoeglijk naamwoord, lang of voldoende lang gelegen hebben
belegerd, belegerd, bijvoeglijk naamwoord, gezegd van hooi: stevig in elkaar gepakt
beleggen, beleggen, werkwoord, 1. een oppervlakte met iets bedekken 2. in geld beleggen vastleggen, ergens in steken 3. bijeenroepen 4. het voorstellen, het doen voorkomen 5. eitjes leggen: door de bijenkoningin
beleggingsfonds, beleggingsfoons, zelfstandig naamwoord, et; beleggingsfonds
belegstuk, belegstok, zelfstandig naamwoord, et; belegstuk (bij naaiwerk)
beleidsmatig, beleidsmaotig, bijvoeglijk naamwoord, beleidsmatig
beleidsmedewerker, beleidsmitwarker, zelfstandig naamwoord, de; beleidsmedewerker
beleidsombuiging, beleidsombuging, zelfstandig naamwoord, de; beleidsombuiging
beleidsruimte, beleidsruumte, zelfstandig naamwoord, de; beleidsruimte
beleidsstuk, beleidsstok, zelfstandig naamwoord, et; beleidsstuk
beleidsvoorbereiding, beleidsveurbereiding, zelfstandig naamwoord, de; beleidsvoorbereiding
belenen, belienen, werkwoord, 1. belenen, tot onderpand van een hypotheek doen zijn 2. voortdurend uitlenen of lenen van 3. in leen nemen
beleren, beleren, werkwoord, beleren (van paarden: m.b.t. het tuig, het werken)
belevenis, belevenis, belevenisse, zelfstandig naamwoord, de; belevenis
beleving, beleving, zelfstandig naamwoord, de; beleving, bewuste ervaring
belezenheid, belezenhied, zelfstandig naamwoord, de; belezenheid
Belgisch, Belgisch, Bels, bijvoeglijk naamwoord, Belgisch
belhamel, belhaemel, belhaemer, zelfstandig naamwoord, de; belhamel
belichten, belochten, werkwoord, 1. van licht, belichting voorzien, zodat men goed kan zien 2. met een zaklantaarn enz. beschijnen 3. belichten in de fotografie 4. nader toelichten
belichting, belochting, zelfstandig naamwoord, de; belichting
belichtingstijd, belochtingstied, zelfstandig naamwoord, de; belichtingstijd
beliegen, beliegen, werkwoord, 1. tegen iemand liegen 2. iets anders voorstellen dan het is, verdraaien 3. voortdurend liegen
belijden, belieden, werkwoord, 1. lijden, iets onprettigs ondergaan doordat een ander zo doet, doordat de omstandigheden zo gecreëerd zijn, evt. door iemand zelf 2. belijden in godsdienstige zin
belijdenis, beliedenis, zelfstandig naamwoord, de; belijdenis: belijden door te verklaren
belklepel, belleklepel, zelfstandig naamwoord, de; klepel van een bel
belknop, belleknoppe, zelfstandig naamwoord, de; knop van een deurbel e.d.
belkoord, bellekoord, bellekoorde, zelfstandig naamwoord, et; belkoord
bellen, bellen, werkwoord, 1. een bel doen gaan 2. telefoneren; ook: om te verkrijgen, bijv. een ziekenauto bellen telefonisch om een ziekenauto vragen
bellenblazen, belleblaozen, werkwoord, bellenblazen
bellenboel, belleboel, zelfstandig naamwoord, de; haveloze toestand, in verb. als Wat is et daor een belleboel!
bellenmaagd, bellemaegien, zelfstandig naamwoord, et; bellenmeisje
bellenpoetsen, bellepoetsen, werkwoord, poetsen van een deurbel e.d.
bellenslee, belleslee, belslee, zelfstandig naamwoord, de; arrenslee
bellensleeën, bellesleden, werkwoord, met de arrenslee op pad zijn
bellentouw, belletouw, zelfstandig naamwoord, et 1. belkoord 2. klokkentouw
bellentuig, belletuug, zelfstandig naamwoord, et; paardentuig met bellen enz. van een arrenslee
bellerig, bellerig, bijvoeglijk naamwoord, slordig gekleed
belletje trekken, belletrekken, bellegientrekken, werkwoord, beldeurtje spelen
belletjesbloem, bellegiesbloeme, belsjebloeme, zelfstandig naamwoord, de 1. fuchsia 2. bloem van de fuchsia
belletjesboom, bellegiesboom, zelfstandig naamwoord, de; esdoorn
belletjetrekker, bellegientrekker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die beldeurtje speelt
belluiden, belluden, werkwoord, de klok luiden
beloeren, beloeren, werkwoord, 1. glurend bekijken, bespieden, bespioneren 2. goed bekijken, inspecteren 3. voortdurend spiedend kijken naar
beloken, beloken, beleuken, bijvoeglijk naamwoord, beloken, in: beloken Paosen, beloken Paosdag
beloop, beloop, zelfstandig naamwoord, et; verloop, voortgang
belopen, belopen, werkwoord, 1. inhalen door hard te lopen 2. afstand afleggen, om te bereiken 3. lopend over of op iets gaan 4. belopen worden 5. (van schoeisel) er veel in lopen 6. over iets heen groeien 7. bedragen, kosten 8. zich ontwikkelen, aflopen
beloven, beloven, werkwoord, 1. beloven, toezeggen 2. doen verwachten
belroos, belroze, belroos, zelfstandig naamwoord, de; belroos (ziekte)
beluisteren, beluusteren, belusteren, werkwoord, 1. beluisteren: afluisteren 2. luisteren naar
belust, belust, bijvoeglijk naamwoord, belust: lust hebbend, begerig
belusten, belusten, werkwoord, belusten, benieuwen
bemainteneren, bementeneren, werkwoord, beredderen, doen verlopen
bemaken, bemaeken, werkwoord, nalaten als erfenis, hetz. als vermaeken: iene wat bemaeken
bemalen, bemaelen, werkwoord, 1. bemalen, droogmalen 2. warrig praten
bemaling, bemaeling, zelfstandig naamwoord, de; bemaling: het bemalen met watermolens
bemand, bemaand, bijvoeglijk naamwoord, van een mand voorzien, bijv. De jenever zat in een bemaande flesse in een mandsles
bemerken, bemarken, bemaarken, werkwoord, 1. bemerken 2. opmerken, vinden
bemerking, bemarking, zelfstandig naamwoord, de; oordeel, bevinding
bemesterij, bemesteri’je, zelfstandig naamwoord, de; het bemesten
bemiddelaar, bemiddeler, zelfstandig naamwoord, de; bemiddelaar
bemieteren, bemieteren, werkwoord, 1. bedriegen 2. dom, onhandig bezig zijn
bemodderen, bemodderen, werkwoord, 1. bemodderen, met modder bedekken, bevuilen 2. knoeien, dom bezig zijn, onhandig opereren
bemoeien, bemuuien, bemujjen, bemuien, werkwoord, zich bemoeien met andermans zaak, diens opvattingen, wijze van doen
bemoezen, bemoezen, werkwoord, dom, onhandig, op een onduidelijke manier bezig zijn
bemoggelen, bemoggelen, werkwoord, improviserend voor elkaar brengen
bemompelen, bemompelen, werkwoord, voortdurend mompelen
bemonsteren, bemoonsteren, werkwoord, 1. hetz. als moonsteren (bet. 1) 2. een monster nemen uit of van iets, om te keuren
bemotten, bemotten, werkwoord, 1. bemorsen 2. voortdurend morsend bezig zijn
ben, benne, zelfstandig naamwoord, de; ronde mand, om kippen in te vervoeren op de bagagedrager aan de voorkant van de fiets
benadelen, benaodielen, benaodelen, werkwoord, benadelen
benaderen, benaoderen, werkwoord, 1. benaderen: dichtbij komen 2. polsen
benadering, benaodering, zelfstandig naamwoord, de 1. benadering: het benaderen 2. in bi’j benaodering bij benadering, ongeveer
benadrukken, benaodrokken, werkwoord, benadrukken
benagelen, benaegelen, werkwoord, benagelen
benaming, benaeming, zelfstandig naamwoord, de; benaming
benauwd, benauwd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. erg nauw, erg smal 2. bang, erg angstig 3. kortademig 4. benauwend, drukkend, met zodanige gesteldheid van de lucht dat men problemen krijgt of kan krijgen met de ademhaling 5. beklemmend, met een bezwaard gevoel 6. heel erg, in hoge mate
benauwdachtig, benauwdachtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bang uitgevallen
benauwdheid, benauwdhied, zelfstandig naamwoord, de 1. angst 2. beklemmende, zorgelijke situatie 3. kortademigheid
benauwen, benauwen, werkwoord, beangstigen
benauwenis, benauwdens, benauwens, zelfstandig naamwoord, de; angst, benauwenis, beklemming
bende, bende, zelfstandig naamwoord, de 1. troep, grote groep 2. grote groep personen 3. groot aantal exemplaren, grote hoeveelheid 4. zeer rommelige situatie, erg slordige toestand, puinhoop
benedeneinde, benedenaende, zelfstandig naamwoord, et; benedeneind
benedenhuis, benedenhuus, zelfstandig naamwoord, et; benedenhuis
benedenkant, benedenkaante, zelfstandig naamwoord, de; benedenkant
benedenruimte, benedenruumte, zelfstandig naamwoord, de; benedenruimte
benemen, benemen, werkwoord, 1. wegnemen, ontnemen 2. in bijv. De aosem benemt je je krijgt geen adem meer
benen, bienen, bijvoeglijk naamwoord, van been, benen
benen, bienen, benen, werkwoord, flink, vlot, gezwind lopen
benenbrekershooi, bienebrekershuj, zelfstandig naamwoord, et; hooi van, met veel buundergrös, scherp en slecht gras
benenwagen, bienewaegen, in mit de bienewaegen lopend, te voet
benepen, benepen, beniept, bijvoeglijk naamwoord, 1. erg nauw zittend, nauw sluitend 2. niet bep. royaal qua ruimte 3. pover, armoedig 4. benauwd, angstig (van stem)
benepenheid, benepenhied, zelfstandig naamwoord, de; het benepen zijn
beneveld, beneveld, bijvoeglijk naamwoord, beneveld, dronken
benevens, benevens, beneven, voorzetsel, naast, behalve
benevens, beneffen, beneffens, voorzetsel, 1. naast 2. anders dan, in strijd met 3. volgens, naar
bengel, bongel, zelfstandig naamwoord, de 1. zware knuppel, onbewerkt langwerpig stuk hout of zwaar stuk ijzer, in het bijzonder aan het been van een paard om te veel bewegingen tegen te gaan, ook in de vorm van een driehoekig raamwerk om de nek van schapen, kalveren of koeien, dan ook (kruus-)hekke of kruus geheten 2. knuppel (voor andere doeleinden, bijv. om vruchten mee uit een boom te gooien); de bongel d’r in gooien de knuppel in het hoenderhok gooien, gaan dwarsliggen, iets niet langer willen 3. zwaar stuk sneeuw dat onder iemands klompen vast bleef zitten 4. schommelende, hangende massa 5. slungel van een jongen 6. onbeholpen, lompe, onverschillige en/of luie kerel 7. dwarsliggende, lastige man of jongen, ook: slungelige jongen, puber 8. vent die nergens voor deugt
bengel, bingel, bengel, zelfstandig naamwoord, de 1. kwajongen, deugniet, rakker 2. klepel van een klok 3. hetz. als schaopebingel 4. bel in een draaimolen
bengelaar, bongeler, bongelder, zelfstandig naamwoord, de; iemand die vreemd, slenterend, doelloos loopt
bengelarij, bongelderi’je, zelfstandig naamwoord, de; in losse bongelderi’je losvaste verkering
bengelen, bongelen, bungelen, bengelen, werkwoord, 1. lopen: slenterend, doelloos, met bungelende bewegingen 2. heen en weer (doen) slingeren, (doen) bungelen 3. met een bungelende beweging gooien 4. langzaam maar zeker verbrassen 5. zie dwasbongelen
bengelen, bingelen, bengelen, werkwoord, 1. heen en weer slingerend hangen (zie ook bongelen) 2. gaan, geluid worden van een luidklok
bengelig, bongelig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, geneigd tot bongelen, bet. 1
bengeljaren, bongeljaoren, bingeljaoren, meervoud, vlegeljaren, jaren van de puberteit
bengelpaal, bongelpaol, zelfstandig naamwoord, de; paal als kluister gebruikt bij dieren, d.i. om ze in hun bewegingen te belemmeren en op die manier het uitbreken te voorkomen
benieuwd, beni’jd, bijvoeglijk naamwoord, benieuwd
benieuwen, beni’jen, werkwoord, benieuwen, in de verb. ’t Zal/zol him/oons (enz.) beni’jen
benijden, benieden, werkwoord, benijden
benijveren, beniefelen, werkwoord, voortdurend bezig zijn met priegelig naaiwerk e.d.
benipt, benapt, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zuinig, gierig
benodigdheden, beneudigdheden, meervoud, benodigdheden
benoembaar, benuumber, bijvoeglijk naamwoord, benoembaar, benoemd kunnende worden
benoemen, benumen, werkwoord, benoemen
benoeming, benuming, zelfstandig naamwoord, de; benoeming
benoemingsbrief, benumingsbrief, zelfstandig naamwoord, benoemingsbrief
benoniappel, benonie-appel, zelfstandig naamwoord, de; bep. appelsoort
bent, bente, zelfstandig naamwoord, de 1. grashalm of strootje van bentgras 2. (mv.) pollen bentgras
bentdok, bentedokke, zelfstandig naamwoord, de; bosje van bentgras voor dakbedekking
benten, benten, bijvoeglijk naamwoord, van bentgras
bentgras, bentegrös, bentegrus, zelfstandig naamwoord, et; bentgras, ook: halmpje bentgras
bentkop, bentekop, zelfstandig naamwoord, de; pol van bentgras
bentkorf, bentekörf, zelfstandig naamwoord, de; bijenkorf van bentgras
bentlaagte, benteleegte, zelfstandig naamwoord, de; laagte begroeid met bentgras
bentmade, bentemaoden, meervoud, stuk laag weiland met veel bentgras, hei e.d.
bentmes, bentemes, zelfstandig naamwoord, et; mes om bentgras mee te snijden
bentplag, benteplagge, zelfstandig naamwoord, de; plag met bentgras
bentpluim, benteploeme, benteplume, zelfstandig naamwoord, de; pluim van bentgras
bentpol, bentepolle, zelfstandig naamwoord, de; bentpol, pol bentgras
bentraai, benteraai, zelfstandig naamwoord, de; strootje, stengel van bentgras
bentruigte, benteroegte, zelfstandig naamwoord, de; ruigte van bentgras
bentsnijden, bentesnieden, werkwoord, snijden van bentgras
bentspier, bentespier, bentespiere, zelfstandig naamwoord, de; spriet van bentgras
bentspriet, bentespriete, zelfstandig naamwoord, de; spriet van bentgras
bentstengel, bentestengel, zelfstandig naamwoord, de; stengel van bentgras
benttop, bentetoppe, zelfstandig naamwoord, de; pluk bentgras
bentveld, benteveld, zelfstandig naamwoord, et; veld(je) met bentgras
bentzode, bentezode, bintezode, zelfstandig naamwoord, de; veenzode met bentgras
benzine, bezine, zelfstandig naamwoord, de; benzine
benzinedamp, bezinedamp, bezinedaamp, zelfstandig naamwoord, de; benzinedamp
benzinehouder, bezinehoolder, zelfstandig naamwoord, de; benzinehouder
benzinelamp, bezinelaampe, zelfstandig naamwoord, de; benzinelamp
benzinelucht, bezinelocht, zelfstandig naamwoord, de; benzinelucht
benzinepomp, bezinepompe, zelfstandig naamwoord, de; benzinepomp: pompstation voor benzine enz.
benzinestank, bezinestaank, zelfstandig naamwoord, de; benzinestank
benzinevoorraad, bezineveurraod, zelfstandig naamwoord, benzinevoorraad
beoordelen, beoordielen, beoordelen, werkwoord, beoordelen, een oordeel vormen/vellen over iets
beoordeling, beoordieling, beoordielinge, zelfstandig naamwoord, de; beoordeling
beoveren, be-euveren, werkwoord, bereiken, tot stand weten te brengen
bepaald, bepaold, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bepaald; beslist, uitdrukkelijk
bepalen, bepaolen, werkwoord, 1. bepalen: vaststellen, ter zake beslissen 2. als bepaling opnemen 3. zich bepalen tot, zich uitsluitend richten op 4. beslissend zijn voor
bepalend, bepaolend, bijvoeglijk naamwoord, bepalend, beslissend
bepaling, bepaoling, zelfstandig naamwoord, de; bepaling, vaststelling, beslissing ter zake
beperken, beparken, werkwoord, 1. beperken: in omvang 2. binnen bep. grenzen houden, blijven
beperking, beparking, zelfstandig naamwoord, de; beperking: het beparken
bepielen, bepielen, werkwoord, 1. langzaam en bij stukjes en beetjes voltooien, beredderen 2. voortdurend bij stukjes en beetjes met iets bezig zijn
bepikken, bepikken, werkwoord, bepikken, pikken op iets
bepinnen, bepinnen, werkwoord, steeds pinnend betalen
bepissen, bepissen, werkwoord, bij het plassen met z’n straal urine bereiken
beplakken, beplakken, werkwoord, 1. door te plakken bedekken 2. vastplakken 3. voortdurend plakkend bezig zijn
beplanten, beplaanten, werkwoord, 1. beplanten, van planten voorzien door te planten 2. voortdurend plantend bezig zijn
bepluizen, bepluzen, werkwoord, voortdurend pluzen
beplukken, beplokken, werkwoord, bewerken met plukkende bewegingen
bepolderen, bepoolderen, werkwoord, bepolderen
beppe, beppe, zelfstandig naamwoord, de 1. oma (ook aanspreekvorm) 2. oude vrouw, bijv. een oold beppien
beppes, beppen, bijvoeglijk naamwoord, van beppe, d.i. van oma: beppen ooriezer het oorijzer van oma
beppestoel, beppestoel, zelfstandig naamwoord, de; lage stoel met leuningen
beppezegger, beppezegger, zelfstandig naamwoord, de; kleinkind in relatie tot een grootmoeder
beprakkeseren, beprakkeseren, werkwoord, bedenken, uitdenken
bepraten, bepraoten, werkwoord, 1. er samen over praten, bespreken 2. over iemand kletsen, roddelen 3. ompraten, overhalen
bepreken, bepreken, werkwoord, 1. zo preken dat men de hele kerk bereikt 2. voortdurend prekend doen
bepruttelen, bepruttelen, beprottelen, werkwoord, 1. bepruttelen 2. steeds pruttelend bezig zijn, zeuren
bepunten, bepunten, werkwoord, met een puntig iets ergens in steken om warmte, diepte, enz. te peilen
beraad, beraod, zelfstandig naamwoord, et 1. beraad, overweging 2. overleg, overlegorgaan
beraadslagen, beraodslaegen, beraodslaon, werkwoord, beraadslagen
berabbelen, berabbelen, werkwoord, roddelend over iemand spreken
berachen, berachen, werkwoord, roddelend over iemand praten
beraden, beraoden, werkwoord, beraden, bij zichzelf nagaan, te rade gaan
berakken, berakken, werkwoord, verzorgen, opruimen, beredderen
beramen, beraomen, werkwoord, 1. begroten, inschatten wat de kosten, de tijdsduur, de benodigde arbeidskrachten e.d. betreft 2. uitdenken, opzetten 3. bespringen, zich laten vallen om te pakken 4. bijeen weten te krijgen
beraming, beraoming, beraeming, zelfstandig naamwoord, de 1. inschatting 2. begroting
berapen, beraopen, werkwoord, bijeen weten te brengen van geld en goed (voor zichzelf)
berapen, beraepen, berapen, werkwoord, bepleisteren, bewerken van hout e.d., bijv. een mure beraepen bepleisteren, stucadoren
berappen, berappen, werkwoord, betalen, bestuiveren
berazen, beraozen, werkwoord, 1. door hard te schreeuwen gehoord kunnen worden 2. voortdurend roepen, schreeuwen
berberis, berber, zelfstandig naamwoord, de; berberisstruik
berechten, berechten, berichten, werkwoord, berechten
beredden, beredden, beredderen, werkwoord, 1. beredden: regelen, opruimen en schoonhouden, iemand verzorgen 2. verzorgen door te bewerken
bereden, bereden, bijvoeglijk naamwoord, bereden, in bijv. een bereden peerd paard dat eraan gewend is bereden te worden
beredeneren, berisseneren, beriddeneren, werkwoord, beredeneren
beregelen, beregelen, werkwoord, door te regelen voor elkaar brengen
bereik, beriek, zelfstandig naamwoord, et; bereik: gebied dat men kan bereiken, kan bestrijken
bereiken, berieken, berikken, werkwoord, 1. bereiken: door met z’n handen, armen te rekken kunnen komen tot, bijv. Ik kon de grond niet mit de hanen berieken 2. aankomen op een bep. plaats 3. contact leggen 4. een bep. leeftijd halen 5. verwezenlijken, resultaten halen
bereizen, bereizen, werkwoord, voortdurend reizen
berekening, berekening, bereken, zelfstandig naamwoord, de 1. berekening 2. overweging, inzicht, het op iets letten
berekken, berekken, werkwoord, in berekken kunnen met z’n handen of anderszins aan iets toe kunnen komen
beren, beren, werkwoord, 1. opscheppen, storend hoog opgeven, geweldig prijzen 2. zich aanstellen 3. doen alsof 4. het goed doen
berenkuil, berekoele, zelfstandig naamwoord, de; berenkuil
berenlubben, berelubben, werkwoord, een mannelijk varken castreren
berenlucht, berelocht, zelfstandig naamwoord, de; lucht, geur van een beer of mannelijk varken
berenmuts, beremusse, zelfstandig naamwoord, de; berenmuts
berenpees, berepiest, zelfstandig naamwoord, de; penis van een mannelijk varken
berenpoot, berepote, zelfstandig naamwoord, de; poot van een beer, vooral: van een mannelijk varken
berensnijden, beresnieden, beersnieden, werkwoord, castreren van jonge mannelijke varkens
berensnijder, beresnieder, zelfstandig naamwoord, de; degene die jonge, mannelijke varkens castreert
berensteun, beresteun, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als dekstoel
berenvel, berevel, zelfstandig naamwoord, et; berenvel
bereppen, bereppen, werkwoord, 1. voor elkaar brengen, fiksen 2. hanteren, ermee omgaan
beresterk, berestark, bijvoeglijk naamwoord, heel erg sterk
berg, barg, barge, baarg, zelfstandig naamwoord, de 1. bekende natuurlijke verhoging in het landschap 2. grote hoeveelheid, hoop, meestal in een barg, bijv. een barg eten heel veel 3. knoeier, morser
bergamot, bargemotte, zelfstandig naamwoord, de 1. gele lis 2. bloeiwijze van de lisdodde 3. bergamotpeer
bergamotpeer, bargemottepere, bargemottepaere, zelfstandig naamwoord, de; bep. grote stoofpeer, bergamotpeer
bergdorp, bargdörp, zelfstandig naamwoord, et; bergdorp
bergeend, bargente, zelfstandig naamwoord, de; bergeend
bergen, bargen, baargen, werkwoord, 1. opbergen, ergens neerleggen om te bewaren, om er later mee verder te gaan 2. oogst opslaan in de gebruikelijke vorm, zoals een hooiberg, een mijt: bijv. de rogge bargen
bergfeest, bargfeesten, meervoud, feesten eertijds gehouden rond de Bosbarg in Appelsche
berggeit, barggeite, zelfstandig naamwoord, de; gems
berghelling, barghelling, zelfstandig naamwoord, de; berghelling
berghok, barghokke, zelfstandig naamwoord, et; berghok
berging, barging, zelfstandig naamwoord, de 1. berging (van een schip) 2. bergruimte: met name voor fietsen
bergingswerk, bargingswark, zelfstandig naamwoord, et; bergingswerkzaamheden
bergkaart, bargkaorte, zelfstandig naamwoord, de; bergkaart
bergklimaat, bargklimaot, zelfstandig naamwoord, et; bergklimaat
berglandschap, barglaandschop, zelfstandig naamwoord, et; berglandschap
bergloon, bargloon, zelfstandig naamwoord, et; bergloon
berglucht, barglocht, zelfstandig naamwoord, de; berglucht
bergmeubel, bargmeubel, zelfstandig naamwoord, et; bergmeubel
bergplant, bargplaante, zelfstandig naamwoord, de; bergplant
bergplek, bargplak, zelfstandig naamwoord, et; bergplaats
bergrivier, bargrevier, zelfstandig naamwoord, de; bergrivier
bergruimte, bargruumte, zelfstandig naamwoord, de; bergruimte
bergschoen, bargschoe, baargschoe, zelfstandig naamwoord, de; bergschoen
bergschuur, bargschure, zelfstandig naamwoord, de; schuur die men gebruikt als berging
bergsport, bargsport, zelfstandig naamwoord, de; bergsport
bergstation, bargstesjon, zelfstandig naamwoord, et; bergstation
bergstee, bargstee, zelfstandig naamwoord, de, et 1. plaats van de hooiberg buiten 2. plaats van de hooiopper
bergsteen, bargstien, zelfstandig naamwoord, de; bergsteen
bergstreek, bargstreek, zelfstandig naamwoord, de; bergstreek
bergtop, bargtoppe, zelfstandig naamwoord, de; bergtop
bergwand, bargwaand, zelfstandig naamwoord, de; bergwand
bergzetter, bargzetter, zelfstandig naamwoord, de 1. degene die de garven in een bult, hoop zet, stapelt 2. degene die toegestoken hooi op de juiste manier ‘zet’, om een goeie hooiopper of hooiberg te krijgen
bergzolder, bargzoolder, baargzolder, zelfstandig naamwoord, de; bergzolder
bericht, bericht, zelfstandig naamwoord, et 1. bericht, tijding, mededeling die men doet 2. krantenbericht, bericht in een ander medium 3. weerbericht 4. (mv.) nieuwsberichten
berichten, berichten, werkwoord, bericht geven
berig, berig, bijvoeglijk naamwoord, jachtig (van een varken)
berijden, berieden, werkwoord, 1. rijden op of over 2. door te berijden een paard doen wennen
berijmen, beriemen, werkwoord, berijmen: van tekst
berijmen, beriemen, werkwoord, met rijm of rijp bedekken
berk, birk, birke, bark, börk, burk, burken, bark-, burk-, ber, zelfstandig naamwoord, de; berk
berken, birken, berken, burken, barken, börken, bijvoeglijk naamwoord, berken, van berkenhout
berkenbast, birkenbaste, zelfstandig naamwoord, de; berkenbast
berkenblad, birkenblad, burkenblad, berkeblad, berkenblad, zelfstandig naamwoord, et; berkenblad
berkenboom, birkenboom, birkeboom, berkeboom, berkenboom, berkeboem, burke, zelfstandig naamwoord, de; berkenboom
berkenbos, birkenbos, burkenbos, berkebos, berkenbos, zelfstandig naamwoord, de; bos voornamelijk bestaande uit berken
berkenheg, birkehede, zelfstandig naamwoord, en var. de; heg van berken
berkenhout, birkenhoolt, birkehoolt, berkehoolt, berkenhoolt, burkenhoolt, zelfstandig naamwoord, et; berkenhout
berkenhouten, birkenhoolten, berkehoolten, berkenhoolten, bijvoeglijk naamwoord, berkenhouten
berkenpol, birkenpolle, birkepolle, berkepolle, zelfstandig naamwoord, de; (niet zo’n grote) berkenboom
berkenrijs, birkenries, burkenries, zelfstandig naamwoord, de, et; rijshout van berken
berkenrijsbezem, birkenriesbessem, burkenriesbessem, zelfstandig naamwoord, de; bezem van birkenries
berkenwijn, birkewien, zelfstandig naamwoord, de; berkenwijn
Berkoop, Berkoop, Ooldeberkoop, zelfstandig naamwoord, et; naam van een bekende Stell. plaats, Ned. Oldeberkoop
Berkoper, Berkoper, zelfstandig naamwoord, de; iemand uit Berkoop
Berkoper, Berkoper, bijvoeglijk naamwoord, van, uit, m.b.t. Berkoop; een Berkoper boer een reiger
Berlijn, Berlien, zelfstandig naamwoord, et; Berlijn
berlijnzilver, blienzulver, bliezulver, zelfstandig naamwoord, et; berlijns-zilver
berlijnzilveren, blienzulveren, bliezulveren, bijvoeglijk naamwoord, van berlijns-zilver
berlikummer, berlikummer, zelfstandig naamwoord, de 1. bep. type klomp 2. bep. soort winterwortel
berm, baarm, barm, zelfstandig naamwoord, de; berm langs pad of weg, bijv. langs de baarms eten langs de randen van het bord soep, pap etc. met de lepel nemen i.v.m. de warmte
bermhooi, baarmhuj, barmhuj, zelfstandig naamwoord, et; hooi: van bermen geoogst
bermhooien, baarmhujjen, barmhujjen, werkwoord, baarmhuj oogsten
bermplant, baarmplaante, barmplaante, zelfstandig naamwoord, de; plant die in bermen groeit
bermsloot, baarmsloot, barmsloot, zelfstandig naamwoord, de; bermsloot
beroddelen, beroddelen, werkwoord, roddelend over iemand spreken
beroepen, beroepen, werkwoord, 1. roepend bereiken 2. tot een predikantschap beroepen
beroepsmogelijkheid, beroepsmeugelikhied, zelfstandig naamwoord, de; beroepsmogelijkheid
beroepsspeler, beroepsspeuler, beroepsspeulder, zelfstandig naamwoord, de; beroepsspeler
beroerd, beroerd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. misselijk 2. ellendig, triest 3. erg vervelend, lastig 4. heel erg lui 5. slecht van karakter 6. in hoge mate, bijv. Et weer is beroerde min
beroeren, bereuren, beruren, werkwoord, 1. roerend bewerken 2. noemen, aansnijden 3. iemand in het gemoed raken
beroering, bereuring, zelfstandig naamwoord, de; lichte beroering, korte beweging, opleving
beroerling, beroerling, broerling, zelfstandig naamwoord, de; ellendeling
beroersel, bereursel, beruursel, zelfstandig naamwoord, et; beslag, bijv. bereursel maeken veur pannekoeken
beroerte, beroerte, bereurte, beruurte, zelfstandig naamwoord, de; beroerte
beroeten, beroeten, werkwoord, met roetaanslag bedekt worden
beroezen, beroezen, werkwoord, in z’n werk, activiteiten blijven steken, er niet mee klaar komen
beroken, beroken, werkwoord, rook blazen over
beroker, beroker, zelfstandig naamwoord, de; soort blaasbalg voor het beroken van bijen
berooiing, berooiing, berooiige, zelfstandig naamwoord, de 1. berekening, inschatting 2. vermogen, mogelijkheid om te taxeren
beroppen, beroppen, werkwoord, 1. aanpakken, zich ertoe zetten en het fiksen 2. voortdurend rukken en trekken
beruiken, beroeken, werkwoord, beruiken
bes, beie, bi’je, zelfstandig naamwoord, de; bei, bes
bes, besse, zelfstandig naamwoord, de; bes (weinig gebruikelijk)
besarbak, besarbak, zelfstandig naamwoord, de; gegalvaniseerd teiltje met twee oren (voor het wassen)
besarblik, besarblik, zelfstandig naamwoord, de; gegalvaniseerd teiltje met twee oren (voor het wassen)
besausd, besausd, bijvoeglijk naamwoord, beduusd, ontsteld
beschadigen, beschaedigen, werkwoord, beschadigen
beschamen, beschaemen, werkwoord, beschamen
bescharrelen, bescharrelen, werkwoord, 1. door hard werken aan geld en/of goed bijeenbrengen, verdienen 2. al het werk doen 3. zoekend en tastend met iets omgaan 4. bezig zijn met scharrelen, in meerdere bet.
bescheid, bescheid, zelfstandig naamwoord, et 1. bescheid, antwoord, bericht als reactie, tijding 2. (bij bep. tikspelen) geroepen als men op een bep. plaats was waar men niet meer getikt mocht worden 3. (mv.) akten, bewijsstukken
bescheiden, bescheiden, bijvoeglijk naamwoord, 1. nederig, ingetogen, zonder inbeelding, eenvoudig 2. niet opdringerig, zich niet op de voorgrond begevend 3. niet groot, niet ruim
bescheidenheid, bescheidenhied, zelfstandig naamwoord, de; bescheidenheid, het bescheiden zijn
bescheren, bescheren, werkwoord, in et mit de gek bescheren een grappige wending aan iets geven i.p.v. het op ruzie te laten aankomen of er zeer serieus op in te gaan
beschermen, bescharmen, beschaarmen, werkwoord, beschermen
beschermkap, bescharmkappe, zelfstandig naamwoord, de; beschermkap
beschermlaag, bescharmlaoge, zelfstandig naamwoord, de; laag ter bescherming
bescheten, bescheten, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. met uitwerpselen bevuild 2. pips, bleek, ietwat ziekelijk 3. sneu, sip, teleurgesteld kijkend 4. belazerd, nadeel ondervindend 5. gebrek, krapheid ondervindend, vooral m.b.t. de tijd voor iets, het materiaal dat men heeft 6. bekakt
bescheuren, bescheuren, werkwoord, (zich) bescheuren, bijv. Ie zollen je bescheuren van ’t lachen
beschieten, beschieten, werkwoord, 1. schieten op iets of iemand 2. een oppervlakte met planken e.d. bekleden
beschijnen, beschienen, werkwoord, beschijnen
beschijten, beschieten, werkwoord, 1. (ruw) schijten op of in 2. bedriegen
beschijter, beschieter, zelfstandig naamwoord, de; iemand die anderen belazert
beschijterij, beschieteri’je, zelfstandig naamwoord, de; het belazeren
beschikbaar, beschikber, bijvoeglijk naamwoord, beschikbaar
beschikken, beschikken, werkwoord, 1. besluiten, beslissen 2. de beschikking hebben over, gebruik kunnen maken 3. regelen, bijv. in Aj’ wat naolaoten willen, moej’ daor bi’j testement over beschikken
beschikking, beschikking, beschikkinge, zelfstandig naamwoord, de 1. regeling, het geheel aan regels 2. de macht tot handelen hebbend
beschoeien, beschoeien, werkwoord, van beschoeiing voorzien
bescholen, beschoeld, bijvoeglijk naamwoord, met beschutting, veilig van alles afgeschermd
beschonen, beschonen, beschonigen, werkwoord, 1. besparen, bezuinigen 2. verschoond/gevrijwaard zijn van, gespaard zijn voor 3. in bescherming tegen beschuldigingen nemen 4. schoonmaken, opschonen, opruimen
beschoren, bescheuren, bijvoeglijk naamwoord, beschoren
beschorseld, beschosseld, bijvoeglijk naamwoord, enigszins bevroren: van het dunne bovenlaagje van de grond enz.
