elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum

-achtig, -achtig, -aachtig, Ook -aachtig (Zuidwest Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), bijv. Het was daor wat veenachtig (Zdw), Het was monsterachtig (Wijs), Wat gedraogt e hom weer kinderaachtig (Row)
-baar, -baar, baor, ber, (Zuid-Drenthe). Ook baor (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe), ber (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Het voorkomen kan in afzonderlijke woorden verschillend zijn: bliekbaar (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), bliekbaor (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe); dankbaar (Zuid-Drenthe), bliekber (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe), bliekbaor (Noord-Drenthe); onmisbaar (Zuid-Drenthe), onmisbaor (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), onmisber (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe); zichtbaar (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), zichtbaor (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe), zichtber (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), zichtboor (Eev); in gangbaor ook gaonbar (Zuidwest-Drenthe, zuid)
-erij, -erij, achtervoegsel, -erijen, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = achtervoegsel met var. als in bijv. schilderij (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook ...erije (Zuidwest-Drenthe), ...er(a)ai (Kop van Drenthe, Veenkoloniën); bakkerij ook ...rije (Zuidwest-Drenthe), ...ra(a)i (Kop van Drenthe); batterij, ...rije (Zuidwest-Drenthe)
-heid, -heid, -haid, -haaid, -heden, Ook -haid, -haaid (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), In al die kroegen haj vrogger gien daansgelegenheid (Sle), Van venienighaid wol e nait gruien (Eco)
-lijk, -lijk, -lijks, -elijk, -eliek, -liek, -elk, -lijks, -liek, achtervoegsel, Ook -elijk, -eliek, -liek (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), -elk (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), -lijks, -lieks (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), in bijv. dagelijks en var. (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), da(o)gelieks (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), lillijk naast lelijk (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) en lelk (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe), anstotelijk (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) naast ansteutlijk (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), antrekkelk (Zuidoost-Drents zandgebied), makkelk (Midden-Drenthe), maar altijd dao(de)lijk
a, a, ao, Ook ao = ach, och A jong, hoe hej dat toch had? (Sle), A, wat mankeert je nou, dat moej niet doon! (Bei), Hoe was het feest? Ao, het gung wel (Anl), A bah, wat vies! (Zdw), zie ook bij o
a, a, de, a’s, a, eerste letter van het alfabet Wel a zegt, möt ok b zeggen (Sle), Aj a ezegd hebt, muj ook b. zeggen (Hgv), Dei ken ik wel zo goud, van a tot z (Vri), Hij kun het van a tot z opzeggen (Bov), Hij kent gien a vèur een b is dom (Mep), of Hij kan gien a van een b onderscheiden (Smi), Van a tot amen van a tot z (Git)
à propos, apperdepo, apperepo, aprepo, apropo, apperdepoe, Ook apperepo (Zuidwest-Drenthe), aprepo (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), apropo (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), apperdepoe (Zuidwest-Drenthe, zuid) = onderwerp Hij is niet van zien aprepo of te brengen (Bei), Hij hef mij hielemaole van mien aperdepo ebracht (Bro), Hij was wel op zien apperepo qui vive (Die), Ik kon niet weer op mien apropo kommen (Hoh)
à propos, apperdepo, aprepo, aperepo, apperepo, apperdepoe, apperapo, a, tussenwerpsel, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe). Ook aprepo (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), aperepo, apperepo (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord), apperdepoe (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, wb), apperapo (Midden-Drenthe), apperpo (wb), apperdepap (Zuidwest-Drenthe, zuid), apperdepo (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), aoperdepo (Kop van Drenthe) = 1. wel, wel! toe maar! Aperdepo, dat is ook al ’n flink ventie (Eri), Aoperdepo, wat was mai dat een slag (Een), Wal aperdepo, moej die is zeen, wat een windbuul... (Hijk), Aprepo, non heb ik ok wat omhans had (Vri) 2. à propos! Ho eens even! Wacht eens! IJ zegt dat het zo mot gebeuren, mor apperepo, dat bin ik niet met je eens (And), Onze kroegholder zee vrouger: aperdepo jonges, het is 10 uur, deroet! (Pei), Lat hij een huus zetten? Aprepo, daor kan ik oe nog wat aover vertellen! (Zdw), Het leek wel mooi, maor apperdepo dat kan wel tegenvallen (Vri)
Aa, Ao, de, Aos, (Zuidwest Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = waternaam Der zit een hiele dam ien de Ao, deurdat het roet op het hoogst is (Wsv), De Ao stun blank (Zui)
aai, aai, aaie, aaien, Ook aaie (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. aai, streling 2. mep, klap (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) Een aai um de oren (Pdh), Die koe gaf mij een aai um de bek met de staart (Sle), Hie hef hum een beste aai geven (Oos), Hie kreeg een aai met het mes over de smoel (Dal) 3. arm (in kindertaal) (N:Rod) Wat een dikke aai. Lekkere aaigies
aaien, aaien, aoien, Ook aoien (Veenkoloniën) = 1. strelen Die kribbels aait mij over de handen (And), Wat aaien en strieken döt seins een bulte goed (Hgv) 2. niet met de nodige kracht of aandacht werken IJ moet ok börselen en niet liggen te aaien (Sle), Ie heuft hum neet te aaien, hij bit oe neet, ...döt oe niks terugge (Dwi), Hij aait er wat veur langs neemt geen breed zwad mee bij het maaien (Man), Hij aaide der wat aover (Ruw), Der bij lang(e)s aaien (Mep), ...umme toe aaien (Hgv), ...an langes aaien (Noo) 3. vleien, flikflooien Ein um de bek aaien (Ros), Hij zat zien tante te aaien om later de arfenis te kriegen (Dwij), Hij aait je naor de mond (Pdh) 4. slaan (Zuidoost-Drents veengebied) Hij aaide hum daor eine over het gezicht gaf hem een klap in het gezicht (Nsch), (iron.) Zie aaiden mij neeit gezegd door iemand die mishandeld is (Pdh)
aaiepoezen, aaiepoezen, onbepaald werkwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = er losjes overheen strijken
aaipoes, aaipoes, aaiepoes, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook aaiepoes (Zuidwest-Drenthe, zuid) = gezegd bij zacht strelen Aaiepoes speulen flikflooien (Hgv), Aaipoes, weg kat! eerst vriendelijk, dan kwaad (Gas)
aal, aol, aole, aal, aolen, Ook aole (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), aal (Zuidoost-Drents zandgebied) = aal, paling Hij vöng een aol, zo dik as zien polse (Dwi), Daor zit een koppel aol in dat stroompien (Bei), Hie kronkelt zuk as een aol (And), Het is zo glad, ...glibberig, ....glèrig as een aol (Sle), Hij is te vangen as een aol an de starte bijna niet (Hgv), Het glèeit as een aol (Eri), Hij giet oe as een aol deur de vingers (Ker), Hie springt as een aol in de pan (Oos), Hij is zo tooi as een aol van iemand die voor zijn leeftijd nog sterk en gezond is (Pei) *Wat is het toppunt van gladheid? Ain aol in ain emmer mit snödde (Twe); Een aole kröp altied in de modder gezegd, als je het hebt over een niet eerlijk persoon (Zdw), zie ook bij paling
aalangel, aolangel, de, 1. hengel waarmee op aal werd gevist Ik wil de aolangel ok met hebben, aw hen vissen gaot (Zwe) 2. soort vishaak (Zuidwest-Drenthe, zuid) Een aolangel is een lange haoke om de pieren an te riegen (Dwij), zie ook aolhaok
aalangelhaakje, aolangelhaokie, het, aolangelhaokies, (Kop van Drenthe) = haak van de hengel waarmee op aal werd gevist Ik wil vissen en nou bin ik het aolangelhaokie kwiet (Vri)
aalbes, albeer, aalbeer, aolbeer, allerbeer, alderbeer, elbeer, el, alberen, alberens, (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied). Ook aalbeer (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), aolbeer (Veenkoloniën), allerbeer of alderbeer (Zuidwest-Drenthe, zuid), elbeer of elderbeer (Zuidoost-Drents veengebied), albèèr (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), albes (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe), albertbeze, albertiesbeze (Zuidwest-Drenthe, zuid), albebeze (Zuidwest-Drenthe, zuid), alberse beze (Zuidwest-Drenthe, zuid), aubertiesbeze (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aalbes Non moej gauw de albèren plukken, want wij wilt bessensap maken (Bei), Ik bun nich zo gek op elderberen; ik heb leiver bokkeberens (Bov), Zwarte, rooie en witte alberen (Smi), zie ook strengebezen
aalbessenbos, alberenbos, alberenstroek, Ook alberenstroek (Zuidoost-Drents veengebied) = aalbessenstruik De elderberenbossen zit van het joor goud vol (Bov)
aaldam, aoldam, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afdamming in het water met een opening, waarvoor netten, fuiken of korven werden geplaatst, z. ook aolstal
Aalden, Aalden, plaatsnaam, (be, ndva), in In Aalden is niks te halen / As wat klompen en wat klossen / En wat magere ossen (ndva)
aaldobber, aoldobber, de, aoldobbers, (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = plankje met een lijn, waaraan één enkele haak, die men laat drijven en later weer opvist (Hol)
aalfuik, aolfoek, de, aalfuik Mien va had een akte veur een aolfoek (Dal)
aalhaak, aolhaok, aolhoeke, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe). Ook aolhoeke (Zuidwest-Drenthe, zuid) = haak waarmee men op paling viste. ‘Als snoer werd wel een touw gebruikt met daaraan de aolhaoke. Het beste aas was een klein kikkertje; deze werd zo aan de haak vastgemaakt dat de aal bij de kop begon te zuigen’ (Dwi)
aalkaar, aolkaore, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) = aalkaar, vierkante bak waarin men paling verzamelde Ze hebt de aolkaore vannacht lös ebrèuken (Noo)
aalklobbe, aolklobbe, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = stuk rond hout dat in het water gegooid werd met snoer en haak om paling te vangen
aalkop, aolkop, de, (wb) = scheldnaam voor de bewoners van Peize
aalkubbe, aolkubbe, de, (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. trechtervormig net waar de vissen binnenzwemmen in een aalfuik; vaak het meest naar achteren liggende gedeelte van zo’n vangnet 2. de bak waarin waarin de levende aal werd bewaard; de bak of kist was van gaten voorzien voor de toevoer van water (Dwi), zie ook aolkaore
aalkwab, aolkwabbe, de, aolkwabben, (Zuidwest Drenthe, noord) = kwabaal
aalmerrie, aalmeer, de, (dva, wb) = merrie van twijfelachtig geslacht, veelal onvruchtbaar, z. ook ralmeer
aalprikje, aolprikkien, het, aolprikkies, (wb, Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.) = vijf of zes mootjes gebraden paling aan een pennetje. ‘Dat stond in verband met een spelletje op kermissen of marktdagen’ (Hol)
aalreep, aolreep, aolrepe, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook aolrepe = aalreep, zetlijn aan weerskanten van de sloot in de grond gestoken, met op geregelde afstanden een touwtje met haak
aalshoed, aolshoed, aolhoed, aolvel, Ook aolhoed (N:Rod), aolvel = palingvel, o.mgebruikt als hakband in de schaats en met name bekend als verbinding tussen de dorsstok en de vlegel, tevens in verpulverde vorm gebruikt als middel om paard drachtig te krijgen, ook wel Een aolvel om het bit wienden (Die), ook als geneesmiddel (door het op de huid te leggen) tegen reuma of rugpijn (Coe), tegen keelpijn (Een) en tegen brandwonden (Rui)
aalstal, aolstal, de, (Midden-Drenthe, wm) = afdamming in een water met een opening, waarvoor netten, fuiken of korven worden geplaats om aal te vangen, sinds 1837 verboden (wm)
Aalstalbat, Aolstalbat, de, (Anl) = brug over het Gasterense diep en ten westen van Gasteren in de Drentse Aa, vermoedelijk bij een oude aolstal
aalstek, aolstik, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. paaltje met snoer, haak en pier Een aolstik is een stik met een touwgien, een haakien en een pier. Die zet ij an de kaant van de stroom. ’s Aovends zetten en ’s mörgens kieken (Pdh) 2. paaltje voor het vastzetten van een aalfuik (Man)
aalstekel, aolstiekel, de, aolstiekels, (Kop van Drenthe) = plant, Stratiodes aloides, in 1914 - 1918 gebruikt voor bemesting (Row)
aalsteken, aolsteken, onbepaald werkwoord, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = paling vangen met een aalsteek Aolsteken: vrogger met vörk met veer tanden met weerhaakies (Emm), As der ies was, gunk men ’s morgens vrug mit de aolstikke in een biet aolstikken (Noo)
aalsteker, aolsteker, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = iemand die met de aalsteek paling vangt Dat is de aolstikker (Wsv)
aalstok, aoltoek, de, (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) = aalgeer, vistuig om paling te vangen ‘De aoltoeke is een drietand met inkepingen aan de tanden, waarmee paling uit een wak in het ijs werd gevangen’ (Erf), ‘Snoek en aal werd gestoken met de aoltoek’ (bu), zie ook aolvörk
aalstok, aaltoek, aaltoeke, de, aaltoeken, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook aaltoeke (Veenkoloniën) = aalschaar
aalstropen, aolstrupen, onbepaald werkwoord, (Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) = stropen van een aal Aolstrupen is het vel van de aol ofstrupen deur een snee rondumme achter de kop en dan het vel - mit een haandtie zaand veur stroever anpakken - ien de richting van de starte binnenstebuten ofstrupen (Wsv)
aalt, eel, ale, eelde, aal, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). Ook ale (Zuidoost-Drents veengebied), eelde (Zuidoost-Drents veengebied), aal (Zuidoost-Drents zandgebied) = mestvocht, gier Het eel luup oes oet het gat naor de leegte in (Sle), De ale mus oet de kougruppe schept worden (Bco), zie ook ier(‑)
aalten, alen, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents veengebied) = gier over het land brengen Het stinkt, de boeren bunt an het alen (Nsch), zie ook ieren
aaltgat, eelgat, het, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = gierput, put voor mestvocht Pas op kinder, niet te dicht bij het eelgat (Odo), Wie moeten het alegat leegmaken (Klv), Het eelgat was vol in het zwienhok (Sle)
Aaltje, Aoltien, persoonsnaam, in Aoltien zat op paoltien / Wup zee het paoltien en weg was Aoltien (Bov); Aoltje zat op paoltje mit een stopnale in het gat / Au, zee ’t Aoltje, wat stek mie dat (Eco)
aaltkelder, aalkelder, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = gierkelder Het kind was in de aalkelder vallen (Klv), zie ook eelgat
aaltketel, eelketel, de, (Gee) = soort tank, die op een boerenwagen werd gezet om vloeibare mest te vervoeren
aaltmodder, eelmodder, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, wm) = weke modder uit een sloot of goot, gebruikt als geneesmiddel bij verzwering van een uier van een melkkoe As wij een koe an de vrang hadden, weur het uur insmèerd met eelmodder (Bor), zie ook zoer en modder
aaltpomp, aalpompe, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = gierpomp Ik heb de aalpompe stukkend (Klv)
aaltrekken, aoltrekken, onbepaald werkwoord, (Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied) = palingtrekken, volksvermaak, z. palingtrekken
aalvork, aolvörk, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = aalgeer De aolvorke is een vieftaandse vorke mit weerhaoken (Wsv), ...is tweeitaands (Gas), ...dreitaands (Ros), zie ook aoltoek
aalzak, aolzak, (Midden-Drenthe), in Ik bin net zo nat as een aolzak (And)
aam, aam, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = oude vochtmaat van vier ankers Een aanker wien [44 of 45 flessen] is een kwart aam (Uff)
aambeeld, ambeeld, aambeeld, aombeeld, aembeeld, ambild, ambield, amb, ambeelden, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook aambeeld (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), aombeeld (Noord-Drenthe), aembeeld (Zuidwest Drenthe, noord), ambild (Zuidoost-Drents zandgebied), ambield (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord), ambeld (Zuidwest-Drenthe, zuid), ambold, aambold (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), ambuld (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aambeeld De smid smeedt de peerdeiezers op het ambeeld (Hav), De smid stund veur het ambeld (Ruw)
aambei, aambei, aombei, aombee, ambei, aambeien, aamben (Midden-Drenthe), Ook aombei (Kop van Drenthe), aombee (Zuidwest Drenthe, noord), ambei (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aambei Hij hef last van aambeien (Bor)
aamborstig, aamborstig, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = kortademig Olde N. is merakel aamborstig (Hgv), Met zuk mistig weer bi’j zo ambörstig (Klv), zie ook nauwbörstig
aamt, ham, haam, aam, haom, aom, Ook haam, aam (Zuidoost-Drents veengebied), haom, aom (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. zwelling in de uier Aam krig een koue veur het kalven, dan krig e een gezwel onder de boek. Dat bunt goeie melkkounen (Bov), As de koou gien haom hef, kan de boer niet reken op veul mölk (Eex), Aom is gien zaikte, het betaikent dat de kou wil kaalven of net kaalfd het (Eev), maar: Deur melken giet het mit lieverlao weg (Bro), 2. in wilde ham schadelijke, in principe blijvende zwelling in de uier. Komt ook bij paarden voor (Hgv), Wilde aom zit in het uur (Row), Die koe met dat wilde ham in het juur hew verkoft (Pdh), As ze slim wilde ham hebt, dan hebt ze het helemaol dik under de peinze tot an de veurpoten toe (Hijk), zie ook zucht
aan, an, aan, Ook aan (Veenkoloniën) = 1. in combinatie met der, daor en waor, in vaste verbindingen met vele werkwoorden; der an, daoran en waoran vervangen daarbij an plus zelfstandig naamwoord of voornaamwoord en treden meestal gescheiden op Ik kom der aan ik kom (Vtm), Zet dat ding der mar vlak an (Coe), Hij hef door ok een andiel an hij heeft daar ook aan meegedaan (Bro), Die koe is der goed an is dik bevleesd (Dro), Der zat wal een borrel an... er was wel een borrel mee te verdienen (Bov), Het zit er daor wal an ze zijn welgesteld (Emm), Der was gien lopen an er was niet tegen te lopen (Sle), Hij is ter nauw an hij zit nu helemaal in de schulden (Bro), Wat muw, vrouwe? Zeg ie het maar! Ik bin der mit an! ik zie geen oplossing (bh), Dat döt er niks an of daar wordt het niet anders van, (Odo), Hie wol er niet an, mor hie mös er an geleuven (Man), Wat is door nou an? (Bco), De rogge hef het deur die storm der aordig an ehad (Uff), Zo gauw a’k tied hebbe, gao ik der met an ermee aan de gang (Bro), Zie hebt ’t er an toe om te trouwen (Bui), Die ko is er an toe kan nu op elk moment gaan kalven (Dwi), De koe was ter nog met an het kalf te kriegen mee bezig (Wei), Ik gleuve, dat ik wel wete, waor aj op an wilt... waar je naar toe wilt (ui), Ie moet daor meer op an je moet meer die kant op (Dwi), As ik mij niet waar, dan heb ik het er drekt an te pakken (Zwig), Ik zee der tegen an um mit dit hondewèer de deure uut te gaon (Rui), As ik de hiele dag rogge mut bienden, dan heb ik het er ’s aovends goed an ben ik doodmoe (Bro), Hij hef het er de veurige winter flink an langs had is erg ziek geweest (Wei), Dat zal der wel an hebben het gaat er om (Dwi), Kiek toch oet, want daor komst doe mit an daar krijg je problemen mee (Bco), Dat hef e der vies an kregen verloren (Coe), Hij hef het er an hij is failliet (Geb), De aolde wordt er niet beter an beter op (Coe), Det bint gevaorlijke kerels, as het er op an komt (Bro), Nou jongens, jullie weten het; nou moej er an je moet er nu mee beginnen (Eri), zie ook antoe 2. aan, als kleding om het lichaam (...) met heur beste pak an, het ooriezer op, gold en zulver an (ti), Die hef hum goed an hij heeft veel sterke drank op (Rod), Op het feestie was hij nogal gauw an snel dronken (Val) 3. op de genoemde of bedoelde wijze Het gung nog net an op het nippertje (Sle), Het kun mor net an het paste precies (Bal), Het mus erop an, want men kun het aaltied toch zo niet kriegen! zo moest het (N), Hij was maor krap an op tied (Vle), Det mot met verloop an! dat moet langzaam beginnen (Hijk), Det opheugen doet ze mit verloop an, daor bij de neie huzen langzaam oplopend (Dwij), zo ook Ie mut de neie straote mit verloop an de olde ansluten (Bro), Begriep nou toch ies an, hoe kan die jong toch met dat wichien gaon hoe bestaat het (Sle), Dat rotzooit al mar an (Zwig), Zij begunden van veuren of an (Bco), Wij begunt van die kaant an vanaf die kant af, bijv. bij maaien (Sle) 4. toe, gericht aan Ik gao op hoes an (Anl), Pas op, die boom komp op je an (Eex), De wind is noou meer oost an is naar het oosten gedraaid (Anl), De wind is hoog an komt uit het noorden (Exl), Daor moew het mor op an holden in die richting gaan (Sle) 5. naast, tegenaan, bijlangs Hij leup bij de fiets an met de fiets aan de hand (Schn), Hij keek bij zien brille an (Wei), Het pèerd mus nog beleerd worden en daoromme leup hij mor bij de waegen an (Dwi), Hij gönk bij de stoel an zitten ernaast (Flu), Ik geut de koffiepot zo vol, ’t leup er allemaole bij an (Noo) 6. over De muur hangt wat noord an (Odo), Het voor heui hangt dis kaant wat an (Vri), Het voor zakt schief, het gung de rechter kaant an (Wes) 7. door Het mot de hele dag an motregent alsmaar (Hijk), Het regent aal van aachteren of an steeds weer opnieuw (Anl), Wat hew een volk had, het leup de hele dag an (Zwe) 8 klaar, bij Ik ben met het strieken an (Nor), Ik bin mit de bookholding precies an (Die), Ze bint an met de hure (Bei) 9. doodmoe (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) Gisteraovend wa’k hielemaole an (Ker) 10. aan de gang Um 9 uur giet de schole an (Bei), Het is al een hiele toer an van bijv. vergadering of verkering (Sle), Het is dik aan het is een stevige verkering (Vtm), Ik moet met de bonen an, want zie begunt te rutten (And) 11. in werking De moter stiet an (Man), Ik maak de kachel an (Wes) 12. waar Ze kunt wel meer zeggen, maor der is niks van an (Zwin) *Zo der an, zo der van zo gewonnen, zo geronnen (Sle)
aan, an, aan, Ook aan (Veenkoloniën, in samenstellingen ook elders in Noord-Drenthe) = 1. aan, tegenaan, tot. Vaak in combinatie met een werkwoord dat een beweging of doel uitdrukt Iene an de polse vulen (wb), Zie gungen vro an het wark (Emm), en vele andere vaste verbindingen met werkwoorden en substantieven, zoals in Hij is an ’t eten (Man), Het water is an de kook (Zwe), Jammer, dat ’t an de regen gung (hi), Wai gungen ’s mörgens al op tied an de rais (Pei), Umdat hij ’t lief reur har, mus hij alsmor an de reize moest hij steeds naar het toilet (Pes), Wij zit an de bonen wij zitten bonen te eten (Sle), ... an de pannekoken (Bei), ...an de middag aan het middageten (Dwi), Ik heb ’t an zied legd opzij (Bal), De knecht krooit de mes an de bult (Bui), Neem ij even een aarm vol braand met, ik heb niks meer an ’t vuur (N), Hie lig met ’t laand an oes langs (Zwe), Wij woont an en van mekaar (N:Sle), As het blad an en van de bomen gaot (Wtv), Een dokter möt ok leven, zee dokter an loze Jop tegen (ov), De koou was neeit gooud an de maot (Eex), Hij had het wel an tied genoeg tijd (Eri), Het an (de) ruumte hebben voldoende ruimte hebben (Wee), As men ’t zolf niet an ’t volk har, hölp één van de naobers wel niet genoeg personeel (ov) 2. bij, naast, vlakbij Hie zaat kurt an mij (Bal), Dat was kört an vlakbij (Sle), Wij hebt vroeger an mekaar zetten in de schoel naast (Scho), Het was makkelijk te vinden, het was zo goud as an de deure (Bov) 3. ongeveer, bijna Het was an de aovend (Sti), Kort an de vieftig vrouwlu (Flu), Der lagen an de 50 zwienen op ’t hok (Dal) 4. naar (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) Wij gaot an hoes, kieken of er nog wat is te bikken (Dro), Wij brengt de melk an de febriek (Oos), Ik was an Assen en daor bin ik ofstapt (Sle), Zij bint an ’t Hoogeveine (Stu) 5. in bezit Hij wol de winkel an zukzölf holden (Bov) 6. afgaand op An Jan te heuren giet het merakel (Exl)
aan, an, am, (Zuidwest Drenthe, noord, wb). Ook am (wb) = term bij jongensspel: als je ergens met de hand tegenaan stond, mocht je niet getikt worden An ban, zet mij an (wb:Sle), Ik bin an ik sta in of op het honk (Dwi)
aan toe, antoe, bijwoord, Ook los geschreven = 1. eraan toe, (het is) zover Het is der ok antoe gezegd wanneer de bevalling aanstaande is (Emm), In hoes kommen, oes sik is antoe (Man), Het is antou dat ze vortgaon (Row), Hej het er antoe um met te gaon? ben je zover (Bal), Hej de koffie klaor, wij hebt het er wal antoe (Oos), Wij bint er wel antoe om eens een extragien te kriegen wij verdienen het zo langzamerhand wel (Stu), Hie had het er an toe hij vond het Hij kan wel zeggen dat ik det mut doen, maar door bin ik nog niet zomaar antoe! zover ben ik nog niet (Bro), Aj der goed antoe komt, het is een grote nul, die vent op de keper beschouwd (Uff) 2. bijna op In die hoesholding is het altied op of antoe op of bijna op (Nor), Wij hebt de cement zowat op, het is antoe (Wes) 3. tot, toe Wij brachten heur weg, tot de brugge antoe (Bei), Die weg löp niet deur, maar allend töt de bos antoe (Bro), Ik bin der nog nait antou kommen (Vtm), Ik mag der niet antoe kommen ik moet er niet aan denken (N:Sle), Aj daor an toe komt als men dat eens bedenkt (N:Sle), Dat hij gien centen hef is nog door antou, man hij bedrug de boudel ok nog (Bco) 4. gesteld Oenze buurman hef longontsteking, hij is der naar antoe het is slecht met hem gesteld (Hav) *Dorkie, Dorkie, geef ies wat acht op die roodbonte koe / Dorkie, Dorkie, dat beesie dat is der antoe moet kalven (Hol)
aanaarden, anaorden, zwak werkwoord, onpersoonlijk, door vererving verkrijgen Hij kan het ok niet helpen dat hij zo is, het is hum anaord (Bei), Het aordt hum van gien vrömde an hij heeft dat van z’n ouders (Pdh), Het aordt heur van heur moe an (Pdh)
aanaarden, anèerden, aneerden, anaarden, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe). Ook aneerden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), anaarden (Veenkoloniën) = aanaarden Tegen as de eerpels dichte staot, muj ze aneerden (Eli), Vrogger wuurden de voederbieten ok anèerd (Sle), zie ook anvullen
aanaarder, anèerder, de, anèerders, Zie voor var. eerde = 1. aanaardploeg Pak de neie aneerder maar en gaot de eerpels maar aneerden (Bro) 2. de risters aan de aanaardploeg Anèerders komt an het schoffeltuug (Sle), Met het aneerden worden de schoffels der oethaald en de aneerders der anzet (Vri)
aanaardploeg, aneerdploeg, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = aanaardploeg, ook de risters Um eerappels an te eerden haj een klein ploegien, een aneerdploegien (Koe), Een schoffeltuug met aneerdploegen, dat is een geulentrekker (Emm), zie ook aneerder
aanaardschoffel, aneerdschoffel, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = schoffel of rister aan de aanaardploeg
aanaardstelsel, aneerdstelsel, het, (Zuidwest Drenthe, noord) = bepaald ‘stelsel’ in een ploeg om er schoffels of risters in te zetten om aan te aarden
aanademen, anaomen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, Voor var. z. aom = beademen Aj griep hebt moej een aander niet anaodemen in het gezicht blazen (Uff)
aanankeren, anankern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) = 1. een bezoek afleggen Wat komt ze laat weer, zie zult wal argens anankern (Oos), Hie ankert overal an (Sle), Hie bleef mar anankern bleef plakken (Zwig) 2. terechtkomen De jonges en wichter wadden almaol bij mekaor anankerd (Eex), Hie was mit hum anankerd bij de kastelein (Dwi), Hie is er bij anankerd heeft zich bij dat groepje gevoegd (Gas)
aanarbeid, anarbeid, bijvoeglijk naamwoord, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = klaar met het werk Hij is anarbeid met dat karwei (Bei), Noou biw anarbeid, hein (Gas), Ik heb niks meer te doun, ik bin aanarbaaid (Twe), zie ook anwarken
aanbakken, anbakken, sterk, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. een korst krijgen door verbranding We hebben gister de eerappels nog anbakken laoten (Klv), De panne was zo an ebakken, hij was haoste niet schone te kriegen (Mep) 2. aankoeken De snei bakt zo an det ie kunt haoste niet lopen deur de dikke ballen onder de klompen (Bro), Snei wil best anbakken under de klompen (Gro) 3. aanbraden (Midden-Drenthe) Het vleis even anbakken (Bal)
aanbaksel, anbaksel, het, anbaksels, aanbaksel ... anbaksel an de speciekaore of an de strontschuppe (Hav)
aanballen, anballen, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. aanbakken van sneeuw De snei balt an de klompen an (Bro), De klompen bint an ebald er zit een laag sneeuw onder (Die) 2. doorgaan met balspel Toe maar wichter, bal mar wat an (Pdh)
aanbelande, anbelande, de, anbelanden, (Midden-Drenthe) = aangelande Aj een hinderwetvergunning anvraogt, dan kriegt de anbelanden daor bericht van (And)
aanbelanden, anbelanden, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). = 1. landen, terecht komen Waor ze nou anbeland bint, hebt ze gien beste stee (Gro), Die is wel goed anbelaand heeft een goed huwelijk gedaan (Hgv), zie ook belanden 2. klaar zijn Wij bint mit het wark anbelaand (Wap), zie ook anwarkt 3. er mee zitten Die buurman, daor bi’j ok mooi met anbelaand (Sle) 4. betreffen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat dit anbelaandt, hej geliek (Dwij), zie ook anbelangen
aanbelangen, anbelangen, anbelaangen, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook anbelaangen (Zuid west Drenthe, noord) = betreffen Wat dat anbelangt, mag het nog wel een toertie regen (Bor), Wat de verkoop van het huus anbelangt, daor mut de kiender mit over beslissen (Noo), zie ook anbelanden
aanbellen, anbellen, zwak werkwoord, onovergankelijk, aanbellen IJ kunt daor zo niet anlopen, ij moet eerst anbellen (And)
aanbenen, anbienen, anbiendern, Var. als bij bien. Ook anbiendern (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. harder lopen, opschieten As hij op tied wil wèzen, mut hij anbienen (Ruw) 2. bijbenen Ik kun het niet anbienen, zo hard leup e (Pdh), Hij kun dat waark niet anbenen kon het niet aan (Dwi), Die lop zo haard, die kunj haost niet anbeendern (Bal)
aanbesteden, anbesteen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanbesteden Hij hef zien neie hoesien al anbesteed (Pdh), Zo’n gevel as dat mèensk hef, die stun vast niet aachteran bij het anbesteden van een grote neus (Eex)
aanbesteding, anbesteding, de, anbestedings, aanbesteding Hij hef het waark bie de anbesteding kregen; hij was de goudkoopste (Erf)
aanbetalen, anbetalen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, afbetalen Hij wol alweer wat naais kopen, mor het olde was nog niet anbetaold (Row), Wij zint anbetaald schuldvrij (Pdh)
aanbeteren, anbetern, zwak werkwoord, onovergankelijk, beter worden Hij is de leste tied aordig anbeterd (Dro)
aanbetreffen, anbetreffen, sterk werkwoord, overgankelijk, betreffen Wat dat anbetreft, bin ik het lang niet met je iens (Zwig)
aanbevelen, anbevelen, sterk werkwoord, overgankelijk, anbevelen Die neie knecht is mij anbeveulen deur een neve van mij (Hav)
aanbieden, anbien, sterk werkwoord, overgankelijk, aanbieden Zie hebt met ’n allen een cadeau anbeun (Pdh), Ik heb hum anbeun um te helpen (Odo), Het is mooi anbeun, mor ik doe het niet (Sle)
aanbijten, anbieten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanbijten Hij hef de appel anbeten en toen hef e hum vortgooid (Bov), Een borrel anbieten eerste slok nemen (Sle) 2. doorbijten (Zuidoost-Drents zandgebied), Die hond beet aordig dicht an beet door (Man) 3. ontbijten (dva, wb) 4. voortmaken met eten (Zuidwest-Drenthe, zuid) Aj gauw eten wilt, dan muj maor anbieten (Zdw)
aanbijter, anbeter, de, anbeters, (Midden-Drenthe) = benen of hoornen mondstuk van de pijp, z. ook bieter
aanbinden, anbinden, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanbinden, vastbinden Ie mut dat peerd beter anbienden (Geb), Hij is kort an ebunden gauw kwaad (Hgv), Die vent moej kort anbinden, anders krieg ie nooit gien geld geregeld manen (Eri), Ik heb de koopman kört anbunden ben niet gezakt met de prijs (Pdh), Je moet de kinder beter anbinden aanpakken (Bal) 2. dichten van zijkanten van een schuur met riet (vroeger stro) De aole schuur mus neudig anbunden worden (Bor), zie ook anbindsel 3. al bindend de maaier bijhouden Keuj anbienden (Die), ...een zende anbienden (Dwi) 4. aanleggen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hoe ik dat bij hum mudde anbinden, dat weet ik noch niet (Flu) 5. opbinden Ik zal de pronkerse bonen even anbinden (Row)
aanbinder, anbinder, de, anbinders, (Zuidoost-Drents zandgebied) = lange paal, horizontaal aangebracht tegen de in de grond geplaatste palen van een steiger
aanbindsel, anbindsel, anbiendsel, anbindsels, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, hy). Ook anbiendsel (Zuidwest-Drenthe) = een vaak ruitvormige vlechtversiering van riet of stro aan de buitenwand van huis of schuur (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), maar het hoeft niet per se ruitvormig te zijn (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe). Anbindsel kan ook het rietwerk aanduiden, dat i.p.v. hout de bijschuur aan de zijkant dichtmaakt (Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord), ook van stro (Zuidwest-Drenthe, zuid) Anbindsel kuj hier nog veul zien (Pdh), Het anbiendsel van de schure muuw mit an, der koomt gaten in en dat is gien mooi anzien (Dwij), Het anbiensel van de schure wordt gammel (Pes)
aanblazen, anblaozen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanblazen Ze laag op de kneien veur de stoompot om het vuur an te blaozen (Row) 2. toon aanzetten (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) Dei muzikant kun nog gien goeie toon anblaozen (Bov)
aanblessen, anblessen, zwak werkwoord, overgankelijk, (niet Veenkoloniën) = merken van bomen door het weghalen van een stukje schors Bomen, die umkapt moet worden, moet eerst even anblest worden (Eex)
aanblijven, anblieven, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. aanblijven Het ole bestuur is anbleven (Pdh), De verkèring bleef an (Dwi) 2. aan de gang blijven, blijven leven Ik heb al een paar keer bloumen poot, man zie wilt nich anblieven (Bov) 3.bijblijven (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Aj ien rooier hadden en twee gaarders, dan kunden ze mooi anblieven (Sle)
aanblik, anblik, de, het, anblikken, (Zuidoost-Drents zandgebied) = aanblik Het aovendrood is een mooi anblik (Erm), Over dat landschap hej een mooi anblik (Oos)
aanbod, anbod, het, aanbod Op Ronermaark was meer anbod as vraog (Pei)
aanboeien, anbuien, anbooien, (wb:Noord-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook anbooien (Kop van Drenthe) = de kleren (vlug) aantrekken Ik bin aan het aanbuien (Zui), Toen de vrouw reumatiek har mus ik heur anbooien (Pei)
aanboeren, anboeren, anboerken, Ook anboerken = vooruit gaan Die jongelui bint in een paor jaor flink anboerd (Schl)
aanboeten, anbuten, sterk werkwoord, overgankelijk, aansteken, aanwakkeren De kachel is oet; woj hum even weer anbeuiten (Eex)
aanbokken, anbokken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. zwanger maken (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie hef dat wicht ok anbokt (Sle) 2. sigaret of sigaar aan andermans sigaret of sigaar aansteken (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) IJ hebt een brandende sigaar. Woj mij even anbokken (Ndo)
aanboksen, anboksen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = opboksen, veel moeite doen Hij mut er tegen anboksen um het wark daon te kriegen (Pes)
aanbommen, anbammen, anbommen, (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, wb). Ook anbommen (Kop van Drenthe) = 1. aantikken bij verstoppertje (Stu) 2. extra inspanning leveren (Kop van Drenthe) Je moeten mor is goud anbammen om het er deur te kriegen (Row) 3. term bij knikkerspel (wb) ‘Ligt iemands steen op zekeren afstand van de koep of pot, waar centen in zijn, dan zegt hij: ik bam mij an, niet wieder der van, maor wal korter deran. Dit is in zijn voordeel, als de ander door hem te raken den steen dichter bij den pot brengt’
aanboren, anboren, zwak werkwoord, overgankelijk, aanboren Ze hebt in Aomen gas anboord (Gas)
aanbossen, anbossen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zwin) = aanlopen van een wiel
aanbotsen, anbotsen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = heen en weer bewegen De wiege even anbotsen, (Klv) z. ook bij bossen I
aanbouw, anbouw, de, anbouwen, 1. aanbouw Daor bint nog heel wat hoezen in anbouw (And) 2. nieuw gebouwd gedeelte, uitbouw Hier is de neie anbouw de nieuwbouw van het dorp (Rod), Bij ons mos de schuur een anbouw hebben veur de sik (Ass), De olden zaten in de anbouw bijgebouwd gedeelte aan een woning (Vle)
aanbouwen, anbouwen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. opschieten met bouwen IJ moet wat anbouwen, aans bi’j veur de winter niet klaor (Sle) 2. opschieten met ploegen (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) 3. aanbouwen Bij de DOMO wordt aal mor anbouwd (Hijk), Bie dat huus wordt ain schure bie anbouwd (Vtm) 4. aanaarden (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Vanaovend heb ik nog net tied um de eerpel an te bouwen (Pdh) 5. manier van ploegen, de voren naar elkaar toe (Midden-Drenthe, hy)
aanbouwkeuken, anbouwkeuken, de, aanbouwkeuken Zij hebt een anbouwkeuken kocht (Coe)
aanbraden, anbraon, sterk werkwoord, overgankelijk, aanbraden Ik wil dat vleis èven anbraoden (Nsch), zie ook anbakken
aanbranden, anbranden, zwak werkwoord, overgankelijk, aanbranden Hier braandt dunk mij ok wat an, het ruk hier tenminsen zo anbraanderig (And), Is joe de boel anbraand! (Smi), Dennen is ok gauw anbraand gauw kwaad (Pdh), Hij lat wat anbraanden past niet goed op (Die), Jan en Geesien hebt de zaak mooi anbranden laoten ze moeten trouwen (Oos), of Hij het het vuurtie zo haard stookt dat het anbraand is (Row), Bij Gèertie is het ook an ebraand ze is zwanger (Rui) *Moe, de soep is an ebraand, goo de pot maar an de kaant (Wsv)
aanbranderig, anbraanderig, bijvoeglijk naamwoord, aangebrand ruikend Wat een anbraanderige locht (Sle), Het ruk hier zo anbraanderig (And)
aanbreken, anbreken, sterk werkwoord, overgankelijk, aanbreken Der kan nog wel ies een aander tied anbreken (Eex), Ik wil een nei pottie jam anbreken (Nor)
aanbreker, anbieker, de, anbiekers, (wb) = zware ijzeren mestvork, ‘zeer geschikt om den stijfgetrapten stroo- en plaggenmest met de klomp er op los te buigen’, mogelijk verschrijving voor anbreker
aanbreker, anbreker, de, anbrekers, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = zware mestvork, z. ook bij anbieker
aanbrengen, anbrengen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. brengen Wist mie even ain beetje holt aanbrengen (Vtm), Hij was an het messeln en ik mus steinen anbrengen aanslepen (Bov) 2. aanbrengen In de woonkaomer hadden ze latten anbracht (And), Een nei lid anbrengen bij de club (Odo) 3. aangeven Hij hef hum bie de plietsie anbrach (Bco) 4. opleveren De eerpels brengen goud an (Een), De regen hef heel wat waoter anbracht (Rol) 5. volbrengen, opbrengen Ik kan het niet meer anbrengen (Sle), Hij har het te drok; zodoende kun hij het wark niet anbrengen (Ruw) 6. opvoeden (wm, ti) ...de kinder beheurlijk goed anbracht (ti)
aanbrenger, anbrenger, de, anbrengers, 1. iemand die iets aangeeft, verklikker Die hef het anbracht, die is dus de anbrenger (And) 2. degene die als eerste aan de beurt was bij een spel omdat hij met het voorstel voor dat spel kwam, dus bijv. bij verstoppertje als eerste moest zoeken (Zuidwest-Drenthe, zuid) De anbrenger is hum (Mep)
aanbroeien, anbruien, zwak werkwoord, overgankelijk, laten broeien door er heet water op te gieten Het meel veur de sikke mus anbruid worden (Wei)
aanbuiken, anboeken, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = een buikje krijgen Ik geleuf dat het peerd drachtig is, want hij boekt al aordig an (Coe)
aancommanderen, ankommederen, ankomderen, Naast de var. bij kommederen ook ankomderen (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = aanbevelen Die sigaren kan ik je ankommederen (Sle), Ik kan oe Jan as knecht wel ankommederen (Die), Doe hest mie hom aankommedaaierd (Eco), zie ook anrikkemmederen
aandacht, andacht, andaacht, aandacht, Ook andaacht (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), aandacht (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. aandacht Aj het begriepen wilt, moej de andacht der wel bij hebben (Bal), Het wark hef mien volle andacht (Zwi), Hij zat zo te kieken, hij har alle andacht bij het spel (Rod), Die kinder hebt goeie andacht letten goed op (Pdh), De spreker had goeie andacht een aandachtig gehoor (Zwe), Aj gien andacht an oen wark hebt, vlot het nooit (Pes), Der andacht an schenken (Een), As wij hen de kerk gaot wenst wij mekaar een goeie andacht (Odo) 2. lof, soort kerkdienst (r.-k.) (Zuidoost-Drents veengebied) Gaist doe ok naor de andacht um vief uur (Nsch)
aandachtig, andachtig, aandachtig, Ook aandachtig (Veenkoloniën) = aandachtig Hie keek der andachtig naor (Sle), Hij zat andachtig te lostern (Bov), Een andachtig geheur (Oos)
aandeel, andiel, het, aandeel Hij het een aandeel in de boermarke (Een), Aj febriekserpel verbouwen wilt, moej een andiel in ’t febriek hebben (Oos), In dat stukkien laand hew nog een andiel in (Sti), Doe hest dien aanduil wel had, most nou maor tevreden wezen je hebt je portie wel gehad (Erf), Dat die weg der kommen is, daor het hij een groot andeil in had grote bijdrage aan geleverd (Row), Hie hef der ok andiel an hij heeft ook meegedaan, bijv. aan de ruzie, een diefstal etc. (Sle)
aandeelhouder, andielholder, de, andielholders, aandeelhouder Ze hadden door een vergadering van andeilholders (Bco)
aandenken, andenken, andenking, Var. als bij denken. Ook andenking (Zuidoost-Drents zandgebied) = aandenken Ik wil geern een kleinigheid oet die aarfenis hebben, dan heb ik aaid nog een gedaachtenis, die aarfenis hebben, …andenken (And), Dat speldie is nog een andenken an mien mouder (Row), As andenken nam hij een kloete törf mit (Wei), Wij rekent op een mooi andenken veur al het wark (Odo), Ik heb altied nog een mal andenken van hum herinnering aan een slechte daad van hem (Rod)
aandikken, andikken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. dikker worden Dat zwien is de leste wek nog aordig andikt (Pdh) 2. aandikken, overdrijven De verhaolen van buurman binnen vaok andikt (Don)
aandoeien, anduuiden, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe) = knuffelen Oma even anduuiden (Bui), zie ook andoeken
aandoeken, andoeien, andoeken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe). Ook andoeken (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = liefkozen met gezicht of wang tegen elkaar Doei mij nog even an gezegd tegen kinderen (Gas), kussen, liefkozen, knuffelen Doek mie even aan (Vtm), Kom nog mor even hier, mien kind, doe magst nog wel even bij oma andoeken (Eex)
aandoen, andoen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aandoen Hie hef hum met die prooties groot onrecht andaon (Oos), Dat kuj die lui niet andoon (And), Ik heb Hoogeveen ok nog andaon bezocht (Vtm) 2. aantrekken Even de jas andoen, aj hen buten gaon (Eri), Het pèerd de zeel aandoen paard aanspannen (Sle) 3. aanreiken Zal ik je de koffie even andoen? (Sle) 4. aansteken, aantasten De appels waren ok al andaon (Sle), zie ook andaon 5. ontroeren Hij zèe niet veule, het hadde hum wel an edaone (Hgv), Ik bin andaon van dat ongeluk (Gie) 6. dichtdoen Ast naor boeten gaaist, most de deure andoun (Bco), De deure stiet wied lös, wi’j hum even wat andoen? op een kier zetten (Wsv) 7. meedoen De wichter kunt best met andoon, no ze neie jurken an hebt (Bei) 8. aanspreken (Zuidwest-Drenthe) Heb ie hum daor ook over an edaone (Dwi) 9. tergen (Zuidwest-Drenthe, zuid) As het hum andoot, bit e van hum (Rui)
aandoening, andoening, andoenige, de, andoenings, Ook andoenige (N:jo). Voor var. z. doen = 1. ontroering Hij reerde van andouning (Row) 2. aandoening aan het lichaam of lichaamsdelen Hai het een aandouning aan de bainen (Eco)
aandoenlijk, andoenlijk, bijvoeglijk naamwoord, Voor var. z. doen = 1. aandoenlijk, ontroerend Het is toch andoonlijk aj die kinderties ziet zitten (Bal), Do de mouder van de kinder begraven weur, was het een andounlijk bewegen een ontroerend tafereel (Bco) 2. aannemelijk, redelijk (Veenkoloniën) Dat is ein andounliek veurstel (Erf)
aandonkeren, andonkern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = donker worden Het donkert al aordig an, mor wij zit ok al in november (Sle), Het donkert nogal gauw an, as het 4 ure ewest hef (Ruw)
aandraaien, andrèeien, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aandraaien Ie mut die schroeven niet zo stief andrèeien (Noo), Aj astond lezen wilt, moej even het locht andreien (Eex), Wat slap andrèeid wezen slap in elkaar zitten (N:Sle) 2. aansmeren (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Op de markt laoj je vaak wat andrèeien (Scho) 3. (weverij) het nieuwe web aan het oude verbinden (wb) 4. draai om de oren geven (Zuidoost-Drents veengebied) Hol joe stille, aans zal ik je der ene andraaien (Klv)
aandragen, andragen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aandragen Hij kwam er mit een dikke kouk andraogen (Row), IJ moet alles niet andragen oude koeien uit de sloot halen (Sle), Hij kwam der mit wat neis andragen (Mep), De bijen bint goed an het andraogen winnen (Bor) 2. aangeven, verklikken Hoe kunt ze dat nou weten? Wie zul dat andragen hebben? (Hol), Aj wat daon hebben, dan is er aaltied wel ein, die het even andraogen wil (Pei)
aandrager, andrager, de, andragers, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. drager, aangever Bij een publieke verkoop is degene, die de paander de spullen anrekt, een andrager (Dwij) 2. verklikker Het is een grote andrager, hij vertelt alles an de baos (Dwij)
aandrammen, andrammen, zwak werkwoord, onovergankelijk, doordrammen Ie mut niet zo andrammen; wij hebt tied zat (Hav)
aandrammen, andremmen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe) = opjagen Ik mudde oe ook altied andremmen (Eli)
aandrijf, andrief, de, (Midden-Drenthe, de) = 1. iemand die aandrijft, opjut Hie hef altied wat een andrief west (Zwig) 2. uitdrukking (de:Sle) Mien bes had aaltied veur een andrief, veur een spreekwoord za’k mor zeggen, daj het iezer smeen muzzen veurdat het kalf verdrunken was (de)
aandrijven, andrieven, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aandrijven Het dörsmesien wordt andreven deur een trekker (Row) 2. voortdrijven Het jonkie mus beisten aandrieven (Ros), Een peerd muj geregeld andrieven (Zdw) 3. planken in elkaar drijven As een neie zolder een paor jaor legen hef, moej hum andrieven (And)
aandrijver, andriever, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. persoon die aandrijft, opjut As hij niet meer as andriever van die groep warkte, was het er gauw mis mit (Bro), Hij is altied de andriever van de ondeugde (Stu) 2. veedrijver Veekopers muzzen altied een andriever mit hebben naor de markt (Hol) 3. werktuig om opdroogde planken, die eerst losjes tegen elkaar gespijkerd waren, tegen elkaar aan te drukken (Zuidoost-Drents zandgebied)
aandringen, andringen, sterk werkwoord, onovergankelijk, aandringen Ik heb er nog wal op andrungen, maor ze gaven niet toe (Dal), Hij hef op bescheid an edrungen (Bro), As de zeike het nich lust, meuje nich meer andringen (Bov)
aandringendheid, androngendheid, de, (ti) = het aandringen Hie leut zien androngendheid vaoren drong niet langer aan (ti)
aandrogen, andreugen, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. droog worden De grond was weer mooi andreugd (Een) 2. alsmaar droog blijven Het weer is arg dreuge; het dreugt maor an (Emm)
aandruisen, andruzen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = overdrijven, met nadruk zeggen Wat kun die sprèker het mooi zeggen. En apmit kun e zo andruzen (Rui)
aandrukken, andrukken, zwak werkwoord, overgankelijk, aanduwen Druk de wagen even an, jonges, het peerd wil niet anzetten (Pdh), Ie mut die plaanken wat stiever androkken (Hgv), Ik kan het zo niet vaast kriegen; dat moej even andrukken (And)
aandrummelen, andrummeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = niet opschieten Zij drummelt maor wat an, mar der komp heur niks oet de handen (Bov)
aanduiden, anduun, sterk werkwoord, overgankelijk, aanduiden, aanwijzen Loop maor even mit, den zel ik die dat even aanduden (Vtm)
aanduiding, anduding, de, andudings, aanduiding, aanwijzing Geef mij is een anduding, misschien kom ik der dan op (Bal), As de keldervloere nat begunt te worden, is det een anduding daw umtied regen kriegt (Koe), Kuj mij even een anduding geven a’k beginnen moet te zingen? (Zwe)
aandurven, anduren, zwak werkwoord, overgankelijk, aandurven Ie moet het mor anduren um zo’n groot bedrief te huren (Bei), Hij hef het niet andusd (Row), Duur ij die jong wal an? durf je met hem vechten (Bui), Die duurt er niet op an durft niet (Klv), Er wal op anduren de dood niet vrezen, van een stervende gezegd (wm)
aanduwen, andouwen, zwak werkwoord, overgankelijk, (niet Veenkoloniën) = aanduwen Douw die waegen even an (Dwi)
aaneen, anien, anienen, aniene, Ook anienen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), aniene (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied). Verdere var. als bij. ien = aan één stuk Hij warkt anienen deur (Ruw), Buurman kan wel 10 uur anein fietsen (Pei), Het regende dagen anien, ie kunden op het laand niet weren (Hijk), Hie knupte de touwgies anien (Bui), Hij prootte wel een ure anien (Dwi), Het was een mooi stuk laand, het lag almaol anien (Sle), Het gunk anenen deur (Die)
aaneggen, aneggen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. opschieten met eggen IJ moet wat aneggen, aans kriew de rogge der niet mèer in (Sle) 2. netjes maken met eggen Non moej dat hookie nog even aneggen, aans lig het er zo rommelig bij (Hijk)
aaneigenen, aneigen, zwak werkwoord, wederkerend, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = zich (wederrechtelijk) toeëigenen Het is eigenlijk mandielig goed, maar det hef hij hum zo zachies an aneigend (Bro)
aanergeren, anargern, zwak werkwoord, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). = verergeren Zien slechte gewoonten bint nog aal anargerd (Zwig), De ziekte is al anargerd (Exl), Mien oom was aordig zeik; toen ik gister kwam, was hij aanargerd (Pei), Het is aal anargerd het is steeds erger geworden (Sle), Draank drinken aargert aal an heeft steeds ergere gevolgen (Row)
aanerven, anarven, sterk, zwak werkwoord, onpersoonlijk, door erfenis in bezit krijgen Deur al dat anarven hadden ze de kop deur de halster kregen waren ze weer in goede doen geraakt (Nor), Dei hebt het ok niet met het waarken kregen, maor aal maor deur het anaarven (Vri), Alles wat hij hef, hef hij deur anarven (Noo), Dat geld hef hij niet veur ewarkt, maor het is hum anarfd (Zdw)
aanerverij, anarverije, de, anarverijen, het erven Det geet van oompien op oompien, det is een hele anarverije (Rui)
aaneten, aneten, sterk werkwoord, onovergankelijk, opschieten met eten, dooreten IJ moet aneten, want wij moet weer an het wark (Schl)
aanfisselen, anfisseln, anfispeln, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook anfispeln (sa:Rui) = 1. alsmaar poetsen IJ kunt er niet kommen of het is der wal schoon, het fisselt aaid an (Sle) 2. voortdurend ergens met de vingers anzitten (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ze fisselt aoveral mit de vingers an (Hgv)
aanfleren, anflèren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. ruig smeren, klodderen Die schilder flèert de varve der mar zo tegen an (Bro), De mure is mooi schone, nou zuw der ’t pepier ies gauw èven anflèren niet al te netjes plakken (Koe) 3. aansmeren Hie hef hum die koe duur anflèerd (Sle), Zie heb hum een slechte koe anflèerd (Schl)
aanfluiting, anfluiting, de, anfluitings, aanfluiting Het is een anfluiting veur ’t darp dat e zo’n rommel um ’t hoes hef (Sle)
aanfok, anfok, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord) = aanfok Zien anfok stun niet stille... (Smi), De stal met vee is uut ebreid met eigen anfok (Vle)
aanfokken, anfokken, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanfokken, (doen) groeien Zij hebt al zes kiender, dat fokt al aordig an (Die), Met ’n tweiden kun je der heil wat op anfokken veel kinderen verwekken (Bco), Die sikkies fokt al mooi an groeien in aantal (Gie), Aj as boer meer greunlaand kriegt, dan moej vee bijkopen of zölf anfokken (And), Hie is aordig anfokt met de viestapel (Man), Dat fokt zo mooi an met die rente gezegd van geld (Hijk) 2. opfokken (Zuidoost-Drents veengebied) Van kalf of an heb ik hum zölf hielmaol anfokt (Klv)
aanfokkerij, anfokkerij, de, (ti) = het aanfokken Het is oes met de anfokkerij in alles wal aordig gaon, zodaw zunder ankopen in het volle beslag van vee zit
aangaan, angaon, het, opzet, toeleg Het was zien angaon, dat dei jongen wat op de ribben kregen het kwam door hem (Bov)
aangaan, angaon, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanlopen De generaol gung veur de troepen an (Hgv) 2. tekeer gaan Die hond hef de hiele naacht angaon (Bal), Ze gungen an as wilden (Bei), Angaon as een heiden (N:Sle) 3. op bezoek gaan, langsgaan We gaot nog maor even an, nimmen elk nog ein een café bezoeken (Vri), Do mös even bij de naobers angaon, of we de kafmöl kriegen kunt (Pdh) 4. doorgaan Het geeit an (Eex), Dat kan altied niet angaon het moet geen gewoonte worden (Sle) 5. beginnen, aanpakken (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) Zow der vandaege mit angaon, of zow wachten tot morgen? (Wsv), Hie giet er wal zoveul met an, dat e niks mèer waogen duurt hij pakt hem wel zo stevig aan (Sle) 6. besluiten, aangaan De verbouwing van de schure is wel an egaon daartoe is wel besloten (Die), Een huwelijk angaon (Gro) 7. overkomen, overvallen (Zuidoost-Drents zandgebied, wb) Het is hom angaon hij is ziek geworden (wb), Hoe hef e dat kregen? Och, het is hum zo angaon (Sle) 8. beginnen De schoel giet um 9 uur an (Odo), De klokken luudt, de kerke geet zo an (Bei) 9. aan het H. avondmaal deelnemen (prot.) Zundag is het aovendmaol, wol ij ok met angaon? (Oos), An (de dis van) het aovendmaol angaon (Ruw), De lidmaoten gungen mit an (Uff) 10. uitlopen op, uitmonden in Het zal wel op trouwen angaon (Smi), Het is op f 20,- angaon de som werd uiteindelijk f 20,- (Wed), 11. loslopen, kunnen Het is gloepens kold boeten, maor hier oet de wind geet het nog mooi an (Hijk), Zul het angaon um al die meinsken hier te bargen? zou het lukken (Oos), Hier giet het nog an, mor zun taol as hie oetslat giet bij aandern niet an (Bor) 12. (onpers.) van iemand zijn, relevant zijn voor iemand Hie döt net of hum alles angeeit, mor hie hef een koppel verbeeldings (Eex), Dat laand giet hum an (Zdw), Hol je der boeten! Dat kun je wel ’s niet angaon (Bal), Wat dat angiet wat dat betreft (Sle), Van dat angaon wat dat betreft (Dro), zo ook (Van) dat angaonde (Wsv), Hoe zal hum dat angaon hoe zou hij dat voelen (Wee) 13. voor de ander opknappen (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Toen de boer wat zeek was, mus de knecht vaeke veur hum angaon harder werken, terwijl de boer het lichtere werk deed (Die), Hij giet altied veur hum an; hij mut altied eerst begunnen en dan löp Kloris wel mit (Hol) 14. passen, betamen Het giet niet an, dat je op de trouwdag van je zuster an het wark bint (Bal), Het gung in vrogger jaoren niet an dat een arbeidersvrouw met een golden ooriezer leup (Bor) 15. gaan groeien (Zuidoost-Drents zandgebied) De bloemen bint niet angaon (Sle)
aangaarden, angaarden, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. opschieten met het oprapen (Zuidwest-Drenthe, zuid) 2. bij elkaar zoeken (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Tegenwoordig zit er zoveul stenen in het èerpelland, die moet allemaol angaard worden (Hijk)
aangang, aangank, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = ingang, plaats, waar kerkgangers voor de dienst naar toe gingen om de stoof te halen Oeze volk hadden de aangaank bij de Witten, al veule jaor (Rui), zie ook ingang
aangangelen, angengelen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = komen aanslenteren Door komp hai ok weer angengeln (Vtm)
aangapen, angapen, zwak werkwoord, overgankelijk, aangapen Hie hef aans niks daon as je angaopen (Eex), De neie onderwiezer mussen ze eerst ies angappen (Nor), Heb ik wat van oe an? Ie staot mij zo an te gapen! (Ruw)
aangeboren, angeboren, bijvoeglijk naamwoord, aangeboren Het is een angeboren aord, hij kletst net as zien va (Dwij), Dat is een angeboren gebrek (Bei), …ofwieking (Gro), Wat hum mankeert, dat is angeboren schoonheid (And), Dat is ok een aangeboren schoonheid! smalend gezegd door meisjes (Gas), Dat is hum van gain vrumde aangeboren dat heeft hij niet van een vreemde (Eco)
aangedaan, andaon, an edaon, an edaone, angaon, Ook an edaon, an edaone (Zuidwest-Drenthed), angaon (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. ontroerd, getroffen Hie zee een gedicht op, zo mooi, ik was der glad andaon van (Eex) 2. aangetast De longen waren hum al andaon (Sle), ...angaon (Bco), Zien hoed was hilmaol andaon deur dat bietmiddel (Eex), zie ook andoen
aangegeten, aneten, bijvoeglijk naamwoord, klaar met eten (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ja, mien jonge, wij bint anèten, dan muj mar eerder komen (Zdw)
aangehaald, anhaald, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Var. als bij halen, in met wat anhaald wezen = er mee opgescheept zitten Aj een keer mit dat knopkruud anhaald bint, raak ie het haost niet meer kwiet (Coe), Ie bint er mooi mit an ehaald zit er mooi mee (Hgv), zie ook anhalen
aangehekst, anhekst, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, N:Sle), in met wat anhekst wezen = ermee zitten, slecht te pas komen Ik bin met dit geschrief mooi anhekst (Zwig), Aj je daor met inlaot, bi’j der wal met anhekst (Oos)
aangekeerd, ankeerd, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, dva, wb), in ankeerd wezen = 1. mee zitten Hij komp alle aovends, daor bi’j ok mooi met ankeerd (Sle), Der wuur aans nargens over praot, elk was er met ankeerd (Oos), Aj eenmaol met zukke lui ankeerd bint, binj der zo nog niet weer of opgescheept zit (Hijk) 2. ijverig bezig zijn (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, dva, wb) Die man is aid met zien hond ankeerd (Wes) 3. goed mee overweg kunnen (Zuidoost-Drents zandgebied) Met dat wichtien is elk met ankeerd (Sti)
aangeklauwd, anklauwd, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest Drenthe, noord), in Wij binnen der glad mit anklauwd, we weten niet hoe aw der met an moeten hebben een groot probleem (Smi)
aangeland, anland, bijvoeglijk naamwoord, (Midden-Drenthe) = aan elkaar grenzend Dat is een aanlande naober hij woont er vlak naast (Gie), Wij bint anland an Jans (Gas)
aangelande, aangelande, angelande, angelaande , aangelaan, an elaan, aangelanden, Ook angelande (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), aangelaande (Zuidwest-Drenthe), angelaan (Zuidwest-Drenthe, zuid), an elaan (Zuidwest Drenthe, noord) = aangelande De angelanden binnen verplicht om de weg in örder te holden en de wieken en ofwaeteringssloten op te schonen van personen die land hebben aan sloot, wijk of weg (Smi), Dat bint aangelanden van Jan zij wonen naast hem (Klv), zie ook anland, anbelande
aangelopen, anlopen, bijvoeglijk naamwoord, (Kop van Drenthe) = failliet Die is anlopen (Rod)
aangenaam, aangenaam, angenaam, aangenaom, aangenaem, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe), Ook angenaam (Zuidwest-Drenthe, zuid), aangenaom (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), aangenaem (Zuidwest Drenthe, noord) = aangenaam, plezierig Dat is gien angename kerel (Stu), ...gien angenaom gevuil (Wtv), Hie kreeg de wiekzuster, die hum flink wasde; dat vun hie angenaom (Gas), Laot ze der mor blieven, het is mij wel angenaem ik vind dat prima zo (Smi), Het is vandaoge angenaom waarm (Eco)
aangeren, angeren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = techniek om een gerende akker te ploegen Een geerakker moej met ploegen angeren (Wee)
aangeschoten, anscheuten, anschoten, anescheuten, anschötten, angesch-ten, a, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook anschoten (Noord-Drenthe), anescheuten (Zuidwest-Drenthe), anschötten (Pdh, Scho), angesch-ten (Zuidwest-Drenthe, zuid), aneschèuten (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aangeschoten, lichtelijk dronken Drunkend was garriet niet, mar hie was wel wat an escheuten (Hav), Hij was mooi anschoten doe e van Ronermark kwam (Row), Met de jongveikeuring was wie allemaol mooi anschoten (Pei), zie ook anschieten
aangestoken, anstukkend, an estèuken, (Zuidwest-Drenthe). Ook an estèuken = aangebroken Aj een an estèuken flesse hebt, wil ik wel een glassien hebben, maar ie mut er gien flesse veur anbrèken (Bro), Hij hef te veule had uut de an estèuken flesse is dronken (Ruw) of Kiek, hij hef uut de anstukkende kanne edrunken is aangeschoten, in dit geval gezegd van scheepsladers die weliswaar een slok uit een kan jenever kregen, maar er ook stiekem van hadden gedronken en daardoor niet te recht liepen met de kruiwagens (Noo), zie ook ansteken
aangetrouwd, angetrouwd, antrouwd, an etrouwd, Ook antrouwd (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe), an etrouwd (Zuidwest-Drenthe) = aangetrouwd Het is een angetrouwde neve van mij (Nije), Hie hef het er niet best, hie is ok antrouwd (Sle), Heb ie het grootste woord mar niet, Jochem, per slot van rèken bi’j ok nog mar an etrouwd (Flu), Ik bin maor antrouwd, ze habben mai niks in de reken (Rod), Zoas de boer zei: Kiender, wij bint nou onder menare, moeder was toch maor an etrouwd (Hgv) *Angetrouwd wordt nooit gien eigen (Zwe), ook zelfst. Angetrouwden wordt nooit gien eigen (Dwi)
aangeven, angeven, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanreiken, overhandigen Wi’j mij de flesse èven angeven? (Bro), Kun ie dit èven bij oeze volk angeven? (Ruw) 2. aangifte doen, aanmelden Aj wat verleuren hebt, kuj het angeven (Wap), Ik moet even hen het gemientehoes um het kind an te geven (Oos), ...hen angeven kind aangeven (Sti), Een zwien angeven veur het slachten (Scho), De hond angeven voor de hondenbelasting (Hol), Hij het het wel angeven bij de politie (Eel) 3. aanduiden Is het ok zo late as de klokke angef? (Hijk), Dat stait ook nait dudelk aangeven (Vtm), Het regent neet det het wat angef betekent niet veel (Rui) 4. gebruik maken van (Zuidwest-Drenthe, zuid) As het scheuvelies is meuj oe angeven (Rui)
aangewassen, anwossen, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest Drenthe, noord) = in de groei Het was zo’n anwossen jonge (Die)
aangezet, anzet, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = licht ontroerd, aangedaan Hij was anzet (Dal)
aangezien, angezien, voorzetsel, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = gezien, in aanmerking genomen Angezien zien hoedaonigheid mut hij der warmpies bij zitten (Dwij)
aangifte, angifte, de, angiftes, 1. aangifte Ik mout ok nog even op het gemeinthoes wezen om angifte te doun van een dood kalf (Vri), Hij hef gister angifte daon van zien kind (Coe), Aj de tongblaor of pest maank het vee kriegt, muj der angifte van doen op het gemientehuus (Koe), Wij moet angifte doen daw een hond hebt (Zwig), Hij miste een schaop en hef er angifte van daon bij de politie (Schl) 2. aangiftebiljet, aanslagbiljet (Zuidoost-Drents zandgebied) Doe mij die angifte even met (Sle)
aangiftebiljet, angiftebiljet, het, aangiftebiljet Hej het angiftebiljet al invuld of moet ik je der even bij helpen? (Sle)
aangluipen, angloepen, sterk werkwoord, overgankelijk, loerend aankijken Zit mij niet zo an te gloepen! (Eel), De hele aovend hef e mij an zitten te gloepen (Pdh), Die kan joe angloepen, net of e joe opvreten wil (Klv)
aangooien, angooien, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = toegooien Do mös ze mij met de kop angooien met de kop van de garf naar voren toegooien (Pdh)
aangraven, angraven, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. bijspitten Hij moet de kanten angraven (Sle), Zo, het hoffie is ploougd, mor noou moe’k het nog even angraoven (Eex), De tumpen van de akker angraven (Rui) 2. opschieten met het graven Most wat angraven, anders komst nooit kloor (Bov) 3. in As ik nou 14 dagen graven heb, dan bin ik eerst angraven zover als ik wil of moet zijn met het graven (Klv)
aangreep, angreep, de, 1. kleinigheid, snel uit te voeren karweitje Aw met aalman toepakt, is het ok mor een angreep (And), Hemmel dat even op, het is mor een angreep (Dro), zie ook bijgaon, antast 2. handvat (Zuidoost-Drents veengebied) De angreep van de schuppe lag goed in de hand (Wei)
aangrijpen, angriepen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. vastgrijpen Most mie nait aal aangriepen, ik krieg zo’n smerige schoede, almaol vlekken (Vtm), Hie greep de kèrel an (Sle), Hij kun nog gauw een bentetop angriepen, anders was hij verzopen (Bco), Dat kan je mar zo angriepen, de verkoldheid te pakken krijgen (Klv), De longontstèking hef hum lelijk an egrepen, hij zet er nog barre slecht uut (Ruw) 2. ontroeren Zowat grip je wal even an (Oos) 3. aanpakken Ik heb zo de fiets angrepen en doe bin ik hen de slachter jaagd (ku), Wij mut mit mekaar even flink angriepen um het spul dreuge binnen te kriegen (Hgv), Griep is an, jong help even mee (Man), Het is maor even aangriepen het is een kleinigheid om te doen (Vtm), Hij greep de kaans mit beide haanden an (Dwi), …gelegenheid um zuk op de veurgrond te plaotsen (Eex)
aangroeien, angruien, zwak werkwoord, onovergankelijk, aangroeien, verder groeien Het haor laow aaid kört knippen, het wil toch best weer aangruien (Eev), Dat zwien mot nog heilwat angruien, veurdat wai hom slachten kunnen (Pei), De nagel is nog niet weer angruid (Sle), Det greuit mar an, ie kent het jonkvolk niet meer (Ruw), De bulte gruit daor aldeur maor an er komt daar steeds meer geld bij (Hgv)
aangrommelen, angrummen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = licht sneeuwen Het hef de hiele dag wat angrumd (Sle)
aanhaken, anhaken, zwak werkwoord, overgankelijk, ergens aan vast haken Laot we die kor der mor anhaoken (Bal), Zij haakt aordig an mekaar ze kunnen erg goed met elkaar opschieten (Pdh), Bij het schaatsenrieden nuumde wij het opleggen wel anhaoken (Hgv)
aanhakken, anhakken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = aanhakken, bijwerken Wel giet die wallen nog even anhakken? (Pdh), As doe de kanten anhakst, most de kloeten een bitken fien maken (Bco), zie ook ophakken
aanhalen, anhalen, zwak, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanhalen, aantrekken Zie hebt dat touw aordig stief anhaald (Nsch), Do mos nog even de wezeboom een bettien anhalen (Pdh), As de tieden minder wordt, mow de broekrieme maar wat anhalen (Ruw) 2. zich op de hals halen Door hast die wat anhaald; wast doe dat man weer kwiet (Bco), Zij haalt zuk ok aal meer wark an (Pdh), Ik wil niet hebben daj hen Geert gaot. Dat kind lig zeek op berre, ie wit nooit waj je daor met anhaalt (Hijk) 3. aardig zijn voor Most dat kind neit zo anhaolen, dei wil hier straks neit weer vort (Erf), Dan haalt ze je nog hoog an nl. door mevrouw tegen je te zeggen (Sle), Oonze hond wil graeg anhaeld worden (Smi) 4. weer vooraan beginnen Het koren laag neit zo mooi, daorum mus wai nogal ies anhaolen (Pei), ... ie mussen ieder keer anhalen um het er of te kriegen (Bov), Aj de akker bij het ploougen niet gooud oetmeten en verdeeild hebt, moej vaok nogal is anhaolen an eein kant (Eex), As het laand niet helemaol vierkant is, moej de gie anhaelen (Vle), Luiwievendraod is langer as ij in ien keer an kunt halen je kunt de draad er niet in één keer doorhalen (Sle) 5. ophalen (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord, Kop van Drenthe) Haal nog even wat törf an veur het vuur (Pdh), Willem en Jaantien hebt mij net anhaald (Sle), Haol het breekiezer is an (Gas) 6. memoreren Zie hebt het nog wal even anhaald, mor wieder is der niks over zegd (Sle) 7. gaan groeien Die haver die zal nog wal anhalen, as het goed wèer wordt (Emm), zie ook ophalen 8. aanbrengen, opbrengen (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Het zal wel niks anhaelen (Wsv), Het koren is slecht, het haolt niet veul an levert niets op (Schl), De iemen hebben in het veurjaor nogal wat anhaold (Ass), Hef het arg esneid bij oe? Nee, det haalt niet an de moeite niet waard (Eli) 9. sterker worden De wind haalt toch aordig oet het westen an (Pdh), …haalt aordig an, het kan wal störm worden (Sti), Wij mussen as kiend tien keer achter mekaar de zin zeggen: ‘De wiend haalt an, de locht jag lös’ (Hgv), zie ook bij anhaald
aanhalig, anhalig, aanhalig, Var. als bij halen Ook aanhalig (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. aanhalig Dat kind is toch zo anhalig, dat hangt je zuverweg an (Zwi), Die kadde van oons is altied zo anhaolig (Erf), Die familie is slim anhaolig, iedereen is er thoes en ij bint er gauw kundig met (And), Die buurvrouwe was mij net anhaelig genog (Wsv) 2. inhalig (Zuidoost-Drents zandgebied) Een anhalige kerel is een dikke graoperd, is bang dat hie alles niet kreg (Bui) 3. gezegd van een mooiprater (Zuidoost-Drents zandgebied) Die kerel is anhalig is een mooiprater (Oos)
aanhaling, anhaling, anhaoling, (Zuidoost-Drents zandgebied, ou). Ook anhaoling (ti) = 1. het geheel van de inkopen Wat een anhaling hest ja daon, het is ja net ofst hiel Börger leeg koft hest (ou), IJ hebt nogal een mooie anhaling daon nogal wat opgehaald (Sle) 2. langgerekte manier van praten (ti): Met ’n lange anhaoling van: ‘Jaaaa dat is waor...’ (ti) 3. aanloop vóór het springen (ti) Bij het slootspringen moej eerst een lange anhaling doen
aanhalsteren, anhalstern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest Drenthe, noord) = de halster aandoen Een enter anhalstern wil nog wel is gauw uut de haand lopen (Smi)
aanhandelen, anhandeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. opschieten met handelen Non moej wat anhandeln, aans kriej gien èende met je beiden (Zwe) 2. aankopen (dva, wb)
aanhang, anhang, anhaank, aanhang, Ook anhaank (Zuidwest-Drenthe), aanhang (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. aanhang, familie, vrienden, kennissen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Toen ze vieftig jaor trouwd waren, kwammen aal kinder met aanhang (Oos), Maak je de börst mar nat, daor kompt Bèrend en Jantie met de hele anhang an (Hijk), Mug wij de aanhang metnemen? (Emm), Burgemeester was der ok, met zien anhang (Bal), Wij hadden vroeger een hoop anhang in ’t darp (Exl), Die meenzen hebt veule anhaank, zij gaot alle aovends vurt of zij hebt volk (Dwij) 2. aanhangers, supporters Die meinsen hadden een zael vol volk, zij hebt ook zo’n anhang (Wsv), (...)dat zien tegenstaander ook hiel wat anhaank har (Koe), De scheuper hef altied een stel jongen achter ’t gat, ja die hef altied een anhang (Hav) 3. toeloop, aanloop (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie hef ’n diel anhang, de jeugd giet er aait hen (Sle)
aanhangen, anhangen, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = aan iets vast (gaan) hangen Die stofregen hangt aordig an (Hgv), Dat kind is toch zo anhalig, dat hangt je zuverweg an (Zwin), ook: Dit goed hangt slim an trekt vuil aan (Oos)
aanhanger, anhanger, de, anhangers, 1. aanhanger Die partij hef een diel anhangers (Sle) 2. aanhangwagen De anhanger is hum losschoten (Bov), zie ook anhangwagen
aanhangerig, anhangerig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = een beetje zeurderig, steeds aandacht vragend Dat kind is zo anhangerig (Sle)
aanhangwagen, anhangwagen, de, anhangwagens, aanhangwagen Hie wol een anhangwagen lienen um die rommel weg te brengen (Emm), zie ook anhanger
aanharen, anharen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. opschieten met haren IJ moet wat anharen, wij moet weer hen het laand (Sle) 2. scherp maken van een zeisblad (Midden-Drenthe) Mien vaoder is de zwao an het haoren, ...anhaoren (Ass)
aanharken, anharken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanharken Gao ie de tuun een beetie anhaarken? (Die), Wil ij ’t aachter het hoes even anharken, dan doe ik het op zied (Eex) 2. bijeen harken Help even het heui anharken! (Pdh), Wij moet nog ien methebben hen voor anharken resten opharken (Sti), Nao het meien weur het laand anharkt (Coe) 3. opschieten met harken Hark is wat an, zo komt wie nooit kloor (Bco)
aanharker, anharker, de, anharkers, degene die aan‑ of bijeenharkt As der gien anharker was, mus ie later naoharken (Pes), As het mooi gunk mit heuilaan, dan kun de anharker goed anheuien (Ruw)
aanharksel, anharksel, het, Voor var. z. harken = bijeen geharkt spul Het anharksel komp vake ’t leste op de miete (Pes), Zuw dat anharksel nog even opbienden in schutbossies (Wsv), Anharksel kriej aj ’s zaoterdags de boel um hoes opharkt of met het heuien de staarten anharkt (Oos), Bij heui is het anharksel, bij stro schöt (Rui), zie ook anriefsel, naoheuisel, anheuisel
aanhechten, anhechten, zwak werkwoord, overgankelijk, aanhechten Brek mij de draod, zegt de naaister, nou mu’k hum weer anhechten (Mep), Met het breien en het haoken moet de vrouwlie aaid anhechten, as ze wieder wilt (Eex), Bij het spinnen moej het gaoren mangs anhechten (Pdh), Dat papiertien moej anhechten an de breef diej nog stuurt (Hijk), De wagen anhechten aankoppelen (Hgv), In de bouw is anhechten: tiedelijk vaastmaoken (Gas)
aanhef, anhef, de, aanhef Wat een overdreven anhef boven die brief (Nam)
aanheffen, anheffen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanheffen Een lied kuj anheffen (Oos), Toen we daor kwamen, wollen ze net de lofzang anheffen (Wap)
aanheisteren, anheistern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = aantrekken van kledingstuk Even een overal over de boks anheistern (Sle)
aanhemelen, anhemmeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe) = 1. opruimen Zaoterdags meut wie de hof anhemmeln (Bco), Ie magt de dèle wel ies anhemmeln (Pes), Aj eerpels oflevert mot er anhemmeld worden (Eev), Koenen anhemmeln ervoorlangs vegen (Sle) 2. zorgen dat men z’n deel krijgt (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie wet zuk wal an te hemmeln (Sle), IJ moet jezölf mor wat anhemmeln, jonges, en zörgen daj goed zat wordt (Zwe), zie ook ofhemmeln
aanhitsen, anhissen, anhiezen, Ook anhiezen (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = aanhitsen, ophitsen Za’k oe de hond ies anhissen? (Hol), Pas op of ik his die de hond an (Bov), Hie hef die jong anhist (Sle)
aanhobbelen, anhobbeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. voorthobbelen Hij hobbelt maor wat an op dat paard (Hgv), Toe, aolde bles, ij moet ies wat anhobbeln (Sti) 2. aanrommelen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Hij hobbelt maor wat an (Die), Laot hum mor wat anhobbelen, der is toch gien zalve an te strieken (Pes)
aanhogen, anhogen, anheugen, Ook anheugen (Zuidwest-Drenthe), = ophogen, geleidelijk schuin laten oplopen Die kaante meuj wat anheugen (Pes), Wij moet het um hoes toe wat anheugen (Sti), Ik heb de èerpels mor wat an ehoogd aangeaard (Die)
aanhooien, anheuien, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. opschieten met het hooien IJ moet wat anheuien, het giet te langzaam (Sle) 2. klaar zijn met het hooien Wij bint an eheuid, wij mut weer meien (Hgv) 3. het hooi bijeen harken, dat is blijven liggen Ie moot het good schone anheuien (Die), As der zoveul wind blef, kuj aal mor blieven anheuien; het weit aal weer vort (Eex), Vrouger mussen de kinder de staarten anheuien (Nor)
aanhooier, anheuier, de, (Kop van Drenthe) = degene die het hooi bijeenharkt dat bij het hooien is blijven liggen
aanhooisel, anheuisel, het, bij elkaar geharkt hooi De kerels waren an het öppern en de vrouwlu harkten het anheuisel bij de öpper (Sti), Het anheuisel stiet nog in kleine opperdies in het laand (Gro), Hij haar het heui oplaoden; doe laag er nog een vlot anheuisel (Row), Dat anheuisel kunj mooi gebroeken veur het bedekken van de eerpels (Hijk), zie ook naoheuisel, anharksel
aanhoorder, anheurder, de, (Midden-Drenthe) = toehoorder Hij vertelde wel mooi, maor soms was het anstotelijk veur een anheurder (Schl)
aanhoren, anhèuren, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanhoren Ik zat dat zo is an te heuren (Row), Dat lawaai was nich um an te heuren (Bco), Dat luut zuk goed anheuren was goed naar te luisteren (Sle), Oes domnee had een paor in kerke te aanheuren als hoorder van een kerkeraad van elders (Ros) 2. naar iem. toegaan om informatie Ik wil is even anheuren, hoe dat zit (Bco), Ik heb even anheurd hoe het met hum was (Pdh), Buurvrouw is ziek, ik gao even hen anhèuren (Wee), Vrogger kwamen de bakker de slager en de krudenier iedere dag anheuren oj wat te bestellen hadden (Hgv), zie ook hèuren
aanhorten, anhorten, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. een kort rukje geven Hort dat pèerd mor wat an in de bek, dan lop e wal wat drokker (Oos), Hort nog ies wat an, dan löp de geite misschien wat vlogge op (Die), Nou muj èven anhorten goed trekken (Hgv) 2. stotteren (Zuidoost-Drents zandgebied) Jong, ij moet niet zo anhorten (Sle) 3. opschieten (Zuidwest-Drenthe) Wij zult even wat anhorten (Dwi), Aj in het olde jaor het nog goed mut maken, muj wel anhurten (Mep)
aanhoud, anhold, het, 1. vriendschap, steun De olde baos hef een bool anhold an de buren (Die), Die hef niks gien anhold meer familie etc. (Stu), Daor heb ik hielwat anhaold an afleiding, gezelligheid (Hoh) 2. werk, tijdverdrijf (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) Met die koppel biggen hew veul anhold (Zwe), As de koenen op stal bint hej er de hiel dag anhold met (Erm), De tuun gef mij gelokkig heel wat anhold (Die) 3. omgang (Zuidwest-Drenthe, zuid) Det zo’n vlot maagien anhold hef met zo’n eernsachtige vent as hij, snap ik niet (Ruw)