beschorselen, beschusselen, beschosselen, werkwoord, 1. doen, regelen 2. de noodzakelijke dingen doen in de huishouding, in de verzorging van een huishouding 3. beschosseld raken
beschot, beschot, zelfstandig naamwoord, et 1. houten bekleedsel, vooral van wanden 2. houten wand (vaak van planken) tussen of om ruimten 3. sterkte, stevigheid qua bouw 4. oogst (van gewas)
beschoten, bescheuten, bijvoeglijk naamwoord, beschoten, als volt. deelw. van beschieten, bet. 2, vooral in (een) bescheuten dak
beschotwand, beschotwaand, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als beschot, bet. 2
beschouwen, beschouwen, werkwoord, 1. beoordelen, afwegen 2. zien als 3. nader bezien, in op ’e keper beschouwen
beschrappen, beschrippen, werkwoord, ijverig met iets bezig zijn, zich ervoor inspannen en het afmaken, afronden; et beschript hebben het werk gedaan hebben, m.n.: aan het eind van de dag
beschrijven, beschrieven, werkwoord, 1. schrijven op 2. (licht negatief) steeds schrijven 3. door te vertellen uitbeelden 4. schriftelijk opsommen, vastleggen, bepalen 5. veel inhouden, veel impact hebben 6. bij provisionele verkoop een bod uitbrengen
beschrijversgeld, beschrieversgeld, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als striekgeld
beschrijving, beschrieving, zelfstandig naamwoord, de 1. het schrijven op 2. uiteenzetting 3. schildering 4. voorlopige koopovereenkomst in geschrifte 5. het beschrieven in bet. 6
beschuil, beschoel, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als verschoel
beschuimen, beschoemen, werkwoord, bezig zijn met schoemen, bet. 1
beschuit, beschute, beschuut, zelfstandig naamwoord, de; beschuit
beschuitbakker, beschutebakker, beschuutbakker, zelfstandig naamwoord, de; beschuitbakker
beschuitblik, beschuteblik, zelfstandig naamwoord, et; beschuitblik: bus waarin men beschuit verpakt, bewaart
beschuitbrij, beschutebri’j, zelfstandig naamwoord, de; beschuitpap, pap van melk met beschuit
beschuitbrugge, beschutebrogge, zelfstandig naamwoord, de; stuk roggebrood met beschuit
beschuitbus, beschutebusse, beschuutbusse, zelfstandig naamwoord, de; beschuitbus
beschuitfabriek, beschutefebriek, zelfstandig naamwoord, de; beschuitfabriek
beschuitkruimel, beschutekrummel, zelfstandig naamwoord, de; beschuitkruimel
beschuitmes, beschutemes, zelfstandig naamwoord, et; mes waarmee men beschuit snijdt
beschuittrom, beschutetromme, beschuuttromme, zelfstandig naamwoord, de; beschuitbus, vroeger vaak aan de muur
beschutting, beschutting, beschuttige, zelfstandig naamwoord, de 1. het beschutten 2. beschutsel, dat wat beschut 3. plaats of situatie waarin men beschut is
besef, besef, zelfstandig naamwoord, et 1. het zich bewust zijn, tegenwoordigheid van geest 2. voorstelling, benul
beseibeld, besiepeld, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. gek geworden, van de pot gerukt 2. beteuterd
beseibelen, besiepelen, werkwoord, misleiden, foppen, zie ook beseibelen
beseibelen, beseibelen, werkwoord, 1. bedriegen (zie ook besiepelen) 2. hetz. als bezieveren
besingelen, besingelen, werkwoord, 1. van een houtsingel voorzien 2. besluipen en evt. insluiten 3. in Et blad van de hortensia is een betien besingeld aan de randen een beetje bevroren
besjacherarij, besjachelderi’je, zelfstandig naamwoord, de; besjoemelarij
besjacherd, besjacheld, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, krankjorem, zot
besjacheren, besjachelen, werkwoord, bedriegen, belazeren, besjoemelen, vooral: in financiële zin
besjanteren, besjaantelen, werkwoord, zeuren
besje, bessien, zelfstandig naamwoord, et 1. besje, oude vrouw 2. in een oold bessien een oud dier, voorwerp
besjesgort, bessiesgotte, zelfstandig naamwoord, de; watergruwel
besjeshuis, bessienhuus, zelfstandig naamwoord, et; bejaardentehuis
beslaan, beslaon, werkwoord, 1. op iets slaan 2. voortdurend slaan 3. met iets beslaan, bedekken, nl. door het vast te zetten 4. ijzers onder de hoeven aanbrengen 5. aan ruimte innemen, aan ruimte bevatten 6. een laagje vocht over de oppervlakte krijgen 7. uitdraaien op
beslabben, beslabben, werkwoord, 1. door knoeien, morsen zich vuil maken, beslabberen 2. belazeren
beslag, beslag, zelfstandig naamwoord, et 1. beslag voor wat gebakken gaat worden 2. beslag aan vee, veebeslag 3. datgene waarmee beslagen is: m.b.t. een deur, een kist, een kast, schoeisel e.d., ook: hoefbeslag 4. arrest op goederen in juridische zin, in verb.: in beslag nemen 5. bezit, in in beslag nemen 6. ruimte, in in beslag nemen 7. in zien beslag kriegen uitgevoerd worden
beslag leggen, beslagleggen, werkwoord, aanbrengen van een ijzeren hoep om een wiel
beslagkom, beslagkoeme, zelfstandig naamwoord, de; beslagkom
beslanteren, beslaanteren, beslonteren, werkwoord, bemorsen
beslapen, beslaopen, werkwoord, 1. beslapen, slapen op 2. een tijdje overwegen 3. uitgeslapen, in bijv. Die is niet zo best beslaopen nogal sloom
beslifferen, besleiferen, werkwoord, 1. steeds rondhangen, steeds rondslenteren 2. een vrouw tot gemeenschap weten te krijgen
beslijmen, besliemen, werkwoord, van een laagje slijm voorzien
beslijpen, besliepen, werkwoord, 1. beslijpen 2. steeds slijpen
beslikken, beslikken, werkwoord, 1. hetz. als behemmelen, bet. 1, bijv. Dat moej’ mar wat beslikken 2. steeds slikken
beslingeren, beslingeren, werkwoord, hetz. als ommeslingeren, bet. 1
beslinken, beslinken, werkwoord, inkrimpen bij de bereiding
beslist, beslist, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vastberaden; absoluut, hoe dan ook
besloffen, besloffen, werkwoord, afkunnen, zodanig bijhouden van werk, klussen dat men het af krijgt
beslommeren, beslommeren, werkwoord, bijhouden van het werk, aankunnen
beslommernis, beslommernis, beslommernisse, zelfstandig naamwoord, de; beslommering, zorg
beslot, beslot, zelfstandig naamwoord, et; vaste samenhang, stevig verband in het model waarin concrete dingen horen, bijv. uut beslot wezen d.i. ook: ziek zijn, niet goed gaan (met iemand); van iemand die veel eet: Hej’ gien beslot in de maege?
besloten, besleuten, bijvoeglijk naamwoord, besloten: resoluut, in goed besleuten
besloven, besloven, werkwoord, 1. door hard werken afkunnen, zo hard werken/klussen dat men het af krijgt, aan kan 2. steeds hard werken
besluipen, besloepen, beslupen, werkwoord, besluipen
besluit, besluut, zelfstandig naamwoord, et 1. besluit dat men neemt 2. in tot besluut tot besluit, als laatste
besluiteloos, besluteloos, bijvoeglijk naamwoord, besluiteloos
besluiten, besluten, werkwoord, 1. besluiten, een besluit nemen 2. insluiten, opsluiten
besluitenlijst, besluteliest, zelfstandig naamwoord, de; besluitenlijst
besmelten, besmulten, werkwoord, verder ineengaan, in omvang afnemen door smelten
besmeren, besmeren, werkwoord, 1. bestrijken met materiaal dat men kan smeren 2. bevuilen, bemorsen
besmettelijk, besmettelik, besmetlik, bijvoeglijk naamwoord, 1. besmettelijk, in staat tot infectie 2. snel bevlekt/bevuild
besmettingsgevaar, besmettingsgeveer, zelfstandig naamwoord, et; besmettingsgevaar
besmettingskans, besmettingskaans, zelfstandig naamwoord, de; besmettingskans
besmoesjassen, besmousjassen, werkwoord, besmoezen
besmotsen, besmotsen, werkwoord, bevuilen, smerig maken
besneden, besneden, bijvoeglijk naamwoord, 1. besneden: mooi van vorm, de goeie vorm hebbend 2. de besnijdenis ondergaan hebbend
besnijden, besnieden, werkwoord, 1. door snijden vormen, bewerken 2. de besnijdenis uitvoeren 3. door te snijden castreren 4. voortdurend snijdend bezig zijn
besnijderen, besniederen, werkwoord, kleren maken
besnitten, besnitten, werkwoord, zie ook besnitteren 1. bespuiten met kleine straaltjes 2. op z’n kop geven
besnitteren, besnitteren, werkwoord, met vloeistof bespuiten, besproeien (vaak: met water)
besnoeien, besnuuien, besnuien, besnujjen, werkwoord, 1. snoeiend bewerken (van heesters, bomen, houtwallen enz.) 2. kappend bijwerken 3. snoeien in uitgaven 4. nieuwsgierig bekijken 5. steeds snuuiend bezig zijn, zie snuuien
besnotteren, besnotteren, werkwoord, 1. voortdurend bezig zijn met snuiten 2. voortdurend huilen, grienen
besnuiven, besnoeven, werkwoord, 1. door te snuiven onderzoeken 2. voortdurend snuiven
besodemieterd, besodemieterd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. besodemieterd, niet goed wijs 2. geschrokken, aangeslagen, bijv. besodemieterd toekieken
besodemieteren, besodemieteren, besojemieteren, werkwoord, 1. besodemieteren, belazeren 2. knoeiend of dom bezig zijn
besodemieterij, besodemieterderi’je, zelfstandig naamwoord, de 1. het bedriegen, het besodemieteren 2. het gedoe, het besodemieteren in bet. 2
besouwd, besouwd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, erg onder de indruk
besouwen, besouwen, werkwoord, zich ergeren
besparen, besperen, bespaeren, werkwoord, 1. uitsparen, overhouden, verkrijgen door zuinig of handig te zijn 2. onnodig maken, uitwinnen 3. niet belasten met, zorgen dat iets niet hoeft te worden ondergaan
besparing, bespering, bespaering, zelfstandig naamwoord, de 1. het besparen 2. dat wat wordt uitgespaard, bespaard
bespartelen, bespattelen, besparrelen, werkwoord, 1. voortdurend spartelen, met armen en benen heen en weer slaan, druk doen 2. door druk te zijn, doen z’n werk allemaal uitvoeren (vooral: door lichamelijke arbeid) 3. geld verdienen zodanig dat men zich redelijk kan redden in financieel opzicht, het redden in financieel opzicht
bespatteren, bespatteren, werkwoord, bespatten
bespelen, bespeulen, werkwoord, 1. spelen op (een muziekinstrument) 2. voor een sport als veld benutten 3. zodanig indruk maken dat de ander geboeid blijft, zich laat leiden door
bespierd, bespierd, bijvoeglijk naamwoord, flink van spieren voorzien
bespijkeren, bespiekeren, werkwoord, 1. bespijkeren: met spijkers beslaan 2. op iets vastmaken met spijkers 3. dicht maken door te spijkeren
bespinnen, bespinnen, werkwoord, verdienen door goed te produceren, door z’n bedrijf goed te runnen
bespitten, bespitten, werkwoord, 1. spittend bewerken (van een tuin, akker, enz.) 2. in z’n geheel spittend bewerken 3. voortdurend, slordig of dom spittend bezig zijn 4. door spitten bereiken, naar boven halen
bespoken, bespoeken, werkwoord, iets uitspoken, met onduidelijke of kennelijk heimelijke bedoelingen activiteiten uitvoeren
bespraakt, bespraokt, bijvoeglijk naamwoord, bespraakt, welsprekend
besprek, besprek, zelfstandig naamwoord, et; besprek: mondelinge onderhandeling
besprenkelen, besprenkelen, besprinkelen, bespraankelen, werkwoord, 1. met druppels bevochtigen 2. veel alcohol drinken op een feest
bespringen, bespringen, werkwoord, 1. met een sprong bereiken 2. in z’n geheel betalen 3. springen op, om als prooi te pakken 4. door mannelijke dieren: dekken 5. steeds springen
besproeien, bespruuien, besprujjen, bespruien, werkwoord, 1. door te sproeien nat maken, bevochtigen 2. bespuiten met insecticiden 3. voortdurend sproeiend bezig zijn
bespuwen, bespi’jen, werkwoord, 1. door speeksel te spugen bevuilen 2. door braaksel te spugen bevuilen 3. voortdurend spugen (met speeksel)
besseldraad, besseldraod, besdraod, bessedraod, zelfstandig naamwoord, de; besseldraad, rijgdraad
besselgaren, besselgaoren, besgaoren, bessegaoren, zelfstandig naamwoord, et; rijggaren
bessen, bessen, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als bessenbranewien of bessenjenever
bessen, bessen, besselen, werkwoord, kleding met rijgdraden in elkaar zetten
bessenbos, bessebos, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als blekberpolle
bessenbrandewijn, bessenbranewien, bessebranewien, zelfstandig naamwoord, de 1. brandewijn (van bessen) 2. glaasje daarvan
bessenjam, bessesjem, zelfstandig naamwoord, de; bessenjam
bessenjam, beiesjem, zelfstandig naamwoord, de; jam van bessen
bessenjenever, bessenjenever, bessejenever, zelfstandig naamwoord, de; bessenjenever
bessenplukken, beieplokken, werkwoord, bessen plukken
bessenpol, bessepolle, zelfstandig naamwoord, de; bessenstruik
bessenpol, beiepolle, zelfstandig naamwoord, de; bessenstruik
bessenpudding, bessepudding, zelfstandig naamwoord, de; bessenpudding
bessenroetsjen, beieroetsen, werkwoord, hetz. als beiestrupen
bessensap, beiesap, zelfstandig naamwoord, de; sap van bessen
bessensap, bessesap, zelfstandig naamwoord, et, de; bessensap
bessenstropen, beiestrupen, werkwoord, met een afstropende beweging bessen van een tak halen
bessenstruik, bessestruke, zelfstandig naamwoord, de; bessenstruik
bessenstruik, beiestruke, zelfstandig naamwoord, de; bessenstruik
bessenwijn, bessewien, zelfstandig naamwoord, de; bessenwijn
bessenyoghurt, besse-yoghurt, zelfstandig naamwoord, de; kant en klare yoghurt met bessen erdoor
best, best, baest, zelfstandig naamwoord, et 1. mooist, gunstigst, voordeligst 2. voordeel, nut, bestwil, zie ook beste 3. uiterste inspanning, intensiviteit 4. (geen lidw.) zondagse dracht, de zondagse/netste kledij
best, best, baest, tussenwerpsel, best, goed
best, best, beste, baest, bijwoord, 1. in et best(e) het best, beter dan iets of iemand anders 2. erg goed, op een goede manier 3. in ruime mate, op royale wijze 4. heel wel mogelijk, best wel 5. beslist, zonder meer, echt wel 6. gemakkelijk, probleemloos, soepel 7. fortuinlijk, voordelig 8. in hoge mate
best, best, baest, bijvoeglijk naamwoord, 1. best, het hoogst te waarderen 2. (bij het nadrukkelijk aanspreken) waarde 3. erg goed, van hoge kwaliteit, adequaat 4. aanzienlijk in waarde, groot in omvang 5. van flinke kracht, met flink effect 6. gunstig, fortuinlijk 7. wel goed, o.k. 8. goedhartig, goudeerlijk, zeer betrouwbaar/degelijk en prettig in de omgang 9. gezond, niet ziekelijk
bestaan, bestaon, zelfstandig naamwoord, et 1. het zijn 2. het leven 3. inkomen, de bestaansmiddelen
bestaan, bestaon, werkwoord, 1. er zijn, zich in de werkelijkheid voordoen 2. samengesteld zijn uit 3. leven, in z’n onderhoud voorzien, kunnen draaien (financieel) 4. zich (kunnen) voordoen, reëel zijn, mogelijk zijn 5. standhouden
bestaanbaar, bestaonber, bijvoeglijk naamwoord, 1. bestaanbaar, mogelijk 2. goed kunnende bestaan, waardoor men een goed bestaan kan hebben
bestamelen, bestaemeren, werkwoord, (negatief) stamelend uiten
bestand, bestaand, bijvoeglijk naamwoord, bestand (tegen), sterk genoeg om te weerstaan
bestand, bestaand, zelfstandig naamwoord, et 1. wapenstilstand 2. het blijven voortduren 3. dat wat er groeit van een bep. gewas 4. adressenbestand e.d., ook: bestand binnen een bep. computerprogramm
bestappen, bestappen, werkwoord, 1. bestappen, stappend bereiken 2. voortdurend stappen
beste, beste, baeste, zelfstandig naamwoord, et 1. bestwil, nut, zie ook best, bet. 2 2. uiterste inspanning 3. het best denkbare, wat het beste geacht moet worden
besteden, besteden, werkwoord, 1. zorg, kracht aanwenden (voor) 2. op een bepaalde wijze gebruiken 3. uitgeven voor een bep. doel 4. in de kost doen, uitbesteden 5. in een tijdelijke betrekking gaan, vooral: zich uitbesteden als meid of knecht
besteigeren, besteigeren, werkwoord, steeds rondstappen
bestek, bestek, zelfstandig naamwoord, et 1. tafelbestek 2. bestek van een bouwwerk 3. goed vorm, fatsoenlijk model 4. iemand met een onevenredige lichaamsbouw, iemand die er raar uitziet 5. plan, voornemen 6. kader waarbinnen men werkt of hoort te werken
bestel, bestel, zelfstandig naamwoord, et 1. opzet, toeleg, plan 2. in in bestel op komst, gewenst om te komen
besteldatum, besteldaotum, zelfstandig naamwoord, de; besteldatum
bestelkaart, bestelkaorte, zelfstandig naamwoord, de; bestelkaart
bestellen, bestellen, werkwoord, 1. tegen betaling doen bezorgen, laten sturen 2. door de bediening in een café e.d. laten brengen 3. in brieven bestellen 4. opdracht geven om te doen 5. bedoelen, aanwijzen met een bep. bestemming 6. nodig hebben aan tijd, in verb.
besteller, besteller, zelfstandig naamwoord, de; brievenbesteller
bestellerig, bestellerig, bijvoeglijk naamwoord, geneigd anderen op te dragen, te commanderen
bestelling, bestelling, zelfstandig naamwoord, de 1. het thuisbezorgen van de post 2. opdracht om te leveren, te brengen, te doen 3. dat wat men heeft besteld
bestelnummer, bestelnommer, zelfstandig naamwoord, et; bestelnummer
bestemming, bestemming, zelfstandig naamwoord, de 1. doel waarvoor men bestaat, lot 2. reisbestemming 3. geschikt doel, zinvolle beschikking over iets
bestendig, bestendig, bijvoeglijk naamwoord, 1. niet veranderlijk, niet wispelturig, niet onevenwichtig 2. bestand tegen iets, blijvend 3. van kracht, blijvend door een testament
besterven, bestarven, bestaarven, werkwoord, 1. sterven, tenietgaan 2. (m.b.t. slachtdieren) de allereerste versheid van het vlees verliezen 3. afsterven: m.b.t. planten
bestieren, bestieren, werkwoord, bestieren: rondkomen, bijv. Wi’j kun ’t wel bestieren we kunnen wel rondkomen
bestig, bestig, bijvoeglijk naamwoord, best, prima, bestig, vaak als antwoord op de vraag hoe het gaat
bestigheid, bestighied, zelfstandig naamwoord, de 1. kwaliteit 2. goede aard, goed karakter, goede bedoelingen
bestijven, bestieven, werkwoord, stijf worden van een slachtdier, nadat het is gedood
bestippelen, bestippelen, werkwoord, 1. van stippels voorzien 2. voortdurend bezig zijn met het maken van stippen
bestoppen, bestoppen, werkwoord, 1. ondergraven, bedekken met aarde, in het bijzonder: afdekken met stro, grond, met name in geval van een kuil waarin aardappelen of bieten worden bewaard 2. begraven, ter aarde bestellen 3. instoppen (in bed)
bestralen, bestraolen, werkwoord, 1. bestralen 2. bestraling toepassen (als geneeswijze)
bestraling, bestraoling, zelfstandig naamwoord, de; bestraling
bestraten, bestraoten, werkwoord, bestraten
bestrating, bestraoting, zelfstandig naamwoord, de 1. bestrating: het bestraten 2. het plaveisel van straatstenen
bestreken, bestreken, bijvoeglijk naamwoord, 1. bewerkt door bestrieken bet. 3 2. bewerkt door bestrieken bet. 6
bestrijden, bestrieden, werkwoord, 1. strijden tegen, een einde proberen te maken aan 2. met argumenten aanvallen 3. voortdurend ruziën
bestrijding, bestrieding, zelfstandig naamwoord, de; het bestrieden, vooral: van plagen, ziektes en ander ongemak
bestrijken, bestrieken, werkwoord, 1. strijkend bewegen over, langs 2. (van paarden) zich voortbewegen waarbij de voor- en/of achterpoten tegen elkaar strijken, slaan 3. strijkend smeren over, op 4. iemand doen genezen door op, over een deel van z’n lichaam te strijken 5. iets goedpraten, vergoelijkend praten over 6. brandstof die nog gloeit bewaren door er as over te ’strijken’ (zodat het gloeiende materiaal blijft, waarmee men de volgende morgen weer vuur kan maken) 7. qua oppervlakte inhouden 8. inhouden, met zich meebrengen 9. in staat zijn te betalen 10. voortdurend bezig zijn met strieken (in meerdere bet.)
bestrijklap, bestrieklappe, zelfstandig naamwoord, de; strijklap, nl. ter bescherming van de benen van het paard
bestrooien, bestri’jen, bestruien, bestrujjen, werkwoord, door strooien bedekken, bijv. et laand bestri’jen mit keunstmest
bestruinen, bestrunen, werkwoord, 1. stiekem mensen naderen om ze te bespieden, wanneer ze nietsvermoedend bezig zijn, niet gezien of beluisterd willen worden omdat ze in het geheim overleggen, een verboden handeling uitvoeren, vrijen, minnekozen 2. steeds bezig zijn met strunen, steeds stiekem heen en weer lopen zonder heldere bedoelingen
bestsoortig, bestsoortig, bijvoeglijk naamwoord, goed qua soort, ras
bestuiven, bestoeven, werkwoord, 1. bestuiven: met zand, stof 2. bestoven raken met zand, stof 3. zich druk van hot naar her begeven
bestuiveren, bestuveren, werkwoord, betalen, financieel aankunnen
bestuiving, bestoeving, zelfstandig naamwoord, de; bestuiving (met stuifmeel)
besturen, besturen, werkwoord, 1. regelen, afdoen 2. leiden
bestuur, bestuur, zelfstandig naamwoord, et 1. bestuur van een vereniging, overheid enz. 2. in uut bestuur wezen een beetje ziek zijn (m.b.t. verkoudheid, griep, een ontregelde spijsvertering enz.), ook: enigszins van streek; verder in Et is uut bestuur het loopt niet goed
bestuurd, bestuurd, bijvoeglijk naamwoord, in Et huj is bestuurd de hooioogst is binnen, het hooien is klaar
bestuurlijk, bestuurlik, bijvoeglijk naamwoord, bestuurlijk
bestuursapparaat, bestuursapperaot, zelfstandig naamwoord, et; bestuursapparaat
bestuursbaan, bestuursbaentien, zelfstandig naamwoord, et; bestuursfunctie
bestuursbesluit, bestuursbesluut, zelfstandig naamwoord, et; bestuursbesluit
bestuurslaag, bestuurslaoge, zelfstandig naamwoord, de; bestuurslaag
bestuurslichaam, bestuurslichem, zelfstandig naamwoord, et; bestuurslichaam
bestuurslidmaatschap, bestuurslidmaotschop, zelfstandig naamwoord, et; bestuurslidmaatschap
bestuurstafel, bestuurstaofel, zelfstandig naamwoord, de; bestuurstafel
bestuursvergadering, bestuursvergeerdering, zelfstandig naamwoord, en var. de; bestuursvergadering
bestuursvoorstel, bestuursveurstel, zelfstandig naamwoord, et; bestuursvoorstel
besussen, besussen, besusteren, werkwoord, kalmerend spreken, tot bedaren brengen: van boosheid, ruzie
betaalbaar, betaelber, bijvoeglijk naamwoord, betaalbaar
betaalbewijs, betaelbewies, zelfstandig naamwoord, et; betaalbewijs
betaald, betaeld, bijvoeglijk naamwoord, 1. betaald, in: iene wat betaeld zetten 2. verder in betaeld voetbal
betaalkaart, betaelkaorte, zelfstandig naamwoord, de; betaalkaart: creditcard, electronische betaalkaart
betaalrekening, betaelrekinge, betaelreken, zelfstandig naamwoord, de; betaalrekening
betaaltermijn, betaeltermien, zelfstandig naamwoord, de; betalingstermijn
betalen, betaelen, werkwoord, 1. door geld te geven vergoeden, een rekening vereffenen 2. gewoonlijk uitbetalen aan salaris, loon, vergoeden
betaler, betaeler, zelfstandig naamwoord, de; betaler
betaling, betaeling, zelfstandig naamwoord, de; betaling
betalingsbewijs, betaelingsbewies, zelfstandig naamwoord, et; betalingsbewijs
betalingstermijn, betaelingstermien, zelfstandig naamwoord, de; betalingstermijn
betasten, betaasten, werkwoord, betasten, bevoelen
betekenen, betekenen, werkwoord, 1. inhouden als begrip, te omschrijven zijn als 2. aanduiden, een signaal zijn van 3. voorstellen, impact hebben, bijv. in Dat betekent nogal wat! brengt nogal wat met zich mee
betekenis, betekenis, betekenisse, zelfstandig naamwoord, de; betekenis
betengelen, betingelen, werkwoord, betingelen, van tingels voorzien
beter, beter, zelfstandig naamwoord, iets dat/iemand die beter is, bijv. bi’j gebrek an beter
beter, beter, beterder, bijvoeglijk naamwoord, 1. met meer kwaliteit(en) 2. geheel of min of meer genezen 3. in een gunstiger financiële positie, in gunstiger maatschappelijke of lichamelijke omstandigheden, fortuinlijker 4. meer te verkiezen
beteren, beteren, werkwoord, aflopen, eindigen, bijv. in Et is nog goed beteerd goed afgelopen
beteren, beteren, werkwoord, 1. beter worden, herstellen 2. zorgen dat men zich beter gedraagt
beterschap, beterschop, zelfstandig naamwoord, de 1. betere gezondheid 2. in beterschop beloven beter gedrag toezeggen
beteuten, beteuten, werkwoord, roddelend praten
beteuterd, beteuterd, betuterd, bijvoeglijk naamwoord, beteuterd, op z’n neus kijkend, enigszins verslagen
betichten, betochten, werkwoord, verdenken
betiemen, betiemen, werkwoord, in betiemen laoten z’n gang laten gaan, laten betijen
betijen, beti’jen, bedi’jen, werkwoord, in beti’jen laoten laten blijven wat het is, even niet komen aan, met rust laten, z’n gang laten gaan
betimmeren, betimmeren, werkwoord, 1. van timmerwerk voorzien 2. met timmerwerk afdekken 3. voortdurend timmerend bezig zijn
betimmering, betimmering, zelfstandig naamwoord, de 1. het betimmeren 2. timmerwerk waarmee men afdekt, afwerkt
Betje, Betje, in Tante Betje kriegen e.d.: gaan menstrueren
betoefd, betoeft, bijvoeglijk naamwoord, met een kuif, haardos
betoefd, betoefd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. handig en bijdehand of ervaren, bij de pinken 2. in Die komt d’r betoefd of hij komt er niet zo best af
betoeterd, betoeterd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. betoeterd, beteuterd, ook: er slecht uitziend bij ziekte 2. gek geworden, belazerd, in verb. als Bi’j’ betoeterd!
betonbrug, betonbrogge, zelfstandig naamwoord, de; betonbrug
betonfabriek, betonfebriek, zelfstandig naamwoord, de; betonfabriek
betonijzer, betoniezer, zelfstandig naamwoord, et; betonijzer: ijzer waarmee beton gewapend wordt
betonlaag, betonlaoge, zelfstandig naamwoord, de; betonlaag
betonmolen, betonmeule, zelfstandig naamwoord, de; betonmolen
betonpaal, betonpaol, zelfstandig naamwoord, de; betonpaal
betonplaat, betonplaete, zelfstandig naamwoord, de; betonplaat
betonschaaf, betonschaeve, zelfstandig naamwoord, de; fopmiddel, nl. gefingeerde schaaf voor het halen waarvan men bij wijze van grap kinderen, aankomende knechtjes e.d. op pad stuurde
betonschaar, betonschere, zelfstandig naamwoord, de; fopmiddel, nl. gefingeerde schaar voor het halen waarvan men bij wijze van grap kinderen, beginnende knechtjes e.d. op pad stuurde
betraand, betraond, bijvoeglijk naamwoord, betraand
betrappen, betrappen, werkwoord, 1. betrappen, overvallen bij iets dat niet mag 2. voortdurend trappen op, trappen tegen, van koeien op hun eigen spenen als ze liggen, bijv. een utter betrappen
betrekkelijk, betrekkelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, betrekkelijk
betrekken, betrekken, werkwoord, 1. in of bij een zaak halen, erbij betrekken 2. gemeenschap hebben met een vrouw, vaak: na verleiding of dwang 3. dekken door mannelijke dieren 4. (van de lucht) bedekt raken met wolken 5. (van het gezicht) een sombere uitdrukking krijgen
betrokken, betrokken, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. ietwat ziekelijk ogend, pips, bleek 2. bedrukt, somber, in betrokken toekieken 3. (van de lucht) met wolken bedekt 4. bij iets betrokken, betreffend
betrokkenheid, betrokkenhied, zelfstandig naamwoord, de; betrokkenheid
betrouwbaarheid, betrouwberhied, zelfstandig naamwoord, de; betrouwbaarheid
betrouwd, betrouwd, bijvoeglijk naamwoord, 1. vertrouwd, veilig 2. betrouwbaar
betrouwen, betrouwen, zelfstandig naamwoord, et; betrouwen, vertrouwen
betrouwen, betrouwen, werkwoord, betrouwen, door te trouwen verwerven, bijv. hiel wat betrouwen uit een huwelijk veel financieel voordeel halen
betrouwzaam, betrouwzem, bijvoeglijk naamwoord, betrouwbaar
betuigen, betugen, werkwoord, 1. betuigen, nadrukkelijk uitspreken 2. bewijzen 3. van een tuig voorzien
betuimeld, betumeld, bijvoeglijk naamwoord, suf, bijna buiten westen
betuin, betunen, meervoud, beschoeiingen
betuinen, betunen, werkwoord, betuinen: omheinen, ook: beschoeien
betuining, betuning, zelfstandig naamwoord, de; beschoeiing langs een waterkant
betuntelen, betuntelen, werkwoord, 1. voortdurend kletsen, babbelen 2. bekokstoven, bekonkelen 3. door er over te praten sussen, verzachten
betweter, beetweter, zelfstandig naamwoord, de; betweter
betweterig, beetweterig, bijvoeglijk naamwoord, betweterig
betwijfelen, betwiefelen, werkwoord, betwijfelen
beu, beu, beu, bijv. d’r beu van wezen het beu zijn
beugel, beugel, zelfstandig naamwoord, de 1. bep. boog die men bij het maaien op de zeisboom zet en waarmee men het gemaaide bijeenhoudt om het in de gemaaide strook te leggen, vooral: bij lang gras en bij het maaien van graan 2. boog aan een hooihark, in een vorm van een langwerpig stuk ijzer tussen de kop van de hooihark en de stok 3. stijgbeugel 4. bep. toestel aan het been om het lopen te vergemakkelijken of om het kromgroeien te voorkomen 5. baggerbeugel 6. beugel als onderdeel van de sluiting van een weckfles, beugelfles 7. id. van de sluiting van een tas 8. beugel als onderdeel van een fuik 9. beugel waaraan een hangslot hangt 10. beugel in de mond gedragen, om de tanden geklemd, om die in de goede stand te doen groeien 11. valbeugel, o.m. op een tractor 12. beugel in het beugelspel 13. hetz. als liesterbeugel 14. sierbeugel om een kettingkast 15. hetz. als spanbeugel 16. bep. beugel aan een werphengel 17. bep. gereedschap bij het rietdekken 18. bep. beugel over een bed 19. in niet deur de beugel kunnen en in mar net/krek deur de beugel kunnen niet/ternauwernood acceptabel zijn
beugelbaan, beugelbaene, zelfstandig naamwoord, de; beugelbaan
beugelen, beugelen, werkwoord, de baggerbeugel hanteren
beugelfles, beugelflesse, zelfstandig naamwoord, de; beugelfles
beugeltas, beugeltasse, zelfstandig naamwoord, de; beugeltas
beugesluiting, beugelsluting, zelfstandig naamwoord, de; beugelsluiting
beuk, beuk, beuke, buuk, buke, buken, beuke-, buke-, zelfstandig naamwoord, de 1. bep. boom: beuk 2. hoofd- of zijbeuk in een kerk
beukel, bukel, boekel, zelfstandig naamwoord, de 1. beukennoot, zie ook beukeneute 2. zie beukeboom
beukelnoot, bukelneute, zelfstandig naamwoord, de 1. beukennoot, zie ook beukeneute 2. zie beukeboom
beukelzoeken, bukelzuken, werkwoord, beukennoten zoeken, rapen
beuken, boken, beuken, werkwoord, 1. beuken, hard slaan, ook inzake timmeren e.d. 2. hard tegen de wind ingaan
beukenblad, beukeblad, bukeblad, zelfstandig naamwoord, et; beukenblad
beukenboom, beukeboom, beukenboom, bukeboom, bukenboom, bukelboom, bukel, zelfstandig naamwoord, de; beukenboom
beukenbos, beukebos, bukebos, zelfstandig naamwoord, de; beukenbos
beukenheg, beukehede, beukehege, beukenhege, bukehege, bukenhege, bukenh, zelfstandig naamwoord, de; beukenheg, heg van haagbeuk
beukenhout, beukenhoolt, beukehoolt, bukehoolt, bukenhoolt, zelfstandig naamwoord, en var. et; beukenhout
beukenhouten, beukenhoolten, bijvoeglijk naamwoord, en var.; beukenhouten
beukenlaan, beukelaene, beukenlaene, bukelaen, bukenlaene, zelfstandig naamwoord, de; beukenlaan
beukennoot, beukeneute, bukeneute, bukenneute, bukentien, zelfstandig naamwoord, de; beukennoot
beukennootjes zoeken, beukeneutieszuken, werkwoord, beukennoten zoeken, rapen
beukenstam, beukestamme, bukestamme, zelfstandig naamwoord, de; beukenstam
beuker, beuker, zelfstandig naamwoord, de; klein kind van plm. 3, 4 jaar
beukerschool, beukerschoele, zelfstandig naamwoord, de; kleuterschool
beul, beul, zelfstandig naamwoord, de 1. beul (die het vonnis voltrekt) 2. iemand die dieren of andere personen graag pijnigt 3. onplezierige vent die van zijn werkvolk erg veel eist 4. man die zeer hard werkt (veelal: en die dat ook van anderen verwacht) 5. balk over de pasdoek
beulbek, beulbek, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die schreeuwt, die de gewoonte heeft hard te roepen 2. iemand die een groot woord voert in een overlegsituatie, vergadering 3. opschepper
beulen, beulen, werkwoord, 1. zeer hard roepen, aanhoudend hard en/of klagend schreeuwen 2. hard huilen schreeuwen, vaak door kinderen 3. loeien van vee
beulen, beulen, werkwoord, 1. zeer hard werken, zwoegen, (zich) afbeulen 2. als een beul behandelen, bijv. Die boer beult zien peerd laat z’n paard hard werken en slaat en schopt het dier daarbij
beuler, beulderd, zelfstandig naamwoord, de 1. voortdurend hard loeiende koe 2. iemand die veel, voortdurend schreeuwt
beulswerk, beulswark, beulwark, zelfstandig naamwoord, et; enorm zwaar werk
beun, beun, beune, zelfstandig naamwoord, de, et 1. visbun, viskaar 2. hetz. als stap, bet. 2, boven een sloot e.d. 3. kippenrek 4. hooizolder 5. keukenzolder 6. (meestal mv.) de hoogte (van de grond) tussen de diepe sporen van de wagens
beunhaas, beunhaeze, zelfstandig naamwoord, de; beunhaas
beuren, beuren, werkwoord, 1. ontvangen van geld (voor werk, goederen) 2. in beuren meugen genoeg verdienen 3. opheffen, omhoog krijgen door tillen
beurs, beurs, beurze, zelfstandig naamwoord, de 1. geldbeurs 2. studiebeurs 3. koopmansbeurs 4. aandelenbeurs 5. goederenbeurs
beurscrisis, beurskrisis, zelfstandig naamwoord, de; beurscrisis
beursplek, beursplak, zelfstandig naamwoord, et, de; beurse plek in een appel e.d., ontstaan door de val van de boom
beurswaarde, beursweerde, zelfstandig naamwoord, de; beurswaarde
beurswinst, beursweenst, zelfstandig naamwoord, de; beurswinst
beurt, beurt, beurte, zelfstandig naamwoord, de 1. beurt 2. beurtdienst 3. onderhoudsbeurt, schoonmaakbeurt
beuzelen, buizelen, werkwoord, langzaam lopen
beuzelen, beuzelen, werkwoord, 1. knoeiend bezig zijn, niet opschieten met iets, gezegd bijv. van kinderen die uit school komen 2. opsmikkelen 3. flink werken, bezig zijn
bevademen, bevaemen, werkwoord, omvademen, omvatten met wijd uitgespreide armen en handen
bevaren, beveren, bevaeren, werkwoord, bevaren
bevel, bevel, zelfstandig naamwoord, et 1. bevel, commando 2. opdracht
bever, bever, zelfstandig naamwoord, et; bep. geweven stof: bevertien, van katoen, ook wel van wol
bever, beverd, zelfstandig naamwoord, de; het erg beven
bever, bever, zelfstandig naamwoord, de; bekend knaagdier: bever
bevergelijken, bevergelieken, werkwoord, twee of meer zaken met elkaar vergelijken
beverramen, bevraomen, werkwoord, voortdurend vraomen
bevertien, bevertien, zelfstandig naamwoord, et 1. bep. kledingstof: bevertien 2. kledingstuk van bevertien
bevertienen, beverties, bevertienen, bevers, bijvoeglijk naamwoord, bevers: van bep. stof: bevertien
bevestigen, bevestigen, werkwoord, 1. vastmaken 2. bekrachtigen 3. bevestigend reageren 4. met de waardigheid van predikant bekleden
bevestigingsdraad, bevestigingsdraod, zelfstandig naamwoord, de; draad waarmee men bevestigt
bevinding, beviening, zelfstandig naamwoord, de; waarneming, ondervinding
bevingeren, bevingeren, werkwoord, bevingeren: vooral: beduimelen
bevleesd, bevleisd, bijvoeglijk naamwoord, bevleesd, (goed) in het vlees zittend
bevliegen, bevliegen, werkwoord, 1. bevliegen, vliegend bereiken 2. voortdurend zich haastig van hot naar her begeven
bevoelen, bevulen, werkwoord, bevoelen, aan iets voelen, tasten
bevolkingsgroei, bevolkingsgruui, zelfstandig naamwoord, de; bevolkingsgroei
bevolkingsonderzoek, bevolkingsonderzuuk, zelfstandig naamwoord, et; bevolkingsonderzoek
bevoordelen, beveurdielen, werkwoord, en var.; bevoordelen
bevooroordeeld, beveuroordield, bijvoeglijk naamwoord, bevooroordeeld
bevoorraden, beveurraoden, werkwoord, bevoorraden
bevoorrecht, beveurrecht, bijvoeglijk naamwoord, bevoorrecht
bevorderen, bevodderen, werkwoord, 1. bevorderen: stimuleren, begunstigen qua werking 2. in rang bevorderen
bevreten, bevreten, werkwoord, 1. voortdurend vreten of met vretende bewegingen bezig zijn 2. eten/vreten ten koste van de ander/het andere dier (zodat die niks of veel minder krijgt)
bevriend, bevrund, bevrend, bevriend, bijvoeglijk naamwoord, bevriend
bewaaien, bewi’jen, werkwoord, bewaaien, waaiend zijn
bewaarappel, beweerappel, zelfstandig naamwoord, de; bewaarappel
bewaarkelder, beweerkelder, zelfstandig naamwoord, de; kelder om in op te bergen, te bewaren
bewaarplek, beweerplak, bewaerplak, zelfstandig naamwoord, et, de; bewaarplaats
bewaarschool, beweerschoele, bewaerschoele, zelfstandig naamwoord, de; bewaarschool, vroegere benaming voor kleuterschool
bewaken, bewaeken, werkwoord, bewaken
bewakingspersoneel, bewaekingspasseniel, zelfstandig naamwoord, et; bewakingspersoneel
bewandelen, bewaandelen, werkwoord, bewandelen (fig.)
bewapenen, bewaopenen, werkwoord, van wapens voorzien, bewapenen
bewapening, bewaopening, zelfstandig naamwoord, de 1. bewapening, datgene waarmee men bewapend is 2. het bewapend zijn
bewaren, beweren, bewaeren, werkwoord, 1. bewaren, niet wegdoen, zorgen dat het niet verloren/aangetast gaat worden 2. sparen, overhouden van iets met een bep. doel 3. behoeden, beschermen
bewassen, bewusken, bijvoeglijk naamwoord, veel, vaak gewassen
bewassen, bewassen, bijvoeglijk naamwoord, bewassen, begroeid
bewassen, bewasken, bewassen, werkwoord, 1. steeds de was voor iemand doen (als betaald werk), in iene bewasken 2. in iene bewasken iemand wassen die overleden is
bewateren, bewaeteren, werkwoord, bewateren: aan de werking van water blootstellen door een tijd in het water te laten liggen en daardoor duurzamer doen worden (van hout)
beweeglijk, bewegelik, bijvoeglijk naamwoord, beweeglijk: graag en veel bewegend, snel heen en weer bewegend
beweging, beweging, beweginge, zelfstandig naamwoord, de 1. beweging 2. drukte, gedoe van mensen 3. bedrijf, winkel, zaak om geld mee te verdienen 4. bep. eenheid van opvattingen over maatschappelijke zaken 5. aandrang, in uut eigen beweging uit eigen initiatief 6. gedoe, zaakje
beweren, beweren, bewaeren, werkwoord, beweren
bewerkelijk, bewarkelik, bewaarkelik, bijvoeglijk naamwoord, bewerkelijk
bewerken, bewarken, bewaarken, werkwoord, 1. door bewerking verbeteren, geschikt maken: bijv. om te oogsten 2. door lichamelijke arbeid schoon houden 3. door lichamelijke inspanning opwekken 4. door bewerking versieren 5. door te handelen zorgen voor, teweegbrengen 6 actief invloed in een bep. richting uitoefenen
bewerker, bewarker, bewaarker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die een tekst, een toneelstuk e.d. bewerkt
bewerking, bewarking, bewaarking, zelfstandig naamwoord, de 1. het bewerken, het bewerkt worden, ook: het bewerkstelligen 2. versiering door bewerking 3. bewerkte tekst, toneelstuk enz.
bewerkzaam, bewarkzem, bewaarkzem, bijvoeglijk naamwoord, bewerkelijk
bewijfd, bewiefd, bijvoeglijk naamwoord, (van vrouwen) er ouder uitzien door het kinderen krijgen
bewijs, bewies, zelfstandig naamwoord, et 1. bewijs, handeling van het bewijzen 2. teken 3. schriftelijke verklaring
bewijsexemplaar, bewiesexemplaor, zelfstandig naamwoord, et; bewijsexemplaar
bewijsje, bewiesien, zelfstandig naamwoord, et 1. een heel klein beetje van iets 2. klein beetje poep, bijv. ’t Kleine kiend had een bewiesien in de broek
bewijsnummer, bewiesnommer, zelfstandig naamwoord, et; bewijsnummer
bewijsstuk, bewiesstok, zelfstandig naamwoord, et; bewijsstuk
bewijzen, bewiezen, werkwoord, bewijzen, ook betuigen
bewogen, beweugen, bijvoeglijk naamwoord, bewogen, ontroerd
bewoonbaar, bewoonber, bijvoeglijk naamwoord, bewoonbaar
bewrijven, bewrieven, werkwoord, 1. bewrijven 2. voortdurend bezig zijn met wrijven
bewusteloosheid, bewustelooshied, zelfstandig naamwoord, de; bewusteloosheid
bezaagd, bezaegd, bijvoeglijk naamwoord, bezaagd
bezaaid, bezi’jd, bezaaid, bijvoeglijk naamwoord, bezaaid: overdekt met een groot aantal
bezaaien, bezi’jen, werkwoord, bezaaien: met zaad (e.d.) bestrooien
bezachten, bezaachten, werkwoord, 1. afnemen in pijn, hevigheid, ernst van een verwonding e.d. 2. afnemen in felheid, intensiteit van een ruzie
bezadigd, bezaodigd, bijvoeglijk naamwoord, bezadigd
bezagen, bezaegen, werkwoord, 1. bezagen 2. voortdurend bezig zijn met zagen
bezakken, bezakken, werkwoord, 1. inzakken, inklinken 2. (van onenigheid) langzaam afnemen in intensiteit en dan voorbijgaan
bezaksel, bezaksel, zelfstandig naamwoord, et; bezinksel
bezanden, bezanen, werkwoord, met zand bedekken, hetz. als overzanen
bezem, bessem, zelfstandig naamwoord, de; bezem
bezembinder, bessembiender, bessembiener, zelfstandig naamwoord, de; iemand die bezems ‘bindt’, nl. van bezemrijs
bezembos, bessembos, zelfstandig naamwoord, de; bos bezemrijs
bezemdraad, bessemdraod, zelfstandig naamwoord, et; (stofn.) draad waarmee men bezems bindt
bezemdraad, bessemdraod, zelfstandig naamwoord, de; draad waarmee men een bezem bindt
bezemen, bessemen, werkwoord, bezemen
bezemgarde, bessemgarre, zelfstandig naamwoord, de; twijgje rijshout voor een bezem
bezemhaar, bessemhaor, zelfstandig naamwoord, et; dik, borstelig, stug haar
bezemheide, bessemheide, zelfstandig naamwoord, de; struikheide
bezemkerel, bessemkerel, zelfstandig naamwoord, de; iemand die bezems maakt van bezemrijs
bezemmaken, bessemmaeken, werkwoord, bezems maken
bezemmaker, bessemmaeker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die bezems maakt van bezemrijs
bezemrijs, bessemries, zelfstandig naamwoord, et 1. teentje bezemrijs 2. (verz.) bezemrijs
bezemschoon, bessemschone, bijvoeglijk naamwoord, schoon alsof/doordat men er met een bezem overheen is gegaan
bezemsnijder, bessemsnieder, zelfstandig naamwoord, de; iemand die bezems maakt van zelf verzameld bezemrijs
bezemsteel, bessemstaele, bessemstael, zelfstandig naamwoord, de; bezemsteel
bezemstok, bessemstok, zelfstandig naamwoord, de; bezemstok
bezemtwijg, bessemtwieg, zelfstandig naamwoord, de; elk der twijgjes van een bezem
bezemwede, bessemwie, zelfstandig naamwoord, de; elk der twijgen waarmee men een bezem bindt
bezending, bezending, zelfstandig naamwoord, de; bezending, flinke hoeveelheid die verzonden of vervoerd wordt
bezeren, bezeren, bezerigen, werkwoord, bezeren
bezestigd, bezestigd, bijvoeglijk naamwoord, belazerd, gek geworden, bijv. Bi’j’ now hielemaole bezestigd? ben je gek geworden, niet goed snik
bezet, bezet, bijvoeglijk naamwoord, 1. bezet 2. in bezet wezen even geen tijd voor iemand of iets hebben, ook: al een vaste relatie hebben, of: al iemand hebben om mee te dansen, om mee uit te gaan
bezeten, bezeten, bijvoeglijk naamwoord, 1. bezeten: in de ban, als het ware in beslag genomen 2. stevig in elkaar gepakt, in bezeten huj
bezetten, bezetten, werkwoord, 1. bezetten 2. oppervlakte, ruimte innemen 3. (van bep. functies) bekleed houden 4. verkrijgen 5. in et niet bezetten kunnen er geen tijd voor hebben 6. met huismiddeltjes of door te bestrijken genezen 7. ademgebrek krijgen
bezetting, bezetting, zelfstandig naamwoord, de 1. bezetting 2. benauwdheid door veel slijmafscheiding e.d.
bezeuren, bezeuren, werkwoord, voortdurend zeuren
bezeveren, bezieveren, werkwoord, 1. door kwijlen vies maken 2. voortdurend zeuren
bezien, bezien, werkwoord, 1. bekijken, aanschouwen, vooral in ’t Kan wel bezien lieden het ziet er goed uit 2. overwegen, afwegen 3. in We zullen ’t d’r tegen bezien het erop wagen
bezigen, bezigen, werkwoord, 1. gebruiken (aan woorden, zinnen) 2. bezighouden, bezielen
bezigheid, bezighied, zelfstandig naamwoord, de; bezigheid: wat iemand bezighoudt, vooral: beroep of hobby
bezighouden, bezigholen, werkwoord, bezighouden, iemands aandacht houden
bezijden, bezieden, voorzetsel, naast
bezijden, bezieden, bijwoord, naast, langs, opzij
bezingen, bezingen, werkwoord, 1. bezingen 2. voortdurend zingen
bezinken, bezinken, werkwoord, 1. neerslaan, een bezinksel vormen 2. bezinken (fig.): geestelijk verwerken, met een afnemend gevoel van spanning
bezitten, bezitten, werkwoord, 1. in bezit hebben 2. in Die bezit nogal aorig hij/zij is altijd goed gezond
bezoek, bezuuk, bezeuk, zelfstandig naamwoord, et 1. het bezoeken of bezocht worden 2. de mensen die op bezoek komen, zijn
bezoeken, bezuken, bezeuken, werkwoord, 1. bezoeken 2. proberen 3. een beproeving ondergaan, getroffen worden door
bezoeker, bezuker, zelfstandig naamwoord, de; bezoeker
bezoeking, bezuking, bezeuking, zelfstandig naamwoord, de; ramp, beproeving, bezoeking
bezoektijd, bezuuktied, zelfstandig naamwoord, de; bezoektijd
bezomen, bezeumen, werkwoord, 1. van één of meer zomen voorzien, korter maken door te zomen 2. inkorten van heesters
bezondigen, bezundigen, werkwoord, bezondigen
bezopen, bezeupen, bijvoeglijk naamwoord, bezopen, beschonken
bezorgklant, bezorgklaant, zelfstandig naamwoord, de; klant die z’n waren thuis bezorgd krijgt, zie ook wegbrengklaant, thuusbrengklaant
bezuiden, bezuden, voorzetsel, bezuiden, ten zuiden van
bezuinigen, bezunigen, werkwoord, bezuinigen
bezuipen, bezoepen, werkwoord, 1. zich bezuipen 2. voortdurend drinken, steeds zuipen
bezuren, bezoeren, werkwoord, bezuren
bezwaar, bezwaor, zelfstandig naamwoord, et 1. nadelig aspect, niet gewenste omstandigheid 2. bedenking, tegenwerping 3. bezwaar in financiële zin 4. zaken die men bij een koop ook moet afnemen, dient over te nemen
bezwaard, bezwaord, bijvoeglijk naamwoord, 1. zich ongerust makend 2. zich schuldig voelend 3. in bezwaord eigendom met hypotheek belast
bezwaarlijk, bezwaorlik, bijvoeglijk naamwoord, bezwaarlijk: met veel problemen, moeilijk, lastig
bezwaren, bezwaoren, werkwoord, bezwaren, nl. met een financiële last, in het bijzonder een hypotheek
bezweer, bezwiet, bijvoeglijk naamwoord, bezweet
bezweren, bezweren, werkwoord, bezweren: onheil, ziekte, ongemak afwenden door bestrijking, formules uit te spreken e.d.
bezwijken, bezwieken, werkwoord, 1. bezwijken: niet langer bestand zijn 2. het loodje leggen
bezwijmen, bezwiemen, werkwoord, bezwijmen, in onmacht raken
biaisband, biesbaand, biejeebaand, zelfstandig naamwoord, et; biais, biaislint
bibbereg, bibbereide, zelfstandig naamwoord, de; eg met verende tanden
bibliothecaresse, biebelthekeresse, zelfstandig naamwoord, de; bibliothecaresse
bibliothecaris, biebelthekaoris, zelfstandig naamwoord, de; bibliothecaris
bibliotheek, biebeltheek, zelfstandig naamwoord, de 1. bibliotheek 2. boekenverzameling
bibliotheekcentrale, biebeltheekcentraole, zelfstandig naamwoord, de; bibliotheekcentrale
bibliotheekkaart, biebeltheekkaorte, zelfstandig naamwoord, de; bibliotheekkaart
bidden, bidden, werkwoord, 1. bidden (tot God) 2. smeken 3. een bep. vliegbeweging maken van bijen
biddertje, biddertien, zelfstandig naamwoord, et; torenvalk
bidkussen, bidkussen, zelfstandig naamwoord, et; knielkussen
bidprentje, bidprentien, zelfstandig naamwoord, et; bidprentje
bie, bie, bijvoeglijk naamwoord, bijzonder, bijv. ’t Is niet zo bie, heur
bieb, bieb, zelfstandig naamwoord, de; bieb, bibliotheek
biecht, biecht, zelfstandig naamwoord, de 1. biecht in r.k. zin 2. het nadrukkelijk ondervragen
biechten, biechten, werkwoord, 1. biechten (in r.k. zin) 2. opbiechten
bieden, bieden, werkwoord, 1. aanbieden 2. een bod doen
biedersgeld, biedersgeld, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als striekgeld
biefstuk, biefstok, zelfstandig naamwoord, de; biefstuk
bierbostel, bierbossel, bierbossen, zelfstandig naamwoord, de; bostel, nl. gebruikt als veevoer
bierbrouwerij, bierbrouweri’je, zelfstandig naamwoord, de; bierbrouwerij
bierbuik, bierboek, zelfstandig naamwoord, de 1. dikke buik als gevolg van het drinken van bier 2. iemand met zo’n buik
bierkan, bierkanne, zelfstandig naamwoord, de; bierkan
bierkar, bierkarre, zelfstandig naamwoord, de; bierbrouwerskar
bierkist, bierkissien, zelfstandig naamwoord, et; bierkrat
bierkraan, bierkraene, zelfstandig naamwoord, de; bierkraan
bierlucht, bierlocht, zelfstandig naamwoord, de; bierlucht
bierpens, bierpeinze, zelfstandig naamwoord, de; bierpens, hetz. als bierboek
bierpol, bierpolle, zelfstandig naamwoord, de; hop (bep. klimplant)
bierpomp, bierpompe, zelfstandig naamwoord, de; bierpomp
bierproductie, bierperduktie, zelfstandig naamwoord, de; bierproductie
bierpul, bierpulle, zelfstandig naamwoord, de; bierpul
bierschuim, bierschoem, zelfstandig naamwoord, et; bierschuim
biersmaak, biersmaek, zelfstandig naamwoord, de; biersmaak
biertafel, biertaofel, zelfstandig naamwoord, de; tafel waarop bier wordt geschonken, waaraan men bier zit te drinken
biertje, biertien, zelfstandig naamwoord, et; biertje, glaasje bier
bierviltje, bierviltien, zelfstandig naamwoord, et; bierviltje
bierwagen, bierwaegen, zelfstandig naamwoord, de; bierwagen
bierworstje, bierwossien, zelfstandig naamwoord, et; bierworstje
bies, buze, buzem, bieze, bies, beuze, zelfstandig naamwoord, de 1. bies: mattenbies, ruwe bies, ook wel als benaming voor rus gebruikt 2. steel van een bies in gedroogde vorm, voor het matten van stoelen; biesien, et; biesje, smal boordsel ter versiering; biezen, meervoud 1. in je biezen pakken ervandoor gaan 2. zie buzen
biest, buust, buuist, biest, boest, zelfstandig naamwoord, de; eerste melk na het kalven: vaak aan het kalf gegeven
biestbofferd, buustbofferd, zelfstandig naamwoord, de; meelspijs van nieuwe melk beslagen, tot een dikke pannenkoek gebakken
biestbrij, buustbri’j, biestbri’j, zelfstandig naamwoord, de; dikke vla van biestmelk
biesterig, biesterig, bijvoeglijk naamwoord, als biest, buust, bijv. De bri’j is geerscheuten, want ze is te biesterig
biestkaas, buustkeze, zelfstandig naamwoord, de; dikke vla van biestmelk
biestmelk, buustmelk, zelfstandig naamwoord, de; biest, biestmelk
biestpannenkoek, buustpannekoeke, buustpannekoek, buustpankoek, biestpannekoek, bies, zelfstandig naamwoord, de; biestpannenkoek
biestvla, buustvla, zelfstandig naamwoord, de; dikke vla van biestmelk
biet, biete, zelfstandig naamwoord, de 1. voederbiet, suikerbiet 2. (mv.) rode bieten, bietenkroot 3. in gien biete niks, in verb. als Ik snappe d’r gien biete van
bietenakker, bieteakker, zelfstandig naamwoord, de; akker waarop men bieten verbouwt
bietenblad, bieteblad, zelfstandig naamwoord, et 1. loof van bieten 2. blaadje van de biet als plant
bietenbouw, bietebouw, zelfstandig naamwoord, de; akker(s) waarop men bieten verbouwt
bietenbult, bietebulte, bietebult, zelfstandig naamwoord, de; hoop bieten (ook ingekuild)
bietengat, bietegat, zelfstandig naamwoord, et; kuil waarin voederbieten worden bewaard
bietenhak, bietehakke, bietehak, bietehakker, zelfstandig naamwoord, de 1. klein soort hakke gebruikt om onkruid weg te nemen tussen bieten 2. hetz. als bietesnieder, ook: om de koppen van bieten mee af te hakken, bietenkopper
bietenhoop, bietehope, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als bietebulte
bietenkelder, bietekelder, zelfstandig naamwoord, de; kelder waarin men bieten bewaart
bietenklauwer, bieteklauwer, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als bietehakke
bietenkop, bietekop, zelfstandig naamwoord, de; kop, bovenste deel van een biet evt. met het loof
bietenkoppen, bietekoppen, werkwoord, de kop, het bovenste deel van een biet hakken, slaan
bietenkopper, bietekopper, zelfstandig naamwoord, de; bietenkopper
bietenkrabber, bietekrabber, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als hakkien, bet. 2
bietenkuil, bietekuil, zelfstandig naamwoord, de 1. ingekuild loof van bieten 2. natte pulp van bieten
bietenkuil, bietekoele, zelfstandig naamwoord, de; kuil waarin voederbieten worden bewaard
bietenland, bietelaand, zelfstandig naamwoord, et; land waarop men bieten verbouwt
bietenlof, bietelof, bieteloof, zelfstandig naamwoord, et; blad, loof van bieten
bietenlofrijden, bietelofrieden, werkwoord, loof van bieten oogsten en het vervoeren per wagen
bietenmachine, bietemesiene, zelfstandig naamwoord, de; machine om bieten mee te snijden
bietenmes, bietemes, zelfstandig naamwoord, et; bietenkopper
bietenmolen, bietemeule, zelfstandig naamwoord, de; bep. molen met behulp waarvan voederbieten in plakken worden gesneden
bietennat, bietenat, zelfstandig naamwoord, et; nat, sap van bieten, met name van rooie bieten
bietenplant, bieteplaante, zelfstandig naamwoord, de; biet in z’n geheel (loof en wortel)
bietenrijden, bieterieden, werkwoord, vervoeren van bieten per wagen, veelal: van het land naar de boerderij
bietenrooien, bieterooien, werkwoord, rooien van bieten
bietensap, bietesap, zelfstandig naamwoord, et; nat, sap van met name rooie bieten
bietenschoffel, bieteschoffel, zelfstandig naamwoord, de; gewone schoffel die men bij het schoffelen van de bieten gebruikte
bietenschoffelen, bieteschoffelen, werkwoord, schoffelen van de bieten
bietenschuit, bieteschute, zelfstandig naamwoord, de; flinke schuit waarin men bieten vervoerde
bietenschuur, bieteschure, zelfstandig naamwoord, de; schuur waarin men bieten opslaat
bietensnijder, bietesnieder, zelfstandig naamwoord, de; bietensnijder: hetz. als bietemeule, ook: soort langwerpig hakmes met behulp waarvan men de kop van bieten sloeg of deze in plakken hakte
bietentijd, bietetied, zelfstandig naamwoord, de; tijd waarin men de bieten oogst
bietenveld, bieteveld, zelfstandig naamwoord, et; veld, terrein, akker waarop men bieten verbouwt
bietenvork, bietevörke, zelfstandig naamwoord, de; bietenvork
bietenwagen, bietewaegen, zelfstandig naamwoord, de; wagen waarmee men bieten vervoert
bietenwieden, bietewieden, werkwoord, onkruid tussen de bieten wieden
bietenzaad, bietezaod, zelfstandig naamwoord, et; zaad van bieten
bietenzaaien, bietezi’jen, bietezaodzi’jen, werkwoord, zaaien van het zaad van bieten
biezen, buzen, biezen, bijvoeglijk naamwoord, van buzen, zie buze, bet. 2
biezen, biezen, werkwoord, hetz. als ofzeumen, bet. 1
biezen, biezen, werkwoord, 1. hard of druk en intensief lopen van mensen, bijv. Bies mar niet zo hadde 2. stoeiend heen en weer rennen of anderszins hard lopen: van koeien, o.m. gezegd indien ze op de vlucht zijn voor horzels
biezenjager, biezejaeger, zelfstandig naamwoord, de; jachtopziener, veldwachter
biezenmat, buzematte, buzemmatte, biezematte, buzenmatte, biezenmatte, zelfstandig naamwoord, de; biezenmat
biezerig, biezerig, bijvoeglijk naamwoord, (van het weer) met veel wind, winderig
big, bigge, zelfstandig naamwoord, de; big
biggen, biggen, werkwoord, 1. biggen, jongen door een varken 2. overgeven, braken
biggenbak, biggebak, zelfstandig naamwoord, de 1. bak waarin men biggen vervoert 2. bep. trog waaruit biggen hun voer krijgen
biggenhok, biggehokke, zelfstandig naamwoord, et 1. varkenshok voor biggen 2. hok waarin de zeug biggen krijgt
biggenjagen, biggejaegen, werkwoord, opruimen van afgegraven bonkaarde
biggenkooi, biggekooi, zelfstandig naamwoord, de; zeugkooi
biggenkoopman, biggekoopman, zelfstandig naamwoord, de; koopman die biggen op- en verkoopt
biggenkorf, biggekörf, zelfstandig naamwoord, de; korf, mand van plm. 1,25 m doorsnee waarin men drie tot vier biggen vervoerde (vooral: van of naar de markt)
biggenkram, biggekramme, zelfstandig naamwoord, de; kram, ring of stuk ijzer- of koperdraad dat een big door de neus wordt gestoken om wroeten tegen te gaan
biggenmarkt, biggemark, biggemaat, biggemaark, zelfstandig naamwoord, de; markt waarop biggen worden verhandeld
biggenmerk, biggemark, zelfstandig naamwoord, et; biggenmerk (in ’t oor)
biggenmot, biggemotte, zelfstandig naamwoord, de 1. zeug die voor de eerste keer bigt 2. drachtige zeug 3. zeug met jonge biggen 4. zeug die al wat ouder is en al regelmatig heeft gebigd
biggenrooster, biggereuster, zelfstandig naamwoord, de; rooster op een mestgoot of -put in een stal voor biggen
biggensnijden, biggesnieden, werkwoord, castreren van jonge varkens
biggensnijder, biggesnieder, zelfstandig naamwoord, de; degene die biggen castreert, biggensnijder
biggenstal, biggestal, zelfstandig naamwoord, de; stal voor biggen
biggerij, biggeri’je, zelfstandig naamwoord, de; het geboren worden van biggen
bij, bi’je, zelfstandig naamwoord, de; bij, honingbij
bij, bi’j, voorzetsel, bijwoord, 1. bij 2. in de ogen van, naar de mening van 3. aan (een lichaamsdeel, een kledingstuk: dat men vastpakt), bijv. Hi’j pakte heur bi’j de neuze 4. gedurende, tijdens 5. op een bep. tijd 6. gelijktijdig met 7.In geval van, met betrekking tot 8. wegens 9. door, bijv. in Dat wee’k bi’j onderviening 10. door middel van 11. onder een bep. omstandigheid, bijv. bi’j de gek voor de grap 12. per, volgens de genoemde eenheid 13. langs (gaand; ook wel m.b.t. een vaste toestand)
bij, bi’j, bijwoord, 1. dichtbij 2. op het punt waar men had horen te zijn 3. bij bewustzijn 4. pienter, scherp van geest 5. in te naoste bi’j ten naaste bij, ongeveer
bij daal, bi’jdaele, bi’j daele, bijwoord, bij (iets/iemand) langs
bij elkaar, bi’jennaander, bi’jenkander, bi’jenneer, bijwoord, bij elkaar
bij kort, bi’jkotten, bi’jkottens, bijwoord, 1. binnenkort 2. korte tijd geleden
bij name, benaemens, benaemen, benaomens, bijwoord, 1. vooral, in het bijzonder 2. naar gezegd wordt door 3. volgens, op grond van 4. uit naam van
bij ouds, bi’joolds, bi’j oolds, bijwoord, vroeger, lang geleden
bij tijden, bi’jtieden, bijwoord, af en toe, van tijd tot tijd
bij zich, bezik, bi’jzik, bijwoord, alleen, apart staand, niet bij de anderen
bijbakken, bi’jbakken, werkwoord, meer exemplaren bakken dan het aantal dat men al had
bijbal, bi’jballe, zelfstandig naamwoord, de; bijbal
bijbehoren, bi’jbeheuren, zelfstandig naamwoord, et; bijbehoren
bijbel, biebel, bubel, zelfstandig naamwoord, de 1. bijbel 2. dik boek
bijbelboek, biebelboek, zelfstandig naamwoord, et; bijbelboek, elk der boeken van de bijbel
bijbelclub, biebelklub, zelfstandig naamwoord, de; bijbelkring
bijbelen, biebelen, werkwoord, in de bijbel lezen, de bijbel gebruiken
bijbelkennis, biebelkennis, zelfstandig naamwoord, de; bijbelkennis, d.i. ook: het vak, de les waarin men op een school kennis over de bijbel opdoet
bijbelkring, biebelkring, bubelkring, zelfstandig naamwoord, de; bijbelkring
bijbelkundig, biebelkundig, bijvoeglijk naamwoord, bijbelvast
bijbellezen, biebellezen, bubellezen, werkwoord, bijbellezen
bijbels, biebels, bubels, bijvoeglijk naamwoord, bijbels: met betrekking tot de bijbel, van, in, uit de bijbel
bijbelspreuk, biebelspreuk, biebelspreuke, zelfstandig naamwoord, de; bijbelspreuk
bijbelstuk, biebelstok, zelfstandig naamwoord, et; tekstgedeelte uit de bijbel
bijbeluitgifte, biebeluutgifte, zelfstandig naamwoord, de; bijbeluitgave
bijbelvast, biebelvaaste, bubelvaaste, bijvoeglijk naamwoord, bijbelvast
bijbelverhaal, biebelverhael, biebelverhaol, zelfstandig naamwoord, et; bijbelverhaal
bijbelvertaler, biebelvertaeler, zelfstandig naamwoord, de; bijbelvertaler
bijbenen, bi’jbienen, bi’jbienderen, werkwoord, 1. bijbenen (lett.) 2. bijhouden (fig.)