aanhouden, anholden, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanhouden, tegenhouden As Klaos der langes komt, most hom even anholden (Erf), De plietsie hef mij anholden (Wijs) 2. (laten) voortduren, duren Wol je het licht nog lange anholden (Zwa), Het mooie weer mag nog wel een poosie anholden (Een), Dat holdt nog wel een roffelie an (Anl), ...wat an, veurdet het woordenboek klaor is duurt nog wel even (Bro), Naoberschup anholden als goede buren leven (Sle), Het heul hielwat an om zowied te kommen kostte nogal wat (Gro), De banden anhoolden de vriendschapsbanden onderhouden (Pdh), De verkering anholden (Dwi) 3. vasthouden ’t Toom biggen was het anholden nait weerd (Eco), Het was een goeie gewoonte, en die mussen ze anholden (Hgv) 4. zich houden bij, zich richten op IJ moet rechts anholden rechts blijven (Sle), Ie mut roem anholden mit det voor heui, aans kriej last een ruime bocht maken (Bro), Wij holdt ’t mor op de toren an we gaan maar in de richting van de toren (Emm), Ie moet de oostkaante een beetie anholden bij het opzetten van een mijt (Dwi), IJ moet toch ien kaant anholden, dit of dat! een keuze maken (Sle), Een hoer is een wief, die het mit alles kerels anholdt aanlegt (Hav), Hie holdt aordig hoog an vraagt of wil te veel (Sle) 5. aanleggen Ik wil aal met, mor ik wil ok ’n maol anholden bij een café (Row), zie ook angaon, anleggen 6. bijhouden (Zuid-Drenthe) Het iene peerd kun het aandere niet anholden (Hav) 7. stilhouden (wb) Ik waogde het en huld de mond an: rt, daor wupte de koeze hen (wb) 8. volhouden (Zuidoost-Drenthe) Ze hadden aal mor anholden, dat hij daor de man veur was (de), Hie holdt al mor an zeurt maar door (Sle)
aanhouder, anholder, de, anholders, aanhouder *De anholder wint (Anl)
aanhouwen, anhouwen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = met de hak bewerken Kanten anhouwen, daor zit een bult tied in (Ros)
aanhusselen, anhusseln, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Midden-Drenthe) = opschieten Hie mot wel gauw een beetie anhusseln, want aanders hef hie het veur de aovend nog niet klaor (And), zie ook annusseln
aanjagen, anjagen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanjagen, aansporen Koenen anjaegen opdrijven (Dwi), De biethap is um der de kiender angst mit an te jagen (Ruw), Hij is der lelijk mit anjagd heeft een slechte koop gedaan (Ros) 2. aandraaien (Zuidoost-Drenthe) Jaag die schroef ies even an (Pdh) 3. oprakelen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ze gungen vuur anjagen (Hgv) 4. aanrijden Ze hebt mij vandage op die drokke weg anjagd (Klv)
aanjager, anjager, de, 1. iem. die opjaagt Wij hebt nog een anjager neudig bij de koenen (Sle), Een anjager jag de mèenschen op, die an het wark bint de opzichter (Pdh), …drif de priezen op bij een bouldag (Gie) 2. iets, dat in gang brengt Een anjager is een ventilator in een autokachel (Wee), …um dieselmotoren tot ontsteking te brengen (Wes), …om het vuur in stoomlocomotieven an te wakkern (Noo) 3. doordrammer (Zuidwest Drenthe, noord) 4. gedeelte van een ouderwetse brandspuit waarmee men druk op het water verkreeg (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, wb) Wij kunt niet uutrukken, want de anjager van de spuite is kepot (Bei), ‘Bij brand stond de anjager bij de brandkuil of sloot en de parspompe bij de brand’ (Hav), ‘Als de brand te ver van de waterbron was werd een tweede brandspuit aangekoppeld. Dit was de anjager’ (Noo) 5. beugel op de zeisboom (Kop van Drenthe) 6. aanaardploeg (Veenkoloniën) Een anjaoger om eerpels aan te eerden (Git)
aanjongen, anjongen, zwak werkwoord, onpersoonlijk, door geboorte toenemen in aantal ’t Jongt daor mooi an (Klv)
aankaarten, ankaorten, zwak werkwoord, overgankelijk, aankaarten, een onderwerp aansnijden Ik wil dat toch ies mit hum ankaorten (Hgv)
aankanten, ankanten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = een mooie kant of een punt maken Most mie dei paolen even mooi ankanten (Bov)
aankeren, ankeren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = schoonvegen Veurdat ik hengao, wil ik eerst nog even de keuken ankeren (Bov), Ik gao de koenen ankèren de voergang even aanvegen (Flu), zie ook ankeerd
aankerven, ankarven, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = een kerf maken Die bomen bint an ekarft, die meut ekapt worden (Pes), zie ook inkarven
aankeutelen, ankeuteln, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe). Var. als bij keutel = gestaag doorgaan Het keutelt nog al wat an neemt nogal toe in aantal (Dwi), Hij keutelde de hiele morgen wat rond drentelde wat rond (Mep), Hai keudelt mooi aan gaat langzaam vooruit (Vtm)
aankeuteren, ankeutern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = gestaag en langzaam vooruitgaan Ik heb ’t breien maor mitneumen, het keutert al mooi an (Hol), Hij keutert zachiesan wat veuroet, vlinnen jaor har e twee koenen en nou hef e al dree (Hijk), Laot ze mor lopen, zie keutert lekker an (Gas), Dennen hef goed ankeuterd goed geboerd als keuterboer (Sle)
aankeuvelen, ankeuveln, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. voortdurend keuvelen Hij keuvelt maor wat an (Die) 2. (langzaam) vooruitgaan (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, wm, dc:Odo) Hij is mit dat mooie weer flink ankeuveld veel beter geworden (Pdh), Dat keuterboertien hef aordig ankeuveld de leste jaoren (Pdh), zie ook ankeutern
aankeuzelen, ankuzeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) = knoeien, prutsen, niet opschieten bij het werk Hie zit er aal met an te kuzeln (Bal), Hij kan neit veul meer doun, zo’n beitien ankuzeln kleine karweitjes doen (N:be:Rod)
aankijk, ankiek, ankik, Ook ankik (wb) = 1. de aanblik Dat hoes is mooi van ankiek (And), Dat is een mooi wicht, die hef een mooie ankiek ziet er mooi uit (Exl), De eerste ankiek is wel goed (Hgv), Zij is de ankiek wel weerd het aankijken (Erf) 2. bekijks (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) Het hoes hef veul ankiek (wb), Zij haren veule ankiek bij de trouwerije (Die), Mit heur golden ooriezer hadde ze veule ankiek (Vle)
aankijken, ankieken, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. aankijken Wat hej met mij dat je mij de hiele aovend ankieken? (Klv), Ie hoeft mij niet zo an te kieken, ik hebbe toch niks van oe an? (Ruw), Dai baide wichter binnen ’t aankieken wel weerd (Vtm), (zelfst.) Die is het ankieken wel weerd gezegd bijv. bij het bekijken van een baby (Nam) 2. aanzien Mörgen geef ik je wel oetslag, ik moe dat nog even ankieken (Eex), Kiek toch is an, wel hew daor! (Hijk) *Kiek mij ies an, lach mij ies toe, ie weet ja wel, ik vrije mit oe (Hgv)
aanklacht, anklacht, de, anklachten, aanklacht Hie hef een anklacht bij de politie daon (Val), ...indeind (Bov)
aankladderen, ankladden, ankladdern, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook ankladdern (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aan iets vast blijven plakken Die smerige flarderige snei kladt zo an (Pdh), ...kladdert zo an (Zdw)
aanklagen, anklagen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanklagen Ze moeten hum anklaegen, omdat hie estèulen hef (Vle)
aanklampen, anklampen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanklampen Hie was op ’t mark en daor heb ik hum even anklampt (Sle), Ik zal hum der ies over anklaampen (Smi) 2. vastplakken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Motsnei klampt gauw an (Pes)
aankleden, anklien, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aankleden Aj uut wilt, moej je mooi anklieden (Vle), Ik kan zo niet mitgaon, ik mut mij eerst even anklieden (Nam), Hie was al ankled (Sle), Zie binnen mit dai neie huus al aan het anklaiden (Vtm), Ze hadden de muur ankled met schilderijen (Oos) 2. nieuwe planken aan een schuur doen (Zuidoost-Drents zandgebied) Wij moet de schuur van ’t nei anklien (Oos)
aankleien, anklèeien, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = omknoeien, niet opschieten Hij klaait de heile dag an, der komp hum niks oet de handen (Bov)
aankneuteren, anknutern, anknuustern, (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe). Ook anknuustern (Kop van Drenthe) = alsmaar met kleine werkjes bezig zijn Ik heb de hele dag wat anknuterd met allerlei karweigies (Gas), Hij laag de heile dag wat an te knuustern (Row)
aanknijpen, ankniepen, sterk werkwoord, overgankelijk, aanknijpen Die oogies van de ket moej even ankniepen (Bor), Ie moet die worsten beter ankniepen gezegd bij het stoppen (Sle), Ie moet het kniepertiesiezer beter ankniepen (Die), Mit een haand geven, dan kunt sommigen zo stief ankniepen (Hol), Die slag kneep an dat was een fikse onweersslag of: die klap deed pijn (Dwi), Wat zunig an, jonges, het begunt nou an te kniepen ernstig te worden (Hgv), ook Het giet vriezen, het knip an (Sle) *Dat zal ankniepen, zee de boer, en hij spande de hond veur de heuiwagen (Ruw)
aanknopen, anknuppen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanknopen Hoe muj daor nou weer in goed fatsoen bij anknuppen? bij aansluiten (Pdh), Ie kunt er nog best een dag bij anknuppen dag langer blijven (Die), Hij hef der heilwat bie anknupt, zo slim was het nich erbij verzonnen (Bco), Knupt gien connecties an mit det soort volk (Ruw), Krekgeliek wat veur gesprek oj met hom anknupt, je komt aaid in de politiek terecht (Eev), IJ moet de merrie goed anknuppen vastbinden (Odo)
aanknutselen, anknusseln, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. langzaam met kleine werkjes bezig zijn ’t Duurt wal een beetie lang bij hum, hij knusselt graag een beetie an, mor hij kreg het toch klaor (Hijk), zie ook anknutern 2. langzaam vooruitgaan (Zuidoost-Drents zandgebied, wb) Hij knusselt al weer aordig wat an (Pdh)
aankoeken, ankoeken, zwak werkwoord, onovergankelijk, aankoeken De laampe brandt scheif, de heile dechte was ankoukt er zat een laag vet op de lont (Bco)
aankoeveren, ankeuvern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (dva) = 1. aanwinnen 2. aan de beterhand komen van zieken, z. ook ankeuveln
aankomeling, ankommeling, ankommer, ankomeling, ankomelink, ankommelingen, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe). Ook ankommer (Zuidoost-Drents zandgebied), ankomeling (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën), ankomelink (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. opgroeiende jongen van ong. 14-18 jaar, beginneling. Het kan ook een meisje zijn (Zuidoost-Drents zandgebied) Bij ankommer denkt wij meer an een persoon en bij ankommeling meer an een groep (Sle), Zij hebt veer kinder en de oldste is al zu’n ankommeling ong. 16 jaar (Eex), Het is nog man zo’n ankomeling en no hef e dat al oethaold (Ros) 2. jongvee (Zuidoost-Drents zandgebied)
aankomen, ankommen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. langskomen, op bezoek gaan, naar binnen gaan, meekomen Zo nou en dan komp hij ies an, mar hij overlop oons niet komt niet te vaak (Mep), Kom is een maol an te koffiedrinken (Bco), De vrouwlu rupen: Ankommen, etten! (Pdh), Nou moej ook ankomen, aans is het eten helemaole kold (Die), Kom is an, wie gaot een endken rondlopen kom eens mee (Bco) 2. aankomen, naderen Daor ginderd komp de vesite an (Ruw), Ie kunt buten het veurjaor al zien ankommen (Die), Wat wost doe door, hij zug die ankommen hij zal niet blij zijn met je bezoek (Bov), Ik hebbe het eziene, ariegatte, het speien kwaamp mij an ik kreeg braakneigingen (Hgv), Ie ziet het ankomen, maor kunt er weinig an doen gaan gebeuren (Hol) 3. aanraken (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) Koomt mij ies an, aj duurt, ik houwe oe mit de klompe veur oen harsens (Ruw), Waog ies daj mai ankommen (Nor), Ie moet dat peerd niet ankomen (Dwi), Dat is zo’n grienderd, die jankt al veurdat je hum ankomt (Bor), Die vrouw komp het ok aordig nao an is erg ziek (Eex) 4. groeien Ik bun de leste tied wal vief kilo ankommen, het wordt haost te gek (Bov), (zelfst.) Wij hebt nog wat in ’t ankomen jonge kinderen, die later kunnen helpen bij het werk of: jong vee, biggen of veulens (Eli) 5. ontkiemen, gaan groeien Die boom, det kiend hef het good edaone, die is good an ekomen (Rui), Ik hebbe daor blompies ezeid en ze bint an ekomen ook (Hgv) 6. ervaren, voor’komen Het komp je zo kaal an, dat die man vort is overleden is (Sle), Het komp je wat raar an, dat het zo rustig is (Hijk), Nou die boom weg is, komp het eerst wel wat kael an doet het kaal aan (Die) 7. hard treffen Het is nogal slim ankommen, die klap van dat peerd (Dro), Hij is gewoon vallen, mar het is lillijk an ekomen (Bro), Hij is met de plof over de kop vlogen, het is aordig ankommen (Row) 8. aan komen waaien De schurft is mai ankommen van de koien (Rod), Het is van hum ankommen (Dwi) 9. erop aankomen, uitmaken Het zul mij der niks op ankommen, um zo’n grote visite te hebben (Sti), Het kwam der geweldig op an (Emm), Je moet het er niet op ankommen laoten het zover laten komen dat het verkeerd kan gaan (Eri), Het komp mij der niks op an, laot hum maar eerst wezen het maakt me niet uit (Nam), Dat dende vaak bij oes löp, daor komp mij het niks op an houd ik niet zo van (Sle), Het komp mij der mor op an dat e op tied is is voor mij belangrijk (Oos) 10. beginnen Het is ankommen op de bruloft van zien zuster toen is de verkering begonnen (Erf), Het wordt meitied, het wark komp weer an (Coe) 11. gebeuren Dat e het volholdt op dat stee, dat zei ik nog niet ankommen (Row), Het weer zal beter worden, dat zie ik nog wel ankommen (Klv) 12. gewaar worden (Zuidwest-Drenthe, zuid) Zul de zeke wel is an ekomen wèzen, dej hum an espreuken hebt? (Rui), Wij koomt alles neet an, wat er al toeholdt (Rui) 13. aan iets komen, in bezit krijgen Daor kuj nog wal ankommen het is nog wel te verkrijgen (Sle), (zelfst.) Alles is zo duur, der is gien ankommen an (Nor) 14. (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), in As dat moede is, kuj wal ankommen dan beleef je nog wat (Zwig), Dat komp nog wel duur an, dat grappien gaat geld kosten (Klv), Aj zo praot, dan kuj wel ankomen dan ben je niet te redden (Ruw)
aankomend, ankommen, aankom, ankom, ankoom, ankommend, ankommende, Var. als bij kommen. Ook aankom, ankom (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), ankoom (Zuidwest-Drenthe, zuid) ankommend, aankommende (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = volgende Ik kom ankommen wèke (Nsch), Ankommen zundag gao wij oet gaasten (Bor), Ankomen zundag is deupdag (Hav), Ankomend jaor möt hij hen de schoele (Uff), Aankom zaoterdag moeten wie op vezide (Twe)
aankomend, ankommend, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = 1. nog niet volwassen Hij was nog maar zo’n ankomende jonge (Ruw) 2. zonder ervaring, beginnend Mien vrouw het ook hulp, dai het ain aankomend maidje kregen (Vtm), Dat is een ankomend knechie (Hgv), zie ook bij ankommen
aankondigen, ankundigen, zwak werkwoord, overgankelijk, aankondigen Zie hebt de vesite niet ankundigd en daorum waren wij niet in hoes (Exl)
aankondiging, ankundiging, de, ankundigings, aankondiging Hej der nog een ankundiging van had? (Sti)
aankoop, ankoop, de, aankoop De ankoop van dat stuk laand kwam oous gooud van pas (Eex), Bij ankoop van zoveul bosschuppen kregen wij dat gratis (Schn), Ik heb nait veul geluk had mit mien neie aankoop (Twe)
aankopen, ankopen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aankopen Hie wil oetbreiden, hie möt nogal wat vie ankopen (Sti), Hij zal dat houkie laand wel ankopen (Row) 2. maar raak kopen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie kofde mor an (Sle)
aankoppelen, ankoppeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, toenemen in aantal De zaal was nog niet vol, toen het feest begunde, maor later koppelde het nog mooi an (Bei), Het volk köppelt mooi an, het kan der nog wel ies vol worden (Zdw)
aankorten, ankorten, zwak werkwoord, onpersoonlijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = minder worden Het kort an mit het geld, wij staot zowat in het rood (Hgv)
aankrabben, ankrabben, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. een begin maken bij het rooien van aardappelen (Zuidoost-Drenthe) We meut eerst de kanten ankrabben, anders kan de rooier der nich veur (Bov) 2. opschieten met rooien IJ moet wat ankrabben, aans kom wij der vandaag niet klaor met (Odo) 3. aanharken (Zuidoost-Drenthe) Ie mut het veur de zundag nog een beetien ankrabben rondom huus (Nam), Met heuien moej even de staarten ankrabben (Sle), Wij hebt de boonties wat an ekrabd, ze kwamen der wat boven er wat zand opgeharkt (Die)
aankrijgen, ankriegen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. toetasten Non moej ankriegen, wij neugt niet weer tast toch toe (Sle) 2. aankrijgen van kleding etc. Hij kreeg de kleren van zien bruur an (Zwe), Ik kan dei schounen nich ankriegen, ze bunt te klein (Bov) 3. aan de gang krijgen Ik kun de laamp niet ankriegen (Wes) 4. ontvangen Wij hebt nog gien sukker weer ankregen (Eex) 5. onderspit delven De erpel kriegt het er non toch an de ziekte komt er nl. in (Emm)
aankruimelen, ankrummeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuid-Drenthe) = 1. alsmaar bezig zijn en langzaam vooruitkomen Het geet niet zo hard mèer, mor wij krummelt staorig wat an (Hijk), Hij is toch beheurlijk ankrummeld op die boerderij (Pdh), Laot hum maor krummeln! hij komt er wel (Row), Zij krummelt mar wat an en komt nooit klaor (Eri) 2. langzaam in aantocht zijn Daor kwaamp hij ankrummeln (Hgv)
aankruipen, ankrupen, sterk werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe,Zuidwest-Drenthe, zuid) = tegen iem. aankruipen Kroep mai mor is lekker even an (Row), Geert en Toos kroepen straks wel stief an (Mep), Kinder mugt graog tegen moeke ankroepen (Eev)
aankruipertje, ankroepertien, het, ankroepties, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = kind dat graag even tegen iem. aankruipt
aankruisen, ankruzen, zwak werkwoord, onovergankelijk, aankruisen Det muj ankruzen, daor heb ik belang bij (Pes), Zie hebt die bomen ankruusd, die meut er oet (Bov)
aankuitelen, ankuiteln, zwak werkwoord, onovergankelijk, buitelend vallen Hij wol spraonusten oethaolen, en daor kwam e ankuiteln (Pei)
aankunnen, ankunnen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aankunnen Je moet je vrouw mar ankunnen (Klv), Hie kan hiel wat an kan veel verzetten (Bor), Dat mens kan alles wel an, die maokt alles op (And), Hij kan het niet an het is te zwaar voor hem (Hgv), Grunningen is een flinke stad, mor tegen Amsterdam kan het niet an kan het niet op (Sle) 2. op iemand vertrouwen IJ moet op mekaar ankunnen (Wee)
aanlachen, anlachen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe)= tegen iem. lachen Ze laachte mie aan (Ros), Ie weet nooit of hij oe anlacht of uutlacht, maor hij lacht wel (Zdw)
aanladen, anlaan, sterk, zwak werkwoord, 1. opschieten met laden Wij meut anlaan, want aans dan kriew er nog règen ien (Rui) 2. volladen Ie meur dei wagen nich zo anladen; hij wordt veuls te zwoor (Bov), Nog even een paar zakken vol en dan bin ik anladen vol (Exl), als bijvoeglijk naamwoord Die kerel was zo anlaon, dat hie kun niet meer lopen erg dronken (Eex)
aanlanden, anlanden, zwak werkwoord, onovergankelijk, aanlanden, terecht komen Hij is goed an elaand heeft z’n reisdoel bereikt (Dwi), As hij zo deurgiet, zal hij nog een keer ien het armhuus anlaanden (Ruw), (fig.) Bij die boer is de knecht gooud anlaand, jaoren hef e daor deeind (Eex), Dat wicht het het goud daon, dai is goud aanland (Vtm), Ik wete het niet, maor hij is donkt mij niet zo best an elaand terechtgekomen (Hgv)
aanlangen, anlangen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanreiken Woj mij dat stuk iezer even anlangen? (Klv), Ik zal het morgen wel èven bij oe anlangen (Hgv)
aanlappen, anlappen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanhechten (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, wb) Ik heb het gaoren op, even een neie klouwen anlappen (Rui), Hij mus de deuren anlappen, …anstokken er een stuk aanzetten (Pes), Even der een stukkie anlappen en dan is het net lang genog (Schn), Daor hef hie hum anlapt die jongen aan dat meisje gekoppeld (Sle) 2. aansmeren Wij wussen het eerst niet, maar toen begrepen wij, dat de buurman hum dat anlapt har hem dat had aangedaan (Bei), Dat heb ik hum mooi anlapt te duur verkocht (Klv) 3. te grazen nemen (Zuidoost-Drenthe) Ik zal hum wal even anlappen (Sle) 4. aangegeven, aanklagen (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) Hoe kun de man dat doen, um hum an te lappen bij de politie (Exl), Ze hebt hum der goed an elapt, hij was er vies bij (Hgv), Het is wal singelier dat ze Jan non net pakt hebt; ie zullen zeggen, die mot haost anlapt wezen (Hijk), Ik zal ’t er oe anlappen bedriegen (wb)
aanlaten, anlaoten, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. aanlaten Hij hef het locht anlaoten (Bov), Laot de kachel mar an (Hol) 2. toenemen in melkproductie Hoe giet het met dat veersie? Nou, hij lat nou mooi an (Noo), Wij hebt een mooi naozommer, de koenen laot nog weer an (Hoh), Zie bint weer anlaoten (Sle), zie ook toelaoten
aanleg, anleg, de, aanleg, aangeboren talent Schildern, daor hef hij wal anleg veur (Bco)
aanleggen, anleggen, sterk, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanleggen Die toen zal ik je wel anleggen, dat kuj zölf toch niet dooun (Eex), Een legge anleggen klaarleggen (Dwi), Ik bin an de beurte, maor ik kan niet anleggen bij het dominospel (Hgv), Leg even een stobbe an bij het vuur (Pdh), Wij moet het vuur mar even anleggen, want het is kold boeten (Man), Aj wilt bakken dan muj het fernuus anleggen (Hgv), Het kiend anleggen de borst geven (Hol) 2. aanpakken Hie wust niet meer hoe hie het anleggen mus (And), Aj het een beetien zunig anlegt, dan ... zuinig tewerk gaat (Ruw), Zie hebt het daor raor anlegd gek gedaan (Odo), Hij hef het weer völ te groot (Pdh), …te groots… (Twe), …te hoog…(Zwe), …te bried an elegd (Dwi) 3. een begin maken met het werk Het hoes anleggen beginnen met het metselwerk (Sle), De voet anleggen van een reitdak (Oos), De reitdekker mus het begun even sekuur anleggen (Nor), Wie mouten vout aanleggen van dai twaide korenbulde (Vtm) 4. (doen) aanmeren Het schip mot bie de sluus eerst anleggen veurdat hij schut wordt (Bco), Wie willen nait verder vaoren en mouten het schip mor aanleggen (Twe), (fig.) Even anleggen en een borrel kopen café bezoeken (And) 5. kontakt maken of zoeken met Zij legt het mit Jan en alleman an (Die), Die jong wol het met die meid anleggen haar proberen te versieren (Eke) 8. aanleggen van een geweer Hoger anleggen, anders schiet ij der underdeur (Dal)
aanlengen, anlengen, zwak werkwoord, overgankelijk, verdunnen Aj niet genog hebt, dan moej het maor wat anlengen met water (Emm), Varve lenge wij an mit tarpentien (Hav), Ie mut het pannekoekenbeslag misschien nog een beetien anlengen (Pes)
aanleren, anlèren, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanleren Ie mut oe gien slechte manieren anleren, want aj het eenmaol an eleerd hebt, dan valt het niet mit um het weer of te leren (Hol), Ik heb mij dat breien zölf anleerd (Gie) 2. meer leren IJ hebt dat kindtien al aordig anlèerd al heel wat geleerd (Sle), Die is der aordig met anlèerd (Oos), Die mut nog wat anleren, dan kan hij het wel (Dwi), Oh, kiek is an, hij leert er al mooi met an (Gas)
aanleveren, anlevern, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. opleveren Dat kuj wel geworden laoten, dat levert niks an (Klv), Het regent al ’n toertien, mor het levert niet an het stelt niet veel voor (Zwin), 2. leveren We kunt weer rooien, want we bint an eleverd hebben alles geleverd, wat volgens contract moest (Wap), As iene in vief porties mut lèvern, dan mut hij nog veier anlèvern (Hgv), Aj maar betaalt, wil de maalhandelaar wel anlèvern (Ruw)
aanliggen, anliggen, sterk werkwoord, onovergankelijk, aanliggen We zagen de motte mit de biggies anliggen de biggen bij de zeug liggen (Hgv)
aanlijmen, anliemen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanlijmen ’t Tuitien van de theepot, kan dat nog weer anliemd worden? (Pdh)
aanloensen, anloenzen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = scheel aankijken Hij loenste mij an van under zien dikke wenkbrauwen (Nam)
aanloeren, anloeren, zwak werkwoord, overgankelijk, loerend aankijken Met zien allen stunden ze hum an te loeren (Pdh), Hij stiet mij aal an te loeren, mor zeg niks (Man)
aanloop, anloop, de, aanloop Ik make een anloop um aover de sloot te komen (Stu), Hij nam een grote anloop, mar hij kwam midden in de sloot terecht (Klv)
aanlopen, anlopen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. treffen, oplopen, (te pakken) krijgen Die is nooit gien kerel an elopen, ze zal wel blieven lopen (Wsv), Aj een vlo bij je hebben, vraogen ze: Waor loop ie die an? (Klv), Wat een aparte klokke, waor hej die an elopen? (Bro), Gaot toch niet uut mit dit hondeweer, ie zullen der een ziekte bij anlopen (Ruw) 2. aanlopen, schuren De ketting van je fiets lop an (Ass), As het rad van de wagen anleup, dan reupen wij: gierige boer of: luie smeerder (Odo) 3. bijhouden, inhalen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) Hij kan gien haos meer anlopen (Row) 4. weten, gewaar worden Ik bin het toevallig an eleupen (Flu), Ja, det weet ik al, det is mij gister an elopen (Pes), Die dee net, of hij nargens wat van anleup (N), O, bi’j dat niet an elopen? gewaar geworden (Hol) 5. meelopen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Daor zit er in de karke, die lange niet schone bint onder het vessie, en de doomneer lat ze maar zo mit onder de stok anlopen... neemt ze als een herder onder de hoede (ui) 6. duren (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) Dat löp nog wel even an, veur as het zowied is duurt nog wel een tijdje (Noo) 7. dekken (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Wij hebt die hond anlopen laoten (Sle), Het wicht was anlopen in verwachting geraakt (And), Daorum leuit e zien sigaret even anlopen bij die van Jopk (Eex), zie ook bokken 8. een kleur krijgen Hij leup helemaol rood an, toen de jongen hum met zien meid plaogden (Hijk) 9. op het eind zijn De startklokke is an elopen, ik hebbe vergèten de gewichten op te trekken (Hgv), Nou is het rad ok nog an elopen zit muurvast (Hol), (fig.) Ik ben der mit anlopen ik kan niet verder (Wtv) 10. binnenwippen Dokter komp geregeld even anlopen (Bal) 11. sneller lopen Ie moet anlopen, aans kooj te laete (Dwi) 12. oplopen Het lop tegenwoordig nogal wat an, aj wat doun laoten (Eel), Het volk lop aal nog wat an er komen steeds meer mensen (Bor), Het druppelde wat nao, zodat het nogal wat anleup (Schl), Dat akker lop schuun an loopt op (Coe) 13. in De wind lop hoger an, wij zult wel winter kriegen gaat naar het noorden (Geb)
aanloten, anlotten, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe) = door loting aangewezen worden Hai is anlot en mout in dainst (Zui), ...mar hij hef een remplaçant ingeloot voor mil. dienst (Pdh), Het tegenovergestelde van anlotten is vrijlotten (Sle), ...oetlotten (Bco), (fig.) Mien breur is an elot moet trouwen (Die)
aanlunzen, anlunzen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Kop van Drenthe) = plaatsen van een ring bij slijtage aan het wiel Die waogen is zo roem, wai moeten hom wat anlunzen (Row)
aanlurken, anlurken, zwak werkwoord, onovergankelijk, opschieten met drinken Een beetie anlurken, jong (Dwi)
aanmaaien, anmèeien, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. een begin maken met het maaien Aw nou even die kamp anmaaien, dan kuw morgen begunnen te bindern (Klv), Wij zullen de houken even anmaaien (Een) 2. opschieten met het maaien IJ moet een beetien anmèeien, aans kriew het er vandage niet of (Oos) 3. afmaaien (Midden-Drenthe) Dat hooukie hef het mesien staon laoten, die moew met de zwao anmeien en dan gaow hen hoes (Eex) 4. bijhouden met maaien (Kop van Drenthe) Hij kun hom lang niet anmaaien (Row)
aanmaakhout, anmaakholt, het, 1. aanmaakhout Hij har der een beste bult anmaakholt zitten (Bco) 2. (verkl.) aanmaakhoutje Ik wol het vuur anmaken, mar de anmaakholties waren op (Sle)
aanmaakturf, anmaaktörf, de, aanmaakturf Onder de bolster zat het grauwveen. Dat is het veen, waor as anmaaktörf van maakt worde (Pes), Veen, waor veul stokwortelresten inzaten, weur kleine törf van graven, anmaaktörf (Wei), De lichte törf weur teruggegooid of gebruukt as anmaoktörf (Gro)
aanmaken, anmaken, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. opschieten Ie mut wat anmaken, ie schiet niks op vandage (Koe) 2. ontginnen Wij wilt nog twie bunder heide anmaken (Wes) 3. aansteken Zie mussen al bietied de kachel anmaken (Bov)
aanmanen, anmanen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanmanen, aansporen Wij zult hum is weer anmanen, as ie ok is betalen wil (Ker), Ik moe hum aal anmanen, hie schöt niks op (Sle)
aanmatigen, anmaotigen, zwak werkwoord, overgankelijk, of wederk. = 1. zich aanmatigen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) Hij maotigt hum hiel wat an en uut wat veur nust komp hij? (Ruw) 2. (zich) aanwennen (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Hai het hom ’n male gewoonte anmaotigd (Rod) 3. zich aanpassen (Zuidoost-Drents zandgebied) Zie hebt heur hier goed anmaotigd in het dörp (Bor) 4. (zich) toeëigenen (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Aj hum zien gang laot gaon zul ie zuk alles anmaotigen (Eli), Nou maotigt hij hum het recht van aoverweg an, mar hij hef der gien letter van op papier (Koe) 5. opporren (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Die meuj wat anmaotigen, aans komp hij niet mit (Pes) 6. aandacht schenken aan (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat muj niet anmaotigen (Hol)
aanmatigend, anmaotigend, bijvoeglijk naamwoord, 1. aanmatigend, arrogant, opdringerig (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Die kerel treedt altied zo anmaotigend op (Ass), Umdat hij nogal wat geld hef, meent hij dat hij anmaotigend kan weden (Bei) 2. bemoedigend (Zuidwest-Drenthe) Anmaotigend waren zien woorden niet (Flu)
aanmeerderen, anmèerdern, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. meer worden, groeien Ze bint met een klein spullegie begund, mor ze bint aordig anmèerderd (Bei), De iemen van dat leste zwörm bint mooi anmeerderd (Bor), Hie is in het juur aordig anmèerderd, hie zal wel gauw kalven (Sle), Dat kind mot beslist wat anmèerdern (Wee) 2. meer steken maken bij het breien Wij mut naor baoven wat anmeerdern (Hol) *Jong volk in lege körf, dat meerdert altied an (Zdw)
aanmelden, anmelden, zwak werkwoord, overgankelijk, wederk. = aanmelden Der hebt zuk nog niet veul anmeld veur de scheuvelwedstrieden (Bor), Hij meldt hum wel an durft wel veel in het bord te scheppen (Dwi), Hie hef zuk zölf anmeld zichzelf naar voren geschoven (Sle)
aanmengen, anmengen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, aanmengen IJ moet het dieg anmengen, het is te stief (Sle), Het mut nog een beetien an emöngen wörden mit wat sago, aans is de bessensap te dunne (Koe)
aanmennen, anmennen, sterk, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. sneller rijden Ie moet een beetie anmennen, der komp een bui an (Hoh) 2. aanporren Die jong moei aaltied anmennen, aans komp e niet klaor (Zwi) 3. bij de dorsmachine of korenmijt brengen Dei paar vouers meuj nog even anmennen (Bov)
aanmerken, anmarken, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanmerken Het was goud, der was niks op aan te maarken (Eco) 2. van een merk voorzien De bomen, dei kapt zolden worden wurden anmaarkt (Vri)
aanmerking, anmarking, anmarken, anmaarken, anmarkings, Ook anmarken (Zuidoost-Drents zandgebied), anmaarken (Kop van Drenthe, Veenkoloniën). Var. als bij marken = aanmerking Het is een goeie vakman, dar hebt ze gien anmerkings op (Dwij), Dei anmarkings, door kanst doe nog wat van leren (Bov), Hij har er nooit gien aanmaarkens op (Wtv)
aanmesten, anmessen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe) = door mesten een dier doen groeien Dat is nog een mager biestien, dat moej nog wal flink anmessen (Ndo)
aanmeten, anmeten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanmeten Ik laot mai een naai pak anmeten (Row) 2. een pak slaag geven Aj oe niet stille holdt, zal ik oe ies even een pakkie anmeten (Rui), Hij mette hum der eine an (Bco) 3. met grote passen lopen Daor komp Jan ok weer anmeten mit zien lange bienen (Eri) 4. bijhouden (Zuidoost-Drents zandgebied) Ik kan hum niet anmeten (Sti)
aanmodden, anmodden, zwak werkwoord, overgankelijk, (wb) = aantijgen
aanmodderen, anmoddern, zwak werkwoord, onovergankelijk, blijven knoeien Wij laot heur mar wat anmoddern, het zal wel terechte komen (Koe)
aanmoedigen, anmoedigen, zwak werkwoord, overgankelijk, Var. als bij moed = aanmoedigen, aanporren Kwaod muj nooit anmoedigen (Pes), IJ mukt hum wal is anmoedigen, aans kreg e gien meid (Pdh)
aannaden, annaoden, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. aanspreken Daor zal ik hum nog ies over annaoden (Zdw) 2. aansmeren Dat heb ik mij mooi an laoten naoden (Zdw)
aannagelen, anniegen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = vastklinken De scheer is in twie stukken, hie mut anniegd worden (Sle)
aannemelijk, annimlijk, anneimlijk, annemlijk, annemellijk, Ook anneimlijk (Kop van Drenthe), annemlijk (Midden-Drenthe), annemelijk(Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe). Voor verdere var. z. nimmen = aannemelijk Zie hebt dat niet annimmelijk maken kunt (Sle), Veur elk anneimlijk bod geit e vort (Vri)
aannemeling, annemeling, de, annemlingen, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = kind dat aangenomen wordt in de kerk of belijdenis doet Zij waren mit veer aannemelingen (Ros), zie ook annimmer
aannemen, annimmen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aannemen, geloven, aanvaarden Heb ij de bouw van dat hoes annummen? (Dal), Je kunnen niet alles annimmen, wat er zegd wordt geloven (Pei), Ik mag annimmen daj der alles van weeit veronderstellen (Eex), Die beuze motte wil de keunen niet annemmen (Dwij), Het poppie wil (de börst) niet annemen (Dwi), Het peerd wil het bit niet annimmen (Emm), Dat veurstel is met meerderheid van stemmen an eneumen (Rui), Ik har al lang scheuten, dat e de ram wal annam wel zou kopen (Sle), As het zwien laoter in het zolt zet wur, dan mussen ie een borrel drinken, want aanders wol het zwien gien zolt annemen (And) 2. aanpakken Wi’j die brief even annemen? (Die) 3. in dienst nemen Veur dat baantie bin ik an eneumen (Eli) 4. adopteren Het is heur dochter niet, zij hebt heur as klein kind al an enèumen (Ruw) 5. toetasten (Zuidoost-Drents zandgebied) IJ moet je niet neugen laoten, mar annimmen (Sti) 6. aannemen als lidmaat (prot.) of plechtige H. Communie doen (r.-k.) Aj vrogger anneumen weurden, kreej vaak een lakens pak (Oos), De kinder wordt zundag annomen, dan is het kinder-annemen (Bco) 7. bevestigen van een nieuwe wijkgraver (Zuidoost-Drents veengebied, Schn) ‘Als een wijkgraver in de ploeg aangenomen werd, werd daarbij wel eens een half liter of een fles drank bij bedongen’ (Eri)
aannemer, annimmer, de, annimmers, 1. aannemer Dei annemer most doe nich nemen, dei is veuls te duur (Bov) 2. kind dat aangenomen wordt in de kerk of belijdenis doet (Zuidoost-Drenthe) Hoeveul annimmers bint er dit jaor? (Zwe), Met Paosen wassen der aaid annimers (Sle), zie ook annemeling 3. ober (Kop van Drenthe) Aannemer, twei koffie (Vri)
aannemersavond, annimmersaovend, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = avond waarop men belijdenis doet (Pdh)
aanneming, anneming, annemming, annemings, (prot.). Ook annemming (Midden-Drenthe) = doen van belijdenis Mit de anneming van de neie lidmaoten was de karke vol (Dwij), De annemming van lidmaoten was veur virtien daogen al (Eex)
aanneuken, anneuken, zwak werkwoord, overgankelijk, (grof) = sigaret etc. aansteken steken aan andermans sigaret Neuk mij die sigaret ies even an (Hijk), Neuk mij even an (Wee), zie ook bokken
aanneuzelen, annusseln, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. beuzelen, talmen Hij nusselt aal mor wat an (Gie), Die schöt niet op, die zit aal an te nusseln (Anl) 2. opschieten Ik murre nou wel annusseln, aans koon’k niet klaor (Dwij), zie ook anhusseln
aanouderen, anaoldern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = zichtbaar ouder worden Sjonge, jonge, wat is die ok anaolderd, niet? (Nam)
aanpaarden, anpeerdjen, anpirdjen, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook anpirdjen (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = 1. aansporen Oet zien eigen is e wat langzaam; ie meut hum geregeld wat anpeerdjen (Bov) 2. opschieten Wai mugt wel wat anpeerdjen, aans kow niet kloor (Eev)
aanpak, anpak, de, 1. aanpak Mit disse anpak komt er van de kinder niks terechte (Bov) 2. kleinigheid (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het was maar een anpak, wij waren der zo mit klaor (Bro), zie ook handtast
aanpakken, anpakken, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aannemen Wist doe dit wel even anpakken? (Vtm), As ze je wat geven wilt, moej het niet anpakken (Coe), Pak mor een stoel an pak een stoel (Eri) 2. hard werken Die man wet wel van anpakken (Eli), Aw met mekaar anpakt, is in een mum van tied de baan veegd (Exl), Aj veuroet wilt in de wereld moej anpakken (Scho) 3. te werk gaan Hoe zuw dat nou ies anpakken? (Mep) 4. onder handen nemen As der wat van die jongen terecht zal komen, mut ze hum ies goed anpakken (Noo), As ene van de beide zusters uut de tied komp, kan de femilie de aander nog neet anpakken aanspraak maken op haar deel (Rui) 5. ermee beginnen Hij hef het vandage pas anpakt (Sle), Ik heb net een neie flesse bonen an epakt (Pes), Wij hebt de schenk oet de wiemel haold; die wil wij vanmiddag anpakken aansnijden (Rol)
aanpakker, anpakker, de, anpakkers, 1. iem. die aanpakt Dat is een anpakker, dei weit wat e wil (Bov) 2. iemand die je ineens vastpakt en/of bang maakt (Zuidoost-Drents zandgebied) Den stund bekend as een anpakker (Pdh)
aanpalen, anpaolen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe) = aan een paal vastbinden As wij ’s aovends hen melken gungen, zee oes pap: Wost doe die koenen even anpaolen? (Gas)
aanpanden, anpanden, (N) = pand nemen door het gerecht
aanpappen, anpappen, zwak werkwoord, onovergankelijk, aanpappen, vriendschap zoeken Aj met hum anpapt, hoef ie bij mij niet weer te kommen (Eri), Die jong hef mooi met die meid anpapt (Eke), Die papt met elk an (Sle)
aanpart, anpart, het, (Midden-Drenthe, veroud.) = aandeel ‘Ik heb nog wel oude acten van de schulte van Anloo van omstreeks 1800, waarin telkens geschreven wordt van het bezitten van een anpart in vooral bospercelen, bij de markescheiding toegewezen aan groepen van drie tot tien eigenaren’ (Eex)
aanpassen, anpassen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanpassen Veur alle zekerheid zu’k die brook eerst wel even anpassen (Eli) 2. het lef hebben (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Hij mut het niet anpassen iedere keer zo’n lawaai te maken (Flu), IJ mut mij niet anpassen um hen die meid te gaon (Sle), Dat meuj mij nou niet weer anpassen, daj zo weggaot (Rui) 3. zich aanpassen Je moet je bij de buurt anpassen (Gas), Hij mus vandage begunnen, maor het was wel aanpassen (Noo)
aanpegelen, anpegeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = slaan, een klap geven Zal ik joe der ien anpegeln? (Klv)
aanpeuteren, anpeutern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = doorwerken Ie mut wat anpeutern, aans kowe niet klaor (Hol)
aanpezen, anpezen, zwak werkwoord, onovergankelijk, opschieten Een beetie anpezen, wij wilt op tied hen huus (Dwi)
aanpielen, anpelen, zwak werkwoord, onovergankelijk, alsmaar bezig zijn met iets Hie peelt aaid an met de kinder (Wee)
aanpietsen, anpietsen, anpietsken, Ook anpietsken (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. aanjagen Het olde peerd muj altied wat anpietsen (Pei), De jonge mus de koenen wat anpietsen opjagen (Flu) 2. strak aantrekken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ie mut dat touw goed anpietsen (Pes), Niet zo stief anpietsen! (Hol)
aanpijpen, anpiepen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = 1. een pijp opsteken Kom, laote wij mar ies anpiepen (Ker), Even flink anpiepen, dan hej hum zo in de braand trekken (Schn) 2. een praatje maken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Der stund wat volk, daor gunge wij zo bij anpiepen (Pes) 3. opschieten (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij maag wel wat anpiepen, aans komp e nooit klaor (Row), Een beetien anpiepen mit het wark (Zdw)
aanpikken, anpikken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanpikken Die eerdebezen gaot de veugels bij, want die bint an epikt (Pes), De eier bint al anpikt deur de aksters (Pdh) 2. vastmaken Hij wol de karre anpikken, mar do paste, … peus de hake nich (Bov) 3. vastmaken bij het lassen Met lassen moej eerst even op een paar steden anpikken (Klv)
aanpikkertje, anpikkertie, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bep. knipperspel Mit die pikker kuj mooi anpikkertie doen (Ker)
aanplak, anplak, de, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. de plaats waar men anplak roept bij verstoppertje of blikspuiten, wanneer men een van de gezochten heeft gezien en de naam van die speler roept: Anplak Jan! (Oos) 2. verstoppertje met anplakken (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Wij doet anplak (Zwin), zie ook anplakkertien
aanplakbord, anplakbord, het, bord waarop aankondigingen worden aangeplakt Het hunk op het anplakbörd (Bro)
aanplakken, anplakken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanplakken Iedereen kun het weten, want het stun anplakt (Anl) 2. aftikken bij verstoppertje Die is al anplakt; die is of (Sle), As iene een strohood dreug gunge wij die anplakken tellend ergens op slaan (Die) 3. aansmeren Ik laode mij deur die jeude niks anplakken (Eli) 4. omgaan (Midden-Drenthe) Zie plakt met mekaor an gaan met elkaar om (Gie)
aanplakkertje, anplakkertien, het, spel, verstoppertje met anplak. As kiender speulden wij vake anplakkertie (Hgv), Anplakkertien is een oftikspullegien (Emm) z. ook plak an, anplak
aanplakplaats, anplakplaos, anplakstee, Ook anplakstee = 1. plaats waar aankondigingen werden aangeplakt 2. term bij verstoppertje, de plaats, waar men anplakte Anplakplaotsen waren an schuren en bomen (Zwe), zie ook anplak 3. plaats om bijeen te komen (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Volk dat geregeld bij de weg is, hef ok vaok een anplakstee waor ze angaot; ze zit daor vaok een toer te plakken (Vri)
aanplanken, anplanken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Var. als bij plank = planken tegen iets bevestigen Wij hebt de schuur opnei anplaankt van planken voorzien (Emm), As de stiepen staot, kuj de waand anplaanken (Wsv), De schobben anplaanken (Dwi)
aanplant, anplant, de, aanplant De jonge anplant hebt ze estèulen (Hgv)
aanplanten, anplanten, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanplanten Hier gaot ze bos anplanten; ze wilt er laoter riggelpaolen en oplangen oethaolen (Eex) 2. beplanten Wij moet het aarf nog wat anplaanten (Dwi), Een houk grond met dennegies anplanten (Nor) 3. aanzetten Hij hef ok wèer een stuk bij die olde schure anplant (Hijk) 4. overbrengen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die griep hef hij mij an eplaant (Hol), zie ook anpoten
aanplassen, anplassen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest Drenthe, noord) = merken van bomen door een stukje bast te verwijderen Bomen, die der uut moeten, worden an eplast (Vle)
aanpleisteren, anpleistern, zwak werkwoord, overgankelijk, pleisteren Die mure mut nog an epleisterd wörden (Ruw)
aanpletten, anpletten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = plat maken Gezèeide beddegies muj anpletten (Exl)
aanpoezen, anpoezen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanblazen De kachel is haost oet, wij moet hum even anpoezen (Eke)
aanporren, anporren, zwak werkwoord, overgankelijk, opporren Dende moej geregeld anporren, aans döt e niks (Oos)
aanpoten, anpoten, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. opschieten, flink doorwerken Even anpoten, jong, aans kooj niet klaor (Dwi) 2. met een ziekte besmetten Ik bin verkolden. Kom niet te dicht bij, ik kan je zo anpoten (Sle), Ie bint zo verkolden as een katte, ik begère neet, dej het mij anpaot (Rui)
aanpotten, anpotten, zwak werkwoord, overgankelijk, sparen Aj der deur bint, dan gaoj an het anpotten (Sle), Elke maond wat naor de baank, det kan nao jaoren mooi anpotten oplopen (Ruw)
aanpraten, anproten, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanpraten, aansmeren IJ moet je in de winkel niks an laoten praoten (Coe), Zij hef de kiender de schrik an eproot (Hgv) 2. doorpraten Hai prat maor aal an, gienain kan der een woord tussen kriegen (Eev) 3. (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) overhalen Hie hef mij der toe anprot um met te doen (Sle), Ze hebt net zo lang anproot, tot ik met gung op reis (Dro)
aanpreken, anpreken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = aansmeren Eer ik der op verdaacht was har e mij al een koppelie pannen anpreekt (Eex)
aanpresenteren, anpresenteren, zwak werkwoord, overgankelijk, aanbieden Het is mooi anprissenteerd, mar ik wil gien meer hebben (Hav), Non moej je niet aal anpresenteren laoten laten uitnodigen om iets te nemen (Anl), Zal ik je een borrel anpresenteren? (Row), Die man kuj gerust anpresenteren, die kent dat wark aanbevelen (Klv)
aanpriegelen, anpriegeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = aansmeren Pas op heur, hie probeert je wat an te priegeln (Bor), Ze wilt mij dat boek anpriegeln (Dro)
aanprijzen, anpriezen, sterk werkwoord, overgankelijk, aanprijzen Ie hoeft oen spul niet zo an te priezen, ik zal het zölf wel bekieken (Eli)
aanprijzen, anpriezen, sterk werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) = van prijsjes voorzien Ze hadden alles an epriesd, ie hoefden niks te vraogen (Ruw)
aanpunten, anpunten, zwak werkwoord, overgankelijk, van een punt voorzien Wi’j die draodpaolen nog even anpunten? (Hijk), Die potlood moej even anpunten, want daor kuj zo niet met schrieven (Zwig)
aanraden, anraon, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, aanraden, aanbevelen Ik zul je niet anraon um met die hette lopend hen Zweel te gaon (Oos), Dat kan ik oe mit een gerust harte anraoden, het is wel goed (Geb), As ik je anraoden mag, dan mooj vanaovend mor ies vro hen bedde gaon (Hoh)
aanraderij, anraoderij, de, het aanraden Op anraoderij van aandern hef e dat hoes kocht (Bei), …is e nog een maol trouwd (Sle), Je moeten je eigen kop volgen en je niks van die anraoderaai antrekken (Row), Wat een raere anraoderije dat is een gek advies, daar zit wat achter (Dwi)
aanraken, anraken, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, aanraken Daor moej niet anraken, want ik heb dat kommegien liemd (Oos), Raak mij niet an, alles dut mij zeer (Scho), Hij mag heur niet eens meer anraken (Rui)
aanraking, anraking, anraoken, anrakings, Ook anraoken (Veenkoloniën, Kop van Drenthe). Var. als bij raken = aanraking Hij kwamp mit verkeerd volk in anraeking (Die), Ik har hom een toer neit zein, maor lest kwam ik zo weer met hom in anraoken (Vri), Hij hef mit de zende in anraoking west verwondingen opgelopen door de zeis (Zdw)
aanranden, anranden, anraanden, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook anraanden (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. aanranden Zij hebt dat maegie op klaorlichte dag an eraand (Die) 2. ter sprake brengen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij raandde mij er over an bracht het bij mij ter sprake (Zdw)
aanrecht, aanrecht, anrecht, aanrechten, Ook anrecht = 1. aanrecht Het petereulielochie steit op het (a)anrecht (Vri), De vrouw stun veur het aanrecht de koppies te wassen (Bui) 2. latwerk buitenshuis, soms om melkbussen, potten en pannen enz. op te drogen (wb)
aanrechtborstel, aanrechtbörsel, de, (Midden-Drenthe) = borstel gebruikt op het aanrecht
aanrechtkeuken, aanrechtkeuken, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = achterkamer die tevens als keuken dient
aanrecommanderen, anrikkemederen, anreklameren, anreklemeren, anrekkemederen, anrikk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook anreklameren (Zuidoost-Drents veengebied), anreklemeren (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Veenkoloniën), anrekkemederen (Zuidoost-Drents zandgebied), anrikkelemeren (Zuidwest-Drenthe, zuid. Zuidoost-Drents zandgebied), anrekommanderen (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied), anrekemederen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = aanbevelen Dat boek kan ik je anrikkemederen, het is een goed boek (Sle), Die man kan ik je anrekemederen, het is een harde warker (Oos)
aanredderen, anreddern, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. bezig zijn met karweitjes As de kinder in huus bint, kuj altied wel wat anreddern (Coe) 2. aanvegen, opruimen De dèle mut nog an eredderd worden (Hol)
aanreden, anrien, anreden, anrieden, anreen, (Zuidoost-Drents zandgebied, wb). Ook anreden, (Zuidoost-Drents zandgebied, wm, wb), anrieden en anreen (wb) = 1. nauwer maken door een band of door te plooien (Zuidoost-Drents zandgebied) Ik moe de schoet nog even anreden (Sle), Ik moe het wat stiever anreden (Sle) 2. het garen voor linnen en wollen stoffen zelf spinnen (wm)
aanregelen, anriegeln, anregeln, Ook anregeln (Zuidwest-Drenthe, zuid) = in groten getale opkomen Het was almaol auto’s, het riegelde mor an (Row), Ik ware bang dew gien ruumte genog harren, het volk regelde mar an (Koe), Aj wat bosschöppen hebt, regelt dat al gauw wat an (Pes)
aanreiken, anrekken, anrieken, anreiken, anraiken, zwak werkwoord, overgankelijk, Ook anrieken, anreiken, anraiken (Kop van Drenthe) = aanreiken Kuj mij die stoel wel anrekken? (Hgv), Rek mij die vork ies an (Oos), Riek mij de sukerpot even an (Sti)
aanreiker, anrekker, de, anrekkers, (Zuidwest Drenthe, noord) = degene die aanreikt of aandraagt op een boeldag
aanrekenen, anreken, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanrekenen Dat kuj hum eigenlijk niet anrèken, hij is niet wiezer (Hol) 2. bedenken Reken ies an, dat de eier veur 20 jaor niks meer kostten as nou (Ker)
aanremmen, anremmen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = omver trekken Wij gaot die koe anremmen (Man), zie ook remmen
aanreppen, anreppen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. opschieten Je muggen wel wat anreppen, aans koj te laot (Row) 2. opnieuw over praten (Kop van Drenthe) Dat geval moej niet weer anreppen (Row)
aanrijden, anrien, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. opschieten met rijden Ie mout wat anrieden, het is al zo laot (Ros) 2. aanrijden Hij hef mij anreden, toen ik stille stund (Geb), Hij kwam der zo mooi veurzichtig anrieden(Bov) 3. inrijden, beleren (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Det jonge peerd mut goed an erene wurden, want hij kent nog niks (Koe)
aanrijding, anrieding, de, anriedings, aanrijding Ik heb een anrieding had. Het was niet mien schuld, mar wat koop ik daor veur (Nam)
aanrijfsel, anriefsel, het, (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = bijeengeharkt hooi of stro, z. ook anharksel
aanrijgen, anriegen, sterk werkwoord, overgankelijk, (Zuid-Drenthe) = rijgen As ie oe verveelt, kun ie disse krallen wel ies anriegen (Ruw), Bonnen anriegen um te dreugen maar: appels inriegen…(Sle)
aanrijgen, anrijen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe) = oprijgen Nou kuj die krallen wel ies anrijen (Hgv)
aanrijpen, anriepen, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. rijp worden De rogge riept mit dit weer mooi an (Zdw) 2. narijpen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Aj tomaten in het donker legt, kunt ze mooi anriepen (Hijk)
aanrijven, anrieven, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = aanharken Die wennings moej nog even anrieven (Sle), Met een trekrief, door wör de stoppel met anreven (Eev)
aanrit, anrit, de, anritten, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = oprit Wij moet de baanstraote neug ies anheugen, de anrit is gewoon een slegge (Hav)
aanroepen, anroepen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. meenemen, roepen om mee te komen Wij bint wend daw hen de zang mekaar anroept (Exl), Zij gaait er langes; moej heur even anroupen (Een), Woj mij veur de vergadering wal even anroepen, dan gaow te hoop hen (Oos) 2. omroepen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord) De paander rup het bedrag an, woor het op inzet is bij de palmslag (Sle) 3. de zaak of de partijen aanroepen, op de rol of terechtzitting uitroepen (dva)
aanroeren, anreuren, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. roeren Het beslag moej flink anreuren en zörgen dat er gien klonties in blieft (Oos), Eerst èven anreuren en dan de rest erbij indoen (Hol) 2. aanroeren Zie hebt het nog wal even anreurd, mor wieder is er niks over zegd (Sle), Wat west is, is west. Dat moej niet weer anreuren (Eex), Altied die olde kwesties weer anreur is barre vervelend (Noo) 3. aanraken (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Reur mie dan is an, ast het waogen duurst (Bco) 4. aanscheppen (Zuidoost-Drents veengebied) Mit eerappels schepen moej de eerappels bij de bult anruren (Klv)
aanrommelen, anrommeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. rommelend geluid maken Het hef de hiele middag anrommeld, maor der komp niks van die dunder (Bor) 2. scharrelen, rommelen Hie rommelt wat an met de belasting (Sle), Ze rommelt mar wat an en koomt hoe langer hoe dieper in het moeras (Eli) De man is old, laot hum maar wat anrommeln (Mep), zie ook anroegen
aanroppen, anroppen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = met een ruk aantrekken Het pèerd ropte nog een maol an en de strengen waren kepot (Oos)
aanruigen, anroegen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe) = aanrommelen Toou mor, roeg mor wat an, het komp niet zo nauw (Eex)
aanrukken, anrukken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanrukken Laot even een neie krat bier anrukken (Nam) 2. met een ruk aantrekken Het pèerd rukte nog even an en doe lag de voorstien der oet (Sle)
aanschaffen, anschaffen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanschaffen Aj alles wilt anschaffen wat er te koop is, is het hoes te klein (Zwin)
aanscheid, anscheid, inscheid, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Ook inscheid (wb), in anscheid geven tracteren, vaak op jenever, als men ergens nieuw kwam wonen of bij de groten (Sle) of jongbaozen kwam, d.i. bij de jongens van zestien en ouder (Zwe), of wanneer men als nieuwe werkkracht aantrad As vroouger um mei er neie knechten of meiden in het durp kwammen, dan mussen die anscheid geven dan moesten ze de jeugd trakteren (And), ook: trakteren om in de dorpsgemeenschap opgenomen te worden (Bor), Vrömde jonges die bij oes in het darp komt wonen, moet anscheid geven in de vorm van een half liter jenever (Oos), Olde caféholler gaf ofscheid, en neie gaf anscheid op dezelfde aovend (Dro)
aanscheiden, anscheiden, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = bij bestaande percelen trekken van een stuk land Zie hadden der een stuk grond bij anscheiden (Oos), Je kunt dat stuk wel bij dat van jou anscheiden (Bal), Dat perceel is aordig groter worden deurdat er een hoouk bij anscheiden is van de boerschup (And)
aanscheiding, anscheiding, de, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord, Kop van Drenthe) = 1. stuk anpalende woeste grond, ontgonnen ter vergroting van een bestaande akker Elk jaor ploegde de boer een paar voor van de anscheiding bij de akker an (Bor), Daor is nog een stukkien woeste grond, daor maak wij een anscheiding van (Oos), De anscheiding van de wal veur de akker hew anmaokt in cultuur gebracht (Schl) 2. het bij het cultuurland aantrekken van pas ontgonnen grond (Midden-Drenthe) Deur de aanscheiding van het ontgunnen laand hef ie een mooi stuk laand kregen (Rol), zie ook ansluting
aanschellen, anschellen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, veroud.) = aanbellen Hij hef twei keer an escheld, mar de deure kwaamp niet lös (Hgv, veroud.), zie ook anbellen
aanscheren, anscheren, in iene de gek anscheren de gek aansteken, voor de gek houden (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Nou muj opholden hum de gek an te schèren (Hgv), Ik laot mie nich de gek anscheren (Bco)
aanscherpen, anscharpen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanscherpen Ik mur eerst het potlood wat anscharpen (Ruw), De zende anscharpen (Eri), Die breeif is wat slap, die moej wat anschaarpen (Eex), Zo kunden ze de stried nog wel anschaarpen (Eel), Hij lat zuk veur een dubbeltien een bonenstok op de kop anscharpen van een zuinig persoon (Coe)
aanschieten, anschieten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanschieten, niet dodelijk raken Ze hebben ons hond aanschoten (Erf), Der leup een angescheuten haeze, die was pas an escheu allennig mor anscheeiten (Eex) 2. aanklampen As ik hum zie, zal ik hum even anschieten, want ik moet nog geld van hum hebben (Bor), Ik heb hum an eschèuten umme hum te vraogen, of hij mitdee (Bro) 3. snel aandoen Schiet de boks mar even an (Zwe) 4. melk in de uiers krijgen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Die koe schöt ok an, hie kan wal ies kalven vannacht (Sle)
aanschijten, anschieten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. bedriegen (Zuidoost-Drenthe) Die vent hebt ze mal anscheten mit dat zwien (Klv) 2. er mee zitten (Zuidoost-Drents zandgebied) Die koe bin ik mooi met anscheten; hij houwt met melken (Sle)
aanschikken, anschikken, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. (mee) aan tafel gaan Krieg maar èven een teller en schik an (Nsch), De kinder kunt wal meteten, laot ze maar anschikken (Bei), Zet het eetgerei mor taofel, dan kuw stondties zo anschikken (Zwin) 2. opschieten (Zuidoost-Drents zandgebied) Die koe is aordig anschikt, hie kan vannacht wal kalven (Sle)
aanschopperij, anschopperaai, (Kop van Drenthe), in Wat anschopperaai maoken onopvallend en zachtjes met iemand praten (Row)
aanschouwen, anschouwen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. gadeslaan, kijken naar Aanschouw dat kind zien gat ies (Oos), Machtig, aj de netuur anschouwen (Smi) 2. waarderen (ti) Wij hebt Gèert te min anschouwd (ti)
aanschrijven, anschrieven, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanschrijven Ik heb hum anschreven dat e betalen möt (Sle), Ie moot alle leden anschrieven (Die), Hie stiet goed an eschreven bij zien baos heeft een goede naam (Bro) 2. opschrijven (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) Nait vergeten, most het wel anschrieven (Vtm), Wie leuten de winkelware altied anschrieven (Bov), IJ moet even anschrieven, wat e haold hef (Eex)
aanschrijving, anschrieving, anschrieven, anschrievings, (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook anschrieven (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) = bericht, kennisgeving, oproep of bevel, meestal van officiële zijde Wij hebt wal anschrieving kregen, mar wij hebt oes der verder niet an steurd (Oos), Ik heb anschrieven had, wij mut schouw maken de sloten opschonen (Zdw), Ik heb der anschrieven van kregen, het giet wal deur (Emm), Hij kreeg ok anschrieven over dat starfgeval (Pes)
aanschrobben, anschrobben, zwak werkwoord, overgankelijk, schrobben Wos doe de geut even anschrobben? (Gie)
aanschroeven, anschroeven, zwak werkwoord, overgankelijk, vastschroeven Het fietsrad moet ik nog even anschroeven (Rol)
aanschuiven, anschoeven, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanschuiven Doe kanst zo bie taofel anschoeven (Bco), Het eten is klaor, schoef mar an (Gas), Schoef een stoel an en drink een koppie mit (Nam) 2. (op)duwen Kuj mij èven helpen de wagen an te schoeven? (Hgv)
aanschuren, anschuren, zwak werkwoord, onovergankelijk, aanlopen Het veurrad schoert an (Smi)
aansjorren, ansjorren, zwak werkwoord, overgankelijk, vastsjorren IJ moet de riem van de koffer goed ansjorren (Oos)
aansjouwen, ansjouwen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanslepen Hij mut nog hiel wat stienen ansjouwen (Geb), Eerder mussen wij de garven ansjouwen bij het opzetten van de zaod-hokken (Exl)
aanslaan, anslaon, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. pakken De boeskoolplanten begint an te slaon (Bco), De stroeken binnen goud anslaogen (Row), Zie kunt hier niet aorden, zie slaot niet an (md:Sle), De biggen slaot an, en as ze anslaot wordt ze dikker (Hol) 2. starten Wie haren het al zo drok en de motor wol ok al nich anslaon (Ros) 3. vermageren (Zuidwest-Drenthe) Det biest is wat dunnig. Och, hij is wel wat an eslagen, mar det giet nog (Ruw) 4. beginnen te blaffen Oeze honden slaot direct an, as er volk komp (Pdh) 5. opscheppen, overdrijven (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) IJ moet niet zo anslaon, elk kan wal heuren daj liegt (Wee), Die kan anslaon as de blinde vinken (Sti), Wat slat hij weer an de panne (Mep), …an de ketel (Hav) 6. helpen, effect hebben Ze hadden wal plannen, mar het sleug nich an bie de lu (Bov), Dat neie spul slat niet an wordt niet verkocht (Mep) 7. kleppen van de kerkklok (Zuidwest-Drenthe, zuid) Bij het aoverlieden van iene slèut de karkklokke eerst an en begunde dan te luun (Ruw), (...)werd de overledene verlud. Aan het anslaon kon men weten of het een man of een vrouw was (po) 8. afkondigen (wb) Zuk laoten anslaogen 9. aan de pet tikken of de hoed lichten (Zuidwest Drenthe, noord) Ie moet anslaon veur iene, die boven joe staot (Smi) 10. optrekken bij vissen (Zuidoost-Drents veengebied) Aj met stoete vissen, muj net weten, wanneer aj anslaon moet (Nam) 11. aanslag veroorzaken De blaoker van het nachtlampien was aordig anslagen (Odo), De mist slag an (Bov), Motrègen slat zo an (Hol), ...ie wordt er wel best nat van (Geb) 12. hakken (Veenkoloniën) Hij sleuig mit een houw de kaante an (Ros) 13. waarderen Ik slao hum niet zo hoog an (Bui), Wij bint deur de belasting hoog anslagen van het jaor (Eri), Dat feest is wel anslaogen (Gro) 14. een stort tegen de voorgaande of tegen de ligger zetten (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) Denk er om, neit te plat anslaon (Nor), zie ook slag
aanslag, anslag, de, 1. de aanslag van toetsen De typiste hef een vlotte anslag of: Die piano hef een zwaore anslag (Bro) 2. belastingaanslag e.d. Wat hebben wij een hoge anslag ekregen van ’t waterschöp (Mep), De anslag in de lasten wordt hoger (N:Sle), Wij hebt een dikke anslag kregen van de belasting (Dwi) 3. (moord)aanslag Het is een anslag op oen levend (Hol), Der is ain aanslag pleegd op de bankholder (Twe), Het is een anslag op de portemonnee van mij (Dwi) 4. het gereed hebben om te schieten Hij har het geweer al in de anslag (Bov) 5. drukte, veel werk Zij is nou etrouwd, mar zij hef ien heur neie huus neet veule anslag (Rui), We haren vandaege veule anslag, wij muzzen intrekken en kregen ok nog vesite (Die), Daor hej anslag met daar heb je veel werk aan (Sle), Dat café hef veul anslag (Dal) 6. gezelligheid, omgang (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Die tweie hebt heel wat anslag an mekaar (Bei), Zij har niet veul anslag omgang met andere mensen (Die), Bij de buren kuj wal anslag halen (Odo), De maais van onze buren hebt niet veule anslag kregen kregen niet vlot verkering (Koe) 7. overdrijving (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Daor is de neudige anslag bij, want dat biw wel van hum ewend (Wsv) 8. aangetimmerd hout, houten wand (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Die plaanken bint wel geschikt veur anslag an een schuur (And), De anslag van de aolde deur was niet te bried (Dal), Wij hebt er wat dunne anslag an espiekerd (Wsv) 9. aanslag op ruiten, in ketel, op tong etc. Mien regentönne zat vol aanslag (Erf), In melkbussen komp soms anslag (And), Hij hef anslag op de tonge (Dwij), Wat zit er een anslag op oen taanden (Zdw), Hij zaat onder de anslag het vuil op zijn hoofd (Dwi) 10. plankje met steel en gaatjes, waarmee de dakdekker het riet of stro aanklopt (Zuidoost-Drents zandgebied) 11. omslag, wijdlopigheid (wm, dva) 12. (Midden-Drenthe, wb), in met anslag met gebruik van buurmans paard (wb), Ik heb anslag op dat peerd recht op gebruik van dat paard (Eex) 13. tegemoetkomende houding (N) 14. (Zuidoost-Drents zandgebied), in Men hef hier de volle anslag van wind en regen vol in het gezicht (N:Sle)
aanslagbiljet, anslagbiljet, het, anslagbiljetten, aanslagbiljet Ik heb vanmörgen net weer een dikke anslagbiljet van de belasting kregen (Bov)
aanslepen, anslepen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanslepen Veur een verjaordag meuj heel wat anslepen en dan bej nog bange dat aj niet genog hebt (Hol), Kleine jongs mussen vaeke de gaarms anslepen bij het gaasten (Die) 2. aanschuren (Zuidwest-Drenthe) De ketting sleept an, hij is te slop (Dwi)
aanslieren, anslieren, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) = aanlopen De ket van de fiets sliert an (Ktv), zie ook anslieten, anslepen
aanslijpen, ansliepen, sterk werkwoord, overgankelijk, aanslijpen, scherper maken Kunj mij de punte van det potlood nog een beetien ansliepen (Bro)
aanslijten, anslieten, sterk werkwoord, onovergankelijk, aanlopen Aj met de fiets umvalt, wil het rad laoter wel ies anslieten (Eke), Het rad van de wagen slit an (Wtv)
aanslingeren, anslingern, zwak werkwoord, overgankelijk, aanslingeren Dei olde auto meuj nog anslingern (Bco)
aansluiten, ansluten, sterk werkwoord, overgankelijk, aansluiten Zie hebt oes het licht ansleuten (Sle), Wij moet ansloeten, aans kom wij nooit an de beurt (Gas), Hai hef zich bie dai vereniging ansloten (Git), As het hoefiezer de goeie maote hef sluten de nokken goed an (Dwij)
aansluiting, ansluting, de, anslutings, Voor var. z. sluten = 1. aansluiting In Wiester is nargens geen ansluting op het openbaar vervoer (Wijs), Hij hef de ansluting van de bus nich haald (Bco), Die neie mensen zeukt wel ansloeting bij het volk hier (Gas), Dei jong en wicht hebben aansloeting mit mekaor verkering (Eco), Ik kreeg direct ansluting, wij begrepen mekaar direct (Emm), Hij hef weinig ansluting het is een eenzaam iemand (Flu), Hej al gas, Durk? Ja heur, wij hebt ansluting (Hav), Toen de ansluting tot stand kommen was, bint zie met een andere naam deurgaon fusie (Erm) 2. het tegen elkaar sluiten (Midden-Drenthe) Het gef wel ofdoende ansluting op de balken (Hoh) 3. later ontgonnen en toegevoegd perceel (Zuidwest Drenthe, noord, Midden-Drenthe) Achter dat laand haar e nog een ansluting (Wes), zie ook anscheiding
aansmeren, ansmèren, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. stucadoren Wij gaot morgen de muren ansmeren (Die), zie ook ansmieten 2. te duur verkopen Wel hef die dei aolde fietse ansmeerd? (Bov)
aansmijten, ansmieten, sterk werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = stucadoren De stukedoor hef de muur ansmeten, mor het is wat bobbelig worden (Row)
aansnallen, ansnallen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = aansnoeren As het eten zunig wordt, meut we de boekreime man wat ansnallen (Bco)
aansnijden, ansnien, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. opschieten met snijden Je moet wat ansnieden, wij hebt niet vèul tied mèer (Hijk) 2. beginnen te snijden Ik magge de rollade ansnien (Ruw), (fig.) Wi’j dat onderwerp wel ansnien? (Hgv), ook het maken van een begin bij het turfgraven Dat was in het begun de putte ansnieden en laoter, as ie de putte an de loop hadden, dan was het de banke ansnieden (Schn), Eerst een ingang graven en dan een bankien ansnieden (Bco), Het ansnieden gebeurde met een kruiplank. Men stak met de stikker langs de plank en trapte deze met de voet een turfdikte in het veen (Eri), zie ook lösmaken
aansnoeren, ansnoeren, zwak werkwoord, overgankelijk, stevig aantrekken, aansnoeren IJ moet dat touw goed ansnoeren aansjorren (Sle), Het aachterbin even ansnoeren (Row)
aanspan, anspan, het, anspannen, (Zuidwest-Drenthe) = het deel voor aan de wagen, waar het eenspan aan wordt bevestigd De bloktonge löp deur mit ’t anspan (Zdw)
aanspannen, anspannen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanspannen Het peerd mus eerst opzied, anders kun ik hum nich anspannen (Bco) 2. uitvoeren, inspannen (Zuidoost-Drents zandgebied) Dat moet wij tehoop anspannen um dat wark daon te kriegen (Sle)
aanspanplank, anspanplaanke, de, anspanplaanken, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = plaats op bloktong bij een wagen, waaraan het eenspan werd vastgemaakt Het anspanplaankien was van de bloktonge of (Hav)
aanspelen, anspeulen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanspelen En dan muj op het juuste moment de balle anspeulen (Wsv) 2. aansporen (Zuidwest-Drenthe) Zit hum mor achter het gat; ie mut hum zo nou en dan wat anspeulen (Flu)
aanspijkeren, anspiekern, zwak werkwoord, overgankelijk, vastspijkeren Door mos een ladde anspiekerd worden (Eco), De vloren kunt noou wel anspiekerd worden definitief gespijkerd (Eex), Dei schure hebt ze almaol nei anspiekerd opnieuw de planken aangespijkerd (Ros)
aanspitten, anspitten, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanspitten As de akker ploegd was, mussen de wendakkers en de hoeken nog even anspit worden (Sle) 2. opschieten met spitten Most wat anspitten, dan hest het ok nich kaold (Bov)
aansporen, ansporen, zwak werkwoord, overgankelijk, aansporen Hij is zo bleu as wat; hij moet wat anspoord worden (Row), Der bint mèensken, die moej altied ansporen, aans gaot ze nooit hen ’t wark (Eke)
aanspraak, anspraok, anspraoke, anspraak, anspraek, anspraoken, Ook anspraoke (Zuidwest-Drenthe), anspraak (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), anspraek (Zuidwest Drenthe, noord) = 1. gezellige omgang, afleiding Die beide oldegies hebben knap anspraok an mekaor (Schn), Wij hebt geregeld anspraoke deurdaw vake bij mekaar koomt (Ruw), Krieg je wal aanspraok? (Ass), Hij hef anspraok genog hij heeft genoeg afleiding (Rod), Hij hef niet veul aandere anspraok as de flesse (Zdw), Anspraok maoken met een met iemand een gesprek trachten aan te knopen (wh:ti) 2. aanspraak, recht Op dat stukkie grond hebben wie ook nog aanspraok op (Vtm), Man, daor binj te laot met, daor kuj gien anspraok meer op maken, ij hebt de tied verzeten (Vri), Hie hef ok anspraok in die zaak (Zwe) 3. toespraak (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Hij hef een lange anspraok holden (Ass) 4. het aanspreken (wh:ti) Goeie dag slootgraover! klunk zien anspraok tegen Gerriet (wh:ti)
aansprakelijk, anspraokelijk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Voor var. z. anspraok = aansprakelijk Die kwajong hef een grote roete ingooid met zien voetballe; zien va is der veur anspraokelijk (Bei)
aanspreken, anspreken, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanspreken Hie sprak mij bij de dokter nog an (Sle), Hij har zowat niks meer, hij mus zien leste geld anspreken (Bov) 2. dieper over iets doorpraten (Midden-Drenthe) Doe ik hum goed anspreuk, kwam de aap oet de mouw (Zwig) 3. aanstaan, bevallen Iedere morgen een ei, det sprek mij wel an (Bro) 4. op bezoek gaan (Zuidoost-Drenthe) As er een kind geboren is, gaon de vrouwlu hen anspreken; laoter kriegen ze kraomvisite (Pei), Daor muw neudig is hen anspreken op ziekenbezoek (Zdw)
aanspreker, anspreker, de, 1. aanzegger De anspreker kwam de groeve anzeggen (Uff), Die anspreker kan de begrafenis netties leiden (Dwij), Een neuger van boerenbruloften hedde ok anspreker (Oos) 2. iemand die even langskomt (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hej al is een anspreker had, naodaj weer thuus bint, of loopt ze oe de deure niet plat? (Wap), Umdat hij ziek was, kreeg hij wel ies een anspreker (Ruw) 3. iemand die een ander wat op de mouw wil spelden (Midden-Drenthe) Dat is ok een anspreker! (Gie)
aanstaan, anstaon, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. bevallen Het stait mie niks an, dat doe altied zo late in hoes komst (Bov), As het die neit aanstaait, most die mor melden (Erf), Het stund mij min an (Hol) 2. ervan staan te kijken Zij hebt een nei huus kocht; gao daor nou is anstaon! daar sta je wel van te kijken (Coe), Gao der non ies anstaon. Non hebt ze marzo het hiele zaakien verkoft, en waor moet ze non hen? (Oos) 3. op een kier staan Die veurdeur stiet an (Emm) 4. in nao anstaon a. erg treffen Het hef hum nao anstaon dat ze hum dat baantien niet gund hebt (Zwe) b. een haar schelen (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) Dat hef mie nao anstaon. Ik kun nog net wegspringen (Bco) 5. aanhouden, druk uitoefenen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Die koopman steet aordig an; ie kunt hum neet kwiet worden (Die), Het wicht stun an bij de jongen, die twijfelde (Sle), Hie hef aordig anstaon um het gewaar te worden (Sle) 6. op een rij staan Ik har een koppel neuten anstaon (Sle) 7. op punt van kalven staan (N)
aanstaande, anstaonde, anstaande, Ook anstaande (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) = aanstaande, komende Anstaande zaoterdag gaot wij een dag uut (Coe), ’n Anstaonde maendag wil hij komen (Die), Die kou is anstaonde kalft gauw (Ros), De trouwerije is anstaonde (Smi), Dit is mien anstaonde vrouw (Oos), …anstaonde schoonzeune (Mep)
aanstaande, anstaonde, de, anstaonden, aanstaande, verloofde Mien dochter heur anstaonde drag ein baord (Pei)
aanstaarten, anstaarten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe). Var. als bij staart = 1. staart van een paard vastbinden aan het hoofdstel van het volgende paard Aj mit meerdere peerden hen de markt gaot en ie bint allend, dan muj ze anstarten (Bro), Toen ze eerder lopende hen de Zuudlaordermark gungen met de pèerde, weurden ze anstaart (Oos) 2. voortdrijven, aanmoedigen (wp, dva) z. ook bij staarten 3. vlugger lopen (wb) Laot wij wat anstaarten 4. slenteren (Zuidoost-Drenthe) Toen kwam hij der ok nog ansteerten, ...anstirtken (Bov), Dat wief staart altied aachter de kerel an loopt hem na (wb:Bor)
aanstalten, anstalten, zelfstandig naamwoord, meervoud, (Zuidoost-Drents zandgebied) = aanstalten Hie maakt anstalten um vort te gaon (Sle)
aanstampen, anstampen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanstampen Ie mut de konten goed anstaampen um ze mooi liek te kriegen bij een garve (Hol), Het heui weur bij het heuigien springen mooi anstampt (Bui)
aanstappen, anstappen, zwak werkwoord, onovergankelijk, vlot doorlopen Aw een beetien anstapt, kunne wij de veursten nog wel inhalen (Bro)
aansteken, ansteken, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aansteken Kom, laot mij even de piep ansteken (Zey), Het eerste is, ’s morgens het vuur ansteken (Schl) 2. besmetten, beginnen te bederven Alle appels waren anstoken (Rod), De longen waren al anstoken aangedaan (Klv), Hij har de griep en noou hef e mij ansteuken (Eex) 3. een nieuw begin maken Wij hebt een nei blok heui ansteuken (Sle), Die flesse is an esteuken er is al iets uit (Dwi), zie ook anstukkend 4. aanscheren Die man weur toch zo hels op mij, toen ik hum de gek ansteuk (Oos) 5. opruien Hij mag graag de boel anstikken opruien, in de war sturen (Dwij) 6. op bezoek gaan (vs) (...)waar hij nog eerst bij Lummegies jongens wou inkieken en dan nog eens bij Tieme Jans zou anstekken
aansteker, anstikker, de, anstikkers, (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. verlengstuk van een tafel, dat met twee uitsteeksels onder het tafelblad werd geschoven Wij harren ain taofel mit an weerkanten een anstikker (Row) 2. aansteker Hij kun nich roken, hij was zien ansteker kwiet (Bov) 3. aanstichter (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wele is de anstikker van dat praotie? (Hgv)
aanstekken, anstikken, zwak werkwoord, overgankelijk, aan een houten pen vastzetten Aw de kalver dommit oetdoet, muw ze eerst even anstikken, aans bint ze nog zo wild (Sle)
aanstellen, anstellen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanstellen Ze hebt veur dat wark een neie ambtenaar ansteld (Bov) 2. (wederk.) zich aanstellen Hie möt zuk niet zo anstellen, der scheelt hum niks (Sle), Hij kan zich soms zo kokkerachtig anstellen (Vri) 3. aanschaffen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij hebt een windscharm an esteld (Ruw)
aanstellerig, anstellerig, bijvoeglijk naamwoord, aanstellerig Zij deren aordig anstellerig, aal mor giebeln (Hijk)
aanstellerij, anstellerij, de, aanstellerij Wai muinden dat hij zeik was, mor dokter zei dat het almaol anstellerai was (Pei), Dat meinse klaagt aaid over kopzèerte en liefzèerte, maor het is meest anstellerij (Bei)
aanstemmen, anstemmen, zwak werkwoord, overgankelijk, (wp, wm, wb) = 1. bepalen, afspreken 2. benoemen
aanstengelen, anstengeln, onbepaald werkwoord, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = eraan komen lopen Tegen het allerlèste kwam Henderk der ok nog anstengeln (Hijk), zie ook anstaarten
aansterken, anstarken, zwak werkwoord, onovergankelijk, Var. als bij stark = 1. aansterken Aj ziek west bint, dan moej laoter weer anstarken (And) 2. aanmanen tot spoed (Zuidoost-Drents veengebied, N:Zuidwest-Drenthe)
aanstevigen, anstevigen, onbepaald werkwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = hard worden van de bovenlaag van de bagger De legge mus eerst wat anstevigen (Pes), zie ook bestieven
aanstijven, anstieven, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Midden-Drenthe) = stijf worden Het zwien stieft al mooi an (And) z. ook opstieven
aanstippen, anstippen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanstippen Ze stipte de brandwonde mit karnemelk an (Hgv), IJ moet het op de liest even anstippen stip erbij zetten (Sti), Ik zal dat op die vergadering wal even anstippen noemen (Wee)
aanstoker, anstoker, de, anstokers, aanstichter De anstoker van de troep neide der tussenuut ging er snel vandoor (Ruw)
aanstonds, anstond, astond, astonds, anstonds, anstoonds, anstens, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook astond (Midden-Drenthe, N:ti, wb), astonds (Midden-Drenthe, wb), anstonds (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), anstoonds (Zuidwest-Drenthe, zuid), anstens (Zuidwest-Drenthe, zuid) = direct, dadelijk Ik kom anstond! (Ass), Wie gaon aanstonds naor het laand (Eco), Slao der noou ’n beetie acht op waor oj langs gaot, astond moej hier allennig langs (Eex), De ko wil kalven, kooj anstonds even? (Wap)
aanstonds, stonties, stonnies, bijwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied), Ook stonnies (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = dadelijk Je va zal stonnies wal opkieken, dat ij al zowied hen bint (la), Ik kom stonties wal even (Sle), Stonties moe’k nog even hen de kapper (Zwe), z. ook anstond, domee
aanstoot, anstoot, ansteut, Ook ansteut (Zuidoost-Drenthe) = aanstoot, ergernis Hij gaf ansteut deur aal bie dat wief te liggen (Bov), Hie nam er anstoot an (Sle)
aanstoppen, anstoppen, (N:ec), in de rug anstoppen instoppen
aanstort, anstört, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = tegen aandere turf gestorte hoeveelheid turf Een slag was - as het heilmaol vol was - zes of zeuven anstört (Bov), zie ook stört
aanstotelijk, anstotelijk, ansteutelijk, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ansteutelijk (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. aanstootgevend Dat meens ging zo te keer, dat het was ansteutelijk veur de umstanders (And), Der weur vluikt in dat teneelstuk, dat was ansteutelijk veur paartie mèensen (Bal), Mien moe zee vrogger, as wij wat lekkers kregen: eet nou in huus op, dat is niet zo anstotelijk veur aandere kiender (Noo) 2. aanstekelijk (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat Geert een brommer hef, warkt zo anstotelijk op oes wicht, dat die mot non ok ien hebben (Erm), Hij warkte zo anstotelijk, ik krege der ook haoste zin an (Dwij)
aanstoten, anstoten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanstoten Steut mie toch nich aal an, gao ies wat opzied (Bov), Anstoten gebeurt bij een borrel drinken klinken (Hav) 2. opduwen Oous auto döt het niet, kun wij hum met ’n kander niet even ansteuten? (Eex), As het pèerd het haost niet doen kan, dan stoot ij de wagen an (Sle) 3. hakkelen, stotteren Het proten geet niet zo good; hij stöt een beetie an (Hijk) 4. alsmaar kuchen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie stöt aal an (Sle)
aanstrakken, anstrakken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe) = straktrekken De waslien wordt slap, wost die even weer anstrakken? (Wed)
aanstrengen, anstrengen, zwak werkwoord, wederkerend, (Zuidoost-Drents zandgebied) = zich inspannen Bij zuk wark möt hij zich aaid anstrengen (Pdh)
aanstrengend, anstrengend, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = inspannend Het is anstrengend wark (Pdh)
aanstrepen, anstrepen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanstrepen Ik zal in dat bouk wal even anstrepen, woor wie bleven bunt (Bov)
aanstrijken, anstrieken, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanstrijken Zie hebt de muren met cement anstreken (Sle), Hij wol de lucifer anstrieken, mar hij was te slof. Het wol nich (Bco) 2. slaag geven (Zuidoost-Drents veengebied) Hij was ondeugend en toen hef zien va hum der hunlijk wat anstreken (Bov), …hum der een anstreken (Klv) 3. komen aanvliegen (Zuidoost-Drents zandgebied) Wat komp die vogel der mooi anstrieken in de vlucht naar beneden (Sle)
aanstukken, anstokken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = repareren, ergens een stuk inzetten Hij mus de deuren anstokken (Pes), De baanderdeurstaonder mut an estokt worden (Pes), zie ook oetstukken
aansturen, ansturen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanhitsen Stuur hum de hond mor an (Odo) 2. in Der weur ’n man anstuurd heengezonden (ti)
aantal, antal, het, antallen, aantal Verleden jaor hadden wie ein heil aantal kippen (Erf), Nou, ie kompt mor met de hele meute heur, het komp op het antal niet an (Hijk), Der zit genogt an, het aantal is goed, mar ze bint nogal wat klein bleven van aardappels (Ker), zie ook tal
aantalen, antalen, antaolen, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook antaolen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, N) = ter sprake brengen Ik bin het niet met heur iens. As ik heur weer spreek, wil ik dat toch nog ies weer antalen (Sle)
aantasten, antasten, zwak werkwoord, overgankelijk, aantasten De longen waren hum al antast (Coe), De iepen bint an etast deur een ziekte (Mep)
aantasten, antesten, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanvaarden (N:Zuidwest-Drenthe) 2. aantasten, aanraken (wb)
aantekenboek, antiekenboek, het, Vaak verkl. (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = notitieboek(je)
aantekenen, antieken, onbepaald werkwoord, 1. aantekenen Dat kanst doe toch wal in dat boukien anteiken (Bco) 2. in ondertrouw gaan (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hij hef hen antieken west (Dwi)
aantekening, antieken, de, aantekening De antiekens zet ik ien het kladboek (Flu)
aantellen, antellen, zwak werkwoord, onovergankelijk, toenemen in aantal, aangroeien Geld trouwt geld en dat telt mooi an (Mep), Aj der iedere weke wat biekriegt, telt het mooi an (Bco)
aantijding, antieding, de, antiedings, (Zuidoost-Drents zandgebied) = bericht
aantijgen, antien, antiën, antieden, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook antiën (dva, wb), antieden (po) = 1. aan de gang gaan (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij zult even antien (Hol), Kwan jonges, wij meut weer antien (Rui) 2. sneller rijden met paard en wagen (Zuidoost-Drents zandgebied) IJ moet wat antien (Sle) 3. beschuldigen (wb), zie ook antiegen
aantijgen, antiegen, onbepaald werkwoord, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = beschuldigen
aantijsen, antiesen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = vastbinden
aantikken, antikken, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aantikken De kiele giet wat lös, tik hum effen weer an mit de hamer (Ker), As iene tikt was, mus hij de andern antikken (Coe), Dat peerd tikt an trapt zichzelf op de voorhoeven (Gro) 2. oplopen Het tikt al gauw an, aj nogal wat bosschuppen neug bint (Hgv) 3. nakomen, later zijn dan (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Een half jaor achter ien antikken ... en dan nog niet weten wat ij wilt, daor mot een ende an kommen (bb)
aantikkertje, antikkertie, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = tikspel, z. ook plak-an, boerkont
aantimmeren, antimmern, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. opschieten met timmeren Doe most wat antimmern, anders komst nooit kloor (Bov) 2. erbij timmeren, aanbouwen Toen ze trouwd binnen, hebben ze een stukkie bij het hoes antimmerd (Nor) 3. erbij bouwen (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Het jonkvolk is hier ok meerder worden, het is hier aordig an etummerd er zijn veel woningen bijgekomen (Ker)
aantocht, antocht, in in antocht op komst De winter is ien antocht (Hgv), De optocht is in antocht, ik kan de meziek al heuren (Sle)
aantogen, antogen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanslepen Jan kwam er mit een koffer antogen (Hgv), Karbiezen vol eterije wordt an etoogd (Pes) 2. moeizaam lopen Hie komp er ok weer antogen (Sle)
aantoggelen, antoggeln, onpersoonlijk werkwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = aangroeien Het toggelt, ...koppelt al mooi an; der zal wal een diel volk kommen (Sle)
aantokken, antoeken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = slordig dichtnaaien Hie har het gat in de hozen mor wat antoekt (Sle)
aantonen, anteunen, zwak werkwoord, overgankelijk, aantonen Hie möt eerst mar ies anteunen dat e dat niet daon hef (Sle), Ik kan het wal antonen; het stait zwart op wit (Bov)
aantrampelen, antrampeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe) = aantrappen In het schaophok kwam koemes, dan kunden de schaop het antrampeln (Sle), zie ook antrappen
aantrappen, antrappen, zwak werkwoord, overgankelijk, aantrappen Ik heb de grond wat antrapt (Eri), Bij het antrappen van de motor mussen ie vroeger eerst flottern (Git)
aantrede, antree, de, (Midden-Drenthe) = eerste traptrede De optree van de trap is 18½ cm, de antree is 22½ cm (Eex)
aantreden, antreen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. aanstappen Daor komp hie ok weer antreen (Sle) 2. aantreden De soldaoten mussen op tied antreden (Erf)
aantreffen, antreffen, sterk werkwoord, overgankelijk, aantreffen Die kerel kuj niet antreffen of hij zit vol majum (Pes)
aantrekkelijk, antrekkelijk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. aanlokkelijk, attractief Het was een antrekkelijk wicht (Emm), (...)en oes neie Drenthe antrekkelk maken veur de lu van boeten Drenthe (ku) 2. lichtgeraakt, snel geroerd (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij is zo antrekkelijk (Hgv)
aantrekken, antrekken, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aantrekken Hie möt de klinke van de baanderdeure goed antrekken (Bei), Je moet het kontziel goed stief antrekken (Bor), De melkpriezen trekt an worden beter (Zwin), Hie trekt zuk nargens wat van an heeft aan niemand een boodschap (Emm), Wij hadden de aolde peerdstal bij de koestal antrökken (Bor), Dat most die die nich zo antrekken, doe kunst er niks an doun (Bov) 2. aandoen, (wederk.) zich (aan)kleden Even een andere jaze antrekken (Vtm), Het is neug tied, daw oens antrekt (Dwij), Anders lop e der altied zo roeg bie, man noe haar e zuk schier antrokken (Bco), Wat is dat mensch nog oolderwets antrökken (Pdh) 3. opsteken (Zuidwest Drenthe, noord) Even de piepe antrekken (Dwi) 4. ontroeren, uitwerking hebben Het trök hum aordig an hij was er ontroerd van (Sle), Mee was een zuut zeupie, maor het trok wel an je werd er een beetje dronken van (Hgv) 5. aanharken (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Wij moet de zaak nog even antrekken veur de zöndag (Emm), Het laand antrekken mit de trekharke (Hol) 6. inloten (ti) Albert mot lotten, trekt ie an, dan moew een rampelzant kopen (ti) 7. gaan huilen (Midden-Drenthe) Wat is dat kind een reerbek, bij het minste of geringste trekt e ja an (Eex)
aantuigen, antugen, zwak werkwoord, overgankelijk, van paardentuig voorzien, aanspannen Ie mouten het peerd nog even aantugen (Vtm), Het peerd mot het bit nog in de bek hebben, en dan is e aantuugd (Erf), zie ook intugen
aanuieren, annuren, zwak werkwoord, onovergankelijk, zwellen van de uier tegen het kalven Kou begunt al mooi te uren, ze mout nog wat meer anuren (Eel)
aanvaarden, anvaarden, anvaorden, anvoorden, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook anvaorden (Noord-Drenthe), anvoorden (Kop van Drenthe) = 1. anvaarden De makelaor het ’t in de haand, met 1 mei te aanvaorden (Wed), Van de harfst kuw het laand anvaarden (Oos), Wanneer moew het hoes anvaarden (Sle) 2. accepteren Een aanbod aanvaorden (Eco)
aanval, anval, de, anvallen, 1. aanval Ze hebben de eerste aanval ofslaogen (Vtm), Hij kreeg weer zo’n (a)anval, hij rookt ok veul te veul een hoestbui (Bov) 2. klein schuin dak aan voorkant van het huis (Kop van Drenthe)
aanvallen, anvallen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aanvallen Die hond is vals, hie valt je morzo an (Zwin) 2. toetasten Moej ok nog even achter de pet [bidden] veurdaj anvalt? (Val) 3. gedijen, zich ontwikkelen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe, ti) Die wil niet anvallen, die blif maar mager (Hol), Het wil hum wel anvallen hij wil wel groeien (Nije) 4. aandringen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Hie vul der zo op an, ik kun er niet veurweg (Sle)
aanvallig, anvallig, bijvoeglijk naamwoord, 1. lief, aanhalig, bevallig Dat kiend is zo aanvallig, en veur iederien (Nam), Het is een anvallige leeftied (Eex), Het is wel een anvallig hondtien, hij is wies met de baos en de kinder (Pdh) 2. vruchtbaar (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) ’t Ene stuk grond is dooie grond, maor dat aandere is anvallige grond, daor wil flink wat gruien (Bui), Ja, jong, dat is beste anvallige grond, het slag altied drekt an (Nam), An het stroompien was het anvallige grond (Dwij) 3. van dieren, die onverhoeds aanvallen, agressief (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, dva) 4. vrijpostig, lastig, bijv. van bedelaars, die opdringerig vragen (wm)
aanvangen, anvangen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. beginnen, aanvangen Hie vangt an hij begint (Nsch) en: Der is gien anvangen an er is geen beginnen aan (Nsch), Het is zuk mal wèer, ie kunt buten niks anvangen (Bei), Die jong is zo’n lastpost, daor kuj niks met anvangen (Sle) 2. inhalen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, N) Binnen vief menuten had ik hum al an evangen (Eli), zie ook invangen 3. bijbenen (Zuidoost-Drents zandgebied) IJ kunt mij toch niet anvangen (Sle) 4. (glasbl., db:Nbui) bezigheid, waarbij men door een draaiende beweging glas uit de oven haalt met de blaaspijp, z. ook aanvangwaark
aanvangs, anvangs, bijwoord, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = aanvankelijk Anvangs was e der nog wal wies mit, man later... (Bov)
aanvangwerk, aanvangwaark, het, (glasbl.,db:Nbui) = steun van vuurvast materiaal voor in de degel, waarop de blaaspijp tijdens het anvangen gelegd wordt
aanvatten, anvatten, anvetten, Ook anvetten (sa:Rui) = 1. aanpakken (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Laow mar even mit alle man anvatten, dan houw het zo klaor (Ruw), Anvatten jonges! (Dwi), Kun ie even helpen anvatten? (Pes) 2. trekken (Zuidoost-Drents zandgebied) As de peerde niks te goed anvatten wolden, gunk ’t op anhörten an (Pdh)
aanveegbezem, anveegbessem, de, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = grote bezem om mee aan te vegen
aanvegen, anvegen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanvegen Ale zaoterdaogen mouten wie de deel anvegen (Ros), De hèerd anvegen de vloer aanvegen (Ruw), De koenen anvegen het te ver weg liggend voer naar de koeien toe vegen (Sle) 2. draai om de oren geven Hij hef hum (der) eine anveegd en nou is e wal rustig (Bov)
aanvensteren, anfèenstern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = snel lopen, er tegen lopen Daor komp hij ook weer anfeinstern (Eli)
aanvergen, anvargen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord, wb:Noord-Drenthe en wd) = vergen Dat waark ken je hum nait aanvaargen niet van hem vergen, het is te zwaar voor hem (Eco), Hie hef even te veul aanvaargd geeist (Ros), Dat kan ik neet anvargen (wb)
aanvergens, anvargens, anvallings, anvargs, (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe). Ook anvallings (Zuidoost-Drents zandgebied), anvargs (Zuidoost-Drents zandgebied), in anvargens wezen lastig vallen, vergen, eisen Ie könt hum dat niet anvargens wezen dat kun je niet van hem verlangen (Sle), Zie wilt mij wel helpen, mor dat wi’k die meensen op dit moment niet anvargens wezen (And), Dat moej mij niet anvargens wezen, ik heb het al drok genog (Bor), Die meinsen bint je nooit wat anvargens, ze redt zich zulf (Bei), Dat wi’k heur niet anvallings wezen (Sti)
aanverlies, anverlös, het, (Kop van Drenthe) = kinderspel, blikspuit Wai speulden anverlös (Row)
aanvertrouwen, anvertrouwen, zwak werkwoord, overgankelijk, toevertrouwen Dat wark vertrouw ik hum niet an (Sle), Dat is oes jong best anvertrouwd, hij hef al zo vaak achter ’t pèerd zeten (Hijk), Hij is een goeie melker, dat is hum good anvertrouwd (Pes), Het was aalmaol anvertrouwd geld (dva:Kop van Drenthe)
aanvieten, anfietern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuid-Drenthe) = 1. met kleine pasjes snel lopen Daor komp hij ook weer anfietern (Pes) 2. aanmoedigen (Zuidwest-Drenthe) Disse premie wil joe anfietern um maor völle te kopen (Smi)
aanvliegen, anvliegen, sterk werkwoord, overgankelijk, aanvliegen As een röt in het nauw komp, vlög e je an (Eex), De doeve is oes anvleugen komen aanvliegen (Sle)
aanvoelen, anvulen, zwak werkwoord, overgankelijk, aanvoelen Het vuilt nog nattig aan (Erf), Een goed waarkpèerd vuult an, as hij een zwaore vracht achter hum hef (Wsv), Hie vuult wal an, hoe het zit (Sle), Het holt vuult wel wat mèur an (Dwi), Met de dikke toon kunj wel anvuilen dat e lög (Vri), Dat kuj op je klompen anvulen (And)
aanvoerder, anvoorder, de, anvoorders, (Zuidoost-Drents zandgebied) = dier dat wordt vetgemest Een zwien dat niet drachtig wil worden en maor mest wordt, is een anvoorder (Man)
aanvoeren, anveuren, anvoeren, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook anvoeren (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = aanvoeren Dat spul wuur met wagens anveurd (Sle)
aanvoeren, anvoren, zwak werkwoord, overgankelijk, goed voeren, vetmesten Dat zwien wiw niet weer bij de bèer hebben, dat wiw anvoren (Sle), Anvoren is as ien biest wat extra voer hebben mut (Hgv)
aanvraag, anvraog, de, 1. aanvraag De anvraoge veur de bouwvergunning is weg (Pes), IJ mugt niks meer dooun tegenswoordig, overal moej een anvraog veur indeeinen (Eex) 2. belangstelling voor, vraag naar (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) Der is nogal wat anvraoge veur kaorten veur de toneelaovend (Twe), Wat ha’k een aanvraog om erpels (Exl), Ik heb der veul anvraog naor daon (Zwe), ...op had (Zwi)
aanvragen, anvraogen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanvragen Ie heuft gien visum anvraogen aj hen Canada gaot (Bei), Wij hebt een bouwvergunning anvraogd (Zwi) 2.doorvragen Dat mens vrag aal mor an (Vri) 3. nadrukkelijk navragen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) As ze zo anvraogt is het nooit best (Sle), Aj het niet snapt, muj anvraogen (Hgv)
aanvreten, anvreten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. opschieten met vreten As dat peerd ies wat anvrat, konden wie ok wieder (Bov) 2. aanvreten De moezen hadden de zakken anvreten, der zatten almaol gaten in (Sle), De proemen bint anvreten (Eex)
aanvriezen, anvriezen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. aanvriezen De snei vrös an (Klv), De erpel zint anvreuren (Sle), Het ofbonksel weurd altied tegen het vaste veen anzet um het anvreizen te veurkommen (Bco) 2. opnieuw beginnen te vriezen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Het vrös weer an (Coe), As olde leefde nummer roest, zal het wel op het olde ies anvrezen oude liefdesbetrekkingen worden gemakkelijk weer aangeknoopt (wm) 3. doorgaan met vriezen Het kan nog wel even anvriezen (Dro)
aanvuisten, anvoestern, anvoesten, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook anvoesten = opschieten, druk bezig zijn Wij moet even anvoeste(r)n, anders kow der niet deur (Sle), Die voestert mar deur, altied an het wark (Flu)
aanvullen, anvullen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aanvullen Most dien straotje even aanvullen met zand aanvullen (Vtm), De veren in de kussens anvullen (Pes), Wij moet de winterveurraod wat anvullen (Wed) 2. aanaarden (Zuidwest-Drenthe, zuid, be) Dat peerd stiet zo roem, die kun ie niet gebruken met eerappels anvullen (Geb), Wij hebt de eerappels schone, nou mut ze nog an evuld wörden (Koe), zie ook aneerden
aanvuller, anvuller, de, anvullers, 1. degene die aanvult 2. rister aan aanaardploeg (Zuidwest-Drenthe, zuid) Maar bij het schoffeltuug gebruukten ze anvullers, die waren der an bevestigd en dan kun ie de eerappels anvullen (Hol)
aanvulploeg, anvulploeg, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = (onderdeel van) ploeg waarmee men aardappels aanaardt
aanvuren, anvuren, zwak werkwoord, overgankelijk, aanporren Die jong van jou huj niet anvuren, die moj wat ofremmen (Eev)
aanwaaien, anwèeien, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest Drenthe, noord) = aanwaaien Dei zaikte ken jou zo aanwaaien (Eco), IJ moet er wat veur doen, het wèeit je niet vanzölf an (Sle), Weit het joe mor zo an? a. heb je het nu zomaar ineens te pakken, bijv. een griepje? b. leer je gemakkelijk? (Smi), Dat is hum neit van een vrumde anwaaid het zit bij hem in de familie (Vri), Het zal heur van de wiend toch niet an eweid wezen van meisje, dat in verwachting is, maar niet de vader aan kan wijzen (Hav)
aanwaaier, anwèeier, de, anwèeiers, (Zuidwest Drenthe, noord) = 1. kleine bui As der met veule wiend kleine buigies overstoeven, dan zegge wij: het giet met zukke anwèeiers (Smi) 2. hetgeen je zomaar overkomt, bijv. verkoudheid
aanwaaiing, anwèeiing, de, anwèeiings, (Zuidwest-Drenthe) = 1. lichte aanval van griep, kou etc. Ik krege zo een anwèeiing (Rui), Maar as ze vrogger uutslag kregen, wat ze niet thuus kunnen brengen, dan zeiden ze: dat zal wel een anweiing wèen, en dan bedoelden ze hekserije (Hol), zie ook anwèeisel 2. soort van uitslag (be)
aanwaaisel, anwèeisel, het, de, anwèeisels, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Var. als bij wèeien = 1. ziekte, die je zomaar (van iem.) krijgt, meestal de griep (Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) Het zal wel een anweeisel weden, de griep geeit ja weer rond (Eex) 2. iets, dat is komen aanwaaien (Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied) Wat heb wij een anweisel um het hoes liggen (Zwe), Die moderne fratsen bint anweisels uut de stad (Die) 3. draai om de oren (Veenkoloniën) Ast nait oppaast, krigst een aanwaaisel (Eco)
aanwakkeren, anwakkern, zwak werkwoord, overgankelijk, aanwakkeren De wiend begunt an te wakkern (Ruw), De wiend wakkerde het vuur an (Zdw), (fig.) Zie mugt dat vuurtien zo gèern anwakkern de boel opstoken (Sle)
aanwaren, anwaren, anwaarden, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord, dva). Ook anwaarden (Zuidwest-Drenthe) = 1. aankunnen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Die kan het wark wal anwaren (Sle) 2. zorgen voor (Zuidwest-Drenthe) Die wet zien egge wel an te waren zorgt wel dat hij zijn portie krijgt (Die), As het op de duiten ankomp wet e zien egge aordig nao an te waren (Rui)
aanwas, anwos, anwös, anwas, anwossen, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook anwös (Zuidwest-Drenthe, zuid), anwas (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) =1. groei, het wassen Ik krieg het straks beter, ik heb ain jong op aanwas dei straks ook wat mitverdainen kin (Twe), De kiender bint helder op anwos zijn in de leeftijd van twaalf tot veertien jaar (Dwi), Dat gres is mooi op anwos (Sle), ...in anwos het gras groeit al mooi (Noo), Wij binnen de zolters kwiet, maor we hebben al weer neien op anwos (Smi) 2. aangroeisel (Zuidwest Drenthe, noord) Daor zit een anwos an die boom (Wsv) 3. door verlanding ontstane aangroei (Zuidwest-Drenthe, zuid) ‘Vroeger werd in erg laag gelegen landerijen een dikke bos drijvende stukken met een paar stevige stokken aan de kant vastgezet. Dan groeide dat aan elkaar en zo kregen ze een mooie anwös’ (Dwij)
aanwasjongen, anwosjonge, de, anwosjongen, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = jongen in de groei, z. ook anwossen I
aanwassel, anwossel, de, anwossels, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = aangroeisel Mit een anwossel an een proemeboom kuj de leie mooi schonemaken betreft een bruine zwam (mc)
aanwassen, anwossen, (Zuidwest-Drenthe, zuid), in De kiender bint in ’t anwossen in de groei (Ruw)
aanwekken, anwekken, onbepaald werkwoord, (dk) = meermalen wekken Ze mussen hum nog wel ies twei- of dreimaol anwekken
aanwellen, anwellen, opzwellen, Ook opzwellen (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid in bet. 1) = 1. een nieuw laagje ijzer op het oude aanbrengen 2. aan elkaar smeden (Zuidwest-Drenthe, zuid) Anwellen is het an mekaar zetten van iezer (Hgv)
aanwelteren, anweltern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = aandrukken met de landrol Het land is veul te los, doe most hum anweltern (Bco)
aanwendsel, anworden, anwörden, anwordsel, anworsel, anwossel, anwording, anwordens, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook anwörden (Zuidoost-Drents zandgebied), anwordsel, anworsel (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe), anwossel (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), anwording (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, soms met rekking), anwoording (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = aanwensel, hebbelijkheid, malle gewoonte Dat die kerel zo met de neus trekt, dat is een anwording (And), ...een anworsel (Row)
aanwennen, anwennen, zwak werkwoord, wederkerend, aanwennen IJ moet je anwennen wat dudelijker te proten (Sle), Doe mos die dat nich anwennen; straks kans het nich laoten (Bov)
aanwenning, anwenning, de, anwennings, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = aanwensel Wat is dat een malle anwenning (Anl), In neus pulen is een raore anwenning (Eex)
aanwensel, anwensel, anwèensel, anweinsel, w-ndsel, anwensels, Ook anwèensel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën), anweinsel (Zuidwest-Drenthe, zuid), w-ndsel = aanwensel Dat neuze peutern is gewoon een anwendsel van hum (Mep), IJ moet je die aanwensels is ofleren (Gas), zie ook anworden
aanwerken, anwarken, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. flink doorwerken Non moej fiks anwarken, dan kriej het genog daon vandage (Zwe) 2. afwerken De hoeken wuurden eerder met de hak anwarkt (Sti), Um vief uur bin wij hen hoes gaon, want wij wazzen al anwaarkt (Eex), Mij dunkt, dei lui hept het gat vol schuld, dei bint heilmaol anwaarkt hebben niets meer (Vri) 3. tegemoet komen (Zuidoost-Drenthe) Jonges, ie moet op mekaar anwarken tot één prijs komen (Sle), Zie warkt op mekaar an naar elkaar toe (Bov)
aanwezen, anwezen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. klaar zijn Wie bunt an mit het wark (Nsch) 2. bij zijn Ik was achter met het wark, mar ik bin weer an (Bei)
aanwezig, anwezig, bijvoeglijk naamwoord, aanwezig De dokter was net op tied anwezig (Ass), Op de brand was de borgemeister anwezig (Ruw)
aanwijs, anwies, de, het, anwiezen, 1. het tonen van te verkopen goederen De anwies gebeurt deur de verkoper (Bal), De paander dee anwies van ’t tilber van de roerende goederen (Gas), Om 10 uur is de verkoping; van 8 tot 10 is der anwies (Gie), Hij waas niet iens naor ’t anwies ewest hij had het zomaar gekocht (Vle), Twei uur veur de bouldag wör der aanwies geven van de spullen, dei verkocht zulden worden (Vtm) 2. aanwijzing (Zuidoost-Drents zandgebied, ti, ha) Dat is anwies genog om der naovraog op te doen (wb:Bor), De aander twee nemp Frerkien op anwies van Rieks (ti), De paolen wuurden zet op anwies van de opzichter (Sle)
aanwijzen, anwiezen, sterk werkwoord, overgankelijk, aanwijzen De grote wiezer wes de menuten an (Eex), De paander hef het allemaole an ewezen getoond (Die), Percelen holt anwiezen veur de verkoop (Stu), De iemen wiest mekaar de richting van een hönnigveld an (Hijk), Zie bint op mekaar anwezen (Sle), De winnaars bint deur het lot anwezen (Ass)
aanwijzing, anwiezing, anwiezige, anwiezings, Ook anwiezige (Zuidwest-Drenthe) = 1. aanwijzing, tip Ik kreeg daor een aanwiezing van; Jan wil eigelijk dat laand wel verkopen (Gie), Der is wel een goeie anwiezing dat het gebeurd is (Nije), Aj het weten wilt, moej naor Jaan gaon, die kan je wel anwiezing dooun (Eex), ...geven aanwijzingen geven (Dwi), Op anwiezing van die vrouw pakten ze hem op (Eri) 2. het aanwijzen De riekslaandsmèter komp volgende weke anwiezing doen van die scheiding deur het heideveldtien (Flu), As ikke det hakholt wil verkopen, wil ie dan anwiezing van de percelen doen? (Bro), De notaris deed anwiezing legde uit wat voor rechten en plichten men had (Mep) 3. uitleg Zu’n puzzel kan men niks van begriepen, zij muzzen beter anwiezing geven (Eex), De boer gaf zien knecht een anwiezing, hoe die de rogge mus zeien (Pdh), Op anwiezing van de trainer kwam hij in het eerste (Eri), Kuj mij ok een anwiezing doen? een kandidaat noemen (Hgv)
aanwillen, anwillen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. willen beginnen Het vuur wol nich an (Bov) 2. willen vechten Toen ik hum de waorheid zee, weur e toch zo hels, dat e mij anwol (Hijk), Pas op, die kerel wil je an (Eex) 2. passen, lusten (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Het heui is niet best, mor de koenen wilt het goed an lusten het wel (Sle)
aanwinden, anwinden, sterk werkwoord, overgankelijk, volledig opwinden Niet anwinden, dan knapt de veer (Sle), Het allozie is an ewunden (Ruw)
aanwinnen, anwinnen, sterk werkwoord, overgankelijk, vooruitgaan, vorderen, toenemen De kou wint an (Row), De iemen wint aordig an op het heden halen veel honing (Sle), Ik bin wel anwunnen in een week gegroeid (Gas)
aanwitten, anwitten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe) = aanstippen Edik moej veur een insectenbeet bij het anwitten gebruken (Nor)
aanworden, anworden, zwak werkwoord, wederkerend, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = zich iets aanwennen Dat stottern hef e zuk anword (Sle), Hie hef zuk van die raore dingen anword (Gas)
aanwrijven, anwrieven, sterk werkwoord, overgankelijk, aanwrijven, ten laste leggen Dat laot ik mij niet anwrieven (Sle)
aanzachten, anzachten, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = helen De wonde kan non mooi even wat anzachten (Wee)
aanzeggen, anzeggen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. mondeling kennis geven Mit geboorte of starfgeval worde het vroger an ezegd (Wap), Ze gung ba de hoezen langers te kraom anzeggen geboorte melden (Row), De anspreker kwaamp de groeve anzeggen ter begrafenis uitnodigen (Uff), Ze hebt het hoes an hoes an laoten zeggen dat de aolde baos der toe daon hef dat hij is gestorven (Bei), Ik hebbe het hum an ezegd heb hem gewaarschuwd (Hgv), De neie naobers kwamen de naoberschop anzeggen (Pdh), Hij hef de iemen anzegd, dat de baos overleden was bij de dood van een imker werd de bijen de dood gemeld door op de korf te tikken en de mededeling te doen (Bov) 2. de mantel uitvegen Ik heb het heur ies even good an ezegd gezegd, waar het op stond (Die) 3. van iemand zeggen (N:Sle) Dat zuj hum niet anzeggen, dat e al zo aold is
aanzegger, anzegger, de, anzeggers, aanspreker, aanzegger De anzegger lop ok in het looug; wel zul der overleden wezen? (And), Klein Dörkien is anzegger van de groeve (Hav), De draogers drugen de liekkist en de anzegger luup naost de wagen (Val)
aanzegging, anzegging, anzeggen, anzeggings, Ook anzeggen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = mondelinge mededeling Van de week hef de anzegging west van de overleden buurman (Ass), Doe hij estörven was, hebt de beide naoste buren anzeggen edaone bij de aandere buren en op adressen in de buurte (Bro), Mien neve hef anzegging kregen dat hij met 3 jaar van die stee af mot (Bei), Is Egbert der niet? Hie hef der wal anzegging van kregen (Sle)
aanzeilen, anzelen, anzeilen, Ook anzeilen (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. met zeel vastmaken Naor de Rolder markt was het vul an de gördel van de meer anzeeld (Sle) 2. aanspannen (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Het peerd anzeilen (Bco)
aanzengen, anzengen, anzengern, Ook anzengern (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. lichtelijk aanbranden Die erpel waren net even anzengd, ij kunden het ruken (Sle), De braai is anzengerd (Een) 2. licht bevriezen De eerpels bennen net anzengerd (Klv)
aanzet, anzet, de, 1. kleine moeite Aw mit menaar toepakt, is het maar een anzet (Bro), Zo’n reisien is tegenwoordig mor een anzettien (N:Sle) 2. het begin De eerste anzet is der (Val), Hai nam een kleine anzet en sprung toen over de sloot (Een) 3. aanmoediging, duwtje in de goede richting (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) As die man wat doen zal, mut hij een kleine anzet hebben (Dwij)
aanzetten, anzetten, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanzetten Wost doe mie even een knoop anzetten? (Bov), Wij hebt een stuk bij die ledder anzet (Gas) 2. inschakelen, een begin maken Een klouwen gaoren anzetten beginnen (Hgv), De radio anzetten (Smi), Aj ’s mörgens reur komt, moej eerst het vuur anzetten (Sle), ...de kachel anzetten aansteken (Row) 3. een zet(je) geven As wij even met mekaor anzet, is het zo gebeurd even samen flink ons best doen (Bal) 4. aantrekken Onverwachts zette het peerd an en toen sluug hij achterover begon met een ruk te lopen (Eri), Dat peerd wil nooit anzetten, aj twie wagens achter mekaar hebt (Pdh), Alveurens de boer ‘Vurt bles’ wil zeggen, zeg hij tegen de knecht: Klaos, helpt even anzetten! (Hav), Het gres zet goud an groeit goed (Bco) 5. aanbakken Het eten, ...de melk is anzet (Zwin), De soep is wat an ezet en dan bedoele wij, dat ze haoste an ebraand is (Hol), Hie zet vet an wordt dik (Sle) 6. slijpen Het scheermes op de reime anzetten (Bco), Die spanzage mut neug an ezet worden, die is zo stomp as wat (Pes), Wie zetten het mes an op de putte (Bov), Ik heb de zende an ezet (Nije) 7. opdraven Hij kwam er mit de heile femilie anzetten (Nsch) 8. aanfokken, optrekken (wb) Hoeveel beest hef hij anzet? (wb), Hij zet er nog een kalf bij an (wb)
aanzetter, anzetter, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = degene die de schoven in hokken zet Toe as wij klaor waren mit het meien, begunden de anzetters al te gasten (Ruw)
aanzicht, anzicht, het, gezicht op, voorkomen Het anzicht van dat hoes is wal wat beter worden, nou ze het opvarfd hebt (Bov)
aanzien, anzien, anziens, Ook anziens (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Var. als bij zien = 1. aanzien De doomnie stait hoog in anzein (Pei), ...is in hoog anzeen (Die) 2. uiterlijk, gezicht Ik ken hum van anzeein neeit, ... neeit van anzeein, maor ik heb genog van hum heurd (Eex), Ik kenne heur niet van anziens (Bro), Het is van anziens een goed peerd (Schl)
aanzien, anzien, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aankijken, aanzien IJ kunden wal an de borrel west hebben, as ik je zo anzie (Zwe), Kun ie zuks anzien? (Sle), Het weer lat zuk goud anzein weer lijkt goed te worden (Nsch), Het leut zuch slecht anzien met dat biest het zag er slecht uit (Ndo), Hij zaag de hele wereld veur een doedelzak an (Wtv), Dat mens is nog zo fiks, men zul heur neit anzein dat ze al zo old is dat is aan haar niet te zien (Vri) 2. bekijken Wij zult det nog èven anzien en dan zuw wel beslissen (Ruw), Wij wilt het nog een paar dagen anzien, ...in bedenk holden (Sle), zie ook ankieken
aanzitten, anzitten, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. aanzitten aan het avondmaal 2. (er) aanzitten Daor moej niet aal met de vingers anzitten (Emm), Ie meugt hier naargens anzitten (Eex) 3. eraan vastzitten Je hebt je eigen bod verhoogd; wus ie niet daj der anzaten? (Zwig), Der zit nog wal wat an an de handel er is nog wat mee te verdienen (Sle)
aanzoek, anzuuk, de, anzuken, Var. als bij zuken = 1. huwelijksaanzoek Marie hef al drei keer een anzuuk had, mar zij wes ze ieder keer weer of (Flu), Jan hef gistern een anzuuk bij Dinao daon (Oos), Ze was al zeuventig jaor, dou kreeg ze nog een anzuik (Vtm) 2. verzoek (Zuidoost-Drents zandgebied) Hij hef een anzuuk, ...vraog had veur de kerkeraod verzoek om lid te worden (Sle), 3. in Het maegie haar anzuuk (voor het eerst) een jongen (Dwi)
aanzoeken, anzuken, sterk werkwoord, overgankelijk, verzoeken Hij is an ezöcht deur de borgemeister (Bro), Zie hebt hum anzöcht um veurziter te worden (Gas), Hij is an ezöcht um de wèerde te schatten (Wsv)
aanzoeten, anzuten, zwak werkwoord, onovergankelijk, begeerlijker worden, aanlokken, meer worden Iedere week een riks veur je spaorpot, dat zuut an (Wee), Aj bij het vissen een paar keer wat vangen hebt, dan zuut het an krijg je er steeds meer plezier in (Sle)
aanzuigen, anzoegen, sterk werkwoord, overgankelijk, aanzuigen Mit dei ventilator wordt frisse lucht van boeten anzogen (Bov)
aanzuiveren, anzuvern, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aanzuiveren, voldoen Wij wilt de schulden anzuvern (Sle) 2. zuiver worden De wonde zuvert al mooi an (Bov)
aanzuren, anzoeren, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = zuur worden Wie laot de melk anzoeren veur het karnen (Bco), Het kaarnsel is anzoerd en haandwarm; ie kunt begunnen (Smi)
aanzwellen, anzwöllen, zwak werkwoord, onovergankelijk, opzetten De locht zwölt an bij verandering van weer (Gro), zie ook zwöllen
aanzweren, anzweren, zwak werkwoord, overgankelijk, (wp, wb) = onder ede bevestigen
aap, aap, aop, aep, aepe, ape, aobe, apen, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook aop (Noord-Drenthe), aep, aepe (Zuidwest Drenthe, noord), ape (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), aobe (Veenkoloniën) = 1. aap Het is net een aap, zo kan e naor de boom inkommen (Sle), Wat een aep rakker, deugniet, snel en levendig iemand (Dwi), ook: pienter ventje (Bei), Wat bi’j toch een lillike aep een vervelend persoon (Wap), ...een ondeugende aop (And), Ie zulden oe een aap lachen (Koe), Zich een aap schrikken (Nije), Hij was goed in de aap gelogeerd (Sle), De aop komt oet de mouw (And), Het is net een aep op een stokkien een raar persoon (Dwi), En no, alle aepies op een stokkie nu niet langer praten (Die), Dat is een aap van zien moe zoon (Wei), Aep wat hej mooie jongen als iem. zich mooi voordoet (Smi), zo ook Dan is ’t aap een mooie jongen (po) en Aap wat bi’j mooi jong (Emm), ...een mooi jong (Schn), Het is net een aap op een sliepstien (Odo), ...op een stokkien (Sle), ...op een pakkien tabak het is geen gezicht (Pdh), Zuk vulen as een aap op een sliepstien (dac), IJ kunt um mij een aap scheiten verrekken (Sle), Hie stiet veur aap voor gek (Zwin), Zie hebt hum veur aap zet voor schut gezet (Man), Dat zol je dei aobe ook nait uut de mauwe schudden dat zou je nu toch echt niet achter hem hebben gezocht (Vtm), Oet de kop kieken as een aop oet de kont (Wtv), Daor kuj zogezegd apen met vangen dat is goed spul (Oos), Dei kiekt eerst de aop oet de boom de kat uit de boom (Ros), Dat is toch zu’n parmantig aopie een parmantig ventje (Eex), Hij is zo lillijk, ij kunt er wel aopen met vangen (Gas), Door hej ok een aap op de fietse gek persoon (Klv), Hij is zo neisgierig as een aop (Gas), ...zo brutaol as een aap (Dal), ...zo wies as een aep erg verstandig, ook trots (Die), ...zo gierig as een aap (Coe), ...zo zat as een aap dronken (Sle), Dat was ook wel een uutschieter, ik zul haoste zeggen, der is hum een aap uut de konte evleugen (Mep) 2. (flinke hoeveelheid) geld Zie legt de aap in het kamnet (Sle), Ik heb de aap goed opbörgen (Hoh), De aop anspreken de spaarduiten nemen (wb), ’n Goeie aap kriegen gezegd van erfenis (And), Met de aop strieken gaon ten onrechte de verdiensten krijgen (wb), Zij löp aal mit heur tassie hen en weer, daor zel de aobe wel in zitten (Vtm), Hij hef het laand good verkocht, hij hef de aap binnen (Hoh), Een goeie aap vangen een flinke winst maken (Scho), De aop in de mouw hebben veel geld hebben (Rod), De aap uut de mouwe kieken iets net zolang bestuderen tot het duidelijk is geworden (Pes), Een hiele aop schieten een grote slag slaan (tu) *Al drag een aap een golden ring, het is en blef een lelijk ding (Zwe); Het bint gien apen die het veurdoet, maar die het naodoet (Nam); Achterof kieken ie aop in het gat achteraf heb je goed praten (Pei); Aopie op een stokkie / Bedelt om een brokkie / Bedelt om een stukkie brood / Anders gait mien aopie dood (Eco), zie ook haantien
aapjeskoetsier, aapieskoetsier, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = schertsende benaming voor een koetsier De menner van het koetsenbedrief nuumden wij aapieskoetsier (Eli)
aarbeer, aorbèer, aalbèer, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook aalbèer (wb:Dal) = beer van twijfelachtig geslacht
aard, aord, de, het, aard, karakter Het aord van dat kind kunj toch niet veraandern (Wed), Och jong, dat is hom angeboren, hij hef een aordie van zien vaortie (Vri), Wat geeit ’t daor heer! Het bomst dat ’t een aord hef enorm (Gas), Oonze Klaos slet helendal uut de aord heeft een heel andere aard (Rui)
aardappel, erpel, eerappel, eerpel, èerpel, èerappel, ierpel, jerpel, erpel (Zuidoost-Drenthe), Ook eerappel (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), eerpel (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe), èerpel (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), èerappel (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied), ierpel (Zuidwest-Drenthe, noord), jerpel of jeppel (Zuidwest-Drenthe), jöppel (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aardappel Wie hadden van het joor veul klaine eerappeltjes (Vtm), Ze eten alle dagen èerappels met de blote kont zonder vlees of spek erbij (Coe), De kontreleur kwaamp te eerpel prikken in de oorlog maakte ze ongeschikt voor verkoop (Eli), In vrogger jaoren, as de èerpels der uut waren, krege wij euliekrappen (Koe), ...sukelaomelk of aniesmelk, later euliebollen (Sle), Erpel kuj krabben, schellen, schrappen, roon, opschudden, sorteren etc. (Sle), Eerappels opsteken met een vork de aardappelplant lossteken, zodat de aardappels gemakkelijker konden worden gerooid (Bov), Aj remmetiek hebt muj een klein eerpelie in de buse stikken. As hij dan hielemaole uut edreugd was, mus de remmetiek ook weg wèzen (Ruw), Een eerpel weur vroeger wal bruukt um een vlieger met te plakken (Hijk), ...veur bestrieding van waorten (Row), ...as bindmiddel in bijv. snert (Nor), ...um een regenton met dicht te stoppen (And), ...as plaksel bij het behangen (Bei), ...veur brandwonden (Eri), ...bij kopzèer een plakkie erpel an de slaopen, dat bleef wal plakken (Sle), Wilde èerappel nachtschade, Solanum (wk) *De domste boeren hebt de dikste eerpels (Bro); De mooiste èerpels ligt baoven in de maande (Rui), zie ook ei; Die zien lichaom bewaart, bewaart gien rottige èerpel (Rui)
aardappelbok, erpelbok, de, (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = platte schuit voor transport van aardappelen
aardappelboor, erpelboor, erpelbusse, Ook erpelbusse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aardappelboor Ik moe een erpelboor ophalenJans boort en Garriet, die pot (Sle), zie ook pootboor
aardappelbotte, eerpelbodde, de, (Kop van Drenthe) = bak met getraliede bodem om aardappels te wassen ...een erpelbodde om eerpels schoon te wassen veur de zwienpot (Vri)
aardappelbult, erpelbult, de, hoop aardappels Der lagen hielwat erpelbulten op het laand (Zwe)
aardappelbus, èerpelbusse, de, (Zuidwest-Drenthe) = gatenmaker voor het poten van aardappelen, z. ook gatenklopper, doler
aardappeldobbe, erpeldobbe, de, aardappelkuil Ze zaten tegen de eerappeldobbe te schoften (Bov)
aardappeldopje, erpeldoppien, het, erpeldoppies, dopje op de vingers bij het aardappelrooien IJ hadden de erpeldoppies vaak verleuren, die gungen je dan van de vingers of (Oos), zie ook krabberdoppien
aardappelfooi, erpelfooi, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = speciale traktatie nadat de aardappelen waren geoogst Wanneer vrogger de eerpels uut de grond waren, krege wij de eerpelfooi: euliekrappen (Hav)
aardappelgaarder, erpelgaarder, erpelzuker, Ook erpelzuker (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) = persoon, die bij het rooien de aardappels opraapt Hij möt nog een paar eerappelgaarders zien te kriegen, anders duurt het völs te lang (Pdh)
aardappelgat, erpelgat, het, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = opslagkuil buitenshuis voor aardappelen, met aarde en stro bedekt Aj de eerpels uut het eerpelgat haalt, muj ze eerst ofkiemen (Ruw)
aardappelhak, erpelhak, de, hakwerktuig om gaten te maken voor het poten van aardappelen
aardappelhut, erpelhut, de, opslagplaats voor aardappelen, id. als erpelkelder
aardappelkelder, erpelkelder, de, opslagplaats voor aardappels, driekwart boven de grond, opgezet met zoden, plaggen erover en een deur ervoor
aardappelkerel, erpelkèrel, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = liefhebber van aardappels
aardappelklauw, erpelklauw, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = werktuig om aardappels aan te aarden
aardappelkont, eerpelkont, de, (Kop van Drenthe) = scheldwoord
aardappelkop, erpelkop, de, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = scheldwoord
aardappelkraal, erpelkral, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = zaadbel aan de aardappelplant Die erpelkrallen moej der niet bij ingooien (Sle), zie ook piesappel
aardappelkrabben, erpelkrabben, onbepaald werkwoord, aardappelen rooien met de hand Eerappelkrabben was mooi wark, aj mit een heile ploug waren (Bov), Nao schoeltied mussen wij helpen eerpelkrabben (Pdh), Om en bij Nörgermaark begunnen wij te eerpelkrabben (Nor)
aardappelkrabberdopje, erpelkrabberdoppien, het, aanvankelijk ijzeren, later rubber dopje op de vingers bij het rooien, z. ook erpeldoppien
aardappelkrabbersvakantie, erpelkrabbersvakantie, erpelkrabbersrooivakantie, krabbersvakaantie, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën). Ook erpelkrabbersrooivakantie (Zuidwest-Drenthe), krabbersvakaantie (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = extra schoolvakantie om aardappels te rooien Kinder van arbaiders kregen eerder en langer eerappelkrabbersvakantie as kinder van de boeren (Bov), zie ook erpelvakantie
aardappelkuil, erpelkoel, de, aardappelkuil op een vlak gemaakt stuk grond op het aardappelland, id. als erpeldobbe
aardappellijf, erpellief, erpelboek, erpelpèens, Ook erpelboek, erpelpèens = dikke buik Hie hef een erpelpeinsien (Oos), ook gebruikt als scheldwoord
aardappelloof, erpelloof, het, aardappelloof Het stinkt, ze bint an het erpelloof branden (Sle)
aardappelmaal, erpelmaol, het, 1. inzameling bij de bewoners van het dorp van aardappelen ten behoeve van arme mensen (Zuidoost-Drents zandgebied, dva) ’s Harfs wuur der erpelmaol holden veur de arme lu. Dan wuurden der erpel henbracht (Sle), As de eerpel der ongeveer oet waren, gung een eerappelkrabber bij een paar boeren langs veur een eerappelmaol. Dit wuurd dan bij ien boer hoolden. Op die aovend kwamen dan de boeren, die het anzegd was, met een ponggien eerpel. Waor het hoolden wuurd, zörgden ze veur koffie. De eerappelkrabber zörgde veur tabak (Pdh) 2. middageten (Zuidwest-Drenthe) 3. maaltijd, als de aardappels gerooid zijn (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Under het eerpelmaol wordt verstaon: euliekoouken (Eex) 4. maaltijd van uitsluitend aardappels (Zuidwest-Drenthe, noord)
aardappelmesje, erpelmessien, het, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = schilmesje, z. ook schelmessien
aardappelmolen, erpelmeul, het, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. molen, waarmee gekookte aardappelen voor het vee tot moes werden gedraaid (Sle) 2. sorteermachine (Pdh)
aardappelploeg, erpelploeg, de, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = ploeg om aardappels aan te aarden
aardappelrang, erpelrang, de, aardappelloof Wij gaot de erpelrangen opbranden (Gas), Die met Zuudlaorder markt de èerpels er niet oet hadden, mussen met een eerpelrang an het bien naor de markt (And). Dit gegeven geldt ook voor de ganzenmarkt in Coevorden (Zuidoost-Drenthe) en de Dwingeler markt (Zuidwest-Drenthe), de Beilermarkt en de markt in Westerbork (Midden-Drenthe), allemaal markten in oktober, z. ook erpelstam
aardappelrooien, erpelroon, onbepaald werkwoord, aardappelen rooien Wij waren an het erpelroon, doe dat ongeluk gebeurde (Oos)
aardappelschil, erpelschel, de, aardappelschil Die erpelschellen moej an dat kleine kalfien geven (Zwe)
aardappelschilkorfje, erpelschelderskörfien, erpelscheldersbennegien, erpelscheldersmaantien, Ook erpelscheldersbennegien (ov), erpelscheldersmaantien (Zuidwest-Drenthe, noord) = schilmandje
aardappelschilmesje, erpelscheldersmessien, erpelschelmessien, erpelscheldertie, erpelscheldersmessies, Ook erpelschelmessien, erpelsscheldertie (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = aardappelschilmesje Hij hef het eerappelschilmessien mit de schillen vortgooid (Bov)
aardappelschoondertje, erpelschoondertien, erpelschoondersmessien, het, erpelschoonderties, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook erpelschoondersmessien = schilmesje
aardappelschop, erpelschoep, de, aardappelschep, van hout met ijzeren bek Met die aolde erpelschoepen wuur ok rogge schept (Sle)
aardappelschot, erpelschot, het, opstaand bovenstuk op wagen voor het vervoer van aardappelen Het erpelschot möt weer op de wagen (Erm)
aardappelstam, erpelstam, de, stam aardappelen Wie met Zuudlaorder maark de eerpels der neeit oet haar, kreeg een eerpelstam op het gat (Nor)
aardappeltijd, erpeltied, de, tijd van aardappelrooien Het was in de erpeltied, … in het erpelkrabben, ... in de tied van het erpelroon (Sle)
aardappelvakantie, erpelvakantie, erpelkrabbersvakantie, erpelverlof, Ook erpelkrabbersvakantie, erpelverlof = periode, waarin kinderen vrij waren van school om aardappelen te kunnen rooien Wij kregen eerder 14 dagen erpelverlof (Sle)
aardappelvork, erpelvörk, de, aardappelvork, gebruikt om aardappelstammen op te steken, zodat ze gemakkelijker gerooid konden worden
aardappelziekte, erpelziekte, de, phitophtora De erpelziekte valt er op (Bor), Wij magt mar een darde eerpels meer verbouwen um de eerpelziekte (Eli)
aardbei, èerdbei, eerbei, eerdbei, èerbei, eerdebei, erebei, èrebei,, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook eerbei, eerdbei (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), èerbei (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), eerdebei (Zuidwest-Drenthe, zuid), erebei (Zuidwest-Drenthe), èrebei (Zuidwest-Drenthe, zuid), itjebei (Veenkoloniën), eerbeze (Zuidwest-Drenthe). Als jongere vorm ook aardbei (Zuid-Drenthe) = aardbei Wie lusten wel graog ain beschuut mit itjebaien (Vtm), Zo ’s haarfs muj de eerdebezen mit turfmolm bedekken (Ruw)
aardbeienbed, eerdbeienbedde, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) = aardbeienbed
aardbeienjam, eerdbeienjam, de, aardbeienjam
aardbeienmoederziekte, aardbeienmoerziekte, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = fatale, vrij zeldzame ziekte bij varkens
aardbeiplant, eerdbeiplant, de, aardbeiplant Eerbeiplanten moej op tied verzetten (Klv)
aardbodem, eerdbodem, aardbodem, aordbodem, Ook aardbodem (Zuid-Drenthe), aordbodem (Noord-Drenthe) = aardbodem Hij is van de aardbodem, ...eerdbodem verdwenen (Sle)
aarde, eerde, èerde, eer, aarde, aorde, Ook èerde (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), eer (Midden-Drenthe)aarde (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), aorde (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. de planeet aarde Ik make mij der niet zo naar over, de eerde dreit er wel umme deur (Noo), Daor loopt op aorde raore kostgangers rond (Dro), ’k Har der zu’n zin in, ik kun de heile aorde wel omspitten (Pei) 2. aardoppervlak Al krap ij de èerde ok um, ij kriegt hum niet weer gezegd van een dode (Sle), Dai stait nog boven de eerde is nog niet begraven (Vtm), Dat hef heel wat voten in de aorde (Wap) 3. grond Met die dikke bult eer kuj heeil wat dooun (Eex), Vrogger meuken wie de eerde uut de sloten en dat bruukten wie veur strèeiing in de stallen (Klv), Daor maj nog een spit eerde ofhalen, maar niet meer (Bro), Vrogger gungen ze wel een dag hen eerde schuten: mit het bokkie rood zaand halen um ’s winters deur de mes te doen (Hol), Ie hebt eerde an de klompen (Pes), Dat valt in goeie èerde (Dwi) *De eerde trekt mij an, zee de kerel en hie leut zuch op de knieën vallen (Bal)
aardebult, eerdebult, èerdbult, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook èerdbult (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = hoop grond Een eerdebulte um ’s winters hokkemest mit te maken (Rui), De eerbult was zwarte grond, vermengd met de inhold van het hoesie en daorbij blaoder, as. Het was een goeie bemesting, veural over het greuinlaand. Het was niet gooud veur de erpel, die wurden der rostig van (Eex), Vroeger haw een èerdbult, dat weur over ’t laand mend. Die bult, daor kwam koestront deur en ruumèerde oet de sloten, en allerlei rommel om hoes vort (Zwig), Wij zult vandage de èerdebult ies even umzetten (Sti), zie ook körtbult
aardeduister, eerdeduuster, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aardedonker
aardemennen, eermennen, onbepaald werkwoord, (Kop van Drenthe) = de eerdebult vervoeren Een endelbred zat achter op de waogen bai het eermennen (Row)
aarden, aorden, oorden, Ook oorden (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. aarden naar Hij aordt naor gien vrumde hij heeft dezelfde aard als zijn ouders (Eli), Die aordt ok naor zien vaar (Geb), Het aordt meer dan ’t spröt gezegd van een besmettelijke ziekte (ov), van een karaktereigenschap of trekken in het gezicht (Hijk), of: hij mag er wel zijn, maar het gaat hem toch niet zo goed (Man) 2. aarden, zich thuisvoelen, gedijen Den neikommer kun hier toch niet oorden (Bco), De haan van de naobers kun niet bij oeze kippen aorden en gung dood (Pdh), Witte haver aordt hier niet (Zdw)
aardeschieten, eerdeschieten, onbepaald werkwoord, (ov:Zuidwest-Drenthe) = afgraven van grond Det ofgraven van de eerde, miestal van een hoog stuk wei‑ of bouwlaand, nuumde men eerdschieten
aardewagen, eerdewagen, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = kruiwagen met gesloten wanden
aardhommel, eerdhummel, aardhummel, (Zuidwest-Drenthe, noord). Ook aardhummel (Midden-Drenthe) = aardhommel Die kleinties dat bint aardhummelties en dan hej ok nog steenhummels(Hijk)
aardig, aordig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Vaak zonder d uitgesproken = 1. aardig, leuk, prettig Dat is een aordig wicht (Dal), Zij hef een aordig bekkie een knap gezichtje (Die), Wat staot die dat klaid aordig (Eco) 2. nogal, tamelijk, behoorlijk Het kwam aordig slim an het kwam nogal hard aan (Eex), Jan neem ie niet gauw te pakken, want hij is aordig leep (Mep), Daor het e aordig an verdeind (Pei), Der zat aordig volk in de trein (Rui), Hij hef daor aordig de beest oethangen (Wtv), Het giet er aordig um weg wat gaan ze daar tekeer (Wes), Ie bunt dunkt mij ok wal een aordige hoeshen zit nogal veel thuis (Zwin), Aordig sibbe nauw verwant (wb) 3. vreemd, wonderlijk, eigenaardig Dat is ja aordig, net was e der nog en non is e vort (Sle), Hij is niet gek, mar toch wel wat aordig (Vle), Met een aordig gevuul luup hij weg (Wei), Hij keek mij zo aordig an, ik wör der benauwd van! (Zdw), Dat is ok een aordig geval een vreemde zaak (Geb), Het is wat een aordig soort een eigenaardig soort (Sti), Dat is ok een aordige scheuvelloper een rare snaak (Dal), ...een aordige dogge domkop, rare lomperd (Dwi)
aardige, aordige, aordigerd, de, aordigen, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook aordigerd (Midden-Drenthe). Vaak zonder d uitgesproken = eigenaardig persoon Dat is wat een aordige (Hol), Dat is wel wat een aordigerd (Hoh), zie ook aordigien
aardigheid, aordigheid, de, Vaak uitgesproken zonder d = aardigheid, plezier Dat hij daor aordigheid an het dat hij zoiets leuk vindt (Ass), Ik heb die sikke veur de aordigheid voor mijn plezier (Klv), Druk veur de aordigheid is op dat bellegie om eens te kijken wat er gebeurt (Wes), Ie mut niet kwaod worden, ’t was mar veur de aordigheid niet serieus bedoeld (Zdw), Ik bin al zo laang mit dit waark aan de gang, dat ik de aordighaid der schoon of heb (Erf), Um hier in dei brandende zun te gaon liggen, heb ik ook niet veul aordigheid an (Bov), As det ieder keer gebeurt, is de aordigheid der gauw of (Dwij), Dat daaier gait nait veur de aordighaid in het ronde, der mot ook volk in de mallemeulen zitten (Vtm), Wij hebt hum met mekaor hulpen, dat hew veur de aordigheid daon zonder beloning (Bal), Het was bij dat wicht aaid mar veur een korte aordigheid de verkering duurde altijd maar kort (Zwe) 2. in (niet), in aordigheid dijen, ...gaon (niet) groeien, gedijen Dat kaalf is niks in de aordigheid dijd (Bal), Het dier giet niet in de aordigheid (Bor), Daor heb ik nou niks gien aordigheid an, dat deer wil niks omliek, maor dei aander dijt in aordigheid (Vri), Det magien is wel in de aordigheid edijd is knapper geworden (Dwij) 3. kleine verrassing, presentje Wij hebt mekaar een aordigheid geven met Sunterklaos (Wijs), Dat haj niet doun moeten! Och, het is mor een aordighaaid (Row), Het mot een aordigheid blieven (Twe), Het is gien presentie, het is maor een aordigheidtien (Bei)
aardigje, aordigien, het, aordigies, (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. eigenaardig persoon 2. aardig iemand Wat zinst een aordigien (wb: Dal) *Een aordigien op een kaoregien, kaoregien deur het geutgat, rao, rao wat is dat? antw. de leugen (Sle)
aardkruiwagen, eerdkrooie, de, (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) = kruiwagen voor zandvervoer Dat is hier een eerkaor (Row)
aardmannetje, eerdmannegien, het, eerdmannegies, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = kabouter Het wark wordt niet deur eerdmannegies edaon (Vle)
aardpeer, aardpeer, de, aardpeer, Helianthus tuberosus Aardperen geeft ze wal an de knienen (Sle)
aardrijkskunde, aardriekskunde, aordriekskunde, aardrijkskunde, (md). Ook aordriekskunde (Noord-Drenthe, wb), aardrijkskunde (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = aardrijkskunde Bie aardriekskunde op de schoule mussen wie alle plaotsen en vulkanen van Java nog leren (Bov)
aardworm, aordwörm, eerdwörm, Ook eerdwörm (Zuidoost-Drents veengebied, wb) = 1. aardworm (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) 2. benaming voor pienter kereltje Dat jonggien, dat is een aordwörm (Sle) 3. harde werker, vooral met de schop Die is aid an het knooien, het is net een aordwurm (Bei), Het is een aordwurm, een echte vruterd (Bui)
aardzwaluw, eerdzwalvien, het, (dva) = soort van kwikstaart
aars, aors, de, aorsen, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = aars, achterwerk, z. ook maars
aars, neers, nèers, nèerze, njèers, de, nèerzen, (veroud.). Ook nèers (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), nèerze (Zuidoost-Drents zandgebied), njèers (Zuidwest-Drenthe, noord) = achterwerk, gat Hie hef zuk er mooi met de nèers bij langs drèeid heeft zijn werk etc. niet gedaan (Wee), Zet nèers mor an ’t stoel ga maar zitten (Sle), Hij is zo mager, hij hef gien neers in de bukse (Bco), Hij lop zuk de neers nog in de brand (Bov), ...oet de haoken loopt hard (Zey), Ha’k het mor in de neers, dan kun ik het oetschieten gezegd bij pijn (Exl), Hij is met de neers in het bottervat vallen heeft veel geluk gehad (Ndo), Trek de neers is wat in kroezen schuif eens wat op (Pdh), Je kunnen mai de neers likken je kunt me wat (Pei), Wat e met de haande recht zet, stöt e met de neers weer um hij is onhandig en schiet niet op (Pdh), Hij wol hum wel in de neers kroepen van een mooiprater (Ruw), De neers veur de toen trekken zich niet durven uitlaten of blootgeven (wm) *Die mit aandermans nèerze te kerk giet, komp niet wied je moet niet altijd naar een ander luisteren (Sti); Knollen kuj in de neers niet holden (Eco); Van het noorden en de neers komt nait veul deegs heer (Vtm); Wel de nèers verbrandt, mot op de blaren zitten (Wee); De mond kan maken dat de neers klappen krig (Bco); Kopen hef een wiede nèers (Sle), of Kopen hef een groot gat, mor betalen hef een enge nèers kopen is gemakkelijker dan betalen (Sle), z. ook gat, kont
aars, maars, maors, maorze, de, maarzen, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook maors (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), maorze (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = achterwerk, gat Woorum reer ij zo, hej wat veur de maors had? (Bor), Lik mij de maors je kunt me wat (Gie), Hij hef de maorze vol hij is dronken (Nsch) *Riemen en dichten, daor kanst doe mie de maorze mit lichten (Bco), z. ook aors I
aarsgat, neersgat, het, (Veenkoloniën) = achterwerk, voorkomend in het britslied dat werd gezongen, wanneer in het veen iemand bestraft moest worden *De britse van de ellen, het neersgat zal hum zwellen (Vtm), z. ook brits
aarswisser, neerswisser, de, neerswissers, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = toiletpapier Neersewisser, eerder miest een stuk kraante (Koe)
aartsvader, aartsvader, aortsvader, Ook aortsvader (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = 1. aartsvader In de Biebel proot ze van aartsvaders en profeten (Bov) 2. oud dier (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) Dat is een aartsvader, dei kan wal bie Noë in de arke zeten hebben (Bco), Dat is vleis van een aortsvaoder (Eco)
aarzen, nèerzen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = met het achterwerk draaiend lopen Kiek dat mensk daor is hen nèerzen (Emm)
aas, aos, het, 1. lokaas Met wat aos vis ie? (Wes), Mit dat aos vangst doe zo gein snouk (Erf), Ik heb aos bij de klem legd (Bui), Een knien in een strik is een mooi aos veur de veldwachter (Eex), Ze hadden vergiftig aos neer elegd (Zdw) 2. iets lekkers (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe) De kinder loopt geern op aos, ze hangt dan net zolaank rond toj ze een zoertie geeft (Eex) 3. kadaver (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), ook nageboorte van vee dat op de mesthoop was gegooid (Zuidwest Drenthe, noord) De hond kwam der mit een aos anzetten (Pdh), Daor lag een dood aos (Wes), Het stinkt as een aos (Bov) 4. benaming voor een persoon met verschillende karaktereigenschappen (Zuid-Drenthe), venijnig en grillig (Hgv), eigenwijs, verwend en bij de hand (Nsch), klein en ondeugend (Zuid-Drenthe, vooral Zuidoost-Drents veengebied): Een aos van een jonge (Wei), Een (voel) aos van een kereltien (Sle), Het is man een aos van een kereltien (Ros), Wat een aos, hij wil alles wel hebben (Rui), Het is een eigenwies aos (Scho), Dat is een aos van een kind bij de hand (Wee) 5. aas bij het kaartspel Hij kwamp mit ’n aos op (Ruw)
aasmug, aosmug, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = vleesvlieg
ababbel, kababbel, kebabbel, kebaobel, keboebel, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook kebabbel, kebaobel (Zuidwest-Drenthe, noord), keboebel (Kop van Drenthe) = klap Ik zel die ain kebabbel an de kop geven dat de steerns die deur de ogen hen vlaigen (Vtm), ...dat het oe geel en gruun veur de ogen wördt (Mep)
abbeltje, abbeltje, (Veenkoloniën), in abbeltje-babbeltje-boebeltje-pap = pap van sago
Abraham, Abraham, Aobram, Abram, Ook Aobram (Noord-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied), Abram (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = Abraham Hij wet woor Abraham de mosterd haalt weet, hoe het zit (Sle), Hij hef Aobram zeen is de vijftig gepasseerd (Dwi), ook gezegd bij een gedwongen huwelijk (Anl), van iemdie zich nogal wat verbeeldt (Anl), van een persoon, die na ernstige ziekte weer beter is geworden (Oud), van iemand die gestorven is (Wes), Hij hef Aobram nog ekend is erg oud (Zdw), Hij hef Aobram op de rug is een beetje lui (Rod)
abrahammetje, abrammegie, het, abrammegies, (Zuidwest Drenthe, noord) = karweitje dat achteraf flink tegenvalt Dat is der maor een mal abrammegie achter an (Smi)
abram, aobram, de, aobrammen, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. grote, diepe mand van iemand die met koopwaren langs de huizen vent Ik weit nog best, dat e vrouger altied met aobram op rug bij ons kwam (Pei), Hij leup met de aobram op rug van Norg naor Roon (Wtv) 2. soort brood (Veenkoloniën) ‘Vroeger kenden de bakkers hier wel een zeker soort brood aobram genaamd’ (Vtm)
abrikoos, abrikoos, abrikoze, aprikoos, abrikozen, Ook abrikoze (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën), aprikoos (Zuidwest Drenthe, noord) = abrikoos Doe mij mor een glassien abrikosies (Sle), Vrogger kregen wij wal ies abrikozen op brandewien, dat neume wij boerenwichter (Bei)
Absalom, Absalom, (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Nou, de zegen van Absalom en die van Salomon krieg ie toe (Geb), zie ook Ruth
absoluut, absoluut, abseluut, absoloet, obsluut, absluut, absloet, Ook abseluut (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe), absoloet (Zuidoost-Drenthe), obsluut (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, be:Zuidwest Drenthe, noord), absluut (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), absloet (wb:Zuidoost-Drents zandgebied) = volstrekt, absoluut Zuj dat wal doen? Jao, absoluut! (Oos), Hij wol absoluut nich mit (Bov), Dat is absoluut fout, aj het zo doout (And), Daor heb ik absoluut niks met te maoken (Anl), Het is absoluut woor (Sle), Zij hebt de absolute meerderheid (Wsv); obsluut, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = absoluut Hie wil het obsluut neeit dooun (Eex), Hie wol obsluut hebben da’k bleef eten (N:Sle)
abuis, buuls, bijvoeglijk naamwoord, (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = in de war Hij wus de weg nich meer, hij was heilemaol buuls (Bov)
accijns, aksiens, accijns, aksien, oksiets, sies, siens, Ook accijns (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën), aksien (Zuidwest-Drenthe, zuid), oksiets (md), sies en siens (Zuidwest-Drenthe, zuid) = accijns Wij meut er sies veur betalen (Rui), …de aksiens veur het slachten nog anzuveren (Sle), Op draank mot aksiens betaold worden (Vtm), Zunder er oksiets veur te betaolen (md)
accijnsbewijs, aksiensbewies, het, (Zuidoost-Drents zandgebied) = accijnsbiljet Het aksiensbewies bij jenever of bij het slachten van een biest (Pdh)
accordeerbeitel, akkedeerbeitel, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = fopinstrument, waarop kinderen werden uitgestuurd Haalt mij de akkedeerbeitel ies op (Flu)
accordeon, accordeon, de, accordeons, accordeonnen, accordeon Die jong kan zo geweldig mooi accordeon speulen; dei meuj man vraogen um meziek te maken bie het dansen (Bov)
accorderen, akkederen, akkereren, akkedaiern, Ook akkereren (Zuidwest-Drenthe, zuid), akkedaiern (Veenkoloniën) = 1. overleggen, het eens worden Wij mutten eerst nog over de pries akkederen (Smi), Mot dat nou zo? Wie kinnen toch wel akkederen? (Erf), Ze hebt net zo lange akkedeerd det ze hebt het klaor ekregen (sa:Rui), Akkederen is het eerste wark, betaolen komp achteran (ti), Der kwammen mèenschen met een pèerd bij de hengst en dan wollen ze akkederen een afspraak maken, dat er slechts zou worden betaald, indien het paard drachtig werd (Sle) 2. overweg kunnen Dat akkedeert wel goed daor in dat gezin heerst eenheid (Sle), Die lui kunt goed akkederen, …akkereren (Hol)
accuraat, akkeraot, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, accuraat, zorgvuldig, precies Die man was niet akkeraot genog (Wes), Het is een hiel olde klokke, maor hij löp akkeraot (Hgv), Dat klied van dij is ja akkeraot zo as ’t miende (Pdh)
accuraat, akkedaot, akkerdaot, akkeraot, Ook akkerdaot (Zuidwest-Drenthe, zuid), akkeraot (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. kordaat, pienter, dapper, flink Het was zo’n akkedaot mèenskien (Bor), Hij stapte er akkedaot op of (Row) 2. (bw.) zeker (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hetis akkedaot waor (Sle), Ik bun net akkeraot nog bie hum west pas geleden (Bov)
ach, ach, uitroep, Ach, wat zal ik zeggen. Kanst wal geliek hebben (Bov), Ach wat, schiet umhoge, krieg ie een daalder de voete (Geb)
acht, acht, aacht, Ook aacht (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. aandacht, oplettendheid Ie mut op de schoele goed acht geven, heur! (Ker), Ie mut acht geven op oen kleine zussie (Zdw), Daor heb ik gien acht op slaogen (Anl), Hij mot zuch nog wal in acht nemen na een ziekte (Bco), Ie muut oe veur hum in acht nemen uitkijken, je hoeden (Hav) 2. eerbied (Midden-Drenthe) Daor moej acht vèur hebben (Wes) *Ein die acht gef is meer weerd dan doezend gulden (Nsch); Acht is meer dan duzend gezegd wanneer men moet opletten (Mep)
acht, acht, aacht, aachte, achte, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook aacht (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), aachte (Veenkoloniën, Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied), achte (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = 1. acht Het was op slag van acht uur (Sle), Houveel appels hest doe? Achte (Bco), (zelfst.) Ze waren met zien achten met zijn achten (Klv), Het is vandage de achte mai (Bov), Mörgen hej ’n aachten mei (Anl), zie ook achste 2. 8-vormige verbinding aan evenaar om de knuppel vast te houden (Kop van Drenthe)
achteling, achtenliej, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = vat, waarin boter werd bewaard totdat het Botter donderdag was. De helfte van een achtenliej was een kinnegien resp. 20 en 10 kilo (Ruw)
achten, achten, aachten, Ook aachten (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. achting hebben Doemie wör op zien naaie stee niet slim acht (Row), De aolden mot je achten (Eco) 2. iemand inschatten Wij achten hum niet zo hoog (Gro), Hij acht zich daor te goed veur (Emm)
achtendeel, achtendieltien, het, achtendielties, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 10 of 20 kilo boter Een achtendieltien botter (Zwd), zie ook achtenliej, achtste II
achtenswaardig, achtensweerdig, bijvoeglijk naamwoord, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = achtenswaardig Dit is een achtensweerdig persoon, die wordt deur een hoop meenschen aacht (And)
achtentachtig, achtentachtig, telwoord, achtentachtig Het hemd, ...gat sleuig hum achtentachtig (Gas), ...achtentachtig of negenennegentig hij kneep hem (Uff). Als onderwerp ook Zien neers (Bro), Zien kont (Eri), Zien poepe (Wap), Zien harte (Nije) en soortgelijke varianten
achtentwintigste, achtentwintigsten, de, 1. de 28e dag van de maand 2. 28 augustus, feestdag van Groningens ontzet (Noord-Drenthe)
achtentwintigstuiverse, achtentwintigstuverse, achtentwintigstuversen, (Midden-Drenthe). Ook achtentwintigstuversreuster Een achtentwintigstuverse zat tussen de wiedte van een harde gulden en van een rieksdaolder in (Schl)
achtentwintigstuiversrooster, achtentwintigstuversreuster, (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = rooster met gaten van de grootte van een daalder (ter waarde van ong. 28 stuivers) Eerappels oetzuken over de achtentwintigstuversreuster (Bui),
achter, achter, aachter, Ook aachter (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. achter Het pad achter de koenen (Hijk), Ik zat bij hum aachter op de fietse (Wsv), Dat lag achter Drouwen oet (Hgh), Hie was achter de aom buiten adem (Sle), Hie is ter wal achter is goed bij de tijd, uitgeslapen (Oos), ook: hij loopt de kantjes eraf en laat anderen het werk opknappen (Vri), Hij hef wel wat achter de haand van geld en bezit (Ker), Wilst doe dat huile bord vol der achter schoeven? opeten (Eco), Der zit wal wat achter a er steekt wat achter b. daar is veel geld of bezit c. gezegd van bijv. een dik voer hooi achter een paard (Sle), ook Der zit wel wat aachter hij heeft een goed verstand (Rod), Der zit wal wat achter - een smerig hemd grapje (Nsch), Hij zit van achter under het heui (Wes), Hij hef ze achter de ellebogen is onbetrouwbaar (Bov), Ik loop geern achter het peerd bij landwerkzaamheden (Klv), De boer is er zölf achter ment zelf (Mep) Wat achter het linnen hebben flink geld hebben (wb), Zie zaten net achter de middag, doe ik erin kwam waren aan het eten (Sle), Ze zit achter de bonen eten bonen (Schn), Wij gaot achter de bak gaan eten (Zdw), Ze trökken ’s aovends um negen ure achter de brij gingen pap eten (Ruw), ...achter taofel (Bro), Daor moe wij nog ies ’n keer aachter trekken mee beginnen, met het werk of de oogst (Dwi), Bij de buren kroept ze altied achter de pette bidden zij (Flu), De kinder ruumt niks op; ie meut er altied achter anlopen, …anzitten (Bov), Hij löp al lange aachter heur an loopt haar na (Die), Wij gaot er achter aan het werk (Sle), Wij gaot aachter de rogge gaan rogge oogsten (Die), Det is ook van dat neisgierig volk, det stikt overal de neuze in en achter (ui), Gieniene kwam der achter kwam te weten hoe het zat (Odo), Zet de hond der mor achter stuur de hond er maar op af (Man) of: Krieg de hond der mar achter heer hits de hond tegen hem op (Bco), Aj daor ies achter kieken kunden als je eens achter de schermen zou kunnen kijken (Gas), Hoou die zaok der bij steeit, daor kuj nooit aachter kieken (Eex) 2. na Hij kwam aachter mij (Bal), Ok achter de middag is het in hoofdzaok koffie (Schl), Op de vergadering kwam Dirk achter mij an het woord (Mep), Het was zwaor weer, de iene slag kwamp achter de aander (Dwij), Ik heb ze der achter mekaar oetgooid de een na de ander (Bov), Hie is nogal wied achter de middag hij is vrij oud (Bor)
achter, achter, bijwoord, Voor var. en verbr. z. achter I = 1. aan de achterzijde, achter in een ruimte Hij hef de wind van achter heeft de wind mee (Odo), Haal mij stoffer en blik even van achter (Zdw), De manlu bint aachter an het wark (Die), Disse deur kuj niet in, ij moet achter wezen (Sle), Hij komp aachter van de streek van een streek ver van het dorp (Dwi), Ik bin achter oetkommen ik ben door de achterdeur naar buiten gegaan (Sle), Aachter op deel bij ouderen: ver van de grote schuurdeuren, bij jongeren: dicht daarbij (Anl), Wij hebt de zwienhokken achter in het hoes (Wijs), Achter op het dak is nog een minne stee (Wsv), Aachter an de Brink (Dwi) 2. later dan de werkelijke tijd Dei klokke is achter (Bco), Dei klokke geet achter (Hijk) 3. aan het eind Hij kwaamp aachter in de middag (Wsv), Hie luip achter in de riegel (Eco) 4. in achterstand Hij is wat aachter op schooul (Nor), De buren zult wal weer achter wezen met konterbutsie betalen (Wei) 5. achterop Vroeger waren de mensen oet een dörp achter bij de stadsmensen (Bor), Deur zien zeeikte was e zien heeile leven aachter (Eex), Dat kind zal net as de andern ok wal achter wezen achterlijk zijn (Wei) *Wat e veur häf, dat häf e nich achter hij weet wat hij wil (Nsch); Het isleeiver aachter as veur het is beter dat er rampen op de stal of de deel zijn dan bij de mensen in het voorhuis (Eex); Ie kiekt er wal achter, maor nooit in (Git); Van achter kiek ie de ko in het gat als het te laat is, ziet men de zaken in (wb), zie ook achtern
achteraan, achteran, bijwoord, Ook niet aaneen geschreven = 1. achteraan, erna Achteran in de zaal was nog stee (Bov), Die lu komt altied met het gat achteran als laatsten en vaak te laat (Gas), Zij kwamen ook een best eind achteran (Eri), Maok die nog maor neit bliede, der komt nog wel wat achteraan (Erf), Daor gao ik drekt achteran (Ruw), Hij hef niet achteran staon bij het neuzen uutdielen van iem. met een grote neus (Mep), Mit het oren uutdelen hef hij niet achteran estaone; man, het liekt wel een olifant (Mep), Griep wil gèèrn wat achteran kommen na griep krijgt men gemakkelijk een andere ziekte (Sle), Ik was der net achteran ik was net te laat (Wtv), Hej genog eten had, aans muj nog wal een brukkie achteran hebben (Bei), Mien zeun mus vaak achteran eten na de anderen (Ass), De koenen leupen aachteran in het laand (Vle), Het klein jong luip achteran in de riegel (Bal), Die zeune van K. komp ok wat achteran is een nakomer (Wei), Zij komp altied achteran mit het bord leeg maken (Flu), Aachteran eten na-eten (Anl), As die der is, kuw begunnen, die is aait aachteran te laat, als laatste (Eex), Wij kregen der nog brood en koffie achteran na (Gro), Hij mus der geld achteran steken flink extra investeren (And), Aj iene geld liend hebt en hie betaalt je niet, dan hej der geld achteran steuken heeft het flink geld gekost (Sle) 2. achterheen Die geeit der wel aachteran (Eex), Dei jongen, door meuj altied achteran zitten (Bco), As ik ter niet altied achteran zitte, dan gebeurt ter niks an het wark (Zdw), Margien was ’n knap vrommes (...). Daor waren der verscheiden, die daor achteran wollen (ui), Der zölf achteran gaon zelf de zaak gaan opknappen (Hgv), Wel wil daor achteran lopen wie wil dat hebben (Sle), Hie wil achter knollen an te pakken zien te krijgen (Zwe), Hij wol die kaste hebben, hij hef der wat achter an lopen (Bei), Daor moej achteran! daar moet je wat aan doen (Dal), Hie geeit overal aachteran d.i. hie leg op alle slakken zolt (Eex), De wichter achteran lopen nalopen (N) 3. achterop Die jong komp op de schoel nogal achteran (Gro), Dat kaalfie komt achteraan in de grui (Eco), Wij komt lillijk achteran (Sle), Op een boerendarp komp men aaid wat achteran (Sle), Zien zeune komp ok wat achteran is achterlijk (Wei), Het binnen altied dezelfden die achteran komt (Dwij) *Kreupele peerde komt altied achteran (Pei)
achteraantje, achterannegien, het, achterannegies, (Zuidwest-Drenthe, wb, dk) = 1. stuk brandhout tegen de staande haardplaat dat niet gauw verbrandt (wb), waartegen het turfvuur wordt opgebouwd (dk) Schik mar bij de heerd manlu, het vuur braandt merakel en der stiet een achterannegien op de plate (Hav), Het achterannegien stiet wat langer as het aandere holt (Wsv) 2. nakomend bijenzwermpje (Kop van Drenthe), zie ook achterlaot
achteraars, achterneers, achterheers, achternèers, achtereers, achterèers, , Ook achterheers (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), achternèers (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), achtereers (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), achterèers (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), achtereneerst (Kop van Drenthe) = achterstevoren Hie zit achterneers op de stoel (Sle), Hie tumelde achternèers van het voor heuj of (Val), As het kalf verkeerd ligt, is het een achterneers kalf (Gie), Het kalf kwam der aachterneers of (Eke), Hij spant het peerd achtereers (Zdw), Wat bi’j toch achtereers an de gaank je werkt in omgekeerde volgorde (Zdw), Hij schrouwt as een katte die achterneers van de ledder oftrökken wordt (Wtv), ook Hij reert... (Eex), Hij jammert... (Pei), Hie is der wal een beetien achternèers ofkommen bekaaid (Sle)