bijbetalen, bi’jbetaelen, werkwoord, bijbetalen
bijblijven, bi’jblieven, werkwoord, 1. bijblijven: niet achter raken, op de hoogte blijven 2. niet vergeten
bijbouwen, bi’jbouwen, werkwoord, 1. bijbouwen 2. (m.b.t. een akker, grond) ook bewerken, net als de andere grond
bijbrengen, bi’jbrengen, werkwoord, 1. bijbrengen: aanvoeren, brengen 2. kennis, inzicht verschaffen, leren doen 3. door onderwijzen op een hoger kennisniveau brengen, opvoeden 4. nakomen, volbrengen 5. (m.b.t. een klok) op tijd zetten 6. bij bewustzijn brengen
bijbuigen, bi’jbugen, werkwoord, door te drukken, trekken, buigen in de gewenste richting doen staan
bijdag, bi’jdag, zelfstandig naamwoord, de; niet op zondag vallende kerkelijke feestdag, ’extra zondag’
bijdehand, bi’jdehaand, bi’jderhaand, bi’jderhande, bi’jderhand, bi’jdehan, bijvoeglijk naamwoord, 1. bijdehand, handig en pienter, ook: gevat 2. mee te maken hebbend, bezig zijnd met, de beschikking hebbend over 3. links, vooral m.b.t. de positie van een paard voor een landbouwmachine, een wagen, ook in vergelijkbare toepassingen
bijdehandje, bi’jdehaantien, bi’jderhaantien, zelfstandig naamwoord, et; bijdehand kind
bijdehands, bi’jderhaans, bi’jdehaans, bi’jhaandig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (van een paard in een span) aan de linkerkant ingespannen (staand, lopend), ook gezegd wanneer een paard naar links gaat of moet gaan, bijv. et bi’jdehaanse peerd
bijdraaien, bi’jdri’jen, werkwoord, bijdraaien: meegaand worden
bijdrage, bi’jdrege, bi’jdraege, zelfstandig naamwoord, de; bijdrage: die men geeft, verstrekt
bijdragen, bi’jdregen, werkwoord, bijdragen, inbrengen
bijdrukken, bi’jdrokken, werkwoord, bijdrukken: toevoegen aan een oplage
bijeenkomst, bi’jienkomst, bi’jienkomste, zelfstandig naamwoord, de; bijeenkomst
bijenangel, bi’je-angel, zelfstandig naamwoord, de; bijenangel
bijenbak, bi’jebakkien, zelfstandig naamwoord, et; bakje met bijensuiker voor de bijen
bijenbijter, bi’jebieter, bi’jbieter, zelfstandig naamwoord, de; koolmees
bijenbrood, bi’jebrood, zelfstandig naamwoord, et 1. koninginnenbrood, nl. voor een bijenkoningin 2. stuifmeel in honingraten
bijendans, bi’jedaans, zelfstandig naamwoord, de; bijendans
bijendoek, bi’jedoek, bi’jdoek, zelfstandig naamwoord, de; bep. holle doek (veelal van jute), gebruikt om de korf met ‘geschepte’ bijen mee dicht te maken
bijeneter, bi’je-eter, zelfstandig naamwoord, de; bijenwolf, bep. wesp die op bijen aast
bijenhandschoen, bi’jehaanske, zelfstandig naamwoord, de; bep. handschoen van gummi ter bescherming gebruikt door imkers
bijenhok, bi’jehokke, bi’jhokke, zelfstandig naamwoord, et; schuurtje, overkapte plek waar de bijenkorven staan
bijenhoning, bi’jehunning, bi’jehunnig, zelfstandig naamwoord, de; bijenhoning
bijenhouden, bi’jeholen, werkwoord, bijenhouden
bijenhouder, bi’jehoolder, zelfstandig naamwoord, de; bijenhouder
bijenhouderij, bi’jehoolderi’je, zelfstandig naamwoord, de; het houden van bijen, bijenteelt
bijenjaar, bi’jejaor, zelfstandig naamwoord, et; bijenjaar
bijenkap, bi’jekappe, zelfstandig naamwoord, de; bijenkap, bijenkaproen
bijenkast, bi’jekaaste, zelfstandig naamwoord, de; bijenkast (van hout, vroeger van stro)
bijenkleed, bi’jeklied, zelfstandig naamwoord, de; bep. holle doek (veelal van jute), gebruikt om de korf met ‘geschepte’ bijen mee dicht te maken
bijenkoningin, bi’jekeuninginne, zelfstandig naamwoord, de; bijenkoningin
bijenkorf, bi’jekörf, zelfstandig naamwoord, de 1. bijenkorf 2. dikke zwarte braambes
bijenkorvenmaken, bi’jekörvemaeken, werkwoord, vervaardigen van bijenkorven
bijenkram, bi’jekramme, zelfstandig naamwoord, de; platte kram ter bevestiging van een nieuwe ring onder aan de bijenkorf (om deze te vergroten); ook gebruikt om korven aan elkaar vast te zetten wanneer men ze met de wagen vervoerde, bijv. naar een heidegebied
bijenmarkt, bi’jemark, zelfstandig naamwoord, en var. de; bijenmarkt
bijenmijt, bi’jemiet, zelfstandig naamwoord, de; bijenmijt
bijennest, bi’jenust, zelfstandig naamwoord, et; nest van bijen
bijenpijp, bi’jepiepe, bi’jepupe, zelfstandig naamwoord, de; imkerpijp
bijenpikker, bi’jepikker, zelfstandig naamwoord, de; koolmees
bijenplank, bi’jeplaanke, zelfstandig naamwoord, de; plank waarop men de bijenkorf plaatst
bijenplant, bi’jeplaante, zelfstandig naamwoord, de; plant die veel door bijen wordt bezocht
bijenraat, bi’jeraot, zelfstandig naamwoord, de, et; honingraat, hetz. als raot I
bijenslacht, bi’jeslaacht, zelfstandig naamwoord, de; het bi’jeslaachten
bijenslachten, bi’jeslaachten, werkwoord, hetz. als slaachten, bet. 2 en uutbreken van bijen
bijenslat, bi’jestal, zelfstandig naamwoord, de; bijenstal
bijensluier, bi’jesluier, zelfstandig naamwoord, de; eenvoudig soort bijenkap bestaand uit een lap van tule
bijenspijl, bi’jespiele, zelfstandig naamwoord, de; spijl in een bijenkorf
bijenstand, bi’jestand, bi’jestaand, zelfstandig naamwoord, de; bijenstal
bijensteek, bi’jestik, bi’jesteek, zelfstandig naamwoord, de; steek van een bij
bijenstip, bi’jestippen, meervoud, uitwerpselen van bijen op wasgoed e.d.
bijenstront, bi’jestront, zelfstandig naamwoord, de; uitwerpselen van bijen
bijensuiker, bi’jesuker, zelfstandig naamwoord, de; bijensuiker
bijenveger, bi’jeveger, zelfstandig naamwoord, de; zachte veger, veelal van paardenhaar, ook van varkenshaar, gebruikt om bijen uit elkaar te strijken
bijenvolk, bi’jevolk, zelfstandig naamwoord, et; bijenvolk
bijenvreter, bi’jevreter, zelfstandig naamwoord, de 1. koolmees 2. kwikstaart
bijenwagen, bi’jewaegen, zelfstandig naamwoord, de; wagen met behulp waarvan men bijenvolken vervoerde
bijenwas, bi’jewas, zelfstandig naamwoord, de; bijenwas
bijenweide, bi’jeweide, zelfstandig naamwoord, de; veldje met drachtplanten, bijenweide
bijenwin, bi’jewin, zelfstandig naamwoord, de; in Et is goed bi’jewin de bijen brengen veel nectar bijeen
bijenwolf, bi’jewolf, zelfstandig naamwoord, de; bijenwolf, bep. wesp die op bijen aast
bijenziekte, bi’jeziekte, zelfstandig naamwoord, de; bijenziekte
bijenzwerm, bi’jezwaarm, zelfstandig naamwoord, de; bijenzwerm
bijgaan, bi’jgaon, werkwoord, 1. volgen bij een begrafenis 2. uitvoeren van slechts een kleine klus, een kleine activiteit 3. een beetje opschuiven, een beetje opschikken
bijgaander, bi’jgaonder, zelfstandig naamwoord, de; elk van degenen naast de lijkwagen
bijgedachte, bi’jgedaachte, zelfstandig naamwoord, de; bijgedachte
bijgelijks, bi’jglieks, bi’jgelieks, bijwoord, 1. misschien 2. bijvoorbeeld 3. waarachtig
bijgeloof, bi’jgeleuf, bi’jgeloof, zelfstandig naamwoord, et; bijgeloof
bijgelovig, bi’jgeleuvig, bi’jgelovig, bijvoeglijk naamwoord, bijgelovig
bijgenaamd, bi’jgenaemd, bijvoeglijk naamwoord, bijgenaamd
bijgeval, bi’jgeval, voegwoord, indien, voor het geval dat
bijgeval, bi’jgeval, bijwoord, misschien, voor het geval
bijhakken, bi’jhakken, werkwoord, 1. bijhakken 2. met hakkende bewegingen bijwerken
bijhalen, bi’jhaelen, werkwoord, 1. extra aan voorraad halen, naar binnen brengen van voorraad 2. halen om te helpen, bijv. buren bi’jhaelen
bijhelpen, bi’jhelpen, werkwoord, bijwerken
bijhooien, bi’jhujjen, werkwoord, resterend hooi bij het andere hooi harken
bijhouden, bi’jholen, werkwoord, bijhouden
bijkans, bi’jkaans, bekaans, bekaant, bijwoord, 1. bijna, haast 2. wellicht
bijkappen, bi’jkappen, werkwoord, 1. kappend bijwerken, vlak, rond, dunner enz. maken door te kappen 2. bewerken van haar door een kapper
bijker, bi’jker, zelfstandig naamwoord, de; imker
bijkeren, bi’jkeren, werkwoord, bijenhouden, de bijenteelt uitoefenen
bijkerij, bi’jkeri’je, zelfstandig naamwoord, de; bijenteelt
bijkomen, bi’jkommen, werkwoord, 1. beter worden, aansterken 2. de gewenste kwaliteit, het gewenste niveau weer halen of bijna halen 3. veel beter worden van gewas, er beter voor komen te staan van tuin, bouw- of weiland 4. bij bewustzijn komen 5. kunnen snappen van iets
bijkomend, bi’jkommend, bijvoeglijk naamwoord, bijkomend: wat erbij, extra komt
bijkomstigheid, bi’jkomstighied, zelfstandig naamwoord, de; bijkomstigheid
bijkrijgen, bi’jkriegen, werkwoord, oogsten
bijl, biele, zelfstandig naamwoord, de 1. bekend gereedschap: bijl 2. in veur de biele gaon voor de bijl gaan
bijladen, bi’jlaeden, werkwoord, bijladen
bijlage, bi’jlaoge, zelfstandig naamwoord, de; bijlage: in de vorm van een geschrift, een attachment
bijlangs, bi’jlanges, bi’jlaanges, bi’jlaangs, bi’jlangs, voorzetsel, bijwoord, 1. over een korte of langere lengte naast, bezijden, (vlak) langs 2. in de lengte volgend 3. van het ene punt naar het andere punt, van het ene huis naar het andere, van de ene persoon naar de andere enz.
bijlangskomen, bi’jlangeskommen, bi’jlangeskoemen, zie voor var. ook onder bi’jlanges ww. 1. langs mensen/voorwerpen enz. komen, bij mensen langs komen 2. in et (niet/niet meer) bi’jlangeskommen kunnen z’n werk, z’n zaken (niet/niet meer) afkunnen
bijlangslopen, bi’jlangeslopen, werkwoord, voor var. zie bi’jlanges 1. langs hek, stoel e.d. lopen van kleine kinderen terwijl ze zich vast kunnen houden 2. d’r bi’jlanges lopen (niet aaneen): bij iets langs lopen
bijlappen, bi’jlappen, werkwoord, tot één volk verenigen van bijenvolken, om ze te versterken
bijlichten, bi’jlochten, werkwoord, bijlichten, ook: helpen met informatie, inzichten
bijliggen, bi’jliggen, werkwoord, 1. voor de geest staan, in grote lijnen nog weten 2. een voorgevoel hebben 3. in Et lag ’m al zo bi’j hij voelde zich al niet zo goed
bijligger, bi’jligger, zelfstandig naamwoord, de; iemand met wie men seks heeft anders dan de echtgenoot/echtgenote
bijlopen, bi’jlopen, werkwoord, inhalen door hard te lopen
bijloper, bi’jloper, zelfstandig naamwoord, de; meeloper
bijlsteel, bielestaele, bielestele, zelfstandig naamwoord, de; bijlsteel
bijmaaien, bi’jmi’jen, werkwoord, ook maaien (van nog niet gemaaide, overgebleven stukken)
bijmaan, bi’jmaone, zelfstandig naamwoord, de; bijmaan
bijmaken, bi’jmaeken, werkwoord, bijmaken: bijpassend aanmaken
bijman, bi’jeman, zelfstandig naamwoord, de; bijman, imker, liefhebber van het houden van bijen
bijmeerderen, bi’jmeerderen, werkwoord, 1. toenemen in aantal, omvang 2. meerderen bij het breien
bijmengen, bi’jmingen, bi’jmengen, werkwoord, bijmengen
bijmennen, bi’jmennen, werkwoord, 1. met paard en wagen vervoeren, brengen (bij) 2. door te mennen het trekdier corrigeren in z’n bewegingen
bijna, bijna, bi’jnao, bijwoord, bijna, schier
bijna, benao, bijwoord, 1. bijna, haast 2. heel vlakbij, erbij
bijnaam, bi’jnaeme, zelfstandig naamwoord, de; bijnaam: toegevoegde naam of spotnaam
bijnierschors, bi’jnierschosse, zelfstandig naamwoord, de; bijnierschors
bijpoten, bi’jpoten, werkwoord, zo snel lopen dat men de ander bijhoudt
bijpoten, bi’jpoten, werkwoord, door poten, planten toevoegen
bijpraten, bi’jpraoten, werkwoord, 1. bijpraten 2. in iene bi’jpraoten door te praten op de hoogte stellen van ontwikkelingen enz. 3. in een betien bi’jpraoten hetz. als behemmelen, nl. vergoelijkend/relativerend praten zodat de spanning wegebt
bijrekken, bi’jrekken, werkwoord, door te rekken zo lang doen zijn als gewenst, bijv. stof bi’jrekken
bijreven, bi’jrieven, werkwoord, extra, meer reven
bijrijden, bi’jrieden, werkwoord, steeds materiaal aanvoeren, vooral: met paard en wagen, i.h.b. van graan bij de dorsmachine
bijrijder, bi’jrieder, zelfstandig naamwoord, de 1. bijrijder 2. degene die met het bi’jrieden is belast
bijrol, bi’jrolle, zelfstandig naamwoord, de; bijrol
bijschaven, bi’jschaeven, werkwoord, bijschaven
bijschenken, bi’jschinken, werkwoord, en var.; bijschenken
bijschikken, bi’jschikken, werkwoord, bijschuiven, bijschikken: aan tafel, vooral om mee te eten
bijscholen, bi’jschoelen, werkwoord, bijscholen
bijschrijven, bi’jschrieven, werkwoord, bijschrijven: van geld
bijschrijving, bi’jschrieving, zelfstandig naamwoord, de; bijschrijving: van geld
bijschuiven, bi’jschoeven, werkwoord, bijschuiven, bijschikken: aan tafel, vooral om mee te eten
bijschuren, bi’jschoeren, werkwoord, bijschuren
bijschuur, bi’jschure, zelfstandig naamwoord, de; schuur los van de boerderij, soms daar ook aan vast gebouwd, om hooi en/of stro in op te bergen, om vee in te hebben en/of om machines, gereedschappen of werktuigen in onder te brengen
bijslaap, bi’jslaop, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand met wie men naar bed gaat/is geweest anders dan de eigen man of vrouw 2. degene met wie men slaapt, naar bed gaat (ook de eigen man/vrouw) 3. het bijslapen, gemeenschap hebben met een ander dan degene met wie men is getrouwd
bijslag, bi’jslag, zelfstandig naamwoord, de 1. kinderbijslag 2. uitkering bij werkloosheid
bijslaper, bi’jslaoper, zelfstandig naamwoord, de 1. hetz. als bi’jslaop, bet. 1 2. degene met wie men gewoonlijk naar bed gaat, seks heeft
bijslechten, bi’jslichten, werkwoord, egaliseren (van land, grond)
bijslijpen, bi’jsliepen, werkwoord, bijslijpen
bijsloffen, bi’jsloffen, werkwoord, 1. bijsloffen, bijhouden 2. begrijpen, geestelijk volgen
bijsluiten, bi’jsluten, werkwoord, bijsluiten
bijsluiter, bi’jsluter, zelfstandig naamwoord, de; bijsluiter
bijsmaak, bi’jsmaek, zelfstandig naamwoord, de; bijsmaak
bijsnijden, bi’jsnieden, werkwoord, 1. bijsnijden: door te snijden aan het gesnedene toevoegen 2. snijdend bewerken
bijsnoeien, bi’jsnuuien, bi’jsnuien, bi’snujjen, werkwoord, opsnoeien
bijspeen, bi’jspeune, bi’jspeun, bi’jspeen, bi’jspiene, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als bi’jutter
bijspelen, bi’jspeulen, werkwoord, een belangrijke rol spelen, ertoe bijdragen
bijspijkeren, bi’jspiekeren, werkwoord, 1. door spijkeren vastmaken, herstellen 2. goed onderwijzen om een achterstand in te halen, om gebrek aan kennis op te heffen 3. z’n kennis vermeerderen, z’n leerachterstand inhalen 4. bijleggen van ruzie 5. alsnog betalen, erbij betalen
bijspijlenhout, bi’jspielehoolt, zelfstandig naamwoord, et; sporkehout
bijspijs, bi’jspieze, zelfstandig naamwoord, de; bijspijs, vooral: groente bij het eten
bijspitten, bi’jspitten, werkwoord, spittend bijwerken
bijspleet, bi’jspleet, zelfstandig naamwoord, de; gaatje aan de zijkant van een tepel
bijspul, bi’jspul, zelfstandig naamwoord, de; bijspijs, vooral: groente bij het eten
bijstaan, bi’jstaon, werkwoord, 1. helpen, ondersteunen, bijstand geven 2. voor de geest hebben, de herinnering hebben
bijstand, bi’jstaand, bijstand, zelfstandig naamwoord, de 1. bijstand: hulp, ondersteuning 2. uitkeringsinstantie die geld uitkeert op grond van de bijstandswet
bijstandsmem, bi’jstaansmem, zelfstandig naamwoord, de; bijstandsmoeder
bijstandsmoeder, bi’jstaansmoeder, zelfstandig naamwoord, de; bijstandsmoeder
bijstandsuitkering, bi’jstaansuutkering, zelfstandig naamwoord, de; bijstandsuitkering
bijstap, bi’jstap, zelfstandig naamwoord, de; stap van de ene voet op de andere: om zich af te zetten bij een sprong
bijstaps, bi’jstaps, bijwoord, met een bi’jstap zich afzettend en springend
bijster, biester, zelfstandig naamwoord, de 1. in gien biester geen zier 2. het ernaast zitten, verwarring waarin men verkeert
bijster, biester, bijwoord, in hoge mate
bijster, biester, bijvoeglijk naamwoord, 1. bijster, kwijt 2. buitengewoon slecht, beroerd, in hoge mate lastig 3. in hoge mate goed, mooi, bijv. ’t Is biester weer heel mooi weer 4. (van het weer, de lucht) slecht De locht is biester ziet er slecht uit, het wordt slecht weer
bijsterbaarlijk, biesterbaorlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, enorme verbazing of bewondering teweegbrengend
bijstoppen, bi’jstoppen, werkwoord, bij iets stoppen
bijstorten, bi’jstotten, werkwoord, bijstorten
bijten, bieten, werkwoord, 1. bijtende beweging in of naar iets of iemand maken 2. op een aanbod ingaan, toehappen, op iets reageren 3. door bijten in een bep. toestand brengen 4. door te bijten kapot maken 5. erg kortaf zeggen 6. bijten, steken van bep. insecten 7. onderling vechten van bijenvolken 8. scherp reageren 9. een bijtend, stekend gevoel teweegbrengen
bijter, bieter, bieterd, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die bijt 2. paard dat snel bijt 3. hond die snel bijt 4. kind dat op de nagels bijt 5. mondstuk van een tabakspijp 6. iemand die snel, vaak scherp, stekelig reageert
bijterig, bieterig, bijvoeglijk naamwoord, 1. geneigd tot bijten (met de mond, bek) 2. (van stoffen) met een bijtend, stekend effect 3. geneigd scherp, geprikkeld, snauwerig te reageren 4. vasthoudend
bijterij, bieteri’je, zelfstandig naamwoord, de; het bieten bijten, in div. bet.
bijtijd, betied, bi’jtied, bijwoord, 1. vroeg 2. op tijd (vaak: en vroeg)
bijtijds, betieds, bi’jtieds, bijwoord, op tijd, bijtijds
bijtimmeren, bi’jtimmeren, werkwoord, bijwerken door te timmeren
bijtring, bietring, bietering, zelfstandig naamwoord, de; bijtring
bijtstuk, bietstok, zelfstandig naamwoord, et; benen of hoornen mondstuk van een pijp
bijuier, bi’jutter, zelfstandig naamwoord, de; overtollige speen van een koe, vaak afgebonden
bijval, bi’jval, zelfstandig naamwoord, de; bijval, instemming
bijvalen, bi’jvalen, werkwoord, bijvallen, steun betuigen
bijveld, bi’jveld, zelfstandig naamwoord, et; bijveld i.t.t. hoofd(sport)veld
bijverschijnsel, bi’jverschiensel, zelfstandig naamwoord, et; bijverschijnsel
bijverven, bi’jvarven, werkwoord, bijverven
bijvijlen, bi’jvielen, werkwoord, bijvijlen
bijvoeglijk, bi’jvoeglik, bijvoeglijk naamwoord, bijvoeglijk
bijvoer, bi’jvoer, zelfstandig naamwoord, et; extra voer, bijv. in de vorm van haver voor het paard in de winter
bijvoeren, bi’jvoeren, werkwoord, 1. extra voer geven, extra voeren 2. als extra voer geven, bijv. Wi’j voeren bieten bi’j an de koenen
bijvoorbeeld, bi’jveurbeeld, beveurbield, bi’jveurbield, bijwoord, bijvoorbeeld
bijwas, bi’jwassien, zelfstandig naamwoord, et; klein wasje
bijwassen, bi’jwasken, werkwoord, door te wassen het vuil wegwerken, zodat de persoon/de zaak weer schoon is
bijwerken, bi’jwarken, werkwoord, 1. bijwerken, bewerken zodat het beter wordt 2. z’n achterstand wegwerken
bijwerking, bi’jwarking, zelfstandig naamwoord, de; bijwerking: met name van bep. medicijnen
bijwezen, bi’jwezen, zelfstandig naamwoord, et; bijzijn, bijwezen, tegenwoordigheid
bijwieden, bi’jwieden, werkwoord, 1. wat nog niet gewied is, eveneens wieden 2. meerderen bij breien
bijwijlen, bi’jwielen, bijwoord, af en toe
bijzaak, bi’jzaeke, zelfstandig naamwoord, de; bijzaak, zaak die niet belangrijk is
bijzettafel, bi’jzettaofel, zelfstandig naamwoord, de; bijzettafel
bijzetten, bi’jzetten, werkwoord, 1. plaatsen bij 2. bij de tijd brengen van een uurwerk 3. aan kracht/energie aanwenden
bijzinnig, bi’jzinnig, bijvoeglijk naamwoord, buiten zinnen
bijzon, bi’jzunne, zelfstandig naamwoord, de; bijzon
bijzondag, bi’jzundag, zelfstandig naamwoord, de; niet op zondag vallende kerkelijke feestdag, ’extra zondag’
bijzonder, biezunder, bezunder, biezonder, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. bijzonder 2. uitzonderlijk, in hoge mate mooi, goed, verkeerd enz.
bijzonderheid, biezunderhied, bezunderhied, bezonderhied, biezonderhied, zelfstandig naamwoord, de; bijzonderheid
bik, bik, zelfstandig naamwoord, de; bik, eten, in verb. als an de bik gaon
bikhamer, bikhaemer, zelfstandig naamwoord, de; bikhamer
bikkel, bikkel, zelfstandig naamwoord, de 1. botje uit de voorpoot van een varken of sprongbeen uit een schapenpoot, met name bekend vanwege het gebruik in het bikkelspel 2. bep. hoed, bikkel
bikkelen, bikkelen, werkwoord, het bikkelspel spelen
bikkelhard, bikkelhad, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bikkelhard
bikkelkant, bikkelkaante, zelfstandig naamwoord, de; elk der vlakken van een bikkel uit het bikkelspel
bikkelspel, bikkelspul, zelfstandig naamwoord, et; bikkelspel
bikken, bikken, werkwoord, eten, bijv. Ze bin an ’t bikken
bikken, bikken, werkwoord, bikken: met name van stenen
bikker, bikker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die bikt, afbikt
bikkesement, bikkement, zelfstandig naamwoord, et; (schertsend) eten
biks, biks, meervoud, veevoerbrokjes
biksteen, bikstien, zelfstandig naamwoord, de 1. steen waarop men bikt, veelal keisteen 2. oude steen die men bikt
bil, bille, zelfstandig naamwoord, de 1. dijbeen 2. bil (van het achterwerk; ook van dieren)
bilhamer, bilhaemer, zelfstandig naamwoord, de; bilhamer
biljartbal, biljatballe, zelfstandig naamwoord, de; biljartbal
biljarten, biljatten, werkwoord, biljarten
billen, billen, werkwoord, kerven maken in een molensteen met behulp van de bilhamer
billenjagen, billejaegen, werkwoord, zwaar lichamelijk werk doen (en in hoog tempo)
billentikker, billetikker, zelfstandig naamwoord, de; slipjas
billenwagen, billewaegen, in mit de billewaegen gaon, -kommen,--moeten te voet, lopend
billijk, billik, bijvoeglijk naamwoord, billijk: rechtvaardig, redelijk
billijken, billiken, werkwoord, billijken
billijkheid, billikhied, zelfstandig naamwoord, de; billijkheid, redelijkheid
bilstuk, bilstok, zelfstandig naamwoord, et; bilstuk
bimbamslag, bimbamslag, zelfstandig naamwoord, de; mooie slag van een klok
binden, bienen, werkwoord, 1. vastbinden, samenbinden enz. 2. wat vastgebonden is losmaken, bijv. Ik zal et pakkien van de fiets bienen 3. in z’n vrijheid beperken, een band aangaan die tot verplichtingen noopt 4. emotionele binding met iets of iemand aangaan 5. dik maken van vloeistof 6. een boek binden
bindend, bienend, bijvoeglijk naamwoord, bindend, bijv. een bienend advies
binder, biender, biener, zelfstandig naamwoord, de 1. boekbinder 2. de man of jongen die de door de weller samengepakte bundels graan tot garven bindt 3. (paarden)halster
binderij, bienderi’je, zelfstandig naamwoord, de; binderij
bindgaren, biendgaoren, biengaoren, zelfstandig naamwoord, et; bindgaren
bindhaak, biendhaoke, zelfstandig naamwoord, de; haak aan de wagen, gebruikt bij de bevestiging van de weesboom op de roggelading
binding, biening, biending, zelfstandig naamwoord, de; binding, band tussen mensen, gevoel van verbonden zijn met iets
bindjak, biendjak, zelfstandig naamwoord, et; oude bloes of jak van een vrouw, met lange mouwen, gedragen als werkkleding bij het oogsten van graan, in ’t bijzonder het binden van garven
bindlaag, biendlaoge, zelfstandig naamwoord, de; tussenlaag op wagen met koren
bindmateriaal, biendmateriaol, zelfstandig naamwoord, et; bindmateriaal
bindmiddel, biendmiddel, zelfstandig naamwoord, et; bindmiddel, stof die bindt
bindster, bienster, biendster, zelfstandig naamwoord, de; vrouw die koren, met name rogge, tot garven bindt
bindtouw, bientouw, zelfstandig naamwoord, et; bindtouw, touw om mee te binden in veel toepassingen, ook: om mee af te binden, om te castreren
bindwilg, bienwilg, zelfstandig naamwoord, de; bindwilg
bingo, bingo, zelfstandig naamwoord, et; bingospel, kienspel
bingo, bingo, tussenwerpsel, 1. uitroep als men een prijs binnenhaalt bij het bingospel 2. uitroep wanneer iets juist gezegd wordt, wanneer men plotseling z’n succes constateert
bingoavond, bingo-aovend, zelfstandig naamwoord, de; bingoavond
binnen, binnen, bijwoord, 1. binnen, in een ruimte 2. in een zodanige financiële positie dat men zich nooit meer zorgen hoeft te maken
binnen, binnen, voorzetsel, 1. In een ruimte, niet buiten 2. minder dan een bep. tijdsbestek
binnen-, binder-, binnen-, binne-, binnen-, eerste lid in zn. van het type binderbaene, binderbuse
binnen-, binnen-, 1. binnen-: eerste lid in ww. als binnenbrengen, binnenhaelen, binnenkommen, binnenfloepen (niet alle ww. van dit type zijn in dit woordenboek opgesomd) 2. zie binder-
binnenbaan, binderbaene, binnebaene, binnenbaene, zelfstandig naamwoord, de; binnenbaan
binnenbal, binnenballe, zelfstandig naamwoord, de; niet ingedaalde teelbal
binnenband, binderbaand, binnebaand, binnenband, zelfstandig naamwoord, de; binnenband
binnenbeer, binnenbeer, binnebeer, zelfstandig naamwoord, de; binnenbeer
binnenbrand, binnenbraand, zelfstandig naamwoord, de; binnenbrand
binnenbuis, binderbuse, binnebuse, binnenbuse, zelfstandig naamwoord, de; binnenzak
binnendeur, binderdeure, binnedeure, binnendeure, binnerdeure, zelfstandig naamwoord, de; binnendeur
binnendijk, binnendiek, binnediek, binnerdiek, binderdiek, zelfstandig naamwoord, de; 1. binnendijk 2. binnenweg
binnendijks, binnendieks, bijvoeglijk naamwoord, binnendijks
binnenfloepen, binnenfloepen, werkwoord, naar binnen schieten, floepen, glippen
binnenhalen, binnenhaelen, werkwoord, 1. naar binnen brengen, met name van de oogst 2. (bij vissen) naar zich toe trekken, binnen zijn bereik brengen 3. verwerven, tot de zijne/hare maken
binnenhoek, binnenhoeke, zelfstandig naamwoord, de; plekje bij het huis in de luwte, bijv. in een inspringende hoek
binnenhouden, binnenholen, werkwoord, binnenhouden, niet naar buiten laten gaan
binnenkant, binderkaante, binnekaant, binnenkaant, binnekaante, binnenkaante, zelfstandig naamwoord, de; binnenkant
binnenkomen, binnenkommen, werkwoord, binnenkomen: in een ruimte
binnenkoorts, binnenkoorsen, meervoud, aanduiding voor sluipende, inwendige, wellicht onopgemerkte koorts
binnenkort, binnenkot, bijwoord, 1. binnenkort, eerlang 2. onlangs
binnenkrijgen, binnenkriegen, werkwoord, 1. binnenkrijgen: van water door de keel 2. ontvangen, bezorgd krijgen
binnenland, binnenlaand, zelfstandig naamwoord, et; binnenland
binnenlands, binnenlaans, bijvoeglijk naamwoord, 1. binnenlands, binnen het eigen land, het eigen land betreffende 2. van hoog gelegen graslanden
binnenlat, binnenlatte, zelfstandig naamwoord, de; lat aan de binnenkant getimmerd
binnenlaten, binnenlaoten, werkwoord, binnenlaten
binnenmennen, binnenmennen, werkwoord, met paard en wagen binnenbrengen
binnenmuur, bindermure, binnemure, binnenmure, zelfstandig naamwoord, de; binnenmuur
binnenopname, binnenopnaeme, zelfstandig naamwoord, de; binnenopname
binnenplaats, binnenplaets, zelfstandig naamwoord, de; binnenplaats
binnenplek, binnenplak, zelfstandig naamwoord, et; binnenplaats
binnenpot, binnepot, binnenpot, zelfstandig naamwoord, de 1. binnenste pot, in geval van bep. kachels 2. id. in geval van een stookpot: binnenste van twee grote ijzeren potten waarin wasgoed werd gedaan of waarin aardappels werden gekookt voor varkens
binnenpret, binnenprettien, zelfstandig naamwoord, et; binnenpretje
binnenrijden, binnenrieden, werkwoord, binnenrijden
binnenrot, binnenrot, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als rot in een appel
binnenshuis, binnenshuus, bijwoord, binnenshuis
binnensmonds, binnenmoons, binnensmoons, binnensmonds, bijwoord, binnensmonds
binnenst, binderst, binnenst, bijvoeglijk naamwoord, binnenst, het meest binnen (zelfst.) et binnenste van heur hatte haar/hun diepste innerlijk
binnenstebuiten, binnenstebuten, bijwoord, binnenstebuiten
binnenstro, binnenstro, binnestro, zelfstandig naamwoord, et; stro dat opgeborgen is geweest, i.t.t. stro direct van het land gehaald
binnenveringmatras, binnenveringmetras, zelfstandig naamwoord, et; matras met binnenvering
binnenvetter, binnenvetter, binnevetter, zelfstandig naamwoord, de; binnenvetter, sterk in zichzelf gekeerde persoon, introvert iemand
binnenvisser, binnenvisker, zelfstandig naamwoord, de; binnenvisser
binnenweg, binnenweg, bijwoord, 1. binnen door de boerderij gaand 2. zie binderweg
binnenweg, binderweg, binneweg, binnenweg, zelfstandig naamwoord, de 1. bekend oud wegtype: min of meer in het midden van de hoge zandruggen gelegen die in de lengterichting van Stellingwarf lopen, vanouds soms niet meer dan een voetpad, vaak i.t.t. de boverweg of buterweg 2. binnenweg 3. kortste weg
binnenwerk, binnenwark, binnewark, binnenwaark, zelfstandig naamwoord, et 1. binnenwerk: werk binnenshuis 2. delen van een machine, werktuig aan de binnenkant
binnenwerks, binnenwarks, binnenwaarks, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, binnenwerks, binnenwerks gemeten
binnenzool, binnenzole, zelfstandig naamwoord, de; binnenzool; We hadden et al aorig in de binnenzole raakten er al flink bedreven in, konden het al goed aan
bint, biente, zelfstandig naamwoord, et; deel van twee stijlen tegenover elkaar met het bijbehorende balkwerk van een klokkenstoel
bintenrichten, bienterichten, werkwoord, opzetten en afstellen van (de delen van) het bientwark
binthoofd, bientheufd, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als bientkop
bintje, bintien, bintje, zelfstandig naamwoord, et 1. aardappel van het soort bintje 2. de aardappelsoort bintje
bintkop, bientkop, zelfstandig naamwoord, de; zware balk die op twee bintstijlen ligt en zo een gebint vormt
bintstijl, bientstiele, bientestiele, zelfstandig naamwoord, de; bintstijl, met name van een boerderij
bintwerk, bientwark, bientwaark, zelfstandig naamwoord, et 1. het geheel aan gebinten, de gebinten (combinaties van twee stijlen en dwarsbalken) met elkaar 2. de combinatie van twee bintstijlen en de zware dwarsbalk die ter verbinding daar bovenop ligt
bioscoopbezoeker, bioskoopbezuker, zelfstandig naamwoord, de; bioscoopbezoeker
bioscoopzaal, bioskoopzael, zelfstandig naamwoord, de; bioscoopzaal
birzig, birzig, bijvoeglijk naamwoord, druk en driftig van karakter
bisamrat, bisamrotte, zelfstandig naamwoord, de; bisamrat
biscuit, biskwie, zelfstandig naamwoord, de; bekend koekje: biscuit
bisschoppelijk, bisschoppelik, bijvoeglijk naamwoord, bisschoppelijk
bisschopskorf, bisschopskörf, zelfstandig naamwoord, de; ronde en grotendeels recht opgaande bijenkorf, boven in een punt uitlopend
bit, bit, biet, but, zelfstandig naamwoord, et 1. bijt in het ijs 2. bit: ijzeren mondstuk van een paard of ander last- of trekdier 3. mondstuk van een pijp
bit, bit, zelfstandig naamwoord, de; bit, bekende eenheid van digitale informatie
bits, birre, bir, bijvoeglijk naamwoord, druk en driftig, bits, kortaf
bitter, bitter, zelfstandig naamwoord, bitter: bekend extract of glas jenever gemengd met dat extract
bitter, bitter, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. bitter van smaak 2. scherp, bijtend 3. zwaar, pijnlijk voor het gemoed 4. ellendig, in een moeilijke omstandigheid 5. spijtig, smartelijk; in hoge mate, bijv. een bitter betien erg weinig
bitterbal, bitterballe, zelfstandig naamwoord, de; bitterbal
bitteren, bitteren, werkwoord, bittertjes drinken
bitterfles, bitterflessien, zelfstandig naamwoord, et; flesje (soort kleine karaf) met bitter (extract)
bitterheid, bitterhied, zelfstandig naamwoord, de 1. het bitter zijn 2. pijnlijk gevoel, gevoel van gegriefd zijn
bitterhout, bitterhoolt, zelfstandig naamwoord, et 1. kalmoeswortel 2. bitterzoet 3. zoethout