achteraf, achterof, bijwoord, 1. afgelegen Hij woont door arg achterof (Bro) 2. op de achtergrond Hij höldt zich achterof (Hgv) 3. naderhand, later Aachterof weet ik wel, dat ik het niet gooud daon heb (And), Met het opmaken van de schade leek het achteraf wel met te vallen (Eri), Van achterof bekeken, had het wel hiel aans ekund (Zdw) 4. achter in geestelijke ontwikkeling (Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied), in Hie stiet lang niet achterof (Sle), Hij is lang niet achterof (Smi) *Achterof kiek ie een koe in het gat achteraf praten heeft geen zin (Flu), ook Achterof kakelt de hoender (Ndo); Achterof is de allerdomste wies (Sle), zie ook achternao
achterafje, achteroffien, het, achteroffies, afgelegen plaats Zie zit op een achteroffien (Sle), Annie … stund lèst op een aovend toch nog mor laat op het achteroffien te vrijen (de)
achterafweggetje, achterofweggien, het, achterofweggies, (ov, Zuidoost-Drents zandgebied) = achterafstraatje Daor op zo’n achterofweggien is het gebeurd (Sle)
achteras, achteras, de, de achterste as De koegelties bunt mie oet de achterasse vallen, doe ik het rad eroet peuk (Bov)
achterbaander, achterbaander, de, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = baander aan de achterkant De fietse stiet bij de achterbaander (Nam)
achterbaks, achterbaks, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. niet te vertrouwen, geniepig Hij is nooit rechtuut, altied achterbaks (Mep), Het rechte vertelt hij nooit, hij is altied zo achterbaks (Hav), Wat een aachterbaks gedoe (Dwi) 2. achter de hand (Zuid-Drenthe) Het is aaid makkelijk, aj wat geld achterbaks hebt (Sti) 3. achteraf (Zuidoost-Drenthe) Hij heul zuk achterbaks, hij wol zuk nich zein laoten (Bov), Blief niet zo achterbaks staon, kom mar ies veur het front (Oos), IJ moet je problemen niet altied achterbaks holden voor je houden (Gro), Die vent zeg nooit precies woor het op stiet; hij holdt altied wat achterbaks (Bro), Ik heb het zo lang achterbaks holden stil gehouden (N:Sle)
achterban, achterban, achterbanne, (Zuidwest-Drenthe) = pad in de stal achter het vee langs Veegt de aachterbanne maar ies an, hij is zo smerig (Dwi), De schoepe stiet op het achterban van de koestal (Wsv), Bij paartie boeren lig de achterban altied vol stront (Pes), zie ook banne I
achterband, achterbaand, de, band om achterwiel Met dat glas op de weg is hum de achterband kepot gaon (Emm)
achterbats, achterbassie, achterbatsie, achterbassies, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën). Ook achterbatsie (Zuidoost-Drents veengebied) = bout uit de bil
achterbeen, achterbien, het, achterbeen Het pèerd hef een ontsteking an het achterbien (Sle)
achterbil, achterbil, de, achterstuk van een rund
achterbink, achterbinkie, het, achterbinkies, (Noord-Drenthe) = stuk vlees uit achterschenkel Een achterbinkie is nait zo knaasterig as een veurbinkie (Eco), zie ook binkie
achterbint, achterbin, achterbinde, achterbind, achterbiende, achterbinden, (Kop van Drenthe). Ook achterbinde (Kop van Drenthe), achterbind (Veenkoloniën), achterbiende (Zuidwest-Drenthe, zuid) = touw aan de achterkant van de wagen bij het inhalen van de oogst, z. ook achterriep
achterblijven, achterblieven, sterk werkwoord, onovergankelijk, achterblijven Aj wat harder loopt bliej ok niet achter (Sle), Die jong is wat achterbleven niet meegekomen met leeftijdgenoten (Nsch)
achterblijver, achterbliever, de, achterblievers, 1. achterblijver Op dei achterblievers kunt wie nich meer wachten (Bov) 2. bijenzwermpje dat als laatste nog van een korf komt (Zuidwest-Drenthe, zuid), zie ook achterlaot 3. dier, plant of persoon die achterblijft in groei of ontwikkeling Een laompien of een keugien dat mit de flessie wordt groot ebracht, is een achterblievertien (Hav)
achterbommelskont, achterbommelskont, de, (Ass) = dik vrouwspersoon
achterbonker, achterbonker, de, achterbonkers, (N) = veenarbeider, die de bonklaag verwijdert, z. ook bonker I
achterbord, achterbred, het, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. losse achterwand van de boerenwagen of wipkar, z. ook achterhek 2. vast achterschot op kruiwagen, vlak bij het wiel
achterbout, achterbolt, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = achterbout Een achterbolt is van een biest, niet van een zwien (Sle), zie ook achtervördel
achterbuis, achterbuze, de, (Zuidwest-Drenthe) = achterzak, z. ook kontbuus
achterbuurt, achterbuurt, de, achterbuurt Det achterbuurtien, daor woont niet aans as hakmak, wat minder soort volk (Koe)
achterdeel, achterdeel, de, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = achterste helft van de schuurdeel Aj een grote dèle hadden, dan kun ie een veurdèle en een achterdèle hebben (Hol)
achterdeel, achterdeel, het, (N:Die) = het achterste deel van het veld
achterdenkend, achterdenkend, bijvoeglijk naamwoord, (bl) = achterdochtig Ienmaol zöj ’t jou beklagen, daj zo stiefkoppig en achterdenkend bint
achterdeur, achterdeur, de, 1. achterdeur De achterdeur giet er is iemand bij de achterdeur (Bui), Die gaot de aachterdeure uut raken aan lager wal (Die), Het is makkelijk, dat men een achterdeurtien hef een andere dan de gebruikelijke mogelijkheid om iets te bereiken (Nam), Hij har de krap van de achterdeur hij had diarree (Pdh), Een kalf bij de achterdeur aangeven clandestien slachten (dc:Pei) 2. achterschot (Zuidwest-Drenthe, zuid) De achterdeure of het achterdeurtien is het achterschot van de varkensbrikke (Ker)
achterdocht, achterdocht, de, achterdocht Um gien achterdocht te wekken (md) *Oet törf, jenever en achterdocht, hef God de Drent gewrocht (Bov)
achterdochtig, achterdochtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, achterdochtig, argwanend Ze keken hum allemaole wat achterdochtig an (Zdw), Hij was, dunkt oons, aordig achterdochtig; hij vertrouwde het niet (Wsv)
achterdoft, achterdofte, de, (in en rond Hgv) = overdekt achterdeel van een schuit Veur de achterdofte zat een beugel op de baodem van de bok um de vreekboom in te stikken (Hol)
achterduims, achterdoempies, bijwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied), in Hie speult, ...döt achterdoempies hij speelt gemeen bij het knikkeren (Sle)
achtereen, achterien, achtereens, Ook achtereens (ti) = 1. zonder tussenpozen, aan één stuk door Zij hebben jaoren achteriene armoede eleden (Mep), Het gung aachtereen deur (Bal), ...an ien stuk achterien (Wei), Zij zat mij aal achterene um de kop te zeuren (Hijk), Het hef al jaoren achterien een nat zummer west (Bor), As wij is wat mèer achtereens ofdoen kunden? (N:ti) 2. achter elkaar aan Ze lopen achterien (Dal), Wie fietst achtereine, ...achter’n eine (Bov), Tot honderd achtereen tellen (Die), Die kiender hebt wel twintig keer achteriene det padtien of elopen (Dwij)
achtereind, achterèende, het, achtereind *Het achterèende van een pèerd en het veurèende van een jonge meid, daor moej je veur waren (Sle)
achterelkaar, achtermekaar, bijwoord, achter elkaar Jannegien zeg de taofel van vere achtermenare op (Zdw), Het was een geloop aal achter ’nkander weg, ...vort voortdurend door (Bov), Achtermekaar weg kwamen ze der anzetten bijv. van biggen bij de geboorte (Klv)
achteren, achtern, bijwoord, (alleen na vz.). Voor var. z. achter I = 1. achteren Ze haar het goed van achtern onder de heuispieren zat van achteren onder het hooi (Bro), Hie kwam mij van achtern op naderde mij van achteren (Sle), Je kunt beter de wind van aachtern hebben de wind meehebben, ook fig. (Bal), Hie zeurt aal van achtern, ...van achtern of an steeds opnieuw (Sle), Het regent aal van aachtern of an (Anl), Hij was aordig in het achtern mit het wark (Bov), Haal de vörke èven van achtern (Eli) 2. naderhand, achteraf (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) Van achtern bekeken hej makkelijk praoten (Hijk), Het spiet mij van aachtern dat ik het niet edaone hebbe (Dwi) *Van achteren kiek ie de koe in de konte achteraf praten heeft geen zin (Vle); Hie wet van veuren niet, dat e van achteren leeft (Odo), zie ook achter(nao)
achteren, achtern, het, Var. als bij achter = 1. het toilet (vooral als schoolterm) Ik moe neug even hen ’t achtern (Zwig), Hij zit op het aachtern (Dwi) 2. in in het achtern wezen achterop zijn, een achterstand hebben Deur het natte weer was e slim in het achtern met het wark (Gas), Met betalen kun hij wal ies in het achtern wezen (Dal), Aj ’s morgens late uut bedde koomt bi’j de hiele dag in het achtern (Noo)
achtergaan, achtergaon, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. achterlopen De klok giet achter (Sle), ...een haalf uur aachter (Bal), De wekker mot niet wieder achtergaon (Schl) 2. volgen in een begrafenisstoet (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Der bint er underweg nog wal hiel wat bij achtergaon (Sti), Een aole buur van oes is vandaag henbrocht, ik bin der ok nog achtergaon te volgen (Odo)
achtergang, achtergang, de, (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = gang achter het vee op de stal De achtergang was wal arg voel, hè (Val), Twei maol maakt wie de achtergang schone (Nsch), zie ook (achter)banne, achterpad
achtergevel, achtergevel, de, 1. achtergevel Wij hebt neie deuren in de achtergevel kregen (Dwij), De achtergevel is met de novemberstörm inweid (Exl), zie ook het meer gebr. achtermuur 2. de schuin toelopende top van de achtermuur Dat is al een heil old hoes; op achtergevel stait van 1815 (Pei)
achtergordijn, achtergerdien, het, overgordijn Henderkien har de blinden er veur weg kregen en nou kreeg het neie achtergerdienen (Bor), Het achtergerdien is het gerdien dat achter het veurgerdien hangt (Bui), Doou de aachtergerdienen mor dicht, gieneein hef der wat met neudig, wat of hier gebeurt (Eex), Veur het raom hungen korte gerdienen en daor aachter lange aachtergerdienen een tweede stel vitrages (Row)
achtergrond, achtergrond, de, 1. achtergrond Op de achtergrond stiet ok nog wat (Bor), Det huus stiet aordig op de achtergrond (Dwij), Dat schilderij het een mooie achtergrond (Eco), Wie wonen der wel mooi, want dat bos vörmt ain mooie achtergrond (Vtm), Hie holdt zök op de achtergrond (Sle), Aan dat kind wordt neit veul aandacht besteed, die komt ein beetje op de achtergrond (Erf), Aj het tegen die aachtergrond bekiekt, kuj wel geliek hebben (Bro) 2. diepere oorzaak Dat geval hef een bezundere aachtergrond (And), Aj de achtergrond weet, dan dut het je gien nei meer, dat het zo gaon is (Bei), Dat die vent altied zo drinkt mot toch een achtergrond hebben (Hijk) 3. basis, afkomst, verleden Die het nait zo’n mooie achtergrond (Eco), Zit er een goeie achtergrond achter bij die koe? zijn er goeie papieren bij (Sle), Aj mor een goeie achtergrond hebt, dan wil het mienstied wal (Zwi)
achterhaald, achterhaald, bijvoeglijk naamwoord, Var. als bij halen = achterhaald Dat boouk kuj wel vortgooien, wat daor in steeit is almaol al lang aachterhaold (Eex), Dat neis is aal laang achterhaold (Erf)
achterhaard, achterheerd, de, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. plaats, waar een tweede kachel stond opgesteld Zomers huust ze in de aachterheerd (Die), De achterheerd was het twiede vuur en was in de aolde kamer; hier wuurd schoonmaakt, waren de bedstees van de knecht en de meid; de kaarnmölle stund er en de hond lag er bij het vuur (Pdh) 2. de kachel (Zuidwest-Drenthe) Zet de ketel maor op de aachterheerd en kiekt deur het loekglas even of oe vaeder ook op de dele is (Dwi) 3. plaat achter de haard (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe)
achterhaker, achterhaker, de, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = iem. uit de ploeg hakers bij het kanaalgraven: de persoon, die als laatste een spit grond overneemt, z. ook bij haker
achterhalen, achterhalen, zwak werkwoord, 1. achterhalen De plietsie het hum wal achterhaald (Ass), Wel dat zegd hef, kun je toch niet meer aachterhaolen (Bal), Dat geld is al lange op, dat kuj niet meer achterhalen (Eli), Dat was nog wal te achterhalen, het was net gebeurd (Wee), Het kwaod wordt meesttieds wal achterhaald (Bei), De leugen kuj mit de waorheid achterhalen (Ruw) 2. in Griep moej goed uutvieren, want het wil nog wel ies achterhaelen na griep wil nog wel eens een andere ziekte komen (Wsv)
achterham, achterham, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = achterbout De achterham van een zwien (Nam)
achterhand, achterhand, de, 1. achtergestel De koe vuulde goed in de aachterhaand (Dwi) 2. achterhand bij het kaarten Ik zat mooi in de achterhand en zo kun ik dei slag mooi oftroeven (Bov) 3. achterstand (Zuidoost-Drents zandgebied) Ze bint wal een beetien op de achterhaand kommen ze zijn tekort gekomen (Sle)
achterhands, achterhands, achterhaands, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook achterhaands (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. achter de hand (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Hij vertelde neeit alles, maor höl wat aachterhands (Eex), Hij had nog een mooi cent achterhands (Bov) 2. van achteren af, met de hand naar achteren, achter je vandaan Ik mus zo achterhands slaon, alles dut mij zèer (Sle), Hij sleug mij aachterhaands en daordeur tumelde ik naor beneden (Dwi), Ik kreeg een aachterhaandse oplawaaier (Rol), Achterhands wol ik die bal griepen (be) 3. achterbaks (Zuidwest Drenthe, noord) Hij is wat aachterhaands (Dwi) 4. naderhand (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie hef hum achterhands lillijk betrökken te grazen genomen (Sti) 5. achterop (Zuidoost-Drents zandgebied) Wij bint deur die natte tied aordig achterhands komen (Zwe)
achterhandse, achterhandse, achterhaandse, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook achterhaandse (Zuidwest-Drenthe) = een gevoelige slag achteruit, een gevoelig klap met de hand Aj niet opholdt kriej een achterhaandse (Geb), Hij kreeg een achterhaandse, dat hij tutelde van de stoel (Pes), Hij kan veul hebben, maar as het hum te barre wordt, kan hij oe een gemene achterhandse verkopen (Noo)
achterheen, achterhèer, achterhen, bijwoord, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord). Ook achterhen (N) = achteraan, achterheen Wat zint ze der drok achterhèer wat zijn ze druk aan het eten, aan het werk (Sle), Wij moet er mor even flink achterhèer, dan zal het wark wal daon kommen (Sti), Tou jong, doe most er nog eens goud achterheer zitten, gezegd bijv. n.a.v. schoolrapport (Vtm), Krieg de hond der man achterheer stuur de hond er maar op af (Bco), Ik zag vrouger een duvels mooi wichien, ik denk, daor gao ik even achterheer (Pei), Vao zat de ondeugd achterheer zat achter de ondeugende jongen aan (Pdh), argens achterhen zitten, zie ook achteran
achterhek, achterhek, het, 1. uitneembare achterwand, afsluithek, van een boerenwagen Het achterhekke bij vervoer van törf, holt etc. (Zdw), Het achterhek is de achterwand van de langwagen (Sle), Hij had onderweg het achterhekke verleuren (Wsv), Het achterhekke is een deel van de heuirik van de boerenwagen (Koe), zie ook achterschot, achterbred, scheufsel 2. rugleuning van stoel (Zuidwest-Drenthe, zuid) 3. hek aan de achterkant As doe de baisten in de waide dust most doe het achterhekkie ook even dicht doun (Vtm), (fig.) Hij krig het achterhek zijn meisje maakt de verkering uit of: hij loopt een blauwtje (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, wb, dva)
achterhoef, achterhoef, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = achterhoef Dat peerd is wat kreupel mit de linker achterhoef (Ker)
achterhof, achterhof, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) = achtertuin Het was an het wark in de achterhof (Sle)
achterhoofd, achterheufd, het, achterhoofd Hij is niet op zien achterheufd vallen (Bei), Ik zal het in mien achterheufd bewaren ik zal het onthouden (Dwij), Die hef wel wat in zien aachterheufd hij weet heel wat (And)
achterhouden, achterholden, sterk werkwoord, overgankelijk, achterhouden De waorheid hebt ze altied veur hum achterholden (Klv), Kom der non mor èerlijk met veur de dag en vertel mij alles zunder daj wat achterholdt (Hijk), Hie was penningmeester, mor hie hef wat geld achterholden achterover gedrukt (Sle), Volgens mie het dai wat achterholden, want der is wat vort (Vtm), IJ mut toch aaid wat achterhoolden wat geld in reserve houden (Pdh), Ien de oorlog hebt hiel wat boeren rogge achter eholden (Ruw)
achterhoudend, achterholdend, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drenthe) = schuw IJ moet dat kind wat anhalen, het is nog wat achterholdend (Sle)
achterhouds, achterholds, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = achterhoudend Koom mar ies veur het front mit oen prooties, ie bint altied zo achterholds (Dwij)
achterhout, achterholt, het, 1. dwarshout, waaraan de strengen van de paarden worden vastgemaakt (N, Midden-Drenthe) 2. elleboogvormig stuk hout, waar een touw omheen werd gespannen (Midden-Drenthe) 3. achterstel van wagen Het achterholt is woor de grote raden zitten (Nsch), ...is het achterstel (Man), zie ook achterschamel 4. sluitplank achter op wagen (Zuidwest Drenthe, noord) Het achterholt, ...sluutholt mut er nog even in (Wsv)
achterhuis, achterhoes, het, 1. achterste deel van woonhuis 2. het bedrijfsgedeelte van de boerderij, schuur De kaaie [koeien] staot in het achterhoes (Nsch), In het achterhuus vien ie de pompstraote en daorachter de dèle, de koegaank mit de hilde derbaoven, de varkenshokken en de peerdestal (Hgv), As de koenen uut bint, mut het achternhuus ook schone (Koe), Het giet hum goed in het aachterhuus hij boert goed (Dwi), Van het achterhuus mut het komen de inkomsten moeten uit het bedrijf komen (Zdw), As het maor in het aachterhuus blif gezegd van ziekte of sterfgevallen liever bij het het vee dan bij de mensen (Die), ook Onheil in het achterhoes is altied nog beter as in het veurhoes (Hijk) en Het is beter in het achterhoes dan in het veurhoes (Ndo) 3. bijkeuken, overgang van woonvertrek naar schuur (N)
achterhuis, achterhuus, bijwoord, (tu) = achter het huis Nee, mar achterhuus lig nog wel wat
achterhuis, achternuus, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. in het achterhuis De kiel, die aj achternuus an hebt, muj veurnuus uuttrekken (Bro), Ik heb overal naor de jongen zocht, veurnuus, achternuus, butenhuus (wb:Koe), Van achternuus vanuit de schuur (N), 2. met de klemtoon op de laatste lettergreep: achter het huis (Zuidwest-Drenthe, zuid)
achterhuisje, achterhoesien, het, achterhoesies, (Zuidoost-Drents veengebied) = wc, z. ook achtern I
achterkamer, achterkamer, de, 1. achterkamer, soms ook alleen de keuken waarin men kookte, niet die waarin men woonde. De achterkamer is meestal onderdeel van een burgerwoning, bij boerderijen is achterkamer in bet. 1. een vrij modern woord De jongelu woont in de aachterkaemer (Die), Laot wij mor in de achterkamer gaon zitten, daor is het mooi rustig (Man), Ie kunt van de achterkaemer zo hen de dele (Wsv), De aachterkaomer was vrouger de aachterkeuken (een woon- en kookkeuken), doe stun daor de kookkachel (And), In de achterkamer zitte wij altied te èten (Eli), As der volk is, dan moeten de kinder in de achterkamer speulen (Eri), Ein van de kinder sleup in het aachterkaomerie under het ofdak achter op de zolder (Vri) 2. kamer waar men de was deed (Zuidoost-Drents veengebied) De achterkamer was ien de boerderij de waskamer (Bov)
achterkant, achterkaant, de, achterkant De aachterkante van de jurk zit niet zo mooi as de veurkaante (Zdw), De achterkaante van het gröslaand stun blank (Wei), Hij hef de hiele achterkaant van de auto in mekaar zitten (Wes), Het stund op de achterkaant van de breeif (Gas), Aj je niet stilholdt, gaoj an de achterkaant van die deur (Zwe), Dat is maor de achterkaante, daor zeej niks van (Bei), De aachterkaante is neet zo mooi wat achter die zaak zit, is minder fraai (Dwi), Ie kunt hum de achterkaante laoten zien laten merken dat je niets met hem te maken wilt hebben (Zdw) *Veurkaant is koopmans kaant, aachterkaant stek niet zo naauw (Eex)
achterkasteel, achterkestiel, het, (Midden-Drenthe, N:Zuidoost-Drents zandgebied) = derrière Dat meinse hef een good achterkesteel (Bei)
achterkeer, achterkeer, het, de, de twee verbindingsarmen, samen ook wel tangarms geheten (Hgv), ...die het achterstel van de wagen verbinden met de laankwaogen (Row), zodat de vorm van een gaffel ontstaat, ook gezegd van achterstel van de wagen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) As ze mit de lusse waegen naor het laand veurden, zat de olde man altied op het achterkeer mit de ene haand an de waegenronge (wb:Koe), zie ook tangarm, keerstok
achterkeuken, achterkeuken, de, 1. achterkamer in boerenhuis, waar men woonde en tevens kookte; er werd meestal ook gegeten en soms ook gespoeld en gewassen (eertijds alleen in zeer grote boerderijen); soms ook gezegd van kleine kamer naast keuken met ramen in de voorgevel of alleen kamer, waar werd gewassen en gespoeld De aachterkaomer was vrouger de aachterkeuken; doe stun daor de kookkachel (And), In de aachterkeuken zatten wai te eten, maor ’s aovends zat wai in de veurste kaomer (Pei), In de achterkeuken stiet moe te koken (Wee) 2. het vertrek achter de keuken, bijkeuken (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe), zie ook pompstraot, geut
achterkist, achterkist, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = kistvormige bank achter in de dekwagen Gao mar op het achterkist zitten (Sle), ...op het achterkissien (Pdh)
achterkleinkind, achterkleinkind, het, achterkleinkind Hai het al zeuven aachterklainkinder (Eco)
achterklep, achterklap, de, (Zuid-Drenthe) = 1. afsluitklep aan achterzijde van varkensbrik of veewagen De koe mut oet de wagen, zij hebt de achterklap van de wagen al deel (Ndo), De achterklappe scheut hum lös en alle keuen de straote op (Zdw) 2. achterklep aan ouderwetse broek (Zuidwest-Drenthe, zuid)
achterkop, achterkop, de, 1. achterhoofd Hie hef een dikke achterkop (Zwe), Hij is nich op zien achterkop vallen goed bij (Nsch) 2. de achterste steunlat onder het raam van de hooiwagen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Der was een aachterkop en een veurkop twee stevige, liefst gezaagde houten regels, bij voorkeur eikenhout, lang ong. 1.70 à 1.80 m., die dwars over de ledders worden gelegd, één achter en één voor, boven voor- en achterstel, voorzien van ijzeren beugels, waardoor de rikstokken worden gestoken. Met elkaar is dit een heuirik (Taa) 3. achterstel van boerenwagen (Zuidoost-Drents veengebied) 4. losse achterwand van boerenwagen (Zuidwest-Drenthe, zuid) 5. hoop hooi of rogge die hoger ligt dan de rest, achterop een voer, onder de weesboom (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) Op een voer rogge of heui zetten wij een aachterkop en veurkop, ongeveer 6 garven (Dwi)
achterkrat, aachterkret, het, aachterkretten, (Kop van Drenthe) = achterste balk van het hooiraam, met gaten ter bevestiging van de zijbalken
achterkubbing, achterkubbing, de, (wb, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = uitbouwsel als afdak aan de achterkant van de schuur Zie hef de kinderwaogen under de achterkubbing staon (Bui), zie ook oetkubbing, ofkubbing, oetlaot
achterlaat, achterlaot, achterlaoder, achterlaoter, achterlaoten, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook achterlaoder, achterlaoter (Veenkoloniën). Vaak verkl. = klein bijenzwermpje, dat na de twee eerdere zwermen evt. nog van een korf komt As der mor gien achterlaot mèer ofkompt, dan hol ik nog wat over (Sle), z. ook achterzwarm, naozwarm, endeling, achterannegien, achterbliever
achterlader, achterlaoder, de, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = achterlader Een achterlaoder was een aolde knapbus (Een)
achterlangs, achterlangs, bijwoord, achter langs, langs de achterkant Ie gaot maor aachterlanges, dan zet de plietsie oe niet (Dwi), Zeei hebt een waal aachter het hoes, maor der is wel een pad achterlangs (Eex), W. hef der van zien va flink achterlaangs had ervan langs gehad (Wei), Wij gungen aachterlanges naor schooul (Nor), Ie hebt van die lu, die kunt overal achterlaangs kunnen altijd om de problemen heen (Zdw)
achterlaten, achterlaoten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. achterlaten Laot dat pakkie mor achter (Vtm), Hij wol daor graog wat achterlaoten van zien handeltien verkopen (Uff) 2. nalaten Do hij dood was, hef hij nog wal wat achterlaoten (Bov)
achterleidsel, achterleide, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = achterste deel van een leidsel De kruzen zit an de achterleide (Emm)
achterlicht, achterlocht, het, achterlicht Zien achterlocht braandt niet (Sle)
achterlijf, achterlief, het, achterlijf De ieme trök zien achterlief al krom, hij wol mij steken (Coe), Dat zwien draait zo gek met zien achterlief (Erf), Dat peerd hef een beste glippe op het achterlief op elèupen (Hgv)
achterlijk, achterliek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. achterlijk in groei of geestelijke ontwikkeling Dat is achterlieke rogge (Sle), De eerappels binnen achterlijk (Eri), Dat kiend van de buren is wat achterlijk (Wsv) 2. achterop geraakt (Zuidoost-Drents zandgebied) Ik heb mij wat verslaopen en nou bin ik de hiele dag wat achterlijk mit het wark (Stu), Dende die raust er deur, mor het wark is achterlijk (Sle)
achterlijn, achterliende, achterlien, (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb). Ook achterlien (wb) = touw waarmee achter aan de wagen, bij het inhalen van de oogst, de weesboom wordt bevestigd die over de lading ligt, z. ook achterriep
achterlopen, achterlopen, sterk werkwoord, achterlopen De wekker lop achter (And), Dei man is nich bie de tied, dei lop achter (Bov)
achtermuur, achtermuur, de, achtermuur De achtermuur is oes inwèeid (Sle), Boven de achtermuur zit de achterwam (Wijs)
achterna, achternao, bijwoord, 1. na, achterna Gaot oen va ies gauw achternao, hij hef zien portemenee vergeten (Zdw), Die kinder lopen oons aal achternao (Eco) Wai kregen een beschuut met eerbaaien aachternao (Row), Die hond zit de schaop aachternao (And), Toen ze jong waren, leupen ze mekaar al achternao, maar achterof is het toch mar goed dat ze mekaar niet kregen hebt (Oos), Iene een schup achternao geven iemand een trap na geven (Zdw), Je centen, die kuj achternao kieken ben je kwijt (Sle) 2. achteraf, naderhand Achternao bekeken mus ik het neet edaon hebben (Wap) *Achternao kaokelt de hounder (Vtm), ...kiek ij een koe in het gat achteraf praten heeft geen zin (Emm), zie ook achterof
achterna'tje, achternaogie, g. lidw. (Zuidwest-Drenthe, zuid) = knikkerspel, gespeeld bij het naar school gaan
achterna-eten, achternao-eten, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) = naëten Hij komt laat in hoes en dan mot hij iedere keer achternao-eten (Bov)
achternaam, achternaam, de, achternaam Dei man hef een achternaam, dei kan ik nich entholden (Bco)
achternakaarten, achternaokaorten, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = nakaarten, steeds weer opnieuw over iets beginnen Ie mut niet altied achternaokaorten (Dwij), zie ook naokaorten
achternakijken, achternaokieken, sterk werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = nakijken Je centen die kuj achternaokieken je geld krijg je niet terug (N:Sle)
achternakomertje, achternaokommertien, het, achternaokommerties, (Zuidoost-Drents veengebied) = kleine bijenzwerm die soms, als laatste, nog van de korf komt, z. ook achterlaot
achternalopen, achternaolopen, sterk werkwoord, overgankelijk, nalopen Hie lop de wichter achternao (And), De godganze dag kuj hum naolopen zijn spullen achter hem opruimen (Bov)
achternamiddag, achternaomiddag, achtermiddag, Ook achtermiddag (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe) = namiddag Dat is nich zoveul, dat kanst doe op een achternaomiddag wal even doun (Bov), Ze kunt het in ’n achtermiddag wel doen het is een karwei dat niet veel tijd vraagt (Hgv)
achternazitten, achternaozitten, sterk werkwoord, overgankelijk, nazitten, achtervolgen De veldwachter hef hum verleden weke nog achternaozeten maor hij kun hum niet kriegen (Klv)
achterneef, achterneef, de, achterneef Dat is nog ain achterneefie van mien moeke (Vtm)
achternicht, achternicht, de, achternicht Dat wicht dat is nog een achternichte van mie, man ik heb heur al in gien joren meer zein (Bov)
achternok, achternok, de, nok aan achterkant van een wagen De aachterrepe gaot um de aachternokke (Die), zie ook bij nok
achterom, achterum, bijwoord, achterom De winkel was al dichte, daorum gungen wij mor even achterum (Hijk), Zie mugt gien drank verkopen, mor zie doet het wal achterum (Stu), Harm, kiek non is ’n keer veur je en zit niet mèer achterum (Hijk), Het straotien achterum langs lopen (Man), Achterum is het kermis tegen iemand die achter je staat en voor wie je niet op zij wilt gaan (Ass)
achteromgekijk, achterumgekiek, het, het achteromkijken Zit toch stil, aal dat achterumgekiek (Sle)
achteromgluipen, achterumgloepen, sterk werkwoord, onovergankelijk, heimelijk achteromkijken Hij zit altied op de fiets achterum te gloepen (Pdh)
achteromkijken, achterumkieken, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. achteromkijken Een boer die knollen egt, mot niet aachterumkieken, want dan dèenkt e dat er gieneen staon blif (And) 2. bij voortduring zorg vragen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Det is niet stark ebouwd; door hej nogal gauw achterummekieken mit (Bro), Det is gien best goed, det kik nogal umtied achterumme (Bro), ‘Willen ze niet naar Assen om te getuigen?’ Nee meneer, det kik altied achterumme daar komt gedonder van (ui) 3. terugblikken Aj haost hebt, moej niet te vake achterumkieken (Hijk)
achteromkijkertje, achterummekiekertien, het, achterummekiekerties, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. driekleurig viooltje, Viola tricolor Ie zult wel niks kriegen mien jong as een schienvat met ’n achterummekiekertien geen cadeau (Dwi), Hen Stapper [Staphorst] um een achterummekiekertien te kopen als antwoord op de vraag waar iemand heen gaat (Ruw) 2. spelletje waarbij iemand met het gezicht naar de muur staat terwijl de anderen dichterbij komen (Zuidwest-Drenthe, zuid), 3. bep. knikkerspel (Zuidwest Drenthe, noord)
achteromstrijkertje, aachterummestriekerdie, het, aachterummestriekerdies, (Zuidwest Drenthe, noord) = bep. knikkerspel
achterop, achterop, bijwoord, 1. achterop Hij kun noch nich fietsen; hij zat bie zien va achterop (Bov) 2. achterlijk Hij is lang niet achterop (Wat)
achteropfietsen, achteropfietsen, zwak werkwoord, onovergankelijk, iemand fietsend achteropkomen Zowat bie de schoule kwam hij mie achteropfietsen (Bco)
achteropkomen, achteropkommen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. achter iemand aankomen Wij bint mor weggaon, hij mus oes mor achterop kommen (Ndo) 2. in achterstand geraken Deur heur ziekte is ze aordig achteropkommen (Bor)
achterover, achterover, bijwoord, achterover Hij hef het haor achterover (Wijs), Ik vuul achterover op de grond (Exl)
achteroverdrukken, achteroverdrukken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. achteroverduwen 2. verduisteren Dei mulder drukte regelmaotig meel achterover (Vtm), Hij hef dat geld achteraover edrukt (Hol)
achteroverreden, achteroverrien, sterk werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = achteroverkammen Het haor achteroverrien (Sle)
achteroverslaan, achteroverslaon, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. achterovervallen, achteroverslaan Hij sleug achterover van de stool (Bei), De bliksem sleug zo dicht bij hum in, dat hie sleug zo aachterover (Anl), Daor zal e wal niet van achteroverslaon onder de indruk raken (Sle) 2. achterover doen vallen Hij slat zien tegenstander achterover (Rod) 3. in één beweging leegdrinken Hai sluig de borrel in ain keer achterover (Eco), In de gaank weg sleug ie dreei aachterover (Dwi), Hie hef heel wat aachteroverslaogen (Bal)
achteroverstaan, achteroverstaon, in Ik gao een teurtien achteroverstaon naar bed (Pdh)
achterovervallen, achterovervallen, sterk werkwoord, onovergankelijk, achterovervallen Het was zó glad, dat ik veul zo aachterover (And), Hij vul zowat achterover van het lachen (Bov)
achterpaal, achterpaol, de, (hy:Zuidwest-Drenthe) = paal, waar het hek op draait
achterpad, achterpad, het, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = pad op de stal achter het vee Aol boer strompelde over het aachterpad om de biest nog is te bekieken (Bal), Het achterpad was op partie koestallen slim smal (Wsv), zie ook banne
achterpand, achterpaand, achterpand, het, de, achterpand Ik heb de aachterpaand van de trui klaor breid (Eke); achterpand, 1. achterpand van kledingstuk De snieder was net mit het achterpand an het wark (Bov) 2. bips (Veenkoloniën)
achterplaat, achterplate, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = haardplaat achter het vuur, z. ook plaat
achterplank, achterplaanke, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = achterplank van boerenwagen
achterploeg, achterploeg, achterploegstuk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord). Ook achterploegstuk (Midden-Drenthe) = het achterstel van een ouderwetse ploeg
achterponning, achterponning, de, (Veenkoloniën) = achtertouw van de wagen bij het inhalen van de oogst, z. ook achterriep
achterpoot, achterpoot, de, 1. achterpoot van een dier De haze zit mit de achterpote in de strik (Ruw), Het veulen stiet nog niet te best in de achterpoten (Bui), Die koou trekt wat met de eein aachterpoot (Eex), Hie stiet gauw op zien achterpoten op z’n achterste benen, is gauw kwaad (Sle) 2. achterpoot van een meubel De achterpote van die knopstool is niet best mèer (Bei), Een stoel hef vèer poten, zit toch niet zo te wuppen op de achterpoten (Bro), De achterpoot van het kamnet is hielmaol verwurmd (Oos)
achterrad, achterrad, achterrads, bijwoord, (wm, wb). Ook achterrads (dva, wb) = 1. achter elkaar, elkaar opvolgend 2. ruggelings, averechts (wb:Kop van Drenthe) De waogen mout achterrads oet de schuur (wb:Don)
achterrad, achterrad, het, 1. achterwiel Van het achterrad van oenze wagen is de hoepe of elopen (Hav), Ik kreeg een èende pakdraod in het achterrad van de fietse (Bco), IJ bint net zo dom as een aachterrad van een waogen, dat lop ok aachter het veurste an (And), Ie bennen net zo wied mis as het aachterrad van de waogen (Een) 2. rijksdaalder (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) Ik heb nog een aachterrad in de buse (Dwi) 3. van persoon aan wie men weinig denkt (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Ze hebt hum weinig in de reken, het is het achterrad van de wagen (Hijk)
achterreep, achterriep, de, achterste touw aan de wagen waarmee de lading wordt vastgesjord Doe staist door toch niks te doun, win mie de achterreip mar even op gezegd bij het afladen van de vracht (Bov), Die niet zwemmen kun, kreeg een achterriep um het middel (Oos), zie ook achterponning, achterbin
achterrek, achterrik, het, (Zuidoost-Drents zandgebied, wb:Eel) = achterhek tussen beide ladders van de wagen
achterschaar, achterscheer, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = achterstel van een ouderwetse ploeg
achterschamel, achterschamel, de, het, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = schamel van het achterste deel van de wagen, z. ook bij schamel
achterschip, achterschip, het, 1. achterschip As ie ien het achterschip wilt, meut ie deur het roem (Bov), Most even in het achterschip kommen, de koffie is klaor (Erf), In het achterschip der mit (Dwi) 2. deel van een kerk (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) Ik heb oe in de karke niet eziene. Nee? Wij zaten in het achterschip (Zdw) 3. (Zuid-Drenthe), in uitdrukkingen als in het achterschip raken etc. achterop raken As ij de aandern heeilendal geworden laot, kom ij zölf in het aachterschip in een minder gunstige positie (Eex), Zien breur hef zien olden nogal wat centen ekost; zodoende is hij in het achterschip ekomen (Hgv), Hij komp mit betaelen in het achterschip (Wsv), ...met het achterschip is te laat (Zwe), Hij kon nog net in het achterschip komen hij was eigenlijk te laat (Dal), Aj meer geld uutgeven dan aj inkommen hebt, dan kooj ien het achterschip raak je in de financiële problemen (Stu)
achterschot, achterschot, het, 1. losse achterwand van een wagen of koets, z. ook achterscheutsel, achterbred 2. achterwand Hie kwam met de voeten tegen het achterschot (Bor), Het achterschot en het ziedschot dienden um de dekens niet tegen de witte muur an te laoten kommen (Wijs), Tegen achterschot haren wie vrouger de bedplaanke, woor de po op stond (Vtm)
achterschotsel, achterscheutsel, het, afsluiting aan de achterkant van de platte boerenwagen of strontbak, z. ook scheutsel, achterschot
achterspatbord, achtersputterbred, het, de, achterspatbord Vrouger hadden ze een net um de achtersputterbred van de fiets (Gas)
achterst, achterst, achterste, achst, achste, aachst, aachste, aachs, , overtr. trap van achter. Ook (zelfst. of verbogen) achterste, achst, achste, (Zuidoost-Drents zandgebied, wb), aachst, aachste (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, wb), aachs, aachse (N:Zuidoost-Drents zandgebied), aast, aaste (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = achterste Dei achterste gorve most mie even wegpakken (Bov), Die lig an de achterste pappe telt niet mee (Hol), Mien bes was oet het achste Erm (Scho), Hie hef de jas aachste veur an (Zwig), (zelfst.) Laot het aachste van je tong ies zien (Wes), De koenen lopt in het veurste stuk en de pinken in het aachste (Bor), Hij kreeg een tik veur zien achterste voor z’n bips (Odo), Hie kwam onbekwaom in hoes, hij was hen ’t achste Emder mark west bij de cafés achter de markt (Sle)
achterstaan, achterstaon, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. achter staan As een club achterstiet mut ze er wat harder an trekken (Scho) 2. de mindere zijn Oonze kiender huuft niet aachter te staon bij de kiender van de buren (Die), Hij wuur verstöt, hij mus aaid achterstaon (Sle)
achterstaart, aachterstaartie, aachterstaartien, (Midden-Drenthe) = klein bijenzwermpje dat soms, als laatste, nog van de korf komt, z. ook achterannegien
achterstallig, achterstallig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, achterstallig Hie is achterstallig met de huur (Oos), Der stiet nog wat achterstallig van veur drie jaor (N:Sle)
achtersteek, achtersteek, de, (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. achtersteek Dat wordt met een achtersteek enèeid dat is 4 steken vooruit en 2 achteruit (Rui), Neien met een aachtersteek is wieder naor aachtern weer insteken (And) 2. in met een achtersteek neien een slag om de arm houden, zijn mening niet ronduit zeggen (dva)
achterstel, achterstel, het, 1. achterste deel Der zit een goud achterstel an die koou (Wtv), Die koe hangt wat in het achterstel (Wes), Heur achterstel vrag een briede stoel achterwerk (Hgv) 2. achterstel van de houten boerenwagen (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) en van de ploeg (hy:Zuidwest-Drenthe en Kop van Drenthe) Het achterstel is het totaal vanaf het midden van de boerenwagen, behalve het dek en de zijschotten (Gro)
achterstevoren, achtersteveur, achtersteveuren, achtersteveurs, Ook achtersteveuren, achterveurs (Zuidwest-Drenthe, zuid) = achterstevoren, verkeerd om Hij har de boks achtersteveuren an (Anl), Hij zit achtersteveur op de fiets (Wat), Hij spant het peerd altied achtersteveur veur de wagen pakt alles verkeerd aan (Flu), Det kiend kan agin niet goed praoten, hij pröt jao nog achtersteveur (Koe), Hij is der achtersteveuren oetsmeten uitgegooid (Bal)
achterstuk, achterstuk, het, het achterste stuk Het achterstuk van de fietse is hielemaol verroest (Klv)
achtertouw, achtertouw, het, (Zuidoost-Drents zandgebied) = touw aan de achterzijde van de wagen bij het binnenhalen van de oogst, z. ook achterriep
achteruit, achteroet, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. achteruit Gao is een beetien achteruut! (Hol), Dat was een beste klap achteruut een tegenslag die een teruggang tot gevolg had (Klv), Ie kunt hier zó achteroet, de nesse over (Bei), Hij schrouwt as een katte die achteruut van de balken oftrökken wordt (Zdw), Hij kan tot tien an toou tellen achteroet (Anl), Laot de hond even aachteroet (Eex), Dat voor zaod moej wat inkörten, aans zakt e je achteroet (Bor), Hij was achteruut ekomen aan lager wal geraakt (N:Zuidwest-Drenthe), Oes volk woont wied achteroet (Bal), Hij is almit al knap achteruut eboerkt (Hgv) 2. terzijde, afgezonderd Leg het breien mar even achteruut (Eri), Bij goeie tied möt er wat geld achteroet um armslag te hebben veur een mindere tied (Sti), Hie is even achteroet doet even een tukje (Sle) 3. naar de wc Hij mus even achteroet (Bei), Hij kan gooud achteroet hij heeft een goede stoelgang (Gas), Hij kan niet achteruut hij heeft last van verstopping (Ruw) 4. het land op De boer is even achteroet (Bui), Zuw nog even achteroet naor de biest kieken? (Oos) 5. minder ontwikkeld, achtergebleven (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Hij is lang niet aachteroet niet op zijn achterhoofd gevallen (Row), Ik daacht: ‘Doe bins niet aachteroet wicht’ goed bij de tijd (Rod)
achteruit, achteroet, de, 1. achteruitstand van de versnelling Zet hum in de achteroet (Oos) 2. achterkamer, achterhuis, schuur (wb), belendende keuken of kamer van het woonvertrek; ook: het achterhuis, en niet zelden voor deel (wm), zie ook achterkamer
achteruitdrukken, achteroetdrukken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. achteruitdrukken Help even die waogen aachteroetdrukken (Wtv) 2. niet mee laten tellen Hij was nich in tel, hij weur altied achteroet drukt (Bov), zie ook achteroetzetten
achteruitgaan, achteroetgaon, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. achterwaarts gaan Hou ik ok drukte, het peerd gung gien meter achteroet (Bov) 2. naar bed gaan Het is al laat, mij dunkt, wij gaot zachies achteroet (Oos) 3. minder worden. De zieke giet hard achteroet (Man), Hij giet er knap op achteroet in de zaak (Wes), Het giet net zo hard achteroet as veuroet is geen vooruitgang (Oos)
achteruitgang, achteroetgang, de, 1. uitgang aan de achterkant, achterdeur De achteruutgaank over de dele giet gauwer (Pes), De achteruutgaank stund op een kiertie (Eli), Op dit stuk laand moe’k een aachteruutgaank hebben (Die) 2. achteruitgang. De achteroetgang van het verienigingsleven (Sle), ...van de booukweitverbouw (Eex), Dat bedrief is in de achteroetgang (Wijs), Der zit achteruutgang in zien ziekte (Wei)
achteruitgooien, achteroetgooien, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. achteruitgooien Hij gooide de klompen achteruut (Ruw) 2. aan kant doen Wat kapot is, wordt achteroetgooid (Bor) 3. sparen (ui) Een cent achteruutgooien
achteruithouden, achteroetholden, sterk werkwoord, overgankelijk, achteruitleggen Hie hef wat geld achteroetholden (Sle), Ik heb wat poters achteroetholden, anders heb ik misschien nich genog (Bov)
achteruithurken, achteroethoeken, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = zich terugtrekken Zie hoekt al achteroet (Sle)
achteruitkrabben, achteroetkrabben, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. naar achteren krabben Hoener krabt aait achteroet (Sle) 2. achteruitgaan in gezondheid Zie krabde achteroet (Sle), Dei gaot het net as een hen, dei krabt ok aachteroet (Vri), zie ook krabbeln 3. financieel achteruitgaan Hie krabt aal wieder aachteroet (Bal), Die niet goed boerkt, krabt achteruut (Hgv)
achteruitkruimelen, achteroetkrummelen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = achteruitgaan wat de gezondheid betreft Het gait nich zo goud mit hum, hij krummelt aal wieder achteroet (Bov)
achteruitleggen, achteroetleggen, sterk werkwoord, overgankelijk, sparen Hie hef wat achteroetlegd veur de kinder (Sle)
achteruitlopen, achteroetlopen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. achterwaarts lopen 2. het land inlopen Zul wai nog even achteroet lopen? (Pei) 3. achteruitgaan De priezen loopt achteroet (Emm)
achteruitmeten, achteroetmeten, achtermetern, (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). Ook achtermetern (Midden-Drenthe) = hard en vinnig achteruitslaan Dat pèerd meette achteroet, toen de smid hum bekappen wol (Oos)
achteruitmoffelen, achteroetmoffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. wegstoppen, achteroverdrukken In oorlogstied is er heel wat tarwe achteroetmoffeld (Hoh), Gauw het kedo achteroetmoffeln, ze komp der an (Zey) 2. wegwerken (Midden-Drenthe) Jonge jonges kunt heel wat achteroetmoffeln wat eten betreft (Hijk)
achteruitslaan, achteroetslaon, sterk werkwoord, onovergankelijk, achteruitslaan Het peerd sleug aachteruut (Die)
achteruitzetten, achteroetzetten, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. naar achteren zetten Wil ie die wagen even achteruutzetten? (Eli), ...die klok even een uur achteroetzetten (Hoh), fig. Hij hef de klompen achteroetzet is overleden (Hijk) 2. wegzetten Der komp volk an, zet die koekies gauw achteruut (Ruw), Zet dat mor achteroet, dat eet wij dat mörgen wal op (Gas), fig. Ze hebben hom achteruutzet niet mee laten tellen (Vtm)
achtervangen, achtervangen, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = achter iets aanzitten Hie hef er achtervangen, mor niet kregen (Sle)
achterverrel, achtervördel, de, het, achtervördels, 1. helft van het achterstuk van een rund Bij oos naobers hebt ze een achtervördel van een ko koft (Bei), Het achtervördel is beter dan het veurvördel (Wijs) 2. één van de achterste twee kwartieren van een uier (Zuidwest-Drenthe) Die koe wrangt in het linker achtervördel (Bro)
achtervoet, achtervoet, de, 1. achtervoet van een paard Het pèerd har wat met de achtervoet (Sle) 2. achterbout (Zuidoost-Drents veengebied) Achtervoet of achterbout (Nam)
achtervort, achtervort, achterweg, Ook achterweg = achter vandaan Der achterweg jong! Woj een flik van het peerd hebben? (Smi), Ik zag hum der achtervort kommen (Bco), Eerst waren der gien problemen, mor der kwam nog heil wat achterweg, ...achtervort (Bov), Hij hef zuk wat verpraot en toou, doou kun e er neeit meer aachterweg of veurweg (Eex), Hij komp der sneu achterweg vanaf (Wei)
achterwagen, achterwagen, de, achterwagens, (Zuidoost-Drents veengebied) = het achterstel van een boerenwagen
achterwam, achterwam, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = bovenste deel van de achtergevel Boven de achtermuur zit de achterwam (Wijs)
achterwand, achterwand, de, 1. achterwand Wie mussen dei eine achterwand nog behangen (Bov) 2. achtermuur (Zuidwest-Drenthe, zuid)
achterweg, achterweg, de, 1. weg die ergens achter langs loopt Hie is er langs een achterweg kommen (Sle) 2. afgelegen weg Over dei stille achterweg duur ik nait best langs (Twe) 3. de niet directe weg (Midden-Drenthe) Met een aachterweg kwamen zie het gewaor via een omweg (Rol)
achterwege, achterwegens, achterwege, achterwègens, achterwège, achterweg, a, Ook achterwege, achterwègens (Zuidwest-Drenthe, zuid), achterwège (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), achterweg (Zuidwest-Drenthe, zuid), achterwegen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), achterweigens (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. achterwege Laot dat mor achterwegens (Sle), Der is hailwat achterwege bleven (Vtm), Dat wark hast doe beter achterwege laoten kunt, Kocks (Bco), Dat moej mor aachterwegens laoten nalaten (Die) 2. achter Hie vertelde niet alles, maor huul wat achterwegens (Bui), ...achterwège (Hgv), Um vree te holden muj wel ies wat achterwegens holden verzwijgen (Pes)
achterwerk, achterwark, het, achterwerk Hij völ mit zien achterwerk in de modder (Smi)
achterzaal, achterzaal, de, achterzaal Ze waren in de aachterzaol aan het daansen (Vmu)
achterzwerm, achterzwarm, de, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = klein bijenzwermpje dat soms, als laatste, nog van de korf komt, z. ook achterlaot
achting, achting, achten, aachting, Ook achten (Veenkoloniën), aachting (Zuidwest Drenthe, noord) = achting, respect Wij hebt een grote aachting veur dat mense (Wap), Dat bint meinsen, die wel in achting staot (Zdw), De neie dommie haar wel achting bij het volk (Gas), Hij daalde in achting (Ruw), Hai is slim in mien achten stegen (Twe), Die hadden ze ook niet veul in achting (Hgv)
achtmakertje, achtmakertie, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = schrijvertje, draaikever, Gyrinus natator, z. ook waterschoner
achtste, achtste, aachtste, aachtsten, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook aachste, aachtsten (Noord-Drenthe) = achste Het is noe al de achtste keer, dat doe dien contributie nich betaald hest (Bov), De hoeveulste is hij? De achtste (Emm), Mörgen is het ’n achtsten mei, ...de achtsten mei (Sle), zie ook acht
achtste, achtste, de, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.) = 40 pond boter Achtste, dat zeden ze veur de komst van de melkfebriek in 1896 (Scho), Een achtste is een klein vattien mit botter (Noo), maar: Wij kent wel een achtste ziepe, dat was een ronde busse of blik mit grune ziepe, det was 30 pond (Ruw), zie ook achtenliej
achtstehalf, achtsthalf, achtstehalf, achtshalf, aachtehalf, (Zuidoost-Drents veengebied). Ook achtstehalf, (Zuidoost-Drents zandgebied) achtshalf, (Zuidwest-Drenthe, zuid) aachtehalf, (Kop van Drenthe) = zeven en een half
achttien, achttien, hoofdtelwoord, achttien Aj der in wilt, moej achttien wezen achttien jaar oud (Wes)
achttiende, achttiende, rangtelwoord, bijvoeglijk en zelfstandig, achttiende Met zien achttiende jaor is e met roken begund (Sle)
achtuurtje, achtuurtie, het, achteruurties, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = het ontbijt
achtwekers, achtwekers, zelfstandig naamwoord, meervoud, (Zuidwest-Drenthe) = aardappelras Achtwekers bint eerpels, die èten wordt, acht wèken naodet ze epaot bint (Bro), Achtwekerties is een hiel vrog eerpelras (Zdw)
Adam, Adam, Aodam, Adams, Adammen, Ook Aodam (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. Adam Het komp van Adams èende het is verre femilie (Sle), ook Hij zegt daw nog femilie bint, maar ik geleuve van Adams wege (Ruw) 2. ronde rug, bochel (Kop van Drenthe) As e zo deurgeit en dag en naacht zwaor waarkt, dan krig e nog wel Aodam op rug (Vri) 3. in Adam en Eva (blauwe) monnikskap, Aconitum (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), Adam-en-Eva-bloem gevlekte orchis, Orchis maculata (he:Oost-Drenthe) *Adam, ie zult waarken. Ja vae, ik zal, maar liever niet (Wsv), ...Ja Eva, ik zal, mor lever neet dan al (Wap); Adam, gij zult adammen hard werken (Die); Adam sloeg Eva met de broodbule veur het lief / Bliksem en donder, wat vluukte dat wief (Eri)
adammen, adammen, zwak werkwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, wb) = zwaar werken Aj der wat van terechte hebben wilt, muj adammen (Rui), Wij gaon naor bedde. Morgen moew weer adammen (Vle)
adder, edder, adder, edders, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook adder (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. adder Niet in die lange heide lopen, der kun wel ies een edder zitten (Sle), Der zit een adderdie onder het grös (Dwi), ...onder het roet (Nor), Hie springt umhoog, of e deur een adder beten is (Eex), Vrogger worde der beweerd dat een adder zien starte in de bek stak en dan de meinsen as een hoepel achternao runde (Hav) 2. gemeen persoon, serpent Wat een adder van een wicht (Pdh), zie ook adderig
adderbeet, edderbeet, de, beet van een adder Een edderbeet mus oetzogen worden (Bco), ...moej drekt ofbinden (Bei)
adderblad, edderloof, edderbla, edderblad, eddervaor, eddervaoren, edder, Ook edderbla (Zuidoost-Drents zandgebied, dva), edderblad (Zuidwest-Drenthe, noord), eddervaor, eddervaoren (Zuidwest-Drenthe, zuid), eddertong (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = adelaarsvaren, Pteridium aquilinum In de oorlog is adderloof wel bruukt um de kinderbedties te vullen (Eex), Adderloof moej tuschen de iemskörven zetten tegen de moezen (Bui), Addertonge vien ie in vochtige maolaanden (Smi)
adderig, adderig, bijvoeglijk naamwoord, (Midden-Drenthe) = gemeen, adderachtig Wat is dat een adderig wiefie (Gie)
adderolie, eddereulie, de, (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = adderolie Ie hebt ’t enkel ja hielemaole dikke en blauw; maor ies goed inwrieven mit eddereulie (Hgv), Addereulie wur bruukt, as de beeist wrang hadden (Eex)
addervet, addervet, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = smeersel om op een wonde te doen
adel, adel, aodel, Ook aodel (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = 1. adel Zij is een vrouw van adel (Exl), Hij hef blauw bloed, hij mot nog van adel wezen (Bei), Hij het een kring om de neers, hij is van aodel (Row) 2. hoge kwaliteit Die ko hef veul adel (Rui), Dat is een dier mit veule adel (Dwij), ...een koe van adel (Sti) *Arbeid aodelt, maar aodel arbeidt niet (Coe)
adelen, adeln, zwak werkwoord, (Zuidoost-Drenthe). Voor var. z. adel, in *Arbeid adelt (Zwi); Arbeid aodelt, mar aodel arbeidt niet (Coe)
adellijk, adellijk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Var. als bij adel = 1. tot de adel behorende Hij is van aodellijke komof (Die), Dat vrommes is nog oet een adellijke femilie (Bal), Der zit adellijk bloed in gezegd van een goed gebouwde koe (Bor) 2. een tijdje bewaard, van wild (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Een adellijke haze hef een weke hangen (Sle), Die haze mut eerst aodellijk worden, aans is hij niet lekker (Zdw)
adem, aodem, aom, aam, aosem, adem, Ook aom, aam (Zuidoost-Drents veengebied) aosem (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), adem (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. adem Hie kwam aodem te kört (Bal), De aom is der oet hij is gestorven, ook gezegd van een varken bij het slachten (Man), Hij snakte naor aom, ...adem lucht (Bov), De aom, ... aodem sneed hum of hij kon geen adem meer krijgen (Sle), Hie kun haost gien aom haolen (And), Hij hef de leste aosem uut eblaozen (Stu), Hij gef gien aosem hij zegt niets, geeft geen antwoord (Hgv), Der was zo’n wiend, hij kun gien aosem meer kriegen (Smi), Hij höldt de aosem in (Hgv), Vief menuten de aosem inholden, dan kriej der nooit weer last van gezegd, wanneer iemand de hik had (Mep), Hij was boeten aom (Dal), Hie kwam achter de aosem raakte buiten adem (Gie), IJ kunden gien aom mèer vernimmen, toen de dokter kwam (N:Sle), Ik heb de bosschoppen in één aodem daone (Die), Even op aodem komen (Wap), Het gung in ien aodem deur (Val), Hij lacht en reert in iene aodem (Wsv), De aosem het hom begeven hij is overleden (wb), Hij hef nait veul aom meer hij leeft niet lang meer (Rod), De aom blef oet, het is aflopen (Odo), Tot de leste aosem toe hef hij zien einde vastholden en hef hij volholden dat hij geliek hadde; dat het was zoas hij het zee (Smi), Het giet derumme wie in dit geval de langste aodem hef (Nije) 2. lucht Ie mut der wat aodem in blaozen (Dwi), Ik heb de bal opblazen met mien aom (Exl), Der mut frisse aom in kommen (Rol), Ik mus naor aodem happen, zo benauwd had ik het (Wtv), Deur die grote beuie was de grond dicht eslagen en toen mus het even lus emaakt worden, aans kun der gien aom in (Dwij), Der mut aosem in het vat, de locht mut er in kunnen (Hav), Der zit aom in het uur als een koe moet kalven dan is het soms of er lucht in de uier zit (Rod), ook gezegd van stijve uier na het kalven (Gas), ook Dat veersie hef zoveul aom in het uur (Vri)
ademen, aodemen, aosemen, aomen, Ook aosemen (Zuidwest-Drenthe), aomen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. ademen Zo lange as hij aodemt, zit er lèven in (Flu), Hij aodemde deip (Bov), Hie aomt niet meer (Exl) 2. op iets ademen Mien breurtien aosemt tegen het glas dat dikke bevreuren is; hij wil een gattien hebben om naor boeten te kieken (Smi), Tegen een laampeglas aomen (Geb)
ademhalen, aodemhalen, sterk, zwak werkwoord, onovergankelijk, ademhalen Ie kunt wel honderd jaor worden, aj het aodemhalen mar niet vergeet (Hol), Veurdat doe begunst te zingen kanst beter even deip ademhalen, ...aodemhalen (Bov)
ademhaling, aodemhaling, de, ademhaling De aodemhaling was hiel rustig (Sle)
ademig, aomig, bijvoeglijk naamwoord, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. kortademig Ie möt niet zo veule roken, ie wordt er maor aomig op (Dwi), Hij kan zien wark nog wal doon, mor is toch gauw aomig (Hijk), Bij mistig wèer is e aordig aomig (Val) 2. lucht bevattend (Midden-Drenthe) Het uur is aomig er zit lucht in de uier (Gas), zie ook aodem
ademnood, aodemnood, de, ademnood Koenen die longjacht hebt, hebt aodemnood (Wsv)
ademscheppen, aomscheppen, aomstrieken, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord). Ook aomstrieken = het ademhalen Wat kan die vrouw praoten: dat gaait in ein aomscheppen deur (Row), Hie warkt in ien aomstrieken deur zonder ophouden (Oos), In ien aomscheppen was alles klaor (Oos), Hie kan lachen en reren in één aomscheppen tegelijk (And), Ik kan niet villen en pootholden in één aomscheppen alles tegelijk doen (Wee)
ademtocht, aodemtocht, de, aodemtochten, ademtocht, adem Hij hef de leste aodemtocht uutblaozen (Geb) of Dat hef zien leste aodemtocht west gezegd bij het sterven (Oos), Ik blief hier wonen tot mien leste aodemtocht (And), Hij knopte de halsdoek zo stief om de nekke, dat het hom de aomtocht benam (wb), In ien aodemtocht deurdoen in één keer (Zwe), zie ook aomscheppen, Hij hadde haoste gien aomtocht meer het ging niet goed met hem (Hav), ook van iemands bedrijf (Koe), Het leven is een aodemtocht, zo gauw giet het veurbij (Zdw), Hij kan in één aomtocht lachen en rèren (Hijk), zie ook bij aodem
ader, aoder, aor, aore, ader, aoders, Ook aor (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), aore (Zuidwest-Drenthe), ader (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = ader Hij is zo dunhoedig, ie kunt bij hum de aoren deur het vel zeen (Bei), Hij is in het glas vallen en hef zuk de ader deursneden (Klv), Die mag ok wal ies een aodertie laoten die mag ook wel eens wat geven (Wijs)
aderlaten, aoderlaoten, aderlaoten, onbepaald werkwoord, aderlaten Dat peerd har de maondagzeeikte. Dou hebt ze een vlim pakt, het peerd even aoderlaoten en het deer was zo weer klaor (Eex), As ie het pèerd niet drachtig kunt kriegen, moet ie hum even aoderlaoten (Man), Aoderlaoten was vroouger deur middel van blooudzoegers (Nor), De barbier hef hum aoder elaoten (Hgv), zie ook aoderslaon; aderlaoten , sterk werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = aderlaten, z. ook laoten II
aderlating, aoderlaoting, de, aoderlaotings, aderlating, (fig.) Dat kopen van die neie auto was veur hum een hiele aderlaoting in financieel opzicht (Eri)
aderslaan, aoderslaon, onbepaald werkwoord, (wb) = aderlaten, z. ook aoderlaoten
aderverkalking, aoderverkalking, de, aderverkalking Hie is al aold en hef ok last van aoderverkalking (Sle)
adieu, tjeu, tju, tjuui, tussenwerpsel, Ook tju, tjuui (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. groet Nou, tjeu dan (Gie), z. ook aju 2. lokroep voor varkens (Zuidwest-Drenthe) of kippen (Zuidoost-Drents zandgebied) Tjeu, tjeu, tjeu, vreten in de bak (Ker), Tju, tju, tju tegen kippen (Wes), z. ook koer
adjudant, adjedant, adjudant, adjedanten, Ook adjudant= adjudant Hij was adjedant in het leger, net as zien vao (Sle)
administratie, administraotsie, administratie, administraotsies, Ook administratie (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = administratie Die hef de administraotsie van de zangveriening (Sle), Een jaor later weur der een neie administraotie anlegd (ku)
adres, adres, het, adressen, adres Op dat adres hef e nich lange woond (Bov), Kuj mij je adres even geven? (Zwe)
adresseren, adresseren, zwak werkwoord, overgankelijk, adresseren Die brief was hielmaol verkeerd adresseerd en is pas een week later ankommen (Sti)
advent, advent, de, advent, periode van vier weken voor Kerstmis In de advent drag de priester paars paars kazuifel tijdens de H. Mis (Bov), Zie blaost weer, het is weer advent (Klv)
adventzondag, adventszundag, de, zondag in de advent Op de eerste adventszundag preekt domnee al over het wonder in de Kerstnacht (md)
advertentie, advertentie, avvetentie, avvertentie, advertensie, adverteinsie, advertenties, Ook avvetentie, avvertentie(Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), advertensie (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), adverteinsie (Zuid-Drenthe), adverteensie (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), advertèensie (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = advertentie De avverteinsie steet nog niet in de kraante (Die)
adverteren, adverteren, zwak werkwoord, onovergankelijk, adverteren Hie hef er al een hiel toer met adverteerd, ...advertèerd, mor hie is het nog niet kwiet (Sle)
advies, advies, het, adviezen, advies Ik wus het niet, en doe heb ik hum um advies vraogd (Wed), Ik heb oen advies niet neudig (Ker)
adviseren, adviseren, zwak werkwoord, overgankelijk, adviseren Hie adviseert hum te kopen (Schl)
advocaat, advekaot, affekaot, avvekaot, adverkaot, advokaot, avokaot, advekaoten, Ook affekaot of avvekaot (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), adverkaot (N:Zuidwest-Drenthed), advokaot, avokaot (Zuidwest-Drenthe, zuid) = advokaat Hij kan praoten as een advekaot (Noo), ...prèken as een advekaot (Flu), Hie hef een woord as een advekaot (Oos), Hie kan reneren as een aole avvekaot (N:Sle) *Weej het verschil wel tussen een krulewagen en een avvekaot? Een krulewagen muj smeren um um te laoten zwiegen en een avekaot muj smeren um um te laoten praoten (Hol)
advocaat, advekaot, de, Voor var., z. advekaot I. Vaak verkl. = soort drank, advokaat De vrouwlu lèpelt advekaot (Bro), Affekaot is een vrouwenzeupien (Hgv)
advocatenzaakje, advekaotenzaakien, advekaotenzaakies, een kwestie, waarvoor een advokaat nodig is Door komp ze nich oet, dat zal wal een advokaotenzaakien worden (Bov)
af, of, af, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Met rekking in Noord-Drenthe. Ook af (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. af Hij vuul van het voor heui of (Pdh), IJ moet oppassen, de brugge is der of (Sle), ...is of brug is open (Dal), Aj bij het hinken op de strepe stapt, bi’j of (Wsv), Hie is der aordig of heeft het flink te pakken (Sle), Hij is noe boer of geen boer meer (Bov), Hij hef de tanden wisseld, hij is nou kalf of (Hijk), zo ook Dat peerd is of in de bek heeft gewisseld (Man), Hij is van de vrouw of gescheiden (Anl), Ik wil der of wezen of het guster was of eerguster ik weet het niet precies (Erf), Ze bunt noe heil wat beter of as mit dei veurige underwiezer (Bco), Nou en of! Ie hebt geliek! (Noo) 2. versleten Ik moet neie banden um de fiets hebben, zie bint schoon of (Bor) 3. vanaf Wij stuurt er een kaartien hen, dan bin wij der of (Coe), Van dat gereis bin ik gelokkig of (Die), Zo, daor biw of (Eev), Het waark scheut niet op; ik mus der iedere keer of moest er steeds bij weg (Coe) 4. langs Hij gung de hele buurt of um neijaor te winnen (Dro) 5. doodmoe Ik bin of (Hgv)
afaccorderen, ofakkederen, zwak werkwoord, overgankelijk, (N:Sle) = overeenkomst opzeggen Wij hadden akkedeerd, daw de huur met november betalen zulden, mor het wuur oes te kwastig, en daorum hew alles mor ofakkedeerd
afbakenen, ofbaoken, zwak werkwoord, overgankelijk, afbakenen Ze hadden een stokkie grond of ebaokend, woor de kiender kunden speulen (Hgv), De vaorgeul wordt ofbaokend (Vtm)
afbassen, ofbatsen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = afsnauwen IJ batsten hum zo of. Was het je niet naor het zin? (Sle)
afbeelden, ofbielden, ofbeelden, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, veroud.). Ook ofbeelden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = afbeelden Op de ersterties stund een kat in een kooi ofbield (Sle), Wat bin’j mooi ofbeeld in de kraant (Rol)
afbeelding, ofbeelding, ofbielding, de, ofbeeldings, Ook ofbielding (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = afbeelding Ik heb een ofbeelding van de Rolder kerk an de muur hangen (Bal), Wij hebt een ofbielding van oes aolde hoes op een melkbus laoten schildern (Hoh)
afbeenderen, ofbiendern, onbepaald werkwoord, overgankelijk, bijbenen Hie kun het haost niet ofbiendern (Klv)
afbekken, ofbekken, zwak werkwoord, overgankelijk, afsnauwen Bekt oen moe toch altied niet zo of (Flu), Die man bekte de hond of (Coe)
afbenteren, ofbentern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe) = africhten door flink te laten lopen IJ moet de pèerde ofbentern, daor wordt ze mak van (Sle)
afbenzelen, ofbèenzeln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afmatten (Zuidoost-Drenthe) Ik heb mij ofbèenzeld, ik zin mu (Sle) 2. afwerken (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Dat heb we rap even ofbèenzeld (Bal)
afbetalen, ofbetalen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, aflossen Ik heb het in de loop van de jaoren ofbetaald (Zwin)
afbetaling, ofbetaling, de, ofbetalings, Var. als bij betalen = afbetaling Ze hebben de auto op ofbetaoling (Eco)
afbetten, ofbetten, zwak werkwoord, overgankelijk, betten Aj een plaister op een wond hadden, mus je hom laoter ofbetten (Pei)
afbeulen, ofbeulen, zwak werkwoord, overgankelijk, afbeulen Hij beult zien peerden of mit det zwaore wark (Bro), (wederk.) Wat beult die kerel hum of (Hav), z. ook bij ofmoorden
afbeunen, ofbunen, zwak werkwoord, overgankelijk, afbeulen Hie hef de pèerde ofbuund (Sle), (wederk.) Doe wat kalmer an, ij moet je niet zo ofbunen afmatten (Oos), z. ook ofbuizen
afbijten, ofbieten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afbijten As ze je te nao komt, moej van je ofbieten (Exl), Ze magt wel ies van mien appel afbieten (Zdw), Hij bit de woorden kört of (Sle), Die varve krabbe ie zo niet weg, dat muj ofbieten (Hgv), Hie hef de bieters ofbeten het bijenvolk heeft de indringers verdrongen (Sle) 2. eten wegnemen Bij een grote toom biggen komp het vaak veur dat er ien ofbeten wordt (Bui) 3. afsnauwen (Zuidwest-Drenthe) Ze kun hum lillijk ofbieten (Nije)
afbijtertje, ofbietertien, het, ofbieterties, armzalig biggetje, dat niet aan zijn trekken komt Dan hej een mooie koppel biggen en dan zit er ien zo’n klein ofbietertien tussen (Sle), Een ofbietertien is een biggien, dat teveule is (Coe)
afbikken, ofbikken, zwak werkwoord, overgankelijk, afbikken As die aolde stienen nog goed bint, kuw ze nog wal ofbikken (Oos)
afbinden, ofbinden, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afbinden Een baispeen van een jongbeist ofbinden (Row), Wie mouten de worsten nog ofbinden (Erf) 2. afbinden voor het castreren en ook: castreren Wie hebben dei ram ofbonden (Eco), Mit een kullenstrup de aolde ramme ofbinden (Nsch) 3. riet van boven naar beneden van het dak afhalen. Wat nog goed was werd opgebonden en opnieuw gebruikt Bij het ofbinden van reit deej der ok vaak een strozieltien um toe (Sle)
afbladderen, ofbladdern, zwak werkwoord, onovergankelijk, afbladderen Met de raomen in de zun haj nogal gauw last van ofbladdern (Pei), z. ook ofblastern
afblaffen, ofblaffen, zwak werkwoord, overgankelijk, afblaffen Hij blafte die arme jonge zo of, hij weur der stille van (Bei)
afblauwen, ofblauwen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = een wind laten Die blauwt ok aordig of (Sle), z. ook ofblaozen
afblazen, ofblaozen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afblazen Hij mus even stoom afblaozen (Ass) 2. een wind laten (Zuidwest-Drenthe, zuid)
afblessen, ofblessen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = merken door er een bles op te maken Ik wol holt kopen en nou he’k twintig bomen of eblest (Bro), z. ook ofplassen
afblijven, ofblieven, sterk werkwoord, onovergankelijk, afblijven Die jongen kunt nargens met de vingers ofblieven (Hijk), Hij lusde zo geern hunnig; hij kun er nich ofblieven (Bov)
afbloeden, ofbloen, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = enkele dagen na de tochtigheid bloed afscheiden Een koe die bols west hef, blödt of en is dan niet vruchtbaar meer, niet eerder as nao drie week (Emm)
afbluisteren, ofblastern, zwak werkwoord, onovergankelijk, afbladderen, afschilferen Ik moe het hoes ok neug opvarven, het blastert al aordig of (Eex), z. ook ofbladdern
afbokselen, ofbokseln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = moeizaam afwerken Wij hebt hielwat ofbokseld vanmiddag (Sle)
afbollen, ofbollen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord) = afsteken van de bolsterlaag z. ook ofbonken
afbolsteren, ofbolstern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe) = afbonken, de bolsterlaag verwijderen Een houk veen ofbolstern (Een), z. ook ofbonken
afbonken, ofbonken, zwak werkwoord, overgankelijk, afbonken, verwijderen van de bovenste veenlaag Veurdat het mesien der veur kin, mout het veen eerst ofbonkt worden (Erf), Wij moet eerst ofbonken en dan törftrekken (Koe), Ofbonken ging hier in het klein (Eel), Der mut een halve meter of ebonkt worden (Pes), z. ook koorbonken, bonken, ofbollen, ofbolstern
afbonker, ofbonker, de, ofbonkers, (veend. Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe) = persoon, die de bovenlaag van het veen verwijdert, z. ook bonker
afbonksel, ofbonksel, het, (veend.) = bonkaarde Het ofbonksel mout er eerst of veur het törfsteken (Eel), Van het ofbonksel meuken ze lichte törf um de kachel met an te maken (Hoh), Ofbonksel wör ofstoken met een balschup (Pei), Het ofbonksel wur weer onder in de pudde gooid (Twe), z. ook bonksel
afboorden, ofboorden, zwak werkwoord, overgankelijk, afzomen Het klied mus nog ofboord worden, mor zij had gien boorlint (Ndo)
afborstelen, ofbösseln, zwak werkwoord, overgankelijk, afborstelen Woj mij de jas even ofbösseln? (Zwe)
afbouwen, ofbouwen, zwak werkwoord, overgankelijk, afbouwen Ze hebt dat hoes nich ofbouwd, het geld was op (Bov)
afbraak, ofbraok, ofbraak, ofbr-ke, de, Ook ofbraak (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), ofbr-ke (Zuidwest-Drenthe) = 1. afbraak Hie hef dat hoes op ofbraok koft (Oos), Ik moet de boel wat oplappen; ik heb wat ofbraoke ekocht (Ruw) 2. afbreuk (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Dat döt gien ofbraok an de gezelligheid (Sle) 3. (vee)handel (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Dat is een goeie ofbraok aj veerzen verkopen veur de oetvoer (Een), Daor hej nog weer een mooie ofbraok an (Gro), As ie in de dure tied verkopen, dan is het een mooie ofbraok (Rod), z. ook ofbreuk
afbraakrpijzen, ofbraokpriezen, ofbrekpriezen, zelfstandig naamwoord, meervoud, Ook ofbrekpriezen (Pdh) = afbraakprijzen As het vai veur ofbraokpriezen verkocht wordt, is het niet duur (Eev), Het bint no ofbrekpriezen met dat overschot an melk (Pdh)
afbranden, ofbranden, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afbranden Zien slag heide is of ebraand (Hgv), Slootkanten ofbranden deden wij altied veurjaors (Eri) 2. schieten (Zuidoost-Drents veengebied) Dat olle jachtgeweer brandt ok mooi of (Klv)
afbreken, ofbreken, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afbreken Wij wilt de schuur ofbreken (Gie), (fig.) Ie mut niet alles ofbreken, wat een aander döt (Hol), Het brak mie bie de handen of ging net mis (Bov), z. ook ofknappen 2. verkopen van vee (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wij moet ’t harfst nog wal wat ofbreken, wij kunt het vie almaol niet bargen (Oos), Ik heb niks of te breken, ik wil ze holden (Exl), (fig.) Hij is an het ofbreken gezegd van een man op leeftijd (Klv)
afbrengen, ofbrengen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. afbrengen Wij möt hum van dat rare idee proberen of te brengen (Pdh), Ik heb hum van de draank of ebracht afgeholpen (Bro), Zul e dat er wel goed ofbrengen? (Geb) 2. weghalen (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) Bie het knaol graven mus ie eerst de smeerlaoge ofbrengen (Bco), ...boven ofbrengen (Ros)
afbreuk, ofbreuk, ofbreuke, ofbrek, de, Ook ofbreuke (Zuidwest-Drenthe), ofbrek (Scho, Pdh) = 1. afbreuk Verschil van opvatting hoeft er gien ofbreuk an te doen (Pes), De regen dee gien ofbreuk an het feest (Eex) 2. handel, het duur verkopen (Zuidwest-Drenthe) Een vullegien, geboren in april, in september verkocht veur een paar honderd gulden. ‘Een mooie ofbreuke’ zèden de olde boeren (Hav), z. ook ofbraok
afbrillen, ofbrillen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = beloeren Hij lop aaltied um de hoezen te schoelen um de bool of te brillen (Bei), Nou, hij hef alles vaste wel goed of eneusd en of ebrild (Hgv), Het is net een old wief, hij brilt alles of (Rui)
afbrokkelen, ofbrokkeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, afbrokkelen De muur brokkelt hielmaol of (Bui), Dat peerd brokkelt de hoeven of (Man)
afbuigen, ofbugen, sterk werkwoord, onovergankelijk, afbuigen Die weg bog daor of naor links (Gas)
afbuizen, ofbuizen, ofbuistern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuid-Drenthe). Ook ofbuistern (Zuidwest-Drenthe) = forceren Buis je non niet zo of in die hette (Sti), Ie moeten joe niet hielemaol ofbuistern; morgen kuj niks (Smi)
afdak, ofdak, het, ofdak Zet het reeuw mor under het ofdak (Anl), Onder een ofdak kuj lekker schoelen (Eco), De fietsen stunden op het schoelplein under het ofdak (Sle), Een ofdak is een ruumte mit een overstekend dak (Wap)
afdammen, ofdammen, zwak werkwoord, overgankelijk, afdammen Die hoek moe’k even ofdammen, aans löp het water overal hen (Sle), Ofdammen deden ze vrouger bie het wiekgraoven (Vtm), Met moddern gungen e met twei dammen de sloot ofdammen (Row), z. ook ofdieken
afdanken, ofdanken, zwak werkwoord, overgankelijk, afdanken Ik heb de aole schoffel ofdankt en een neie haold (Row)
afdanker, ofdanker, de, ofdankers, Vaak verkl. = afdanker De jongste kinder moet ofdankerties draogen (Rol), Woj een pet hebben? Ik heb nog wel een ofdankertien liggen (Sle)
afdekken, ofdekken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. het dek eraf halen Ze meut de eerappeldobbe nog ofdekken (Bco) 2. pak slaag geven (Zuidoost-Drents veengebied) Ze hebt dei jong flink ofdekt, man het was ok een geweldige ondöcht (Bov)
afdeling, ofdieling, de, ofdielings, Var. als bij diel = afdeling De buurvrouwe lig in het ziekenhuus, mar wat ofdieling as ze lig, wee’k niet (Koe), Op het gemientehuus hebt ze verscheidene ofdielings (Vle), In wat veur ofdeiling speult ze? voetbalafdeling (Bco), Wij hebt er in hoes een ofdieling bijmaakt veur mien moe (Sle)
afdijken, ofdieken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = afdammen Wij moet die sloot ofdieken (Klv), z. ook ofdammen
afdingen, ofdingen, sterk werkwoord, overgankelijk, beknibbelen op de prijs Bij die koopman kuj nog wal is wat ofdingen (Coe), z. ook ofpranseln, ofpriegeln
afdisselen, ofdukseln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = bewerken met een dissel Met een duksel kuj holt ofdukseln (Sle)
afdoen, ofdoen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afdoen Dat is slim genog, daj kuj niet met een grappien ofdoen (Emm), IJ moet de schuld nog ofdoen (Sle) 2. afzetten As de pastoor langes komp, meuj de pette ofdoun (Bov) 3. weigeren (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Ze wollen mij in het bestuur, mor dat he’k ofdaon (Gas) 4. afladen Wij kunt veur het melken nog net een voor ofdoen (Oos) 5. afwerken, wegwerken (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) In de olde tied mussen ze alles lopend ofdoen (Ker), Dat meense kan oe honds ofdoen een honds antwoord geven (Rui), Ik moe nog even die spinkoppen ofdoen (Sle), De kapper hef mij de baord even ofdaon (Sle)
afdokken, ofdokken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. (af)betalen Ik moet nog ofdokken, het is met ’n dag november (Sle), As hij het niet dalijk kan opschieten, dan mut hij mar ofdokken, al is het ook een rieksdaalder de weke (Hgv), Doe most ok een keer ofdokken; nait altied op een aander zien buutse teren (Vtm), z. ook ofdoppen 2. afnokken, weggaan (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) Ik heb hum de woorheid zegd en do dokde gauw of (Klv)
afdoppen, ofdoppen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afdoppen Aj de aier een beetie hard koken, kuj ze het best ofdoppen (Pei), Woj mij even wat apeneuten ofdoppen? (Oos) 2. betalen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) Hij mut komen ofdoppen (Rui), Nou moust gauw ofdoppen (Zui)
afdorsen, ofdörschen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe) = 1. ten einde dorsen (Zuidoost-Drents zandgebied) Nog ien legge ofdörschen, dan biw klaor (Sle) 2. pak slaag geven (Zuidoost-Drents veengebied) Ze hebt hum ies even flink ofdöskerd (Bco), z. ook ofdekken, oftakeln, ofentern, ofdreugen, ofhemmeln, ofkammen, ofkneveln, ofnachten, ofprugeln, ofrossen, ofprugeln, ofstrieken
afdraaien, ofdrèeien, zwak werkwoord, overgankelijk, afdraaien Ze hadden de brugge ofdrèeid (Sle), Die schroeven bint verroest, die kuj zo ofdrèeien kapot draaien (And), Bij de eerste brug moej ofdrèeien afslaan (Bor), Doe dreide hij het hiele verhaal nog een keer of (Bro), Hij draaide veul te kört of maakte een te krappe bocht (Eel)
afdraden, ofdraoden, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afrasteren (Veenkoloniën) De weide is ofdraod (Ros) 2. ontdoen van draad (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) Wij moet nog even de peulties ofdraon (Pes)
afdragen, ofdragen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afdragen Hij dreug de jasse al jaoren; hij hef hum schone of edragen (Hgv) 2. afgeven, afstaan, betalen Hij möt het geld van zien baos, dat hij beurd hef, nog ofdraegen (Smi)
afdrager, ofdraoger, de, ofdraogers, 1. drager (Kop van Drenthe) ‘Op het Bunnerveen werd turf gegraven voor eigen gebruik. De man stak of groef de turf en een jongen bijv. droeg ze naar het zetveld: een graover en een ofdraoger’ (Eel) 2. persoon die de plankjes met turf bij het persen van de band pakt en op het veld legt (Veenkoloniën) De oflegger, ...ofdraoger pakt de plankies van het draod en legt de törf op het veld (Erf), z. ook oflegger
afdrijven, ofdrieven, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afdrijven Die buie, daor kriege we niet wat van, die drif mooi of (Klv), Het bootie is ofdreven (Hijk), Zij dreven de biesten de weg of langs de weg, ...van de weg of van de weg af naar het erf (Hgv) 2. al drijvend afzoeken (Kop van Drenthe) De drievers moeten dat stuk nog ofdrieven gezegd bij de jacht (Een)
afdrillen, ofdrellen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Veenkoloniën) = de draaiing eruit halen Dat gaoren zat zo gek in toeze, dat het mit gien meugelijkheid of te drellen was (Ros)
afdrinken, ofdrinken, sterk werkwoord, overgankelijk, met een borrel weer in het reine brengen (Zuidoost-Drents zandgebied) Zuw het even ofdrinken? Dan proot wij er niet meer over (Sle)
afdrogen, ofdreugen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afdrogen Wel helpt even de koppies ofdreugen (Pdh), IJ moet een handdoek metnimmen en je flink ofdreugen (Sle) 2. droog worden (Kop van Drenthe) Het laand is aordig ofdreugd, wai kunt er mörgen wal weer op wezen (Eev) 3. pak slaag geven (Zuidoost-Drenthe) Ze hebt hum geweldig ofdreugd (Coe), z. ook ofdörschen
afdruipen, ofdrupen, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe) = afdruipen ...en nao een tiedtien dreupen ze of (Ker)
afdruiprek, ofdruprek, het, (kv) = afdruiprek ...toen ze het leste koppien op het ofdruprekkien zette (kv)
afdrukken, ofdrukken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afdrukken Laor ie die foto’s ook ofdrukken? (Ruw) 2. afduwen Die jonge wol zien breurtien van de wagen ofdrokken (Dwij)
afdwalen, ofdwalen, sterk, zwak werkwoord, onovergankelijk, afdwalen De scheper gooide nou en dan een kloet zaand naor een schaop, dat wat te wied ofdwaalde (Hijk), Hij dwaalde of met zien gedachten (Sle)
afenteren, ofentern, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. slaag geven (Zuidoost-Drents zandgebied) Ik zal hum is even ofentern (Wijs), z. ook ofdörschen 2. (wederk.) zich afmatten (Midden-Drenthe) Hie hef zuch ofenterd (Rol), z. ook ofbunen
afeten, ofeten, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = het eten beëindigen Ik bin zo klaor, wij mut nog even ofeten (Zdw)
affaire, affère, affèer, affere, afferen, affèren, afferens, afferi, affèren, affeers, afferens, Ook affèer (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), affere (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), afferen (Zuid-Drenthe), affèren (Midden-Drenthe), afferens (Zuidwest-Drenthe, zuid), affering (Zuidwest Drenthe, noord), adfeer (Veenkoloniën), affeer (Veenkoloniën) = 1. werk, beroep, zaak Mien opa was koeper van zien affeer (Vtm), Hie is van affeer veranderd (Bor), Heb ie dat affère? (Dwi), Wat hef die jonge van oe veur affeers? wat is zijn beroep (Hav), Hij hef een affeer in geriedschup (Hgv), Die is good veur ’n afferen(s) dat is een goed zakenman (Die) 2. kwestie Hij hef een malle affère had met zien volk (Bei), Die affère wil ik niks met te maken hebben, daor zit een luchien an (Oos)
afflodderen, offloddern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = afraffelen Ik floddere het wark gauw even of (Bro), Hij hef het maar gauw een beetien offlodderd (Coe)
affront, offront, het, offronten, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = belediging Ik viene het gewoon een affront iene zo te behaandeln (Hgv)
affronteerlijk, offronteerlijk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidoost-Drents veengebied) = beledigend Wat is dat affronteerlijk (Eri)
affronteren, offronteren, affronteren, affrontaaiern, ofgronteren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). Ook affronteren (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe), affrontaaiern (Veenkoloniën), ofgronteren (wh) = beledigen, voor het hoofd stoten Hoe kuj dat aole mens zo offronteren (Oos), Wij moet der hen, we kunt ze niet affronteren (Bal), Hai offrontaaiert mie (Eco), z. ook verofgronderen, veroffronteren
affrontering, offrontering, offrontaren, offrontaosie, affrontering, de, offronterings, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën). Ook offrontaren (Veenkoloniën), offrontaosie (Zuidwest-Drenthe, zuid), affrontering (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = belediging Het was een hiele affrontaosie (Dwij), ...offrontaren (Eco), Die man zeg oe nou nooit goeiendag. Ik viene het een affrontering (Hgv)
afgaan, ofgaon, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. afgaan, vergaan (Zuidoost-Drents zandgebied) Die is het goed ofgaon hij is in maatschappelijk opzicht geslaagd (Sle), zo ook Die is het mal ofgaon het is hem slecht vergaan (Sle), Hij giet of as een gieter (Dwi), Het giet hum nog niet zo makkelijk of, hie hef er muite met (Emm), Het giet hum haandig of hij doet het handig (Hgv), Dat is heur sneu ofgaon het is jammer genoeg niet gelukt (Vtm) 2. van iets afgaan Hie geeit van schooul of (Eex), ...van de vereniging of (Hijk) 3. afgaan van een geweer Het geweer gung onverwachts of (Bov) 4. afnemen, minderen De maon giet of (Klv), Hij is drok aan het afgaon zijn toestand verergert zeer (wm), z. ook ofgaond 5. zich richten op Hij gung of op wat zien va zee (Bov), Daor kuj niet op ofgaon daar kun je niet op vertrouwen (Row) 6. (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Der zal hum een rare piere ofgaon, as hij det döt dat zal hem zuur opbreken (Ruw) *Waor ofgeet en niet bijkomp en toch groter wordt. Wat is dat? Antw. een gat in de kous (Hgv)
afgaand, ofgaond, bijvoeglijk naamwoord, afgaand, teruggaand Hie hef een ofgaond gebrek gaat langzaam achteruit (Sle), De maone ontzit; het is ofgaonde maone afnemend (Wsv), Dat is door een ofgaonde zaok (Eev), Hij is ofgaonde stervende (Rui)
afgaarden, ofgaarden, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = het vlees van de botten halen De hond was met een bot an het ofgaarden (Oos), Dat bottien wi’k nog even lekker ofgarderen (Pdh), z. ook ofknoeven
afgaffelen, ofgaffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe) = bijbenen Hie kun het haost niet ofgaffeln (Eex)
afgang, ofgang, de, 1. afgang Wat een ofgang! wat sloeg hij een slecht figuur (Bov) 2. ontlasting (Midden-Drenthe) Hoe hej het met de ofgang? (Wes), Die koe hef de ofgang aordig dunnig (Schn)
afgapen, ofgapen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = behappen Hij kun het haoste niet ofgapen (Hgv)
afgappen, ofgappen, zwak werkwoord, overgankelijk, afpakken Meester, zij hebt mij alle knikkers of egapt (Ruw)
afgasten, ofgasten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. verplaatsen van korenhokken (Zuidoost-Drents zandgebied) Aj spirre zeien wolden, muj die akker ofgasten op een andere akker (Pdh), z. ook ofhokken 2. zetten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Aj de rogge der ofhebt, meuj nog hokken ofgasten hokken zetten (Rui)
afgazen, ofgaozen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = met gaas afzetten, omheinen Ze hebben dat stuk laand afgaosd (Eel), Even een stukkie ofgaozen veur de knienen (Noo)
afgebruiken, ofbroeken, zwak werkwoord, overgankelijk, tot het eind gebruiken Dat moej goed ofbruken, want het hef geld genog ekost (Dwi), Die aole boks kuj wal ofbroeken in het erpelkrabben (Sle)
afgejakkerd, ofgejakkerd, bijwoord, terdege, zeer, erg Hij kreeg ofgejakkerd klappen (Dwi), Hie waas ofgejakkerd kwaod (Bal), Dat hej ofgejakkerd gauw edaone (Hgv)
afgelegen, ofgelegen, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afgelegen Ofgelegen wonen is tegenwoordig nait meer vertrouwd (Twe)
afgemeten, ofgemeten, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = afgepast Zie geeft je bij die winkel aaid ofgemeten maot (Oos)
afgemieterd, ofgemieterd, bijwoord, zeer, erg Ze hadden ofgemieterd mooie biggen (Anl), Het hef vannacht ofgemieterd evreuren (Wsv), Dat dee ofgemieterd zeer (Bui), Hie kan ofgemieterd met een pèerd umgaon (Sle), z. ook mieters
afgepast, ofgepast, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afgepast Hij döt je gien gram teveul; het is altied precies ofgepast (Nam), Ie mut het leven nemen, zoas het is. Ie kriegt het nou ien-maol niet ofgepast (Bro), Za’k oe iens even ofgepast een pak anmeten? een pak slaag geven (Zdw)
afgepeigerd, ofgepeigerd, bijvoeglijk naamwoord, Var. als bij ofpeigern = erg moe Hij mus hard warken en kwam ofgepeigerd weer in hoes (Bov)
afgerakkerd, ofgerakkerd, bijwoord, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = geweldig, zeer Hij kan ofgerakkerd hard lopen (Dwi), Wat kan die man ofgerakkerd mooi vertellen (Sle)
afgeren, ofgeren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = met een geer afwerken Het is een mooi rokkien, mooi of egeerd (Mep)
afgescheiden, ofgescheiden, ofverscheiden, ofverschaaiden, bijvoeglijk naamwoord, Var. als bij scheiden, ook ofverscheiden (Pdh), ofverschaaiden (Kop van Drenthe) = afgescheiden, behorend tot de afgescheiden kerk Dei neie boer is ofgescheiden, dei holdt de kop scheif gereformeerd (Bco), Een ofgescheiden regen motregen (Schn), Het is ofgescheiden weer vandage motregen (Hgv), (zelfst.) De ofgescheidenen trekt altied op menaar an (Noo) *Ofgescheiden en motregen woj het mienste deur bedreugen (Exl); Ofverschaaiden poepen / Lusten gien zoepen / Lusten gien melk / O, wat binnen die ofverschaaiden poepen lelk! (Row), z. ook kokse, koksiaan
afgeselen, ofgieselen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = hard laten werken Hij hef het peerd goed of egieseld (Zdw)
afgestamd, ofgestamd, ofgestaamd, ofestaamd, bijwoord, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ofgestaamd (Zuidwest-Drenthe), ofestaamd (Zuidwest-Drenthe, noord) = buitengewoon, helemaal De zael was of estaamd vol (Die), z. ook stampvol, De speulers speulden ofgestaamd mooi (Hav), Wie hebt afgestamd veul bonen (Git)
afgetrokken, ofgetrökken, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = pips, bleek Ie kunt wel zien, det oe de griep an epakt hef; ie ziet er nogal ofgetrökken uut (Ruw)
afgeven, ofgeven, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afgeven Dat goed gef of (Sle), De kachel gef hiete of (Smi), De vloer gef koold of (Pdh), Dat zal nog is een knap ofgeven (And), ...een plof ofgeven dat zal iets opzienbarends opleveren, een knal geven (Rol) 2. aan iemand afgeven Wil ie dat pakkie wel èven ofgeven (Hol)
afgeweid, ofgeweid, (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ofgeweide praoties malle praat (Hgv)
afgezoogd, ofgezeugd, bijvoeglijk naamwoord, niet meer zogend Zo’n ofgezeugde motte is een beste veur de mesterij (Ker), En ofgezeugde mot is mager van het zeugen (Sle), (fig.) Een ofgezeugde motte gezegd van een mager vrouwspersoon (Dwi)
afgieren, ofjirren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = helemaal met gier bemesten Ik heb de kaamp haailmaol ofjird (Eev)
afgieten, ofgieten, sterk werkwoord, overgankelijk, afgieten Ie kunt de eerappels wel ofgieten, want zij bint gaar (Hol), (fig.) Wie wilt even de eerappels ofgeiten gaan plassen (Bov)
afgietsel, ofgietsel, het, (Zuidwest-Drenthe) = kooknat
afgleren, ofgleren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Veenkoloniën) = snel ergens overheen gaan Ze gleert de boudel mor zo’n beetje of bij het schoonmaken (Erf)
afglijden, ofglien, sterk werkwoord, onovergankelijk, afglijden Van het heui ofglieden (Dwi), Van de gliebaon ofglieden (Eex) *Hij is de duvel van de kaor ofgleden (Row), ...van de staart ofgleden hij is gehaaid (Hijk)
afglinten, ofglinten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord) = omheinen De veurtuun ofglinten mit plaanken (Dwi)
afglooien, ofglooien, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, glooien Het laand glooide naor die kaant wat of (Sle), Der waren maor een paor wallen die ze mooi kunden laoten ofglooien (Bor)
afgooien, ofgooien, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afgooien Zij weur as eerste ofgooid bie het spel (Bov) 2. naar beneden gooien Een legge ofgooien van de balken af naar beneden gooien (Sle)
afgrauwen, ofgrauwen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = afsnauwen Zij mag hum geern ofgrauwen (Ros)
afgraven, ofgraven, sterk werkwoord, overgankelijk, afgraven Die dikke bult in het laand laow van het haarfst ofgraven (Hoh), Hier is al hiel wat veen ofgraven (Sti), (bijv.) Het is ofgraoven laand (Row)
afgrazen, ofgraanzen, ofgrazen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook ofgrazen (Zuidoost-Drents veengebied) = afsnauwen Die moeder graanst de kiender zo of (Mep), ...hef hum aorig ofgraasd (Ndo)
afgrijselijk, ofgriezelijk, ofgriezelig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Ook ofgriezelig (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = 1. afgrijselijk Aj toch zagen, hoe die meinsen der nao het ongeluk uutzagen, het was ofgriezelijk (Koe), Het was ofgriezelijk um naor te kieken (Wes) 2. geweldig, enorm Ofgriezelijk, zoas dat mens kun liegen (Bor), Hij lög zo ofgriezelig hard, het wördt er lecht van in hoes (Pdh), Een ofgriezelijke grote kèrel (Sle)
afgrond, ofgrond, de, afgrond In de bargen bint van dai ofgriezelijke ofgronden (Git), (fig.) Die giet naor de ofgrond het gaat mis met hem (Bui)
afgunst, ofguunst, ofgunst, ofgeunst, de, (Zuid-Drenthe). Ook ofgunst (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, elders als jongere vorm), ofgeunst (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = afgunst Die hebt overal wat op an te marken, mor het is niks as ofguunst (Sle)
afgunstbrood, ofguunstbrood, (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ofguunstbrood wordt het mieste èten ongegund brood (Flu)
afgunstig, ofguunstig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Var. als bij ofguunst = afgunstig Wees toch niet zo ofgunstig, ij kriegt je deeil nog wel (Eex), Ie mut niet zo ofguunstig wèen, een aander giet het ok niet altied veur de wind (Hol)
afhaken, ofhaken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afhaken Hij kun het niet bijbienen, hij mus ofhaken (Hijk) 2. met een mesthaak de mest van de wagen trekken Met een mesthaoke kuj de mest van de waegen ofhaoken (Smi), (zelfst.) Dat ofhaoken is te zwaor veur opa (Bal)
afhakken, ofhakken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afhakken Even dat wallegien ofhakken van hout ontdoen (Wtv), Rogge ofhakken hakkend maaien (Eev) 2. in delen hakken (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord) Het geslachte varken mut of ehakt worden (Vle), z. ook ofhouwen 3. couperen van de staart van een paard (Zuidoost-Drents zandgebied) 4. niet aan het woord laten, in de rede vallen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ie kunt niet wat zeggen of hij hakt of (Zdw)
afhalen, ofhalen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. iemand afhalen As e kwam, zul ik hum ofhalen (Bov), Kom mörgen mar, dan hool ik dei wal een eindtien of (Pdh) 2. van iets afhalen Haal mij even een paar garven van de balken of (Sle), Wij mussen het bedde ofhalen (Eri) 3. weghalen Ze hebt ous vannaacht nog een schaop ofhaold (Eev), Hij hef niks meer, ze hebt hum alles ofhaald (Klv) 4. afhalen van breiwerk Ie hebt zoeveul fouten in het breien, ie moet de hele rommel mor wèer ofhalen (Hijk) 5. van punten en draden ontdoen Ik heb een maol bonnen plukt, die zal ik nog even ofhalen (Bor), Dei bonen hebt draoden, dei meut wie allemaol ofhalen (Bco)
afhalzen, ofhalzen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = klaar krijgen Non stiet e weer te kwaken en vanaovend wet e niet hoe e het ofhalzen möt (Sle), Wat was dat een stuk wark, wij kunden het niet ofhalzen (Oos), ...nait ofhaalzen (Zui)
afhameren, ofhamern, zwak werkwoord, overgankelijk, afhameren Een goeie veurzitter mut weten wanneer hij een langdraodige spreker of mut hamern (Noo)
afhandelen, ofhandeln, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, afhandelen Die zaak, die moet een maol ofhandeld worden (Klv), ...aans komp het straks in het vergeetboek (Hoh), Die kun er vlot met ofhandeln kon het vlot afwerken (Anl), Door he’k rappies met ofhandeld dat heb ik vlot afgewerkt (Eri), As die beide buurvrouwen bij mekaar zint, dan wordt er ok hiel wat an ofhandeld besproken (Sle)
afhandelen, ofhandeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = een hand geven ten afscheid Even ofhandeln, dan gaow hen hoes (Sle), Ik denk neit dat e nog laank leven zal: ik heb aal met hom ofhandeld (Row), Gistern hew of ehaandeld; morgen gaot ze veurgood naor Canada (Die), Even ofhaandeln condoleren op de avond voor de begrafenis (Dwi)
afhandig, ofhandig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Var. als bij hand = 1. afgelegen, ver bij iemand vandaan Dat ofhandige stuk laand prebeer wij te ruilen (Pdh), Daor kom ik niet vaak; die woont zo ofhandig (Bco), Wat steeit die booukenkaast ja ofhaandig (Gas) 2. links voor de wagen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het ofhaandige peerd (Hol) 3. in ofhandig maken ontnemen Die kerels hadden heur haost een tassie ofhandig maokt (Row)
afhang, ofhang, de, ofhangen, 1. glooiing, aflopende zijde van de akker Je moet die kar niet op de ofhang staon laoten (Gro), Der zit een aordige ofhang an die hoek het stuk land helt schuin af (Sle), In de ofhang verbouw wij de beste vruchten (Ndo) 2. oversteek van het dak (Midden-Drenthe) Under de ofhang van de schuur kuj mooi schoelen aj een meid bij je hadden; ij wurden dan niet nat (Eex)
afhangen, ofhangen, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. naar beneden hellen, glooien Dat land hangt aordig of naor de de mao toe (Sle), Wie hebt dat stuk grond naor het zuden ofhangen laoten (Bco), Niet zo haard fietsen, want het hangt hier of (Bal), Dat dak begunt slim of te hangen (Die), Nog even de deure ofhangen voorzien van scharnieren (Dwi), (bijv.) Een ofhangend pad (Hgv), Welke [sommige] Belgse peerde hadden een ofhangende kont (Pdh) 2. afhankelijk zijn Of het deurgiet, dat hangt van hum of (Gro)
afhangig, ofhangig, bijvoeglijk naamwoord, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = glooiend Die akkers bint jao zo ofhangig (Rui), Dat is ofhangig laand (Anl)
afharksel, ofharksel, het, Var. als bij harken = datgene, wat van het voer of van het land wordt geharkt Het ofharksel meuj mar onder de wezeboom doon (Pes), Ofharksel bunden wij tot schotballen (Exl), Ofharksel was stro, wat liggen bleef op de stoppel (Rod), ...kört stro en aoren en zo wat (Pei), ...is dat heui, dat aj van het heuivak ofharkt (Hol)
afhebben, ofhebben, sterk werkwoord, overgankelijk, klaar hebben Hij mus naoblieven, hij har de sommen nog nich of (Bov)
afhechten, ofhechten, zwak werkwoord, overgankelijk, afhechten Wij bint zo klaor met het brèeien, wij moet het nog even ofhechten (Sle), Dizze trui nog even ofhechten, dan is e klaor (Eex)
afheisteren, ofhuistern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe) = de waarheid zeggen, afkammen Hie mag je geern even ofhuistern, waor elkeneein bij is (Eex)
afhellen, ofhellen, zwak werkwoord, onovergankelijk, afhangen, hellen Dat laand helt wel aordig of, maor niet naor de lössing (Hgv), Dat dak helt slim of (Anl)
afhemelen, ofhemmeln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afnemen, afvegen, schoonmaken Ik wil de zolder nog even ofhemmeln (Pdh), Hemmel je even of, ij zit under het kaf (Sle), Ie mout taofel nog ofhemmeln opruimen (Ros), Ik gao de stal op, de beeist wat ofhemmeln borstelen (Eex) 2. een pak slaag geven, stevig onder handen nemen Ik zal hum ies èven ofhemmeln, dan wet ie, waor ie staon mut (Hol), Ik zal het peerd ofhemmeln, nou e niet trekken wil (Dro), z. ook bij ofdörschen
afhijgen, ofhichten, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) = ertegen hijgen Ie hebt dat kiend veuls te hard laoten lopen, het kan jao haoste niet ofhichten (Ruw), Hie kun het niet ofhichten was buiten adem (Sle)
afhijmen, ofhiemen, (Zuidoost-Drents veengebied), in Hij kun het haost nich ofhiemen hij kreeg ternauwernood nog lucht (Bov), z. ook ofhichten
afhitten, ofhetten, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = flink warmte afgeven Het vuur het slim of (Pdh)
afhoetelen, ofhoedeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. afmatten (Zuidoost-Drents zandgebied) Ik kan wal direkt slaopen, zo bin ik ofhoedeld (Pdh) 2. afborstelen (Midden-Drenthe) De jas ofhoedeln (Schl)
afhogen, ofheugen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bij het bieden overtroeven Zij hebt hum er weer ofheugd (Noo)
afhokken, ofhokken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe) = de korenhokken weghalen Aj eerder knollen zaaien wolden, muzzen ie eerst de rog ofhokken (Eev), z. ook ofgasten
afhouden, ofholden, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afhouden Daor meut wie hum van ofholden, dat gaait nich goud (Bco), Hie kan de ogen niet van dat wicht ofholden (Wes), Hie kun de hond niet van de hoed ofholden (Oos), Hool die kat van de melk of, dat e der niet bij komp (Pdh), Zie wordt een beetien ofholden niet helemaal opgenomen in de gemeenschap (Sle), Ie mut de bok wat ofholden de bok verder van de wal houden (Hgv) 2. boven het vuur laten plassen (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Op de plaat gaon staon, de jonge ofholden baoven het vuur, en dan gunk het gauwer door de warmte plast een kind namelijk eerder (Ruw), Um dat kind dreug te kriegen, hol ij hum even een maol of wat daags of laat men die in spreidstand boven de plaat in het vuur plassen (Sle) 3. van iets aftrekken Tweei percent muj van die reken ofholden aj vort betaolt (Eex) 4. vernederen, afsnauwen (Zuidoost-Drents zandgebied) Je huuft mekaor niet zo ofholden, ij hebt beide schuld (Bor), Hie huul het kind zo of, het begrotte mij der van (Sle), Die, die kan je aaid zo lillijk ofholden (Sti)
afhouwen, ofhouwen, sterk, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afslaan Nou moej eerst de takken van de stam ofhouwen (Bal), Je moet van joe ofhouwen (Klv), Hij hef hum de doeme ofhouwen (Mep) 2. het geslachte dier in stukken verdelen De slaachter zul het zwien ofhouwen (Row), z. ook körtslaon, ofhakken, ofsnien
afijn, afijn, bijwoord, welnu, enfin Afijn, het is niet aans (Sle)
afjacht, ofjacht, ofjaacht, ofjach, ofjak, ofjakkerd, de, Ook ofjaacht (Midden-Drenthe), ofjach (Zuidoost-Drents zandgebied), ofjak (Zuidoost-Drents veengebied), ofjakkerd (Zuidoost-Drents zandgebied) = stevige berisping Hie har hum bij de appels zeten en hie kreeg toch een ofjacht (Sle), ...ofjakkerd (Sti), ...ofjak (Bco), Hie kreeg mij daor een ofjaacht van zien moetje; het was ok wel neudig (Eex)
afjagen, ofjagen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. wegjagen Ik laot mij niet van het laand ofjaogen (Anl) 2. afbeulen Dat peerd niet zo ofjagen, hie is nat van zwiet (Wee), Ik heb dat pèerd even ofjacht, aans is e niet te broeken (Sle), Ie moot dei jong nich zo ofjaogen (Ros) 3. op de jacht een stuk veld afwerken Wie wilt dit veld eerst even ofjagen en dan gaot wie naor dat ander veld (Klv) 4. afrijden (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord) Ie gaot eerst die olde fietse mor ies ofjaegen (Die) 5. (Zuidoost-Drents veengebied), in De smokkelware ofjagen smokkelwaar die door anderen in het veld is verstopt, ophalen (Bco)
afjakkeren, ofjakkern, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afjakkeren Op fiets kuj een heil ende ofjakkern afleggen (Row), Die fiets is zo ofjakkerd, je moet ofgemieterd trappen um veuroet te kommen (Anl), Hij jakkert er wat an of (Dwi), Ai mout dat peerd niet zo ofjakkern afbeulen (Eev), Hie hef zuk hielmaol ofjakkerd heeft te hard gewerkt (Sti), Dat kiddegie zag er ofgejakkerd oet (Eke) 2. afsnauwen, stevig berispen (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Toen e dat weer zee, he’k hum toch even flink ofjakkerd (Pdh), Met zo’n bosschup heuf ik niet bij mien va te kommen. Bliksem, dan weur ik good ofjakkerd (Hijk)
afjoelen, ofjeulen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = door hard roepen bereiken Aj wied vort an het warken waren, kuj het niet ofjeulen! (Pdh)
afjutten, ofjutten, ofjuttern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ofjuttern (Zuidwest-Drenthe, noord) = (uit)scheppen Nou meuj die miege nog even van de bak ofjutten, Klaos (Rui), Ze hebt zo van de bak of ejut (Wsv)
afkalken, ofkalken, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = kalk laten vallen Die mure kalkt geweldig of (Klv)
afkalven, ofkalven, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. afkalven Die ko laow eerst ofkalven, en dan wöw hum verkopen (Pes), Die kounen bunt allemaol ofkalfd (Bov), Die koe hef pas ofkalfd (Klv), (fig.) Ofkalven kan ok nog betieken as hiele stukken van een kenaal- of wiekswal in het water valt (Nam) 2. aflopen (Kop van Drenthe) Hou zul dat ofkaalven? (Row)
afkammen, ofkammen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afkammen, afkraken Het is gien plezierige vent, hij kamt alles of (Mep), Aj een ding goedkoop in handen hebben wilt, dan moej het good ofkammen (Hijk) 2. slaag geven (Zuidwest-Drenthe, noord) Hij kamde hum aordig of (Dwi), z. ook ofdörschen
afkanten, ofkanten, zwak werkwoord, overgankelijk, Var. als bij kant II = 1. een kant maken De pannelappe is zowat klaor, mar ik mut hum nog ofkaanten (Eli), De grasraandties even mooi ofkaanten (Nor), De börstrok he’k klaor; nog even um de hals ofkanten (Sle) 2. de kant recht, vlak maken De slootkanten mus hij ok nog ofkanten (Oos)
afkappen, ofkappen, zwak werkwoord, overgankelijk, afkappen Van die boom hew een paar takken ofkapt, want die hungen oos in de weg (Zwig), Stroekgewas mout regelmaotig ofkapt worden (Zui)
afkeer, ofkeer, de, afkeer Sinds ik weet wat hie daon hef, heb ik een ofkeer van die man (Bal), Ik heb ain ofkeer van siepels (Vtm) *Ik heb een ofkeer van lege glassies, zee Haarmjan, en sluig zuk nog een borrel in (Eex)
afkeren, ofkeren, zwak werkwoord, overgankelijk, (N:Zuidoost-Drents zandgebied) = schoonmaken De delle ofkeren
afkerig, ofkerig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afkerig Die is ok niet ofkerig van een borrel (Sle), Hij stait der wat ofkerig tegenover (Nor)
afkerven, ofkaarven, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord) = ofkloven De rotte hef het bot helemaole of ekaarfd (Die)
afketsen, ofketsen, ofkitsen, zwak werkwoord, (on)onovergankelijk, Ook ofkitsen = afketsen De koegel is door op ofkitst (Bco), Dat schot dat ketste of (Klv), Het veurstel weur ofketst, men was het er niet met iens (Bor), De koegel kitste of op een stein (Bco), Het geweer kitst of (Dwi), (fig.) Het is hier wel lukt, mor het is mij in Assen ofkitst (Sle), De verkering is of ekitst voorbij (Dwi), Wij hadden wel een mooi plannegie, maor het is of ekitst um de centen niet doorgegaan (Hgv), Ik haar die boerderij wal graag willen kopen, mor hij vreug teveul en daor is het op ofkitst (Hijk)
afkeuren, ofkeuren, zwak werkwoord, overgankelijk, afkeuren Oos eerappels bint ofkeurd (Rol), Hij is zölf an het tummern egaone en nou hebt ze hum de boel of ekeurd (Hgv), Hie is ofkeurd veur deeinst voor militaire dienst (Gas), Dat keur ik of, waj daor doet (Dwi)
afkibberen, ofkibbern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = knippen Hij had naor een slechte kapper ewest, het haor was zo raar of ekibberd (Hgv)
afkiemen, ofkiemen, zwak werkwoord, overgankelijk, van kiemen ontdoen Der koomt kiemen an de eeteerappels, ze muut neug of ekiemd worden (Dwij)
afkiffelen, ofkiffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = stukjes van iets snijden Ik wil van de bessemstok wat ofkiffen, hij past nog niet in het gat (Eli)
afkijken, ofkieken, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afkijken Op schoel mag je niet ofkieken (Dal), Hij wil hum de kuunst ofkieken kijken hoe hij het doet (Dwij), Hij stund alles of te kieken te bekijken (Bov) 2. aflezen, afzien Honderd daalder veur dat ding? Dat kan ik er niet an ofkieken (Zdw) 3. controleren (Zuidwest-Drenthe, noord) De veearts möt de koenen even ofkieken controleren op inenting (Dwi)
afkijken, ofkieken, onbepaald werkwoord, 1. overzien Och, wat ’n meinsen op de markt, ie kunden het niet ofkieken (Hijk), Dat duurt nog zo lang, dat kuj niet ofkieken (Nor), Dat gung zo gauw, ij kunden het niet ofkieken (Sle) 2. aandurven, afzien Hij dus heil wat ofkieken (Ros)
afklampen, ofklaampen, ofklapen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook ofklapen = licht dorsen Wij meut even wat rogge ofklaopen, want wij wilt nog wat dakschudden (Pes), z. ook bij klapen
afklinken, ofklinken, sterk werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = het klinkwerk afmaken Ze mussen het schip nog ofklinken (Pes)
afkloppen, ofkloppen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afkloppen Duzendholt is holt, daor het schel deur de eekschelders ofklopt is (And), Man, zo neit in hoes! Ik zal je eerst even ofkloppen (Vri), Ik bun nog nooit zeik west; laow dat man even ofkloppen bezweren (Bov) 2. bij het biljartspel zijn beurt bespreken (N:Zuidwest-Drenthe)
afkluiven, ofkluven, ofkleuven, ofkloeven, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ofkleuven, ofkloeven (Zuidwest-Drenthe, noord, Noord-Drenthe) = afkluiven Ik hebbe de botten schone of ekleufd (Nije), Ik mag graog dai kibbebillen ofkloeven (Twe), De hond hef dat bot zitten ofkleuven (Pdh), z. ook ofknoeven, ofknagen, ofzuken, ofknabbeln, ofknauwen, ofplongern, ofpluren, ofknoeven
afknabbelen, ofknabbeln, zwak werkwoord, overgankelijk, afknabbelen De hond knabbelde het bot of (Pdh), z. ook ofkluven
afknagen, ofknagen, zwak werkwoord, overgankelijk, afknagen Een bot ofknaegen (Wsv), z. ook ofkluven
afknakken, ofknakken, zwak werkwoord, onovergankelijk, afknappen De takkies knakt of (Dwi), De stoelpote is of eknakt (Flu)
afknappen, ofknappen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, afknappen De boom knapte of as een lucifersstokkie (And), Ik zal der een stok ofknappen een stuk afbreken (Flu), (fig.) Ik bin op dat hiele gedoe op het lest ofknapt (Pdh), Nao die zwaore griep is opoe helemaol of eknapt (Die), Aj meent daj het veur mekaar hebt, wil het oe nog wel ies bij de haanden ofknappen net helemaal mis gaan (Ruw), z. ook ofbreken
afknauwen, ofknauwen, ofknauweln, zwak werkwoord, overgankelijk, Ook ofknauweln (wh) = afknabbelen, afkluiven Die botties kuj toch zo lekker even ofknauwen, ...ofknoeven (Sle)
afknevelen, ofkneveln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = een pak slaag geven Zie hebt hum lillijk ofkneveld (Sle), z. ook ofdörschen
afknibbelen, ofknibbeln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afdingen Hai mos altied wat van de pries ofknibbeln (Eco) 2. ergens iets af knijpen Hij vun de rollegies lekker, want hij knibbelt iedere keer der wat of (Klv), De bakker die knibbelde wat van het deeg of (Dwi), Die paole is zowat op maot, der mot nog een beetie ofknibbeld worden (Hijk), De peerde moet de hof nog even ofknibbeln het gras kort maken (Gro)
afkniggelen, ofkniggeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = te hard en te zwaar (laten) werken Bij die boer wordt hij ok arg ofkniggeld (Geb), (wederk.) Hij hef zuk ofkniggeld te hard gewerkt (Noo)
afknijpen, ofkniepen, sterk werkwoord, overgankelijk, afknijpen Een stok van een stoete ofkniepen (Hol), Een stuk draod ofkniepen (Nam), Dat zit te strak, ie zulden de arm ofkniepen (Noo), Wat een stuk wind, de aodem kneep mij of (Vri), Hij zat in de karke en do hef hij stiekem een scheet afknepen voorzichtig een deel van een wind gelaten (Bco), De trainer hef de speulers weer goed ofknepen aangepakt (Eri)
afknippen, ofknippen, zwak werkwoord, overgankelijk, afknippen Woj mij het haor even ofknippen? (Bor), Wij moet de heuivakken nog ofknippen de uitstekende punten van het hooi knippen (Gie), zo ook Ik zal de balken van undern wal even ofknippen datgene wat door de zoldering steekt (Zwe)
afknoefelen, ofknoffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. slordig afmaken Dat waark is maar wat ofknoffeld (Rol) 2. te pakken nemen (Midden-Drenthe) Die hebt ze good ofknoffeld (Rol)
afknoeien, ofknooien, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. (wederk.) zich afbeulen, te hard werken (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) Hij har zuk hielemaol ofknooid met dat wark (Schl), ...dat holdt hie niet vol (Wee) 2. slordig afwerken (Zuidwest-Drenthe) Hij hef het even vlot of eknooid (Dwi)
afknotten, ofknotten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = knotten Um de veer of vief jaor muj de knotwilg ofknotten (Bro), z. ook knotten
afknuiven, ofknoeven, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe) = afkluiven Dat botten ofknoeven was een mooi wark, daor was aorighaid an (Bco), z. ook ofkluven, ofgaarden, ofknauwen, ofsmikkeln
afkoelen, ofkoelen, ofkuilen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, Ook ofkuilen (Zuidoost-Drents veengebied) = afkoelen Dan gao ik der fijn in zitten mit mien blote pokkel um of te koelen (ov)
afkoken, ofkoken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = afkoken De eerpels kaokten niet goed of (Mep), Nei eerpels, die moej altied even een keer vaoker ofkoken (And)
afkoker, ofkoker, de, ofkokers, afkoker Dizze eerappels moej bijtied ofgeten, aans versottert ze; het bint ofkokers (Bei)
afkolven, ofkolven, zwak werkwoord, overgankelijk, kolven, (zelfst.) Dat is een kolf veur het ofkolven van moedermelk (Gas)
afkomen, ofkommen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. afkomen Woj wel even van dat dak ofkommen? (Klv), Hie is achterneers van de zolder ofkommen (Sle) 2. er vanaf komen Ik bin met het pèerd op de loop west, maor ik bin der goed ofkommen (Hoh), Die zit zo dik in de schulden; daor komp e nooit weer of (Eke), Hoe koom ik van die zweren of? (Ruw), Aj met die man an de praot kommen, dan kom je der haost niet weer of (Eri), Hai is der goud ofkommen mit dai kou de verkoop is nog gunstig uitgevallen (Vtm), Dat pèerd is hum doodgaon, hie is der sneu ofkommen (Sle) 3. komen De vergunning is ofkommen (Klv) 4. op iets of iemand afkomen Op zo’n wicht, wel komp daor non op of (Emm) 5. overlijden A’k der nog ies ofkome, meuj oe zölf kunnen redden (Hol)
afkomst, ofkomst, de, afkomst IJ moet aaid en overal an je ofkomst dèenken; doe je niet meer veur dan aj bint (Eex), Niks van ofkomst, maar wel een stok verbeelding an de konte (Hav)
afkomstig, ofkomstig, bijvoeglijk naamwoord, afkomstig Waor zul dat pakkie ofkomstig van weden? (Gas), Die familie is ofkomstig oet het Gelderse (Pdh)
afkondigen, ofkundigen, zwak werkwoord, overgankelijk, afkondigen Domnie zal wel ofkundigen, wel der ankommen week preken zal (Eex), Die beiden bint vanmorgen in de kerke ofkondigd hun voorgenomen huwelijk is genoemd (Eri), zo ook Zundag wordt hij veur de darde keer ofkundigd de derde en laatste keer (Nsch), Dou ze de mobelisaosie ofkondigd hebt, mus Raainder in daainst (Eev)
afkondiging, ofkundiging, de, ofkundigings, ofkundigingen, afkondiging De ofkundiging was anplakt (Zey), Het was de daarde ofkundiging derde aankondiging in de kerk, dat een paar gaat trouwen (Bov)
afkooksel, ofkooksel, het, Var. als bij koken = afkooksel Het ofkaoksel van de kop, de lever, de milte, de longen en het hart, en daor kwaamp gruttemaal deur en dan haj balkenbrij (Ruw)
afkoop, ofkoop, de, (Zuidwest-Drenthe, noord) = afkoop *Ofkoop is rouwkoop (Dwi)
afkopen, ofkopen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afkopen Hij hef de boete ofkof (Bco), Hij hef zien breur de plaatse of ekoft het aandeel overgenomen (Hgv), Zij wilt het ofkopen, mar daor trap ik niet in (Eli), Zie hebt het ofkoft gezegd als de ouders van een jongen die een meisje zwanger heeft gemaakt, het hebben afgekocht (Sle) 2. van iemand kopen Ik wil joe dat knien ofkopen (Klv)
afkoppen, ofkoppen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = van de koppen ontdoen Leg die bieten op een rij, dan kuj ze met de schoffel zo ofkoppen (Pdh)
afkorten, ofkörten, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. korter maken Ie magt die woorden gerust ofkorten (Eri), Bin ie an het plaanken ofkorten? (Pes), De veurzitter mus zien ienleidend woord ofkörten, umdet de sprèker ook nog dia’s wol laoten zien (Ruw), Dat körtte mooi of kortte de tijd (Sle) 2. in mindering brengen (Zuidwest-Drenthe, zuid) De krudenier körtte altied wat of mit de eier (Hgv)
afkorting, ofkörting, de, ofkörtings, Var. als bij kört = 1. afkorting Non moej mij even vertellen, wat die ofkörting betiekent (Sle) 2. korting, mindering (Zuidoost-Drents zandgebied) Dat is een mooie ofkörting op het hiele bedrag (Sti), Nim dat slaggien veld ...mor in ofkurting van de schuld (de:Sle)
afkortmachine, ofkörtmesiene, de, ofkörtmesienes, (klompenm., Zuidoost-Drents zandgebied) = instrument van de klompenmaker om de bomen op de lengte van de klompen te maken
afkraams, ofkraoms, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = uit het kraambed Ze is nog maor zes dagen ofkraoms en ze is al weer in de bien (Mep)
afkrabben, ofkrabben, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, afkrabben Het iezer van de wagen mut of ekrabd worden (Ruw), Het zwien wuur met hiet water ofkrabd bij het slachten (Pdh), Neie eerappels muj niet schellen, maar ofkrabben, dan binnen ze veul lekkerder schrapen (Mep)
afkraken, ofkraken, zwak werkwoord, overgankelijk, kleineren, ofkraken Ie magt zien wark niet zo ofkraken (Flu)
afkrijgen, ofkriegen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afkrijgen, gereed krijgen Ik kan het niet ofkriegen veur donderdag (Hol) 2. eraf krijgen Ie mut zien, daj wat van de pries ofkriegt (Hgv), Ik kan de varve niet van de arms ofkriegen verwijderen (Hijk) 3. meekrijgen Van die hagelbuj heb wij hier niks ofkregen (Pdh) 4. afnemen Van die bulte eerappels maj gerust wel een maoltien ofkriegen (Ker)
afkruien, ofkrooien, zwak werkwoord, overgankelijk, (Veenkoloniën) = wegkruien Eerst boven ofbrengen, dan steek ofkrooien en dan wiekgraoven fases bij het graven van een kanaal (Ros)
afkubbing, ofkubbing, de, ofkubbings, (Zuidoost-Drenthe) = uitbouw, afdak Wij hadden gien ruumte genog um het gerak almaol in de schuur te bargen en toen hew der een ofkubbing achter zet (Oos), Een lösse ofkubbing wuur gebroekt veur de wagens en ander gerei en gerak; ’n dichte ofkubbing wuur miestens gebroekt as stal (Pdh), z. ook kubbing, oflaot, oetlaot, oetkubbing
afkunnen, ofkunnen, sterk werkwoord, overgankelijk, (het) afkunnen Moe’k je nog helpen bij het heuien of kuj het wal of? (Exl), Ik bin bang dat ze van de week het waark niet ofkunnen (Row)
afkwellen, ofkwellen, zwak werkwoord, wederkerend, zich kwellen Meen ie dat ik mij daor nog langer met ofkwellen wil? (Klv), Hij zat hum tieden of te kwellen of hij der toch bèter an edaone har zien zeune op de boerderije te laoten en niet zien dochter (Ruw)
aflaat, oflaot, de, oflaoten, (dva, wb) = afdak, z. ook kubbing
aflaat, oflaot, de, (r.-k.) = aflaat De pauselijke zegen gef een volle oflaot (Bov)
aflaatpijp, oflaotpiepe, de, oflaotpiepen, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afvoerpijp Deur de aflaotpiepe löp een mooie plumpe regenwater in de regenbak (Zdw)
afladen, oflaan, zwak werkwoord, overgankelijk, afladen Wie meut nog een vouer tarwe ofladen (Bov), ...een voor mes oflaan (Sle)
aflagen, oflaogen, zwak werkwoord, overgankelijk, harken Mit een laoge (ammits deur een peerd trokken) wordt het land oflaogd (Bco)
aflakken, oflakken, zwak werkwoord, overgankelijk, aflakken We moeten die deur even oflakken vandage (Klv)
aflangen, oflangen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Noord-Drenthe) = afgeven Aj toch langs de baank kompt, wooj dit dan wal even oflangen? (Hijk)
aflaten, oflaoten, sterk werkwoord, onovergankelijk, minderen in melkproductie Mit dit kaolde weer bunt ze allemaol oflaoten (Bov), Op een kaal stok laand laot de biesten of, en op ’n nei stok gruun laot ze toe (Hgv), (fig.) Ie zult er in de melk neet van oflaoten je zult er niet minder door worden (Die)
afleden, ofleden, ofleen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook ofleen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = een koe verlossen door het kalf in stukken te snijden As ze de ko mussen ofleden, was het mit het beesie vaoke niet best (Die), Het kalf mus er of eleden worden (Hgv), z. ook oflössen
afleg, ofleg, de, 1. het afleggen van de overledene (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën) De ofleg is al gebeurd (Exl) 2. doodshemd (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) As der wat gebeurt: de ofleg lig in het kamnet (Sle)
aflegapparaat, oflegapparaot, het, (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = hulpstuk aan de grasmaaimachine voor het maaien van koren, het deel dat achter het mes wordt gezet bij het maaien om schoven te vormen Hou gaoj maaien? Hej het ofleggapparaot der ok an (Eev)
afleggen, ofleggen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afleggen Mensken van de begraffenisvereining kommen bai een starfgeval te ofleggen de dode afleggen (Nor), Ie mut oen ringen ofleggen afdoen (Bro), Wost dien jaas niet ofleggen? uitdoen (Rod), Wij hebt van die heester een paar takken of elegd um neie stekken te kriegen (Flu), (zelfst.) Het ofleggen van het koren doej bij het meien mit de haand mit een welhaoke; later, bij het mesienemeien naam ie daorveur een heuivorke (Hgv) 2. afleggen, verrichten Wie meut nog een heil ende ofleggen een heel stuk weg afleggen (Bov), Hie hef het examen mit goed gevolg oflegd (Man) 3. afleggen van een eed etc. Hij mout veur de rechtbaanke de eed ofleggen (Erf), Hij hef een gelofte oflegd (Klv) 4. het afleggen (tegen) Wij hebt goed oes best daon, maor wij mussen het wal ofleggen tegen die jongs (Eli), Oonze buurman hef het of elegd is gestorven (Die) 5. mager worden (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), ook verzwakken bij ziekte (dva, Zuidoost-Drents zandgebied) Oeze maagien was eerst an de dikke kaante, mar ze giet nou ofleggen (Mep), Hij legt het aordig of wordt mager (Sle)
aflegger, oflegger, de, ofleggers, 1. persoon, die de dode in de kist legt Vroouger waren de buren de ofleggers (Bal), Hier hebt ze bij de begrafenisverieniging een leedaanzegger en een oflegger (Dal), De oflegger is waorschouwd (Eco) 2. persoon, die iets aflegt, bijv. bij een persmachine, dorsmachine of maaimachine etc. Dan mus er ok een stuilken extra op de maaimesine veur deie, dei oflegger was (Bco), Dei de törven van de kabel pakte, was de oflegger (Bov), z. ook ofnemer, De oflegger hef heel wat draodties an mekare knupt bij de parswagen (Dwij), De oflegger hef de stropakkies op de nek (Zey) 3. hulpstuk aan een maaimachine, dat achter het mes wordt gezet bij het maaien van koren Wij wilt in de bouw, wij moet de oflegger der anmaken (Sle), Hij zit op de mesien um de oflegger te bedeeinen (Bal), z. ook dreikwarter 4. afdanker, afgedankt kledingstuk (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die olde broek is nog een ofleggertien van mien breur (Mep)
afleggoed, ofleggoed, oflegklied, ofleghemd, het, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook oflegklied, ofleghemd (Zuidwest-Drenthe, noord) = doodshemd Het ofleggoed lig in het kamnet (Sle)
afleiden, ofleiden, zwak werkwoord, overgankelijk, afleiden Ie mut mij niet ofleiden, dit is een secuur warkien (Mep), Waor heb ie dat van of eleid? (Zdw), Uut het gesprek kun ik wel ofleiden dat hij der weinig zin in had (Bro), Wij moet heur wat ofleiden afleiding bezorgen (Hgv)
afleiding, ofleiding, de, ofleidings, afleiding Gao er maor een aovend naor toe, dan hef de aole man ok wat ofleiding (Dro), Hij maag ok wel is wat oflaaiding hebben (Row)
afleren, oflèren, zwak werkwoord, overgankelijk, afleren Ik zal dat peerd die kuren wel ofleren (Mep), Krieg hum dat mar is weer ofleerd! (Pdh), Anleren giet beter as ofleren (Dwij)
afleveren, oflevern, zwak werkwoord, overgankelijk, afleveren Ie mut de varkens morgen oflevern (Geb)
aflezen, oflezen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. aflezen Ik heb je een briefien klaor maakt, dan kuj het zo oflezen (Oos), Je kunt van zien gezicht oflezen, wat hij denkt (Bal), Kun ie de thermometer even oflezen, ik kan het niet zeen (Hijk) 2. afkondigen Dat hef de pastoor zundag oflezen (Klv), Vrogger gunk de veldwaachter nao de kaarke de gemeenteberichten oflezen (Die)
aflezen, oflezen, onbepaald werkwoord, bijhouden met lezen Ik kun het op de tillevisie niet oflezen niet zo snel lezen (Sle)
aflichten, oflichten, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = het afgraven van blauwveen bij het baggeren, voordat men bij de diepere lagen kon komen, ook de baggerput oflichten (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe)
afliggen, ofliggen, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = open zijn van een brug Je mugden een brug in duuster niet ofliggen laoten (Eev), Doe mar kalm an, de brogge lig of; ie mut ja toch wachten (Hgv)
aflijnen, oflienen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = het afsteken van blokken veen of hooi Hij was het heui an het oflienen (Pes)
aflijvig, oflievig, bijvoeglijk naamwoord, (Kop van Drenthe, veroud.) = overleden Komt nog wel veur in olde kerkbouken, waor in anteikend wur, dat er ein oflievig was (Rod)
aflikken, oflikken, zwak werkwoord, overgankelijk, aflikken Do wie der biekwamen, was de kouwe zien kalf al an het oflikken (Bco), Dat mut ie even oflikken, aanders drupt het er of (Geb), Wat lekker! Ie zult oe de vingers oflikken (Ruw), Die is al zo vake of elikt, dat is een ofgelikte boterham van meisjes, die vaak van partner wisselden (Mep)
afloeren, ofloeren, zwak werkwoord, overgankelijk, afloeren, afkijken Hij stund van wied alles of te loeren (Bov), Dat hef e van heur ofloerd (Sle), Zie gaon dat paortje, dat staait te vrijen, ofloeren (Eco)
aflonen, oflonen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = ontslaan en naar het aantal gewerkte dagen betalen Ik worde het niet iens over het waark, en der wörde deur de boer of eloond (Dwi), As de boer je wegstuurde binnen het jaor, mus hij je oflonen tot de leste dag dat je der warkt hadden (Nor)
afloop, ofloop, de, 1. afloop, slot Wij drinkt een borrel op de goeie ofloop (Bal), Nao ofloop kow wal even bij je langs (Sle), Nou, op de goeie ofloop! (Nam) 2. helling, glooiing (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wij hebt achter het huus nogal wat ofloop; aj daor een wagen hen wilt zetten, maaj wel een stien veur het rad leggen (Bro), (fig.) Hij hef de geut goud op ofloop lust graag een borrel (Row), Hie hef het mooi op ofloop in zien hoesholding heeft het goed voor elkaar (Dal), Hie hef de boudel mooi op ofloop de zaak goed voor elkaar (Eel)
aflopen, oflopen, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aflopen, eindigen Het feest was um ien uur oflopen (Hoh), Is dat gezeur gauw oflopen! (Bui), Het löp of mit hum hij is stervende (Hgv) 2. afhellen Oes tuun lop aordig of, het geet naor het leeg in (And), De geut mot oflopen, aans woj het waoter niet kwiet (Gas) 3. afgaan, aflopen De wekker is oflopen (Ros) 4. lopend afleggen Hie hef het hiele jachtveld oflopen en niks vangen (Sle)
aflossen, oflössen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. iemand aflossen Wij hebt al een paor nachten waakt, wij moet mekaar maor wat oflössen (Bor) 2. geld of schulden aflossen Ie mut oen schuld oflössen (Zdw) 3. met mechanische middelen verlossen (Midden-Drenthe) De veearts hef het kalf er in stukken oflöst (Dro), z. ook ofleden, ofvördeln
afloten, ofloten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord) = voorzien van loodjes De pooteerpels moej ofloten loodjes aan de zakken bevestigen (Dwi)
afloven, ofloven, (N:oz) = voor iets bedanken, afslaan
afluisteren, oflustern, zwak werkwoord, overgankelijk, afluisteren Achter de hege kun ik ze zo oflustern (Rui), Wij hebt dat gesprek oflusterd (Zey), Geertien had dat neis oflusterd was het te weten gekomen (Zwin), Der kwam een boertien bijstaon en die wol even oflustern, wat de pries was (Ruw)
aflvakken, ofvlakken, zwak werkwoord, overgankelijk, vlak maken Die bult mout van boven ofvlakt worden (Erf)
afmaaien, ofmèeien, zwak werkwoord, overgankelijk, afmaaien Ik zal de stiekels even ofmaaien (Row)
afmaals, ofmaols, bijwoord, (Zuidoost-Drenthe) = dikwijls Hij gung ofmaols naor zien tante en oom (Pdh), Die vent komt ofmaols onbekwaom in hoes (Scho)
afmaken, ofmaken, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afwerken Ik wil nog even die trui ofmaken, veurdat ik weggao (Hijk) 2. regelen, afspreken Det zaakie is onderling of emaakt (Pes), Zo hebt wij dat niet ofmaakt (Klv) 3. doden De kou har zo in het prikkeldraod zeten dat, zie muzzen dat deer ofmaoken (Eex) 4. op smaak brengen De soep ofmaken op smaak (Hol) 5. er af halen (hy) Kribbels ofmaoken de doornen eraf halen
afmakerij, ofmakerij, de, ofmakerijen, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = het treffen van een regeling Laote wij der mar gien politie bijhalen; wij kunt er wel een ofmakerij van maken de zaak in der minne schikken (Dwij)
afmartelen, ofmarteln, ofmerteln, zwak werkwoord, overgankelijk, Ook ofmerteln (Zuidoost-Drents veengebied) = afbeulen Ze hebt dat peerd aordig ofmarteld (Bov), (wederk.) Aj het wark niet an kunt, moej je vaak te veul ofmarteln (Oos), ...ofmerteln (Bco)
afmelken, ofmelken, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. droog zetten van een koe Dende moew mor ofmelken, hie möt veur de dood vort (Sle), (deelw., bijv.) Dat is een ofmölken kou (Row) 2. te veel melken, dan wel melk geven, waardoor het beest mager wordt Die koe is een beste melklap, maar hie melkt zuk zo of (Oos), Die koe is schoon ofmelkt (Rol), (fig.) Die lat zich niet bij het hekke ofmelken laat zich niet afschepen (Hgv)
afmesten, ofmessen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. de mest verwijderen De stallen wordt hier alle dagen ofmest (Exl), Ik zal het peerd even ofmesten (Row) 2. van mest voorzien (Zuidoost-Drents zandgebied, ti) Wij kunt die akker nog niet ofmessen (Sle) 3. (zich) op de kop (laten) zitten (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Laot je niet ofmessen, maor slao weerum (Emm) 4. tot de orde roepen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ik zal hum wel ies even ofmesten (Pes) 5. afmatten (Zuidoost-Drents veengebied) Die hebt ze ok aordig afmest vandage (Klv) 6. klaarmaken voor de slacht (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord) Wij wilt er iene ofmessen veur de slaacht (Dwi) 7. bedriegen (Pdh, Scho) Koop niet van die vent, hij wil jo aid ofmessen (Scho)
afmeten, ofmeten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afmeten Die jurk is veur te lang, die möt ofmit worden (Sle) 2. afstand afleggen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij hef lange bienen, hie kan al gauw een hiel ende ofmeten (Uff)
afmeten, ofmeten, onbepaald werkwoord, (Midden-Drenthe) = bijbenen Hie leup zo hard, ik kun het niet ofme’ten (Anl)
afmijnen, ofmienen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe) = kopen op een openbare verkoping Der zal hiel wat of emiend worden (Hgv), Dat ding wo’k hebben, ik heb mitiene of emiend (Noo)
afminderen, ofmindern, zwak werkwoord, overgankelijk, steken minderen Die sokken moet ofminderd worden (Klv)
afmoffelen, ofmoffeln, (Zuidoost-Drents zandgebied), in Het was hiel stil ofmoffeld niemand was het gewaar geworden (Sle)
afmoorden, ofmoorden, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. kapot maken door te zwaar te laten werken Ik gao weg bij die boer, ik laot mij niet langer ofmoorden (Ruw), Een peerd ofmoorden (Zey) 2. (wederk.) zich kapot werken Ik stop der mit, ik wil mie nich langer ofmoorden (Ros), z. ook ofbeulen, ofmarteln, ofpegeln, ofpeigern, ofraomen, ofrauzen
afnachelen, ofnaggeln, zwak werkwoord, wederkerend, (Veenkoloniën) = afbeulen Je naggeln joe der jao schoon bie of, bie dat peerdewark (Twe), z. ook bij ofnachten
afnachten, ofnachten, ofnaggeln, zwak werkwoord, overgankelijk, Ook ofnaggeln (Pdh) = 1. pak slaag geven Zij hebt hum goed ofnacht, mar hij had het ook verdiend (Scho), z. ook ofdörschen 2. afscheid nemen (dva, wp)
afnaderen, ofnaodern, ofnaoren, ofnaoden, ofnaoten, ofnaon, ofnaosten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ofnaoren of ofnaoden (Zuidwest-Drenthe), ofnaoten (Zuidwest-Drenthe, zuid), ofnaon (sa), ofnaosten (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. afpakken, afhandig maken Ik zal wal oppassen, ik laot mij alles zo niet ofnaodern (Zwig), Ze hebt hum alles of enaod, hij bezat niks meer (Rui), Hij hef mij de fiets ofnaost (Wes), Ofnaoten is meer ene wat ofpraoten (Hol), Dat laot ik mij marzo niet ofnaoren (Geb) 2. vorderen (Oos) Aj vroeger een slachterbiest te leeg angaven, kunden ze je het biest ofnaodern
afnemen, ofnimmen, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. wegnemen, verwijderen Ze hebben hum de blinde daarm ofnömmen (Rol), Ie moet even het stof ofnimmen (Bei), Spinnekoppen ofnimmen spinrag verwijderen (Pdh), Van dei grond kun ie wat ofnemen nemen (Ros), Nim de melk even of haal de room van de melk (Sle), Ik zal je dat zwaore ding wal even ofnimmen ik zal je ontlasten (Emm), Neemt er mar iene of, der bint genog pak er maar een (Eli), Ze hebt hum al vief maol bloud ofnomen (Bco), Aj naor hoes in gaot, moej je pet ofnimmen afzetten (Eex), (zelfst.) Dit ofnemen en bedekken van het veen was daorum een van de veurnaomste winterwerkzaomheden wegnemen van een deel van de bolsterlaag (ti) 2. de tafel afruimen (Zuidwest-Drenthe) Wi’j even ofnemen, wij hebt het eten op (Mep) 3. schoonmaken Ik wil nog even de deuren ofnimmen (Eri) 4. verhoor, examen etc. afnemen Dei man hef jorenlang examens ofnomen (Bov) 5. afhandig maken De kinder hebt dat kleintien al het speulgoed ofnummen (Zwin), Pas op, laot je dat wark niet ofnimmen (Odo) 6. (Kop van Drenthe), in Kanten ofnemen behakken van akkerkanten langs sloten (Eev) 7. afleggen van een dode (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Eerder kwamen de buren te ofnimmen (Sti) 8. minder, kleiner worden De kaortse is aordig of eneumen (Ruw), De wind zal tegen de aovend wel ofnimmen (Anl), Zien krachten binnen ofnomen (Rod), Hie is an het ofnimmen vermageren (Eev), De melk is an het ofnimmen, de weide is op (Zdw), Hij hef hoge koorts en dat nemt aordig of daar wordt hij zwak van (Nam)
afnemer, ofnemer, de, ofnemers, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = persoon, die bij het persen de plankjes met turf van de band pakt en op het veld legt, z. ook oflegger, ofpakker
afneuzen, ofneuzen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afzoeken Ik heb alles ofneusd, mar ik kan het niet vinden (Eri) 2. afkijken (Zuidwest-Drenthe) Ze döt net of ze det petroon zöls bedacht hef, mar ze hef ofneusd van heur vriendin (Bro), Wij wil de keunst van het schildern ies ofneuzen (Die) 3. beloeren (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ze zit achter de gerdienen de hele straot of te neuzen (Noo)
afniefelen, ofnieveln, ofniffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, Ook ofniffeln (Midden-Drenthe) = aftroggelen, afhandig maken Hij hef oes jonggie een nei messie ofnieveld (Wes), De kinder nievelt mekaor de knikkers of (Gie)
afnokken, ofnokken, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. weggaan, opdonderen Het is beddegestied, wij moet mar ofnokken (Wsv), Ik was bliede dat die kerels ofnokten, ze wörden knap vervelend (Bro), z. ook opnokken 2. naar bed gaan (Zuidwest-Drenthe, zuid) Zulle wij ofnokken? (Flu) 3. op een grove manier afwijzen (Gas) 4. ofpakken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Van wie hej die knikkers weer of enokt (Zdw), z. ook ofnaodern
afpakken, ofpakken, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, = afpakken Kinder moej vaak wat ofpakken, wat ze niet hebben mugt (Oos), Hij meuk er niks van en toen hew hum de bool mar of epakt (Rui)
afpakker, ofpakker, de, ofpakkers, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = persoon, die bij het persen de plankjes met turf van de band pakt en op het veld legt, z. ook oflegger, ofnemer
afpalen, ofpaolen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afgrenzen met paolen
afpangelen, ofpangeln, zwak werkwoord, overgankelijk, afhandig maken door te dingen of te handelen Vrogger pangelden de kiender mekaar de knikkers of (Hgv), Dat kind lat zuk alles ofpangeln (Bal), Hij wol mij de beste koe ofpangeln (Flu)
afpassen, ofpassen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afpassen, de juiste maat geven Dat hej mooi of epast; ik hol mor een klein strookie behang over (Die), Zie hef het goed ofpast; toen wij weggungen was de boel zo’n beetien op (Wee) 2. (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ofpassen is mit de benen de maote nemen (Flu), z. ook oftreen
afpegelen, ofpegeln, ofpiggeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Veenkoloniën). Ook ofpiggeln (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afbeulen Hij is of epiggeld (Zdw), (wederk.) Zai hebben zuk glad ofpegeld (Vtm)
afpeigeren, ofpeigern, ofpaigern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook ofpaigern (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) = 1. afmatten Wij moet dat pèerd eerst ies goed ofpeigern, veurdaj der wat met anvangen kunt (Sle), Nao een hiele dag zwaor warken zaag Jan der ofgepeigerd uut doodmoe (Dwi), (wederk.) Ze waren doodmeui; zie hadden heur flink ofpeigerd (Bui), z. ook ofpiegeln, ofpegeln, ofpinkstern, ofmarteln 2. weggaan (Zuidoost-Drents veengebied) Hij is heil late ofpeigerd (Bov)
afpellen, ofpulen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afpellen Za’k die sinasappel veur je ofpulen? (Eex) 2. afpulken Dat körstien der niet ofpulen, aans giet het an het bloen (Oos)
afpiegelen, ofpiegeln, ofpeigeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied, wp). Ook ofpeigeln (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = afmatten Een gehuurd peerd wordt meer ofpiegeld as joen eigen (Ros), (wederk.) Ol Jans het zuk der bie ofpeigeld (Vtm)
afpietsen, ofpietsen, zwak werkwoord, overgankelijk, (wm, tl) = maken dat men zoveel mogelijk werk van de arbeider gedaan krijgt De boeren bint zo gek neet. Ze weet het er of te pietsen (tl)
afpikken, ofpikken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afpakken, stelen Ze hebt mij mien maagien of epikt (Hgv), ...de fietse of epikt (Eli), Dat wi’k niet missen, dat laot ik mij niet ofpikken (Wsv) 2. afgooien bij een spel Hij hef mij aal mien knikkers ofpikt (Eex), Wij hebt een pikstene um mekaor of te pikken (Hijk), Ze hebben mai ofpikt met neutie schaiten (Row) 3. bepikken door kippen van een soortgenoot (Zuidwest-Drenthe, zuid) Der wordt een kiepe of epikt, daor mouwe wat an doen (Hol)
afpingelen, ofpingeln, zwak werkwoord, overgankelijk, afdingen Ik heb er nog wat of epingeld (Dwi), As die koopman komp, moej oppassen, want hij wil altied ofpingeln (Gie)
afpinksteren, ofpinkstern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. (te) hard laten werken Hie hef oes bij dat wark flink ofpinksterd (Pdh), Hij vargt teveule van de peerde; hij pinkstert ze totaal of (Bro) 2. vernielen (Zuidoost-Drents zandgebied) De jongelu pinkstert de brommers of (Sle)
afplaggen, ofplaggen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afplaggen Ze gungen nog een hoek heide ofplaggen (Bor), De barms wordt ofplagd (Man), Veurdaj gaot spitten, muj eerst ofplaggen (Flu) 2. (fig.) dik schillen (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Wat plags doe die eerappels ja of, kunst wal mit de handbiele an de gang wezen (Bco), Hai kan nait eerappelschillen, hai plagt ze of (Zui), z. ook ofplakken, ofplaten
afplakken, ofplakken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afplakken Ze hebt alle roeten ofplakt (Bov) 2. dik schillen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Erpels moej niet ofplakken, mor dun schellen (Bui), z. ook ofplaggen
afplassen, ofplassen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord, Kop van Drenthe) = merken van een boom Die boom is of eplast (Dwi), Even een stukkien van de schelle ofplassen (Wsv), z. ook ofblessen
afplaten, ofplaten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = dik schillen De eerappels kuj mooi dun schellen, mar je kunt ze ok ofplaten (Eri), z. ook ofplakken
afplatten, ofplatten, zwak werkwoord, overgankelijk, plat maken ...die op de kaant nog weer wat ofplat waren (Smi)
afplieuweren, ofplieuwern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afknabbelen Ie kunt zo’n kiepepootie lekker ofplieuwern (Eli), z. ook ofkluven
afploegen, ofploegen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. klaar komen met ploegen Ik heb eerst dat stuk laand ofploegd en toen bin ik hen hoes gaon (Wee) 2. naar buiten ploegen met een open middenvoor (Zuidoost-Drents zandgebied) Mu’k de akker opploegen of ofploegen? (Coe)
afplongeren, ofplongern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afkluiven Plonger ie die botties èven of? (Noo), z. ook ofplieuwern, ofkluven
afplukken, ofplukken, zwak werkwoord, overgankelijk, afplukken Wel hef mie de appels van de bomen ofplukt? (Bco), Wij moet de kraans nog ofplukken het vet eraf plukken (Sle), De heuibulten worden of eplukt ontdaan van uitstekende plukken hooi (Wap)
afpluren, ofpluren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = afkluiven Laot mij die botten maor ofpluren (Noo), Het graot van de vis ofpluren (Mep), z. ook ofplongern, ofkluven
afpoedelen, ofpoedeln, zwak werkwoord, wederkerend, met water schoonmaken Ik heb mij gauw wat of epoedeld gauw en onvoldoende gewassen (Die), Ik heb mij even lekker ofpoedeld (Gas)
afpoeieren, ofpoeiern, zwak werkwoord, overgankelijk, afpoeieren Hij wuur bij de deur ofpoeierd (Sle), Hij wol niks van hum weten en hef hum ofpoeierd (Hgv)
afpoetsen, ofpotsen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe) = stotend maaien Toppen in het laand en kaanten kuj mit de zende ofpotsen (Wsv)
afponden, ofponden, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = op een pond afwegen De botter worde vrogger mit de haand of epond deur de bottermaker (Bro), (zelfst.) Het ofponden van botter deden wij op het febriek (Anl)
afponder, ofponder, de, ofponders, 1. persoon, die boter op de fabriek bij ’t pond afweegt De directeur van het melkfebriek was hier ok ofponder (Eev) 2. botercontroleur (Zuidwest-Drenthe, zuid) De ofponder kwam controleren of de bottervorms wel het goeie gewicht gaven (Noo)
afpootversje, ofpotversie, het, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = aftelvers Eun, deun, dobbel, dobbel dansen / Gij zijt de moeder van de Fransen / Eun, deun, dobbeldeun / Eun, deun, nabot / Gij zijt de moeder / Gij zijt weg, is een ofpotversien (Sle)
afpoten, ofpotten, ofpoten, umpotten, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook ofpoten (Zuidwest-Drenthe, noord), umpotten (Midden-Drenthe) = aftellen, wie hem moet zijn Even umpotten, wie bok mut staon (Hgv), Eerst ofpotten veurdaj begunt (Sle)
afpraten, ofproten, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afspreken Wij moet even ofproten, wanner wij weer bij mekaar komt (Exl) 2. door een praatje afhandig maken (Midden-Drenthe) Ik had een tinnen koffiepot, maor mien schoondochter hef het mij ofproot (Rol)
afpriegelen, ofpriegeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = 1. afdingen Bij die koopman kuj altied nog wel wat ofpriegeln (Eke) 2. afhandig maken (Midden-Drenthe) Deur mooi praoten mekaor wat ofpriegeln (Gas)
afprijzen, ofpriezen, zwak werkwoord, overgankelijk, de prijs of de prijzen verlagen Het is uutverkoop, ze binnen alles an het ofpriezen (Coe), Dat pak was aordig ofpriesd (Sle)
afpronselen, ofpranseln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Veenkoloniën) = afdingen Ik heb van dei pries wat ofpranseld (Eco), z. ook ofdingen
afprugelen, ofprugeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = slaag geven Ik hebbe hum ook al ies eerder of eprugeld (Eli), z. ook ofdörschen
afraad, ofraod, de, het, (Zuid-Drenthe) = het afraden De koop van het huus gunk niet deur, hij har ofraod van de familie kregen (Uff), Deur al dat ofraod is er niks van terechte komen (Noo)
afrabbelen, ofrabbeln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afraffelen Hij hef dat gebed gauw even ofrabbeld (Klv), ...het varsie ofrabbeld (Eli), ...het gedicht ofrabbeld (Gro), ...de jaortallen ofrabbeld (Rui) 2. slordig afwerken Hie hef dat wark gauw even ofrabbeld; hie hef de hoeken niet ofwarkt (Sle) 3. (wederk.) zich ervan afmaken (Veenkoloniën) Doe most beter schrieven, doe most die der nait ofrabbeln (Vtm), Hij rabbelt zuk gauw van het waark of (Ros)
afraden, ofraon, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, afraden Die koop moe’k je toch wal stark ofraon (Ndo), Dat zaakie deugt niet, ik zol het joe ofraoden (Nije)
afraderij, ofraoderij, de, het afraden Har ik dat nou mor daon, mor dèur al die ofraoderij he’k het overgeven (Hijk)
afrafelen, ofrafeln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. rafelen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) Die trui rafelt, ...refelt of (Sle), Die trui, die rievelt bij de mouwen of (Klv) 2. uithalen van gebreid spul (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Dei trui wil ik ofraofeln, dan braai ik der wat anders van (Erf), z. ook oftrekken
afraffelen, ofraffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, snel en slordig afwerken Zij mus det varsien wat röstiger opzeggen, zij raffelt het veul te gauw of (Hgv), z. ook ofroffeln, ofrabbeln
afraggelen, ofroegeln, ofroegen, zwak werkwoord, overgankelijk, Ook ofroegen (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = slordig afwerken Die boer roegelt het waark mor wat of (Rod), Rustig andoun en het niet ofroegen (Eev), Dat is lapwark, het is ofroegd (Gro); ofroggeln, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = slordig afwerken Dat wark was neet mooi of ewarkt, het was echt of eroggeld (Rui), z. ook ofroffeln, ofrunnen
afraken, ofraken, sterk, zwak werkwoord, onovergankelijk, uitraken Zij hebt een poze verkering had, maar het is of eraakt, ...uut eraakt (Hol)
afrakkeren, ofrakkern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = afbeulen Ik zal het pèerd goed ofrakkern, aans wordt hie mij te lui (Dwi)
aframen, ofraomen, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = een sprong maken, het redden door weg te springen Ik kun het nog net ofraomen, anders haar ik onder de auto zeten (Klv)
aframen, ofraomen, zwak werkwoord, wederkerend, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = zichzelf kapot werken Hie hef zuk daor de hiele dag ofraomd met dat wark (Zwe)
aframmelen, oframmeln, zwak werkwoord, overgankelijk, een aframmeling geven Ik geleuf da’k je ies een keer goed moet oframmeln. Dan kan het wezen daj beter lustern wilt (Zwe)
aframmeling, oframmeling, de, oframmelings, aframmeling Hij kreeg een flinke oframmeling, mar hij had het ok dubbel en dwars verdiend (Scho)
afranden, ofranden, ofraanden, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook ofraanden (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = de randen verwijdern Dat behang kuj zo niet plakken, dat moej eerst ofranden (Anl), Vrouger mus men het behang met de scheer ofranden (Eev)
afranken, ofrangen, ofrangeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook ofrangeln = ontdoen van draden Ik moet die peulties eerst nog ofrangeln (Geb)
afranselen, ofraanseln, zwak werkwoord, overgankelijk, afranselen ...toen ze zagen, hoe de vader zien zeuntien van zes jaor ofranselde (Zwin), Hij ranselt zien peerd of (Bco)
afrasteren, ofrastern, zwak werkwoord, overgankelijk, afrasteren Het was allemaol ofrasterd met stiekeldraod (Eel), z. ook ofvreen
afrastering, ofrastering, de, ofrasterings, afrastering Wij hebt een goeie ofrastering tussen beiden (And), Wij hebt een gaozen ofrastering (Oos)
afrauzen, ofrauzen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = 1. slordig en wild afwerken Aj jo wark ofraust, valt er gewoonlijk wal wat op an te marken (Scho), Zie hebt het wark niet zo goed daon, het is mor wat ofrausd (Rol) 2. afbeulen (Zuidoost-Drents zandgebied) Dat peerd hebt ze toch ofrausd! (Pdh)
afreageerder, ofreageerder, de, ofreageerders, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = zowel gebruikt voor een koe, die reageert op tbc-prik als voor een koe die niet reageert Die man, die kof de ofreageerders op (Sle), Det dier koop ik niet, dat is een ofreageerder (Rui)
afreageren, ofreageren, zwak werkwoord, onovergankelijk, wederkerend, 1. afreageren Hij is hellig, hij moet hum even ofreageren (Wijs) 2. niet reageren op een tbc-prik (Zuidoost-Drents zandgebied) As een koe op een prik reageerde was het niet goed, dan kwam er een verdikking. As e ofreageerde was het goed (Bui)
afredderen, ofreddern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. afruimen Ik zal eerst de taofel ies ofreddern (Hol) 2. opruimen (Zuidwest-Drenthe, noord) Wij zult eerst de boel wat ofreddern en dan gaore wij vort (Dwi), z. ook ofreppeln
afreien, ofreien, zwak werkwoord, overgankelijk, afwerken met de rei De stucadoors hebt een reeie um de vloere vlak of te reien (Dwi)
afreikbaar, ofrekbaar, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = door reiken te bereiken Niet zo wied vurtzetten, het mut ofrekbaor wèen (Hol)
afreiken, ofrekken, onbepaald werkwoord, bereiken, erbij kunnen Ik mut een vorke hebben mit een langere stale. Mit disse kan ik het niet ofrekken (Bro)
afreizen, ofreizen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afreizen, weggaan, opduvelen Reis doe man of! (Ros), Hij mag um mij wel opreizen, ...ofreizen (Hgv), Hij is met de noorderzun ofreisd (Gas) 2. in (diepe) slaap vallen (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied) Hij was even op de baank gaon liggen, mor hij is al gauw ofreisd (Hijk) 3. overlijden (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe) De man had al een hiele poze ziek ewest, mar hij is toch nog onverwachts of ereisd (Hav)
afrekenen, ofreken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afrekenen Vroeger kwam de timmerman ien keer in het jaor ofreken (Wee), Wij nimt er nog één en dan gaow ofreken (Anl) 2. rekening vereffenen Wacht mar even jonggien, ik zal ies even mit oe ofreken (Hav), Hij zit mij altied in het vaarwater, daor zal ik ies een keer met ofreken (Zwig)
afrekening, ofreken, ofrekening, de, Ook ofrekening, var. als bij reken = (af)rekening Aj mit een ofrèken koomt, is het altied plezierig as het de meinsen mitvalt (Koe), De ofrekening veuil mai smerig tegen (Nor), Wij hebt nog gien ofreken had van het gas (Sle)
afremmen, ofremmen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord) = omver trekken Een koe ofremmen, ...remmen en dan in de hals snieden (Dwi), z. ook bij remmen
afremmen, ofremmen, zwak werkwoord, overgankelijk, afremmen Ik mus hum wal een beetien ofremmen, hij gung te hard (Man), Veur die bocht moej ofremmen, aans vleeig ij der oet (Eex)
afrennen, ofrunnen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. snel en slordig afwerken (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Ie kunt wel zien dat aj dat gauw of erund hebt; dat hej niet netties edaone (Hol) 2. aflopen (wm) En zo runt de boel of zo loopt het af, dat is het einde van het lied
afreppelen, ofreppeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = opruimen Ik reppel de bool nog wel ies of (Rui), z. ook ofreddern
africhten, ofrichten, zwak werkwoord, overgankelijk, africhten Ik heb zien hond ofricht (Sle)
afrijden, ofrien, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afrijden Ik gao die olde fietse helemaole ofrien (Die) 2. africhten Die kerel hef er slag van um een jong peerd goed of te rieden (Eli) 3. moe maken Veurdat de peerde in de baon kommen, gaon ze ze ofrieden (Nor)
afrijfsel, ofriefsel, het, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = opharksel Dat ofriefsel mot nog bij het voor op (Anl), Heui wat van het voor ofkwam, was ofriefsel d.i. plukken hooi die van de zijkanten van het voer werden afgeharkt (Eke), Het ofriefsel weur bij mekaar bunden en dan muken ze der schothokkies van betreft restanten van het roggemaaien (Oos), z. ook ofharksel
afrijpen, ofriepen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = rijper worden Die eerpels mut nog een beetien ofriepen (Zdw)
afrijven, ofrieven, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = loshangende plukken afharken Even het voor heui nog ofrieven (Ndo)
afrikaan, afrikaon, afrikaan, aofrikaon, afrikaonen, Ook afrikaan, aofrikaon (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = plant, afrikaan, Tagetes erecta, zie ook tudeltaon
afrikken, ofrikken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = afrasteren Ik zal dat stukkien gröslaand wat beter ofrikken mutten, want de biesten waren der al weer uut (Coe), z. ook ofvreen
afrillen, ofrillen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afzakken Het is een lillijk gevuul, as de kousen oe ofrilt (Zdw)
afrit, ofrit, de, ofritten, afrit Wij heb bij oens een gevaorlijke ofrit van een grote weg (Koe)
afritsen, ofritsen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afnemen, afhalen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Rooie stringbezen kuj mit de vorke ofritsen (Eli) 2. snel afwerken (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie hef het wark gauw ofritst, het is er ok wal naor (Sle), z. ook ofraffeln, ofroffeln
afrobbelen, ofrobbeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afraffelen Ofrobbeln is, as iene vlug en ondudelijk wat zegt (Nije), z. ook ofraffeln
afroekeren, ofroekern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = borstelen, rossen Ik zal dat peerd gauw even ofroekern (Wee)
afroep, ofroep, de, afroep Dat kuj kopen op ofroup (Gie)
afroepen, ofroepen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afroepen Ze worden iene veur iene of eroepen (Pes), Bij kinderspellegies begunt ze miest met ofroepen (Scho), Ik zal de namen wal even ofroepen (Val), Wacht mor, wordst vanzulms ofroupen (Twe) 2. omroepen (Zuidoost-Drents zandgebied) Het laand ofroepen, ...anroepen bij een verkoping (Sle)
afroezen, ofroezen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = afraffelen Hij roest zien wark man een beetien of (Bov)
afroffelen, ofroffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. snel en slordig afwerken Dat wordt ja niks zo, most dien waark neit zo ofroffeln (Erf), z. ook ofroggeln 2. het ergste vuil er af halen (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Neie eerappels, die moej eerst even ofroffeln, dan bennen ze veur tweederde schone (Klv), Ik wil der even het roegste ofroffeln (Eke) 3. afraffelen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat versie moej good opzeggen en niet zo wat ofroffeln (Hijk), z. ook ofraffeln 4. afranselen (Zuidoost-Drents zandgebied) Zie hebt hum even goed ofroffeld met zien prooties (Sle)
afrollen, ofrollen, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents veengebied) = het rollen van de baggerlaag met kleine rollen
afromen, ofromen, zwak werkwoord, overgankelijk, afromen 1. As varse melk even stiet, trekt het vet hen boven en kuj de melk ofromen (Wsv), Aj de melk ofroomt, hej lekkere koffiemelk (Sle)
afroosteren, ofreustern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = kiemen verwijderen door de aardappels over een rooster te halen Even de eerpels ofreustern (Wijs)
afrossen, ofrossen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. roskammen Wil ie de peerden ofrossen, veur as ze het laand ingaot? (Eli) 2. slaag geven Die jongen zulden mekaor net even ofrossen, mor heur vaoder kwam der net over toe (Eke), z. ook ofdörschen 3. afwerken (Zuidwest-Drenthe, noord) Wij mut het waark vlot even ofrossen (Dwi)
afroven, ofroven, zwak werkwoord, overgankelijk, ontroven Mensen die veul antiek in huus hebt, bint altied bange dat ze het heur ofrooft (Noo)
afruimen, ofrumen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afruimen Gauw nog even de taofel ofrumen en dan kuw vort (Pdh) 2. opruimen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ik mut de dèle nog ofrumen (Uff), z. ook oprumen, ofreddern
afruizen, ofroeschern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = afborstelen Kas do het peerd even ofroeschern (Pdh), z. ook ofroekern
afschaffen, ofschaffen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afschaffen De burenplichten bint miest ofschaft (Sti) 2. wegdoen Wij hebt de fietsen ofschaft (And), Dat olde peerd kuj wel ofschaffen (Eli) 3. (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), in zuk der ofschaffen zich terugtrekken Ik schaf mai der of, ze mout zuk mor redden (Eev), Hij het hom der ofschaft (Row), Hij hef beloofd um te helpen, mor hij zal zich der wel weer ofschaffen (Dro)
afscharrelen, ofscharreln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. overal langsgaan Hie scharrelde alles of um een olderwetse kopern konkel te vinden (Bor) 2. (wederk.) kwijt zien te worden (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) A’k je een goeie raod mag geven, dan muj je zo gauw meugelijk van dat volk ofscharreln (Nam)
afschaven, ofschaven, zwak werkwoord, overgankelijk, afschaven Die deur moew nog een beetie ofschaven (Eke)
afscheid, ofscheid, het, Var. als bij scheiden = afscheid Het ofscheid vul heur zwaor (Bei), Wij hebt ofscheid eneumen van de overledene (Dwi), Hij nam ofschaid van de familie (Eel)
afscheiden, ofscheiden, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, afscheiden De tune is mit draod ofscheiden (Eri), Ik wil een stukkie grond ofscheiden veur een tunegie (Hol), Wai hebt ze ofschaiden van de aandern (Eev), Wij kunt in de heuischure wel een stukkie ofscheiden um de vèerskalver in te doen (Ruw), Ik scheid mij der of doe niet langer mee (Sle)
afscheiding, ofscheiding, de, ofscheidings, 1. afscheiding Dat is een mooie ofschaiding, zo’n heeg (Rod) 2. scheiding De sloot is de ofscheiding (Eri), Ze kunden de ofschaaiding haost niet meer vinden (Row) 3. uittreding De ofscheiding in Dwingel was in 1834 (Dwi), De ofscheiding van die vereniging was niet neudig west (Klv)
afschepen, ofschepen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. per schip afleveren (Veenkoloniën) Wie mouten vrijdag het klain kampie ofschepen de aardappels van het kleine perceel afleveren (Vtm) 2. afschepen Ze kunt de vinder niet met een fooigien ofschepen (Hoh), Die schooiers hew bij de deure ofscheept (Eri), Laot oe niet ofschepen (Ker)