bitterkoekje, bitterkoekien, zelfstandig naamwoord, et; bitterkoekje
bitterplant, bitterplaante, zelfstandig naamwoord, de 1. bitterzoet 2. kalmoeswortel
bittertafel, bittertaofel, zelfstandig naamwoord, de; bittertafel
bitteruur, bitteruurtien, zelfstandig naamwoord, et; bitteruur
bitterzoet, bitterzute, bitterzoet: tegelijk bitter en zoet
bitterzoete, bitterzuten, meervoud, benaming voor bep. kleine zoete appels
bittig, birrig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kortaf, bits
bivakmuts, bivakmusse, zelfstandig naamwoord, de; bivakmuts
blaadjesgoed, blattiesgoed, zelfstandig naamwoord, et; planten met brede bladen tussen het gras in weiland, gazon
blaaier, bleier, zelfstandig naamwoord, de; tong, bijv. Hael de bleier mar deur et bod lik het bord maar uit
blaam, blaom, zelfstandig naamwoord, de; smet op iemands naam
blaar, blaore, zelfstandig naamwoord, de 1. blaar in de huid 2. bladder in verflaag 3. bep. ziekte van de huid bij vee: blaar 4. ziekelijke opzwelling van het uitwendige geslachtsdeel bij een koe of varken 5. hetz. als blaorkop
blaarkoe, blaorekoe, zelfstandig naamwoord, de; blaarkoe
blaarkop, blaerkop, zelfstandig naamwoord, de; blaarkoe, koe met een blaarkop (zeer grote bles), ook gezegd van een koe met een geheel witte kop en het overige lichaam geheel zwart
blaas, blaoze, zelfstandig naamwoord, de; urineblaas; blaosien, et; bel op het water
blaasbalg, blaosbalge, blaosbalg, blaosbalke, zelfstandig naamwoord, de 1. blaasbalg 2. opschepper
blaasinstrument, blaosinsterment, zelfstandig naamwoord, et; blaasinstrument
blaasmuziek, blaosmeziek, zelfstandig naamwoord, de; blaasmuziek
blaaspijp, blaospiepe, zelfstandig naamwoord, de; blaaspijp
blaaspoep, blaospoep, zelfstandig naamwoord, de 1. (meestal mv.) Duitse hoornblazer die in groepsverband door de dorpen en steden trok om met muziek iets te verdienen 2. hoornblazer 3. iemand die over zichzelf opschept
blaasproef, blaosproef, zelfstandig naamwoord, de; blaasproef
blaasteren, blosteren, werkwoord, opscheppen
blaastrappen, blaostrappen, blaozetrappen, werkwoord, spelletje spelen waarbij men in een kring achter elkaar aan liep met een opgeblazen varkensblaas aan een been; men probeerde de blaas van een ander kapot te trappen; wie z’n varkensblaas als laatste heel hield, had gewonnen
blaasvoetbalspel, blaosvoetbalspul, zelfstandig naamwoord, et; blaasvoetbalspel
black varnish, blakvernis, zelfstandig naamwoord, de, et; black varnish, teerachtige substantie
blad, blad, zelfstandig naamwoord, et 1. gebladerte 2. exemplaar van een blad van een boom, plant 3. tafelblad (ook als aanzetstuk) 4. plat deel van een voorwerp, gereedschap e.d. (waarmee men graaft, snijdt e.d.) 5. elk van de wielachtige elementen met tanden in de vorm van ijzeren pennen van een hooimachine 6. dienblad, theeblad e.d. 7. blad papier, stuk papier e.d. 8. blad van een boek, krant e.d. 9. tijdschrift, periodiek, krant
bladafval, bladofval, zelfstandig naamwoord, et; bladafval
bladder, blaster, zelfstandig naamwoord, de 1. sneeuw die onder iemands klompen blijft hangen 2. schilfer
bladderen, bladderen, blaederen, blaeren, werkwoord, bladderen
bladderig, blasterig, bijvoeglijk naamwoord, 1. schilferig, bladderig zijnd van een verfaag e.d. 2. met een ziekelijke gelaatskleur 3. enigszins opgezet in het gezicht hoesterig 5. zie blosterig
bladderij, blasterderi’je, zelfstandig naamwoord, de; het voortdurend blasteren
bladergoud, blaedergoold, zelfstandig naamwoord, et; bladgoud
bladermaag, blaedermaege, zelfstandig naamwoord, de; bladmaag
bladgoud, bladgoold, zelfstandig naamwoord, et; bladgoud
bladhark, bladharke, blaereharke, zelfstandig naamwoord, de; bladhark
bladharken, bladharken, werkwoord, blad op gazon enz. bijeenharken, wegharken
bladhoning, bladhunning, bladhunnig, zelfstandig naamwoord, de; bladhoning
bladhouw, bladhouwe, bladhouwer, zelfstandig naamwoord, de; enigszins op een zeis gelijkende haak om modder en plantenresten uit een sloot te trekken
bladkool, bladkool, zelfstandig naamwoord, de; witte kool
bladluis, bladluus, zelfstandig naamwoord, de; et (verz.); bladluis
bladmuziek, bladmeziek, zelfstandig naamwoord, de; bladmuziek
bladnerf, bladnarve, bladnaarve, bladnarf, zelfstandig naamwoord, de; bladnerf
bladrol, bladroller, bladrol, bladrolle, zelfstandig naamwoord, de; bladrolziekte, met name van aardappelen
bladstil, bladstille, bijvoeglijk naamwoord, bladstil
bladveer, bladvere, zelfstandig naamwoord, de; bladveer
bladwijzer, bladwiezer, zelfstandig naamwoord, de; bladwijzer: bijlegger, leeswijzer
bladzijde, bladziede, zelfstandig naamwoord, de; bladzijde
blaffen, blaffen, werkwoord, 1. blaffen, keffen van honden, vossen, varkens 2. knallen van geweren e.d. 3. aanhoudend hard hoesten 4. luidkeels opscheppen, zwetsen 5. bars spreken, afblaffen, toebijten
blaffer, blaffer, zelfstandig naamwoord, de; revolver, pistool
blaffer, blafferd, blaffer, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die voortdurend ruw en onbeschoft spreekt, hard roept, schreeuwlelijk 2. zwetser, opschepper
blak, blak, bijvoeglijk naamwoord, geheel windstil
blaken, blaeken, werkwoord, blaken: helder of gloeiend stralen
blaken, blaeken, werkwoord, 1. blaten (van geiten, schapen) 2. schreeuwen, jammerend tekeergaan
blaker, blaeker, zelfstandig naamwoord, et; dienblad in een café
blaker, blaeker, zelfstandig naamwoord, de 1. spiegelend deel van een (petroleum)lampje 2. walmvanger 3. opgehangen of in de hand te houden petroleumlampje met spiegelend deel 4. doopvont (van koper)
blaker, blaeker, blaekerd, zelfstandig naamwoord, de; schreeuwer
blakeren, blaekeren, werkwoord, 1. van de zon: blakerend stralen 2. de straling van de sterke zon ondergaan 3. door de felle zon of andere hittebron (bijv. vuur) aangetast raken 4. gezondheid uitstralen
blakerlamp, blaekerlaampe, zelfstandig naamwoord, de; bep. lamp: blaker
blakstil, blakstille, bijvoeglijk naamwoord, bladstil, blakstil
blanco, blanko, bijvoeglijk naamwoord, blanco
blank, blaank, bijvoeglijk naamwoord, 1. spiegelend, blinkend 2. met water bedekt, met water aan de oppervlakte 3. wit, niet gekleurd, licht gekleurd
blankeiken, blaankieken, bijvoeglijk naamwoord, van eikenhout dat licht van kleur is
blarenbijter, blaorebieter, zelfstandig naamwoord, de; libel
blast, blost, blast, zelfstandig naamwoord, de 1. opgeblazenheid van vee 2. opschepper, snoever
blasteren, blasteren, werkwoord, bladderen, schilferen
blaten, blaeten, blaoten, werkwoord, blaten (van bep. dieren)
blauw, blauw, blaauw, zelfstandig naamwoord, et 1. blauwe kleur 2. blauwe verkleuring van een aardappel
blauw, blauw, blaauw, bijvoeglijk naamwoord, 1. van/met de kleur blauw 2. aan blauw doen denkende donkere of grijsachtige kleur
blauwaker, blauwaekertien, zelfstandig naamwoord, et; blauw aekertien (met dekseltje)
blauwbloeier, blauwbluuier, zelfstandig naamwoord, de; bloem die met een blauwe kleur blijkt te gaan bloeien
blauwbont, blauwbont, zelfstandig naamwoord, et; witte kledingstof of ander materiaal met blauwe ondergrond en witte motieven (of omgekeerd)
blauwbont, blauwbont, bijvoeglijk naamwoord, 1. (van stof voor kleding, beddengoed, servies e.d.) wit met blauw gekleurde motieven, ook wel blauw met witte motieven 2. bont en blauw; iene blauwbont slaon hem bont en blauw slaan 3. grijsblauw, grijsachtig, in een blauwbonte koe variant van het Fries-Hollandse veeras
blauwbroek, blauwbroek, zelfstandig naamwoord, de; (scheldnaam) veldwachter
blauwdruk, blauwdrok, zelfstandig naamwoord, de; blauwdruk
blauwen, blauwen, zelfstandig naamwoord, de; blauwe kleur, in verb. als De was schient hielemaol uut een blauwen, ik hebbe zeker te vule blauwsel bruukt
blauwen, blauwen, werkwoord, blauw (doen) worden, ook: blauw doen worden door te roken
blauwgebloemd, blauwbloemd, bijvoeglijk naamwoord, met een motief van blauwe bloemen
blauwgeblokt, blauwgeblokt, blauwblokt, bijvoeglijk naamwoord, met blokmotief in blauw uitgevoerd
blauwgeplekt, blauwplakt, bijvoeglijk naamwoord, (van aardappelen) met blauwe plekken
blauwgeruit, blauwgeruut, blauwruut, bijvoeglijk naamwoord, blauwgeruit, bijv. blauwruties goed blauwgeruite stof
blauwgestreept, blauwstreept, zelfstandig naamwoord, et; dikke wollen stof, waar de vrouwen onderrokken van maakten
blauwgestreept, blauwstreept, blauwgestreept, bijvoeglijk naamwoord, blauwgestreept
blauwgras, blauwgrös, blauwgrus, zelfstandig naamwoord, et 1. blauwgras 2. zegge
blauwgrashooi, blauwgröshuj, blauwgrushuj, blauwgrushui, zelfstandig naamwoord, et; hooi van onbemest land of van gras dat in hoofdzaak niet als cultuurgewas is gezaaid
blauwgrasland, blauwgröslaand, zelfstandig naamwoord, et; blauwgrasland
blauwgrasmaaien, blauwgrösmi’jen, werkwoord, maaien van blauwgras
blauwgrasstekel, blauwgrösstiekel, zelfstandig naamwoord, de; bep. distel
blauwgrijs, blauwgries, bijvoeglijk naamwoord, blauwgrijs
blauwgroen, blauwgruun, bijvoeglijk naamwoord, blauwgroen
blauwgruisje, blauwgrusien, zelfstandig naamwoord, et; blauw kopspijkertje
blauwhullerse, blauwhuldersen, meervoud, bep. aardappelsoort
blauwkeper, blauwkeper, zelfstandig naamwoord, et; blauwe keperstof
blauwkeperen, blauwkeperen, bijvoeglijk naamwoord, van blauwkeper
blauwkop, blauwkop, zelfstandig naamwoord, de; bep. soort aardappel, ondersoort van de eigenheimer
blauwkopknol, blauwkopknolle, zelfstandig naamwoord, de; bep. stoppelknol, gebruikt als veevoer: blauwkop
blauwkopspijker, blauwkopspieker, blauwkoppien, zelfstandig naamwoord, de; blauw kopspijkertje
blauwmelde, blauwmelte, blauwmelle, zelfstandig naamwoord, de; melde
blauwpaardje, blauwpeertien, zelfstandig naamwoord, et; blauwe libel
blauwplekkerig, blauwplakkerig, bijvoeglijk naamwoord, (van aardappelen) met blauwe plekken
blauwruiten, blauwruten, blauwruties, bijvoeglijk naamwoord, blauwgeruit
blauwschijter, blauwschieter, zelfstandig naamwoord, de; blauwe vleesvlieg
blauwschimmel, blauwschimmel, blaauwschimmel, zelfstandig naamwoord, de; blauwschimmel (paardenras)
blauwschimmelpaard, blauwschimmelpeerd, zelfstandig naamwoord, et; blauwschimmel
blauwstreep, blauwstrepien, zelfstandig naamwoord, et; overhemd met motief bestaande uit blauwe strepen
blauwstreepjes, blauwstrepies, bijvoeglijk naamwoord, met blauw streepjesmotief, bijv. een blauwstrepies boezeroen
blauwtje, blauwgien, blaauwgien, zelfstandig naamwoord, et 1. klein blauw exemplaar 2. belastingaanslag 3. afwijzing bij een aanzoek tot verkering enz.
blauwveen, blauwveen, zelfstandig naamwoord, et; blauwveen, blauw gekleurde, onderste laag van het hoogveen, van zeer goede kwaliteit; ook uit laagveengebied bekend
blauwverven, blauwvarven, werkwoord, blauwverven, het handwerk uitvoeren waarbij het eigengesponnen garen en de door de wever geweven stoffen blauw of zwart werden geverfd; wel zelf thuis gedaan maar vaak ook door de blauwvarver
blauwverver, blauwvarver, blauwvaarver, zelfstandig naamwoord, de; handwerksman die het eigengesponnen garen en de door de dorpswever geweven stoffen blauw of zwart verfde
blauwververij, blauwvarveri’je, zelfstandig naamwoord, de 1. het blauwvarven 2. inrichting voor blauwvarven
blauwwollen, blauwwollen, bijvoeglijk naamwoord, van dikke, blauwe wol, bijv. een blauwwollen schölk halve schort van blauwe wol
blauwzoete, blauwzute, blauwzuuite, zelfstandig naamwoord, de; bep. soort droge appel, hetz. als waeterzute
blauwzwart, blauwzwat, bijvoeglijk naamwoord, blauwzwart
blazen, blaozen, werkwoord, 1. blazend uitademen 2. blazen door katten of door andere dieren 3. krachtig waaien 4. door blazen een instrument bespelen, doen klinken 5. op een blaasinstrument doen horen 6. opscheppen 7. verplaatsen of verwijderen door blazen 8. door blazen bep. figuren doen ontstaan, vol doen zijn, vervaardigen e.d.
blazer, blezer, zelfstandig naamwoord, de; blazer (kort jasje)
blazer, blaozerd, blaozer, zelfstandig naamwoord, de 1. blazer 2. opschepper
blazerig, blaozerig, bijvoeglijk naamwoord, 1. last hebbend van darmgassen 2. opschepperig
blazerij, blaozeri’je, zelfstandig naamwoord, de 1. gesnoef, blufferij 2. het blaozen anderszins
bleek, bliek, bleek, bleek-, bijvoeglijk naamwoord, minder sterk gekleurd dan gewoonlijk
bleek, blieke, bleke, zelfstandig naamwoord, de 1. bleekveld 2. bleekgoed
bleekachtig, bliekachtig, bijvoeglijk naamwoord, bleekachtig
bleekgoed, bliekgoed, zelfstandig naamwoord, et; bleekgoed
bleekheid, bliekhied, zelfstandig naamwoord, de; bleekheid: het bleek zijn
bleekkop, bliekkoppien, zelfstandig naamwoord, et; iemand met een bleek gezicht, vooral gezegd van kinderen
bleekmiddel, bliekmiddel, zelfstandig naamwoord, et; bleekmiddel
bleekneus, bliekneuze, zelfstandig naamwoord, de; bleekneus
bleekscheet, bleekscheet, zelfstandig naamwoord, de; iemand met een bleke, ongezonde gelaatskleur
bleekveld, bliekveld, zelfstandig naamwoord, et; bleekveld
bleekwater, bliekwaeter, zelfstandig naamwoord, et; bleekwater
blei, blei, zelfstandig naamwoord, de 1. bekende vis: blei 2. trut, aanstellerige vrouw, ook wel van een man
bleiig, bleiig, bijvoeglijk naamwoord, truttig, flauw, enigszins aanstellerig
bleitjesgoed, bleigiesgoed, zelfstandig naamwoord, et; het geheel van een aantal vissen van de soort blei
bleken, blieken, bleken, werkwoord, 1. bleken (van de was op de bleek) 2. doen bleken (van de was) 3. verder in haor blieken: bleken van haar
blekerd, bliekerd, zelfstandig naamwoord, de; bleek iemand
blekig, bliekig, bijvoeglijk naamwoord, bleekjes: een beetje bleek
blekigheid, bliekighied, zelfstandig naamwoord, de; bleekheid, het bleek zijn
blenders, blinders, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, deksels, drommels
blenders, blinder, blinders, tussenwerpsel, potverdorie, drommels, deksels
blèrbek, blaerbek, zelfstandig naamwoord, de; schreeuwer, vooral van een kind gezegd
blèrder, blaederd, blaerder, blaekerd, zelfstandig naamwoord, de; blèrende persoon of dier
blèren, blaeren, werkwoord, blèren: van mensen, vooral van kinderen, ook van schapen enz.
blèrkont, blaerkonte, blaerkont, zelfstandig naamwoord, de; blèrende persoon
bles, bles, zelfstandig naamwoord, de 1. bles bij een paard, koe, ook bij een schaap of hond 2. paard met bles (alg.), ook: koe of schaap met een bles 3. bles van een boom
blesbes, blesbessen, zelfstandig naamwoord, de; heester waaraan de bosbes groeit
Blesdijke, Blesdieke, zelfstandig naamwoord, de; Blesdijke, naam van een bekend Stellingwerfs dorp, zuidelijk van de Lende
Blesdijkinger, Blesdiekiger, Blesdiekinger, Blesdiekemer, Blesdiekster, zelfstandig naamwoord, de; inwoner van Blesdieke, iemand afkomstig uit Blesdieke
Blesdijkinger, Blesdiekiger, Blesdiekinger, Blesdiekemer, Blesdiekster, bijvoeglijk naamwoord, van, m.b.t., uit Blesdieke
Blesdijkingers, Blesdiekigers, zelfstandig naamwoord, et; Stellingwerfs taaleigen van Blesdieke, bijv. Dat is gien Blesdiekigers
blespaard, blespeerd, zelfstandig naamwoord, et; blespaard
blesplaat, blesplaetien, zelfstandig naamwoord, et; merkteken door blessen van een boom ontstaan
blespoter, blispoter, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die voorop gaat, degene die de zaak aan de gang brengt, die met zijn prestatie een voorbeeld is voor anderen 2. koe die voorop gaat in een groep koeien
Blesse, Blesse, in De Blesse naam van een bekende Stell. plaats zuidelijk van de Lende
blessen, blessen, werkwoord, aanblessen, aanbikken, bijv. Die bomen bin blest
Blessinger, Blessiger, Blessinger, zelfstandig naamwoord, de; iemand geboortig uit, inwoner van De Blesse
Blessinger, Blessiger, Blessinger, bijvoeglijk naamwoord, van, m.b.t. De Blesse
Blessingers, Blessigers, zelfstandig naamwoord, et; het Stellingwerfs taaleigen van De Blesse
blesveulen, blesvool, zelfstandig naamwoord, et; veulen met een bles op z’n voorhoofd
bleu, bloe, bleu, zelfstandig naamwoord, de 1. bep. overgevoeligheid van een koe tegen zonnebrand 2. bep. bloedziekte die vervelling teweegbrengt, in an de bloe
bleu, bleu, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, timide, verlegen
bleu, bleu, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lichtblauw, blauw
bleut, bleut, zelfstandig naamwoord, et; (zie ook bleute, bet. 2) stuifmeel en honing die bijen aan de achterpoten verzamelen
bleuten, bleuten, werkwoord, stuifmeel uit bloemen halen: door bijen
bliekpink, bliekpinke, zelfstandig naamwoord, de; pink, hokkeling die drachtig blijkt te zijn
bliekvaars, bliekveerze, zelfstandig naamwoord, de; vaars die door bliek in de uier te hebben drachtig blijkt te zijn
blij, bliede, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. blij, vrolijk, verheugd 2. opgelucht
blijdens, bliedens, zelfstandig naamwoord, de; blijheid, blijdschap
blijdschap, bliedschop, zelfstandig naamwoord, de; het blij, verheugd, opgeruimd zijn
blijf-van-mijn-lijfhuis, blief-van-mien-liefhuus, zelfstandig naamwoord, et; blijf-van-mijn-lijfhuis
blijhartig, bliedhattig, bijvoeglijk naamwoord, blijhartig, opgeruimd, lief
blijigheid, bliedighied, zelfstandig naamwoord, de; blijheid
blijk, bliek, zelfstandig naamwoord, et 1. blijk, teken van iets 2. harsachtig, geleiachtig vocht uit de tepels als teken van drachtigheid bij pink, vaars of schaap
blijkbaar, bliekber, bijwoord, 1. zoals blijkt, zoals duidelijk is geworden 2. naar valt aan te nemen, zoals kennelijk het geval is
blijken, blieken, werkwoord, 1. blijken, duidelijk worden dat iets is zoals aangeduid 2. (koppelwerkwoord) blijken, bijv. Hi’j bleek foetsie!
blijkgeven, bliekgeven, zelfstandig naamwoord, et; het vertonen van tochtigheidskenmerken door een merrie
blijven, blieven, werkwoord, 1. blijven 2. niet wijzigen wat de tijd, plaats enz. betreft 3. doorgaan met de bedoelde handeling, toestand 4. achterblijven, niet verder gaan 5. terechtkomen, raken 6. sterven,In d’r (haost) in blieven bijv. van een hoestaanval, van een enorme lachbu(koppelwerkwoord) in de uitgedrukte toestand, handeling blijven, bijv. goed blieven niet bederven, Alles bleef bi’j et oolde er veranderde niets; (hulpwerkwoord) doorgaan met de in het hoofdww. genoemde handeling, bijv. Ze bleven mar zeuren
blijvend, blievend, bijvoeglijk naamwoord, blijvend: niet voorbijgaand, duurzaam
blijver, blievertien, zelfstandig naamwoord, et; blijvertje, in Et is gien blievertien dat blijft niet zo
blik, blik, zelfstandig naamwoord, de 1. blik, oogopslag 2. uitdrukking van de ogen 3. uitzicht, vermogen om te kunnen zien 4. kijk, inzicht
blik, blik, zelfstandig naamwoord, et 1. blik, bladmetaal 2. veegblik, stofblik 3. hetz. als wasblik, afwasteil 4. bus van blik (vooral: om eetwaren in te conserveren) 5. de inhoud van een blik (in bet. 4) 6. merkteken van blik
blik, blik, bliek, bijvoeglijk naamwoord, open, onbeschut, zodanig dat men alles kan zien
blikbes, blekber, blekbes, blakber, blekbese, blekberd, bleiber, ble, zelfstandig naamwoord, de 1. blauwbes, bosbes 2. heester waaraan de bosbes groeit
blikbessenjam, blekbersjem, bleiberjem, zelfstandig naamwoord, de; bosbessenjam
blikbessenpol, blekberpolle, blekberdspolle, bleiberpolle, blekbesepolle, blekb, zelfstandig naamwoord, de; heester waaraan de bosbes groeit
blikbessenstruik, blekberstruke, blebberstruke, bleiberstrukke, zelfstandig naamwoord, de; heester waaraan de bosbes groeit
blikbessenzoeken, blekberzuken, bleiberzuken, werkwoord, bosbessen plukken
blikbol, blikbolle, zelfstandig naamwoord, de; busbrood
blikbrood, blikbrood, zelfstandig naamwoord, de; busbrood
blikgat, blikgat, zelfstandig naamwoord, et; blikgat, blikaars
blikgoed, blikgoed, zelfstandig naamwoord, et; blikken voorwerpen, ook wel gezegd van ander licht materiaal dat op blik lijkt; ook: blikafval
blikje, blikkien, zelfstandig naamwoord, et 1. klein blik 2. metalen uiteinde van schoenveter 3. merkteken van blik, met name in de oren van koeien en varkens
blikken, blikken, blikkeren, blieken, werkwoord, 1. merken van runderen, varkens, schapen of ander vee in de oren (veelal met merktekentjes van blik) 2. even kijken naar, een blik werpen op, steels kijken naar 3. bij het kaartspelen de kaart omkeren, nl. om te zien wat troef is 4. (bij paarden) tekenen van tochtigheid vertonen 5. als uitdrukking van de ogen hebben 6. verblikken, zich niet schamen
blikken, blikken, bijvoeglijk naamwoord, van blik
blikkeren, blikkeren, blikken, werkwoord, blikkeren (in de zon, het water e.d.)
blikkerig, blikkerig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, blikkerend (van het zonlicht)
blikkerig, blikkerig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, blikkerig, vaak: minder scherp van een zeis
blikkont, blikkont, blikkonte, zelfstandig naamwoord, de; blikgat, blikaars, bijv. een blikkont hebben, - kriegen bijv. door langdurig fietsen, te lang zitten
blikmaker, blikmaeker, zelfstandig naamwoord, de; blikslager
blikopener, blikeupener, zelfstandig naamwoord, de; blikopener, busopener
blikpol, blikpollen, meervoud, straatgras
bliks, bliks, tussenwerpsel, in Oe, te bliks! gezegd wanneer iemand ergens zeer verbaasd over is
bliksem, bliksem, blaksem, tussenwerpsel, krachtterm: bliksems, deksels
bliksem, bliksem, zelfstandig naamwoord, de 1. bliksem (van onweer) 2. handige persoon 3. in gien bliksem krachtterm: helemaal niets 4. in naor de bliksem naar de verdoemenis, naar de barbiesjes, verloren (gegaan) 5. in hiete bliksem stamppot van aardappelen met zoete appels, zo ook blauwe bliksem hetz. maar nu met peren
bliksemafleider, bliksemofleider, zelfstandig naamwoord, de; bliksemafleider
bliksembeveiliging, bliksemofleiding, zelfstandig naamwoord, de; bliksembeveiliging
bliksembus, bliksembus, bliksebusse, zelfstandig naamwoord, et; bep. kinderspel gespeeld met een conservenblik of bal
bliksemgauw, bliksemsgauw, bijwoord, pijlsnel
bliksems, bliksems, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zeer ondeugend, deksels, bijv. Bliksemse aep! vooral: aap van een jongen; geweldig, in hoge mate
bliksems, bliksems, bliksies, bliksie, tussenwerpsel, krachtterm: bliksems, potverdrie
bliksemstraal, bliksemstraole, bliksemstraol, zelfstandig naamwoord, de; bliksemstraal
bliksemvlug, bliksemsvlogge, bijwoord, pijlsnel
blikskaters, blikskaeters, bliksekaeters, bijvoeglijk naamwoord, blikskaters, bliksems, vermaledijd, bijv. Blikskaeterse jonge!
blikskaters, blikskaeter, bliksemkaeter, bliksiekaeter, bliksiekater, blikse, tussenwerpsel, blikskaters
blikslager, blikslaeger, blikslager, zelfstandig naamwoord, de; blikslager
blikslagers, blikslaegers, blikslagers, blikslaeger, blikslager, tussenwerpsel, krachtterm: blikskaters
blikslagers, blikslaegers, bijvoeglijk naamwoord, drommels, deksels
blikspuit, blikspuit, zelfstandig naamwoord, et; bep. kinderspel gespeeld met een conservenblik of bal
blikspul, blikspul, zelfstandig naamwoord, et; één of meer voorwerpen van blik
bliksteen, blikstiender, tussenwerpsel, krachtterm: bliksems; in Ie kun gien blikstiender op ’m an geen zier, niets
bliksteens, blikstienders, blikstiens, tussenwerpsel, deksels
bliksteens, blikstienders, blikstiens, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, deksels, drommels, bijv. Blikstienderse jonge!; in hoge mate erg
blikstoet, blikstoete, zelfstandig naamwoord, de; busbrood
blikvlees, blikvleis, zelfstandig naamwoord, et; blikvlees
blind, bliend, bijvoeglijk naamwoord, 1. blind, niet de mogelijkheid hebbend om te zien 2. niet in staat in de gaten te krijgen wat er aan de hand is, wat er speelt 3. wild, onbeheerst, in in bliende woede haandelen; bliende vliege paardenhorzel, ook: steekvlieg, blindaas 4. gezegd van handelingen of toestanden waarbij men het verloop niet goed kan plannen, niet weet 5. zonder hetgeen men erin, erop zou kunnen verwachten, zonder wat relevant is te kunnen zien; een bliende mure zonder ramen 6. niet zichtbaar 7. met een opening slechts aan één kant
blinddoek, blienddoek, zelfstandig naamwoord, de; blinddoek, gebruikt bij een kinderspelletje
blinde, bliende, bliene, bliending, blien, zelfstandig naamwoord, de, et 1. (veelal mv.) blind, vensterluik (vaak aan de binnenkant van het huis, i.t.t. de loeken aan de buitenkant) 2. blind iemand 3. steekvlieg, blindaas, regenvlieg
blindedarm, bliendedaarm, zelfstandig naamwoord, de; blindedarm
blindemannetje, bliendemannegien, zelfstandig naamwoord, et; blindemannetje
blindengeleidehond, bliendegeleidehond, zelfstandig naamwoord, de; blindengeleidehond
blindenhond, bliendehond, zelfstandig naamwoord, de; blindengeleidehond
blindenschool, bliendeschoele, zelfstandig naamwoord, de; blindenschool
blindenstok, bliendestok, zelfstandig naamwoord, de; blindenstok
blindheid, bliendhied, zelfstandig naamwoord, de; blindheid
blindkap, bliendekappe, bliendkappe, blienkappe, zelfstandig naamwoord, de; leren kap die het paard voor de ogen werd gegespt, vooral: als het voor de karnmolen moest lopen
blinker, blinkerd, blinker, zelfstandig naamwoord, de 1. lokvisje aan een loophengel voor het vangen van snoek 2. elk der twee plaatjes aan de kanten van het hoofdstel van een paard 3. in een blinkerd om een stinkerd flinke zonneschijn afgewisseld door buien
blinkerig, blinkerig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gezegd van het blinkend schijnen van de zon als er kennelijk regen op komst is
blocnote, bloknote, bloknoot, zelfstandig naamwoord, de; bloknoot
blocnoteblad, bloknoteblattien, zelfstandig naamwoord, et; bloknootblaadje
bloed, bloede, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als blaore bet. 3
bloed, bloed, zelfstandig naamwoord, et 1. bloed 2. bloed opgevat als drager van familieverwantschap of van belangrijke eigenschappen, bijv. ’t Zat in ’t bloed het was aangeboren, ’t was nog familie
bloedader, bloedaore, zelfstandig naamwoord, de; bloedader
bloedafnemen, bloedofnemen, werkwoord, bloed aftappen, onttrekken
bloedarm, bloedaarm, bijvoeglijk naamwoord, zeer arm
bloedarmoede, bloedaarmoede, bloedarmoede, zelfstandig naamwoord, de; bloedarmoede, anemie
bloedbaan, bloedbaene, zelfstandig naamwoord, de; bloedbaan
bloedband, bloedbaand, zelfstandig naamwoord, de; bloedband
bloedbank, bloedbaank, zelfstandig naamwoord, de; bloedbank
bloedblaar, bloedblaore, zelfstandig naamwoord, de; blaar met bloed eronder
bloeddorstig, bloeddustig, bijvoeglijk naamwoord, bloeddorstig
bloeddruk, bloeddrok, zelfstandig naamwoord, de; bloeddruk
bloeden, bloeden, blodden, werkwoord, 1. bloeden 2. in d’r veur bloeden moeten ervoor moeten boeten, betalen
bloedernstig, bloedeernstig, bijvoeglijk naamwoord, doodserieus
bloedgever, bloedgever, zelfstandig naamwoord, de; bloeddonor
bloedgraad, bloedgraod, zelfstandig naamwoord, de; directe bloedverwantschap, bloedverwanten in de eerste graad
bloedheet, bloedhiete, bijvoeglijk naamwoord, bloedheet
bloedinjectie, bloedinjektie, zelfstandig naamwoord, de; injectie met bloed, toediening van bloed
bloedje, bloetien, zelfstandig naamwoord, et; bloedje, in bijv. een bloetien van een kiend
bloedlichaampje, bloedlichempien, zelfstandig naamwoord, et; bloedlichaampje
bloedluis, bloedluus, zelfstandig naamwoord, de; bep. dik soort kippenluis
bloedmonster, bloedmoonster, zelfstandig naamwoord, et; bloedmonster
bloedneus, bloedneuze, zelfstandig naamwoord, de; bloedneus
bloedonderzoek, bloedonderzuuk, zelfstandig naamwoord, et; bloedonderzoek
bloedplek, bloedplakke, bloedplekke, zelfstandig naamwoord, de; bloedplek
bloedprikker, bloedprikker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die bloed aftapt voor een onderzoek
bloedschande, bloedschaande, zelfstandig naamwoord, de; bloedschande, incest
bloedschap, bloedschop, zelfstandig naamwoord, de; bloedverwantschap
bloedspat, bloedspatte, zelfstandig naamwoord, de; bloedspat, spetter bloed
bloedspuwen, bloedspi’jen, werkwoord, bloedbraken, -spuwen
bloedtransfusie, bloedtraansfusie, zelfstandig naamwoord, de; bloedtransfusie
bloeduitstorting, bloeduutstotting, zelfstandig naamwoord, de; bloeduitstorting
bloedvenijn, bloedveniend, zelfstandig naamwoord, et; bloedvergiftiging aan een vinger
bloedverlies, bloedverlös, zelfstandig naamwoord, et; bloedverlies
bloedverwant, bloedverwaant, zelfstandig naamwoord, de; bloedverwant
bloedvin, bloedvinne, zelfstandig naamwoord, de; bloedvin, bloedvatgezwel
bloedvink, bloedvinke, zelfstandig naamwoord, de; goudvink
bloedvlek, bloedvlekke, zelfstandig naamwoord, de; bloedplek: vlek bloed, ook: bep. verkleuring in bladen van planten; vandaar ook: perzikkruid, duizendknoop
bloedwarm, bloedwaarm, bijvoeglijk naamwoord, en var.; bloedwarm
bloedworst, bloedwost, zelfstandig naamwoord, de; bloedworst
bloedzuiger, bloedzoeger, zelfstandig naamwoord, de 1. dier of insect dat zich voedt met het bloed van andere dieren 2. uitzuiger, uitbuiter
bloedzuiverend, bloedzuverend, bijvoeglijk naamwoord, bloedzuiverend
bloei, bluui, bluj, blui, bluij-, blui-, zelfstandig naamwoord, de 1. bloei, de toestand van het bloeien 2. bloeitijd 3. grootste kracht, volle ontplooiing
bloeien, bluuien, blujjen, bluien, werkwoord, 1. bloeien 2. verschijnselen van tochtigheid vertonen 3. bloeden 4. enigszins zwellen, uitdijen van het been van een paard 5. een rijkdom aan iets ontplooien
bloeier, bluuier, zelfstandig naamwoord, de; bloeier: bloeiende plant
bloeierig, bluuierig, bluierig, blujjerig, bijvoeglijk naamwoord, 1. gloeiend, met name door koorts, nogal rood qua gelaatskleur 2. (van bep. vee) verschijnselen van tochtigheid, bronstigheid vertonend 3. (van paarden) enigszins uitdijend, opzwellend, met name van de benen 4. in bijv. De wiend is bluierig gezegd wanneer er een onweersbui aan de lucht zit
bloeimaand, bluuimaond, blumaond, blujmaond, bluimaond, zelfstandig naamwoord, de; bloeimaand: de maand mei
bloeisel, bluuisel, blujsel, bluisel, zelfstandig naamwoord, et; bloeisel
bloeitijd, bluuitied, zelfstandig naamwoord, de; bloeitijd (lett.), bloeiperiode
bloeiwijze, bluuiwieze, blujwieze, bluiwieze, zelfstandig naamwoord, de; bloeiwijze
bloem, bloeme, zelfstandig naamwoord, de 1. bloem (waarmee een plant bloeit) 2. bloeiende plant, plant die bloemen heeft of kan hebben 3. afbeelding van een bloem 4. ijsbloem op ruiten, ramen 5. (mv.) bloem op/van aardappelen
bloem, bloem, zelfstandig naamwoord, de 1. fijn gezift meel 2. (verz.) bloemen
bloembak, bloembak, bloemebak, zelfstandig naamwoord, de; bloembak
bloembed, bloembedde, bloemebedde, zelfstandig naamwoord, et; bloembed
bloemblad, bloemeblattien, zelfstandig naamwoord, et; bloemblad
bloembol, bloembolle, zelfstandig naamwoord, de; bloembol
bloemen, bloemen, werkwoord, bloemen (van aardappels)
bloemenaarde, bloemeerde, zelfstandig naamwoord, de; aarde, grond geschikt voor kamerplanten e.d.