afscheren, ofscheren, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. scheren Under de waterlaog weur de zaodbult ofschèerd (Emm) 2. afscheiden (Zuidoost-Drents zandgebied) Wij hebt teveul gres, wij wilt even een stukkien ofscheren (Sle), (wederk.) Most die der of zein te scheren proberen ervan af te komen (Erf)
afscheren, ofschieren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. afromen Ik wil de melk ofschieren, zo da’k zundag slagroom in de koffie hebbe (Hol), Ofschieren met een slief was vrogger een kuunst (Zdw) 2. beloeren (Mep)
afschermen, ofscharmen, zwak werkwoord, overgankelijk, Var. als bij scharm = 1. afschermen De zwao mot ofscharmd wezen, aanders mag ie der nich mit over de straote (Ros), In oorlogstied muj het licht van de fietslanteern ofschaarmen (Row), Die plaante mut ie wat ofscharmen tegen de zunne (Ker) 2. een scherm plaatsen Wij moet in het zwienhok een stukkien ofscharmen veur het kalf, aans is het daor te kaold (Sle), Hij wil zien toen ofschaarmen mit plaanken (Eex)
afscheuren, ofscheuren, zwak werkwoord, overgankelijk, afscheuren Hij hef een bladtien van de klender ofscheurd (Bov)
afschieten, ofschieten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afschieten Der was zo weinig volk in de karke, ie kunden er wel een kanon ofschieten (Ker) 2. afsteken (Zuidwest-Drenthe) Zult ze aoldejaorsaovend weer zoveule vuurwark ofschieten? (Ruw) 3. neerschieten Hoevöl harten mugt ze dizze harfst ofschieten? (Pdh)
afschieten, ofschieten, sterk werkwoord, overgankelijk, afscheiden Wij hebt een stukkien van het hoffien ofscheuten (Sle)
afschijnen, ofschienen, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = hitte afgeven De kachel schient gooud of (Anl)
afschijten, ofschieten, (Zuidoost-Drents veengebied), in Hij kun het niet ofschie’ten hij was erg bang (Bco)
afschilferen, ofschilfern, zwak werkwoord, onovergankelijk, schilferen Mien hoed schilfert of (Gas), Koppies kunt wel ies ofschilfern (Wtv)
afschillen, ofschellen, zwak werkwoord, overgankelijk, afschillen Ie mut die appel niet zo opèten, mar eerst ofschellen (Bro)
afschinnen, ofschinnen, (dva) = afschilferen, z. ook ofschilfern
afschoffelen, ofschoffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, afschoffelen Melde moej ofschoffeln veurdat er zaod in komp (Emm), Onze stadse buurvrouw hef alle slaot of eschoffeld (Hav), Dai is zo klain, dai is wel ain paor maol ofschoffeld gezegd van een klein kereltje (Twe)
afschotelen, ofschötteln, zwak werkwoord, overgankelijk, Var. als bij schöttel = 1. misdelen Dat kind, dat wuur ofschötteld deur zien stiefmoeder (Sle) 2. afschepen Je moet je niet ofschötteln laoten met een kluitje in het riet laten sturen (Eke), Daor kooj nooit in huus, daor wuj an de deure ofschötteld (Koe), Ik laot mie nich ofschöddeln, ik wil mien deil hebben (Bco), Ik heb mij der met een mooi prootien ofschötteld van afgemaakt (Sti)
afschoven, ofschoven, (N:Zuidwest-Drenthe) = de zode afsteken, eer men grond gaat weggraven
afschraffelen, ofschraffeln, zwak werkwoord, wederkerend, (Kop van Drenthe) = opzij zetten Je moet je neeit ofschraffeln laoten; dan bi’j de minste (Zey), z. ook ofschötteln
afschralen, ofschraonen, ofschraolen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook ofschraolen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = afslanken Koffie zunder suker? Of woj ofschraonen? (Sle), Ik mut een beetien ofschraolen, ik bin veuls te dikke (Nije)
afschrapen, ofschrappen, zwak werkwoord, overgankelijk, afschrapen Schrap mie dei wortels even of, dan kan ik ze opzetten (Bov)
afschrijven, ofschrieven, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afschrijven Dizze bladziede wil ik nog ofschrieven en dan gao ik mit (Nsch), Wij hebt oeze kennissen maor ofschreven, het kwam oes niet zo goed oet bericht gegeven, dat wij niet kwamen (Bui), Wij moet die auto in vief jaor ofschrieven (Eke) 2. afhalen IJ moet er mor duzend gulden ofschrieven van de rekening (Sle) 3. als verloren beschouwen, uit het hoofd zetten Die post kunne wij gerust ofschrieven, die stumper kan nooit weer betalen (Eli), Dat maegien hef hum of eschreven (Wap) 4. uitschrijven (Zuidwest-Drenthe, zuid) Schrieft oes mar of, wij wilt niet langer lid blieven (Mep) 5. (veend.) bewerken van de baggerlaag met een ofschriever (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), z. ook ofschoeven
afschrijver, ofschriever, de, ofschrievers, (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = instrument om bagger na het drogen in blokken te verdelen Het verdeilen in blokken van 4 mit de grote ofschriever en dan mit de kleine ofschriever in blokken van 2 (Bco), z. ook baggelsnieder, törfharke, schoever, baggelschriever, törfkrabber, riegentrekker
afschubben, ofschubben, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe) = de schubben verwijderen Nao het vissen mossen we ze eerst ofschubben (Zui)
afschudden, ofschudden, zwak werkwoord, overgankelijk, afschudden As de kaalver in het laand komt, zegge wij: Nou kunt ze de hakken ofschudden (Hol), As een hond de regen ofschudden (Oos)
afschuimen, ofschoemen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. schuim verwijderen Ik heb de soep ofschoemd (Sle) 2. afstropen Hij schoemde de heile buurt of as het neijaor was (Pei), De antiekkopers hebt het hele plattelaand of eschoemd (Noo)
afschuiven, ofschoeven, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afschuiven Schoef mie de badde is even of draai mij de brug even af (Vtm), (fig.) Hij wil de schuld van zuk ofschoeven (Klv), Die raore gedachten moej van je ofschoeven (Eex), Ze hebt het wark mooi van zuk ofscheuven en het bestuur der veur laoten opdrèeien (Odo) 2. geld geven, betalen Die is zo knieperig, die wil niks ofschoeven (Zwin), Hij schöf niks of, hij zit vaast aan het geld (Dwi), De koper van het huus mut mit een maond ofschoeven (Uff) 3. bewerken van de baggerlaag met een schoever (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), z. ook ofschrieven
afschulpen, ofschölpen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = van de bast ontdoen
afschuren, ofschuren, zwak werkwoord, overgankelijk, afschuren Aleer ie begunt te vaarven, meuj het eerst good ofschoeren (Die)
afschutten, ofschutten, zwak werkwoord, overgankelijk, afschutten Toen aw de kiender klein hadden, haw een hoekie of eschut (Hav), Wij zult even een houkie ofschutten veur de kaalver (Eev), (zelfst.) Gaos gebroek wie veur het ofschutten van de huinder om een afscheiding te maken (Bov)
afschuwelijk, ofschuwelijk, abschailijk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Ook abschailijk (Zuidoost-Drents veengebied) = afschuwelijk Het was een ofschuwelijk ongeluk (Ass), Mooi, zeg ie? Ik viene het ofschuwelijk (Die), Wat zong dei kerel abschailijk, het was nich um an te heuren (Bco)
afsjouwen, ofsjouwen, zwak werkwoord, overgankelijk, aflopen Ik gao veur die bosschop niet het hiele dorp ofsjouwen (Ker), Ik kan het hiel darp ofsjouwen met die collectebus (Sti)
afslaan, ofslaon, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afslaan, weigeren Ik slaog niks anders of as blinde muggen (Erf), Zie hebt het bod op heur hoes ofslaogen (Rol), De motor sleug keer op keer weer of (Nsch) 2. een andere weg nemen Laot wij hier mor ofslaon, dan gao wij binnendeur (Dro) 3. in stukken verdelen van het het geslachte dier De slachter kwam om het zwien of te slaon (Erf), z. ook het meer gebr. ofhouwen 4. drachtig zijn Zie brachten de pèerde daorhen en nao drie weken slugen ze of waren ze drachtig (Sle), Hij hef de mère laoten schouwen of die ook of eslaone was (Hgv) 5. gelukgeven Ik vrugte geld en de koopman sleut mij of (Dwi) 6. afgieten (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) De erpel zint zo gaar, dan moej ze mar even ofslaon (Oos) 7. zakken (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) De pries is of eslaone (Hgv) 8. schoonmaken door ergens iets af te slaan Ie zit van achtern onder het heui, ik zal oe even ofslaon
afslag, ofslag, de, ofslagen, 1. afslag Aj de eerste ofslag nimt, koj vanzölf bij het kantoor van het waterschap oet (Oos) 2. korting bij verkoop van slachtvarkens vanwege het nog in het dier aanwezige voer (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Je moet rekening holden met de ofslag (Bal), Zie hebt oes een kilo ofslag kört (Sle), z. ook körtponden 3. afslag bij een verkoping Het was een verkoop met ofslag (Pdh) 4. (vis)afslag Der waren garnalen an de ofslag (Mep)
afslager, ofslager, ofslaoger, ofslaeger, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook ofslaoger (Noord-Drenthe), ofslaeger (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. afslager bij een verkoping Het was mor net de muite weerd um der een ofslaoger bij te haolen (Eel) 2. vrijer die een meisje opeist van haar jongen (ti, hi) Ik was bang dat er alweer een ofslaoger ankwam (ti), z. ook bij buut
afslanken, ofslanken, zwak werkwoord, onovergankelijk, Var. als bij slank = afslanken Ze wilt wal ofslanken, man zie wilt er niks veur staon laoten (Bco)
afslijten, ofslieten, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, afslijten De voet van de daok boven de baander is aordig ofsletten (Pdh), Wat hej de schoenen jao schief ofsleten (Zwe)
afslikken, ofslikken, zwak werkwoord, overgankelijk, aflikken Dat was lekker, zee e, en slikte de lepel of (Erf), Het is zo lekker, ij zulden de vingers er bij ofslikken (Dro)
afslokken, ofsloeken, in het ofsloeken kunnen het aankunnen, er tegen kunnen slikken Het geut zo van de regen dat de geut het niet ofsloeken kun (Odo), Doe even rustig an. Ik heb de koffie nog niet op; ik kan het niet ofsloeken (Bco)
afsluitdop, ofsluutdop, de, afsluitdop Kurken binnen in de loop van de tied verdrongen deur ofsluutdoppen (Ass)
afsluiter, ofsluter, de, ofsluters, Var. als bij sluten = 1. (af)sluiting De krane lekt, de ofsloeter is kepot (Bov), Wij moet een neie ofsluter bij het hek hebben (Dro) 2. persoon die iets afsluit (Zuidoost-Drents veengebied) De ofsloeters meut vandage an de pad um de wanbetalers of te sloeten (Bco)
afsluiting, ofsluting, de, Var. als bij sluten = afsluiting Wij hebt een ofsluting mit een hekke tussen weilaand en arven (Hav)
afsmikkelen, ofsmikkeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = afknabbelen, afeten Soepbotties ofsmikkeln (Sle), z. ook ofknoeven
afsnaaien, ofsnaaien, zwak werkwoord, overgankelijk, wegnemen Dat hebt ze heur of esnaaid (Wap)
afsnaren, ofsnaoren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe) = afhandig maken Hij hef hum geld ofsnaord (Gie)
afsnarren, ofsnarren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = afsnauwen Snar hum toch niet zo of (Klv)
afsnauwen, ofsnauwen, zwak werkwoord, overgankelijk, afsnauwen Je moet dat jong altied niet zo ofsnauwen, hij meent het niet zo kwaod (Bei)
afsnibben, ofsnibben, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = afkatten Die vrouw kan je zo mal ofsnibben (Anl)
afsnijden, ofsnien, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afsnijden Snie mar wat van de schink of (Pdh), Die koeke moej liek ofsnien (Hgv), De telefoon is of esneden (Flu), De weg har zo’n wiede bochte, wie hebt een stuk ofsneden (Bov) 2. als lid uit de kerk verwijderen (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Hij worde as lid of esnene. Hij kwaamp zien verplichtings niet nao (Die) 3. in stukken snijden (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) De slachter komp eran, die wil het varken ofsnien (Ruw), z. ook ofhouwen
afspelen, ofspeulen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afspelen Der hef zuk hielwat ofspeuld in tied dat ik weg west bin (Oos), Dat toneelstuk speult zuk rond die tied of (Val) 2. draaien van muziek Die mooie plaete laoj vaeke ofspeulen (Uff)
afspenen, ofspenen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. controleren van de spenen (Zuidwest-Drenthe, noord) 2. afkeuren van een koe, omdat de spenen niet goed zijn As een koe sproeit, ...spruuskert, wordt e ofspeend (Sle), De koopman hef de koe ofspeend (Wes) 3. van de borst afwennen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het kiend kan van de borst of, die kan ofspeend worden (Flu)
afspeuren, ofspeuren, zwak werkwoord, overgankelijk, afspeuren Zij hebt alles of espeurd en niks evunden (Hgv)
afspijkeren, ofspiekern, onbepaald werkwoord, het redden met spijkeren Aj het mit de hamer niet meer ofspiekern kunt, muj er mit de moker op (Zdw)
afspijkeren, ofspiekern, zwak werkwoord, overgankelijk, definitief vastzetten of klaarmaken Een zolder wordt eerst dreven en as hij dan goed dreug is wordt hij ofspiekerd (Sle), Most dai slaopkaomers ook even ofspiekern (Vtm)
afspoelen, ofspulen, zwak werkwoord, overgankelijk, afspoelen IJ moet die koppies goed ofspulen, zie zint nogal smèrig (Sle), Ie hebt de slaot niet goed of espeuld (Ruw), Ik zal eerst de haanden een beetie ofspulen (Geb)
afsporen, ofspeuren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = een sleuf maken voor waterafvoer Dat water kuj zo ofspeuren naor de sloot toe (Klv), Ie mut de tippe ofspeuren, aans stiet alles blaank (Noo)
afspraak, ofspraok, ofspraak, ofsr-ke, de, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe). Ook ofspraak (Zuidwest-Drenthe, zuid), ofspr-ke (Zuidwest-Drenthe) = afspraak Je moet je ofspraok naokommen (Gro), De ofspraok is dat ze eerst bij oes komt (Bor), Aj naor de dokter wilt, meuj eerst een ofspraak maken (Hol) *Ofspraok is ofspraok (Smi)
afspreken, ofspreken, sterk werkwoord, overgankelijk, afspreken Aj het toch niet doen wilt, moej ok niks ofspreken (Wijs)
afsprenkelen, ofsprenkeln, zwak werkwoord, overgankelijk, besprenkelen Der zit zo’n stof op die bloemen, ik zal ze even ofsprenkelen (Gas), Ik sprenkele iedere weke de plaanties in huus wat of, dan ziet ze der weer fris uut (Bro)
afstaan, ofstaon, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afstaan Hij hef de oren nogal wied van de kop ofstaon (Bov), (bijv.) Da’s een met grote, ofstaonde oren (Gas) 2. afgeven Zie wilt de kiender nog niet ofstaon (Hgv)
afstampen, ofstampen, zwak werkwoord, overgankelijk, afstampen Aj in de tuun west hebt, moej de klompen flink ofstampen (Eke), Most dien stevels goud ofstampen (Vtm)
afstand, ofstand, ofstaand, de, ofstanden, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ofstaand (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. afstand Dat was nogal een hiele ofstand, diej lopen hebt (Sle), Dei man, dei meuj op een ofstand holden (Bov) 2. in ofstand doen afstand van iets doen Ze kan barre slecht ofstaand doen van heur spullen (Hgv) *Ofstanden binnen der niet meer, zee Jan, doe e een dreiwieler kreeg (Row)
afstandig, ofstandig, bijvoeglijk naamwoord, (wm, dva, wb) = tandeloos Een afstandige bol oude stier (wm), z. ook oftands
afstappen, ofstappen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afstappen Stap is of, wij wilt hier even anholden (Scho) 2. een eindje laten lopen As het peerd een poos stilstaon hef, kuj hum het beste eerst even ofstappen laoten (Nor)
afsteken, ofsteken, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afsteken Ik heb de kaanten mooi ofsteuken, no moej ze neet weer uutrepen (Die), Wij hebt een blok heui ofsteuken (Sle), De melkdistels moeten ofsteuken worden (Schn) 2. afgaan Ik bin er neie naor, hoe of hum det ofstek vandage (Ruw) 3. koren of hooi van de wagen naar boven steken, ontladen Der stait nog een vouer in de schure, dei mot nog ofstoken worden (Bov) 4. afkeuren bij het boren (dva:Zuidwest-Drenthe) Een bottervat ofsteken 5. de stand van de ploeg veranderen (hy:Scho) As men te dicht bij de gruppen kwam, dan mus de ploeg ofstökken worden; bij te hoop bouwen zowel veur ofstekken als achter ofstekken. Bij oet elkander bouwen alleen veur ofstekken
afsteker, ofsteker, de, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Var. als bij steken = persoon die met de vork de roggeschoven vanaf de wagen aanreikt Op de wupkar ston de ofsteker (Eev), z. ook schoter
afstekersvork, ofstekersvörk, de, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = vork van de ofsteker. De ofstekersvörk har een lange stele (Eco)
afstel, ofstel, het, afstel *Van uutstel komp ofstel (Pes); Oetstel is nog gien ofstel (Sle)
afstelen, ofstelen, sterk werkwoord, overgankelijk, ontstelen Ze hebben dat olde mens de fietse ofstolen (Vtm)
afstellen, ofstellen, zwak werkwoord, overgankelijk, instellen Je kunt er de klok op ofstellen (Pei), Het maalsel was wat groffer, ze hadden de meul niet zo fien ofsteld (Wed)
afstemmen, ofstemmen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afstemmen Ie moet de zaken op mekaar ofstemmen (Sle) 2. verwerpen Mit een kleine meerderheid hebt ze dat veurstel ofstemd (Klv)
afsterven, ofstarven, sterk werkwoord, onovergankelijk, afsterven De erpel starft al mooi of (Sle), Vleden joor is hum de vrouw ofstörven (Bov), De blooumen bint an het ofstaarven (Eex)
afstijven, ofstieven, onbepaald werkwoord, (veend. Zuidoost-Drents veengebied) = hard worden van de bovenlaag van de bagger, z. ook bestieven
afstoffen, ofstoffen, zwak werkwoord, overgankelijk, afstoffen Ie moet die kaaste neug ofstoffen (Dwi)
afstompen, ofstompen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = korter maken Een stokkie van de stale ofstompen (Rui), Bedstro mussen ze ofstompen, ...stomp ofsnien (Sle), De starte ofstompen (Hav)
afstoten, ofstoten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afstoten Wij hadden een ko, die har maor één hoorn, de aandere haren ze hum ofstoten (Bei) 2. verstoten Dat laom is ofstöt, die moet wij opzeigern (Anl)
afstoter, ofstoter, de, Var. als bij stoten = jong dier, dat door de moeder niet wordt geaccepteerd Wij hebt ien laom an de fles: dat is een ofsteuter (Bor), Dat is een ofstotertien, die is niet helemaole mit ekomen (Rui)
afstouwen, ofstouwen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afstuwen, afdammen Even die sloot ofstouwen (Nije)
afstraffen, ofstraffen, zwak werkwoord, overgankelijk, afstraffen Ik heb hum èven flink of estraft (Hgv)
afstraffing, ofstraffing, de, afstraffing Ie hebt hum non wal een ofstraffing geven, mor ie mugt niet eigengerechtig optreden (Hijk)
afstremmen, ofstremmen, zwak werkwoord, overgankelijk, stremmen Deur het ongeluk mussen ze de weg ofstremmen (Ruw)
afstrepen, ofstrepen, zwak werkwoord, overgankelijk, wegstrepen Die kow wel ofstrepen, die döt niet meer mit (Ruw), As ie even ofstreept, dan zal ik de namen opnumen (Bei)
afstrijden, ofstrien, sterk werkwoord, overgankelijk, (Zuid-Drenthe) = ontkennen Wost doe mie dat ok nog ofstrieden, dat is ja een bewezen zaak (Bco), Hie kun het niet ofstrien. Het was zo (Sle)
afstrijken, ofstrieken, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. glad afwerken De vloer moej even goed ofstrieken (Wee) 2. slaag geven (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) Ze hebt die ondögt daor even goud ofstreken (Bov), z. ook ofdörschen 3. afvegen Hij streek zien stronthaanden an de broek of (Ruw), De imker strik het zwörm of veegt de zwerm in de korf (Emm), Het schuum van het bier ofstrieken (Mep), Mit een luzefarsdeusie de kouse ofstrieken de kous van de petroleumlamp reinigen (Dwi) 4. geven Al hoe rieke as hie ook is, hij strik gien cent of (Die)
afstropen, ofstreupen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afstropen Bie winterdag, as het adderloof al dreug an de stengel zat, wur het loof ofstreupt (Eex), Hie hef zo de boks van de kont ofstrupt de broek laten zakken (Sle), De haeze moej ofstrupen villen (Wsv) 2. afzoeken De jagers streupt de heile plaotse of, of der nog worens een haze zit (Bco)
afstruinen, ofstrunen, zwak werkwoord, overgankelijk, zwervend zoeken Der bennen van die mensken, die wat ofstrunen, die lopen op schobberdebonk (Pei), Hie is een sjacheler, die struunt alles of (Exl), Wij gaot de hele mark ofstrunen (Flu)
afstubben, ofstubben, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = afvegen IJ zit van achtern under het heui. Kom ies hier, dan za’k je ofstubben (Oos), z. ook ofslaon, Met een gaanzevleugel ofstubben bij het wannen de grovere stukjes van het roggezaad vegen (hy)
afstuderen, ofstuderen, zwak werkwoord, onovergankelijk, afstuderen Mien zeun is in Grönning ofstudeerd (Bco)
aftafelen, oftaofeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (veend. Zuidoost-Drents zandgebied) = een deel van de veenput wegnemen om bij het blauwveen te komen
aftakas, oftakas, de, aftakas De heul boks was in flarden, dou e in de oftakas zeten har (Eev)
aftakelen, oftakeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. aftakelen Het olde meinse takelt hard of, maar geestelijk is ze nog goed (Ruw) 2. slaag geven (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Zij hebt hum aordig of etaekeld (Dwi), Hij zag er ofgetakeld uut (Hgv), z. ook ofdörschen
aftands, oftands, oftandig, oftand, oftaand, bijvoeglijk naamwoord, Ook oftandig, oftand, oftaand (wb). Var. als bij tand = 1. de tanden gewisseld hebbend Met aacht jaor is een peerd optaands (Anl), As een peerd oftands was, was de olderdom nich zuver meer vast te stellen (Bco), Die koe is oftandig (Dwij) 2. versleten Hie ree mij daor op een oftaandse fiets, het was eein bonk roest (Eex), Dat mèensch döt niet mèer met, die is al oftaands op alle fronten versleten (Sle), Die jurk is zachiesan oftaands (Hol), z. ook ofstandig
aftappen, oftappen, zwak werkwoord, overgankelijk, aftappen Met een vlim hebt ze het biest bloed oftapt (Pdh)
afteken, oftieken, het, kenmerk IJ hebt ok niet veul oftiekens an dat vul; het is gewoon een slicht broene (Sle), Wat hef dat peerd mooie oftiekens, een mooie vosbles mit veer witte bienen (Koe)
aftekenen, oftieken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aftekenen Ik hol het waoterpas der bij, dan moej even ofteeiken, wat de hoogte is (Gas) 2. getekend zijn Dat peerd is merakel mooi of etiekend (Hgv)
aftellen, oftellen, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. aftellen Boven de vieftig begun je of te tellen (Sle), Oftellen mit wegkroepertie (Zdw) 2. foeteren, kijven (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Lig toch niet zo of te tellen (Zwig)
aftelvers, oftelvers, het, Vaak verkl. = aftelvers Wij doet even een oftelvarsien; dan wete wij, wie hum wèzen mut (Bro)
aftichelen, oftiggeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = slaag geven Hai het die jong ommeraok oftiggeld (Rod), z. ook ofdörschen
aftikkertje, oftikkertien, het, aftikspel De kinder speulden oftikkertien bij ’t schoel (Sti)
aftikspel, oftikspul, het, aftikspel Anplakkertien is een oftikspullegien (Emm)
aftimmeren, oftimmern, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aftimmeren Naodat de beide hoezen oftimmerd wazzen, mus Bèrend Barrelbrik wèer in de school an het waark (ti) 2. afschieten Ze hebt door twei slaopkamers oftimmerd (Bov)
aftoeren, oftoeren, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe) = afwachten Aj de gelegenheid veurbij laot gaon, moej een volgende gelegenheid oftoeren (Wsv), Wij zult het maor ies oftoeren (Die)
aftoffelen, oftoffeln, zwak werkwoord, overgankelijk, afdragen De kleinsten mussen de kleren van de grootsten oftoffeln (Sle), Dat kuj bai hoes nog wel oftoffeln (Nor), (bijv.) Hij har een ofgetoffeld jassien an (Hgv)
aftrappen, oftrappen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aftrappen De schoelmister much oftrappen bij die voetbalwedstried (Sle) 2. aflopen De hazen hebt het wèer aordig te verduren; alle hazelegers wordt oftrapt (Hijk), Veur een haze moej het hiele heideveld oftrappen (Dal), Die schoenen bint totaal oftrapt (Bei) 3. (veend.) tweede bewerking van de baggerlaag; men had daarbij kleinere plankjes onder de voeten (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën), z. ook trappen
aftreden, oftreen, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aftreden De veurzitter mus oftreden (Pdh) 2. door stappen meten Even oftreden, hoe groot dat stuk is (Sle), Ik zal het even oftreden, dan hef elk zien eigen paand (Eli), Hij kun het niet oftre’den niet zo’n grote stap maken (Bco)
aftrek, oftrek, de, aftrek ...dan kreej nogal wat oftrek (Hijk), Oftrek van de belasting (Eli)
aftrekken, oftrekken, sterk werkwoord, (on)overgankelijk, 1. aftrekken Het underste stuk van die trui za’k oftrekken en wat roemer breien (Eex), Oftrekken is met een rief an het vak of zaodbult langs gaon los stro weghalen (Gie), Hej het bedde al oftrokken de lakens al weggehaald om het bed te verschonen (Nam), Ik zal die knien ies mooi oftrekken villen (Pei) 2. weggaan (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Die bui is oftrökken (Klv) 3. verzamelen van losse halmen op het land met een trekhark (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Het laand oftrekken (Dwi)
aftreksel, oftreksel, het, oftreksels, aftreksel Aals is een oftreksel van alsem (And), Het oftreksel van botten of vleisnat (Schl)
aftrimmen, oftrimmen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = een pak slaag geven Ik zal je wel even oftrimmen (And), z. ook ofdörschen
aftroeven, oftroeven, oftroeveln, zwak werkwoord, overgankelijk, Ook oftroeveln (Zuidoost-Drents zandgebied in bet. 2.) = 1. aftroeven Ie meut joen maot nooit oftroeven (Bov) 2. slaag geven Der wadden tweei getugen, die zeein hebt dat dat kerelie oftroefd wur deur die grote gofferd (Eex), z. ook ofdörschen
aftroggelen, oftoggeln, oftroggeln, oftokkeln, oftokken, oftokkern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drenthe). Ook oftroggeln (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), oftokkeln (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe), oftokken (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), oftokkern (Zuidoost-Drents zandgebied) = (door mooipraten) afhandig maken Zie hebt hum het snoep oftoggeld, oftroggeld, ...oftokkeld, ...oftokkerd (Sle), Ie moet oe de boel niet laoten oftokkeln (Zdw), Ik har een appel en die wol hij mie oftokken (Bov), Doe hadde die vent Harm de meid of etroggeld (Hav)
aftrouwen, oftrouwen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = scheiden, uit elkaar gaan Zie bint mor twie jaor trouwd west, toen bint ze al weer oftrouwd (Wee), As dat zo möt, kuw beter oftrouwen (Sle)
aftuigen, oftugen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. aftuigen De kerstboom mot mor ies weer oftuugd worden (Hoh) 2. een pak slaag geven, afranselen Zij hebt hum flink oftuugd en toen was e wal mak (Pdh), z. ook ofdörschen
aftuinen, oftunen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. van een scheiding voorzien De gruuntehoek was goed of etuund mit fien gaas (Ruw) 2. beschoeien De wal mus of etuund worden, want die begunde ien te zakken (Ruw)
afvaart, ofvaort, de, ofvaorten, 1. afvaart De ofvaort van de boot is um tien ure (Die) 2. afrit Je kunt gebruuk maoken van zien ofvaort, ...ofrit (Bal), Dei ofvaort mot wat an daon worden; dei is veul te staail (Bco)
afvademen, ofvaomen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. meten door het spannen van duim en wijsvinger of pink dan wel door het maken van grote stappen Hij kun de knikkers niet ofvamen (Pdh) 2. bijbenen Die man luup zo hard, dat kind kun het niet ofvaomen (Sle)
afval, ofval, ofgeval, de, Ook ofgeval (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = afval Hai is zo gierig, hai wil zien aigen ofval wel vreten (Eev), Die erpel, daor is een bult ofval bij (Sle), Bie olde eerappels heb ie veul ofgeval (Bco), Die slaot, daor was nogal wat ofgeval an (Odo)
afvallen, ofvallen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. afvallen Hij is vief pond ofvallen (Pdh), Hij is van de preekstoule ofvallen zijn huwelijk is aangekondigd (Bov), De zörgen vulen van hum of (Oos) 2. tegenvallen Dat valt mij smèrig van je of (Sle), Het valt je of, aj zo’n stuk met zo’n koffer lopen moet (Emm), Naolaotenschappen vallen vaok of (Row)
afvangen, ofvangen, sterk werkwoord, overgankelijk, wegvangen, (fig.) Dat moej niet weer flikken, want dan za’k oe de vlooien ofvangen te grazen nemen (Wsv)
afvaren, ofvaren, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. wegrijden (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Low mor ofvaren weggaan met de fiets etc. (Sle), (fig.) Hij lat iene wegvaeren laat een wind (Smi) 2. ofvaren Hoe laat vaart dat schip of (Man) 3. de vaart af komen varen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Morgen koomt ze ofvaren mit een volle lading torf (Hgv), z. ook opvaren 4. verhuizen, vertrekken van dienstboden of huurders (wp, wm)
afvegen, ofvegen, zwak werkwoord, overgankelijk, (af)vegen Wol ie de achtergang nog even ofvegen aanvegen (Zwe), Hij veg er zien gat an of het laat hem onverschillig (Hgv), Ik zal oe de rogge wel ies ofvègen te pakken nemen (Koe) *Ie moet het gat niet ofvegen vèurdaj scheten hebt het vel niet verkopen voordat je de beer hebt geschoten (Bei); Aj zelf een snotneuze hebben, muj niet preberen een aander de neuze of te vegen kijk eerst naar jezelf (Mep)
afventen, ofventen, zwak werkwoord, overgankelijk, afventen Ik heb de hiel stad ofvent, mor ik kan die winkel nargens vinden (Hijk)
afvergen, ofvargen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord) = van iemand eisen Dat moej mij niet ofvargen (Smi)
afverrelen, ofvördeln, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = een kalf er in gedeelten afsnijden bij de geboorte Het is niet aans, ik zal dat kaalf ofvördeln moouten, aans geeit die koou misschien der ok nog an (Eex), Het kaalf is der ofvördeld (Zui), z. ook oflössen, vördeln
afverven, ofvarven, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. ten einde verven Ik wil eerst dei deure even ofvarven en dan gao ik mit (Bov) 2. een wind laten, stinken (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, noord) Die kerel varfde geweldig of! (Pdh)
afvijlen, ofvielen, zwak werkwoord, overgankelijk, afvijlen De veearts zee: der zit haoken op de koezen, die za’k even ofvielen (Bro)
afvliegen, ofvliegen, sterk werkwoord, onovergankelijk, wegvliegen Van die iemenkörf is net een zwörm ofvleugen (Wee), De zwarm wil ofvliegen (Ker), Het huus is kael of evleugen alle bewoners zijn gevlogen (N:Zuidwest-Drenthe)
afvoer, ofvoer, de, ofvoeren, afvoer Er zat blad in de ofvoer; de geuten bint overlopen (Bor), De ofvoer gung met wagens (Dal), De ofvoer van turf zit goed op de kont er wordt nauwelijks nog turf vervoerd (Eri)
afvoeren, ofvoren, zwak werkwoord, overgankelijk, het laatste voer geven voor de nacht Wij moet nog even ofvoren en dan kuw hen bedde (Oos), (zelfst.) Bij het ofvoren kreeg het peerd nog wel ies een ömmer waeter en een fosse heui (Dwi)
afvoerpijp, ofvoerpiep, de, afvoerpijp Deurdat de ofvoerpiep verstopt raakt was, luup de geut over (Zwin)
afvorderen, ofvördern, zwak werkwoord, overgankelijk, vorderen In de oorlog hebt ze oes een paar peerden ofvörderd (Bov)
afvragen, ofvraogen, sterk werkwoord, wederkerend, zich afvragen Hie vruug zuk of of e der wal hengaon zul; de veurige keer was het hum ok al zo tegenvallen (Sle)
afvreden, ofvreen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = omheinen Ze mut de appelhof wel èven ofvrèen (Bro), Ik wil even een hoekien ofvreen um te heuien (Sle), z. ook ofrikken
afvriezen, ofvriezen, sterk werkwoord, onovergankelijk, afvriezen Aj eerappels te vroug poot, kunt ze joe wal ofvreizen (Bov), (fig.) As kind bin ik een paor keer ofvroren heb ik meerdere kinderziektes gehad, waardoor de groei stagneerde (Gie), Dat is een krielig kereltje, dei is ofvroren van een klein kereltje (Eco), z. ook ofschoffeln
afwachten, ofwachten, zwak werkwoord, overgankelijk, afwachten Hoe of de neie regering het doen zal, moew mor ofwachten (Oos), Ik mut nog ofwachten, a’k mit die ofgescheidene wel op kan schieten (Ruw), Wij moet eerst de oetslag ofwachten (Bal)
afwachting, ofwachting, in in afwachting wachtend Hij is in ofwachting of ze koomt of niet (Pes), In ofwachting op naoder bericht (Ros), Wij bint in ofwachting van de dingen, die koomt (Wsv), ...in ofwaachting op de uutslag (Dwi)
afwallen, ofwallen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied) = afkanten van sloten Hij gaait de slootkaant ofwallen met de slootsnit (Row)
afwas, ofwas, de, afwas Ik laot ’t aovend de ofwas staon, want wij wilt vrog weg (Bro), De vrouw leest de kraant en heur kerel döt de ofwas (Eex)
afwasblik, ofwasblik, ofwasbak, ofwasvat, ofwasteil, ofwaskoep, het, Ook ofwasbak, ofwasvat (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), ofwasteil, ofwaskoep (Midden-Drenthe) = afwasteiltje De ofwasbak was vrogger van emaille of zink (Nam), ...mit 2 oren (Mep)
afwaskwast, ofwaskwast, de, afwaskwast De ofwaskwast lag nog op het aanrecht (Bei), ...wordt roeg (Een)
afwassen, ofwaskern, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afwassen Ofwassen mit miege is een middel tegen moek (Uff) 2. de vaat doen Gao mor hen bedde, ik wascher, ...wasker, ...was wal of (Sle), Gao mar in die kom an het ofwassen (Klv)
afwassen, ofwossen, sterk werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) = 1. de ruige winterwol verliezen. Het begint bij de poten en is een teken van gezondheid De schaop wost of (Sle), Ofwossen dut een schaop net veur het scheren (Geb), z. ook snuien 2. zwellen van het uier (Zuidwest-Drenthe) De pinke begont of te wossen, hij is wel drachtig (Dwi), As pinken begunt te spundern, wast ze of (Zdw)
afwaswater, ofwaswater, het, water van de vaatwas Het ofwaswaeter kwaamp vrogger in de draanktunne veur de vaarkens (Dwi)
afwateren, ofwatern, zwak werkwoord, onovergankelijk, afwateren, (zelfst.) Wij hebt een neie duker elegd veur het ofwaetern (Wap)
afwateren, ofwetern, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = te drinken geven voor de nacht, alleen gezegd van paarden en rundvee Ik moet nog even ofwetern en dan gaow hen bedde (Wee), z. ook ofvoren
afwatering, ofwatering, de, Var. als bij water = afwatering Deur de verkaoveling is de ofwaotering beter worden (Eex), Het is een mooi stuk laand, maor een slechte ofwaotering (Rod)
afwateringssloot, ofwateringssloot, de, afwateringssloot De ofwateringssloot möt ienmaol in het jaor schoonmaakt worden (Sti), z. ook watersloot
afweetje, ofwietie, de, ofwieties, (Rol) = smoesje
afwegen, ofwegen, sterk werkwoord, overgankelijk, afwegen Hij weg een kilo suker of (Bei), Hij weug altied te min of (Dwi), (fig.) Ie maotigt je mar gauw een miening an, veurdat ie alles goed ofwögen hebt (Nam), Wij moet tegen mekaar ofwegen, wat het verdieligste is (Sle)
afweger, ofweger, de, man die bij het dorsen het koren afweegt De ofweger stun bai de zakken aachter het dörskmesien (Rod), z. ook weger
afweiden, ofweiden, zwak werkwoord, overgankelijk, afgrazen Onder de bomen laot ik het grös ofweiden (Bro), Stoppelklaver weur veurjaors in de rogge zeid en dan in de harfst weurden er de peerden of koenen in daon um ’t of te weiden, want het was niet winterhard (Geb)
afwellen, ofwellen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = het koren uitnemen bij het maaien, weller zijn Wie wil vandage ofwellen (Coe), Ik mut dat zwad eerst nog ofwellen (Coe), z. ook oetwellen
afweller, ofweller, de, ofwellers, (Coe) = persoon die het koren uitneemt en tot nog ongebonden schoven maakt, z. ook weller
afwenden, ofwenden, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afkeren Hij wendde zien gezicht of (Gas) 2. steeds kortere voren maken bij het ploegen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Ik moe ofwenden, die akker geert aordig zodanig ploegen bij een gerende akker, dat er een rechthoek overbleef. Dit gebeurde door het paard eerder uit de voor te laten lopen (Sle) 3. schuin toelopen (hy:Zuidoost-Drents zandgebied) De akker wendt of
afwennen, ofwennen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afwennen Dat roken mut e maor ofwennen (Hol) 2. afzonderen van het moederdier, spenen Die opgepapte keunen wordt wel lichter, as ze of ewend bint (Wap)
afwensen, ofwensen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe) = wensen Ene het neijaor ofweinsen (Hijk)
afweren, ofweren, zwak werkwoord, overgankelijk, afweren Hie weerde de hond met de blote handen of (Man)
afwerken, ofwarken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afwerken As de opper kloor is, wordt hij nog even ofwarkt mit de vorke of de harke (Bov) 2. afrekenen, schoon schip maken, zaken tijdig afdoen Dat lap ie mij niet wèer, aans za’k ies good mit oe ofwaarken radicale maatregelen nemen (Die), Hij warkt er direct mit of maakt schoon schip (Ruw), Die kunt er handig met ofwarken snel de zaken regelen (Anl), Mit de bakker en de schenker ofwarken afrekenen (Bro)
afweten, ofweten, onbepaald werkwoord, afweten As er maor ok wat an haepert, lat hie het ofweten (Smi)
afwezen, ofwezen, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. doodmoe zijn Hij was of, hij kun nich meer (Bov) 2. onzeker zijn, niet zeker weten As er nou vère waren of vieve, daor wi’k ofwezen (Ruw), ...vanof wezen (Bco), Of Jaan der van wus, daor wi’k ofwezen, mor het was wel zo (Eex)
afwijken, ofwieken, sterk werkwoord, onovergankelijk, afwijken Hie week nooit van zien standpunt of (Sle), De minutenwiezer wek wat of (Nam)
afwijkend, ofwiekend, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afwijkend Een Duutse fietse was te kennen an het ofwiekend stuur (Mep)
afwijking, ofwieking, de, ofwiekings, afwijking Dat is een angeboren ofwieking (Eri)
afwijzen, ofwiezen, sterk werkwoord, overgankelijk, afwijzen De anvraog um een stuk grond an te meugen maken, is ofwezen (Pdh), Dat wicht hef hum ofwezen (Sle)
afwimpelen, ofwimpeln, zwak werkwoord, overgankelijk, afwimpelen Die man moej ofwimpeln, aans stiet e der alle dagen (Sle)
afwinden, ofwinden, sterk werkwoord, overgankelijk, afwinden De kat hef mij het brèeigaoren hielmaol ofwunden; daor bin’k mooi klaor met (Odo), Bij het vliegern laoj het touw ofwinden (Sle)
afwinnen, ofwinnen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afwinnen Laot oe alle knikkers niet ofwinnen (Ruw) 2. in neijaor ofwinnen nieuwjaar wensen Wij hebt ze eerst het neijaor ofwunnen en doe zin wij hen hoes gaon (Sle), (fig.) Ze hebt hum op een malle manier het neijoor ofwonnen te grazen genomen (Bco) 3. vóór zijn Ik heb die stooul kocht; dat he’k je lekker ofwunnen ik was eerder (Eex)
afwisselen, ofwisseln, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. afwisselen Ie meut mekaar of en tou even ofwisseln; dan huift nich eine aal hetzölfde te doun (Bov) 2. klaar zijn met wisselen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) As een peerd oftaands is, wil dat zeggen dat e ofwisseld is (Pes), As een koe of peerd ofwisseld is, hebt ze de bek vol (Zdw)
afwisselend, ofwisselend, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afwisselend Hij hef ofwisselend waark (Wsv)
afwisseling, ofwisseling, de, afwisseling Hij wil veur de ofwisseling ok wal ies wat aans doen (Wes), Jop holdt van ofwisseling; hij drinkt um het aander jenever en jenever (Eex)
afwissen, ofwischen, zwak werkwoord, overgankelijk, afwissen Even de taofel ofwiskern (Gas), ...het gezichte ofwissen (Nije), Hij wist er het gat an of het laat hem onverschillig (Dwij)
afwrijven, ofwrieven, sterk werkwoord, overgankelijk, wrijven Woj mij even die doek anrekken, ik moet even het glas ofvrieven (Ndo)
afzagen, ofzagen, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, afzagen Hie hef een stuk van dat holt ofzaagd, het was te lang (Bei)
afzakken, ofzakken, zwak werkwoord, onovergankelijk, afzakken De boks was hum ofzakt (Sle), Het onweer zakt of verdwijnt (Bro), Dat zakt nao verloop van tied vanzölf weer of wordt minder (Zwe), De koorts is gelukkig weer ofzakt (Scho)
afzakkerig, ofzakkerig, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, noord) = afzakkend Sommige mèensen loopt der raer bij mit die ofzakkerige broken (Wap)
afzakkertje, ofzakkertien, het, ofzakkerties, afzakkertje, borrel Nog even een ofzakkertien en dan gaow hen hoes (Bor)
afzeggen, ofzeggen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afzeggen Hai zol eerst mithelpen, maor hai het ofzegd (Vtm), z. ook opzeggen 2. afkondigen Der is vanmorgen of ezegd det wij vanmiddag een oefenaar op de prèekstoel kriegt (Ruw) 3. verbieden (Zuidwest-Drenthe, zuid) Toen die man de kiender wat ofzee, begunde de hiel meute hum uut te jouwen (Bro)
afzeilen, ofzeilen, zwak werkwoord, overgankelijk, het zeil weghalen van de molen na het malen De mulder was an het ofzeilen (Sle)
afzenden, ofzenden, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afzenden, versturen Zie hebt zegd dat ze het pakkie mörgen ofzenden zult (Eex), z. ook verzenden, opsturen 2. afgezant zijn (dva) Ik kome neet veur mie zulfs, maar ik bin afgezonden (dva)
afzender, ofzender, de, ofzenders, afzender Der stun gain ofzender op de envelobbe (Vtm)
afzet, ofzet, de, afzet Zie bint kapot gaon, zie hadden gien ofzet genog (Zwe)
afzetstee, ofzetstee, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aparte plaats De ofzetter stiet op de ofzetstee dit vanwege besmettingsgevaar (Noo)
afzetstik, ofzetstik, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = onderdeel van een ploeg Met de ofzetstik keuj de ploug ofstellen (Een), Bij een stelploeg hej een ofzetstik (Rol), Een ofzetstikke zit allennig an een tweepeerds ploog (Rui)
afzetten, ofzetten, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. afzetten, wegzetten Ik heb hum bij zien zeun ofzet (Bal), De mes wèur op het laand in bulten ofzet en dan met de vörke streid (Bei), Hie hef mij van de meid of ezet de vriendin ontnomen (Die), Dat peerd hef het vool ofzet voortijdig geworpen (Zey), Ie mut ze wat eerder ofzetten, aans wordt ze te dikke de garven eerder uitnemen, gezegd tegen de weller (Ruw), z. ook oetzetten 2. omheinen, begrenzen, afzetten Ik heb dat stuk land mit prikkeldraod ofzet (Bov) 3. teveel laten betalen Mit die koe hebt ze oe of ezet (Hol) 4. presteren (Zuidoost-Drenthe) Ie kunt op de fietse hiel wat ofzetten ien iene dag een grote afstand afleggen (Ruw), Aj mor anpakken wilt, kuj in eein dag heeil wat ofzetten (Eex) 5. afzoeken Ik heb alles ofzet um de brille, mar kan hum nargens vienden (Bro) 6. afkomen Dee bolle kwaamp op oens ofzetten kwam op ons aan (Rui), Hie kwam holderdebolder de trap ofzetten de trap afrennen (Oos) 7. minderen bij het breien Even wat steken ofzetten (Hav), ...dan wordt het wat nauwer (Wee), Ik moet de kuut ofzetten minderen bij de kuit (Sle) 8. (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), in Hij hef een beste öpper of ezet goede stoelgang gehad (Ruw), Hij is goed van ofzetten heeft goede stoelgang (Nam) 9. weggaan (Midden-Drenthe) ...de brukkies in de buus en dan zet Jans of (kk)
afzetter, ofzetter, de, ofzetters, 1. afzetter Het is een lillijke ofzetter, hij weug altied te min of (Dwi), Hest mie dat ding ja veul te duur verkocht; bist ja een ofzetter (Erf) 2. dier dat de vrucht afzet Die koe is een ofzetter; die mot mar veur de slacht weg (Oos), Een ofzetter gef meistied niet veul melk (Row)
afzien, ofzien, sterk werkwoord, onovergankelijk, 1. afzien Hie hef van het stuk laand ofzien niet gekocht (Bor), Ik heb al hiel wat met hum ofzeen beleefd (Bei) 2. genoegen nemen Ik heb het vanmörgen zo drok had, ij moet het vanmiddag mor met een beetien luiewievenkost ofzien, ...doen (Sle), Paartie lu kunt het aaid zo zunig ofzien kunnen met weinig toe (Sti) 3. wagen (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Hie duurt wal wat ofzien durft wel wat aan (Emm), z. ook löszien
afzien, ofzien, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. overzien Wij kunt het niet ofzien, zo groot is het (Sle) 2. afwerken (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Toen e nog jong was, zag e het in ien aovend of (Dal), Dat wark kuw in ien keer wal ofzien, dan biw der of (Sle)
afzoden, ofzudden, ofzodden, ofzoden, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, veroud.). Ook ofzodden (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), ofzoden (Zuidwest-Drenthe, zuid) = afplaggen Nog even dat stuk heideveld ofzudden (Gas), De weidegrond wuurd ofzod en het witte zand wuurd er under vort haald (Pdh)
afzoeken, ofzuken, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. afzoeken Hie wil het laand ofzeuiken naor mooie steeinen (Eex), Het loont niet um het eerappellaand of te zuken er liggen namelijk te weinig aardappels op (Eke) 2. afknabbelen (Zuidoost-Drents veengebied) Botten of bonken ofzuiken (Bco), Zuik dei botte nog mar wat beter of; der zit nog wal vleis an (Bov), z. ook ofknabbeln, ofkloeven
afzoeker, ofzuker, de, ofzukers, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = degene die na het aardappelrooien de achtergebleven aardappels van het land verzamelt
afzonderen, ofzundern, zwak werkwoord, overgankelijk, afzonderen Die zundert zuk hielmaol of, die komp nooit op batterij (Sle), Daor zit gien vrouwluvleis an; hie zundert zuk hielmaol of (Exl), Ze moet er wel tussen, ze zundert zuk aans of (Zey)
afzondering, ofzundering, de, 1. afzondering Hie leeft het leeifst in ofzundering, dan veuilt e zuk het meeist op zien gemak (Eex) 2. apart, afgezonderd gedeelte In de kapschuur hew een ofzundering maakt veur het schaop (Exl), Van een holten beschot hebbe wij een ofzundering emaakt veur de diepvries (Uff), Aj in het ziekenhoes op de ofzundering ligt, is het miestal niet zo best (Oos)
afzonderlijk, ofzunderlijk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afzonderlijk, apart Ieder möt dat veur zukzölf ofzunderlijk beoordielen (Sle), Wiekschellen en hardschelbonen moej ofzunderlijk poten (Bor), Zij leefden wat ofzunderlijk van de andern apart (Eel), Vrouger waren der ofzunderlijke schoulen veur jonges en wichter (Gie), De drachtige pinken loopt ofzunderlijk (Flu), Dat is een ofzunderlijk geval uitzonderlijk (Pes)
afzouten, ofzolten, ofzoltjern, sterk, zwak werkwoord, overgankelijk, Ook ofzoltjern (Veenkoloniën in bet. 2. en 3.) = 1. ten einde zouten Most dat zwien eerst ofzolten en dan keunt wie wal vort (Bov) 2. afschepen Laot oe niet ofzolten (Pes), Je wordt daor bij de deur ofzolten (Rol), Dei hef e mooi ofzoltjerd (Eco) 3. te grazen nemen Hie hef hum ongenadig ofzolten (Sle) 4. (wederk.) zich drukken (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) Doe most die der nait ofzolten (Vtm)
afzwerven, ofzwarven, sterk werkwoord, overgankelijk, ergens zwerven Die dikke rooie kater, die zwarft de hiele buurt of (Nam)
agap, aogap, agap, aogappen, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook agap (Zuidwest Drenthe, noord) = gierigaard (Zuidwest-Drenthe) Die aogap duurt zuk nog niet zat te eten (Geb), Het is een aogap, een graoperd, ene die alles hebben wil (Hol)
agent, agent, de, agenten, 1. politieagent Daor stait ok een agent bie de buren veur de deure (Bco) 2. vertegenwoordiger Zie zuukt een agent veur een braandkaast verzekeringsagent (Sle)
aggeljut, baggeljutte, de, baggeljuttes, (Kop van Drenthe) = schop voor veenspecie, z. ook jutte
ajakkes, ajakkes, tussenwerpsel, uitroep van afkeer Ajakkes, wat een vies ding (Klv), zie ook harrejakkes
aju, aju, ajuus, atju, atjuus, adju, adieu, ajuusies, Ook ajuus (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën), atju (Veenkoloniën, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), atjuus (Midden-Drenthe), adju (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), adieu (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), ajuusies (Zuidwest Drenthe, noord) = adieu, z. ook tjeu
akelig, akelig, aokelig, aekelig, akelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook aokelig (Noord-Drenthe), aekelig (Zuidwest Drenthe, noord), akelijk (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) = akelig Wat een aokelig geluud (And), Wat is het aokelig weer (Gas), Van die proemen die ik eten heb, daor bin ik akelig van misselijk (Wijs), Wat hebt die maagies de rokkies akelig kurt (Dwij), Die man har een akelige dikke kop (Ruw)
Aken, Aken, Aeken, Aoken, Ook Aeken (Zuidwest Drenthe, noord), Aoken (Noord-Drenthe) = Aken Hie löp Aeken en Keulen in het ronde hij maakt een omweg, is lang van stof (Die), As die man an het vertellen giet komp e Aken en Keulen in het ronde (Ndo), Hij lup Aken en Keulen of um een nei peerd te kriegen reist alles af (Koe), Dat meensch kun proten, Aken en Keulen an mekaor (Rol) *Aoken en Keulen binnen nait op ain dag bouwd (Eco), zie ook bij Keulen
aker, aker, aeker, aoker, aanker, akers, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook aeker (Zuidwest Drenthe, noord), aoker (Noord-Drenthe), aanker (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. aker. De kleine werd gebruikt voor brij, melk, pap etc., maar ook voor pannekoeken, stroop, boter en brood. Bij brood was het een soort trommel met ronde hoeken Een grote aoker wur bruukt om het wasgooud in op te koken of um weckflessen dicht te maoken. Een klein aokerie wur metnummen hen het laand. De inhold was ongeveer veer kan. De middagpot zat er vaok in; van boven en van under was het ding even wied; vaok maokt van stört of blik; an het hengsel kuj het ding vastholden (Eex), Der waren keupern akers, die van binnen vertind waren (Bei), As der een kleine geboren was, gungen de buurvrouwen een akertien beschutenmelk brengen (Ndo), Wij namen eerder een aker met soepenbrij met hen het wark (Zwin) 2. eertijds de kookpot met veevoer die boven het vuur werd gehangen. Deze had drie kleine pootjes (Zuidoost-Drents zandgebied)
akkebakke, akkebakke, tussenwerpsel, (Zuidoost-Drents zandgebied), in kinderliedje: *Akkebakke stoeltien, oons wiechie giet hen schoeltie (Schn)
akkefieten, akkefietjen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Veenkoloniën, wb) = kleinigheden afdoen Hij schut niks op, hij zit er ook mor wat te akkefietjen (Vtm)
akkefietje, akkefietien, het, akkefieties, akkefietje, kleine kwestie Dat is een lelijk akkefietien dat hij mij daor deur de glinte reden is mit de auto (Dwij), Ik heb nog een akkefietien mit hum ik heb nog een appeltje met hem te schillen (Eli), Zukke akkefieties, daor muj mij niet te vake mit ankomen (Flu), Die hef een klein akkefietien hij heeft een kleine afwijking (Hijk), Het is een raar akkefietien, daor bemöj ik mij niet met (Mep), Het was man een akkefietje om dat te doun een kleinigheid (Ros)
akker, akker, de, akkers, 1. stuk bouwland ’n Mooie akker rogge (Zdw), We gaon de akker maor weer op we gaan op het land aan het werk (Smi), Ie mut van aandermans akker ofblieven van andermans spullen (Nije), Hij döt het op zien akkerties (Hav), …op zien dooie akkertien hij doet het op zijn gemak (Mep), Hie is an het eende van de akker hij kan niet verder (Wap), Gods water over Gods akker laoten lopen het op zijn beloop laten (Oos), Gods zegen over Gods akker (Bui), Der of kommen as Gerriet-Jan van ’t akkertien iets op een sneue manier kwijtraken, iets net niet krijgen (Sle), Hij schit dwars aover de akker hij is aan de diarree (Nsch) 2. perceel van een bepaalde grootte, speciaal in veengebieden Een akker is een schepel laand (Pes), ...een kwart bunder (Vmu), Een daimt is vief akkers (Vtm), Twaalf akker is een bunder (Noo), 10 - 12 akker is een bunder (Nsch)
akkerdistel, akkerdistel, de, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = akkerdistel, Circium arvense Wij kent hier de akkerdistel, de melkdistel en de roege distel (Bei)
akkerhek, akkerhek, het, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = hek dat de weg naar een akker afsluit, landhek ‘Vroeger, toen de schapen nog op de akker geweid werden kwamen er akkerhekken aan te pas om de zaak af te sluiten’ (Dwi), Akkerhekken wuurden eerder um de rogge zet; de schaopen wuurden hier dan in daon, zodat die de rogge dan ofvreten kunden (Oos), Het akkerhek is een hek aachter op de akker veur de deurgang van die boer, die het laand der aachter liggen hef en die gien weg naor zien akker hef (Eex)
akkerhout, akkerholt, het, 1. akkermaalshout (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Akkerholt is opslag van ekenholt en struken (Bei), zie ook akkermaolsholt 2. lastig te bestrijden onkruid, perzikkruid (he), Polygonum amphibium (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) ‘Akkerholt is krodde, een polygonumsoort met diep liggende wortelstokken, eertijds gebruikt om thee van te zetten ter bestrijding van nierziekte’ (Hgv), Wij harren een boel akkerholt in het eerpellaand (Ruw)
akkerkool, akkerkool, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = akkerkool, Lampsana communis
akkermaal, akkermaol, het, (Zuidoost-Drents zandgebied) = een door de keuterboeren gegeven maal ‘Als het koren rijp was werden eerst de akkers van de keuterboeren geoogst met hulp van de grotere boeren, want de keuterboeren moesten dan later de grotere boeren helpen. Als hun koren gedorst was werd er door de keuterboeren een akkermaol gegeven’ (Bui)
akkermaalshout, akkermaolsholt, akkermaalsholt, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook akkermaalsholt (Zuid-Drenthe) = akkermaalshout, hout op de wallen rond de akkers en de weilanden, z. ook akkerholt
akkerweg, akkerweg, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = weg over de akker Oes aol peerd mus toch deur die natte akkerweg kladdern! (Sti)
akkerwinde, akkerwinde, de, akkerwindes, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook akkerwiende (Zuidwest-Drenthe) = plant, akkerwinde, Convolvulus arvensis
akkoord, akkoord, het, akkoorden, overeenkomst, instemming Daor gao ik niet met akkoord (Bei), Met die kerel, daor kuj gien akkoord met kriegen (Eex), Hie kreeg ’t akkoord met hum ze wilde wel met hem trouwen (Sle), Zij kregen akkoord en het huus was verkoft (Hgv), Hij kreeg ’t akkoord hij kreeg gelijk (Man), Zij bint het akkoord worden (And), …het akkoord klaor worden zijn het eens geworden (Sle), Het op een akkoord gooien (Die), Wij moet akkoord maoken (Git), Ik heb dat wark in akkoord anneumen (Eri), Hou is het gaon, binj in het akkoord kommen met je beide? (Vri)
akkoord, akkoord, tussenwerpsel, (Zuid-Drenthe) = juist, akkoord Akkoord, Van Putten! dat is dus zo afgesproken (Sle)
aks, aks, akse, ekse, hakse, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook akse (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën), ekse (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid), hakse (Zuidoost-Drents zandgebied) = aks, grote bijl Haal mij de grote akse even op (Exl), ...ik wil een gat in het ies hauwen (Bov), zie ook aksebiel
aksbijl, aksebiel, haksebiel, haksbiel, aksbiel, hakselbiel, akselbie, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën). Ook haksebiel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), haksbiel (Zuidoost-Drents zandgebied, wb), aksbiel (Zuidoost-Drents zandgebied), hakselbiel (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), akselbiel (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = grote bijl, bijl met lange steel Hier in Slien proot ze van aksbiel, aksebiel, haksebiel en haksbiel (Sle), zie ook aks
aksel, aksel, de, aksels, (wb:Zdw) = koperen handketel
akte, akte, de, akten, aktes, akte Mien va had een akte veur een aolfoek (Dal), Dei onderwiezer hef in de oorlogsjoren zien akte haald (Bov), Zie mussen eerst een akte overleggen (Sle)
al, aal, al, aol, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe). Ook al, aol (Veenkoloniën) = 1. wel Hej ok metdaon? Jao, dat aal dat wel (Sle), Dat was het plan aal (Gas), ...de bedoeling aal (Rui), Nou weet ik nog niet, wat ik mute; mij antrekken al of niet (Uff), Al waor (be) 2. steeds maar, aldoor In zien gedachten wordt e aal rieker (Bal), Under het praoten wuur e aal rieker (Sle), Hij gunk aal mor deur, ...mor aal deur (Eex), ...al man deur (Bov), Dat gunk niet aal aachtereens vort (N:ti), Hij praotte al mar weg (Klv), Ze hadden mar al weg tegenslagen steeds maar weer (Sle), De weg gunk aal liekuut (Eco), Het weer verandert aal zachies an (Sle), zie ook aalmor 3 zoal, allemaal (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) IJ moet er is an denken, hoeveul mooie wichter der aal in oes darp woont (Bor), An wel aal moet ik dat geven? aan wie allemaal (Sle), Ze komt aal (Bov) 4. reeds Bust er noe al weer? (Bco), Of hest doe dat ok al heurd? (Eco) 5. ten volle, helemaal Ik binne der al zat van (Dwi), Hie was ien en al oor (Emm) 6. versterkend Al naor gelang hie er dichterbij kwam wuur e aal banger (Sle), Het water was niet al te helder (Wei), Hie vuulde zuk niet al te goed, hie is in hoes bleven was niet lekker (Oos), Dat gescheit mit neijoor wordt mie noe toch al te gek (Bov) 7. alles Al met al kun e der weer tegen alles bij elkaar genomen (Emm), Met peerd en al kwam e op de loop (Odo), Al waor ik an dacht hebbe, an hum gien mement waar ik ook aan gedacht heb (Sle), zie ook alle(s)
al, aal, al, aol, a, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook al (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), aol (Veenkoloniën), soms uitgesproken als a = elk, alle Ik trek mij aal aovend um (Anl), Aal tieden van dag kunj mij wel kriegen (Vri), Al joor gaven ze een oetvoering jaarlijks (Bco), Aal daogen stun e veur de deur (And), zie ook alle, als II
al, al, voegwoord, 1. ofschoon, hoewel Al kreeg e ok alle dagen klappen, hij leut het nich (Bco) 2. in al hoe hoezeer Al hoe ziek hie ok was, hie kwam toch (Bor), Al hoe lang of hij is, hie kun er niet bij (Man), Al hoe beroerd het ook leek, het is toch goed of elèupen (Hgv)
al en al, allendal, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = helemaal, z. ook hielendal
al te, alste, bijwoord, (N) = al te Alste veul
alarm, alarm, alaarm, larm, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe). Ook alaarm, larm ( Zuidwest Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Veenkoloniën, ti), larm (Zuidoost-Drents veengebied in bet. 2.) = 1. alarm Hij sleug alarm (Anl), Het is allemaol loos alarm (Dwij), Eerder kreej as kind een bliend alarm een slecht horloge (Sle) 2. lawaai, geraas Wat zul er toch te doen wezen. Wat is het jo een alarm in het darp (Oos), Het is seins een hels alarm, een lawaai van jewelste (Pes), Wat maakt die kinder een alarm (Sle), Een mond vol alarm een beschuit (N), Het was een larm van je wonder en geweld (Nsch) 3. ruzie (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Daor hebt ze groot alarm um had in hoes (Sti)
alarmklok, alarmklok, de, 1. alarmklok 2. kind dat veel lawaai maakt (Midden-Drenthe) Hol je toch ies stille, alarmklokke (Bei)
alarmmaker, alarmmaker, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = iemand die veel kabaal maakt Wat is dat een alarmmaker! (Noo)
alarmpistool, alarmpistool, het, alarmpistool Dei postbode har altied een alarmpestol in de buutse tegen de honden (Bov)
alarmschepper, alarmschupper, de, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = lawaaimaker Wat maakt die kiender een lawaai, wat een alarmschöppers (Rui)
albandig, albandig, elbandig, helbandig, (wb). Ook elbandig (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb:Vle in bet. 2.), helbandig (wb:Die in bet. 2.) = 1. heel gauw (wb:Halen) 2. geweldig Hie hef hum albandig slaogen (wb:Wee), Albandig vechten (wb:Bei) 3. al te druk, woelig (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb:Gan en Die), Wat een elbaandig meense rumoerig en druk (Rui), ook niet aan elkaar geschreven: al te bandig
albast, albaster, kallebaster, de, albasters, kallebasters, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) = grote knikker Een albaster is een dikke knikker in verschillende kleuren (Wtv); kallebaster (Midden-Drenthe) = soort knikker, ook als bn. Een kallebaster(n) knikker was een emailachtige knikker (Rol)
albast, rabaster, de, rabasters, (Midden-Drenthe, wb) = knikker Een rabaster was een haarde leimen knikker (Gie)
albasten, albasten, alberstern, kalesbaster, kalebastern, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Ook alberstern (Kop van Drenthe), in albasten knikkers albasten, glazen of lemen knikker Een albastern knikker was van een soort leim, een beetje broenig, wat dikker en soms haost neit heilemaol rond (Rod); kalesbaster (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook kalebastern (Zuidoost-Drents zandgebied), in Een kalesbaster knikker een emaille‑achtige knikker, een mooie stuiter (Rol)
albedil, albedil, de, albedillen, (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = albedil, iemand die alles wil regelen Die albedil wil overal wat mit te maken hebben (Klv), zie ook apedril
albedil, apedril, de, apedrillen, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) = 1. albedil, bemoeial Gao toch is wat opzied, apedril, daor hej niks met neudig (Wtv) 2. parmantig kind (Kop van Drenthe) Het was nog mor een aopedril, doe e aal in de hoogste bomen klom (Row), zie ook albedil
albegeer, albegèer, albegère, albegèren, Ook albegère (Midden-Drenthe) = iemand die alles wil hebben Doe aolbegeer, most neit alles veur die zulf holden (Erf), Dat is zo’n albegeer, hie wil het middenste en de beide enden wel hebben (Dro), zie ook hebbegeer
albegerig, albegerig, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = begerig naar alles Ze mouten mor nait zo aalbegerig wezen (Twe), Hie is zo albegèrig, maor ienmaol krig e het lid op de neuze (Exl)
albemoei, albemui, albemuie, albemuien, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook albemuie (Veenkoloniën). Var. als bij bemuien = bemoeial Dat wief is een albemeui (Rol)
Albert, Albert, in prins Albert (Kop van Drenthe) = vierwielig rijtuig voor familie- en kerkbezoek. ‘In het midden een kap, die gelijk was aan die van de kapsjees’ (Taa)
aleens, alliens, allien, allies, alleens, allees, (Zuid-Drenthe). Ook allien (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), allies (Zuidoost-Drenthe), alleens, allees (wb, dva) = 1. eender Zij is alliens heur zuster (Dwi), Die twieling bint net allies (Oos), Die tweiling hef altied allienze kleren an (Bro), Zij denken lange niet alliens (Mep), Die kalver van jo bint aordig allies gelijkmatig (Pdh) 2. eens(gezind) (Zuidoost-Drents zandgebied) Ze waren het niet alliens met mekaar (Sti) 3. onverschillig, om het even Alleens waor (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), Het is mij zuver alliens, oj koomt of niet (Bro), ...welk stok a’k kriege (Die), Hie hef alliens geliek onverschillig hoe, altijd (Exl), Het is mij glad alliens (Noo), Alliens hoe het règent, wij gaot der deur! (Hgv), Allien aj het ok veur mekare maakt, hij döt het toch weer fout (Zdw) 4. in het geheel (niet) Het kan mij alliens niks schelen (Emm)
aleens, allienzen, alliezen, (Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe). Ook alliezen (Coe) = identieke voorwerpen, personen of dieren (...)dat bint twei allienzen (Zdw), Jonggie, det giet niet, het bint ja allienzen! van klompen of laarzen (Bro)
aleer, aleer, alèèr, Ook alèer (Zuidwest Drenthe, noord) = 1. vroeger Aleer deden wij dat zo (Dal), In aleer jaoren hadden ze aaid van die grote wasschuppen (Sti), Aleer lèupen de mensen kilomèters naor de jaormarkten (Flu), Aleer luip er een voutpad aachter de hoven langes (Row) 2. voordat (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Aleer daj naor het laand gaot, moej nog even naor de winkel (Dwi), Aleer de koppies op taofel kwamen, höldt ze der nog effen de schötteldoek aover (Hgv) 3. in veur en aleer a. voordat (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Veur en aleer aj vortgaot, moej nog de hoender voren (Bor) b. vroeger (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Non giet alles even makkelk; veur en aleer was dat hiel aans (Zdw) *Vrogger en aleer / Doe scheuten ze met het geweer / En non / Doet ze met het kanon (Sle)
alert, alart, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest Drenthe, noord) = alert, opgewekt, kwiek De zieke was wal aordig alart (Wsv), Het is zo’n alart kereltien bijdehand (Die)
alf, alf, half, (wb, wm). Ook half (vn) = boze geest, voorloop, spook of duivel
alfabet, alfabet, het, alfabet Die kan het alfabet wal oetschieten veel winden laten (Emm)
algedurig, algedurig, aolgedurig, aalgedurig, Ook aolgedurig (Midden-Drenthe, Veenkoloniën), aalgedurig (Noord-Drenthe) = 1. steeds Algedurig hej hum der staon (Sle) 2. herhaaldelijk Ons kou mus kalven, ik gung aalgedurig even kieken (Gie)
algeheel, agil, gil, gillig, gilst, angil, angille, , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook gil (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), gillig (wb), gilst (N), angil (N), angille (Zuidwest-Drenthe, zuid), ageel (Zuidwest-Drenthe, zuid), gehielig (wb), agillijk (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), agillig (Zuidoost-Drenthe), algil (Zuidwest-Drenthe, zuid), agè (Zuidwest-Drenthe, zuid), agin, aginne (Zuidwest-Drenthe, N) aginnig (mc), in ’t ginne (po), agils (Zuidoost-Drenthe), agiel (Zuidwest-Drenthe, zuid), agien (Zuidwest-Drenthe, zuid), angees (Zuidwest-Drenthe, zuid), agullig (th), agul (Zuidoost-Drents zandgebied), egil (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), egiel (Zuidwest-Drenthe, zuid), agenne (Zuidwest Drenthe, noord), agelle (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), guls, gels (Zuidwest-Drenthe, zuid), alles alleen in combinatie met niet = in het geheel niet, helemaal niet Maor zie wilt mij er misschien agil niet bij hebben (Sle), Wij hebt gistern gil gien stoet kregen (Scho), Daor wuzzen wij agil niks van (Gas), Dat kan agin neet (Rui), Dat hef e agil niet daon (Bei), Zij hebt oes guls niet neugd (Pdh), Daor wo’k het nou in ’t ginne niet aover hebben (po)
algemeen, algemien, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Var. als bij gemien = 1. algemeen Dat wordt toch algemien ezegd (Hol), Het is aalgemien bekend (Schl), Met algemiene stemmen is e keuzen (Sle), De algemiene boer de boeren (N) 2. gewoon, prettig Wat is hij toch een algemiene kerel gewoon, niet trots (Hav), Het is gien knap persoon, mar hiel aordig en algemien sociaal (Bro), Dat is heil gewoon volk, heil algemein (Vri)
algemeen, algemien, het, Var. als bij gemien = 1. algemeen Over het algemein kunnen ze in Pais goud scheuvellopen (Pei), …vaalt het nogal met (Anl), Schoulmeesters binnen in het algemein wieze kirrelies (Row), Neeie èerpels schelle wij in het algemeen niet; wij krabt ze (Die) 2. het volk, iedereen (wm, N) Deurdat het algemeen dat zo zee (wm), Dat is een man veur het algemien sociaal voelend, prettig (N:Sle), Het nut van het algemien (N:Sle)
alhoewel, alhoewal, allewel, Ook allewel (Zuidwest-Drenthe, zuid) = (al)hoewel, ofschoon Alhoewal de locht nao regen leek, gungen ze toch oet fietsen (Bor), Alhoewal e der niks te doen hef, giet e ’s maandags toch hen Coevern (Coe), Allewel, hij hef er nooit gien plezier van had (Nije)
alias, alias, olias, de, aliassen, oliassen, gemene, onbetrouwbare vent, vlegel Wat is dat een alias, die vent (Zwe), Hij is een alias, holdt hum in de gaeten (Dwi); olias (Veenkoloniën) = jongen met guitige streken Dei jongen is ook een olias (Vtm)
alignement, allement, alement, (Midden-Drenthe, N). Ook alement (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Koom der nou mar is mit op het alement voor de dag (Rui), En daorop mus de meester op het allement (N)
aling, aling, bijvoeglijk naamwoord, (wb, veroud.) = geheel De alinge erfenisse
alkoof, alkoof, de, alkoven, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = alkoof Veur de ledikanten waren der ok alkoven (Sle)
alla, alla, tussenwerpsel, uitroep ter aansporing Alla, vort pèerd, non alla dan (Sle), Alla, jongens, kom op (Anl), Alla, van berre of (Bal), zie ook allee
allang, allang, bijwoord, allang Ze binnen der allaank (Row), ...allange (Dwi)
alle, alle, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, alle, elk Goeiedag met ’n allen(d) samen (Hoh), Gen dag, alle gliek (wb:Rui), Hie möt in alle geval metdoen (Wijs), Daor was alle kans op, dat e mit wol (Smi), Alle pien is vort (Oos), Hie bluus oet alle macht (Bui) Ik heb het op alle maneier probeierd (Bov), Der komp in alle geval iene (Flu), voor telw. Zij bint er alle drei beter van worden (Man) *Alle goeie dingen komt langzaam (Bco), zie ook bij al en als II
allebei, allebeide, allebei, allebai, allebeidend, allebede, albeid, a, voor pers. ook met slot-n. Ook allebei (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuid-Drenthe), allebai (Kop van Drenthe), allebeidend (Zuidwest-Drenthe, zuid), allebede (Zuidwest Drenthe, noord), albeid (Midden-Drenthe), albeide (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord), albaide (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), aalbei (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), aalbeide (Midden-Drenthe), alebaide (Zuidoost-Drents veengebied), albei (Zuidoost-Drents zandgebied) = beide Veur oos aalbeide (Rol), Ze hebt allebaide een neie auto kregen (Bov)
alledaags, alledaags, allerdaags, Ook allerdaags (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = alledaags Hie luup der een beetien alledaags bij (Sle), Ik heb mien allerdaogse jaze aan (Eco)
allee, allee, tussenwerpsel, uitroep ter aansporing Allee kiender, loop ies deur (Die), zie ook alla
alleenlopen, allienlopen, sterk werkwoord, onovergankelijk, alleen zijn, geen contact hebben Denne lop altied allenne (Nsch)
alleenlopend, allienlopend, allienlopends, allienlopens, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook allienlopends, allienlopens (Zuidwest-Drenthe, zuid), allienlopens (Zuidwest-Drenthe, zuid) = alleengaand, als vrijgezel Het is een allienlopende kerel (Stu), ...een alleenlopend man (Rui)
alleenloper, allienloper, de, 1. alleenloper, zonder gezelschap rondlopend persoon of dier Een pink die an de slootkant vret, is een allienloper (Schl), Met een alleenloper bedoolt ze bij oos een kind of ok wel een oldere met, die nooit vrinden of vriendinnen hef (And), Hij is vaok een alleeinloper, ...allènloper (Eex), Dat is een aordige alleinloper iemand die altijd maar wat alleen bij de weg ronddoolt (Vri) 2. vrijgezel Hie vernemp een koppeltien vrij jongs; wellen, die gien wichter hebt, een angesleuten troepien alleenlopers (ti) 3. enig kind (Zuidoost-Drents zandgebied)
allegaar, allegaar, altegare, allegaere, allegaor, allegare, (Zuidoost-Drents zandgebied) Ook altegare (Zuid-Drenthe), allegaere (Zuidwest Drenthe, noord), allegaor (Midden-Drenthe), allegare (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. allemaal Wij gaot allegaor an het feest (Dro), Altegaar trökken ze op naor de brulöfte (Nam), Dag, allegaere (Dwi) 2. helemaal (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Daor hej allegare niks met te maken (Coe), Dat doe ik allegaar veur niks (Stu)
allegaartje, allegaartien, het, allegaarties, mengelmoesje, allegaartje Het was een rommeltien, zo’n allegaartien (Bov)
allekaters, allekaoters, bijwoord, (Midden-Drenthe) = donders Allekaoters nog an toe (Gro), zie ook donderkater
allekruimels, allekrummels, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = potverdrie
allemaal, almaol, allemaol, ammaol, aolmaol, alemaol, aalmaol, altma, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe). Ook allemaol, ammaol (wb, Midden-Drenthe), aolmaol (Veenkoloniën), alemaol (wb), aalmaol (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën), altmaole (Kop van Drenthe), almaole (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = alle(s) met elkaar, allemaal Dat doe ik allemaole veur niks (Hav), Het bunt almaol bollen allemaal stieren (Bco), Zij kwamen allemaole (Hav), Goeiendag, geliek allemaol goedendag, samen (Erm), Wie drinkt almaol touglieks koffie (Bov), Ze mugden hum allemaole wel lieden (Wsv), Vanaovend gaot wij ammaol, ...almaol hen ’t feest (Eex), Het kost aalmaol geld (Vtm), Allemaol tegeliek (Sle), Dat kun e almaol al (Emm), Het is allemaole vliegen (Pes), Het binnen allemaole stippen op dat schilderije (Mep)
allemachtig, almachtig, allemachtig, almachies allermachies, almachtigst, Ook allemachtig. Verder almachies, allermachies (Zuidwest Drenthe, noord, Midden-Drenthe), almachtigst (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), alle in bet. 2. en 3. = 1. almachtig God is almachtig (Wei) 2. zeer, in hoge mate Hie kan almachtig mooi vertellen (Zwe), Hie zag der almachtig tegenop (Sle), Wat een allemachtig mooi stuk laand is dat (Oos) 3. uitroep van verbazing of ontzetting Allemachtig, wat een stemme hef die man maar Allemachies, wat houwe lachen (Dwi), Het is allermachtigst mooi (Man)
alleman, alman, aalman, alleman, Ook aalman (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën), alleman (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = iedereen Aw met aalman toepakt, is het ok mor een angreep (Anl), Jan en alleman gung der naor toe (Bui), Heuilaon is aalmans wark niet kan niet iedereen (And), Ze gaot mit alleman hen boerwarken (Rui)
allemansklompen, allemansklompen, zelfstandig naamwoord, meervoud, (Zuidwest-Drenthe, zuid), in ...alle soorten van hoge heren muj te woorde staon ...det kuj op allemansklompen niet doen op klompen (ui)
allemansvriend, almansvrend, almansgek, Ook almansgek = allemansvriend Die hond dat is een almansvrend (Sle), Die hond dat is een allemansgek (Wap)
allemensen, allemèenschen, allermensen, allemeinse, tussenwerpsel, potverdrie Allemèensen nog is toe! (Bal), Allemensen wat regent het haard (Eco); allermensen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook allemeinse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = hoe is het mogelijk! Allermensen, wat een gek idee! (Exl), Allermeinse, wat is het toch wat! (Stu)
allen, allen, al’lend, Ook al’lend (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = allen Wij gaot met ’n allen(d) op hoes an (Sle), Ze bint mit ’n allen vurt (Wap)
allendeksel, allendeksel, allendeksels, allerdeksels, alledeksel, Ook allendeksels (Zuidoost-Drents zandgebied), allerdeksels (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën), alledeksel(Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) = 1. potverdrie Alledeksels, dat scheelde maor weinig (Eex), Allerdeksels, wat kun die kerel mooi veurdragen! (Hav) 2. allemaal Dan kreej allendeksel bollen alleen maar stieren (Sle), Op dei bruloft gung het nog al wat om weg, ze hadden allendeksel te veul (Vri), zie ook deksels
allendonder, allendonder, allendonders, allendonderst, allerdonder, Ook allendonders, allendonderst (Zuidoost-Drents zandgebied), allerdonder (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. uitroep Alledonders nog an tou, nou het die jong weer ba de krudoorns zeten (Row) 2. in hoge mate Dei jong hef van zien vaor allerdonderst veur de kont had (Vri), Het is allerdonders(t) mooi heuiweer (Sle), Een allerdonderst mooi wicht (Een), Zie bint allendonder op de loop (Sle), Het was deftige boel heur, de vrouwlu waren allendonder heel in het lang (Hijk), zie ook donders
allendorie, allendorie, bijwoord, (Kop van Drenthe) = allemaal Wij kriegt van het jaor allendorie veerskalver (Vri)
allendrommels, allendrommels, alledrommels, (Midden-Drenthe). Ook alledrommels = 1. alleen maar, allemaal Het zint allendrommels maanlu (Eex) 2. uitroep Alledrommels, dat scheelde maor weinig (Eex)
allenduiker, allenduker, alleduikers, (Zuidoost-Drenthe). Ook alleduikers = 1. allemaal Zie bint er allenduiker oet (Scho) 2. erg Het was alleduikers duur (Pdh), zie ook duiker
allenduivel, allenduvel, alleduvels, allendeuvels, alleduvel, allerduvel, a, Ook alleduvels (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid), allendeuvels (Zuidoost-Drents zandgebied), alleduvel (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), allerduvel (Zuid-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën), aalduvel (Veenkoloniën) = 1. allemaal Zie binnen aalduvel geliek (Vmu), Dan kreej allenduvel bollen (Bov), Die lu bint allenduvel gek (Wsv), Zie moet allenduvel wat op ’e ribben hebben (Sle) 2. erg, zeer Hie kent dat allenduvel geweldig goed (Eev), Die vent leup alleduvels hard (Bco), Hij zit er allerduvels aachterheer (Anl), Ze hebben allerduvelst sneden op Rolder mark (N), Het hef allerduvelst regend (Sle)
allenig, allennig, allèn, allène, allenne, allein, alle, Ook allèn (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), allène (Zuidoost-Drents veengebied), allenne (Midden-Drenthe), allein (Kop van Drenthe), alleein (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), allain (Veenkoloniën), allenig (Zuidwest-Drenthe, zuid, wm), allend (Zuid-Drenthe), allien, alliend (vd), allienig (Zuidoost-Drents zandgebied), allienik (Zuidoost-Drents zandgebied) = alleen Die man bleef allennig veur het wark zitten (Coe), Woont zie daor allennig? Jao, zie is allèn (Sle), Allennig umdat ik hum helpen wol weur e kwaod (Bov), Zie was allienik enig kind (Sle), Hij stund er allennig veur (Bco), Ik bin mar een vrouw allenig (Hol), Ik heb het riek allain (Twe), Ene allend op de boerderije is een hiel beslommering (Dwij), Hij kan zien vrouw niet allenne holden zijn vrouw houdt het met andere mannen (oz:Zwe), ook Hie hef de vrouw niet allien (Sle) *Een echte Drent pist nooit allend (Die), zie ook bij allien-
allenmieter, allenmieter, allenmieters, allenmieterst, allermieter, (Zuid-Drenthe) Ook allenmieters (Zuid-Drenthe), allenmieterst (Zuidoost-Drents zandgebied) allermieter (Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. buitengewoon veel, alleen maar Het waren allenmieter bollen het waren allemaal stierkalveren (Ndo), Allenmieter weurden de biggen ziek (Oos), Het binnen allenmieter nog eerappels, ze hebben ze lange niet schone rooid overal zit en ligt nog wat (Smi) 2. erg Het was allermieters mooi weer (Sle), Ik zie der allermieters tegenop (Schl) 3. potverdrie Allemieters, wat is het een natte boel tegenwoordig (Nije)
aller-, aller-, alder-, eerste lid van vele samenstellingen; drukt de hoogste graad uit. Als in het Nederlands wisselt het hoofdaccent vaak van plaats tussen aller- en het tweede lid van de samenstelling. Ook alder- Het alderzwoorste wark dee e zölf (Bco), Hij kreeg een allerhevigste klap an de oren (ti), Hie kwam op het alderlèeste moment (Zwe), Een alderlaifst wicht (Twe), Het allerstoerste komp nog (Row), (...) en er loopt zoveul jonge boerinnen in het laand, allerbest geschikt veur hoesvrouwen... (ti), Hie har zo allerakeligst dreumd (Sle), Het zag der alderbelabberdst oet (Man), zie ook aller-, alle(n)- in allendonders etc.
alleraardigst, alleraordigst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, erg aardig Alleraordigste mensken bint dat (Sti)
allerallereerst, allerallereerst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, allereerst Allereerst muj dat ofmaken (Geb), Dat zee ik nog misschien tegen gien sterveling; tegen oe nog het allereerste, Trui! (bh)
allerbaldadigst, allerbaldaodigst, allerboddaodigst, (wb). Ook allerboddaodigst = buitengewoon
allerbarmhartigst, allerbarmhartigst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidoost-Drents veengebied) = bovenmate Dei kerel was zo armzalig arm, allerbarmhartigste arm (Bco)
allerbarstends, allerbarstend, allebarstend, alderbarstends, allerbarstens, aller, Ook allebarstend (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), alderbarstends (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), allerbarstens, allerbarstends (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = geweldig Een allerbarstende kopzeert (Anl), Der was hier een onweerbui met veul regen, en der was ok een alderbarstends stuk wind bij (And), Wij hebt alderbarstends lacht (Sle), De optocht was allebarstens mooi (Bro)
allerbedroefdst, allerbedroefdst, bijwoord en tussenwerpsel, allerbedroefdst Een allerbedroefdst klein beetie (Hol), Allerbedroefdst, zo as dat wicht er zitten bleef (Oos), Het is allebedrooufdst dreug in de tuun (Nor)
allerbenauwdst, allerbenauwdst, bijwoord, tussenwerpsel, enorm Allerbenauwdst, wat zag het er uut nao die donderbeuie (Smi)
allerberoerdst, allerberoerdst, bijwoord, allerberoerdst Hij is der alderberoerdst an toe! (Hgv)
allerbest, allerbest, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, allerbest Hij was de alderbeste scheuvelloper, dei wie ooit had hebt (Bov)
allerbezopenst, allerbezeupendst, bijvoeglijk naamwoord, (Midden-Drenthe) = heel gek Dat is jao gien gezicht, man, dat liekt jao allerbezeupendst (Hijk)
allerdeegs, allerdeegs, allerdees, allerdeis, alderdeegs, alledeegs, aller, Ook allerdees (Midden-Drenthe), allerdeis (Kop van Drenthe), alderdeegs (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid, dva), alledeegs (Zuidoost-Drents zandgebied), allerdings (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. zelfs Allerdeegs waren heur aole buren oet Amsterdam der nog (Erm), Hij is allerdeegs nog lopend hen stad west (Wtv), Hij zöcht het goud oet, allerdings dei kleine koukies nog (Ros) 2. inderdaad, wel degelijk, nota bene (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe), Hij leek onschuldig mor hij har der wel allerdeegs wat met te maoken (Gro), Hej de melkemmers an de straote zet? Ja, allerdeegs (Hijk), Allerdeegs wat was daor een troep (Wijs), Zie hadden dreei invallers en zie hebt allerdeegs nog wunnen ok (Gas)
allerdesduivelst, allerdesduvelst, bijwoord, (Midden-Drenthe) = heel erg
allereeuwig, alleriewig, tussenwerpsel, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = enorm, geweldig Alleriewig, wat mooi (Stu)
allereeuwigst, allerieuwigst, bijwoord, Var. als bij ieuw = geweldig, heel bijzonder Het is alderieuwigst mooi weer (Sle), Een allerieuwigst onweer (Ker), Hie kun allerieuwigst mooi zingen (md)
allerellendigst, allerellendigst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, vreselijk, heel ellendig Hie zag er allerellendigst oet (Bor)
allergekst, allergekst, bijwoord, tussenwerpsel, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook wel zonder t = 1. enorm Het was der allergekste duuster (Sle), Allergekst, wat een wind (Row) 2. heel bijzonder (Veenkoloniën) Het is een allergekst mooi wicht (Twe)
allergenadigst, allergenaodigst, bijwoord, (Midden-Drenthe) = op genadige wijze Hij hef zich lillijk bezeerd, mor is der nog allergenaodigst ofkommen (Hijk)
allergenoeglijkst, allergeneugelijkst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, allergenoegelijkst Zie zatten allergeneugelijkst met mekaar te proten (Sle)
allergluipendst, allergloependst, allergloepens, (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook allergloepens = zeer Het was allergloepenste kold (Row), Dat muit mij asmangs allergloependst (ti)
allergriezeligst, allergriezeligst, allergriezelig, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook allergriezelig (Zuidwest-Drenthe, zuid) = enorm Allegriezeligst, wat een weer (Rui), ’n Allergriezeligsten hekel (N:Sle), Allergriezelig, wat naar (Stu)
allergunstigst, allerguunstigst, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = allergunstigst In het allergunstigste geval bin ik der um tien uur weer (Val)
allerhande, allerhande, allerhaande, allerhaand, allerhand, allerhaander, Ook allerhaande (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), allerhaand (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), allerhand (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuid-Drenthe), allerhaander (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. allerhande, van uiteenlopende soort Allerhaander kleuren (Hol), Allerhande rommel lag daor (Anl), Der löp allerhande raar volk bij het pad (Noo), Een hond van allerhand ras straathondenras (Eex), Allerhaande koekies allerlei soorten door elkaar (Wee), (zelfst.) Hij kocht allerhande op (Nam), Dubbeltiese allerhaande spullen van weinig waarde (Smi), Hij hef ook van allerhaande bij de haand (Dwi), Mien vrouw hef een half pond allerhanden haold van de winkel verschillende soorten koekjes (Vri) 2. heel gewoontjes, niet bijzonder Die boer hef nooit gien goeie keunen, altied van det allerhaande goed (Koe), Hetis maor ’n allerhand beisie (Vri), Hie met zien allerhande bienen (Sle), Een allerhande boer een boer die zich teveel met andere dingen bezighoudt, ook een keuterboer (Wap), Een allerhande kerel met een flinke vrouw, die redt het in de wereld, aansum red ij het niet (Sle), Een allerhaand main een meisje dat met ieder aanpapt (Dwij), Allerhande volk niet veel voorstellend (Dwij), Een allerhand stellegien (Rol), Ik heb der nog zo’n allerhande paol liggen (Sle), Het is een vieze gasterd, hij hef altied zukke alderhaande prooties ordinaire, slechte praatjes (Dwij), Wij hebt allerhaande weer te wachten (Zdw), Hie is allerhande antrökken heel gewoontjes (Sle)
allerhartelijkst, allerhartelijkst, bijvoeglijk naamwoord, allerhartelijkst Zie hebt ze allerhartelijkst ontvangen zeer hartelijk en gastvrij (Emm)
allerheidenst, allerheidenst, bijwoord, (Zuidwest Drenthe, noord) = vreselijk Een allerheidenst lawaai (Wap)
allerheilig, allerheilig, bijwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = gespeeld lief, goed Hie dut zo allerheilig an (Exl)
Allerheiligen, Allerhilligen, Alderhilligen, Allerhilgen, Allerhilling, Allerhil, Ook Alderhilligen, Allerhilgen (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën), Allerhilling (Zuidwest-Drenthe, wb, wm), Allerhillen (Kop van Drenthe), Allerheiligen, Allerhailigen (Veenkoloniën, Kop van Drenthe), Allerheiling (Zuidoost-Drents zandgebied), Aldrilleggen (mc), Alrilligen (Zuidoost-Drents zandgebied) = Allerheiligen (1 nov.) Allerhilligen daankdag en biddag (Pes), Met Allerhilligen en met mei möt de huur der wezen (N:Sle),…moet de eerappels der oet wezen (Wtv), Grote Alderhilling (Ruw) of Grote Alderhilling Donderdag eerste donderdagmarkt in Meppel, door boerenzoons en boerendochters bezocht (po), ook Allerilligen donderdag (Stu), Klein Aldrilliggen de tweede donderdag in november, de dag waarop de Staphorsters naar Meppel kwamen om inkopen te doen, vandaar ook ‘Staphorster Allerheiligen’ (mc), Dan maj ok wel waachten tot Allerheiligen kun je lang wachten (And), Hij is zo vlugge as een strontvliege um Allerhilligen erg traag (Zdw) *Allerhilleng donderdag / Doe mien vader in het water lag / Mien moe der bij / Mien zuster der bij / Is dat gien mooie schilderij? (Hav), ...Doe de boer op het vonder lag / Ikke der bij en ieje der bij / Is det gien mooie schilderij? (Bro); Alderhilling hangt de rouwriep an de willing / Hangt er dan de blaan nog an / Komp er een strenge winter van...(po); Mit allerhilligen / Valt de bladen van de willigen / Koomt de koenen op stal / Is het winter overal (Hgv); Allerhilgen / De winter op de wilgen / De kaaie op een stal / En de schaope overal d.w.zdat het land schoon (kaal) was, zodat de schapen overal mochten lopen (Bco); Alderhilligen, stig de winter op de wilgen (Bov), zie ook appelrillen
Allerheiligenmarkt, Allerhilligjemaarkt, Alderhiltjemaarkt, (Veenkoloniën). Ook Alderhiltjemaarkt = jaarmarkt te Winschoten op 1e en 2e maandag in november
allerhemelst, allerhiemelst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = heel erg Dat vund oeze Harm zo allerhiemelst lekker (Ruw)
allerijselijkst, alleriezelijkst, bijwoord, heel griezelig, erbarmelijk Hij schrouwde alleriezelijkst (Eex)
allerlaatst, allerlèest, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, allerlaatst Hie hef zien allerlèeste koe non ok verkof (Sle), (zelfst.) Op het allerleste kreeg e toch nog een kans op het laatste moment (Bov)
allerlei, allerlei, bijvoeglijk naamwoord, allerlei Mitwarken an een Drents woordenboek is mooi, allerlei olde woorden komt weer naor veuren, maor allerlei karweigies van oezelf blieft liggen (Noo), Hie is met allerlei zaken op de heugte (Bor), Hie hef van allerlei spul te koop (Bal), (zelfst.) IJ kunt mij nog allerlei meer vertellen, maor ik leuf er neeit veul van (Eex), Zij gef hum allerlei (Wei), Hetis wat allerlei, een mingelmoesien (Smi), zie ook allerhande
allerliefst, allerliefst, bijwoord, Voor var. z. lief = allerliefst Wat is dat een allerlaifst mooi wicht (Een), Dat doew het allerliefste (Zdw)
allermakkelijkst, allermakkelst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, het allergemakkelijkst Dat is wal het allermakkelijkste karwaigie, wat e zuk door oetzöch hef (Bov)
allermeest, allermiest, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, allermeest De oldste hef nog het allermieste van zien moe (Pdh)
allerminst, allerminst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, allerminst Dat is de allerminste kerel, dei ik ooit zein heb de slechtste (Bco), Het is mij nog allerminst dudelijk (Pdh), Bij die boer heb ik het allerminste verdiend (Sle)
allermirakels, allermerakels, allermerakelst, (Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord). Var. als bij merakel = heel bijzonder Wat is dat een allermeraokelst mooie meid (Gas), Het was allemeraekels mooi (Die)
allermisselijkst, allermisselijkst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tussenwerpsel, enorm gemeen Dat is de allermisselijkste streek, dei ze oethaald hebt (Bov), Wat is dat een allermisselijkste vent (Bei)
allermoeilijkst, allermoeilijkst, bijvoeglijk naamwoord, zeer moeilijk Wat is dat een allermoeilijkste som (Eco)
allermogelijks, allermeuglijks, bijwoord, (ov) = heel bijzonder, geweldig Oen varken had bij zien leven zo’n allermeuglijkse mooie starte
allermooist, allermooist, het, allermooist ’s Zundags gungen ze op ’n allermooist naor de karke (Nam), Het veurjaor is op zien allermooist (Nor), In junimaond is het op ’n allermooisten (Zui)
allernaarst, allernaorst, allenaorst, aldernaost, allernaerst, allernaerigst, Ook allenaorst (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), aldernaost (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), allernaerst (Zuidwest Drenthe, noord), allernaerigst (Zuidwest Drenthe, noord). Ook wel zonder r uitgesproken = 1. enorm, zeer Ik heb het aldernaorst drok (Bui), Aldernaorst, wat gong hij te waarke verschrikkelijk, wat ging hij tekeer (Dwi), Hij weert hom allernaorst (Row), Ik vin dat toch zo’n allernaorst maal wicht (Nor), Hij kan allernaerigst eten (Dwi) 2. slecht, beroerd (Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Het is allernaerst met het weer, altied regen en wiend (Smi), Jan is der allernaost aan toe (Exl) 3. naar, vervelend, akelig (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) Wat is dat een allernaorst kind (Eco), Dat was een allernaorste deugniet (Rod), Ik heb allernaorste koeszeerte (Een), zie ook allernoodst
allernaast, allernaost, bijvoeglijk naamwoord, het meest dichtbij Zien kind was hum het allernaost (Bov)
allernauwst, allernauwst, bijwoord, (ti) = terdege Aj op dat alles lettenden en op het allernauwst acht gavven (ti)
allernodigst, allerneugst, bijwoord, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = zeer dringend Hij is allerneugst an een nei pak toe (Bro), Ikke mus allerneudigst naor het huusien (Dwi)
allernoodst, allernoodst, aldernoodst, allernoods, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook aldernoodst, allernoods (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe) = erg, enorm Het was allernoodst slecht weer (Bor), ...allernoodst donker (Odo), De komedianten speulden allernoodst mooi (Dal), Een allernoodste toestaand (Eex), Het was slecht weer, allernoodst (Nam), Het hef der aldernoods um weggaon het heeft er geweldig gespookt (Oos), Een allernoodse dikke donderbui (Sle), zie ook allernaorst
allernuverst, allernuverst, bijvoeglijk naamwoord, Var. als bij nuver = erg netjes, keurig Het is een allerneuverst wichie (Hijk)
allerstapelst, allerstapelst, bijwoord, Var. als bij stapel = buitengewoon Die jong is allerstapelst gek op dat wicht (Wee)
allerstoerst, allerstoerst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zeer moeilijk Daor hebben wie het het alderstoerste mit: wat overholden (Vtm)
alleruiterst, alleroeterst, bijvoeglijk naamwoord, alleruiterst In het alleruterste geval doew het! (Dwi)
allerverschrikkelijkst, allerverschrikkelijkst, allerschrikkelijkst, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook allerschrikkelijkst (Kop van Drenthe) = heel erg, in sterke mate Het was allerverschrikkelijkst veule (Hol)
allervriendelijkst, allervrundelijkst, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, heel vriendelijk Zie kun zo aldervrundelijkst lachen (Sle)
allerwaarergens, allerworens, bijwoord, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = overal Allerworens is het te vinden (Bui), Vro in het veurjaor is het allerworens mooi (Eex), Allerworens waren ze an het zaod mèeien (Emm)
allerwegen, allerwegens, allerwegen, allerwege, allerwègens, allerweegs, al, Ook allerwegen (Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord), allerwege (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), allerwègens (Zuidwest-Drenthe, zuid), allerweegs (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), allerweggens (wb), aalweggens (Midden-Drenthe) = overal Dat bloempien kuj allerwegens vinden (Bui), Dat spul kuj nou allerwegens kopen (Vle), Dat kuj allerwegen zien (Anl), Aalwegens ziej dat volk (Bal)
allerwereld, allerwereld, bijwoord, tussenwerpsel, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). = helemaal Alderwereld nog ies toe! (Hgv), As vader det zag was het allerwereld mis (bh), (zelfst.) Wat heb ie daor toch in allerwereld te maken (Hijk),
Allerzielen, Allerzielen, de, Allerzielen, 2 nov. Mit Allerzielen zaten ie eerder de halve dag in de karke (Bov)
alles, alles, bijwoord, in sterke mate ’t Liekt er alles op dat... (Sle)
alles, alles, zelfstandig voornaamwoord, alles Ze hebt door van alles, ...van alles en nog wat (Bov), Bedden en alles haj der in (Bal), Dat is ok nich alles (Nsch), Dat liekt daor ok niet alles te wezen het is daar ook niet alles rozengeur en maneschijn (Emm), Ik wil der alles niet veur hebben niet te veel, gezegd wanneer men iemand een dienst heeft bewezen (Sle),...(And), Ik wil der alles niet veur geven niet veel (Bui), Hie kraomt er van alles oet spreekt wartaal (Man), zie ook al aal
alliantie, alliaansie, alliaantie, alliantie, alliansie, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook alliaantie, alliantie (Kop van Drenthe), alliansie (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. vriendschap, omgang, (begin van) verkering Ze hebt alliaansie met mekaor ze zijn bevriend (Hgv), Daor hebbe wij gien alliaansie met, dat volk lig oos neet (Bei), Hij hef wat alliaantie mit Jaantie van de buren (Die), Zo lang as wij heur kenden en er met in alliaansie waren (N:tu) 2. bekenden (Midden-Drenthe) Wat hebt die mensken een alliaantie (Anl) 3. verbintenis, band Ze boeren in alliaansie in gemeenschap, gezamenlijk (Schl), In alliaansie mit zien breur hef hij zudden steuken veur de winter (Dwi), Die beiden, dat is ien alliaansie (Hgv), Hij steet in alliaantie met zien zwaoger (Bei), Twei zaoken dei ain alliaantie aangaon hebben (Twe)
allicht, allicht, bijwoord, allicht Hie zal allicht niet vro weer kommen, want het is een heel end weg (And), Allicht, dat is nogal wiedes (Flu), Allicht zal de meester het wel waiten (Eco), Dan meent zo’n vrömde allicht dat... (ti)
allo, allo, bijwoord, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = uitroep ter aansporing Allo, schiet ies op (Sle), zie ook alla
allooi, allooi, het, allooi Het is volk van minder allooi (Man), Een meid van niet al te best allooi (Dal)
almaar, almor, Ook los geschreven, z. onder aal II
almanak, almenak, almenakke, almanak, aalmenak, almenakken, Ook almenakke (Zuidwest-Drenthe, zuid), almanak (Zuidoost-Drents zandgebied), aalmenak (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = almanak De Steenwieker almenak en de Grunger almenak (And), De Enkhoesder almenak (Gie), De Deventer almenak (Sti), Hie hef een kop as een almenak hij kan goed onthouden (And), Mien kop is gien almenak ik kan niet alles onthouden (Sle) *Kraanten en aalmenakken binnen almaol leugenzakken (Eco); Almenak, leugenzak (And)
almangs, asmangs, amangs, (Midden-Drenthe, be, N). Ook amangs = soms, z. ook mangs
almogend, almeugend, allemeugend, allermeugend, almeugenst, almeugens, , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, wb). Ook allemeugend (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, wb), allermeugend (wb), almeugenst (wb, wm), almeugens (wb), almugend (tl) = in hoge mate, allemachtig Harm mug hum allemeugend geern lien (jo), Almeugend mooi weer (wb), ’n Almeugens best wief (wb), Wel allemeugend nog toe (bh), ’n Almeugendst raor geval (wm), Een allemugende toer iets zeer moeilijks (tl)
alnaar, allernao, alternao, altenao, aldernao, (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën). Ook alternao (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), altenao (Zuidwest-Drenthe, zuid), aldernao (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = al naar gelang Aldenao der waarkt weur, weur der ook verdaind (Vtm), Alternao hoe het weer is (Ruw), Hoe groot is een waardiel? Dat is allernao! dat hangt ervan af (Sle), Alternao waor aj de pompe hadden staon; aj hum an de butenmure hadden dan haj allenig mar een geutegat en aans een geute bij de pompenstraote langes (Koe)
alpinomuts, alpinomus, alpenmus, Ook alpenmus (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = alpinomuts Alpenmussen waren ronde mussen mit een klein startie in het midden der op (Pes), Hij har zien alpinomusse altied op, ik geleuf dat e hum op berre nog ophul (Bov)
als, als, aals, (Zuidoost-Drenthe). Ook aals (Midden-Drenthe) = elk IJ moet in als geval even bij mij kommen (Sle), Der komp in aals geval eein (Eex)
als, as, partikel in verbinding met betrekkelijk voornaamwoord, (Zuidwest-Drenthe) De meinsen, die as dat zegd hebt, weet er niks van (Hol)
als, as, voegwoord, 1. in vergelijking met Het weer is hiel aans as dat ze veur de radio zegd hebben (Smi), Hij is nog langer as onze Berend (Hgv), Hie is zo gemein as wat (Erf), Het is zo kold as wat (Row), Het is zo smerig as ik weit niet wat (Vri), Ik was niet eerder familie, as doe ik trouwd bin (Sle) 2. als het ware, alsof Het is net as der niks gebeurd is (Sti), Het giet as gesmeerd (Oos) 3. in de hoedanigheid van Hoe kunt ze zoiene as veurzitter maken! (Sle) 4. wanneer, toen Dou as ’t zo wied was, heb ik de buren even roupen (Vri), ...trök hij de hakken in de wal trok hij zich terug (Bro), As het zo wied was, kwam de vroedvrouw (Git) 5. indien As het is dat e niet kan, moej het even zeggen als hij niet kan (Bal), As ik mor eerst over de helft bin, dan begunt het op te scheeiten (And), As het mag wezen dat ie niet wil... (Wap), As met wies, mös kommen als je meewilt (Sle), As hij thuus is, is ter mitiene lèven in de brouwerije (Hgv) 6. of, of ook, ook kiek is even, as hai der al aankomt (Eco), Ik weet niet wel as dat daon hef (Sle), Ik zal even in het hokke kieken, as de kiepen nog elegd hebt (Koe), IJ weet veurtied niet, wat as het wodden zal, een jong of een wicht (Eex), Het is net as er niks gebeurd is (Schn), Ik weet niet, waor as hij is; ik leuf in de schuur (Eex) 7. dat, ook ter versterking Tot zolang aj der bint (ti), Tot as het zo wied was... (Gie), Ik meen aj zeden, ... (ti), Ik wol a’k het eerder weten hadde (Bal), Sufferd aj bint (Bui), Knul aj bint, kiek toch beter uut joen doppen (Eri), Janken as hij kan! (Mep) 8. tot (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), Mooj waacht net zo lange mit eerpels opzetten as vae thuus is (Die), Hie lop net zolang as alles daon is (Gas) *As Paosen en Pinkster op één dag valt nooit (Dal); As de hemel valt, kriej een blauwe slaopmutse (Bco), ook As de lucht valt, hew allemaole een blauwe slaopmuts (Nam); As alle assen in zee vullen, wat zul dat een plomp geven (Sle); As komp in de meulen te pas (Wee); As het brij regent, heb wij het bord op de kop wij grijpen overal naast (Hijk); As een koe in het waoter schijt, is de stront vort en het waoter voel (And); As een kleine tegen een grote schieten wil, barst hum het gat als een kleine tegen een grote wil opboksen (Bov); As is verbraande turf opmerking als iem. voortdurend het woordje as (= als) gebruikt (Hijk)
als ertoe, astertoe, asterantoe, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook asterantoe (Zuidwest-Drenthe, zuid) = erg, in sterke mate, als wat ook Hai was zo kwaod astertou (Een), Hij kneep hum astertoe was erg bang (Die), Hie leup astertoou erg snel (Gas), Hij is zo zat astertoe erg dronken (Koe), Je moet astertoe maken daj daor weg komt als de weerlicht (Emm), ook Astertoe, donder op, van mien arf (Exl), Astertoe, wat was e kwaod (Pdh)
alschoon, alschoon, voegwoord, (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe, wb) = ofschoon Alschoon dat ofschoon (wb), Alschoon hij mit heur gunk, leup hij ook nog aachter aandere maegies an (Dwi)
alsem, als, aals, aalst, alst, alsem, aalse, alse, (Zuidoost-Drenthe). Ook aals (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), aalst (he:Oost-Drenthe), alst (Zuidwest-Drenthe, zuid), alsem (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), aalse (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), alse (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. alsem Knoppen van als (wb) 2. aftreksel van knoppen van alsemplant, gebruikt als maagbitter (niet Kop van Drenthe), Artemisia absinthium Hij gebroekt aalse (Bov), Het is bitter as aals, ...as aals op de maog (Git)
alsemplant, alsplant, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = plant, alsem, z. ook als I
alsemthee, alsthee, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = thee van gedroogde bladeren van alsem Zien moe hef alsthee zet; hij had het zo in de maag (Pdh)
alsemwater, aalswaoter, het, (Kop van Drenthe) = uit alsem getrokken gorgeldrankje voor kinderen met keelpijn
alsemwortel, alsewortel, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = wortel van de alsem
alsjeblieft, asjeblief, asteblief, astoeblief, astjeblief, asjeblieft, Ook asteblief (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe), astoeblief (bh), astjeblief, asjeblieft (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = asjeblieft, en of! Blief asjeblieft oet mien buurt (Bor), Asteblief, hier hej het (Dwi), Asjeblieft, zo’n mooi stukkie wark heb ik nog nooit zien (Odo), Asjeblief geen spek weer (Ros), Gaot asteblieft uut de wege (Hgv), Hej het er goed had? Asjeblief! nou en of (N:Sle), Asjeblief, zuk lopen heb ik nog nooit zien (Sle)
alsmaar, aalmor, aalsmor, alsmor, alemor, Ook aalsmor (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied), alsmor, alemor (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), alemor (Zuidoost-Drents zandgebied) = alsmaar In gedachten wuur hie almar rieker (Schn), Die klokke tikt alsmar an (Noo), zie ook aal II
alsof, asof, voegwoord, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = alsof Hij dee net asof e niks zien har (Klv), Asof doe der verstand van hest! je denkt toch niet, dat jij er verstand van hebt (Bov)
alstadig, alstaodig, bijwoord, (Zuidwest Drenthe, noord) = langzaam, voortdurend Alstaodig an is het aans eworden (Wap)
altaar, altaar, altaor, altaaren, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook altaor (Noord-Drenthe) = altaar Die bloemen zet ik op het altaar met de keersen (Klv), Ik was veuls te laote, de pestoor stun al op het altaor (Eco)
altemet, atmet, aalsmets, ammet, ammit, almet, altmet, altemet, an, bijwoord, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe), accent wisselt. Ook aalsmets (wb), ammet (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), ammit (Zuidwest-Drenthe), almet (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), altmet (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), altemet(Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), antmet (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, wb), asmet (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, wb), atmets (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, wb), esmets (wb), astmit (wb), apmit (wb, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën), asmes (Zuidwest Drenthe, noord), asmits (Veenkoloniën), asmis (Veenkoloniën), ansmits (wb), ansmet (wb), ammits (Zuidoost-Drents veengebied), smets (wm) = 1. soms, zo nu en dan, misschien Zit mij niet aal zo an te gloepen, heb ik ammet wat van je an? (Hijk), Hij is atmet slim kört veur het gat (Bei), Aj atmit langes koomt, koomt dan effen an (Zdw), Hej apmit nog poters aover? (Dwij), Het is asmets net of de jeugd de kolder in de kop hef met dat gekleurde haor en die haonekam op de kop (Zey), Ien zokke woonwagens huzèert apmit wat! (Rui) 2. bijna nog, zelfs (Zuidwest-Drenthe, wb, dva) Hij is altemit nog dommer as... (Dwi), Hij hef een hekel an waeter, ammit nog om te drinken (Wap); intmit (N:dk) = soms Of dèenk ie intmit dat...,
alteratie, alderaosie, alteraosie, alleraosie, allernaosie, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën). Ook alteraosie (Zuidwest Drenthe, noord, alderaosie (Veenkoloniën), alleraosie (Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord), allernaosie (Zuidwest Drenthe, noord, Veenkoloniën) = schrik, verwarring Ik heb het in mien alderaosie hielemaole vergeten (Zdw), Wat gaf dat een alderaosie, die zigeuners in het darp (Sle), Ik leut van alderaosie de panne mit bonen vallen (Noo), Het was een geweldige aldernaosie, toen de auto over de kop vleug (Ros)
Alteveer, Alteveer, plaatsnaam, in Hie hef de gedachten op Alteveer is verstrooid (Zwig)
altijd, altied, aaltied, altiedink, altieding, altieten, altieden,, Ook aaltied (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), altiedink (Zuidoost-Drents zandgebied, bu), altieding (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuid-Drenthe), altieten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), altieden (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe), altietig (Zuidoost-Drents zandgebied), aaid (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), aaik (Zuidoost-Drents zandgebied), eid (Eez) = altijd Hij is altied en eeuwig op stap (Wap), Dat is aaid nog niet zegd dat is geen noodzakelijk gevolg (Bei), Meng je der aaid niet maank (Gro), Mangs wal, aaid niet soms wel, niet altijd (Scho), Het binnen aaid dezulfden (Twe), Der komt aaltied wel wat van in ieder geval wel iets (Gie), Het zal aaid wel wat later worden as aans vast wel (Sle)
aluin, aloen, aluun, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook aluun (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = aluin As ie het in aluun legt, wordt het wel weer schone (Dwi), Aj het in de koezen hebt, moej een stukkie aloen an de koeze leggen (Bei), De bakker bruukde aloen bij het koken van aol wief (Eex). Aluin werd vooral gebruikt als bloedstelpend en desinfecterend middel; bij huidziekten en wonden; in gorgeldrank tegen keelpijn en om boeren op te wekken; gemengd met bruine suiker als bestrijdingsmiddel tegen mieren; om de mond te spoelen bij pijnlijk gehemelte of na het trekken van een kies; tegen ziekte, toegediend als beleg op de boterham; voor het inmaken van augurken; voor het zuiveren van water uit de sloot of kanalen dat bestemd was voor de was (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied); voor het schoonmaken van de pens bij huisslachten; bij het looien van huiden, enz.
aluinsteen, aloenstien, de, scheersteen As de manlu zich eschèuren hadden en zij hadden zich esnene dan stipten ze dat an mit een aluunstien, dan gung het bloeden aover, maar het beet wel (Hol)
alvast, alvast, bijwoord, alvast Gaot alvaste maor weg, ik kome oe wel nao (Hol)
alvleesklier, alvleesklier, de, alvleesklier Een alvleesklier noemen ze hier ook wel de baors (Nam)
alvorens, alveurens, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = alvorens Alveurens de boer ‘Vurt bles’ wil zeggen, zeg hij tegen de knecht: ‘Klaos, helpt even anzetten’ (Hav)
alweg, aalweg, bijwoord, (Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = steeds Hai luip mie aalweg veur de vouten (Vtm)
alwis, altwisse, alwis, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord, sk). Ook alwis (Midden-Drenthe) = toch As ie altwisse in de buurt koomt, moej even anlopen (Dwi), Alwis, je hebt geliek (Anl)
alzo, alzo, bijwoord, (ti) = derhalve Fietsen zint dingen, waor men niet met in het waoter raokt, umdat men aaltied een haard pad under zuk hebben en alzo wied van het waoter of blieven mot (ti), Gerriet meende alzoo, doe Hinderk er niks op zee, dat het aal verkeerd was (ti)
am, am, ampie, ammie, (N:Noord-Drenthe). Ook ampie (N:Noord-Drenthe), ammie (Kop van Drenthe) = lokwoord voor lam, ook voor mannelijk konijn (Kop van Drenthe)
amandel, amandel, mangels, mandels, amangels, amandels, amandelen, In bet. 2. (altijd mv.) ook mangels (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe), mandels (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied), amangels (Midden-Drenthe) = 1. amandel Dat waren lekkere koekies mit dei amandels der ien (Bov) 2. (meerv.) tonsillen, amandelklieren Hie mot de amandels der oet hebben (Erm), Hij hef het met de mangels (Geb), Oenze Jan möt mörgen hen mangels knippen (Dwi)
amandelklieren, amandelklieren, mangelklieren, mandelklier, maantelklieren, Ook mangelklieren (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), mandelklier (Midden-Drenthe, Veenkoloniën), maantelklieren (Kop van Drenthe) = tonsillen, amandelklieren Hie mot de mandelklieren der oet hebben (Bal)
amandelolie, amandeleulie, de, amandelolie Het flessie amandeleulie is leeg (Wei)
ambacht, ambacht, het, ambachten, ambacht Aj niet lèren wilt, dan moej maor een ambacht lèren (Bei), Hij hef een verkeerd ambacht (Hgv), Aj een ambacht lèerd hebt, bi’j klaorder as een aander (Sle) *Twaalf ambachten, dartien ongelukken (Bor)
ambachtsman, ambachtsman, de, ambachtslu of var., ambachtsman, vakman Goeie ambachtslu bint er niet veule meer (Koe), Het is een goeie ambachtsman (Zwi)
ambachtsschool, ambachtsschoel, de, ambachtschool Die timmerman hef nog met mij hen de ambachtsschoel gaon (Sle)
ambitie, ambitie, ambizie, ambities, Ook ambizie (Zuidwest-Drenthe, zuid) = ambitie Ik heb het hum wel an ebèune, mar hij har der gien ambizie veur (Ruw)
ambt, ambt, het, ambten, ambt Wat veur ambt hef hij? (Dwi), Domnee is niet meer in ambt (Sle) *Twaalf ambten, dartien rampen (Hijk)
Amerika, Amerika, Amerikao, Amerika’s, Ook Amerikao (Noord-Drenthe) = Amerika, in het bijzonder Noord‑Amerika Ze bunt nao de eeuwwisseling vanoet het veen naor Amerika emigreerd (Bov), Za’k je Amerika ies laoten zien? gezegd tegen kind dat door de spreker met beide handen aan het hoofd wordt opgetild (Ker), zie ook Keulen, Stienwiek, gaans
amicaal, amicaal, amicaol, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook amicaol (Noord-Drenthe) = amicaal Ze gaot nogal amicaal met mekaar um, dat giet nooit goed (Odo)
amper, amper, aamper, aaperties, amperies, Ook aamper (Zuidwest-Drenthe, wb), aamperties (wb), amperies (Midden-Drenthe) = 1. nauwelijks, nog maar net Daor zuw wel aamper genog an hebben (Koe), Hie is amper èerlijk (Sle), Het vrus amper (Emm), Hie kon het mar amper rekken hij kon er nauwelijks bij (And), Het is maor amper vertrouwd, zo allein bij aovend bij ’t pad (Vri) 2. bijna, nog niet helemaal Dat meisje was nog maar amper 14 jaor of het leup al achter de jongens an (Eri), Hij had het nog mar aamper ezegd, of daor haj het gedonder al (Flu), ’t Eten is nog amper klaor nog niet helemaal klaar (Oos)
amper aan, amperan, ampelan, aampram, Ook ampelan (Zuidwest-Drenthe, zuid), aampram (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bijna niet, ternauwernood, nog maar net Het is nog mor amperan daon (Sle), Amperan stunnen de eerpels op ’t gas of ij kunden ze van verren al ruken: der was nooit waoter in de pan kommen (Eex), Dei lop er wat roeg bij, hij is maor amperan schier (Vri), Jonggie, probeer niet de börden op de taofel te zetten, ie kunt ja aamperan op de taofel kieken (Bro), Hij hef amperan dreug brood hij heeft bijna geen eten (Bco), Het is mor amperaan met hum het gaat hem niet al te goed (Eco)
ampies, ampies, tussenwerpsel, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = vrije situatie bij een spel Vrogger op schoele zeiden ze 'ampies' as ze èven niet meer mitdeden mit vangertie aover het schoelplein van het ene hekke naor het aandere. As ze dan an het hekke stunden waren ze vrij, maor daor mug ie niet blieven staon (Hol)
Amsterdam, Amsterdam, plaatsnaam, Amsterdam, in o.a. Wat is die koffie hiet! Dan moej net doen as in Amsterdam! Wat doet ze daor dan? Poezen! (Sle), zie ook Stienwiek, Za’k oe,...je Amsterdam ies laoten zeen, ...wiezen? een spelletje, waarbij men het kind optilt met beide handen tegen het hoofd van het kind (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), zie ook Keulen, Stienwiek, gaans
Amsterdams, Amsterdams, bijvoeglijk naamwoord, Amsterdams Ie hadden een maotstok veur törf, 2.20 m veur Grönniger wark, 2.50 m veur Amsterdams wark (Bov), zie ook stok
ananas, ananas, de, ananassen, ananas Hij hef een grote ananas mitnomen van de markt (Bco), Ik zin niet zo gek op sap, woor ananas deurzit (Sle)
ander, aander, aar, aer, ander, Ook aar (wm), aer (wm), ander (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = ander(en) Van een aander zienend moej ofblieven andermans spullen (Sle)
ander, aander, ander, Ook ander (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën); de vormen aander en ander worden ook zonder d uitgeproken = ander Jij kunt beter mit ander volk umgaon; dit is niks veur joe (Klv), (zelfst.) Wat kan oe die aander schelen? (Nije), De ien kan meer as de aander (Oos), Het ien is al naor het aander de omstandigheden beïnvloeden elkaar (Sle), De eine wol het veur de aander nich doun (Bov), Mit ’n aander zien veren pronken (Scho)
ander, aander, ander, antern, Ook ander (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën), antern (md) = tweede, eerstvolgende Aander jaor gaow mit vakantie, maor het aander jaor nich het volgend jaar op vakantie, maar het jaar daarop niet (Ros), De ander weke kow bij oe (Stu), Hoe zul wij het doen, elk jaor of um het andere jaor (Coe), Um het aandere jaor gung hum een koe dood (Odo), Wie dout um het aander om beurten (Bco)
anderd, anderd, aanderd, ainjerd, (Veenkoloniën). Ook aanderd (Zuidwest Drenthe, noord, be:Kop van Drenthe), ainjerd (be:Bor) = de tweede beurt hebbend Wij verbouwt daor rogge en eerappels um aanderd om beurten (Dwi), Doe bist eerst, en hij is anderd (Ros), Eerst, aanderd, daard etc (be:Vri), ...ainjerd, daarderd (be:Bor)
anderd, ainderd, tussenwerpsel, (Veenkoloniën) = de eerste beurt hebbend, z. ook bij anderd
anderdaags, aanderdaags, aanderdags, aanderdag, anderdage, Ook aanderdags (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), aanderdag (Zuidoost-Drents veengebied), anderdage (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. onlangs (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) Aanderdaags leup hij hier nog langs (Wei), ’s Aanderdaegs heb ik hum nog eziene (Dwi) 2. de volgende dag Zundag was het min weer, maor anderdaogs was het weer gooud en dinsdags störmde het (Gas), Dat doun wie aanderdaogs wel (Oud) 3. binnenkort (Zuidwest Drenthe, noord), in ‘Ik kome ’s aanderdaegs wel ies langes’(Die)
anderdaags, sanderdaags, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe) = 1. de volgende dag Dat was nich veurige weke dunderdag, man sanderdaags, do hij dat zee (Bco) 2. onlangs Sanderdaags stund weer det hondtie veur de deure (Ruw) 3. eerdaags (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ie zult er sanderdaags wel van heuren (Nije), z. ook anderdaags
anderdaags-, aanderdaags-, aanderdag-, aanderdags‑, anderhalf Mit aanderhalf uur (Gie), Mit een uur anderhalf (ti), ...of anderhalf (Sle), Mit ’n anderhalf uur bin ik er (Twe), Ze waren met anderhalve man en een peerdekop (Nsch), Aintaands eggen is an mekaor langes, an
anderdagen, aanderdagen, bijwoord, (N, Zuidoost-Drents veengebied) = vroeger Aanderdagen kwam dat vaker veur (N) *Anderdagen, toen de kreien nog deur de ribben scheten (Eri)
anderhalf, aanderhalf, verbuigbaar telwoord, anderhalf Mit aanderhalf uur (Gie), Mit een uur anderhalf (ti), ...of anderhalf (Sle), Mit ’n anderhalf uur bin ik er (Twe), Ze waren met anderhalve man en een peerdekop (Nsch), Aintaands eggen is an mekaor langes, anderhaalftaand is haalf over het veurige hen en dubbeltaand is over mekaor hen en aaltied dezölfde kaant opdraaien (Eev)
andermans, aanderman, andermans, andermaans, aandermans, aandermaans, Bijna altijd in genitief: andermans, andermaans, aandermans, aandermaans, = (van) een ander Dat is anderman zienend (Vmu), Aandermans goed muj ofblieven (Ass), Hij teert op aandermans buus (Zwi), ...op aandermans zak (Dwij), Hij leeft in aandermans tied is al erg oud (Zwe), De bienen under aandermans taofel stikken (Val), Hij kan de zun in ’n aandermans schöttel niet best zien schienen de zon niet in het water zien schijnen (Bui), Naor aandermans vrouw raizen een verhouding hebben met de vrouw van een ander (Pei), Met andermans geld boerken boer zijn met geld van een ander (Zdw) *Andermans boeken bint duuster te lezen over zaken of gedachten van een ander kan men moeilijk oordelen (Wijs), ook Aandermans brieven (Ass); Aandermans leeid is maklijk te draogen (Bal); In aandermans schöttel is aaid vet bij een ander lijkt het altijd beter en mooier (Sle), ook Aandermans pottie liekt altied vetter of Het is altied vet in aandermans ketel (Coe); Aandermans goud is aandermans zörg (Row); Die met aandermans nèerze te kerk giet komt niet wied wie zich altijd op een ander richt komt niet ver (Sti); Al te goed is aandermans gek is buurmans gek (Hgv)
anders, aans, aanders, anders, aors, Ook aanders (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën), anders (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën), aors (vs, dc) = anders Ik was aans wel even kommen, maor ik kun neit (Vri), Wij weet niet aans, of hij geet trouwen (Bei), Het is aans wal ’n klaore kerel, mar hij drinkt nogal voor het overige (Klv), Ik heb dat argens aans ok wal ies zien (Oos), Het smaokt nich best, man het is nich aans (Ros), Het is goed spul, dat is niet aans dat is gewoon zo (Sle), Een manskèrel was een manskèrel, maer een vrouwmens was heel wat aors (vs)
andersom, aansum, ansum, anderssum, aanderssum, Ook ansum (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), anderssum, aanderssum (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = andersom, tegengesteld, Do most het breien net aansum anpakken (Zwi), Niet linksum ofslaon bij het kruuspunt, maor net aansum, dus rechtsum (Bui), Veuroet, aansumme, ik mag je neet mèer zeen (Bei)
anderswaar, aanderworens, anderswoor, anderworens, anderwörrens, aanderwaor,, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest Drenthe, noord). Ook anderswoor of anderworens (Zuidoost-Drents veengebied), anderwörrens (Ros), aanderwaor (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), aansworens (Midden-Drenthe), andersvanaargens (Veenkoloniën) = ergens anders Het lag mij bij dat ik hum aanderworens is zeein har (Eex), Die boudel zal wal andersvanaargens liggen (Vtm), Hij waont noe anderswoor (Nsch), Hij is anderworens hentrokken (Bov), zie ook ienerworens, worens
andertijds, aandertieden, sandertie, andertie, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook sandertie (dva), andertie (Zuidoost-Drents zandgebied) = in vorige dagen of tijden Aandertieden deden wij dat hiel aans (Emm), Andertie heb ik nog maol met hum proot (Scho)
anderweegs, aanderwegens, aanderweggens, aanderweegs, (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord ). Ook aanderweggens, aanderweegs (Zuidwest Drenthe, noord), aanderweegs (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidoost-Drents zandgebied ) = elders Aanderwegens doet ze dat ok wal ies (Sti), Ik meende dat oous schup in hoes op deel was, mor nou was e aanderwegens (Eex), Geert, die woont er niet meer; die woont anderweegs (Exl)
andijvie, andievie, de, andijvie Wie hebben mooie andievie in toene (Eco), Andievie slinkt slim in aj het kokt (Pdh)
anekdote, anecdote, de, anecdotes, anecdote Ik wait hier nog ain mooie anecdote over (Exl)
anemoon, anemoon, anemone, annemoon, anemonen, Ook anemone (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), annemoon = anemoon Doe kwam e mit een bos annemonen anzetten (Bov)
anemoon, moontje, het, moontjes, (Veenkoloniën) = anemoon
anen, aonen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = vermoeden Hij kun het nich aonen, dat hum dat overkommen zul (Bov)
angel, angel, hangel, angels, Ook hangel (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = hengel, soms vishaakje Hij zit de huile dag met de angel bie het deip (Erf), Ik gooi de angel oet (Exl), Ie hebt de angel nog an de wieke liggen (Ker), (fig.) Ik mag graog ies een angelie oetgooien om wat gewaor te worden (Vri)
angel, angel, de, angels, 1. steekorgaan As een bije je stek verlös hij zien angel, mar een wapse stek wel vaker (Koe), Een angel van een imme meuje der veurzichtig oetstrieken (Nsch) 2. vervelende klier Wat een angel van een vent (Git), ...een angel van een maai (Hgv), 3. spriet aan de korenaar Garst hef lange angels (And), Bij het garven smieten kreeg hij de haanden vol angels (Dwi), Ik heb een angel in het oog (Exl) 4. haartje of fijn streepje van afwijkende kleur Een mooi jurkien, blauw mit een gries angeltien (Die), Ain zwaart pak mit ain wit angeltje (Vtm), Daor zit een mooi angelie deur (Anl), Det peerd hef een wit angeltien (sa:Rui) 5. glans over huid van dier (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Der ligt een mooie angel op dat pèerd het ziet er goed verzorgd uit (Rod), Hij hef een mooie angel over de hoed (Een) 6. karakter Der zit een kwaoie angel in (Pdh), Der zit een verkeerd angeldie in (Dwi), Hie hef een angeltien van zien moetje (Bui), Hij het er wel een angel van hij heeft iets van die aard (Row), Hij kan dat best edaone hebben, hij hef wel een angeltien van zoks (Bro), Hij hef een hoge angel in de kop verbeeldt zich wat (Bco) 7. in Een angeltien onder het riet er is sprake van achterbaks gedrag (Noo)
angelhaak, angelhaak, de, (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = haak van de hengel
angelstok, angelstok, hengelstok, Ook hengelstok(Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = hengelstok Hij hef een angelstok van bamboe (Ruw)
angst, angst, de, angsten, angst De angst sleug hum um ’t gat (Bui), Wat haar ik ain angst (Vtm)
angstaanjagend, angstanjagend, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Var. als bij jagen = angstaanjagend Een angstanjagend geloed (Bco), Geluudloos maor angstanjaogend (ov)
angstig, angstig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. angstig, bevreesd Al die malle dingen op de tillevisie kunt je zuver angstig maken (Bei), Hij was angstig in de hoed (Hol), Deur al die inbrekerij worden veul mensen angstig (Ndo), Het weur oes angstig um het hart (Wes) 2. angst teweegbrengend Met die novemberstörm was het ok angstig weer (Eex), Die zwaore novemberstorm van veurig jaor was aordig angstig (Flu), Het was een angstig ogenblik (Dwi), Wat angstig wark was dat (Nsch), Eein kind is een angstig bezit (Nor), Het is angstig mistig (Stu)
anijs, anies, het, anijs Anies kwam in heeite melk aj verkolden wadden, en dat draankie muj dan opdrinken, dan waj zo weer klaor (Eex), Wij kregen melk met anies, as de eerpel der oet waren (Wijs), Anies kwam in de roggenknieperdies (Dwi), ...in riest (Git), ...in soepenbrij (Zwig), ...in aole wieven soort koek (Eco), ...in de borrel (Bov), As een kou kolde op maog had, dan wur der wat anies in een fles waoter daon en dat wur de kou inschonken (Vri)
anijskorrel, anieskorrel, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = anijskorrel Anieskörrels kwammen in de joskoeken (Pdh)
anijsmelk, aniesmelk, de, anijsmelk Aniesmelk is goed veur de kolde (Wee), Toen wij kinder waren kregen wij wal ies aniesmelk, zoas non sukelaomelk (Oos)
anijswater, anieswater, het, (Zuidoost-Drents zandgebied) = water met anijs Anieswater was goed aj verkolden waren (Man)
anijszaad, anieszaod, het, anijszaad Hiete melk met anieszaod der deur kookt is hiel best aj kolde te pakken hebt (Smi), Anieszaod kwaamp in hete bliksem (Hol)
anker, anker, aanker, ankers, Ook aanker (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. anker, van bijv. schip, muur, horloge, kozijn etc. Hij zit vast an het anker wil daar blijven wonen (Gie), Hij hef het aanker uut egooid blijft te lang zitten (Mep), Hie kan zien anker niet vinden zijn plek (Zwe), Hie hef daor het anker oetgooid is daar gaan wonen (Zwig), Zij was zien anker en bij heur was het einlik zien tehoes (de), Bij dat aolde hoes zit het jaortal op de ankers (Sle) 2. inhoudsmaat (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, dva) Teen tunne beer en twee anker brandewien (dva), Een aanker wien is 38,86 liter. Dat is 44 fles en men gaf der dan nog ein fles op tou (Vri)
ankerbalk, ankerbalk, de, ankerbalk An de ankerbalke zit het anker vaste (Nam)
ankeren, ankern, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. het anker uitgooien 2. blijven plakken Hij blif altied aankern, as hij een praotie komp maken (Pes)
Annen, Annen, plaatsnaam, in *In Annen / is niks te vreten of te brannen / De moezen / ligt er dood veur de hoezen (Eex)
ansicht, ansicht, de, ansichten, ansichtkaart Geern mug wij een ansicht of aander andenken metnemmen (Eex)
antapel, antapel, antapelig, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook antapelig = rumoerig, wild Die kiender bint zoe antapelig, wij zult wel slecht weer kriegen (Bro), zie ook mantapelig, hantam, wantapel
Antonius, Anton, persoonsn., in *Jezus, oeze Heer doe bist / Weist doe, woor oes Anton is / Anton mit zien doene gat / Zat bestrèen op het foezelvat (Nsch, ook bekend in Vtm en Bco)
Antoniusgilde, Antoniegilde, het, (Dwi) = gilde genoemd naar de H. Antonius H. döt elk jaor een gifte aan het Anthoniegilde
antoniusvuur, antoniusvuur, het, (dc) = antoniusvuur, kwaadaardige varkensziekte
antraciet, antersiet, antresiet, antrasiet, anteresiet, Ook antresiet, antrasiet, anteresiet (Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. antraciet Wij hebt de winterbraand al in huus, eierkolen, mar ook antresiet (Hgv) 2. antracietkleur
Antwerpen, Antwerpen, plaatsnaam, o.a. in Prokkereur van Antwerpen praatjesmaker (Zwi)
antwoord, antwoord, het, antwoorden, antwoord Wij waacht al een weke op antwoord (Die), De brief die ik toen verstuurd hebbe, heb ik gien antwoord weer op kregen (Oos), Ik wil geern antwoord hebben op mien vraog (Wee), Geef daor nou mar ies antwoord op! wat zou je daar nu eigenlijk op moeten zeggen (Gee), Hij had der geen antwoord op wist er niets op te zeggen (Klv), Dat is gien antwoord op mien vraoge (Uff), Die hef het antwoord ok altied klaor (Schn), Dat gezeur is mij het antwoord niet weerd daar geef ik geen antwoord op (Noo), Dat kind is aid netties in taol en antwoord in het aanspreken en antwoorden (Scho), Dat is een geleerde baos, hij wet overal een antwoord op (Ndo)
antwoorden, antwoorden, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, antwoord geven Hej dat daon, Jan, ja of nee, ie zult mij antwoorden (Hijk), Waorum zeg ie nou niks, antwoord dan toch (Bei), IJ moet eerst antwoorden op mien vraoge (Sle), Wie mussen mit jao of nee antwoorden (Nsch), Daor vraog ij wat; daor kan ik mor zo niet op antwoorden heb ik zo geen antwoord op (Bal) *Ien gek kan meer vraogen dan tien wiezen kunt antwoorden (Odo); Vraogen is makkelijker as antwoorden (Die)
ap, ap, hap, sap, Ook hap (mc) en sap (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), in rijmpje *Ap sap siepie / Wanneer wor ie riepie / Ankomen meitied / As de veugels eier legt / Wat legt ze dan? / Legt ze dan gien eier? / Dan maor doppen / Gooi de olde wieven / Vlak veur de koppen / Koppen an het bloeien / Bloei, bloei vaarken / Gaot er mit hen maarken / Gaot er mit hen Engelaand / Engelaand stiet in de braand / Wie hef dat edaone? / Anne Maria, het stund er in te lezen / Van vader, van moeder / Van zuster en van broeder / Dreit er dan de kop maor of (Dwi); Sap, sap siepe / Wanneer bin ie riepe / Ankomen meie? Kattien op het dieken zat / Zutemelkse brije vrat (mc); Hap, sap, siepie, wanneer bin ie riepie / Ankomen meitied, as de veugels eier leggen / Eieren mit doppen, olde wieven koppen / Kop an het bloen, bloen, bloen, varkentien / Gaot er mee naor ’t markentien / Markentien stiet in de braand / Wie hef det edaone / Anna Maria, een heel mooi maagien / Van vader, van moeder, van zuster, van broeder / Drei maol umme ’t karkhof, drei maol umme ’t karkhof / Wil der mien kappien dan niet of / Sniedt hum dan de kop mar of (mc), en andere varianten, gezongen bij het maken van fluitjes uit een takje van de lijsterbes
apart, apart, ampart, apaart, Ook ampart (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, wb), apaart (Noord-Drenthe) = 1. apart, afzonderlijk Hij naam oos beide even apart um over de kwestie te praoten (Hijk), Zet dat maor apaart (Rol), Dat binnen pootbonen, die wil ik apart holden (Smi), De wichter zaten altied ampart (Ass) 2. bijzonder, merkwaardig, eigenaardig Dat bint aparte meinsen (Stu), Dat is een apaart stel (Eco), Dat mensk is wat apaart, hein! (Gas) 3. speciaal, in het bijzonder Daor meuj apart èven umme denken (Hol), ...even op verdaacht wezen (Eex), Ik mus daor apaart um hen alleen daarvoor (Dro), Moeder hef dat pertret ampart in een liesie laoten zetten (Hgv)
apegapen, apegapen, onbepaald werkwoord, 1. niets uitvoeren Man, gao an ’t wark en stao hier niet aal te aopegaopen maar wat te kijken (And), Wat is dat een luie kerel, hie is altied bij hoes te apegapen (Exl) 2. in op apegapen liggen niet(s) meer kunnen Hij was zo drok west um het heui in te halen veur de buie en no lig hij op apegapen (Bei), Hij hef zo tekeer egaone, maor nou lig hij op aepegaepen (Dwi), ...op aobegaopen (Eco)
apekool, apekool, de, kletspraat Die kerel moej niet geleuven, dat is almaol apekool wat die daor verkof (Sle)
apenbroek, apebroek, de, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, wb:Midden-Drenthe) = 1. hansop, kinderpyama Hie hef zien aopebroek al an (Gie) 2. schertsend gezegd van te kleine broek (Stu)
apendreet, apedreet, de, apedreten, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = 1. eigenwijs, klein mens (Midden-Drenthe) 2. bedilziek iemand (Zuidwest-Drenthe, zuid) 3. een meisje met veel verbeelding (Zuidwest-Drenthe, zuid) 4. onbetekenend mannetje (Zuidwest-Drenthe, zuid)
apenkop, apekop, de, 1. kop van een aap 2. vlegel Wat döt die apekop daor non weer bij die fiets (Emm)
apennoot, apeneut, de, pinda Wel haalt even een puut apeneuten? (Zwin), Dei doppen van de apeneuten geeft zo’n barg rommel (Bov), (fig.) Ie bint maor ’n aepeneute stelt nog niet veel voor (Dwi), zie ook grondneut
apennotenbankje, apeneutenbaankien, (Zuidoost-Drenthe), in Hie zit op het apeneutenbaankien achteraan in de zaal (Sle), ook wel: voor een dubbeltje op de eerste rang (Eri)
apenpak, apepak, het, opzichtig pak Hij leup het heile weekend in zien apepakkie rond (militair) uniform (Bov)
apenrok, aperok, aopenrok, aoprok, (Noord-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook aopenrok (Midden-Drenthe), aoprok (wb) = 1. onderrokje met lijfje (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) De aperok zat achter met knopen vast, har gien mouwen en was maakt van blauw baoi (Sle), ...maokt van waofelbaoi (Gas), ...was een garstekorrel ebreid liefie (Noo), De aoperok was vrogger ain van de veule rokken (Gie), zie ook aopelief 2. opvallend bontgekleurd kledingstuk van afwijkende vorm (Zuidwest Drenthe, noord) Een koetsier op de bok had een aeperokkien an (Wsv) 3. in Hij zit nog in de aoperok hij is nog jong (Rod) *Lange lange riegel / Twintig is een stiegel / Dertig is een aoperok / Veertig is een bonestok / Vieftig is een koekie (Anl)
apenstrik, apestrikke, de, apestrikken, (Midden-Drenthe) = vlinderdas Hij har een apestrikke veur (Hijk)
apensuikerij, aapsukkerije, aapsokkerije, (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb:Koe). Ook aapsokkerije (Zuidwest-Drenthe, zuid) = onzin Die ziekte van heur, dat is allemaole aapsukkerije (Zdw)
apostel, apostel, de, apostels, aposteln, 1. apostel 2. persoon (Zuidwest-Drenthe, zuid) Mar der waren apostels onder, die het nooit leerden figuren (po) 2. zoetwatervis, pos (Zuidoost-Drents veengebied) Die schele apostel zit vol graot (Eri)
apostolisch, apostolische, de, apostolischen, (meestal mv.) = lid van de apostolische gemeente De apostolischen zeden: heksenkrans in kussensloop, dan mus der een offer bracht worden, soms wal een kind (Emm)
apotheek, aptiek, aptaik, apteeik, apteik, apteek, appetheek, apotie, aptieken, Ook aptaik (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), apteeik (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), apteik (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), apteek (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe), appetheek (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), apotiek (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = apotheek De dokter har de aptiek nog an hoes (Sle), Dat is een duur apteik duur adres (Erf)
apotheker, aptieker, de, aptiekers, Var. als bij aptiek = 1. apotheker Gao mar hen de aptieker, die hef het wel (Ruw) 2. (mv.) kweekgras (Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.)
appa, appa, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe) = op, weg, verdwenen, gezegd tegen een klein kind Appa, poppien is appa gezegd als men een pop achter z’n rug heeft verstopt (Noo), Nou is de balle appa! (Bro), Het kleine kind kan al appa zeggen as hij het bordtien leeg hef (Ker)
apparaat, apperaot, apperaat, apperaoten, Ook apperaat (Zuid-Drenthe) = 1. apparaat Hie kun dat apparaot niet gangs kriegen (Odo), Dat is een heil apparaot groot geval, groot ding (Bov) 2. gezegd van persoon Dat is ook een mooi apperaot gezegd van iemand die iets geks uithaalt (Bui), Wat een eigenwies apperaat (Sle), Het is een vrumd apperaat, ie muut net weten, hoe aj hum anpakken mut (Dwij)
appel, appel, de, appels, 1. appel Die jongen hebt oes in de appels zeten (Sle), Gedreugde appels en paren (ui), Appels poffen (Hav), Dat is het neusien van de appel het neusje van de zalm (Wtv), Zie hebt nog een appeltien veur de dörst geld voor onvoorziene omstandigheden (Oos), IJ moet mar deur de zoere appel hen bieten (Sti), Der komp een schip met zoere appels an er komt een fikse regenbui aan (Bov), Dat doe ik niet veur een appel en een ei, ... een scheet en twei knikkers (Hol), ...dreei knikkers voor niets (Gas), Ik heb nog een appeltie met hum te schellen (Zwi), Hij is de rotte appel in de femilie (Dwi), ...in de maande (Bro), Zij hef wangen as appelties (Coe), Hij hef een kleur as een appel gezonde, rode wangen (Die) 2. kringen op de huid, als teken van gezondheid (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Het was zo’n gezond kind, het haar appeltjes op de billen (Vtm), Dat peerd hef de appels op de pokkel (Bco) *De mooie appels likt boven in de körf (Bei); Iene rotte appel in de maande mak de hiele boel te schaande een slechterik bederft het voor de hele groep (Bro); De appel valt niet wied van de boom (Gas); Aandermans appels bint aaid lekkerder wat van een ander is, lijkt altijd mooier (Gro); Wie gien appeltien veur de dörst wil bewaren, zal later daorvan het naodiel wel ervaren (Koe); Wie zien lichaam goed bewaart, bewaart gien rotte appel men moet zijn lichaan goed verzorgen (Mep); Boer, boer, wat smaekt oen appels zoer (Wsv); Appelie rond, appelie rond / Val in mien schoetien en niet op de grond (Hoh); Appel op stokkien kinderspelletje. Er wordt een appel op een stokje gelegd en vervolgens gaat het erom dat men die appel weet te bemachtigen en er zo snel mogelijk een hap uit neemt (Anl); Daor komp een schip met zoer appelties an / Wat kost ze dan? / Ien cent, twie cent / Twie cent is mij veul te duur / Geef mij dan een kooltien vuur / Kooltien vuur is mij te hiet / Geef mij dan een rooie biet / Rooie biet is mij te rood / Geef mij dan een körstien brood / Körstien brood is mij te hard / Geef mij dan een flik veur ’t gat / Het schip met zoer appelties komt nooit weer (Oos)
appèl, appèl, het, appèls, 1. oproep Hie hef de hond goed under appèl de hond luistert goed (Sti), Veural niet an oen moe zeggen, was dan zien appèl, want as die ’t wet, is ’t uut! (po) 2. beroep, bezwaar Daor gao ik tegen in appèl (And)
appelarmpje, appelnarmtien, het, (Zuidoost-Drents zandgebied) = armpje met kringen als teken van gezondheid
appelblad, appelblad, het, blad van de appelboom Appelblad verröt vanzölf (Bov)
appelbloesem, appelblössem, de, appelblössems, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = 1. bloesem van de appelboom 2. ringen, vlekken op de huid, meestal als teken van gezondheid Een peerd mit appelblossem op de kont (Pdh), Het pèerd zit under de appelblössems (Sle), Het was ziek, het har appelblossems op het gezicht koortsblos (Pdh), zie ook appel 3. appelschimmel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied)
appelbloesemzeegroen, appelelblössemzeegreuin, het, (wb) = een onmogelijke kleur
appelboks, appelboks, appelbroek, Ook appelbroek (Zuid-Drenthe) = plusfour De appelbroek was geschikt um an te hebben bij appelsgappen (Hgv)
appelboom, appelboom, de, appelbomen, appelboom Hie lig op bedde, hie is oet de appelboom vallen (Sle)
appelboomgaard, appelbommerd, de, appelbommerds, (wb:Zuidwest-Drenthe, N:West-Drenthe) = boomgaard met appelbomen, appelhof
appelboor, appelboor, de, boor om het klokhuis uit appels te verwijderen De appelbore kan ik niet vienden (Mep)
appeldag, appeldag, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = de dag waarop de fruitbomen door anderen straffeloos mogen worden leeggeplukt: 1 november, z. ook appelrilling
appeldief, appeldief, de, iemand die appels steelt De appeldeif is mie ontkommen (Bco)
appelen, appeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = kringen op de huid hebben als teken van gezondheid Het poppie dijt goed, het appelt zo mooi (Bor), Het aol haor is e kwiet, het peerd appelt zo mooi (Vri)
appelflap, appelflap, de, appelflap Ze kregen appelflappen bij de koffie (Klv)
appelgebak, appelgebak, het, appelgebak Appelgebak is lekkerder as er slagroom op zit (Vtm)
appelgoren, appelgoorn, de, appelgoorns, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = appelhof z. ook appelhof, appelbommerd
appelgrauw, appelgrauw, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = schimmelkleurig Een mooi appelgrauw pèerd (Rui)
appelhof, appelhof, de, het, hof met appelbomen De domnee en de dokter hadden een appelhof (Sle)
appelhout, appelholt, het, hout van de appelboom Appelholt wil best branden en het lig ok lang (Bov)
appelhurk, appelhörk, appelhuurke, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, wb). Ook appelhuurke (Ros) = plaatsje in het hooi om appels in te bewaren De appels blieft heeil mooi in lös heui in de appelhörk (Eex), zie ook loering
appelig, appelig, bijvoeglijk naamwoord, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = gevlekt van de huid, als een teken van gezondheid, z. ook appeld
appeljaar, appeljaor, het, appeljaar Het is van ’t jaor een goed appeljaor; ij kunt non wal wat van oes kriegen (Sle)
appelketel, appelketel, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = roodkoperen ketel
appelkist, appelkist, de, kist voor het bewaren van appels Zie hadden de deel vol staon met appelkisties (Oos)
appelkorf, appelkörf, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = korf voor appels Zie dee de valappels in het appelkörfie (Erm)
appelleren, appelleren, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. in beroep gaan, protest aantekenen Aj daor tegen appelleren wilt, dan dow ammaol met (And), De boeren gungen an het appelleren, toen ze heurden dat er een neie weg over de nesse zul kommen (Bei) 2. tegensputteren Doe noe maar wat ik die zegge en zit nich zo te appelleren (Nsch), Die jong appelleert altied tegen (Bal), Hij appelleerde nog wal aordig van een onwillig paard (Coe)
appelloering, appelloering, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = bergplaats voor appels in het hooi, z. ook loering
appelmarkt, appelmark, (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied), in Hie kwam der met op de appelmark ermee op de koffie (Sle)
appelmesje, appelmessien, het, appelmessies, appelmesje Het appelmessien lag in het körfien met de schellen (Erm)
appelmoes, appelmoes, appelmoos, Ook appelmoos (wb) = appelmoes Van zoere appels muken ze appelmoes (Sle), zie ook appelpente, appelsmots en appelsoppe
appelmolen, appelmeule, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bewaarplaats voor appels
appelpannenkoek, appelpankoek, de, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = pannekoek met zure appels Zie kregen nao het wark almaol een appelpankoek (Wee)
appelpent, appelpente, appelpent, appelpint, appelpinte, (Zuidwest-Drenthe). Ook appelpent, appelpint, appelpinte (Zuidwest-Drenthe, zuid) = appelmoes Wij hebt vanmiddag lekkere appelpente ehad (Koe), zie ook appelmoes
appelpit, appelpit, de, appelpit As kinder rijgden wie de appelpitten (Bov) *Appelpittien, appelpittien, waor komt mien vrijertien vandaon? (Hoh); Appelpittien, paerepittien / Waor komp Jan zien vrijer vandaon? / Van het oosten, van het westen / Van het zuden of van het noorden gezongen terwijl het pitje in de hand werd geschud; als het liedje uit was, keek men waar de punt van de pit heen wees, uit die richting kwam de ‘vrijer’ (Wsv)
appelplukker, appelplukker, de, appelplukker De appelplukker is van de ledder vallen (Bui)
appelrakker, appelrakker, de, appelrakkers, (Zuidwest Drenthe, noord) = plusfour, z. ook appelstelersboks
appelrillen, appelrillen, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = de laatste appels van de bomen halen op Allerheiligen door de jeugd Met Allerheiligen mugden de jongen appelrillen (Hijk), 1 Nov. is het appelrillen (Zwig)
appelrilling, appelrilling, appelrillingsdag, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook appelrillingdag = Allerheiligen, 1 nov., de dag waarop de jeugd de laatste appels van de bomen haalde, want op 1 november mudden de appels van de bomen of weden. Was dat niet zo, dan har de jeugd vrij mandaot. Dan wadden de appels veur heur (Eex), Hier was appelrilling op Dankdag de eerste woensdag in november (Man), zie ook Allerhilligen
appelsap, appelsap, het, de, appelsap Hie nam een fles appelsap met hen het laand (Dal)
appelschil, appelschel, de, schil van de appel Geef die appelschillen maor an de zwienen (Eco)
appelschimmel, appelschimmel, de, appelschimmel Kiek daor ies een mooie appelschimmel, …blauwschimmel (Sle)
appelsien, appelsien, appelsiene, appelsien, appelsienen, sinaasappel Vrouger kregen ze allèn met Paosen een appelsien of as der ies ein zeeik was (Nor), Dou mie mor ain appelsiene (Twe) *Geert, Geert Zwienesteert / Lopt met appelsienen / As e ze neit verkopen ken / Gef e ze aan de zwienen spotlied op de naam Geert (Erf), zie ook siniesappel
appelsmout, appelsmots, appelsmors, appelsmos, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook appelsmors (wb), appelsmos (wb) = appelmoes, z. ook appelmoes en appelpent
appelsop, appelsoppe, de, (Midden-Drenthe, wb:Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = appelmoes, z. ook appelmoes
appelstelersboks, appelstelersboks, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = plusfour, z. ook appelrakker, appelzak
appelstroop, appelstroep, de, appelstroop Appelstroop is mie vaak te zuite (Bov)
appeltaart, appeltaart, de, 1. appeltaart Mien vrouw hef veur de vesiede een appeltoorde bakken (Vmu) 2. scheldnaam voor een saaie, ietwat vreemde vrouw (Zuidwest-Drenthe, zuid)
appeltijd, appeltied, de, tijd dat de appels rijp zijn, Het was in de appeltied, dat het gebeurd is (Sle)
appeltuin, appeltoen, de, (Zuidoost-Drenthe) = appelhof De appeltune stun mooi in blui (Eri), zie ook appelgoorn
appelvink, appelvink, de, appelvink, Coccothraustes c. vulgaris Een appelvink hef een grote kegelvörmige snavel (Hijk)
appelwang, appelwang, de, Meestal mv= gezonde blozende wang Wat hef dat kiend lekkere appelwangies (Zdw)
appelwijn, appelwien, de, appelwijn Zij muik zölf appelwien (Eco)
appelzak, appelzak, de, (Zuidwest Drenthe, noord) = pofbroek
apport, apport, tussenwerpsel, apport, breng hier! Zoek apport! commando voor een hond (Vmu), Ik haar een eend schoten en dei vuil in de wiek. Ik zeg tegen de hond ‘apport Bello’, en hij huil hom der best oet (Pei)
apporteren, apporten, apporteren, apperteren, Ook apporteren, apperteren = apporteren Die hond wil best apporten (Sle), Ons hond wil wel staon veur het wild, mor niet apporteren (Pei), Een hond op apporteren zetten (Pdh)
apporteur, apporteur, apperteur, apporteurs, Ook apperteur = hond die apporteert Ik heb vertrouwen in mien jachthond, een reuzen verleuren apporteur (md), Het is een goeie apperteur, ... apporteur (Sle)
april, april, pril, Ook pril = de maand april Het is pril (Ros), Mien opa was in april jorig (Bov) *Op 1 april stuurt men de gekken, waor men wil (Sle); April dut wat e wil (Bco); ’n Dreuge meert en ’n nat april is naor de boer zien wil (Ruw); April zoel en nat vult schuur en vat (Vri); Wat meert neit wil, dat döt april (Vri), zie ook pril
aprilbloem, aprilbloume, de, aprilbloumen, (Zuidoost-Drents veengebied) = narcis
aprilmaand, aprilmaond, prilmaond, de, aprilmaand Het gebeurde in (de) aprilmaond (Bor), Het gebeurde prilmaond (Row); prilmaond (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe) = april Het was tou, dunkt mij, prilmaond (Vri)
aprils, aprils, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drenthe) = met betrekking tot april *Aprilse regen is veur de boer een zegen (Sle)
arbeid, arbeid, de, Var. als bij arbeiden = werk Wij moet mor eens weer an de arbeid (Dro)
arbeiden, arbeiden, aarbeiden, arbaiden, Ook aarbeiden (Zuidwest Drenthe, noord, Noord-Drenthe), arbaiden (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. werken Wie mossen dei dag stief aarbeiden (Eco), In het drokst van de tied arbeidden ze tot duustern (Bor), Wij mussen vroeger arbeiden tot wij der bij neervullen (Geb) 2. het begin van het baren of werpen, persen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) ...dan perst ze um de vrucht er uut te kriegen en dat nuumt ze wel arbeiden (Ruw), De kou aarbaaidde nog op het voel (Row)
arbeider, arbeider, aarbeider, arbaider, arrebeider, arbeiders, Ook aarbeider (Zuidwest Drenthe, noord, Noord-Drenthe), arbaider (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), ook als arrebeider uitgesproken (Zuidwest-Drenthe, zuid) = arbeider Een vaste arbeider is altied bij dezelfde boer van meie tot meie en een lösse arbeider was veur tiedelijk in de bouw of mit eerappels krabben (Hol), De arbeider gunk ’s aovends hen huus as het wark an kaant was, de knecht was intern en har de kost en de wasse toe (Ruw)
arbeiderij, aarbeiderij, de, aarbeiderijen, (Veenkoloniën) = keuterij
arbeidershuis, arbeidershoes, het, Vaak verkl. = arbeiderswoning. Ze woonden in een aarbaidershuusie aachter in het veld (Vmu)
arbeidershuishouding, arbeidershoesholding, de, gezin van een arbeider In zo’n arbaidershoesholding hadden ze het meisttied nich breid (Bco)
arbeiderskind, arbeiderskind, het, kind uit een arbeidersgezin Veur een arbeiderskind hef zij het wied brocht (Bov)
arbeiderskoe, arbeiderskoe, arbeiderkoe, Ook arbeiderkoe (Zuidoost-Drents veengebied) = geit
arbeidersmens, arbeidersmèensch, arbeidsmèens, Ook arbeidsmèens (Zuidwest-Drenthe) = eenvoudig iemand, iemand uit een arbeidersgezin Wij bint arbeidsmèensen, heerschop (bh)
arbeidersnest, arbeidersnust, de, arbeidersfamilie Hie komt ok mor uut een arbeidersnust (Geb)
arbeidersstand, arbeidersstand, arbeidsstand, Ook arbeidsstand (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = arbeidersstand Dat wicht kwam oet de arbeidersstand en hie oet de boerenstand en dat kun volgens hum niet goedgaon (Sle)
arbeidersvolk, arbeidersvolk, het, 1. mensen uit arbeidersfamilies 2. de arbeiders die men aan het werk heeft
arbeiderswicht, arbeiderswicht, het, meisje uit arbeidersstand De boer wol niet hebben dat zien zeun mit zo’n arbeiderswicht gung (Eri)
arbeiderswijf, arbeiderswief, het, vrouw uit de arbeidersklasse Ik hoopte dat ik nog wat weerummekreeg uut het feliezement van Willem, mar mis heur! Van oen moeder mak hij een arbeiderswief...(tu)
arbeiderswoning, arbeiderswoning, de, huis (als) van iemand uit de arbeidersklasse Der stait nog zo’n aolde arbeiderswoning op het bovenveen (Bov)
arbeidsloon, arbeidsloon, het, het loon van een arbeider Het arbeidsloon giet algedurig umhoog (Sle)
architect, architekt, assietekt, architekten, Ook wel als assietekt uitgesproken = architect Wel hej as architekt bij dat hoes had? (Zwe)
arend, aorend, arend, aorenden, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook arend (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. adelaar De roofvogel is hier een arend en de persoonsnaam Aorend (Hgv) 2. doffer (wb)
Arend, Aorend, persoonsnaam, in Wat ’n Aorend wat een sufferd (Dwi), Wat een Aorend Vret iemand die graag wat lust (Wsv), zie ook bij vreet-
arendsgulden, aorendsgulden, de, (Zuidwest Drenthe, noord, wb) = munt ter waarde van tien stuivers De olde leu hadden het nog wel ies over de aorendsgulden (Dwi)
arglistigheid, arglistigheid, de, (ti) = boze opzet Hoeveul zint er, die daor niet an geleuft, die aaltied wantrouwen hebt en arglistigheid meent te vinden (ti)
argwaan, argwaan, de, argwaan Het kwamp mettertied zo wied hen, dat de bakker zien vrouw argwaan kreeg (Hijk), ...aargwaon kreeg (Eco)
argwanend, argwanend, argwaonend, Ook argwaonend (Noord-Drenthe) = argwanend Hij kik mij argwanend an (Wijs), Hij is aordig argwanend, hij vertrouwt gieniene (Klv)
Arie, Arie, mansnaam, in kinderliedje (in kring) Arie in de tonne (Mep)
ark, ark, arke, aarke, aark, arken, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook arke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), aarke (Veenkoloniën, Zuidwest Drenthe, noord), aark (Noord-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord) = ark Die hef nog bij Noach in de ark ezeten gezegd van een zeer oud dier (Koe), Die hebt met Noach in de ark zeten van oude kleding (Bui), Die oolde haspel hef bij Noach in de ark zeten (Pdh)
arkeneel, arkeneel, arkeniel, arkenelen, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook arkeniel (N) = dakkapel, arkeneel Dat is dat hoes met een arkeneel (Sle)
arks, haast, haas, harst, aost, aast, harrest, (Zuidwest-Drenthe, zuid, be:Zuidwest-Drenthe en Midden-Drenthe). Ook haas (wb, be: Zuidwest-Drenthe, noord en Midden-Drenthe), harst, aost (wb:Zuidwest-Drenthe, zuid) aast (wb:Zuidwest-Drenthe, zuid), harrest (wp, dva) = 1. vel papier Een harst papier (wb) 2. omslag van een boek (Zuidwest-Drenthe, zuid, be:Zuidwest-Drenthe, noord en Midden-Drenthe) Een omslag van een boek is de kafte en een lös omslag een haast, het bescharmt de butenkaante (Hav)
arm, arm, aarm, arrem, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook aarm (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord). Ook uitgesproken als arrem (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. arm, armoe lijdend Hij was zo arm dat hij kun van honger nich slaopen (Bco), Een aarm brokkie een droge boterham (Dwi), Wij bint zo aarm, dat de moezen bij oens dood veur de spiende ligt (Dwi), Hie hef ’t zo arm, hie hef gien boks um het gat (Sle), Ze waren zo aarm, ze haden nog gien naegel um heur eigen gat te krabben (Dwi), Zij bint nog te arm um braand te roepen (Dwij), Zo arm as de mieren (And), ...as mieghummels (Bal), ...as een rups (Bal), ...as een loes (Vtm), ...as de luzen (Die), ...as een karkerotte (Ruw), ...as een rötte (Hijk), ...as Job (Coe), ...as een moes (Dal), ...as een piere (Nije), ...as een wörm (Row), ...as de bliksem (Val), (zelfst.) Hij hef het van de armen kregen van de diaconie (Dwi), De armen kregen wat van de jakens de arme mensen (Sle), Hij is grootbracht van de armen van de bedeling (de), Hij hef ’t van de armen had (Mep), Hij kreeg ’s winters altied törf van de aarmen (Die), zie ook bij diaken 2. beklagenswaardig Dat arme deier kun nich weer umhoogkommen (Bco), Hij har niks over veur die arme stumper (Eri) 4. onvoldoende bemest, schraal (Zuidwest-Drenthe, zuid, N:Kop van Drenthe) Aarm laand (N:Rod)
arm, narm, arm, naarm, aarm, de, narms, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook arm (Zuidoost-Drenthe), naarm (Zuidwest-Drenthe), aarm (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. arm, lichaamsdeel Het was zo glad, wij hebt mekaar in de narm neumen gingen gearmd (Zwig), Een slag um de arm holden (Nam), Dat is ok eein, die goeie arms an het lief hef kan goed werken (And), IJ moet je goed waschen, ok under de narms oksels (Sle), De narms opstreupen mouwen (N:Sle), Hij nem het gat onder de narm knijpt er tussenuit (Bro), Moe’k je bij de narm hebben? berispend beetpakken (Oos), Ze zit met de boek vol narms en bienen van ongehuwd meisje, dat moet bevallen (Vle), Dat hef hie under de arm slagen meegenomen (Sle) 2. links en rechts zijwaarts uitstekend deel van de wagenas (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, veroud.) 3. een van de schuin omhooglopende stokken van spinnewiel, waartussen het wiel zit. Ook verkl. (Zuid-Drenthe, hy) 4. paal op voorbord van de wipkar (Oost-Drenthe) De aarms van de wupkar zaten wat rok (Bor) 5. schoor in gebint (Zuidwest-Drenthe, zuid) 6. boom van de kruiwagen (Zuidoost-Drents veengebied), z. ook (kaor)barm
armbaarmuiltje, aarmbaarmoeltien, het, aarmbaarmoelties, (Zuidwest Drenthe, noord) = lieveheersbeestje
armbandhorloge, armbandhorlozie, de, polshorloge Ik heb eerder van mien opoe een armbandhorlozie kregen (Bov)
armelijk, armelijk, aarmlijk, Ook aarmlijk (Midden-Drenthe), voor var. z. ook arm I = 1. armelijk, armoedig Het liekt heel wat bij die mensen, maor ze hebt het armelijk (Bei), Een armelijke huusholding (Dwij), Een aarmelijk bestaon (Nor) 2. armzalig Het is mor aarmelijk good gezegd bijv. van biggen (Bal), Hie hef zo’n armelijk pèerdtien veur de wagen (Sle), Hij hef een armelijk gewos eerpels op het laand staon (Man), Dat blooumpie stun der zo aarmlijk bij (Eex), Die kik zo armelijk oet ziet er slecht uit, bijv. als gevolg van ziekte (Sle), Hoe zul het Luuks maken op dat kleine boerenspullegien, mij donkt het liekt zo’n armelijk zaakien (Hav), Die hef het zeker niet roem, want hie lop der mor wat armeliek bij schamel gekleed (And)
armenbank, armbank, armenbank, Ook armenbank (veroud.) = bank voor de armen in de kerk De lu in het armhoes hadden een armbank in de kerk (Sle)
armenbedeling, armbedieling, armenbedielingde, (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe). Ook armenbedieling (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën), veroud. Var. als bij dielen = bedeling, armenfonds Hie krig van de armbedieling (Sle), ...aarmbeduiling (Eco), Aj ’t van de armbedieling kriegt is het niet best meer (Ker)
armenbestuur, armbestuur, armenbestuur, (veroud.) = instelling ter ondersteuning van de armen De jaken zatten in het armbestuur (Sle), Het armbestuur is opheven (Ker), Het armbestuur is het bestuur van het armhuus (Dwij)
armenblok, armblok, armenblok, Ook armenblok= offerblok ten bate van de armen Het armblok stund achter in de karke (Ker)
armenbuidel, armbuul, armenbuul, Ook armenbuul (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest Drenthe, noord), veroud= 1. collectezak voor de armen Weej nog wal oeze eerste zundag in de kerk doe Derk de bedoeling van het rondgaon met de armbuul niet begreep en der wat oet nam inplaos van der wat in te doen (de), Vrogger zat er een bellegien onder an het aarmbuultien, nou neet meer (Die) 2. bedeling, armenfonds (N:tl, wb, Veenkoloniën) An de armbuul komen (N:tl), Ze leeft van de armbuul (Git)
armenbus, armbus, armenbus, Ook armenbus (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën, veroud.) = permanente collectebus voor de armen De arm(en)bus stiet bij het kerkhof met een begrafenis (Sle), Vroeger haj de armenbus in de kerk (Ass), De armenbusse in de kerk of op het kerkhof (Pes)