bloemenbuurt, bloemebuurt, zelfstandig naamwoord, de; buurt met straatnamen genoemd naar bloemen, planten
bloemencorso, bloemekorso, zelfstandig naamwoord, et; bloemencorso
bloemendak, bloemedak, bloemedek, zelfstandig naamwoord, et; (verz.) bladeren en stengels van moerasplanten gebruikt ter afdekking van bloembollen, riet
bloemengek, bloemegek, zelfstandig naamwoord, de; bloemengek
bloemengieten, bloemegieten, bloemengieten, werkwoord, gieten van bloemen en planten
bloemengieter, bloemegieter, zelfstandig naamwoord, de; bloemengieter
bloemenglas, bloemeglas, zelfstandig naamwoord, et; bloemglas, bloemenvaas van glas
bloemengrond, bloemegrond, zelfstandig naamwoord, de; bloemistengrond, potaarde
bloemenhanger, bloemehanger, zelfstandig naamwoord, de; hanger voor één of meer sierplanten
bloemenhoek, bloemehoeke, zelfstandig naamwoord, de; hoekje grond, deel van de tuin met tuinbloemen
bloemenhoning, bloemehunning, zelfstandig naamwoord, de; bloemenhoning
bloemenhulde, bloemehulde, zelfstandig naamwoord, de; bloemenhulde
bloemenkorf, bloemekörf, zelfstandig naamwoord, de; bloemenkorf
bloemenkrans, bloemekraanze, zelfstandig naamwoord, de; krans of kroon van bloemen
bloemenkroon, bloemekroon, zelfstandig naamwoord, de; kroon van bloemen
bloemenlucht, bloemelocht, zelfstandig naamwoord, de; bloemengeur
bloemenmaagd, bloememaegien, zelfstandig naamwoord, et; bloemenmeisje
bloemenmarkt, bloememark, zelfstandig naamwoord, de; bloemenmarkt
bloemenmes, bloememes, zelfstandig naamwoord, et; bep. mes gebruikt door klompenmaker
bloemenmest, bloememest, bloememes, zelfstandig naamwoord, de; door de bloemist geleverde plantenmest
bloemenpan, bloemepaantien, zelfstandig naamwoord, et; bloemschotel, schotel onder bloempot met kamerplant
bloemenplank, bloemeplaanke, zelfstandig naamwoord, de; bloemenplank
bloemenprikker, bloemeprikker, zelfstandig naamwoord, de; prikker waar men bloemen aan kan prikken
bloemenpul, bloempulle, zelfstandig naamwoord, de; vaas voor snijbloemen
bloemenrand, bloemeraand, zelfstandig naamwoord, de; strook van meestal bloeiende bloemen langs een rand
bloemenrek, bloemerek, zelfstandig naamwoord, et; bloemenrek
bloemenscherm, bloemeschaarm, zelfstandig naamwoord, et; bloemscherm
bloemenslinger, bloemeslinger, bloemslinger, zelfstandig naamwoord, de; bloemenslinger
bloemenspuit, bloemespuite, zelfstandig naamwoord, de; bloemenspuit
bloemenstal, bloemestallegien, zelfstandig naamwoord, et; bloemenstalletje
bloemensteel, bloemestaele, zelfstandig naamwoord, de; bloemsteel
bloementafel, bloemetaofel, bloemtaofel, zelfstandig naamwoord, de; bloementafel
bloementijd, bloemetied, zelfstandig naamwoord, de; bloementijd
bloementuin, bloemetuun, zelfstandig naamwoord, de; bloementuin
bloemenvaas, bloemevaas, bloemvasien, bloemevaeze, bloemevaze, zelfstandig naamwoord, de; vaas voor snijbloemen
bloemenwinkel, bloemewinkel, zelfstandig naamwoord, de; bloemenwinkel
bloemenzaad, bloemezaod, bloemzaod, zelfstandig naamwoord, et; bloemzaad
bloemerig, bloemerig, bijvoeglijk naamwoord, 1. (van aardappelen) bloemend, geneigd tot bloemen 2. met veel bloemen
bloemig, bloemig, bijvoeglijk naamwoord, bloemig, met bloem bedekt
bloemisterij, bloemisteri’je, zelfstandig naamwoord, de; bloemisterij
bloemkelk, bloemkelke, zelfstandig naamwoord, de; bloemkelk, ook bekend als droge rest ervan aan de gedorste korrel van de boekweit
bloemknop, bloemknoppe, zelfstandig naamwoord, de; bloemknop
bloemkoollucht, bloemkoollocht, zelfstandig naamwoord, de; bloemkoollucht
bloemkoolstronk, bloemkoolstronke, zelfstandig naamwoord, de; bloemkoolstronk
bloemmotief, bloememotief, bloemmotief, zelfstandig naamwoord, et; bloemmotief
bloemperk, bloempark, bloemepark, bloempaark, zelfstandig naamwoord, et; bloemperk
bloemschikken, bloemschikken, bloemeschikken, werkwoord, bloemschikken
bloemstek, bloemstekkien, zelfstandig naamwoord, et; stek, loot van een kamerplant
bloemstengel, bloemstengel, bloemstingel, zelfstandig naamwoord, de; bloemstengel
bloemstuk, bloemstok, zelfstandig naamwoord, et; bloemstuk
bloemzoete, bloemzuten, meervoud, bep. soort appel
bloesem, blossem, bloesem, blussem, bluisem, zelfstandig naamwoord, de 1. bloem van vruchtboom, sierboom of andere boom met opvallende bloemkroon 2. verz. voor alle bloemen van de onder 1 bedoelde bomen
bloesemlucht, blossemlocht, zelfstandig naamwoord, de; bloesemgeur
blok, blok, zelfstandig naamwoord, et 1. blok hout 2. blok om op enigerlei wijze op of mee te (be)werken 3. all. in verb.: blok, historisch strafwerktuig, bijv. veur et blok kommen voor het blok komen te zitten, gedwongen zijn tot een keus 4. offerblok 5. lichaam uit (min of meer) zware stof 6. blokvormig voorwerp 7. blokvormig stuk aangebracht ter verhoging, verdikking 8. hetz. als bongel, bet. 1 9. grote, zware persoon, dier, voorwerp 10. blok uit een blokkendoos (speelgoed) 11. rechthoekig of vierkant stuk (oppervlakte) 12. blokvormige figuur of motief 13 blok postzgels 14. groep huizen die min of meer een eenheid lijken te vormen, groep barakken in een kamp 15. coalitie 16. aaneengesloten deel; blokkien, et 1. verkl. van blok 2. melkstoeltje
blokbinder, blokbiender, zelfstandig naamwoord, et, de; bep. halster van paard (veelal van leer), ook hetz. als halsblok, bet. 2
blokgooien, blokgooien, werkwoord, bep. spel waarbij men op een blok moest gooien
blokhalster, blokhelster, blokhalster, zelfstandig naamwoord, et, de; bep. halster van paard (veelal van leer), ook hetz. als halsblok, bet. 2
blokhut, blokhutte, zelfstandig naamwoord, de; blokhut
blokjesluier, blokkiesluier, zelfstandig naamwoord, de; luier met blokjesmotief
blokkeel, blokkeel, zelfstandig naamwoord, de; dwarsbalk die stijl en muurplaat verbindt
blokkendoos, blokkedeuze, zelfstandig naamwoord, de; blokkendoos (speelgoed)
blokletter, blokletter, zelfstandig naamwoord, de; hoofdletter
blokschaaf, blokschaeve, zelfstandig naamwoord, de; blokschaaf
bloktikken, bloktikken, werkwoord, bep. spel waarbij men met een kleine ronde steen centen van een rechtop geplaatste klinker moest werpen
bloktong, bloktonge, bloktonne, zelfstandig naamwoord, de; bloktong van een wagen (deel waar de disselboom in sluit)
blokwitter, blokwitter, zelfstandig naamwoord, de; witterskwast
Blokzijl, Blokziel, zelfstandig naamwoord, et; Blokzijl, plaats nabij Vollenhove, aan de voormalige Zuiderzee
Blokzijlinger, Blokzieliger, zelfstandig naamwoord, de; inwoner van/persoon afkomstig uit Blokziel
Blokzijlinger, Blokzieliger, bijvoeglijk naamwoord, van, m.b.t. Blokziel
blonde, blonde, zelfstandig naamwoord, de; gebloemde of witte kap op een bep. petroleumlamp
blonde, blonde, zelfstandig naamwoord, de; iemand met blond haar
blondje, blontien, zelfstandig naamwoord, et; vrouw met blond haar
bloot, bloot, zelfstandig naamwoord, et; naakt
bloot, bloot, bijvoeglijk naamwoord, 1. (van lichaamsdelen) onbedekt 2. naakt of bijna naakt 3. zonder afdekking 4. (van bouwland) kaal in de zin dat er geoogst is, zonder dat er al nieuw gewas groeit 5. open, onbeschut 6. zonder hulpmiddel, wapen of beschermende afdekking 7. zonder te verhullen, openlijk 8. niets bezittend 9. geheel, alleen maar
blootje, blotien, zelfstandig naamwoord, et; blootje, in in zien blotien, zie ook onder blote
blootstaan, blootstaon, werkwoord, blootstaan
blossig, blossig, bijvoeglijk naamwoord, gezond qua lichaamskleur, blozend
blot, blot, zelfstandig naamwoord, et 1. geheel van donkere cellen in honingraat 2. hetz. als bleut
blote, blote, zelfstandig naamwoord, de 1. bloot, naakt iemand 2. iemands blote achterwerk
blotekontenfeest, blotekontefeest, zelfstandig naamwoord, et; bijzondere gelegenheid voor met name gereformeerden om te wandelen en te vrijen in de vrije natuur, met name op paasmaandag o.m. in de duinen van Appelsche, nog bekend doordat anderen er stiekem naar gingen kijken
blozen, blozen, bloezen, werkwoord, blozen, kleuren
blubberachtig, blabberachtig, bijvoeglijk naamwoord, 1. modderig 2. bladderend 3. verwelkt en slap
bluffen, bluchen, werkwoord, opscheppen
bluffer, blufferd, bluffer, zelfstandig naamwoord, de; bluffer, opschepper
blufferig, blufferig, bijvoeglijk naamwoord, blufferig, grootsprakig
blufferij, blufferi’je, zelfstandig naamwoord, de; blufferij
bluisterig, blosterig, blusterig, bluusterig, blösterig, bluisterig, blos, bijvoeglijk naamwoord, 1. met een vol, dik, opgeblazen gevoel, met last van winderigheid 2. opschepperig, vaak zwetsend 3. vreemd, eigenaardig 4. enigszins gezwollen, opgezet in het gezicht 5. met een blozende, gezonde gelaatskleur
blussingswerk, blussingswark, zelfstandig naamwoord, et; blussingswerk
blut, lut, bijvoeglijk naamwoord, blut, niets meer over hebbend
blut, blut, plut, bijvoeglijk naamwoord, blut, niets meer over hebbend, meestal: geheel zonder geld
boardplaat, boardplaete, zelfstandig naamwoord, de; plaat van het bouwmateriaal board
bobbel, bobbel, zelfstandig naamwoord, de 1. bobbel (op een oppervlak) 2. (mv.) bulten in een oppervlak waarover men rijdt 3. puist, pukkel
bobbelachtig, bobbelachtig, bobbelaachtig, bijvoeglijk naamwoord, met bobbels
bobbelbroed, bobbelbruud, zelfstandig naamwoord, et; broedsel van de leggende werkbij (waaruit darren komen)
bobbelen, bobbelen, werkwoord, hobbelend gaan; bijv. Et bobbelt d’r aorig deur gezegd van werk dat met ups en downs gebeurt
bobbelig, bobbelig, bijvoeglijk naamwoord, 1. met bobbels bedekt, met een oneffen oppervlak 2. met onregelmatige verhogingen in het oppervlak waarover men gaat 3. opgezet in het gelaat, met ongezonde indruk van het gelaat
bochel, pocheltien, zelfstandig naamwoord, et; vergroeiing van de rug in de vorm van een kleine bult
bochel, bochel, zelfstandig naamwoord, de 1. bult, bochel (als vergroeiing van de rug) 2. kromming in een wiel 3. bult, verdikking aan, in een oppervlakte 4. bultenaar, gebochelde
bochelig, bochelig, bijvoeglijk naamwoord, met bochten, krommingen
bocht, bocht, zelfstandig naamwoord, de 1. slechte kwaliteit drank 2. slechte koffie
bocht, bocht, bochte, zelfstandig naamwoord, de 1. bocht in een weg, pad, rivier enz. 2. kromming in een lijn, een langwerpig patroon, een lijnvormig verloop of in een lang voorwerp, een substantie die zich in de lengte uitstrekt 3. kromming die men maakt in z’n loop, gang, weg die men volgt, ook bijv. bij het eggen, zaaien, ploegen 4. wreef van de voet 5. elleboogvormig deel van een kachelpijp 6. in bijv. Die zol veur jow in de bocht springen die persoon zou het voor je opnemen 7. in uut de bocht springen te uitgelaten doen, met name op een feest
bochtband, bochtbaand, zelfstandig naamwoord, de; scharnierdeel dat op de binnenkant van met name een deur zit, bochtscharnier
bochtig, bochtig, bochterig, bijvoeglijk naamwoord, bochtig
bochtknier, bochtkniere, zelfstandig naamwoord, de; bochtscharnier
bochtscharnier, bochtscheniere, zelfstandig naamwoord, de; bochtscharnier
bod, bod, zelfstandig naamwoord, et 1. bod (bij het bieden) 2. het bedrag dat men als bod biedt
bodden, bodden, werkwoord, zwoegen, zwaar lichamelijk werk doen
bodderen, bodderen, werkwoord, hard, zwoegend werken
bode, bode, zelfstandig naamwoord, de 1. degene die de begrafenis aankondigt en regelt 2. kwitantieloper, bezorger van pakjes e.d. 3. hetz. als postbode 4. dienstmeid bij een boer of burger 5. boodschapper 6. bode op een gemeentehuis e.d.
bodegoed, bodegoed, zelfstandig naamwoord, et; pakjes e.d. rondgebracht door een postbode, een bodeloper e.d.
bodeloop, bodeloop, zelfstandig naamwoord, de; traject, verbinding die wordt onderhouden door iemand die beroepshalve pakjes bezorgt
bodeloper, bodeloper, zelfstandig naamwoord, de; iemand die beroepshalve pakjes bezorgt
bodem, bojem, bodem, bodem-, bojem-, zelfstandig naamwoord, de 1. bodem (van voorwerpen zoals een emmer, een kist, een beker enz.) 2. wagenbodem, bodem van voertuigen anderszins 3. laag die de bodem bedekt, vooral: beetje drank dat resteert en dat men nog zou kunnen krijgen 4. scheepsbodem 5. bedding onder het water 6. aardbodem, ook: bovenste laag van de aardbodem, zode
bodembedekker, bojembedekker, bodembedekker, zelfstandig naamwoord, de; bodembedekker
bodemkaart, bodemkaorte, zelfstandig naamwoord, de; bodemkaart
bodemklep, bojemkleppe, zelfstandig naamwoord, de; klep onder in een pomp
bodemprijs, bodempries, zelfstandig naamwoord, de; bodemprijs
bodemversmeriging, bojemversmeriging, zelfstandig naamwoord, de; bodemvervuiling
bodemvondst, bojemvoonst, zelfstandig naamwoord, de; bodemvondst
bodepak, bodepak, zelfstandig naamwoord, et 1. uniform van een postbode 2. uniform van degene die de begrafenis regelt
bodepet, bodepette, zelfstandig naamwoord, de; pet behorend bij het uniform van een postbode; ook van bodeloper e.d.
boderijder, boderieder, zelfstandig naamwoord, de; vrachtrijder
bodetas, bodetasse, zelfstandig naamwoord, de; tas van een postbode
boe, boe, zelfstandig naamwoord, et; in van boe noch bah weten nergens iets van weten
boe, beu, zelfstandig naamwoord, de 1. in de malle beu soort boeman die in het koren zou zitten, waarvoor men de kinderen bang maakte zodat ze niet in het koren zouden komen; ook: soort boeman die ’s avonds uit het bos zou komen om je mee te nemen; er werd voor gewaarschuwd, namelijk om de kinderen binnen te laten komen voor het donker werd
boe, boe, tussenwerpsel, 1. uitroep om schrik aan te jagen 2. uitroep van afkeer 3. uitroep om koeien na te doen
boedel, boedel, zelfstandig naamwoord, de 1. geheel van iemands vermogen 2. geheel van een nalatenschap 3. iemands huisraad en andere roerende goederen 4. kleding en handbagage 5. het geheel aan spullen 6. slordige huishouding, rommelige inrichting en wijze van doen 7. bedrijf(je) 8. zaakje, het geheel, de toestand 9. veel, in een boedel gepraot veel te doen over iets
boedelbeschrijving, boedelbeschrieving, zelfstandig naamwoord, de; boedelbeschrijving: als activiteit, ook: het stuk dat daar het resultaat van is
boedelscheiding, boedelscheiding, zelfstandig naamwoord, en var. de; boedelscheiding
boef, boef, zelfstandig naamwoord, de 1. boef, schurk 2. gezegd van een jongetje: als troetelnaam, of om aan te geven dat hij nogal eens ondeugend is
boeg, boeg, zelfstandig naamwoord, de 1. boeg van een schip, elk der zijden van het voorschip 2. borst en evt. schouders van een paard
boei, boei, zelfstandig naamwoord, de; elk der banden, beugels waarmee men iemand boeit, bijv. iene in de boeien slaon
boei, boei, zelfstandig naamwoord, de 1. boei ter afbakening van vaarwater 2. ankerboei 3. reddingsboei
boek, boek, zelfstandig naamwoord, et 1. boek: waarin men leest, als voorwerp 2. leesboek, letterkundig boek, boek met interessante leesstof 3. bijbelboek, hoofdafdeling in de bijbel 4. boek waarin men kan noteren, schrijven, notitieboek, vaak: koopmansboek 5. klein notitieboekje, vooral: waarin leveranciers bestellingen e.d. opschrijven 6. (verkl.) bijeengehouden bundeltje kaartjes, bonnen e.d.
boekbinder, boekbiender, zelfstandig naamwoord, de; boekbinder
boekbinderij, boekbienderi’je, zelfstandig naamwoord, de; boekbinderij
boekdeel, boekdiel, boekdeel, zelfstandig naamwoord, et; boekdeel
boekdrukker, boekdrokker, zelfstandig naamwoord, de; boekdrukker
boekdrukkunst, boekdrokkeunst, zelfstandig naamwoord, de; boekdrukkunst
Boekelte, Boekelte, zelfstandig naamwoord, et; naam van een buurtschap onder Buil (dorp in West-Stellingwarf)
boeken, boeken, werkwoord, 1. boeken: opschrijven in een boekhouding 2. zakelijke inschrijving voor een reis, een vakantie 3. behalen van winst
boekenbal, boekebal, zelfstandig naamwoord, et; boekenbal
boekenbus, boekebus, zelfstandig naamwoord, de; bibliobus
boekenclub, boekeklub, zelfstandig naamwoord, de; boekenclub
boekenkaft, boekekaften, werkwoord, kaften van boeken
boekenkast, boekekaaste, zelfstandig naamwoord, de; boekenkast
boekenkist, boekekiste, zelfstandig naamwoord, de; boekenkist
boekenkraam, boekekraom, zelfstandig naamwoord, de; boekenkraam
boekenlegger, boekelegger, zelfstandig naamwoord, de; boekenlegger
boekenlezer, boekelezer, zelfstandig naamwoord, de; iemand die veel/graag boeken leest
boekenlijst, boekeliest, boekeliste, boekelist, zelfstandig naamwoord, de; boekenlijst
boekenmarkt, boekemark, zelfstandig naamwoord, en var. de; boekenmarkt, deel van een markt waar men boeken verkoopt
boekenmens, boekemeenske, zelfstandig naamwoord, de; boekenmens
boekenplank, boekeplaanke, boekplaanke, zelfstandig naamwoord, de; boekenplank
boekenrek, boekerek, zelfstandig naamwoord, et; boekenrek
boekenrim, boekerim, zelfstandig naamwoord, et; schap met boeken
boekenschrijver, boekeschriever, zelfstandig naamwoord, de; boekenschrijver
boekenstal, boekestallegien, zelfstandig naamwoord, et; boekenstalletje
boekenstander, boekestaander, zelfstandig naamwoord, de; boekenstander
boekensteun, boekesteun, zelfstandig naamwoord, de; boekensteun
boekentaal, boeketael, zelfstandig naamwoord, de; boekentaal
boekentafel, boeketaofel, zelfstandig naamwoord, de; boekentafel
boekentas, boeketasse, zelfstandig naamwoord, de; boekentas
boekenverzameling, boekeverzaemeling, zelfstandig naamwoord, de; boekenverzameling
boekenweek, boekeweke, zelfstandig naamwoord, de; boekenweek
boekenwijzer, boekewiezer, zelfstandig naamwoord, de; boekenlegger
boekenwurm, boekeworm, boekewurm, zelfstandig naamwoord, de; boekenwurm
boekformaat, boekefermaot, zelfstandig naamwoord, et; boekformaat
boekhandel, boekhaandel, zelfstandig naamwoord, de; boekhandel
Boekhorst, Boekeste, zelfstandig naamwoord, et; Stellingwerfse naam van het gehucht Boekhorst bij Oosterwoolde
boekhoudafdeling, boekhooldofdieling, zelfstandig naamwoord, de; boekhoudafdeling
boekhoudbureau, boekhooldburo, zelfstandig naamwoord, et; bureau, instelling, bedrijf dat de boekhouding of een deel ervan verzorgt voor particulieren, bedrijven, instellingen
boekhouden, boekholen, werkwoord, boekhouden: de boekhouding voeren, bijhouden
boekhouder, boekhoolder, zelfstandig naamwoord, de; iemand die de boekhouding verzorgt (of een deel ervan) voor een bedrijf, een particulier, een instelling
boekhouding, boekholing, boekhoolding, boekholige, zelfstandig naamwoord, de; boekhouding: afdeling belast met boekhouden
boekhoudschrift, boekhooldschrift, zelfstandig naamwoord, et; boekhoudschrift
boekillustratie, boeke-illestraosie, zelfstandig naamwoord, de; boekillustratie
boekjaar, boekjaor, zelfstandig naamwoord, et; boekjaar
boekmaag, boekmaege, zelfstandig naamwoord, de; boekpens, bladmaag
boeknummer, boekenommer, zelfstandig naamwoord, et; boeknummer
boekoplage, boekoplaoge, zelfstandig naamwoord, de; oplage van een boek
boekpresentatie, boekeprissentaosie, zelfstandig naamwoord, de; boekpresentatie
boektitel, boeketitel, boektitel, zelfstandig naamwoord, de; boektitel: titel van een boek
boekuitgifte, boeke-uutgifte, zelfstandig naamwoord, de; boekuitgave
boekverkoper, boekeverkoper, zelfstandig naamwoord, de; boekverkoper
boekwaarde, boekweerde, zelfstandig naamwoord, de; boekwaarde
boekweit, boekweit, boekweite, zelfstandig naamwoord, de 1. boekweit, gewas, eertijds veel geoogst om meel te maken van de vrucht, ook: zaad ervan 2. in wilde boekweite akkerwinde
boekweitakker, boekweitakker, boekweite-akker, zelfstandig naamwoord, de; akker waarop men boekweit verbouwt
boekweitbol, boekweitbolle, boekweitbaole, boekweitenbolle, boekweitebolle, zelfstandig naamwoord, de; boekweitbrood
boekweitdop, boekweitdoppe, zelfstandig naamwoord, de; boekweitdop, schil van de vrucht van boekweit
boekweitdorsen, boekweitdösken, boekweitedösken, boekweitdössen, boekweitedössen, , werkwoord, oogsten en aansluitend dorsen van boekweit
boekweitebloem, boekweitenbloem, boekweitebloem, zelfstandig naamwoord, de; boekweitbloem: bloem, gezift meel van boekweit
boekweitebrij, boekweitenbri’j, boekweitebri’j, boekweitbri’j, zelfstandig naamwoord, de; boekweitebrij, boekweitpap
boekweitegort, boekweitengotte, zelfstandig naamwoord, de; boekweitgort
boekweitegortebrij, boekweitengottenbri’j, zelfstandig naamwoord, de; pap van boekweitgort
boekweitegortemeel, boekweitengottenmael, zelfstandig naamwoord, de; boekweitemeel
boekweitegrutten, boekweitengrutten, boekweitegrutten, boekweitgrutten, zelfstandig naamwoord, de 1. pap van boekweit die men heeft gegrut 2. geplette, gebroken boekweitkorrels, gepelde en vervolgens gemalen boekweit
boekweitemeel, boekweitenmael, boekweitenmeel, boekweitemael, boekweitemeel, boek, zelfstandig naamwoord, de; boekweitemeel
boekweiten, boekweiten, bijvoeglijk naamwoord, van boekweit
boekweiten, boekweiten, werkwoord, verbouwen van boekweit
boekweitepap, boekweitenpap, boekweitpap, zelfstandig naamwoord, de; boekweitpap
boekweitestro, boekweitenstro, boekweitstro, boekweitestro, zelfstandig naamwoord, et; stro van boekweit
boekweiteweer, boekweiteweer, boekweitweer, zelfstandig naamwoord, et 1. mooi zonnig weer, geschikt voor de groei van boekweit, om boekweit te dorsen 2. gezegd van mooi, groeizaam weer
boekweitgieter, boekweitgieter, zelfstandig naamwoord, de; klein gietertje waarmee boekweit werd gezaaid (in tevoren gemaakte, kleine gootjes)
boekweithoning, boekweithunning, boekweithunnig, zelfstandig naamwoord, de; honing van de bloem van boekweit
boekweitjaar, boekweitejaor, boekweitenjaor, zelfstandig naamwoord, et; jaar waarin boekweit wordt geoogst (met een aanduiding van de omvang/kwaliteit van de oogst)
boekweitklij, boekweitkli’je, zelfstandig naamwoord, de; boekweitdop
boekweitland, boekweitelaand, zelfstandig naamwoord, et; stuk land waarop men boekweit verbouwt
boekweitmaan, boekweitemaone, zelfstandig naamwoord, de; oogstmaan: in september (nl. de tijd met veel volle maan, waardoor men ook na het daglicht volop kan doorgaan met het oogsten van boekweit, zodat er weinig verloren hoeft te gaan)
boekweitsjouw, boekweitsjouwe, zelfstandig naamwoord, de; zeef, door twee personen heen en weer geschud om het kaf te scheiden van het boekweitzaad
boekweitstrijken, boekweitestrieken, werkwoord, gezaaid boekweit bedekken met een dun laagje grond dat uit de nieuwe, ernaast gemaakte ondiepe ploegvoor kwam
boekweittrappen, boekweittrappen, werkwoord, trappen, lopen op de boekweit die in bakken was gedaan; daarin stampte de boer enige tijd met z’n schoenen aan, om de doppen, de kelk die was blijven zitten te verwijderen
boekweittrappersbak, boekweittrappersbak, zelfstandig naamwoord, de; bak waarin boekweit werd gestampt door te trappen
boekweitveen, boekweitvene, boekweitveen, zelfstandig naamwoord, et; stuk veengrond waarop men boekweit verbouwt
boekweitverbouw, boekweiteverbouw, boekweitenverbouw, boekweitverbouw, zelfstandig naamwoord, de; het verbouwen van boekweit, boekweitteelt
boekweitzomer, boekweitzoemer, boekweitzommer, boekweitenzoemer, zelfstandig naamwoord, de; 1. gezegd van een mooie zomer (waardoor een goeie boekweitoogst kan ontstaan) 2. een slechte zomer
boekwerk, boekwark, boekwaark, zelfstandig naamwoord, et; boekwerk
boekwinkel, boekwinkel, boekewinkel, zelfstandig naamwoord, de; boekwinkel
boel, boel, zelfstandig naamwoord, de 1. inboedel 2. kleding en overige spullen die men bij zich heeft 3. huishouding 4. slordige, niet hygiënische huishouding (vaak ook: waarin men veelal ruziënd met elkaar omgaat), bende 5. het geheel van iemands woning of onroerend goed 6. het geheel aan spullen, van iemands zaken 7. toestand, situatie 8. in een boel een grote hoeveelheid 9. in een boel vaak, bijv. Hi’j was een boel op pad vaak weg, eropuit 10. ongesteldheid, menstruatie 11. dat wat al genoemd is of als bekend wordt verondersteld, bijv. Ze hebben him de boel ofpakt 12. het geheel van, in samenstellingen als plaankeboel, kaasteboel, glasboel
boeldag, boeldag, zelfstandig naamwoord, et; boelgoed: verkoping van de inboedel
boeldeling, boeldieling, zelfstandig naamwoord, en var. de; boedelscheiding
boelgoed, boelgoed, boelegoed, zelfstandig naamwoord, et; boelgoed: verkoping van de inboedel
boem, boem, tussenwerpsel, boem
boem pats, boembats, tussenwerpsel, pats
boeman, boeman, zelfstandig naamwoord, de 1. gefingeerde figuur waarmee men kinderen bang maakt 2. persoon die als schrikbeeld fungeert 3. duivel
boemelaar, boemeler, zelfstandig naamwoord, de; boemelaar
boemelen, boemelen, werkwoord, 1. aan de boemel zijn 2. heen en weer slingeren 3. met een boemeltrein gaan
boemelgat, boemelgat, zelfstandig naamwoord, et 1. dikke vrouw 2. lange, slappe pop
boender, buunder, buuinder, beunder, buinder-, buunder-, zelfstandig naamwoord, de 1. boender, nl. werktuig om mee te boenen, met gebruikmaking van water 2. borstelgras, hetz. als buundergrös, kleine buunder, dan vaak ook schapegras; meestal als algemenere benaming gebruikt voor harde grassoorten 3. (mv.) aanduiding voor bep. terrein met het gras bedoeld onder bet. 2
boenderbinder, buunderbiender, zelfstandig naamwoord, de; iemand die boenders vervaardigt van de twijgen van heidestruiken
boendergras, buundergrös, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als buunder bet. 2
boenderheide, buunderheide, zelfstandig naamwoord, de; dopheide
boenderhoogte, buunderheugte, zelfstandig naamwoord, de; hoger gelegen, onvruchtbaar stuk land met taai, slecht gras, bentgras enz.
boenderhooi, buunderhuj, zelfstandig naamwoord, et; slecht hooi, hooi van natuurgras vaak met borstelgras e.d., met name van buunderheugten
boenderig, buunderig, bunerig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. geneigd tot boenen 2. m.b.t. weiland: met borstelgras e.d., slecht, bijv. bunerig laand
boenderkoopman, buunderkoopman, zelfstandig naamwoord, de; koopman die hoofdzakelijk boenders verkoopt
boenderland, buunderlaand, buuinder, beunder, zelfstandig naamwoord, et; onvruchtbaar land, land waarop slechte, vaak harde grassoorten groeien, zoals borstelgras, bentgras, russen
boendermaker, buundermaeker, buuindermaeker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die boenders vervaardigt van de twijgen van heidestruiken
boendermakerij, buundermaekeri’je, zelfstandig naamwoord, de; het maken van buunders
boenderplag, buunderplagge, zelfstandig naamwoord, de; plag met buunders, zie onder buunder bet. 2
boenen, bunen, buuinen, beunen, beune, beun, werkwoord, boenen, nl. schrobbend schoonmaken met gebruikmaking van water
boenhok, buunhokke, zelfstandig naamwoord, et; hok waarin men boent, vaak hetz. als pomphokke
boenscholk, buunschölk, zelfstandig naamwoord, de; werkschort gebruikt bij het boenen van de melkbussen enz.
boenstap, buunstap, buuinstap, beunstap, zelfstandig naamwoord, et; vloer binnen- of buitenshuis vaak met opstaande rand, van planken en palen, balken of bielsen, later ook van steen of beton, waarop het vaatwerk werd schoongemaakt; soms ook boven een vaart of brede sloot
boer, boer, zelfstandig naamwoord, de; 1. boer: landbouwer, veehouder 2. bewoner van het platteland 3. boer bij het kaartspel 4. boer, hoorbare oprisping
boer-ikke, boer-ikke, zelfstandig naamwoord, de; domme en tegelijk eigenwijze boer, die zich steeds op z’n eigen prestaties laat voorstaan
boerderij, boerkeri’je, zelfstandig naamwoord, de 1. boerenbedrijf, inclusief huis, bedrijfsgedeelte en landerijen (soms als kleiner ervaren dan boerderi’je) 2. het gebouw van een boerderij 3. de economische activiteit van het boer zijn 4. het werk van een boer doen op een boerderij 5. de wijze waarop men het boerenbedrijf uitoefent
boerderij, boerderi’je, zelfstandig naamwoord, de; 1. boerderij, betrekking hebbend op het hoofdgebouw of op hoofd- en bijgebouwen en evt. het erf 2. (groot) boerenbedrijf
boeren, boerken, boeren, werkwoord, 1. het boerenbedrijf uitoefenen 2. een bedrijf of beroep uitoefenen 3. laten zien van koeien, kalveren, gewas etc. aan de visite die er is 4. bep. spel spelen waarbij men een aantal centen op een rechtopstaande klinker had gelegd, die moest worden omgegooid met een keisteen, op een afstand van zo’n 5, 6 meter. De centen die buiten de cirkel rond de steen vielen, waren voor de werper
boeren, boeren, boerken, werkwoord, een boer laten, hoorbaar oprispen
boerenaard, boere-aord, zelfstandig naamwoord, de; aard, karakter van een boer
boerenafkomst, boere-ofkomst, zelfstandig naamwoord, de; afstamming uit een boerengeslacht
boerenarbeider, boere-arbeider, zelfstandig naamwoord, de; boerenarbeider
boerenark, boere-ark, zelfstandig naamwoord, et; gereedschap van een boer
boerenbedoening, boerebedoeninge, boerebedoenige, zelfstandig naamwoord, de; dat wat bij de boeren voorkomt, gewoonten die bij een boer horen
boerenbedrijf, boerebedrief, zelfstandig naamwoord, et; boerenbedrijf, boerderij
boerenbedrog, boerebedrog, zelfstandig naamwoord, et; boerenbedrog
boerenbelang, boerebelang, zelfstandig naamwoord, et; belang van een of meer boeren
boerenbestaan, boerebestaon, zelfstandig naamwoord, et 1. het bestaan van boeren 2. de bedrijfsvoering die boeren bestaans mogelijkheden geeft
boerenblaaskapel, boereblaoskapel, zelfstandig naamwoord, de; boerenblaaskapel
boerenbloed, boerebloed, zelfstandig naamwoord, et; aanleg, aard om boer te zijn
boerenboelgoed, boereboelgoed, zelfstandig naamwoord, et; veiling van de inboedel van een boerderij
boerenbond, boerebond, zelfstandig naamwoord, de; boerenbond
boerenbont, boerebont, zelfstandig naamwoord, et; bep. stof: boerenbont
boerenboter, boerebotter, zelfstandig naamwoord, de; boerenboter
boerenbrandje, boerebraantien, zelfstandig naamwoord, et; in bijv. We veenden even een boerebraantien waren even aan het vervenen bij een boer als particulier, nl. op zaterdag, wanneer men niet bij de veenbaas hoefde te werken
boerenbruiloft, boerebrulloft, zelfstandig naamwoord, de; boerenbruiloft: traditionele bruiloft op het platteland
boerendahlia, boeredalia, zelfstandig naamwoord, de; bep. dahlia
boerendochter, boeredochter, zelfstandig naamwoord, de; dochter van een boer
boerendorp, boeredörp, zelfstandig naamwoord, et; boerendorp
boerendracht, boeredracht, zelfstandig naamwoord, de; boerenkleding, in het bijzonder: blauwe kiel en broek
boerendrama, boeredrama, zelfstandig naamwoord, et; dramatische ontwikkeling bij boeren (vooral: in economische zin)
boerenerf, boere-arf, zelfstandig naamwoord, et; boerenerf
boerenfamilie, boerefemilie, zelfstandig naamwoord, de; boerenfamilie
boerenfluitjes, boerefluities, en var. mv.; janboerefluitjes
boerengat, boeregat, zelfstandig naamwoord, et; boerengat
boerengele, boeregelen, meervoud, gele pruimen
boerengelepruim, boeregeleproemen, meervoud, gele pruimen
boerengemaak, boeregemaek, zelfstandig naamwoord, et; oogst van boeren, opbrengst van boeren
boerengereedschap, boeregeriedschop, boeregereedschop, zelfstandig naamwoord, et; gereedschap van een boer
boerengerei, boeregerei, zelfstandig naamwoord, et; gereedschap en andere benodigheden voor het werk dat de boer verricht; wagens, kruiwagens, eggen e.d.
boerengerief, boeregerief, boerengerief, zelfstandig naamwoord, et; dat wat een boer voor het gebruik nodig heeft aan wagens, gereedschappen etc.
boerengeriefhout, boeregeriefhoolt, zelfstandig naamwoord, et; geriefhout, veelal uit bos of houtwal bij de boerderij
boerengezin, boeregezin, zelfstandig naamwoord, et; boerengezin
boerengrauw, boeregrauw, zelfstandig naamwoord, et; boerengrauw (bep. steensoort)
boerengriet, boeregriet, zelfstandig naamwoord, de; boerenmeid, boerentrien
boerengrond, boeregrond, zelfstandig naamwoord, de; boerengrond
boerenheem, boerehiem, zelfstandig naamwoord, et; boerenerf
boerenhemd, boerehemd, zelfstandig naamwoord, et; hemd zoals door boeren gedragen
boerenhofstede, boerehofstee, zelfstandig naamwoord, de; boerenhofstede, grote boerderij
boerenhout, boerehoolt, zelfstandig naamwoord, et; geriefhout, veelal uit bos of boswal bij de boerderij
boerenhufter, boerehufter, boerehufterd, zelfstandig naamwoord, de; boerenhufter
boerenhuis, boerehuus, zelfstandig naamwoord, et; boerenhuis
boerenhuishouding, boerehuusholing, zelfstandig naamwoord, de; huishouding van een boerengezin
boerenhulp, boerehulp, boerehulpe, zelfstandig naamwoord, de; hulporganisatie voor boeren, bedrijf dat hulp kan bieden bij de uitoefening van een bedrijf
boerenhulpdienst, boerehulpdienst, zelfstandig naamwoord, de; eigen hulpdienst voor boeren
boerenhulporganisatie, boerehulp-orgenisaosie, zelfstandig naamwoord, de; hulporganisatie voor boeren, hetz. als boerehulp
boerenjong, boerejonk, zelfstandig naamwoord, et; boerenmeisje
boerenjongen, boerejonge, zelfstandig naamwoord, de 1. jongen uit de boerenstand 2. (mv.) brandewijn met rozijnen
boerenkaas, boerekeze, zelfstandig naamwoord, de; boerenkaas
boerenkaffer, boerekaffer, zelfstandig naamwoord, de; boerenkinkel, boerenhufter
boerenkamer, boerekaemer, zelfstandig naamwoord, de; woonkamer in een boerderij
boerenkamerkeuken, boerekaemerkeuken, zelfstandig naamwoord, de; woonkamer in een boerderij, tevens keuken
boerenkast, boerekassien, zelfstandig naamwoord, et; kastje van knecht of meid die bij een boer diende (voor kleren, enz.)
boerenkerel, boerekerel, zelfstandig naamwoord, de 1. manspersoon uit een boerenfamilie 2. flinke, sterke manspersoon
boerenkeuken, boerekeuken, zelfstandig naamwoord, de 1. keuken in een boerderij 2. boerenkost
boerenkiel, boerekiele, zelfstandig naamwoord, de; boerenkiel (van bep. stof: blauw simson)
boerenkind, boerekiend, zelfstandig naamwoord, et; boerenkind
boerenkinkel, boerekinkel, zelfstandig naamwoord, de; boerenkinkel
boerenkip, boerekiepe, zelfstandig naamwoord, de; gewone kip, zoals door boeren gehouden
boerenkist, boerekiste, zelfstandig naamwoord, de 1. kist waarin de boerenknecht zijn spullen bewaarde (met name kleding) 2. kist op boerenwagen waarin men proviand enz. kon meenemen
boerenkleren, boerekleren, meervoud, boerenkleding
boerenklomp, boereklompe, zelfstandig naamwoord, de; gewone klomp, zoals die door boeren wordt gedragen
boerenknecht, boereknecht, zelfstandig naamwoord, de; boerenknecht, vaste knecht bij een boer
boerenknul, boereknul, zelfstandig naamwoord, de; boerenkinkel
boerenkoffie, boerekoffie, zelfstandig naamwoord, de; koffie met gewone, gekookte melk (en velletjes) of met schapenmelk, koffie zoals door boeren gedronken
boerenkomaf, boerekomof, zelfstandig naamwoord, et; afstamming uit een boerengeslacht
boerenkool, boerekool, zelfstandig naamwoord, de 1. boerenkool, boerenmoes 2. bekend gerecht van boerenmoes, boerenkool: boerenkool door aardappels gestampt
boerenkoolblad, boerekoolblad, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als boeremoesblad
boerenkoolstronk, boerekoolstronke, zelfstandig naamwoord, de; stronk van een boerenkoolplant
boerenkost, boerekost, zelfstandig naamwoord, de; boerenkost, wat boeren gewoon zijn te eten
boerenkrijt, boerekriet, zelfstandig naamwoord, et 1. gewoon wit krijt 2. boerenkrijtje, systeem van tekens veelal gebruikt om schulden te noteren, in het bijzonder met romeinse cijfers
boerenkrijtje, boerekrietien, zelfstandig naamwoord, et; stukje gewoon wit krijt
boerenland, boerelaand, zelfstandig naamwoord, et 1. boerenland, platteland 2. land van boeren: weilanden, akkers enz.
boerenleenbank, boerelienbaank, zelfstandig naamwoord, de; boerenleenbank
boerenleven, boereleven, zelfstandig naamwoord, et; boerenleven
boerenleverworst, boereleverwost, zelfstandig naamwoord, de; leverworst
boerenlieden, boereluden, meervoud, boerenmensen
boerenlul, boerelul, zelfstandig naamwoord, de; boerenlul
boerenmaagd, boeremaegien, zelfstandig naamwoord, et 1. meisje uit een familie van boeren 2. (mv.) brandewijn met abrikozen, abrikozen op sap, rozijnen op sap
boerenmaagd, boeremaegd, zelfstandig naamwoord, de; dienstmeid van een boer
boerenmanlui, boeremanluden, boeremalluden, meervoud, mannen die boer zijn, uit een boerengemeenschap komen
boerenmeid, boeremeid, zelfstandig naamwoord, de 1. inwonende dienstmeid bij een boer 2. ouder meisje uit een boerengezin 3. boerentrien
boerenmelk, boeremelk, zelfstandig naamwoord, de; melk die men bij de boer koopt
boerenmensen, boeremeensken, boeremeensen, meervoud, boerenmensen
boerenmetworst, boeremetwost, zelfstandig naamwoord, de; boerenmetworst
boerenmik, boeremik, zelfstandig naamwoord, de; boerenmik
boerenmoes, boeremoes, zelfstandig naamwoord, de 1. boerenkool, boerenmoes 2. bekend gerecht van boerenmoes, boerenkool: boerenkool door aardappels gestampt
boerenmoesblad, boeremoesblad, zelfstandig naamwoord, et; blad van een boerenkoolplant
boerenmoessoep, boeremoessoep, zelfstandig naamwoord, de; soort pap van stukjes aardappel, spek, boeremoes en diverse andere groenten
boerenmoesstronk, boeremoesstronke, zelfstandig naamwoord, de; stronk van een boerenkoolplant
boerenonderbroek, boere-onderbroek, zelfstandig naamwoord, de; onderbroek (van blauwbonte stof) zoals door boeren gedragen
boerenorganisatie, boere-orgenisaosie, zelfstandig naamwoord, de; organisatie van boeren
boerenpaard, boerepeerd, zelfstandig naamwoord, et; boerenpaard; in het bijzonder gezegd bij paardje rijden op de knie
boerenpad, boerepad, zelfstandig naamwoord, et; zandweg, pad waar normaal boeren langs gaan naar het land
boerenplaats, boereplaetse, boereplaets, boereplaese, zelfstandig naamwoord, de; boerderij (het gebouw), evt. met landerijen
boerenplof, boereplof, zelfstandig naamwoord, de 1. bep. oude Friese boerendans, in het Fries ‘skotsetrije’ geheten 2. hetz. als Duutse polka 3. ouderwetse houten wc achter in de stal of daar aan de achterkant tegenaan gebouwd
boerenpol, boerepolle, zelfstandig naamwoord, zie polle
boerenpot, boerepot, zelfstandig naamwoord, de; boerenkost
boerenpraat, boerepraot, zelfstandig naamwoord, et; dat wat men elkaar vertelt over het boerenbedrijf
boerenpruim, boereproeme, zelfstandig naamwoord, de 1. gele pruim 2. in blauwe boereproeme blauwe pruim
boerenpummel, boerepummel, zelfstandig naamwoord, de; boerenpummel
boerenreeuw, boereriw, boererieuw, boereruw, boererief, zelfstandig naamwoord, et; vervoermiddelen, gereedschappen en materialen van een boer, boerenreeuw
boerenreeuwing, boereruwinge, zelfstandig naamwoord, de; boerenreeuw
boerenroman, boereroman, zelfstandig naamwoord, de; boerenroman
boerenschop, boereschoppe, zelfstandig naamwoord, de; schop, spade zoals bij boeren in gebruik
boerenschuur, boereschure, zelfstandig naamwoord, de; schuur als deel van een boerderij, ook: schuur als bijgebouw van een boerderij
boerenslachter, boereslaachter, zelfstandig naamwoord, de; hij die de huisslachting uitvoerde
boerensloot, boeresloot, zelfstandig naamwoord, de; boerensloot
boerenspul, boerespul, zelfstandig naamwoord, et; klein boerenbedrijf
boerenstand, boerestaand, zelfstandig naamwoord, de; boerenstand
boerenstee, boerestee, zelfstandig naamwoord, de; boerderij (gebouw met erf)
boerenteen, boereti’je, zelfstandig naamwoord, de; tuinboon
boerentijd, boeretied, zelfstandig naamwoord, de; bep. tijdrekening: wintertijd
boerentouw, boeretouw, zelfstandig naamwoord, et; hetz. als pakkedraod
boerentrien, boeretriene, boeretrien, zelfstandig naamwoord, de; boerentrien
boerenvent, boerevent, zelfstandig naamwoord, de 1. vent uit de boerenstand 2. knecht bij een boer
boerenvereniging, boereverieninge, boereveriening, zelfstandig naamwoord, en var. de; vereniging van boeren
boerenverstand, boereverstaand, zelfstandig naamwoord, et; nuchter verstand
boerenvolk, boerevolk, zelfstandig naamwoord, et; mensen uit de boerenstand
boerenvrouw, boerevrouw, zelfstandig naamwoord, de; boerenvrouw
boerenvrouwmens, boerevrommes, zelfstandig naamwoord, et; boerenvrouw
boerenwafel, boerewaofel, zelfstandig naamwoord, de; boerenwafel, wentelteefje
boerenwagen, boerewaegen, zelfstandig naamwoord, de; boerenwagen
boerenwapen, boerewaopen, zelfstandig naamwoord, et; mest, stront, voornamelijk in Stront is ’t boerewaopen het wapen van de boer, waarmee de boer zich redt
boerenweg, boereweg, zelfstandig naamwoord, de; gemeenschappelijk pad, gemeenschappelijke weg van boeren
boerenwereld, boerewereld, zelfstandig naamwoord, de; boerenwereld, wereld van de boeren
boerenwerk, boerewark, zelfstandig naamwoord, et; boerenwerk, werkzaamheden die de boer doet/moet doen
boerenwijf, boerewief, zelfstandig naamwoord, et; boerenvrouw
boerenwijsheid, boerewieshied, zelfstandig naamwoord, de; levenswijsheid uit de boerengemeenschap
boerenwitte, boerewitte, zelfstandig naamwoord, de; bep. soort pruim, in dubbele boerewitte
boerenwormkruid, boerewormkruud, zelfstandig naamwoord, et; bep. plant: boerenwormkruid
boerenzoon, boerezeune, zelfstandig naamwoord, de; zoon van een boer
boerenzwaluw, boerezwelver, zelfstandig naamwoord, de; boerenzwaluw
boerin, boerinne, zelfstandig naamwoord, de; vrouw van een boer; een gele boerinne bep. soort pruim
boerinnenbond, boerinnebond, zelfstandig naamwoord, de; bond van plattelandsvrouwen
boerlopen, boerlopen, werkwoord, de rekening (van de smid) bij de klanten brengen (met name de boeren)
boers, boers, zelfstandig naamwoord, et; verouderde benaming voor het Stellingwerfs, bijv. boers praoten
boers, boers, bijvoeglijk naamwoord, 1. stijf, ouderwets in de wijze van kleden 2. lomp, stug, onbeholpen in de wijze van doen en van het zich uitdrukken
boete, boete, zelfstandig naamwoord, de 1. boete, geldstraf 2. in boete doen schuld belijden
boeten, boeten, werkwoord, 1. boeten: van visnetten e.d. 2. in d’r veur boeten moeten de straf ervoor, het nadeel ervan ondergaan (dat men zichzelf heeft berokkend)
boetetijd, boetetied, zelfstandig naamwoord, de; tijd van boetedoening
boetvallig, boetvallig, bijvoeglijk naamwoord, strafbaar
boezem, bozem, bossem, zelfstandig naamwoord, de; stenen rookkanaal van een schoorsteen
boezemluik, bozemloekien, zelfstandig naamwoord, et; elk der luikjes in het rookkanaal van een schoorsteen, aangebracht om de schoorsteen te kunnen vegen
boezeroen, boezeroen, boezegroen, boezegroene, boeziegroen, boesgroen, zelfstandig naamwoord, de, et; bep. kledingstuk: bloes, overhemd (van een bep. type en stof, later vaak: overhemd in het algemeen)
boffen, boffen, boffelen, werkwoord, 1. mazzel hebben, er goed afkomen 2. met forse en/of zware stappen lopen 3. met een doffe slag vallen
bofferd, bofferd, pofferd, zelfstandig naamwoord, de 1. onverschillige, lompe persoon 2. dik, groot iemand 3. iemand met een dik hoofd 4. dik hoofd 5. bep. type pannenkoek: bofferd, meelspijs gebakken als een dikke koek in een grote pan 6. bep. gebak: tulband 7. geluksvogel 8. groot stuk hout, tegen iets geplaatst om het tegen te houden 9. zonder bijzondere bet. als bijnaam van personen gebruikt
bofferdpan, bofferdpanne, zelfstandig naamwoord, de; ronde, langwerpige ijzeren pan waarin men de bofferd bakte
bofkont, bofkont, bofkonte, zelfstandig naamwoord, de; geluksvogel
Boijlinger, Builiger, bijvoeglijk naamwoord, van, m.b.t. Buil
Boijlinger, Builiger, zelfstandig naamwoord, de; iemand woonachtig in, geboortig uit Buil
bok, bok, bokke, zelfstandig naamwoord, de 1. mannelijke geit 2. mannelijk hert, mannelijke gems e.d. 3. lompe en/of norse en/of tirannieke kerel; ook wel van een vrouw gezegd 4. grote en sterke persoon, ook van een paard gezegd 5. in een maegere bok een dunne koe 6. plat houten vaartuig, van voren en achteren puntig toelopend, gebruikt voor het vervoer van turf, mest, koeien, riet, hooetc. 7. zitplaats voor degene die ment op een wagen, bok van een rijtuig 8. bep. gymnastiektoestel: bok 9. houten onderstel, veelal met poten 10. twee tegenover elkaar staande stijlen met bijbehorend balkwerk van een klokkenstoel 11. bep. type achterstel van een ouderwetse wagen met hoge wielen 12. spijl in bep. type stoel 13. zaagbok 14. hijswerktuig o.m. om bomen op een wagen te laden 15. in van de bok dromen ervan langs zullen krijgen, een bestraffing zullen ondergaan 16. in een bok schieten iets doms doen en daardoor afgaan 17. in d’r de bok niet van weten er niets van weten 18. in een aander de bok uutschieten de gek aansteken, voor schut zetten 19. in Amsterdamse bok bep. soort wortel 20. degene die de ‘bok’ is in het kinderspelletje bok-bok-hoevuul-hoorns
bok-bok-hoeveel-hoorns, bok-bok-hoevuul-hoorns, bok-bok-hoeveul-horns, zelfstandig naamwoord, bekend kinderspel: bokstavast
bokje, bokkien, zelfstandig naamwoord, et 1. kleine bok, in diverse betekenissen 2. bep. vogel: bokje, halve snip 3. watersnip 4. kleine sigaar, bokje 5. metalen afscheiding tussen twee koeien in een stal 6. klein iemand 7. lage stoel met leuningen, eertijds van riet (vervaardigd in Noordwoolde) 8. houtje als bepaald onderdeel in een harmonica
bokjespringen, bokkienspringen, bokspringen, werkwoord, haasje-over spelen
bokken, bokken, werkwoord, koppig zijn, nors zijn omdat men zich ergert aan iets
bokkenbank, bokkebaankien, zelfstandig naamwoord, et; schertsend gezegd van een kerkbank van een kerkenraadslid
bokkenhaar, bokkehaor, zelfstandig naamwoord, de, et (bet. 2) 1. een haar van een bok 2. gek haar
bokkenhok, bokkehokke, zelfstandig naamwoord, et; speciaal hok, afgescheiden ruimte voor de bok, veelal inpandig, vaak in de schuur
bokkenhoofd, bokkeheufd, zelfstandig naamwoord, et; het enigszins bolle hoofd dat sommige paarden hebben
bokkenhouder, bokkehoolder, zelfstandig naamwoord, de; iemand die in het bezit is van één of meer mannelijke geiten (en deze ter dekking beschikbaar stelt)
bokkenhouderij, bokkehoolderi’je, zelfstandig naamwoord, de; het houden van bokken, mannelijke geiten, om ze beschikbaar te stellen ‘ter dekking’
bokkenkar, bokkekarre, zelfstandig naamwoord, de; bokkenwagen
bokkenkoers, bokkekoers, zelfstandig naamwoord, de; paardenkoers met slechte paarden
bokkenkop, bokkekop, zelfstandig naamwoord, de; geslachtsorgaan van de mannelijke bij
bokkenplank, bokplaanke, bokkeplaanke, zelfstandig naamwoord, de; plank van de wal naar het schip (voor vervoer: bijv. om met een kruiwagen mest in een praam te brengen)
bokkenpoot, bokkepote, bokkepoot, zelfstandig naamwoord, de 1. poot van een mannelijke geit 2. langwerpig koekje met chocola aan beide uiteinden 3. teer- of verfkwast
bokkenpruik, bokkepruke, bokkepruuk, bokkepruik, zelfstandig naamwoord, de; in de bokkepruke op hebben stuurs en lomp zijn doordat men kwaad is
bokkensprong, bokkesprong, zelfstandig naamwoord, de; bokkensprong, meestal fig.: vreemde manier van doen, dwaze of onhandige handeling
bokkenwagen, bokkewaegen, zelfstandig naamwoord, de; bokkenwagen
bokkenweer, bokkeweer, zelfstandig naamwoord, et; slecht, regenachtig weer
bokkig, bokkig, bokkerig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. humeurig, stuurs en lomp, bokkig 2. koppig
bokking, bokken, bokkem, bokking, zelfstandig naamwoord, de 1. bokking, gerookte haring 2. standje, sneer, steek onder water, vinnige opmerking waarmee men de ander in de verdediging drijft, scherp verwijt
bokkingkerel, bokkenkerel, bokkingkerel, zelfstandig naamwoord, de; venter van bokking, viskoopman, visboer
bokkingkoopman, bokkenkoopman, zelfstandig naamwoord, de; verkoper van bokking, visboer, viskoopman
bokkingventer, bokkenventer, bokkingventer, zelfstandig naamwoord, de; viskoopman
bokmot, bokmotte, zelfstandig naamwoord, de; drachtige zeug
boks, boksem, boksen, zelfstandig naamwoord, de; broek
boks, bokse, boks, zelfstandig naamwoord, de 1. broekspijp 2. broek
boks, boks, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. ruw, humeurig, bokkig, hardhandig 2. (van geiten) tochtig
boksbal, boksballe, zelfstandig naamwoord, de; boksbal
boksband, boksebaand, boksembaand, zelfstandig naamwoord, de 1. elk der banden aan elk van de pijpen van een ouderwetse onderbroek die tot over de knieën reikte; met behulp van de boksembanen werden de kousen die eronder kwamen, vastgezet 2. elastiek om de kousen
bokselen, bokselen, werkwoord, 1. met veel, nogal kleine, stijve bewegingen maar zonder veel tempo lopen, ook met kleine, gekke pasjes lopen en aldus bevreemding wekkend 2. met enige inspanning en daardoor vaak moeizaam lopen, niet zo gemakkelijk voortstappen 3. druk, ingespannen bezig zijn met het werk, hard werken
bokshandschoen, bokshaanske, zelfstandig naamwoord, de; bokshandschoen
boksleraar, bokslerer, zelfstandig naamwoord, de; boksleraar
bokspant, bokspante, zelfstandig naamwoord, de; spant in de romp van een boerderij
boksschool, boksschoele, zelfstandig naamwoord, de; boksschool
bokstaan, bokstaon, werkwoord, 1. als ‘bok’ voorover staan bij het desbetreffende kinderspel 2. met z’n rug tegen een boom, een wand enz. (gaan) staan met gevouwen handen, zodat degene die gaat klimmen er een flinke opstap aan heeft en evt. nog op de schouders van dezelfde persoon kan gaan staan 3. in gebogen stand staan van een kind bij haasje-over
bokswedstrijd, bokswedstried, zelfstandig naamwoord, de; bokswedstrijd
bokwerk, bokwark, zelfstandig naamwoord, et 1. vaarboom voor een schuit 2. werk waarvoor men de bok (plat vaartuig) moest gebruiken 3. werk (geplozen touw) waarmee de naden van een bok (vaartuig) werden dichtgemaakt
bol, bollen, meervoud, bep. gehakt hout
bol, bolle, zelfstandig naamwoord, de; 1. uitgezakt stuk grond, uitstulping in een boswal of aan de kant van een sloot 2. streep van waarachter men bij het knikkeren moest werpen naar de knikkerpot; verkl. bollegien
bol, bolle, bolle-, baole, baole-, zelfstandig naamwoord, de 1. bol, brood (meestal witbrood) 2. bolvormig deel van een plant onder de grond, vooral: bloembol, maar ook van andere planten 3. bolvormig deel van een hoed of muts; verkl. bollegien
bol, bol, zelfstandig naamwoord, de 1. bol, balvormig lichaam 2. bol garen 3. bal bij bep. spelen 4. (jagersjargon) in over de bol ondersteboven (geslagen) door een raak schot; verkl. bollegien
bol, bol, bijvoeglijk naamwoord, 1. (van de wind) zacht, dicht, constant 2. enigszins rond, opgezet, gerond, bijv. bolle wangen 3. in bol uut de ogen kieken uit bolle ogen
bolderwagen, bulderwaegen, bolderwaegen, zelfstandig naamwoord, de; boerenwagen met huif en zonder vering, vaak gebruikt als men op visite ging of anderszins uitging
bollebuis, bollebuisies, bollebuizen, meervoud, 1. gebak 2. hetz. als buustpannekoeke 3. dikke maatjes
bollen, bollen, werkwoord, de zode weggraven en de grond omspitten
bollenblik, bolleblik, baoleblik, zelfstandig naamwoord, et; bakblik (voor brood)
bollenboer, bolleboer, zelfstandig naamwoord, de; boer die (voornamelijk) bloembollen verbouwt
bollenbrij, bollebri’j, baolebri’j, zelfstandig naamwoord, de; pap van melk en stukjes witbrood of evt. bruinbrood
bollenbrugge, bollebrogge, zelfstandig naamwoord, de; snee roggebrood met een stuk witbrood of bruinbrood erop
bollenbus, bollebusse, baolebusse, zelfstandig naamwoord, de; broodbus
bollendeeg, bolledeeg, bolledieg, zelfstandig naamwoord, et; brooddeeg
bollendoek, bolledoek, zelfstandig naamwoord, de; doek die men over een mand heeft waaruit men brood vent
bollendrager, bolledreger, zelfstandig naamwoord, de; iemand die met brood vent
bollengooien, bollegooien, werkwoord, gooien met stukjes brood
bollenkar, bollekarre, zelfstandig naamwoord, de; broodkar
bollenkorf, bollekörf, baolekörf, zelfstandig naamwoord, de; korf, mand gebruikt bij het venten met brood, ook: grote rechthoekige bakkersmand die men voor op de fiets heeft
bollenkorfloper, bollekörfloper, zelfstandig naamwoord, de; man die met bakkerswaren langs de huizen vent
bollenkweker, bollekweker, zelfstandig naamwoord, de; bollenkweker
bollenloopster, bolleloopster, zelfstandig naamwoord, de; vrouw die met bakkerswaren langs de huizen vent
bollenloper, bolleloper, baoleloper, zelfstandig naamwoord, de; man die met bakkerswaren langs de huizen vent
bollenloten, bollelotten, baolelotten, bollotten, werkwoord, de jaarlijkse activiteit rond Sinterklaas doen, nog bekend van plm. 1900, waarbij men lootjes kocht of om de hoogste ogen dobbelde en men een brood kon winnen of andere boodschappen
bollenloterij, bollelotteri’je, zelfstandig naamwoord, de; het zogeheten bollelotten
bollenmand, bollemaande, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als bollekörf I
bollenmelk, bollemelk, zelfstandig naamwoord, de; stroop
bollenmester, bollemester, zelfstandig naamwoord, de; boer die (voornamelijk) bloembollen verbouwt
bollensjouwer, bollesjouwer, baolesjouwer, zelfstandig naamwoord, de; man die met bakkerswaren langs de huizen vent
bollensnee, bollesnee, zelfstandig naamwoord, de; snee witbrood, bijv. in een bollesnee brood verdienen weinig verdienen, gezegd bijv. van iemand die een boodschap doet en daarvoor weinig krijgt
bollenstreek, bollestreek, zelfstandig naamwoord, de; bollenstreek
bollentijd, bolletied, zelfstandig naamwoord, de; bollentijd
bollentrom, bolletromme, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als broodtromme
bollenveld, bolleveld, zelfstandig naamwoord, et; bollenveld
bollenventer, bolleventer, zelfstandig naamwoord, de; iemand die met brood vent
bolletje, boltien, bollegien, baoltien, zelfstandig naamwoord, et; kadetje, broodje
bologig, bologig, bijvoeglijk naamwoord, met bolle ogen
bolpoot, bolpote, zelfstandig naamwoord, de; balpoot, bolpoot
bols, bols, bollig, bijvoeglijk naamwoord, 1. (van koeien) tochtig, buls 2. gek, overstuur, evt. ook enigszins schreeuwerig en opstandig
bolschup, bolschoppe, zelfstandig naamwoord, de; bolschup, spa of schop voor het graven van greppels in het veen en anderszins
bolsjewiek, bolsjewiek, bijvoeglijk naamwoord, bolsjewistisch
bolsjewist, bolsjewist, zelfstandig naamwoord, de 1. bolsjewist 2. iemand die vaak opstandig is, vaak kwaad is en anders wil
bolsjewistisch, bolsjewistisch, bijvoeglijk naamwoord, 1. bolsjewistisch 2. opstandig, vaak kwaad en anders willend
bolspat, bolspatte, bolspat, zelfstandig naamwoord, de; bolspat (gezwel in/op paardenbenen)
bolspit, bolspit, zelfstandig naamwoord, de 1. ondiepe steek met een spade waarbij men de randen niet afsteekt 2. bovenste veen, bolster
bolster, boster, bosterd, bolster, zelfstandig naamwoord, de; grote, dikke knikker (van leem, steen, ijzer, lood, glas), stuiter
bolster, bolster, zelfstandig naamwoord, de 1. bonkaarde 2. buitenste schil van zaden, noten, kastanjes en andere vruchten 3. bep. plant: witbol
bolsteren, bosteren, bolsteren, werkwoord, met stuiters, grote knikkers knikkeren
bolsteren, balsteren, werkwoord, opeenplakken van sneeuw
bolsterig, bolsterig, bijvoeglijk naamwoord, oneffen, met bollingen, zie ook bulsterig
bolsterig, balsterig, bijvoeglijk naamwoord, opgeblazen, opgezet (van het lichaam)
bolsterveen, bolstervene, zelfstandig naamwoord, de; bonkaarde
bolwerken, bolwarken, werkwoord, uithouden, volhouden
bom, bom, zelfstandig naamwoord, de 1. bom: bekend oorlogstuig, wapen in diverse soorten 2. groot, dik exemplaar 3. hetz. als boster 4. grote hoeveelheid, in bijv. een bom duiten veel geld 5. in bijv. De bom bast het komt tot een uitbarsting 6. harde klap; verkl. bompien
bom, bom, bijwoord, uitroep om een doffe klap, dreun mee na te bootsen, om een gelijktijdige val en klap mee aan te duiden
bombammen, bombammen, werkwoord, in bijv. Laot mar wat henne bombammen laat het z’n beloop maar krijgen, laat maar waaien
bombardement, bomberdement, bombaddement, zelfstandig naamwoord, et; bombardement
bombarderen, bomberderen, bombadderen, werkwoord, bombarderen: met bommen werpen op, gooien naar
bombazijnen, bombezienen, bijvoeglijk naamwoord, bombazijnen
bomberen, bomberen, werkwoord, met veel lawaai ergens naar toe komen, heen gaan
bomen, bomen, werkwoord, keuvelen, gezellig en langdurig praten
bomen, bomen, werkwoord, een boot voortduwen met een boom
bomenbok, bomebok, zelfstandig naamwoord, de; hijswerktuig o.m. om bomen op een wagen te laden
bomenbrink, bomebrink, zelfstandig naamwoord, de; rijtje van meestal grote bomen, groepje bomen op een erf
bomenenten, bome-enten, werkwoord, enten van bomen
bomengroen, bomegruun, zelfstandig naamwoord, et; bomengroen
bomenhakken, bomehakken, werkwoord, hakken, kappen van bomen
bomenhakker, bomehakker, zelfstandig naamwoord, de; iemand die bomen omhakt, kapt
bomenkappen, bomekappen, werkwoord, kappen van bomen
bomenkapper, bomekapper, zelfstandig naamwoord, de; iemand die bomen kapt
bomenketting, bomeketten, zelfstandig naamwoord, en var. de, et; ketting met behulp waarvan men bomen wegsleept
bomenklimmen, bomeklimmen, werkwoord, klimmen in bomen
bomenlaan, bomelaene, zelfstandig naamwoord, de; laan met aan weerskanten één of meer rijen bomen
bomenmerken, bomemarken, werkwoord, merktekens aanbrengen op bomen, vaak d.m.v. een schaafplek in de schors
bomenregel, bomeriegel, zelfstandig naamwoord, de; bomenrij
bomenrij, bomerij, zelfstandig naamwoord, de; bomenrij
bomenrooien, bomerooien, werkwoord, rooien van bomen
bomenschaduw, bomeschaad, zelfstandig naamwoord, et; bomenschaduw
bomenschillen, bomeschellen, werkwoord, schillen van de schors van bomen
bomenslag, bomeslag, zelfstandig naamwoord, de; bep. zeer sterke knoop die men gemakkelijk weer losmaakte, gebruikt bij het slepen van boomstammen uit het bos m.b.v. een paard
bomenzagen, bomezaegen, werkwoord, zagen van bomen
bomerij, bomeri’je, zelfstandig naamwoord, de; geheel aan bomen, bomen die er zijn gegroeid
bomgat, bommegat, zelfstandig naamwoord, et; bommengat, gat door de explosie van een bom veroorzaakt
bomijs, bom-ies, bon-ies, zelfstandig naamwoord, et; bomijs
bommem, bommem, zelfstandig naamwoord, de; bommoeder
bommen, bommen, werkwoord, 1. bommen: iets kunnen schelen, in bijv. Dat bomt mi’j niks dat kan me niks schelen, raakt me niet 2. met een harde klap, met een bom vallen
bommenwerper, bommewarper, zelfstandig naamwoord, de; bommenwerper
bommerd, bommerd, zelfstandig naamwoord, de; grote sloot of wijk
bommoeder, bommoeder, zelfstandig naamwoord, de; bommoeder
boms, boms, poemze, boemze, boem, boems, bows, zelfstandig naamwoord, de; doffe dreun, harde klap, met name doordat iets of iemand valt
boms, poemze, zelfstandig naamwoord, de 1. wijd zittend kledingstuk, bijv. gezegd van een broek 2. dikke persoon
bomsen, boemzen, poemsen, werkwoord, 1. hard slaan op/tegen iets 2. met een boms vallen, doen vallen, springen 3. een bonzend geluid geven, bijv. ’k Bin zo op de grond valen dat et heufd begon te bomzen
bon, bon, zelfstandig naamwoord, de 1. biljet, bon waarop men iets kan verkrijgen 2. kassabon 3. proces-verbaal bij een bekeuring 4. bon als toegangsbewijs 5. bon met nummer bij een verloting 6. spaarzegel 7. schriftelijk bewijsstuk dat men bep. waren heeft geleverd 8. boekenbon, platenbon, bloemenbon e.d.
bonbon, bonboonsien, zelfstandig naamwoord, et; één bonbon
bonbon, bonboons, zelfstandig naamwoord, de, et; bonbons
bonbondoos, bonboonsdeuze, zelfstandig naamwoord, de; bonbonsdoos
bondgenootschap, bondgenootschop, zelfstandig naamwoord, et; bondgenootschap
bondigheid, bondighied, zelfstandig naamwoord, de; bondigheid
bondscoach, boonscoach, zelfstandig naamwoord, de; bondscoach
bondsgeld, bondsgeld, zelfstandig naamwoord, et; bep. aftrek voor een verzekering bij het verkopen van slachtvarkens
bondsrepubliek, Boonsrippebliek, zelfstandig naamwoord, de; Bondsrepubliek
bondsstaat, boonsstaot, zelfstandig naamwoord, de; bondsstaat
bonenbak, bonebak, zelfstandig naamwoord, de; bak met bonen en evt. erwten e.d. in een winkel voor grutterswaren
bonenbast, bonebast, zelfstandig naamwoord, de; harde schil van een boonpeul
bonenbed, bonebedde, zelfstandig naamwoord, et; bonenbed
bonenbig, bonebiggien, zelfstandig naamwoord, et; in het voorjaar, dus na de normale slachttijd geslacht varken
bonenblad, boneblad, zelfstandig naamwoord, et; blad van een boonplant, ook als verz. gebruikt
bonenbrij, bonebri’j, zelfstandig naamwoord, de; boonsoep
bonendop, bonedoppe, zelfstandig naamwoord, de; harde schil van een boonpeul
bonendoppen, bonedoppen, boontiesdoppen, werkwoord, bonen van de harde schil, de peul ontdoen, vaak: ze met knippende bewegingen van de vingers uit hun peul doen vallen om ze te bereiden als groente
bonendraad, bonedraod, zelfstandig naamwoord, de; vezel van de peul van een boon
bonendraden, bonedraoden, werkwoord, punten en vezels van de bonenpeulen halen
bonengaard, bonegoorn, zelfstandig naamwoord, de; stuk tuin waarin men bonen verbouwt
bonengard, bonegarre, zelfstandig naamwoord, de; bonenstok
bonenhoek, bonehoeke, zelfstandig naamwoord, de; hoek grond, deel van de tuin waar men bonen verbouwt
boneninmaken, bone-inmaeken, werkwoord, wecken van bonen
bonenkruid, bonekruud, zelfstandig naamwoord, et; bonenkruid, bep. kruid dat men toevoegt aan de bonen
bonenkruik, bonekruke, zelfstandig naamwoord, de; kruik waarin men bonen conserveert (‘inmaakt’)
bonenlof, bonelof, zelfstandig naamwoord, et; blad van één of meer boonplanten
bonenmolen, bonemeule, zelfstandig naamwoord, de; snijbonenmolen, bonensnijmolen
bonennat, bonenat, zelfstandig naamwoord, et; bonennat
bonenpeul, bonepoele, bonepeul, zelfstandig naamwoord, de; bonenpeul
bonenpit, bonepitte, zelfstandig naamwoord, de; elk der bonen uit een bonenpeul
bonenpluk, boneplok, zelfstandig naamwoord, de; het plukken van bonen (als vorm van oogsten)
bonenpot, bonepot, zelfstandig naamwoord, de; Keulse pot, vooral gebruikt om bonen mee in te maken
bonenpoten, bonepoten, werkwoord, poten van bonen
bonenpunt, bonepunt, zelfstandig naamwoord, de; punt, topje van een bonenpeul
bonenpunten, bonepunten, werkwoord, wegnemen van de punten van de bonenpeul
bonenrank, boneranke, zelfstandig naamwoord, de; bonenrank; mv. bonenrangen
bonenschil, boneschelle, zelfstandig naamwoord, de; harde schil van een boon
bonensniffelen, bonesniefelen, werkwoord, snijdend versnipperen van bonen
bonensnijden, bonesnieden, werkwoord, snijdend versnipperen van bonen
bonensoep, bonesoep, bonesop, zelfstandig naamwoord, de; boonsoep
bonenstaak, bonestaeke, bonestaek, zelfstandig naamwoord, de 1. bonenstok 2. magere persoon 3. (mv.) lange benen
bonenstok, bonestok, zelfstandig naamwoord, de 1. bonenstok 2. magere persoon 3. (mv.) lange benen
bonenstro, bonestro, zelfstandig naamwoord, et; ranken, al dan niet gedroogd, van boonplanten
bonenstronk, bonestronke, zelfstandig naamwoord, de; ‘stronk’ die resteert nadat de bonen van een boonplant zijn geplukt
bonenstruik, bonestruke, zelfstandig naamwoord, de; boonplant
bonentuin, bonetuun, zelfstandig naamwoord, de 1. gedeelte waar men bonen verbouwt 2. tuin beplant met bonen
bonenveld, boneveld, zelfstandig naamwoord, et; bonenveld
bonenvlieg, bonevliege, zelfstandig naamwoord, de; bonevlieg
bonenwecken, bonewecken, werkwoord, wecken van bonen
bonenzetten, bonezetten, werkwoord, poten van bonen
bonk, bonke, bonk, zelfstandig naamwoord, de 1. been uit een menselijk of dierlijk lichaam 2. brok, dik, hard stuk, ook: groot stuk 3. grote, zwaargebouwde man, jongen, groot dier 4. een heleboel, bijv. een bonke geld, een bonke vee
bonkaarde, bonkeerde, zelfstandig naamwoord, de; bovenste veenlaag, bonkaarde
bonkaart, bonkaorte, zelfstandig naamwoord, de; bonkaart
bonken, bonken, werkwoord, 1. afbonken 2. hard stoten, hard, bonkend slaan 3. hetz. als ofkloppen, bet. 2
bonkenbreker, bonkebreker, zelfstandig naamwoord, de; hardhandige vechtjas
bonkenfabriek, bonkefebriek, zelfstandig naamwoord, de; fabriek waar men botten maalt
bonkenfikker, bonkefieker, zelfstandig naamwoord, de 1. iemand die vlees van slachtvee uitbeent 2. koudslachter, viller
bonkengat, bonkegat, zelfstandig naamwoord, et; gat, kuil waarin botten van de bonkefabriek werden gegooid
bonkenmolen, bonkemeule, zelfstandig naamwoord, de; molen waar men botten maalt
bonkenrek, bonkerak, zelfstandig naamwoord, et 1. geraamte 2. zeer magere persoon of dier, maar vaak wel groot
bonkenrollen, bonkerollen, werkwoord, de gespitte zoden omtrekken omdat die ten dele nog vastzitten
bonker, bonker, bonkerd, bunker, zelfstandig naamwoord, de; bonker: bep. korte, dikke herenjas, soort jekker
bonkerig, bonkerig, bonkig, bijvoeglijk naamwoord, bonkig, bonkerig, schonkig, benig
bonkgrond, bonkgrond, zelfstandig naamwoord, de; bonkaarde
bonkijzer, bonkiezer, zelfstandig naamwoord, et; bonkijzer
bonkkluiven, bonkekluven, werkwoord, kluiven op/aan een bot
bonkpluizen, bonkepluzen, werkwoord, peuzelen aan, van een bot, been
bonksel, bonksel, zelfstandig naamwoord, et; geheel van planten en grond die afgebonkt wordt, bonksel, bonkaarde
bonnefooi, bonnefooi, in op ’e bonnefooi op goed geluk, bijv. Dat dee hi’j op ’e bonnefooi
bons, boons, zelfstandig naamwoord, de 1. bons, hard en dof klinkende klap, val 2. harde klap 3. in iene de boons geven iemand de bons geven
bont, bont, zelfstandig naamwoord, et 1. bonte kleur 2. bonte stof 3. bont gemaakt van pels
bont, bont, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bontkleurig; bonte krodde duizendknoopsoort met ‘bloedvlekken’ op de bladeren
bonte, bonte, zelfstandig naamwoord, de; gezegd van, tegen een zwartbonte koe
bontheid, bonthied, zelfstandig naamwoord, de; bontheid, het bont zijn
bontigheid, bontighied, zelfstandig naamwoord, de; het bont(achtig) zijn, bontheid
bontkraag, bontkraege, zelfstandig naamwoord, de; bontkraag
bontlaars, bontleerze, zelfstandig naamwoord, de; bontlaars
bontmuts, bontmusse, zelfstandig naamwoord, de; bontmuts
bontzaak, bontzaeke, zelfstandig naamwoord, de; bontzaak
bonzen, boonzen, boonsen, werkwoord, 1. tegen elkaar klappen, kloppen op 2. onstuimig kloppen, jagen 3. hetz. als ofkloppen, bet. 2
boodschap, bosschop, zelfstandig naamwoord, de 1. het overbrengen van een bericht, opdracht om ergens iets te halen, te berichten, te doen 2. tijding, inhoud van een bericht 3. dat wat men koopt aan voedsel of andere dagelijkse benodigdheden 4. in d’r gien bosschop an hebben zich er niks van aantrekken, het negeren 5. (mv.) bestelde waren (boodschapppen) 6. in een grote bosschop doen z’n gevoeg doen, poepen, een kleine bosschop het urineren 7. strekking, tendens
boodschappen, bosschoppen, werkwoord, boodschappen doen
boodschappenboek, bosschoppeboekien, zelfstandig naamwoord, et; notitieboekje waarin men z’n boodschappen noteert
boodschappenbriefje, bosschoppebriefien, bosschopbriefien, zelfstandig naamwoord, et; briefje, lijstje waarop men z’n boodschappen noteert
boodschappendienst, bosschoppedienst, zelfstandig naamwoord, de; boodschappendienst
boodschappenjongen, bosschoppejonge, zelfstandig naamwoord, de; boodschappenjongen
boodschappenkar, bosschoppekarre, zelfstandig naamwoord, et 1. wagen voor het vervoer van boodschappen 2. boodschappenwagentje (in supermarkten e.d.)
boodschappenklad, bosschoppekladde, bosschoppeklarre, zelfstandig naamwoord, de 1. papieren zak waarin men z’n boodschappen meeneemt, ook: papieren zak voor rijst, suiker enz. 2. boodschappenbriefje
boodschappenkorf, bosschoppekörf, zelfstandig naamwoord, de; boodschappenmand
boodschappenlei, bosschoppeleie, zelfstandig naamwoord, de; lei waarop men boodschappen noteerde
boodschappenlijst, bosschoppeliesien, zelfstandig naamwoord, et; lijstje waarop men bijhoudt welke boodschappen nog moeten worden gedaan
boodschappenloper, bosschoppeloper, bosschoploper, zelfstandig naamwoord, de; boodschappenloper
boodschappenmand, bosschoppemaande, bosschoppemaand, zelfstandig naamwoord, de; boodschappenmand
boodschappennet, bosschoppenet, zelfstandig naamwoord, et; boodschappennet
boodschappenpuit, bosschoppepoede, zelfstandig naamwoord, de; zak voor het meenemen van boodschappen, van stof gemaakt (met ter afsluiting een koord dat aangetrokken kon worden)
boodschappentas, bosschoppetasse, zelfstandig naamwoord, de; boodschappentas
boodschappenwinkel, bosschoppewinkel, zelfstandig naamwoord, de; winkel waar men boodschappen kan doen voor de huishouding
boodschapper, bosschopper, zelfstandig naamwoord, de; boodschapper: iemand die boodschappen, berichten overbrengt
boog, boge, zelfstandig naamwoord, de 1. bekend schiettuig, vooral bekend als kinderspeelgoed 2. gradenboog 3. boog als deel van een gewelf 4. erepoort, ereboog, boogvormige poort e.d. 5. boog als schriftteken 6. min of meer ronde beweging 7. regenboog 8. soort strik om lijsters mee te vangen, lijsterboog 9. het verste, met een boog afgeronde perk bij het parkhinken, waar men niet in mocht springen 10. boogvormige figuur, getekend bij streepgooien 11. in bijv. een plezierige en over alle bogen aorige persoon in alle opzichten
boogbal, boogballe, zelfstandig naamwoord, de; boogbal
boogkorf, boogkörf, zelfstandig naamwoord, de; bep. type bijenkorf, van boven boogvormig
boograam, boograempien, zelfstandig naamwoord, et; boogvormig raampje in een boogkörf
boogschieten, bogeschieten, werkwoord, boogschieten
boogzaag, boogzaege, zelfstandig naamwoord, de; boogzaag, ronde spanzaag
boom, boom, boem, bome, bom, bompien, de 1. boom 2. boomstam 3. (bompien) kaartspel, boom 4. vaarboom 5. zeisboom 6. disselboom 7. weesboom 8. deurboom 9. tolboom 10. elk der armen van een kruiwagen 11. zwengel van een pomp 12. ploegboom 13. elk der balken ter weerszijden van een trap die de treden dragen 14. boomdiagram
boombast, boombaste, boombaaste, zelfstandig naamwoord, de; boombast
boombijter, boombieter, zelfstandig naamwoord, de; scheldwoord: vervelende persoon
boomblad, boomblad, zelfstandig naamwoord, et; het blad, het gebladerte van een boom
boomgrens, bomegreens, zelfstandig naamwoord, de; boomgrens
boomhaak, bomehaoke, boomhaoke, zelfstandig naamwoord, de; haak gebruikt om bomen te verrollen
boomhakkersbijl, boomhakkersbiele, zelfstandig naamwoord, de; zware bijl waarmee men bomen hakt en waarvan de steel door de achterkant van de bijl loopt
boomhooi, boomhuj, zelfstandig naamwoord, et; bovenste hooi van een vracht, onder de weesboom
boomhooishoogte, boomhujshoogte, zelfstandig naamwoord, de; de juiste hoogte van een vracht hooi om er het boomhuj op te doen, nl. een paar armen vol hooi die achterop komen; d’r boomsheugte tegenop zien er enorm tegenop zien
boomknoop, boomkneupe, zelfstandig naamwoord, de; bep. zeer sterke knoop die men gemakkelijk weer losmaakte, gebruikt bij het slepen van boomstammen uit het bos m.b.v. een paard
boomkop, boomkop, zelfstandig naamwoord, de; kop, kruin van een boom
boomkruin, boomkruun, boomkrune, zelfstandig naamwoord, de; boomkruin
boomkruiper, boomkroeper, zelfstandig naamwoord, de 1. boomkruiper 2. koolmees
boomkwekerij, bomekwekeri’je, zelfstandig naamwoord, de; boomkwekerij
boomlang, boomlang, bijvoeglijk naamwoord, (van personen) lang als een boom, bijv. boomlange kerels
boommuis, boommoes, zelfstandig naamwoord, de; boomkruiper
boomolie, boomeulie, zelfstandig naamwoord, de; olijfolie
boomotter, boomotter, zelfstandig naamwoord, de; boommarter
boompjeklimmen, boompienklimmen, werkwoord, klauteren van kinderen in bomen
boompjeverlossen, boompienverlossen, werkwoord, 1. tikspelletje waarbij men moet proberen zonder getikt te worden van de ene boom naar de andere te rennen 2. tikkertje spelen waarbij men alleen getikt kan worden als men niet met z’n hand tegen een boom staat
boompjeverruilen, boompienverruilen, werkwoord, 1. tikspelletje waarbij men moet proberen zonder getikt te worden van de ene boom naar de andere te rennen 2. tikkertje spelen waarbij men alleen getikt kan worden als men niet met z’n hand tegen een boom staat
boompjeverwisselen, boompienverwisselen, werkwoord, 1. tikspelletje waarbij men moet proberen zonder getikt te worden van de ene boom naar de andere te rennen 2. tikkertje spelen waarbij men alleen getikt kan worden als men niet met z’n hand tegen een boom staat
boomring, bomering, zelfstandig naamwoord, de; jaarring in de stam van een boom
boomschil, boomschelle, zelfstandig naamwoord, de; boomschors
boomschors, boomschosse, zelfstandig naamwoord, de; boomschors
boomshoogte, boomsheugte, zelfstandig naamwoord, de; de juiste hoogte van een vracht hooi om er het boomhuj op te doen, nl. een paar armen vol hooi die achterop komen; d’r boomsheugte tegenop zien er enorm tegenop zien
boomsnoeien, bomesnuuien, werkwoord, en var.; boomsnoeien
boomstobbe, boomstobbe, zelfstandig naamwoord, de; boomstronk
boomtop, boomtoppe, zelfstandig naamwoord, de; boomtop
boomtwijg, boomtoeke, boomtakke, zelfstandig naamwoord, de; boomtak
boomvalk, boomvalke, zelfstandig naamwoord, de; boomvalk
boomvrucht, boomvrocht, zelfstandig naamwoord, de; boomvrucht
boomwortel, boomwottel, zelfstandig naamwoord, de; boomwortel
boomzaag, bomezaege, zelfstandig naamwoord, de; boomzaag
boomzeiker, boomzeiker, zelfstandig naamwoord, de; gezegd van een jongen (vooral van een pasgeborene)
boon, boontien, zelfstandig naamwoord, et 1. kleine boon 2. bep. snoepje, vaak van gele of bruine kleur
boon, bone, boon, zelfstandig naamwoord, de 1. boon: stoksnijboon, stamsnijboon etc. 2. boonplant 3. op een boon gelijkend zaad 4. in een blauwe bone geweerkogel
boonakker, bone-akker, zelfstandig naamwoord, de; stuk bouwland waarop men bonen verbouwt, boonakker
boor, bore, boorde, boord, boorde-, bore-, zelfstandig naamwoord, de 1. boor, bekend gereedschap waarmee men gaten boort, ook: boorijzer 2. rechte, smalle spade, boor, speciaal voor het uitgraven van boomstronken 3. holle pootstok 4. boord van kledingstukken: aan de halsopening van een trui, aan een kous of sok 5. boord van een overhemd 6. losse kraag van wit linnen; de bore omme hebben dronken zijn
boord, boord, zelfstandig naamwoord, in an boord aan boord
boordcomputer, boordkomputer, zelfstandig naamwoord, de; boordcomputer
boordenknoop, boreknopien, boordeknopien, boordekneupien, borekneupien, zelfstandig naamwoord, et; boordenknoop(je)
boordevol, boordevol, borendevol, bijvoeglijk naamwoord, boordevol
boordlint, boorlint, zelfstandig naamwoord, et; boordlint
boordsteek, boresteek, boordsteek, zelfstandig naamwoord, de; naaisteek van een boord aan een kledingstuk
boorijzer, booriezer, zelfstandig naamwoord, et; boorijzer
boorlijn, boorliende, zelfstandig naamwoord, de; lijn, touw, draad waarlangs men een pad, tuin, sloot, muur e.d. uitzet
boormachine, boormesiene, zelfstandig naamwoord, de; boormachine
boorplek, boorplak, zelfstandig naamwoord, et; boorlocatie
boorwater, boorwaeter, zelfstandig naamwoord, et; boorwater (geneesmiddel)
boorwerk, boorwark, zelfstandig naamwoord, et; boorwerk
boos, beus, beuze, boos, bijvoeglijk naamwoord, 1. bijdehand, druk, levendig, werkzaam 2. kwaad, boos 3. (van het weer) slecht, vooral: met stormwind en onweer
bootbel, bootbelle, zelfstandig naamwoord, de; scheepsbel
boothelling, botehelling, zelfstandig naamwoord, de; scheepswerf
boothuis, botehuus, zelfstandig naamwoord, et; boothuis
bootje, boties, meervoud, benaming voor bep. schoenen
bootjeroeien, botienroeien, botienruien, werkwoord, roeien in een bootje
bootjevaren, botienveren, botienvaeren, werkwoord, bootje varen
bootreis, bootreize, zelfstandig naamwoord, de; bootreis
bootverhuur, boteverhuur, zelfstandig naamwoord, de; botenverhuur
bootvluchteling, bootvlochteling, zelfstandig naamwoord, de; bootvluchteling
boowaarde, bouweerde, bouwere, zelfstandig naamwoord, de; bouwaarde
bord, bred, zelfstandig naamwoord, et 1. lett. bord, in verb.: Hi’j het een bred veur de kop hij heeft een bord voor z’n kop, hem ontgaat ongeveer alles 2. onderzetter (voor pannen e.d. op een tafel) 3. plankje op de gereedschapskist op een boerenwagen, om op te zitten, deksel van een wagenkist waar men op zat
bord, bod, zelfstandig naamwoord, et 1. bord om uit te eten 2. broodplank, verder in verb. als te bodde te berde, ter sprake, op ’e bodden op de agenda van de vergadering, ter sprake 3. hetz. als taofelbod 4. hetz. als schostien-, maantelbod 5. schuine plank aan het eind van een mi’jmesienemes 6. schildvormige afdekking aan de voorkant van een draaiende hark in een ouderwetse hooimachine 7. plank in bep. vorm waarop personen of paarden lopen om wegzakken te voorkomen, ook aan de pols(en) van de turfmaker met hetz. doel 8. plaat, plankje e.d. aan een muur, aan een paal enz. waarop aanwijzingen staan, waarop informatie te lezen is, uithangbord, naambord e.d. 9. schoolbord 10. verkeersbord 11. schaakbord, dambord, ganzenbord e.d. 12. in veur et bottien kommen naar voren (moeten) komen om iets naar voren te brengen, vooral: om vragen te beantwoorden
borddoek, boddedoek, zelfstandig naamwoord, et; borddoek
bordeauxwijn, bordowien, zelfstandig naamwoord, de; bordeauxwijn
bordenboel, boddeboel, zelfstandig naamwoord, de; het geheel aan borden etc.
bordenkwast, boddekwaste, zelfstandig naamwoord, de; afwaskwast
bordennat, boddenat, zelfstandig naamwoord, et; gezegd van slechte koffie
bordenrek, bodderak, bodderek, zelfstandig naamwoord, et; bordenrek(je)
bordenwas, boddewas, zelfstandig naamwoord, de; vaat die men moet wassen
bordenwassen, boddewasken, boddewassen, werkwoord, de vaat wassen
bordenwater, boddewaeter, zelfstandig naamwoord, et 1. slechte koffie 2. slechte chocolademelk
bordenwisser, boddewisser, zelfstandig naamwoord, de; (school)bordenwisser
bordje, brettien, zelfstandig naamwoord, et 1. bep. kleine soort goede turf 2. zie onder bred
bordkarton, bodketon, zelfstandig naamwoord, et; bordpapier
bordkrijt, bodkriet, zelfstandig naamwoord, et; bordkrijt
bordpapier, bodpepier, zelfstandig naamwoord, et; bordpapier, karton
bordpapieren, bodpepieren, bijvoeglijk naamwoord, van bordpapier, van karton
bordtekening, bodtekening, zelfstandig naamwoord, de; bordtekening
borduren, berduren, bodduren, werkwoord, borduren
borduurdoos, berduurdeuze, zelfstandig naamwoord, de; doos ter bewaring van borduurspullen
borduurgaas, berduurgaas, zelfstandig naamwoord, et; borduurgaas
borduurgaren, berduurgaoren, zelfstandig naamwoord, et; garen waarmee men borduurt
borduurkaart, berduurkaortien, zelfstandig naamwoord, et; kaartje waarop men borduurt
borduurkleed, berduurklietien, zelfstandig naamwoord, en var. et; kleedje, stukje stof waarop men borduurt
borduurkussen, berduurkussen, zelfstandig naamwoord, et; kussen van stof om op te borduren
borduurlap, berduurlappe, zelfstandig naamwoord, de; lap waarop men borduurt
borduurloep, berduurloep, zelfstandig naamwoord, de; loep voor het borduren
borduurmand, berduurmaantien, zelfstandig naamwoord, et; mandje voor het bewaren van de borduurspullen
borduurpatroon, berduurpetroon, zelfstandig naamwoord, et; borduurpatroon
borduurraam, berduurraem, zelfstandig naamwoord, et; borduurraam
borduurschaar, berduurschere, zelfstandig naamwoord, de; borduurschaar
borduursel, berduursel, zelfstandig naamwoord, et; borduursel
borduursteek, berduursteek, zelfstandig naamwoord, de; borduursteek
borduurstof, berduurstof, zelfstandig naamwoord, de; borduurstof
borduurtekening, berduurtekening, zelfstandig naamwoord, de; getekend borduurpatroon
borduurvoorbeeld, berduurveurbeeld, zelfstandig naamwoord, et; borduurvoorbeeld
borduurwerk, berduurwark, berduurwaark, zelfstandig naamwoord, et; borduurwerk
borduurwol, berduurwol, berduurwolle, zelfstandig naamwoord, de; borduurwol
borduurzijde, berduurziede, zelfstandig naamwoord, de; borduurzijde
bordvol, bodvol, zelfstandig naamwoord, et; bordvol
borg, borg, börg, burg, zelfstandig naamwoord, de 1. gecastreerd mannelijk varken 2. borg: degene die als borg is gesteld
borgen, borgen, werkwoord, 1. borg zijn voor iemand 2. krediet geven, geld lenen aan, borg staan voor iemands huur of koop 3. geld lenen van, in het krijt blijven staan
borgpen, borgpenne, bargpenne, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als splisse, leuze
borrelen, borrelen, werkwoord, 1. borrelen: door vloeistoffen 2. rommelen in maag, buik 3. borrels drinken
borrelhapje, borrelhappien, zelfstandig naamwoord, et; borrelhapje
borrelnootje, borrelneutien, zelfstandig naamwoord, et; borrelnootje
borrelpraat, borrelpraot, zelfstandig naamwoord, et, de; borrelpraat
borreluur, borreluurtien, zelfstandig naamwoord, et; borreluur
borrelworstje, borrelwossien, zelfstandig naamwoord, et; borrelworstje
borsrbeeld, bostbeeld, zelfstandig naamwoord, et; borstbeeld
borst, bost, zelfstandig naamwoord, mannelijke persoon, bijv. in een braove bost
borst, bost, boste, zelfstandig naamwoord, de 1. borst: bekend lichaamsdeel bij mens en dier 2. borstdeel van een geslacht dier 3. de luchtwegen in iemands borst 4. vrouwenborst, tiet 5. borstgedeelte van een kledingstuk
borstademhaling, bostaosemhaeling, zelfstandig naamwoord, de; borstademhaling
borstband, bostbaand, zelfstandig naamwoord, de; wollen strook om borst en buik
borstbeen, bostbien, zelfstandig naamwoord, et; borstbeen
borstel, bossel, zelfstandig naamwoord, de 1. boender, borstel in diverse soorten 2. mv.: bossels: rechtopstaande haren bij dieren (vaak: nekharen), bij vergelijking gezegd van mensen als ze nijdig zijn/worden, in bijv. de bossels opzetten 3. pluk recht overeind staand haar bij een kind 4. elk der stijve haren aan de achterpoten van een bij 5. stevig gebouwde jongen
borstelbinder, bosselbiener, bosselbiender, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als buundermaeker
borstelen, bosselen, werkwoord, 1. borstelen, schuieren 2. hard werken, bijv. in Dat warkien mos hi’j aorig tegen bosselen om et klaor te kriegen hij moest zich flink inspannen om het klaar te krijgen
borstelhanger, bosselhanger, zelfstandig naamwoord, de; borstelhanger
borstelig, bosselig, bijvoeglijk naamwoord, borstelig: op borstels lijkend: bosselig haor
borstelmaker, bosselmaeker, zelfstandig naamwoord, de; hetz. als buundermaeker
borstenhouder, bostehoolder, zelfstandig naamwoord, de; beha, bustehouder
borstglas, bostglas, zelfstandig naamwoord, et; glas waarin het teveel aan melk in de vrouwenborst werd opgevangen
borsthaar, bosthaor, zelfstandig naamwoord, et; borsthaar
borstig, bostig, bijvoeglijk naamwoord, 1. kortademig, aamborstig 2. eigenwijs
borstkind, bostkiend, zelfstandig naamwoord, et; borstkind
borstkolf, bostkolf, zelfstandig naamwoord, de; borstglas, borstkolf
borstkwaal, bostkwaol, zelfstandig naamwoord, de; borstkwaal
borstlap, bostlappe, zelfstandig naamwoord, de; (bij paarden) lap veelal in de vorm van leer, aangebracht achter en bevestigd aan het deel van het tuig dat tegen de borst zat
borstleer, bostleer, zelfstandig naamwoord, et; leren bostlappe
borstmelk, bostmelk, zelfstandig naamwoord, de; melk uit de borst van de moeder
borstonderzoek, bostonderzuuk, zelfstandig naamwoord, et; borstonderzoek
borstpijn, bostpiene, zelfstandig naamwoord, de; borstpijn
borstplaat, bostplaete, zelfstandig naamwoord, de; bep. lekkernij: borstplaat
borstriem, bostriem, zelfstandig naamwoord, de; borstriem
borstrok, bostrok, bosterok, zelfstandig naamwoord, de; borststrok (onderkleding)
borstrokmouw, bostrokmouwe, zelfstandig naamwoord, de; mouw van een borstrok
borstslag, bostslag, zelfstandig naamwoord, de; borstslag
borstspier, bostspiere, zelfstandig naamwoord, de; borstspier
borststuk, boststok, zelfstandig naamwoord, et 1. extra stuk in een hemd zodat dat dubbel was op de plaats van de borst 2. borstgedeelte van een vogel of van wild dat geslacht werd 3. gesteven kledingstuk met al dan niet losse boord, voor de borst langs, front 4. voorstuk van paardentuig
borsttuig, bosttuug, zelfstandig naamwoord, et; borsttuig
borstvlees, bostvleis, zelfstandig naamwoord, et; vlees dat door slachten verkregen is uit de borst van een dier
borstwering, bostwering, zelfstandig naamwoord, de; borstwering: op een toren, van een vestingwerk
bos, bos, zelfstandig naamwoord, de, et 1. bos (van bomen), woud 2. ronde bundel van lange stengels, lange vruchten, draad enz., ook wel in de vorm van een grote rol
bosaap, bosaep, zelfstandig naamwoord, de 1. mannelijke persoon met lang haar en vaak met baard en snor 2. iemand met een lelijk uiterlijk
bosakker, bosakker, zelfstandig naamwoord, de; gedeelte van een stuk bos tussen twee greppels of sloten
bosbaas, bosbaos, zelfstandig naamwoord, de; bosbaas
bosbeer, bosbeer, zelfstandig naamwoord, de; lomp iemand
bosbes, bosbesse, bosbesse-, hetz. als blekber(-)
bosbes, bosbeie, zelfstandig naamwoord, de 1. blauwbes, bosbes 2. heester waaraan de bosbes groeit
bosbessenpol, bosbeiepolle, zelfstandig naamwoord, de; heester waaraan de bosbes groeit
bosbrand, bosbraand, zelfstandig naamwoord, de; bosbrand
bosduif, bosdoeve, zelfstandig naamwoord, de 1. houtduif 2. holenduif
bosduivel, bosduvel, zelfstandig naamwoord, de 1. zeer wild, boos, vinnig iemand 2. iemand die er erg smerig, verwilderd uitziet
bosfazant, bosfesant, zelfstandig naamwoord, en var. de; bosfazant
bosgras, bosgrös, zelfstandig naamwoord, et; bep. plant: witbol, meelraai, ook schaduwgras
bosgrep, bosgröppe, bosgruppe, zelfstandig naamwoord, de; greppel in een bos
boshond, boshond, zelfstandig naamwoord, de; iemand die niet geheel te vertrouwen is, omdat hij soms smerige streken levert
bosjacht, bosjacht, zelfstandig naamwoord, de; jachtpartij door het bos, i.t.t. vlakjacht
bosje, bossien, zelfstandig naamwoord, et 1. bosje, kleine bos 2. bosje, eenheid van kreupelhout
boskabouter, boskeboolter, zelfstandig naamwoord, de; boskabouter: in het bos wonende kabouter
boskamp, boskaampe, zelfstandig naamwoord, de; stuk afgerasterd of anderszins afgegrensd weiland in bos gelegen en/of daaruit ontgonnen
boskant, boskaante, zelfstandig naamwoord, de 1. rand van het bos 2. kant die naar het bos is gelegen
boskappen, boskappen, werkwoord, kappen van bos
boskat, boskatte, zelfstandig naamwoord, de; wilde kat die in bossen leeft
boskweek, boskweek, zelfstandig naamwoord, de; op kweekgras gelijkend gras in boskanten, op bouwland
boslaan, boslaene, zelfstandig naamwoord, de; boslaan
boslucht, boslocht, zelfstandig naamwoord, de; boslucht
bosmenning, bosmenninge, zelfstandig naamwoord, de; zandweg door of naar het bos
bosmug, bosmogge, zelfstandig naamwoord, de; bosmug
bosmuis, bosmoes, zelfstandig naamwoord, de; bosmuis
bosnoot, bosneute, zelfstandig naamwoord, de; noot van de hazelaar
bosopslaan, bosopslaon, werkwoord, snoeien van houtwallen, bomen, bos
bospest, bospest, zelfstandig naamwoord, de; bospest, Amerikaanse vogelkers
bosplaag, bosplaoge, zelfstandig naamwoord, de; plaag voor het bos (bijv. door bep. insecten)
bosplant, bosplaante, zelfstandig naamwoord, de; bosplant
bospol, bospolle, zelfstandig naamwoord, de; opschietende struik, opschietend hout
bosrand, bosraand, zelfstandig naamwoord, de; bosrand
bosrijk, bosriek, bijvoeglijk naamwoord, bosrijk
bosrit, bosreed, zelfstandig naamwoord, de; zandweg door of naar het bos
bossabel, bossaobel, zelfstandig naamwoord, de; snoeimes dat door z’n vorm aan een sabel doet denken
bossen, bossen, werkwoord, maaien van niet afgegraasd gras, pollen, vooral rond de uitwerpselen van vee
bossen, bosken, werkwoord, bosarbeid verrichten, met name het hakhout kappen en weghalen
bossenboel, bosseboel, zelfstandig naamwoord, de; geheel aan bossen
bossenmaaien, bossemi’jen, werkwoord, maaien van niet afgegraasd gras, pollen, vooral rond de uitwerpselen van vee
bosser, bosker, zelfstandig naamwoord, de; bosarbeider, iemand die bosarbeid verricht
bossersgeld, boskersgeld, zelfstandig naamwoord, et; geld dat een houthakker verdient
bossig, bossig, bijvoeglijk naamwoord, bosachtig
bossnoeier, bossnuuier, zelfstandig naamwoord, de; sikkelvormig mes aan een lange steel: voor het takken snoeien, het afsnoeien van braamstruiken e.d.