armenhuis, armhoes, armenhoes, Ook armenhoes(Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = armenhuis Ze mussen niet zo veule eten, want dan zei heur moe: Woj mij in het armhuus hebben! (Hgv)
armenjager, aarmjager, armjager, de, (Midden-Drenthe, Zuidwest Drenthe, noord, db). Ook armjager (wb) = gewapende kerspelsoldaat, z. ook karspelsoldaot
armenkamer, armkamer, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest Drenthe, noord) = deel van het armenhuis De armkamers in het armhoes (N:Sle)
armenkas, armkas, armenkas, armkaste, Ook armenkas (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe)Ook armkaste (Zuidwest-Drenthe, zuid) = armenkas Hij kreeg wat uut de armenkasse (Zdw), Hie is an de armköste krijgt uit de armenkas (Zwig), (fig.) Hij hef ’t oet de armkas kregen pak slaag gehad (Bov), (...)die een kèrel wal wat oet de armenkas geven duurt (N:dva)
armenmoeder, armmoeder, armenmoeder, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook armenmoeder (Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe) = leidster van het armenhuis, vaak de echtgenote van de armvaoder (And)
armenpraktijk, armpraktiek, de, (N:Sle) = armenpraktijk
armenvader, armvaoder, armevaoder, armenvaoder, Ook armevaoder (Midden-Drenthe), armenvaoder (Zuidwest-Drenthe, zuid) = vader in het armenhuis, vaak echtgenoot van de armmoederDer binnen goeie armvaeders en armmoeders west, die harte veur de aolden en misdielden harren, maor ok wel, die die naeme niet weerd waren (Smi), De armvaoder was hard (de:Sle)
armenzorg, armenzörg, de, armenzorg De armenzörg was in de handen van de jaken (Sle)
armetierig, armetierig, aarmtierig, armtierig, Ook aarmtierig, armtierig = 1. armetierig De erpel stunden der zo armetierig bij met die dreugte (Oos), Die leu hadden armetierige kinder, daor zat gien grui of blui in (Bei), Een armtierig keugien (Hav) 2. armoedig, schamel Het is daor een armetierige boel (Sle), Die kerel zag der zo aarmtierig oet (Eex)
armgat, narmsgat, nermsgat, het, Ook nermsgat (N:Zuidwest-Drenthe) = armgat in kledingstuk Hie hef een hals as een armsgat drinkt en eet veel (Sle), Het armsgat was te wied (Bov)
armlastig, armlastig, bijvoeglijk naamwoord, armlastig Zie zint zo wied achteroet boerd, dat ze allang armlastig zint (Sle)
armlengte, narmlengte, narmslengte, armlengte, armslengte, de, Ook narmslengte (Zuidwest-Drenthe, zuid), armlengte, armslengte = armlengte Dat is nog gien narmslengte van oe of en ie ziet nog niks (Koe), Hie stun op een armlengte van mij of (Bei), Dat moej op een (n)armlengte van je ofholden, dan lik het veul mooier (Sle)
armoede, armoede, armoe, aarmoede, armoo, armood, aarmode, armoou, a, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook armoe (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid), aarmoede (Zuidwest Drenthe, noord, Noord-Drenthe), armoo, armood (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), aarmode (Zuidwest Drenthe, noord), .armoou, armooud (Midden-Drenthe), armoude (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), armoei (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. armoede Wij hebt vroeger echt armoe leen, der was niks te kopen of te kriegen (Emm), Wat een armoede daor (Sle), Door kuj gien armoude um lieden zoiets moet je kopen als je het nodig hebt (Bov), Oonze Jentien hadde de fietse kepot, de fietsemaker hef hum weer klaor maakt, kostte mar drei gulden zestig, daor kuj gien armoede veur lien (Hav), Veur die paer centen zuj toch warempel gien armoede hebben (Smi), IJ moet de armoede niet veur de glazen hangen men moet voor het oog rijk zijn en dus geen oude gordijnen voor de ramen hangen (Oos), Ie bint ok gien armoe nut je bent nog niet waard dat je armoe lijdt (Man), Zij zit in armoude in kommervolle omstandigheden (Bco) 2. ellende, last Hie kun van armoede het huus niet weer vienden (Dwi), Wat hewwe der een armoede met had om de boel weer terechte te kriegen (Smi), Wie habt 14 dagen die kinder had, mens, wat habt wie door een armoe mit had (Nsch) 3. ruzie, drukte (Zuidwest-Drenthe, zuid) Met die kerel kuj gauw armoede kriegen (Zdw), Ie meut gien armode mit de buren maken (Pes) 4. zorgen, verdriet Wat een armoe hebbe wij mit dat ziekelijke kiend had (Eli), Heb daor mar neit zo’n aarmoude over, het zal wel weer goud kommen (Erf) *Armoe op de stal, armoe overal (dc); Armoe troef. Bij die lui hangt de keers under an de lamp en daor striekt ze de eerpels an langs (Wed)
armoedig, armoedig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Voor var. z. onder armoede = armoedig, schamel Toen zij de kiender nog klein hadden, hadden ze het barre armoedig (Ker), Het is een armoedige hoesholding (Bal), Het is aarmooudig, zo as zai der laangs kommen zoals zij moeten leven (Rod), Dat laand kek der armoedig oet van schrale grond (Gro)
armoedzaaier, armoedzèeier, de, armoedzaaier Die leu schepten wal op, maar het bint grote armoodzeiers (Bei), Hij dut zich hail wat veur, mor het is ain aarmoudzaaier (Vtm)
armpaal, armpaol, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, wb) = offerblok
armslag, narmslag, de, 1. armruimte Gaot is een beetie opzied, want ik moe wat meer armslag hebben (And), Mien vrouw mot aarmslag hebben bie het zingen (Vtm), Het anrech is eindelijk op eruumd, nou he’k tenminste weer armslag (Mep), (fig.) Hij krig bij dat bedrief wat mèer armslag (Bei), Ik mus het eigenlijk wat groter anpakken. Ik hebbe zo gien narmslag (Hgv), Zij hebt neet veule narmslag financiële ruimte (Dwi), Wie as mar de mieste armslag hef het het langste volhoudt (Flu), Over een paar maond mut e het wieten: hij hef nog wat armslag respijt (Pdh) 2. kleinigheid (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het is mar een armslag en dan is het veur mekaar (Koe) 3. slag met de arm (Zuidoost-Drents veengebied) Met iene narmslag veegde hij ze an de kaante (Nam)
armsterk, narmstark, bijvoeglijk naamwoord, sterk in de armen Hie hef aaid pongen tild en daor is e (n)armstark van worden (Sle), Jaan kun best vlegeldörsen, hij is aarmstark (Ros)
armstoel, narmstoel, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = leuningstoel Het olde meinse zat altied in de narmstoel (Zdw)
armzalig, armzalig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, armoedig, armzalig Het is maor een armzalig booltie daor (Bei), Och wat een armelijk kind, hie kik zo armzalig oet (Exl), Die man mut veule geld nao elaoten hebben, en hij kwamp der altied zo armzalig uut (Dwij), Dat eerappelrooien in zuk nat laand is een armzaolig gedoou (And), Hie hef hen vissen west, mor hie hef mor een armzaolig klein beetie vangen (Bal), Wat een armzalig schepsel is dat (Zwe), Ik viene dat wel zo’n armzalige meniere van doen! (Hgv)
aroma, aroma, de, aroma, geur Aroma is veur oes een modern woord (Sle)
aronskelk, aronskelk, de, aronskelken, aronskelk, Zantedeschia aethiopica Een aronskelk is een begrafenisbloume (Bov)
arre-, arre-, in woorden als arrejasses z. bij harre-
arrekatters, arrekatters, bijvoeglijk naamwoord, (wb, wm) = wonderlijk, raar Van de foezel worden ze zo arrekatters in de kop (wb)
arreslee, arreslee, de, arreslee Hij ree met de arreslee deur de snei (Bal), Met een arreslee bedool wij een slee met één of twee peer der veur (And)
arrest, arrest, het, arresten, arrest De dief zit in arrest (Exl), Hij stun onder arrest, hij mug de deure nich oet (Bov)
arresteren, arresteren, zwak werkwoord, overgankelijk, in hechtenis nemen Hij was de plietsie te gauw of en zodounde konden ze hom nait arresteren (Vtm), zie ook anholden
artiest, artiest, de, artiesten, 1. kunstenaar Geweldig, wat een artiesten in dat circus (Sle) 2. rare snuiter Dat is ok een mooie artiest (And), zie ook scheuvelloper
artikel, artikel, het, artikels, artikeln, 1. artikel Het stund in artikel 3 (Hol), Hij is artikel 31 lid van de geref. kerk. vrijgemaakt (Zui), Een artikel in een kraante (Dwi) 2. handelswaar Die artikeln zint niet mèer te koop (Sle)
as, as, asse, ase, assen, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe Zuidoost-Drenthe). Ook asse (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe), ase (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = as Een waogen met veer wielen of raoden hef twee assen (And), De assen, waor de raan umme dreien (Dwij), ...daor wordt de raan an stökken (Rui), Hie lop um zien as (Exl) *Een asse komt in de meulen te passe gezegd als iemand steeds maar veronderstellingen oppert en as zegt (Bov), ook As komp in de meul te pas (Sle)
as, ask, aske, aask, aaske, asche, ascher, asch, as, asse, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook aske (Zuidoost-Drenthe), aask (Kop van Drenthe), aaske (Veenkoloniën), asche (Zuidoost-Drenthe), ascher (Zuidoost-Drenthe), asch (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), as (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, ook met rekking), asse (Zuidwest-Drenthe), ook wel met z uitgesproken = 1. as Hie stek gien vinger in de aske voert niets uit, ook: is voorzichtig (Sti), Ie kunt nog gien vinger in de asse steken, of hij zet het (Zdw), Hie zit in zak en as (Sle), Mit teunen in de aaske zitten treuren, geen moed meer hebben (Eco), Hij was zowat mit de tenen in de heite aske terechte kommen op het verkeerde moment ergens binnengekomen (Bov) 2. witte turf of veen, dat bij blootlegging aan de zon bruin wordt (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) Dat is aske of orre (Bco), Rooie aske veen met rode streep (Ros), zie ook lever *As is verbraande turf opmerking als iem. voortdurende het woordje as (= als) gebruikt (Hijk)
asbak, askenbak, askebak, asbak, de, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook askebak etc. als bij ask = aslade onder een kachel Vrogger deuden ze ’s aovends het vuur in de askebak en dan haj ’s morgens zo weer vuur (Bov), zie ook askenla; asbak, Ook wel met var. van ask = asbak(je) De piepe lag nog in de askebak (Bov), Zet even de askebak op taofel (Git)
asbakkenras, asbakkenras, het, rasloze hond(en) Dat is een hond van niks, askebakkenras (Bov)
asbelt, askenbult, askebult, askenhoop, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook askenhoop (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), askebult etc. als bij ask = asbelt De ascherbult is te groot, die mot naor ’t land (Pdh)
asbest, asbest, het, asbest Asbest is gevaorlijk goed, naor ze zegt (Sle)
asdobbe, askedobbe, askendobbe, askedobben, (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied). Ook askendobbe (wb) = askuil onder de haardplaat, ook van een askuil buiten
asemmer, askenemmer, aske-emmer, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook aske-emmer en andere var. van ask = emmer om as in te doen, bijv. om het vuur in te laten afkoelen
asfalt, asfalt, het, asfalt Zie hebt neie asfalt over de straot kregen (Odo)
asfaltgaas, asfaltgaos, het, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = soort gaas
asfaltstraat, asfaltstraot, de, asfaltstraat Asfaltstraoten maakt minder lawaai as klinkerstraoten (Klv)
asgat, askengat, askegat, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook askegat of andere var. van ask = asgat onder de haard (of buiten) Striek het vuur mar in het assegat, dan kuj morgenvrog het vuur zo weer anbuten (Pes)
ashaak, ashaok, de, (Kop van Drenthe) = ijzer om asresten uit oven te verwijderen
asjemenikkie, assemenikkie, tussenwerpsel, (Zuidoost-Drents zandgebied) = waarachtig, potverdrie Zie gooiden mij assemenikkie met een stien an de kop langs, ik heurde hum soezen (Erm)
askolk, askenkolk, askenkolling, assekolk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe). Ook askenkolling, assekolk (Zuidoost-Drents zandgebied), assekolk (Zuidwest-Drenthe) = 1. askuil onder de haardstee De assekolke zat onder het vuur en wörde van binnen schone mèuken (Dwi), De assenkolke mus elke morgen lèeg emaakt worden (Ruw), zie ook rageldob 2. gat bij het huis waarin de as is opgeslagen (zw)
asla, askenla, askela, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook askela etc. = asla in de kachel Die vieze kerel zat de huile aovend in de aaskelao te kitsen (Erf), zie ook askenbak
asperge, asperge, de, asperges, asperge Asperges kommen in rillen over het laand (Rod)
aspot, assepot, de, (po) = pot voor de as Vlak naost de plate stund de assepot en der bij het maalvat (po)
asrooster, askereuster, het, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = rooster boven de askuil
asschep, askenschup, askeschup, Ook askeschup etc= schep voor de as Het aasschuppie wör bruukt om de aas oet de kachel te haolen (Een), Wij hebt vandaag wasschup van tang en askenschup gezegd op een wasdag (Oos)
assemasse, assemasse, tussenwerpsel, (Zuidwest-Drenthe, zuid), in *Assemasse stoeltie / Jannegie giet naor schoeltie / En as ie niet naor schoeltie wil / Krieg e veur zien blote bil meestal op schoolplein gezegd rijmpje (Eli), zo ook ...Oons wichie giet naor schoeltie / En as hij niet naor schoeltie giet / Dan is het een grote deugeniet (Hol),
Assen, Assen, plaatsnaam, Assen Draank, messen en vrouwlu..., det dreit altied op Assen uut op de gevangenis in Assen (ui)
assepoester, assepoester, de, assepoesters, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Var. als bij ask = blaaspijp Het vuur möt anblaosd worden met de ascherpoester (Pdh), De assepoester werd veel gemaakt van een oude geweerloop (Wsv)
aster, aster, aaster, asters, Ook aaster (Zuidwest Drenthe, noord) = aster Wij hebt van het jaor zukke mooie asters in het hoffie, het is een lust um te zeen (Bei)
astma, astma, de, astma Kinder, die astma hebt, kunt niet overal an metdoen (Wed)
astmalijder, astmalieder, de, astmalijder Astmalieders hebben het stoer met dit vochtige weer (Vri)
astrant, astrant, astrantig, astraant, akstrant, ekstrant, ekstraant, Ook astrantig (wb), astraant, akstrant (Zuidoost-Drents zandgebied), ekstrant (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, wb), ekstraant (Zuidwest-Drenthe, zuid), apstrant (Zuidoost-Drents zandgebied), astrakt (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. flink, (al te) bijdehand, ook een beetje brutaal, vrijpostig, ondeugend en wat opstandig Dat is een ekstrante baos (Ndo), Ik vind het wal wat astrant zunder eerst te vraogen (Zwi), Het leek mij een aordig astrant wief toe (Coe), Dat kind is toch zo’n astrant ding (Bor), Zien vrouw was een ekstrant wiefie pittig, met temperament (Bal) 2. streng (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Ik hebbe verkeerd edaone um het oe zo astraant an te zeggen, maar ik mene het zo goed mit oe (dk) 3. geprikkeld, enigszins boos (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hie keek aordig ekstrant toe (Ruw)
asturf, asketörf, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = soort turf Törf mit witte strepen nuimden wie asketörf (Bov)
aswoensdag, aswoensdag, de, (r.k.) = woensdag na carnaval, eerste dag van de vastentijd *Zoas het aswoensdag weert, weert het de halve vasten (Bco)
Ate, Ate, persoonsnaam, (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Olde Ate zet nog een schone musse op gezegd wanneer tegen de avond de zon alsnog doorbreekt (Hav)
ater, ater, het, aters, (Zuidwest-Drenthe, zuid, hy) = 1. een u-vormige ijzeren beugel met naar buiten omgebogen uiteinden waar de ketting aan vast zit en dat veur- en achterploeg verbindt (hy) 2. dubbele ketting die ploeg en veurploeg verbond (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het ater lag om de stikke ketting met beugel (Hav)
atlas, atlas, de, atlassen, atlas Die plaots moej op de atlas vinden kunnen (Sle)
attaque, takke, atak, de, takkes, takken, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook atak (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = attaque, beroerte Een atak van een bereurte (Hgv)
attent, attent, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. opmerkzaam Hai muik mij der attent op dat... (Zui) 2. voorkomend, hoffelijk Wat een attente jonge, dat hie de deur veur mij lösdeed (Emm)
attestatie, attestaotsie, de, attestaotsies, attestatie Toen ze verhoesden, kregen ze de attestaotsie van de kerk met bewijs van doop en lidmaatschap (Sle)
attila, attila, de, attila’s, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = huzarenjas, attila Vrogger dreugen de massiezees te peerde nestels over heur attila (Hav)
au, au, auwe, aauwe, Ook auwe, aauwe (Zuidoost-Drents veengebied) = uitroep van pijn Au, ij doet mij zèer (Wes)
augustus, augustus, de, augustus Mien va was op 5 augustus jorig (Bov)
augustuspeer, augustuspeer, de, (Midden-Drenthe) = een perensoort, die in augustus rijp is
auto, auto, de, auto’s, auto Hai het mit de auto tegen de boom zeten (Vmu)
autoped, autoped, autopetten, (Zuidoost-Drents zandgebied) = autoped, ook als scheldwoord Het kind is vallen mit de autoped (Wei)
autowagen, autowagen, de, (Zuidwest Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied) = boerenwagen op luchtbanden
avanceren, affezeren, aefezeren, avveseren, avanseren, Ook aefezeren (Zuidwest Drenthe, noord), avveseren (Zuidoost-Drents zandgebied), avanseren (Zuidoost-Drents zandgebied) = opschieten Veraffezeren of affezeren is vortmaoken, opschaiten (Rod), zie ook veraffezeren
avond, aovend, de, aovends, aovenden, avond Hie haalt de aovend niet mèer hij sterft nog voor de avond (Wee), of Hij krig de aovend niet meer (N:Eel), Goeien aovend, daor bin ik weer (Pdh), Met die körte dagen mot ’s aovends de laampe al vro op (Bei), Het boest van de vrogge mörgen tot de late aovend (Wes), Wat is dat een jachtig kèreltien, die hef gien aovend of mörgen (Sle), Koop gien aolde koe, want daor zit ij drekt met an de aovend daar heb je niet lang meer wat aan (Exl), Aj daor mit begunt, ben je vortdolkies an de aovend (Git), Die was ok zowat an de aovend en non lop e der weer hij was bijna dood (Oos), Hie is an de aovend erg oud, ook failliet (Sle), of: ten einde raad (Rui), Een meid van zestig jaor, proot mij der niet van, daor bi’j direct mit an de aovend (Dwij), Dörk hef het geld op, hij is schoon an de aovend failliet (Hav), Hij hef hum der lange deur escharreld, maar nou is hij an de aovend heeft of kan hij niets meer (Bro), Te aovend ’s avonds (ndva), Ik kan nou niet meer, maor ’t aovend wel vanavond (Bro) *’s Aovends rood en ’s morgens grijs / Gao dan mor gerust op reis (Sle)
avondachtig, aovendachtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, avondachtig Het wordt al zuver aovendachtig (Hijk), In dizze tied van het jaor is het ’s middags al aovendachtig (Pdh), As ’t aovendachtig wordt, moej neet mit kleine poppies buten wezen (Die), As de zunne ondergiet, kik alles al zo aovendachtig toe (Dwij)
avondbrommer, aovendbrommer, de, (ov, wh) = mestkever
avondeten, aovendeten, het, 1. avondeten Hie was er tegen het aovendeten wèer (Sle) 2. het voedsel bij het avondeten Het aovendeten smeuk hum ok al nich (Bov)
avondkoggel, aovendkoggel, de, aovendkoggels, (wb:Kop van Drenthe) = de laatste tik die de kinderen, die net uit school komen, elkaar (proberen te) geven, z. ook lèesttik, aovendtik
avondlucht, aovendlocht, de, avondlucht Aovendlocht is niet zo best (Hgv), IJ moet niet teveul in de aovendlocht kommen (Wee)
avondmaal, aovendmaol, het, 1. avondmaaltijd 2. het heilig avondmaal (prot.) Zie gungen an het aovendmaol (And), Der wuur aovendmaol holden (Sle), zie ook nachtmaol
avondmaalsbeker, aovendmaolsbeker, de, avondmaalsbeker Zie hebt daor een mooi versierde aovendmaolsbeker (Sle)
avondmelk, aovendmelk, de, ’s avonds gemolken melk De aovendmalk is nog nich vort (Nsch)
avondpraten, aovendproten, onbepaald werkwoord, (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = ’s avonds op bezoek gaan Bie lechte maon gungen de olde lu vrouger hen aovendpraoten (Bco), Ons olden binnen van hoes, hen aovendpraoten (Rod)
avondprater, aovendproter, de, 1. manspersoon, die ’s avonds op visite komt Wie kriegt vanaovend aovendproters (Bov), Geert komp geregeld, hij is oze aovendpraoter (Hijk), Dat is een mooie aovendpraoter leuke (Dwi), ook iemand die ’s avonds op visite is en daarbij lang blijft plakken (Eex) 2. pijp met grote kop, meegenomen omdat men de tabak niet zelf betaalt (wb)
avondrood, aovendrood, het, avondrood *Aovendrood brengt mooi weer (Gas)
avondschemer, aovendschoemer, de, iemand, die ’s avonds bij de weg loopt Hie is een echte aovendschoemer, altied in duuster bij ’t pad (Bal), Dei steit as een aovendschoemer bekend, het is een aordige gluurder (Vri)
avondschool, aovendschoel, de, avondschool Aj dat er bie leren wilt, meuj eerst nog naor de aovendschoule (Bov)
avondster, aovendster, de, avondster De aovendster stait altied zo mooi helder an de locht (Bco)
avondtik, aovendtik, de, (Zuidwest Drenthe, noord) = laatste tik, die kinderen elkaar (proberen) te geven, z. ook aovendkoggel en lèesttik
avonduur, aovenduur, het, avonduur Paartie kriegt die lange aovenduren smangs niet um (Sle)
avonturen, aoventuren, aventuren, èventuren, eventuren, Ook aventuren (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), èventuren of eventuren (Zuidwest-Drenthe) = avonturen, wagen Ie moet altemit wel ies wat aoventuren (Wsv), Het liekt mij wel wat riskaant, mar wij mut het mar aventuren (Ruw), Det kuj allicht aoventuren (Bro), Die duurt wel wat aoventuren, hie hef een heeil toggel beeist in eein maol kocht (Eex), Dat kuj simpel aoventuren (Schl), Dat moej maor aoventuren wat dat worden wil (Geb)
avonturig, aoventurig, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = met ondernemingslust Het is een aoventurige man (Dal)
avontuur, aoventuur, aventuur, èventuur, eventuur, aoventuren, Ook aventuur (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), èventuur (Zuidwest Drenthe, noord), eventuur (wb) = 1. avontuur, onderneming Het was een huil aoventuur, maor het is goud aoflopen (Erf), Die buren van oens wilt emigreren, het liekt mij nogal een groot aoventuur (Dwij), Daor zat meer aoventuur in hij durfde wel wat aan (Vri), Hij giet een op aoventuur oet (Gie), Die man die holdt van aoventuur spanning (And) 2. ondernemingslust Der zit aoventuur in die jong, hie wil naor Amerikao (Bal) 3. (onderneming met) risico Aj het zo groot anpakt, loop ie een boel aoventuur, maar positief in Zoas hij dat anpakt, zie ik der wel aoventuur in goede resulaten (Bro), Hij hef dat schaop op het aventuur kocht op goed geluk (Hijk), Wij doet het op aoventuur goed geluk (Sle), Op het aoventuur had ik het liever met hum te doen as met zien vao als het er op aankomt (Sle), Zien aoventuur was der bij Trientien niet minder um kans op succes (ti), Dat staot nog in het aoventuur staat nog te bezien (wb), Hie hef gien eventuur geen kans (wb, wm), Ze had niks gien aventuur ze had geen kans op herstel (wm), Hie zut er geen aoventuur toe ziet geen mogelijkheid (wb), Daor is niet vol aventuur op daarvoor bestaat weinig kans (wm) 4. fortuin, in Het rad van èventuur (dk)
avontuurlijk, aoventuurlijk, bijvoeglijk naamwoord, avontuurlijk Dat is een aoventuurlijke boer (Sle), ...hij duurt wel wat löszein (Row), Ik bun nich zo aoventuurlijk anlegd (Bov)
azalea, azalea, azalia, azalea’s, Ook azalia = azalea Die kerel stun op ’t mark met azalia’s (Sle)
azen, aozen, zwak werkwoord, onovergankelijk, op iets azen Die kinder aost op een snoepie (And), De honden aozen op dood vie (Dal), Hoou lang e wel op die aarvenis aosd hef, stek nie nauw, mor hie kreeg niks (Eex), Heilboel jonges aozen op de dochters van mien buurman (Pei), Der niet op aozen er niet op reageren als een ander je iets vertelt (Bui), De vissen aost, het zal wel best bieten gaan op voedsel uit (Hol), Die kerel aost op dat baantien (Mep), Hij aost altied op aandermans portemenee (Hgv), Hij aost as een hond op een zieke koe (Ndo)
azijn, azien, het, azijn Het liekt slimmer as het is, dou er mor een beetje azien op (Vtm), zie ook het meer gebr. edik
baai, baoi, baai, baai, grof soort wollen stof. De kleur was over het algemeen blauw voor vrouwen en rood voor mannen
baaien, baoien, bijvoeglijk naamwoord, van baai Ons opa het altied nog een baoien hemd (Vtm)
baaierd, baoierd, de, baoierds, (Midden-Drenthe) = harde werker Die vrouw, dat is ok een baoierd (Hijk)
baaitabak, baaitebak, de, soort pijptabak Gewone baaitebak vin ik het lekkerste, ik hol nich van dei Deense tebak (Bov)
baaivanger, baoivanger, baaivanger, banjevanger, beivanger, baalvanger, ba, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook baaivanger, banjevanger (Zuidwest-Drenthe, zuid), beivanger (wb:Elp), baalvanger (wb:Hgv) baalganger (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb:Val) = 1. persoon, die alles aandurft, maar vooral gezegd van een feeks Hie hef een baoivanger van een wief kregen (Bal) 2. speels, ondeugend kind of onhebbelijk(e) vrouw of meisje (Pes), rap, ondeugend kind (Pdh) 3. soort jas (molvanger) (wb)
baak, baok, baoke, baoken, baken, baoken, Ook baoke (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), baoken (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe, ook naast baok voorkomend), baken (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. baken Die lanteern is een mooi baok, aj der ʼs aovends langers kommen (Row), Aj an het stikstof zèeien bint, dan moej een baoken zetten stok met papier of een witte lap aan elk eind van het land (Gas), Wij zèeit op de baoke, niet op het speur (Zdw), As de tieden veraandert, moej de baokens verzetten (Rui) 2. scheidingspaal Baok zetten het plaatsen van een paal of steen als afscheidingsteken (Sle), Die man is al zo jong niet meer en hij is nog zo steil as een baok, ... baoken (Vtm), ...recht as een baok loopt kaarsrecht (Man), Hij is zo stief as een baok (Oos) 3. houterig persoon (Zuidwest-Drenthe, noord) Wat een baoke! (Dwi) 4. bij het blokgooien de houten klos waarop de centen liggen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), soms werd hiervoor ook een baksteen gebruikt. Kinderen gebruikten scherven (diggels) bij het spel
baakpikken, baokpikken, onbepaald werkwoord, (Coe) = met een ronde kei gooien op een baksteen. Raakte men die dan mocht men met de eigen kei op de kei van een medespeler gooien. Lukte dat, dan was de ander af. Het zgn. doodpikken
baaksteen, baokstien, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = (mooie, ronde) steen voor het baoken. Die stien nim ik met hen hoes, dat is een mooie baokstien (Sle)
baakstok, baokstok, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = stok, waarop men zich richtte bij het zaaien
baal, baol, baal, bael, ble, baolen, Ook baal (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), bael (Zuidwest-Drenthe, noord), ble (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. 100 kg., soms ook 50 kg., in een zak Zie slugen elk een baol kuunstmes op de nak (Sle) 2. losse hoeveelheid (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Een baoltien heui (Pdh)
baal, baol, baal, buul, (wb:Zwe). Ook baal (wb:Zwe), buul (wb:Wac) = bij de hand, vlug
baalzak, baolzak, de, baalzak In een baolzak kan een mudde haover (Eex), Hie lag as een baolzak in bedde onverschillig of dronken (Bor)
baan, baan, baon, baene, bane, baone, banen, (Zuidoost-Drenthe). Ook baon (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), baene (Zuidwest-Drenthe, noord), bane (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), baone (Veenkoloniën) = 1. betrekking Hij hef daor, leuf ik, een beste baon kregen (Vri) 2. weg, baan ...is hij der van aovertuugd, dat het niet op de bane komp bekend wordt (Flu), Hè gelukkig, dat is wèer van de bane (Bei), Die beide wichter zint van de baan zijn getrouwd (Sle), Doe most doun wat doe zegst en het niet aal op de lange bane schoeven uitstellen (Bco) 3. baan op ijs of sneeuw Zuw nog een baantien trekken (Hijk), As er een beetien snei lag, meuke wij al gauw een gliebaene en gunge wij baentien glieden (Wsv) 4. strook IJ hebt de banen der goed glad ankregen stroken behang (Sle)
baan, baan, bane, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook bane (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = term bij tikkertje. Als je verwachtte dat je afgetikt zou worden, zei je snel baan en dan mocht je niet worden afgetikt. Als je weer wilde meedoen zei je baan of bane oet, baanuut, z. ook bam
baancent, baancent, de, cent voor de baanveger ...ik scharrelde aoveral tussen deur zonder det mij um een banecent evreugen wörde (po)
baander, baander, baanser, bander, banser, bandser, baonder, baanders, Ook baanser (Kop van Drenthe, be: Hondsrug), bander (Veenkoloniën, dva), bandser, banser (dva), baonder (be:Dwi in bet. 3) = 1. grote deur naar schuur of deel Ie muut de baander niet lös laoten staon, het tocht jao op de dele (Hav), Zie trökken de boel veur de baander hielden boeldag, vaak gedwongen verkoop (Bor), De kleine baander of het kleine baandertien kleine deur in de baander (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), Klein baanderie zit in de ziedmuur of op het aander èend van de schuurdeel en ok wel is op het èend van de kostal (And) 2. gulp Heb ie het heui nog niet dreuge? Ie hebt de baander nog lös (Geb) 3. baander of baonder is ook een deel [schuurdeel] voor een rijtuig te Dwingeloo (be)
baanderdeur, baanderdeur, baansdeur, bansdeur, banderdeur, bansderdeur, Ook baansdeur of bansdeur, (Zuidoost-Drents veengebied), banderdeur (Veenkoloniën), bansderdeur(dva) = 1. grote schuurdeur Hij hef een vel veur de kop as een baanderdeur is bot, lomp en ongezeglijk (Hav) 2. deel van de grote schuurdeur, ofwel het kleine deurtje in de grote deur of één van de beide helften of de underdeur. In de rechter baanderdeur zit een glassie (Wtv) 3. gulp Hij hef de baanderdeure lös staon (Klv)
baandereinde, baanderèende, het, schuurgedeelte van de boerderij Wij moet het baanderèende neug weer dekken (Sle)
baanderglas, baanderglassien, het, baanderglassies, ruitje In of naast De baander
baanderhaak, baanderhaak, de, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = haak aan de baander, waarmee deze of een deel er van worden vastgezet aan de baanderpaol
baanderhekel, baanderhekel, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = haaibaai Een baanderhekel is iene, die de broek an hef (Ruw)
baanderhoek, baanderhoek, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. inspringende hoek van de muur van het achterhuis, waarin zich de baander bevindt, ‘links en rechts ingesloten door het paardestal- en varkensstalschot, van boven afgedekt door dak’ (hy) De baanderhoouk is de hoouk, waorin de baander steeit met an beide kaanten een muurtie, waorin smangs een deur (Eex), Ien het leste kreeg ik het kalf ien de baanderhook te pakken (Rui) 2. hoek bij de baander aan de binnenkant (Zuidoost-Drents zandgebied) De bessem stiet in de baanderhoek (Sle)
baanderhoofd, baanderheufd, het, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = ronde balk boven de grote schuurdeur
baanderkant, baanderkaante, de, baanderkaanten, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = kant van het huis, waar de baander zit
baanderklauw, baanderklauw, de, (Midden-Drenthe) = baandersluiting Een baanderklauw is een stuk iezer dat um de baanderboom past en waor de baanders van binnen met vaastmaokt wordt (And)
baanderluik, baanderloekien, het, baanderloekies, luik In De baander voor De kat en De kippen
baanderpaal, baanderpaol, baanderboom, baanderpost, baanderstiel, baanderbal, Ook baanderboom, baanderpost (Zuidwest-Drenthe), baanderstiel (Zuid-Drenthe), baanderbalk (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. afsluitboom van de baander 2. scheldwoord onder de jeugd (Zuidoost-Drents zandgebied)
baanderruit, baanderroetien, het, baanderroeties, ruitje in de baander Hie keek deur het baanderroetien (Wijs), zie ook baanderglassien
baanderslegel, baanderslegel, de, (Midden-Drenthe) = baandersluiting De baanderslegel zit boven an de baander. Die mot het lèest dicht um ofbugen te veurkommen (And)
baanderstok, baanderstik, de, houten pen om de baanderpaal vast te zetten. Deze wordt door een kram in de baanderpaol geslagen
baanderstraat, baanderstraot, de, keienweg naar de baander Daor dreit ze het steegien in en het giet over de baanderstraote tot veur de baander (bu)
baanhouder, baanholder, baonholder, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook baonholder (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. bezitter van een vrijgemaakte baan op het ijs (Veenkoloniën) De baonholder is baos op het ies (Vtm) 2. baas, bolleboos (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied) Hij kan best leren, dat is wel een baonholder (Zdw), Je kunt het niet zo raar aanleggen of Catrientje was de baonholder maakte en hield de zaak aan de gang (Eri) 3. bazig persoon (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij is nog mar pas etrouwd en nou wet hij al dat e een baanholder ekregen hef (Rui), Het iene main is kalm, maor de aander is een baonholder (Zdw) 3. bandiet (Zuidwest-Drenthe, zuid)
baanhoudster, baanholdster, de, (wm) = bazinne
baantjesjager, baantiesjager, de, baantjesjager Hie zit veul in het bestuur, het is zo’n baantiesjager (Sle)
baanveger, baanveger, de, persoon, die een baan op het ijs maakt en schoonhoudt Wij mussen de baanveger aaid een cent geven (Bei), zie ook baanholder
baar, baar, bare, baore, baor, baer,, baren, (Zuidoost-Drenthe, Ass), bare (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, soms gebruikt naast baore), baor (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), baore (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), baer (Zuidwest-Drenthe, noord) 1. lijkbaar Bij de poort van het karkhof wordt de kist op de baore ezet (Hav) 2. draagtoestel (Zuidoost-Drents zandgebied) Zie huulden de kuunstmes met baren oet het schip plat voorwerp met 4 armen (Sle), zie ook barve
baar, barg, de, bargen, (db:Kop van Drenthe) = 1. draagbaar 2. arm van kruiwagen
baar, barm, baarm, barn, baarve, barms, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook baarm (Ros), barn (Pdh), baarve (Bov) = boom van de kruiwagen Ik har te veul op de kaor, non is mij ien barm breuken (Sle), zie ook boom
baar, barve, baarve, barven, (Zuidoost-Drents veengebied, dva, wb:Dal). Ook baarve (Zuidwest-Drenthe, noord) = lijkbaar De baarve stund in het baarfhuusien (Dwi)
baar, baarke, (glasbl.,db:Nbui) = korst in de metalen blaasvorm. De korst bestaat uit verbrandingsresten van een smeermiddel
baard, baord, boord, baorden, bèurde (Zuidoost-Drents veengebied, verou, Ook boord (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = 1. baard Wat een gezicht, almaol van dei lange, roege baorden (Vri), Ik heb hum flink de baord der of haold (Rol), ... der of daon de waarheid gezegd (Hgv), Ik heb de baord der of had (Schl), Die mop hef al zo’n boord is al oud (Bov), Hij krig de baord al in de keel stem breekt (Nam), Hie zee niks meer, hie bromde nog wel wat in de baord (And), ...uut de baord mompelde binnensmonds (Klv), Ik ben hom in de baord vlogen pak slaag gegeven (Pei), Hij speit lillijk van de baord bijt van zich af (Rol), Hij hef de baord aordig in de keel praat achter uit de keel, doet gewichtig (Sle), In de baord klimmen veel vertellen (Eco) 2. (mets.) uitpuilende rand, die bij het aanbrengen van een gesneden voeg ontstond (Zuidoost-Drents zandgebied) 3. baard van de sleutel 4. braam op een zeis (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dan gung ie de zende strieken mit de strikke of de wetstien umme de braom of de baord der of te halen (Hgv)
baardaap, baordaap, de, iemand met grote baard Dei boordaap kun zien boord ok beter ofknippen; het liekt hum niks (Bov)
baardbrandertje, baordbrandertien, het, baordbranderties, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = kort pijpje Hie zit altied an dat boordbrandertien te zoegen (Zwig)
baardman, baordman, baordmans, Ook baordmans (Gas) = baarddrager Wat een verbeelding hef dat baordmannegie (Bei)
baardscheerder, baordschèerder, de, (Zuidwest-Drenthe, noord) = barbier
baardvreter, baordvreter, baordvret, baordwörm, baordschurft, baordziekte, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook baordvret (Man), baordwörm (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), baordschurft (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), baordziekte (Zuidoost-Drents veengebied) = baardschurft Een middel tegen baordwörm was: vlo-tonen-zaod en körtbeeindik. Of het hölp is niet bekend (Eex)
baarhok, baorhokkie, het, (Midden-Drenthe) = plaats voor de lijkbaar
baarhuisje, baarhoesien, baarfhoesien, baorhoesien, baarghoesie, barghoesie, Ook baarfhoesien (Zuidwest-Drenthe, zuid naast baorhoesien), baarghoesie (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied), barghoesie (Midden-Drenthe) = baarhuisje De liekwagen stund ook bij het baorhuusie (Hol)
baarlijk, baarlijk, baorlijk, baerlijk, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook baorlijk (Noord-Drenthe), baerlijk (Zuidwest-Drenthe, noord) = klinkklaar Die vent pruut baarlijke nonsens (Sle)
baarmoeder, baarmoeder, baormoeder, boormoeder, Ook baormoeder (Noord-Drenthe), boormoeder (Noord-Drenthe) = baarmoeder, meestal gezegd m.b.t. vrouwen, spor. van dieren, z. daarvoor lief, kalverhoes, maorwark etc. Zie hebt heur de baarmoeder weghaald (Klv)
baars, baors, de, baorzen, baars Ik heb nogal wat baors vongen (Vri)
baas, baos, baors, baozen, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook baors (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = kliervormige massa aan ingewanden van koe of varken Daor hef de baos op elegen gezegd, als er ruwe delen aan de darmen zaten en deze daarom moeilijk schoon te krijgen waren (Hgv)
baas, baos, de, baozen, baoze (Zuidoost-Drents zandgebied), 1. baas, de belangrijkste (van het gezin) Daor is de vrouw baos en in dat hoes daornaost bint de kinder baos (Sle), Wi’j mien baos èven hebben? Ik zal hum wel èven roepen man, echtgenoot (Bro), Het kan beter van de baos as van de knecht (Uff), De aol baos komp er an mijn vader (Emm), (fig.) Het onkruud is mij baos worden ik kan er niet meer tegenop (Coe), De meester was oes va de baos in het scheuveln (Pdh), Hij kun de zenen niet baos worden (Vtm), Hij hef de baos spreuken is dronken (geweest) (Nsch), Hij was heur de baos of sneller (Eri) 2. eigenaar Dei hond is zien baos kwiet (Eco) 3. manspersoon Dei aole baos kan mit dit weer beter in hoes blieven (Bov) 4. flink persoon, dier of voorwerp Bij de geboorte was het een min kereltien, maor het is mij een baos worden! (Bei), Een baos, die vrouw van hum (Hijk), Ik haalde mij daor toch een baos uut het water grote vis (Flu). Als versterking voor zn. Het is een baos kerel. Daor hej een bovenste beste ko (Rui), Wat een baoskou grote koe (Een) , ... baoskerel flinke, in zijn werk uitmuntende kerel (Odo), ... baosspreker flinke redenaar, soms ook opschepper (Dal) 5. baas van een bedrijf De knecht kon niet en daorum kwam de baos zölf (Zui) 6. opzichter Hij is baos bij de Heide Mij (Ndo) 7. iemand, die ergens erg goed in is Hij is een baos in ʼt scheuvellopen (Uff) 8. duivel, in De zwarte baos (Zuidoost-Drents veengebied), ook De aole baos (Zuidwest-Drenthe), zie ook baosien
baasje, baosien, het, baosies, baasje Hij hef ʼt zo drok as een klein baosien (Oos)
baasknecht, baosknecht, de, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = eerste knecht Het onderknechie gung mit de baosknecht mit (Wsv)
baasspeler, baosspeuler, de, iemand, die de baas wil spelen Die aoldste jong van heur dat is een baosspeuler (Sle)
baat, baot, baat, bate, baote, baoten, Ook baat, bate (Zuidwest-Drenthe, zuid), baote (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. nut, voordeel Hij het naor de strieker west, mar hij haar der gien baot bij (Row) 2. winst Die negosie gaf niet veule baot of (Bei), As de kosten hoger bint as de baoten, dan zit het verkeerd (And)
babbelguichjes, babbelegoegies, babbelgorgird, babbelguugies, babbelguutkes, babbe, Ook babbelgorgird, babbelguugies (langs Hondsrug, Veenkoloniën), babbelguutkes (Zuidoost-Drents veengebied),babbelboesies (Kop van Drenthe), babbelgoesies (Noord-Drenthe), babbelguusies (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. malligheden, fratsen Mit het olde jaor wördt er nog wel ies babbelgoegies uut ehaald (Dwij) 2. praatjes Hij was aordig ziek, hij had niet veule babbelegoegies (Vle), Babbelegoegies van oe, aans niks (Rui)
Babel, Babel, plaatsnaam, hoofdstad van Babylonië, in Za’k je de toren van Babel wiezen, ...zien laoten vraag van volwassenen aan kinderen. Bij een bevestigend antwoord wordt het kind met beide handen aan het hoofd opgetild (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), zie ook Keulen, gaans
bad, bad, het, baden, 1. bad Hej ok even een bad nummen? (Sle) 2. badkuip Laot het bad maor even vollopen (Zui)
baden, baaien, baden, baoden, baeden, baoien, bauen, baon, baan, (Zuid-Drenthe, Ass). Ook baden (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe), baoden (Noord-Drenthe), baeden (Zuidwest-Drenthe, noord), baoien (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), bauen (Ros), spor. met d uitval baon (Midden-Drenthe), baan (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. pootjebaden, z. ook pootienbaaien 2. baden (wb, dva) Ze waren an het baoien van schaapwassers, die zich reinigden na hun werk (dva) 3. waden (Zuidoost-Drents veengebied) Hij baait deur de modder (Klv)
badkamer, badkamer, de, badkamer Ze hadden Gèertien zulfs een paar keer opsleuten in het badkamertien (de)
badlacher, badlacher, de, (Zuidwest-Drenthe, noord) = dom figuur Wat een badlacher (Dwi)
badpak, badpak, het, badcostuum Het badpak is mie veul te klain (Eco)
badwater, badwater, het, badwater Het kiend mit het badwaeter weggooien (Die)
bagagedrager, bagagedrager, begaziedrager, Ook begaziedrager (Zuidoost-Drents zandgebied) = bagagedrager, zook pakkiesdrager
bagagemaker, begaziemaker, de, (Zuidwest-Drenthe) = druktemaker, pretmaker Een begaziemaker is een vervelende droktemaker (Ruw), Het was een rare begaziemaker, mar hij kun het volk flink an het lachen kriegen (Koe)
bagatel, bagetellegie, het, bagetellegies, (Zuidwest-Drenthe) = kleinigheid, bagatel
bagge, bagge, bak, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, be:Git en Gas, veroud.). Ook bak (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. drukkend Het is bar warm, het is zuver bagge (And), Het is bak weer (Bor) 2. als bw. bij warm (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, wb) Het is bagge warm (Sle), ... bak warm drukkend warm (Dro), zie ook baggerig, bakkig
baggel, baggel, de, baggels, (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) = fluim, kwalster Met het hoesten kwam der een dikke baggel lös (Sti)
baggelaar, baggelaar, baggeler, baggelaars, (veend). Ook baggeler (Zuidoost-Drenthe) = 1. veenarbeider, die baggerturf maakt Baggelaars, een ploeg van 4 à 6 man (Eri), De baggelaar stund met een grote schup in de bak um te zörgen dat de modder overal even hoge kwam (Geb), ...dat is ain man, dei op ain baggelmesien ging waarken (Twe), ...dat is ene, die de baggel klaor meuk in de mengbak (Pes) 2. platte vierkante baggerturf Een baggelaar, dat is vierkante törf 15 x 15 en 6 cm. hoog (Schn), ...gekochte vierkante törf (Rui), ...de Friese naam veur baggeltörf (Bco)
baggelbak, baggelbak, de, (veend.) = vierkante houten bak om veenspecie te maken. Een kaante van de baggerbak was veurzien van 2 gaten. Daordeur kwaamp een touw mit een dwarslatte voor het verplaatsen van de bak (Eli), An de baggelbak zaten drei recht opstaonde kanten en ein scheive. Der zat een schoeve naor het zetveld (Bco), ...was de bak mit 3 schuine kaanten en iene rechte (Koe)
baggelbek, baggelbek, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, wb) = iemand, die tabak kauwt en veel spuwt
baggelbult, baggelbult, de, hoop baggerturf
baggelen, baggeln, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. slijm ophoesten Otien zat zo vol, het baggelde alsmar in de buusdoek (Oos), Hie zit aal op de grond te baggeln rochelend op de grond te spuwen (Sle) 2. spuwen, vooral van pruimers Luuks zat aal naost het vuur te baggeln (Pdh) 3. morsen Het klein kind baggelde zuk der hielmaol under (Oos) 4. sijpelen (Pdh) De etter baggelde oet de vinne 5. zeveren, kwijlen (dva, wm, wb)
baggelen, baggeln, baggern, bageln, Ook baggern, bageln (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. baggerturf maken, zowel met de hand als machinaal Baggeln is vrogger wel daon in Veenoord. Dat was leeg vene. Die meensen daor nuumden ze hier ‘kortetörfmakers’ (Coe), ‘Ook ging men baggeren met een drijvende bakDan vaarde men een veenplas op en op een zeker punt legde men de bak vastDit geschiedde door twee of drie dunne palen door een ring te steken die op de vier hoeken van de bak zaten in het onder het water verborgen veenHet veen werd onder het water vandaan gehaald met een zgn. leibeugel en werd in de mengbak getrokken’ (Hijk, zo ook Eel), Hoge baggern dat is baggern van een stuk vene, waor de bovenste laog of is (Schn), Op taofel baggern: As het blauwe veen ofgraven was en de darg was zitten bleven, dan gungen ze later de darg baggern en dat nuimden ze op taofel baggern (Bov) 2. waden, lopen Gao weg, met je smèrige bienen deur de keuken hen te baggeln (Sle), Hij baggelt er maor raor in um kletst als kip zonder kop (Gas) 3. een zandbad nemen (niet Zuidoost-Drents veengebied) De kippen lagen mooi in de zunne in het zaand te baggeln (Hijk) 4. zich wentelen in zand, modder of stro (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) Dat varken baggert graag in de modder (Koe)
baggelgoot, baggelgeut, de, (Midden-Drenthe) = afvoergoot aan baggelmachine De modder lop deur de baggelgeut (Gie)
baggelhaak, baggelhaak, baggelhaal, (veend.). Ook baggelhaal (Bui) = baggerhaak Een baggerhake was een haak, woor ie de baggerschotten mit lostrokken (Bov), ...weur gebroekt um baggerschotten veuroet te trekken (Bco), ... dat was een klauwe, waor de bonken mit kapot houwd worden (Pes), zie ook bakhaoke
baggeljongen, baggeljongs, baggelkerels, (veend.). Ook baggelkerels (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = baggerploeg Door komt de baggeljonges ok weer an; die gaot op tied hen hoes (Bov), zie ook baggelploeg
baggelkar, baggelkarregie, het, baggelkarregies, (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe) = baggersnijder, z. ook baggelsnieder
baggelkeet, baggelkeet, baggelhut, (veend.). Ook baggelhut (Nor) = hut, waar baggeraars verbleven
baggelklauw, baggelklauw, de, baggelklauwen, (Kop van Drenthe) = gereedschap om baggerkluiten te mengen of fijn te maken ...dit vermengen gebeurde met de baggelklauw en stevelklompen an (Zey), zie ook baggelhaak
baggelkorf, baggelkörf, baggelmand, baggelmande, baggelmaand, baggelmaande, (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Veenkoloniën). Ook baggelmand, baggelmande, baggelmaand, baggelmaande (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe), baggelkooie (Veenkoloniën) = korf, waarmee de droge baggel naar de stobben wordt gebracht. 88 korven met inhoud van ong. 100 stuks op een stobbe (Eel) z. stobkörf, maotkörf
baggelmachine, baggelmesien, het, 1. machine voor het maken van baggerturf ...en dou vaorde bie ons deur daip een baggelmasien (Vtm) 2. machine om kanalen etc. uit te baggeren
baggelmes, baggelmes, het, (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) = ijzeren schuiver, waarmee de baggerturf op grootte werd gebracht, z. ook ofschriever
baggelmolen, baggermeul, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = baggermachine
baggelploeg, baggelploeg, de, (veend.) = baggerploeg Een baggelploug was 7 man: de machinist, eerste en tweide modderman en veier spitters of: eerste modderman en vief spitters of: 4 vaste spitters en tweide modderman (Bco), zie ook baggeljongs
baggelpraam, baggelpraom, de, (Kop van Drenthe) = schip voor vervoer van baggel
baggelput, baggelput, de, baggerput, put waaruit het veen voor de bagger(machine) werd gegraven De baggelput oflichten het weggraven van het blauwveen om bij de diepere lagen te komen, die beter geschikt waren om te baggeren (Bov), zie ook oflichten
baggelschop, baggelschup, de, (veend.) = schop, gebruikt om a. de specie in de bak of daarbuiten te verspreiden of vlak te maken b. om de veenspecie mee in de kruiwagen te gooien c. om het veen in stukken te steken en in de machine te gooien (Eri) of uit het water te halen (Rui) d. om de veenspecie, die op het veld werd gespoten in goede richting te leiden tot het pand vol was (Coe) Een baggelschuppe was een holten schep mit opstaonde leren klep (Bco), Met de baggelschup schepte hij het veen oet de praom (Eel), zie ook bèzelschop
baggelschot, baggelschot, baggelschut, baggelplaank, Ook baggelschut (Schn), baggelplaank (Kop van Drenthe) = elk van de vier planken, waartussen de baggermodder werd gebracht Dei schotten dat waren baggerschotten (Bov), zie ook schot, törfplaanke, leggersplaanke
baggelschrijver, baggelschriever, baggelopschriever, (Zuidoost-Drents veengebied). Ook baggelopschriever (Kop van Drenthe) = instrument, lijkend op een strepentrekker, waarmee de bagger in blokken van 5 baggels werd verdeeld
baggelsnijden, baggelsnieden, onbepaald werkwoord, (veend.) = het snijden van de opgedroogde baggerspecie
baggelsnijder, baggelsnieder, baggelofschriever, (veend. Oost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook baggelofschriever (Kop van Drenthe) = 1. persoon, die bagger snijdt 2. karretje met messen, waarmee de baggerturfjes op grootte werden gemaakt, z. ook ofschriever, baggelkarregie
baggelspecie, baggelspecie, de, (veend.) = bagger met water vermengd, z. ook modder
baggelsteun, baggelsteunder, baggelskruk, baggelkruk, baggelsteunders, (Kop van Drenthe). Ook baggelkruk, baggelskruk (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = stut of kruk waarop de droogmaker steunde. ‘Als er nog te weke plekken in zaten was het een steun om er lichter over te komen’ (Eri), zie ook domper, kruk
baggelstevel, baggelstevel, baggelleers, (veend.). Ook baggelleers (Zuidoost-Drenthe) = baggerlaars, klomplaars Bagelstevels gebruukte de modderman. Ze kwammen hom tot aan het kruus (Twe), Baggelstevels haden lèren hulsen (Smi), zie ook klompleers
baggelstik, baggelstik, baggelstek, baggelstikker, (Midden-Drenthe). Ook baggelstek (Midden-Drenthe), baggelstikker (Kop van Drenthe) = gereedschap om bagger op maat te snijden
baggelstreek, bagelstreek, de, (Kop van Drenthe) = plaats, waar gebaggerd werd De kraogen lagen op de bagelstreek (Eel)
baggeltrappen, baggeltrappen, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = aantrappen van de baggerspecie, nadat het van boven wat stijf is geworden, z. ook dompen, törftrappen
baggeltrapper, baggeltrapper, de, 1. persoon, die baggerspecie aantrapt 2. voorwerp, waarmee bagger werd aangetrapt Met bageltrappers aan de vouten en dompers in de handen (Eel) 3. grote klomp Wat hef die vent grote baggeltrappers (Gro), zie ook (baggel)trip
baggeltrip, baggeltrip, de, (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) = houten plank die het mogelijk maakt over veenspecie te lopen of dient om die specie mooi glad te maken, z. ook baggeltrapper
baggelturf, baggeltörf, de, (veend.) = aanvankelijk in de baggerbak gemaakte turf, later ook machinaal gemaakt Baggertörf is best törf, die kek blauw toe (Dwi), Van darg kan hoogoet baggeltörf maakt worden (Pdh)
baggelveen, baggelveen, het, (veend.) = 1. veen, geschikt om te baggeren 2. met water vermengde veenspecie (Dwi)
baggelwagen, baggelwagen, de, wagen voor vervoer van baggerturf Een bred achter in de baggelwaogen (Een)
bagger, baggel, bagger, bagel, baggels, Ook bagger, bagel (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. modder, derrie, bagger, inz. veenspecie We mout vanmörgen eerst even an ʼt baggel trappen plattrappen van opdrogende veenspecie (Vri), Van blauwveen muiken ze baggel (Een) 2. baggerwerkzaamheden In de baggel draogt de maanlie een schacht boven op de stevelklomp (Eex) 3. baggerturf Wai hebben gister bagel kregen, mor mai dunkt, ik heb het antal neit (Row), Opgekamde baggel schuin, als dakpannen over elkaar liggende baggerturven (Bco)
baggerig, baggerig, bijvoeglijk naamwoord, (Midden-Drenthe) = drukkend Het is baggerig weer (Orv), zie ook bagge
bah, ba, bah, 1. uitroep van afkeer Kiek nou ies, waj daon hebt, ba, wat vies (Bei), Ba, wat is dat een zwien van een kerel (Rol) 2. als zn. a. geluid, in Gien boe of ba zeggen niets zeggen Hij zèe gien boe of ba, toen ik hum integen kwam (Dwij). Ook Hie zee gien ba of boe (Gas), ... gien boe of ba (Zdw), ...gien boe of gien ba (Hgv) b. behoefte (kindert., spor.) Moetien, ik mut ba doen (Hav) 3. als bijvoeglijk naamwoord (Zuidwest-Drenthe) beu Wij bint er ba van (Wap)
bajes, bajes, de, gevangenis Hie möt 14 dagen in de bajes (Oos)
bajonet, bajenet, de, bajenetten, bajonet Mit de bajenet op het geweer (Hav)
bak, bakken, bakkens, (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied). Ook bakkens (Zuidwest-Drenthe, noord, veroud.) = wangen Wat hest doe dikke bakken (Nsch)
bak, bak, de, bakken, 1. bak om iets in te bewaren etc. Der zit gien törf meer in de bak (Bco), Dat was de bak, waor aj het varken op doodstaken. En as e dood was de bak umme kiepeln, het varken der in en dan mit kaokend water bruien (Ruw), Het bakkie weur op de heup dragen bak met ventwaren (Eri), (fig.) Ze hadden daor een volle bak volle zaal (Bal), Och, gooi dat mor in de bak is niets waard (Dwi), De bak omkeren een miskraam hebben (Nor), Ze staon in het bakkie in ondertrouw (Row) 2. deel van wagen of kruiwagen De bak van de wupkarre mot even schoon maakt worden (Bei) 3. voerbak Gooi de bakken even veur de koenen (Sle), Jan, schoef ook maor an de bak je kunt meeëten (Dwi), Ze gungen as zwienen an de bak (Hijk), ...bie de bak gingen eten zonder eerst te bidden (Bov), Van de bak naor het gemak direct na het eten naar de wc (Rol), (fig.) Hij kan niet an de bak kommen geen werk krijgen (Sle) 4. mengbak bij het baggeren De bak weur mit schotten in mekaar zet (Geb), zie baggelbak 5. kop Koomt ies een keer laangs een bakkie koffie halen (Hgv) 6. inhoudsmaat (Veenkoloniën, wb:Ass) Vief spint is bie ons ain bak (Vtm), Een bak is twei en een haalf spint (Erf), ... vaar en een haalf spint (Git), (fig.) De regen vul bij bakken uut de lucht (Coe) 7. groot voorwerp Wat hebt die een bak van een huus (Die), Een bak van een kerel lomp persoon (Pdh) 8. kweekbak Kolde bak niet kunstmatig verwarmd (Dwi) 9. gevangenis Mit al zien vechten, nou mut hij een paar maond de bak in (Koe) 10. ijzeren trekschuit voor vervoer van turf (Zuidoost-Drenthe), zie ook bij bakkien
bak, bak, de, bakken, 1. grap Een goeie bak vertellen en een bak goed vertellen kan alleman niet even goed (Wsv) 2. ongepaste daad dan wel onplezierige belevenis Die hef ook een bak had (Geb)
bak, bak, de, bakken, (Zuidoost-Drents zandgebied, N:Rod) = beschuit Moe ma’k een bak? (Sle)
bakbaggelen, bakbaggeln, onbepaald werkwoord, (veend.) = bakbaggeren. Het veen werd in een mengbak van 2 x 2m en 30 cm. hoog (Scho geeft 3 x 3 m. op) geschept en met de voeten fijngetrapt. Harde stukken werden met een klauw bewerkt. Vervolgens schepte men er water bij niet te veule, want het mus zo kunnen staon (Eli) en mengde men water en veen. Daarna liet men de modder tussen schotten lopen. Dit herhaalde men tot de ruimte tussen de schotten vol was, d.w.z dat de laag zo dik was, dat er bij indrogen een goede dikte van baggerturf ontstond. Bakbaggeln kon ook vanaf een drijvende bak of praam, z. baggeln
bakbeest, bakbiest, het, bakbeest, groot voorwerp, persoon of dier Wat een bakbiest van een kerel (Pdh), ...van een emmer (Sle), ...van een snouk (Eex)
bakblik, bakblik, het, 1. bakblik 2. plaat, waarop brood gebakken wordt (Kop van Drenthe)
bakbus, bakbus, de, (Kop van Drenthe) = blik om brood te bakken, z. ook bakblik
bakemmer, bakemmer, de, (Kop van Drenthe) = emmer met rechtopstaande wand
baken, baoken, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drenthe) = 1. het spelen van het spel, waarbij de op een klos of baksteen gelegen centen eraf moeten worden gegooid Elk har zien iegen bakstien um te gooien bij het baoken (Oos), zie ook blokgooien 2. zich richten op (Midden-Drenthe) Wij baokt op de voorstien an bij het zaaien (Rol)
bakenter, bakenter, de, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) = 1. persoon, die doldriest (Dro), ruig (Gas), onverschillig (Oos) is Een bakenter is een roege kerel, hoofdzaokelijk in zien proot, maor ok in zien oeterlijk. Wild bos haor, pet scheef op, grelle ogen en en beetie onbeschoft (Gas) 2. paard, dat slaat (Bor) 3. zwendelaar, drinker (be: Bor)
baker, baakster, baokster, baekster, baokerske, baokersche, baaksters, (Zuid-Drenthe). Ook baokster (Noord-Drenthe), baekster (Zuidwest-Drenthe, noord), baokerske (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), baokersche (be:Noord-Drenthe) = baker Jantien hef een poppien ekregen, heur zuster speult baakster (Hav), Toen er nog gien baakster was, huulpen de naoste naobers bij een geboorte (Pdh), zie ook baker
baker, baker, baoker, bouker, baeker, bakers, (Zuid-Drenthe). Ook baoker (Noord-Drenthe, uitspr. Row: bouker), baeker (Zuidwest-Drenthe, noord) = baker De baker was iene, die bij de kraomvrouwe kwam um het wark te doen, zo lange as de vrouwe op bedde lag (Hol), zie ook baakster
bakeren, baakstern, baokstern, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook baokstern (Midden-Drenthe) = uit bakeren gaan De baakster gunk baken, bakern of baakstern (Zdw), zie ook bakern
bakeren, baken, baeken, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook baeken (Zuidwest-Drenthe, noord) = bakeren Jante was er te baeken (Dwi)
bakeren, bakern, baokern, baekern, bakkern, (Zuid-Drenthe). Ook baokern (Noord-Drenthe), baekern (Zuidwest-Drenthe, noord), bakkern (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. bakeren Baokern was vrogger een naoberplicht (Bal), (fig.) Hij was nogal hiet gebakerd driftig (Sle), zie ook baakstern, baken 2. warm houden (be:Zuidwest-Drenthe)
bakerpraatjes, bakerprooties, zelfstandig naamwoord, meervoud, bakerpraatjes Het was geteut van niks, allemaol bakerprooties (Bov)
bakfiets, bakfiets, de, bakfiets De bakker ventte hier met de bakfiets (Vle)
bakgooien, bakgooien, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. spel met oude emmer (Midden-Drenthe) Een aol emmer weur in mekaor trapt. Die weur rechtop zet en die muj dan umgooien met een steein en die dat het vaokste lukte, was winnaor (Eex) 2. spel, id. als blokgooien (Bui), zie bij blokgooien
bakhaak, bakhaoke, de, (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. haak om eg te lichten (Veenkoloniën) 2. baggerhaak (Schn), zie ook baggelhaak
bakhuis, bakhoes, het, apart gebouwtje, waar gebakken wordt of waaraan de oven vastzit (Sle) Het was 3 bij 4 meter met an de ien kaant een trog, waor het deeg in klaormaakt wuur, een bakoven, miestal an de boetenkaant anbouwd met een vuurmond in het bakhoes. En der stund een zicht um het meel te zeven en meel um te bakken (Emm), zie ook bakkamer
bakje, bakkien, het, bakkies, 1. bakje Woor hest doe dat bakkien mit spiekers laoten? (Bco) 2. klein tonvormig glaasje voor jenever (Vtm, wm) Trakteren op een bakkien jannever (wm)
bakjeskerel, bakkieskerel, bakkiesloper, bakkiekoopman, Ook bakkiesloper (Erf), bakkiekoopman (Erf) = venter, marskramer Vrogger krege wij wel vaeke een bakkieskerel an de deure (Wap)
bakjesmolen, bakkiesmeul, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = draaimolen met bakjes Kinder zaten in de peerdtiesmeul en de groten in de bakkiesmeul (Exl)
bakkamer, bakkamer, de, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. kamer, waar gebakken wordt De undermelk en de voorderij stunden in de bakkamer (Sle, waar sommigen het een hok op de deel noemden met een oven tevens bergruimte, maar bij anderen stond geen oven in de bakkamer), Tegen bakkamer zeden wij mangs ok bakhoes (Zwe) 2. kamer, waar het deeg wordt gekneed, voordat het naar de oven buiten gaat (be) Het bakkamertien was ong. twie bij drie meter. Daorin stun de trog en de schragen, waorop de zakken met meel stunden. De zicht hung an de kaant (Zwin), zie ook bakhoes
bakkar, bakkar, bakkaor, bakkrooie, de, (po), ook bakkaor, bakkrooie (Zuidoost-Drenthe) = kar, kruiwagen, met rondom gesloten bak Daor har ie ook de kerels, die verkochte varkens in een grote bakkarre naor de slachters sleepten, Het kind lag in een bakkrooie met een laken der over (Ndo); Ook bakkrooie (Zuidoost-Drenthe) = kruiwagen met rondom gesloten bak Het kind lag in een bakkrooie met een laken der over (Ndo)
bakkebaard, bakkebaord, bakbaord, Ook bakbaord (Midden-Drenthe, naast bakkebaord) = bakkebaard Het wordt al wat, hij haf al een bakkebeurdken (Bco)
bakkeleien, bakkeleien, bakkelaaien, Ook bakkelaaien (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. vechten, donderjagen Naor ze zegt hebt ze gisteraovend aordig an het bakkeleien ewest ien de Middenboer; der bint raeke klappen evallen (Wsv) 2. bekvechten, debatteren Wij kunt hier een heel toer over bakkeleien, mor wij komt er niet oet (And) 3. flikflooien, mooipraten As het dan verkeerd gung, dan meus hij weer mooi bakkeleien om het weer goed te maken (Eri) 4. tegenspreken (Zuidwest-Drenthe, noord) Hij hef altied wat te bakkeleien (Vle) 5. overleggen (Veenkoloniën) Ze waren mit mekaor an het bakkeleien (Eco) 6. verkeerd doen en daardoor nadeel berokkenen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hij hef al eerder wat bakkeleid (Pdh), Hij hef ok weer wat moois terecht bakkeleid moet trouwen (Sle)
bakken, bakken, sterk, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. bakken Dat meel bakt goed (Emm), Hij lig in de zun te bakken (Hijk), In zien vrije tied döt hij niks as potten bakken (Sle), (fig.) Ie hebt het gisteraovend dunkt mij aordig broen ebakken overdreven (Noo) 2. plakken Wat hej dat slordig an mekaar bakt slordig gelast (Odo), zie ook anbakken 3. uithalen Wat zul de mèensken wel zeggen, as ze heurt, waj oous nou bakt hebt (Eex) 4. klappen, slaan Bak hum der maor aine veur (Eco) 5. vriezen Het bakt er aordig in mit dizze vörst en wiend (Bro) 6. in haandtien bakken in elkaars handen slaan bij de handel om het over de prijs eens te worden 7. zakken Hai is bakt veur zien exaomen (Vtm)
bakker, bakker, de, bakkers, 1. broodbakker Bakker muj worden, dan kuj opvrèten, wat aj verprutst (Hgv), Hij hef de bakker bij de krenten zeten heeft zweertjes om de mond (Ros), Die haas is veur de bakker ze hebben hem te pakken (Exl), Aj mit de bakker en de schenker ofrekend bint, dan blif er niks over als je alles betaald hebt (Sti), Ie bint toch gien bakker gezegd als iemand in de handel aan zijn (te hoge) prijs vasthoudt (Ruw) 2. broodbezorger As de bakker het mor in de kar hef, dan komt het wal rond (Sle) 3. meikever De mulders hadden de witste schildblaoden, de bakkers wadden minder wit en de domnies wadden broen (Vri), Wij stopten ze in een hoopie stoefzaand. Was der een mulder bij, die kreup er oet, mar een bakker bleef er underin zitten (And) *Za’k je wat vertellen en liegen wat ik kan / Ik zag de bakker vliegen met de ovend er achter an (Zwig); Bakker, krentenkakker, oliefieter, duitendrieter (Koe); De bakker op de hoek / Die hef vannacht eblaozen / De vellen van zien broek / Die hangt al veur de glazen (Ruw); Waor gaoj hen? Antw. Dwars over de akker en de bakker (Dwi); De bakker is er deur kreupen (Bor), ... hef er zien wief deur ejagd het brood is hol (Hol); De bakker is jaorig ewest als er in witbrood een verdwaalde krent wordt gevonden (Bro); Daor is de bakker zien kat an störven antwoord op een bedankje (Sle); Bakker, vroug op en nooit wakker (Vtm); Het is haoste nog net as vroeger: de schenker wurdt vrij espreuken en de bakker mut hangen (Dwij)
bakker-an, bakkeran, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), in bakkeran wezen de klos zijn Ditmaol hej oe wel vergist, mien jong, nou bi’j bakkeran (Hgv), Aj een leeg nummer trökken mit ʼtt lotten veur de dienst, dan waaj bakkeran (Ruw)
bakkerij, bakkerij, de, 1. bakkerij (het gebouw) 2. het bakken Wij hebben bakkerij in het achterhoes (Zui)
bakkersaffaire, bakkersaffère, de, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = bakkerij Zien vaoder had een bakkersafeer (Row)
bakkersarmoede, bakkersarmoede, bakkersverdriet, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook bakkersverdriet = melk met stukjes brood Stoetebrij is luiewievenkost, ook wel bakkersverdriet enuumd (Dwij)
bakkersbenen, bakkersbenen, zelfstandig naamwoord, meervoud, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = xbenen Die man har bakkersbenen (Hol)
bakkersboks, bakkersboks, bakkersbroek, Ook bakkersbroek = bakkersbroek Bakkersbroeken, die schrobden ze op de straote mit de bessem (Hol)
bakkersdril, bakkersdril, het, (Zuidoost-Drents zandgebied) = soort linnen Bakkers dreugen vrogger wal een broek van bakkersdril (Coe)
bakkerseczeem, bakkerseczeem, het, beroepsziekte bij bakkers, soort huidziekte
bakkersfiets, bakkersfiets, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = driewieler met dichte bak voor
bakkersgrof, bakkersgrof, het, (Nbui) = zodanig gemalen graan, dat het geschikt is voor roggebrood
bakkerskind, bakkerskind, het, kind van de bakker Bakkerskinder brood geven iets overbodigs doen (Nam)
bakkersoven, bakkersoven, de, oven van de bakker Bij de bakkersnaovend krioelt het vake van emerties (Rui)
bakkersplank, bakkersplank, de, (Dal) = broodplank
bakkersrijf, bakkersreive, het, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = bakkersgereedschap Bakkersreive was o.a. de schössel, wiske, broodvörm en spaodel (Ros)
bakkerssloof, bakkerssloof, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bakkersschort
bakkersstoet, bakkersstoet, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = brood van de bakker Bakkersstoet is lösser as boerenstoet (Sle)
bakkerstouw, bakkerstouw, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = dun touw om een papieren zak om een brood dicht te maken
bakkersturf, bakkerstörf, de, dikke, lichte, losse turf Bakkerstörf was törf van blauwveen (Bco)
bakkerswinkel, bakkerswinkel, de, bakkerszaak Zie stun nog wat met hum te proten in de bakkerswinkel (Sle)
bakkerszaak, bakkerszaak, de, bakkerszaak Hij hef dei bakkerszaak overnomen van zien va (Nsch)
bakkes, bakkes, de, bakkessen, 1. gezicht Hij gaf hom een goeie mep op zien bakkes (Vri) 2. mond Wi’j oen bakkes nou wel ies holden (Bro)
bakkig, bakkig, bijvoeglijk naamwoord, (wb:Mep) = geestig
bakkig, bakkig, bijvoeglijk naamwoord, (Midden-Drenthe) = drukkend Het is bakkig weer (Rol), zie ook bagge
baklamp, baklamp, baklocht, (niet Kop van Drenthe). Ook baklocht (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. open, met olie gevulde blikken lamp 2. apart persoon (Zuidwest-Drenthe, noord) Wat een baklaampe is dat (Dwi)
bakmeel, bakmeel, het, meel om te bakken Het bakmeel was op en toen kun ik niet bakken (Emm), Haal mij even een pak zölfrijzend, ...zölfriezend bakmeel (Bov)
bakoven, bakoven, de, bakoven Bakovens zint er niet mèer, die haj vrogger (Sle)
bakpraam, bakpraom, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = platte schuit
baksel, baksel, (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = term bij knikkerspel. Gooide je knikkers in de klomp of kuil en er sprong geen knikker weer uit dan was het baksel
baksel, baksel, het, baksels, 1. beslag Het baksel veur knieperties mot eigenlijk een nacht overstaon, dan wil het beter bakken (Bei) 2. de hoeveelheid, die in één keer gebakken wordt Het gebeurt wel ies dat er een hiel baksel verbraandt (Hol) 3. het gebakkene Bij knieperties bakken wil het eerste baksel wel vake een misbaksel wèzen (Bro) 4. aankleefsel (Zuidwest-Drenthe) Ie kunt wel zeen dat die emmer veule bruukt is, want daor zat hiel wat baksel in (Dwi) 5. snoeshaan (Zuidoost-Drents zandgebied) Ie bint ok een raor baksel (Sle)
bakselen, bakseln, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. vorm van knikkeren (Zuidoost-Drents veengebied), zie baksel 2. waden (Kop van Drenthe) Die mag graog in de snei bakseln (Vri)
bakstallig, bakstallig, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. halsstarrig, tegendraads, ontevreden Ik wor der bakstallig van, van dat gezeur heb er genoeg van (Dwi), Die jong is slim bakstallig; hij gaait in de kont hangen (Row) 2. uitgelaten, balorig As het tegen de vekaansie lop, bint de jongen altied zo bakstallig (Die)
baksteen, bakstien, de, baksteen Hij gooide mit een baksteine naor het peerd (Bov), Hij kun niet zwemmen en zunk as een bakstien (Ker), Het vrös as een bakstien (Val), ...een bakstien dik (Sle), Het regende bakstienen (Bui), De grond is zo hard as een bakstien (Wsv)
bakster, bakster, de, baksters, (Veenkoloniën) = stuiter
baktrog, baktrog, de, baktrog ...de schraole daogen tuschen aold en nei, as de baktrog mèerdermaolen een week of wat tumig stun, umdat men deur de rogge hen was (ti)
bakvleugelen, bakvleugeln, bakvlèugeln, (Kop van Drenthe). Ook bakvlèugeln (Zuidwest-Drenthe, noord) = moeizaam lopen Hij bakvleugelde der over, ... deur de modder (Row)
bakwagen, bakwagen, de, (niet Veenkoloniën) = wagen met rondom gesloten bak De bakwagen is een wagen met een strontbak er op (Pdh)
bakwangen, bakwangen, zelfstandig naamwoord, meervoud, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = dikke wangen Dat jong hef van die bakwangen (Nije), zie ook bakken 1
bal, bal, balle, baole, balle, bal, ballen, Ook balle (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), baole (Veenkoloniën). Rekking van bal, balle, in Kop van Drenthe, Veenkoloniën = 1. bal Bal en plaankien slagbal (Bui), Mekaar de balle toeschuppen elkaar bevoordelen (Bei), Hij kan um mij de ballen kriegen naar de pomp lopen (Dwij), Ik gleuve der gien balle van (Uff), De snei is nattig, ie kriegt er ballen van onder de klompen (Hgv) 2. bol Onder het haonie op de toren zat een grote ronde bal (Row), De balle van de laampe (Wsv) 3. teelbal Pas mar op as hij oe niet tegen de ballen antrapt (Ker) 4. soort snoepje Het aolde meinse gef de kinder aaid een ballegie (Bei) 5. bal van de voet en de hand Hij kreeg een spieker liek in de bal van de voet (Pdh) 6. bij een klomp a. de verhoging in de klomp midden onder de voet Dat is een klompe mit een mooie bal der ien (Bov), ...tegen platvouten (Vri) b. leren beslag onder de klomp om slijtage tegen te gaan Wij slaot ballen onder de klompen, dan gaot ze wat langer mit (Koe) 7. een spit veen (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied)
bal, bal, het, bals, danspartij Nao ofloop was der bal (Vtm), (fig.) Daor is het ok bal ruzie in de huishouding (Vri)
bal, bal, pal, (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën). Ook pal (Zuidwest-Drenthe, Schn) = 1. brutaal, vrijmoedig (Zuidwest-Drenthe) Hij sprèuk aordig bal op, maor hij mag wel oppassen (Hgv) 2. stomp (Veenkoloniën) Dat mes, dat is bal (Vtm), zie ook balekt
balans, balans, de, 1. evenwicht Hie was hielmaol oet balans (Sle) 2. balans, staat Tegen neijaor moej de balans opmaken (Emm), (fig.) Wie hebt eerst de balans even opmaakt, veurdat wie wieder gungen (Bov)
balansploeg, balansploeg, de, balansploeg, ploeg zonder steun voor de ploegbalk
balatum, balatum, het, balatum Zie hadden deur het hiele hoes balatum liggen (Sle)
balbuisje, balbuisie, ballebuisie, bolbuisie, bollebuisie, bollebuusie, balbuisies, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook ballebuisie (Zuidwest-Drenthe), bolbuisie (Midden-Drenthe), bollebuisie (Zuidwest-Drenthe, zuid), bollebuusie (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. poffertje Veur ballebuisies bakken moej een panne hebben mit koelegies in de bodem (Die) 2. soort oliebol, gebakken op oudejaarsavond (Zuidwest-Drenthe, zuid), (fig.) Die bint zo dikke mit menare, ʼt bint net ballebuisies gezegd van twee vriendinnen (Zdw) 3. allerhande soort eten (Midden-Drenthe) As kinder oet schooul kwammen en zie vreugen, wat veur eten of ze kregen, was het antwoord vaok: ‘Kom mor an, balbuisies’ (Eex)
balbuisjespan, balbuisiespanne, de, (Zuidwest-Drenthe) = poffertjespan ...mèensen, die het euliekrappen bakken mar niet leren kunden; die haren een balbuisiespanne mit vief gatties (po)
baldadig, baldaodig, baldadig, baldaog, baldorig, Ook baldadig (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), baldaog (Zuidoost-Drents veengebied), baldorig (Zuidoost-Drents veengebied) = baldadig De jeugd van tegenwoordig is veul baldaodiger as wij ooit wèest bint (Hijk)
baldadigheid, baldaodigheid, de, baldadigheid Alles was vernield, zuver oet baldaodigheid (Schl)
balderachtig, balderachtig, bolderachtig, balderig, bolderig, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Ros). Ook bolderachtig (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe), balderig (Zuidoost-Drents veengebied), bolderig (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. ruw, wild Het weer is mij te balderachtig um der oet te gaon (Sti), Hij was balderachtig mit de peerden (Ros), Ik doou niet met, het is mij veuls te bolderachtig (Eex) 2. druk, lawaaierig Het is een bolderachtige boudel; het gait er altied zo te keer (Vtm)
balderak, balderak, balderik, billerak, de, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook balderik (rr) = voorwerp, dier, maar vooral een huis, dat oud en versleten is Hoe komt dee meinsen der bij um zoeveul geld oet te geven veur zo’n aole balderak bouwval (Hijk), maar ook van iets dat groot en lomp is Een balderak van een pèerd (Sle), ...van een hoes bakbeest (Man); billerak (Hijk) = oud huis Een aold billerak van een hoes
balderaksie, balderaksie, palderaksie, (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe). Ook palderaksie = 1. groep De hele balderaksie leup der achter an (Ros) 2. rommel, rotzooi Ik heb de heile balderaksie maor op de wogen pakt en wegbrocht (Vri)
balderbak, balderbak, de, (hi) = oud, versleten voorwerp Het is heel wat wèerd, aj een goeie kruiwagen hebt, maor tegenwoordig is een aold, versleten balderbakkien nog mèer wèerd
balderboks, balderboks, ballerboks, bolderboks, bollerboks, bulderboks, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook ballerboks (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), bolderboks of bollerboks (soms in dezelfde plaats naast balderboks), bulderboks(Zuidoost-Drents zandgebied soms in dezelfde plaats naast balderboks) = druk, lawaaierig, soms lomp persoon, veelal een schreeuwer, grootspreker, kletsmajoor, lawaaischopper, maar daarnaast ook een feestnummer (Midden-Drenthe), een doordrijver (Zuidoost-Drents zandgebied), een brombeer (Zuidoost-Drents zandgebied), een harde werker (Midden-Drenthe), ruig (Midden-Drenthe), onbesuisd (Zuidoost-Drents zandgebied), lastig (Veenkoloniën), onverschillig (Zuidoost-Drents veengebied), onhandig (Zuidoost-Drents veengebied) persoon Een bolderboks is eein, die te wild met een deer umgeeit of te haard tegen kinder angeeit (And), zie ook bolderbatse, balderbusse
balderbuis, balderbuus, de, (Midden-Drenthe) = losse zak De lösse buus, dee de vrouwlu veur hebt, wordt ok wel balderbuus nuumd (Rol)
balderbus, balderbusse, bolderbusse, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied). Ook bolderbusse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. proppenschieter, knapbus De balderbusse meuke wij van vleerholt (Wsv), zie ook proppenschieter 2. iem. die veel praat en anderen overschreeuwt (Zuidwest-Drenthe, zuid, dva) Het is een balderbusse van een kerel (Pes), zie ook balderboks
balderbussenhout, balderbussenholt, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = vlier, z. ook vleerholt
balderen, baldern, boldern, baltern, Ook boldern, baltern (Veenkoloniën naast baldern) = 1. te keer gaan, lawaai maken De kwaojonges leupen om hoes tou te baldern (Pei), Wij kriegt aander weer; de roene baldert trapt tegen het beschot (Ruw), De wagen boldert aover der straote (Rui) 2. veel en luidruchtig praten, opscheppen Wat kan die paander proten. Hij baldert mar an ien stuk deur (Hav) 3. foeteren met harde, kwade stem Die vrouw baldert aaid an met heur kinder (Eex) 4. wild doen Hij balderde aordig over zien laand met de neie trekker (Gas) 5. geluid maken door korhoenders tijdens de balts Korhounder waren ok weer an het baldern (Vri), zie ook baltsen, beldern 6. door iets heenlopen Aj het aordig drok hebt, kuj wal zeggen: daor bolder ik wel deur (Hol) 7. duikelen, buitelen (Zuidoost-Drents zandgebied) Wat baldert die kieften (Sle) 8. met een vuurwapen schieten (wb:Rui) 9. met een stok in de bomen smijten (wb:Eel), zie ook bongeln
balderzak, balderzak, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = lawaaischopper Wat een balderzak (Nije)
balecht, balekt, balecht, balt, bolekt, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe). Ook balecht, balt, bolekt (Midden-Drenthe) = 1. stomp, niet goed geslepen; op de snede scherp, vlak achter de snede te dik De zende is balekt, hie mut neug haard worden (Oos), zie ook bal 2. aan beide kanten scherp (wb, wm). Deze bet. is waarschijnlijk onjuist.
balein, belien, beliene, balien, bliende, belienen, Ook beliene (Zuidwest-Drenthe), balien, bliende (Zuidwest-Drenthe, zuid) = balein ...met een belien, die ze dubbel deden en de daarm daor tussendeur trokken methode bij het schierschonen (Eex)
baleinen, belienen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Kop van Drenthe) = darmen schoonmaken met een balein
balflintenstraat, balvlintenstraot, de, (Kop van Drenthe) = straat van veldkeien
balg, balg, de, balgen, 1. buik, maag van mens (ruwe uitdr.) en dier (Zuid-Drenthe, Veenkoloniën) Die koe, die is dikke in de balg. Der kunden wel ies twee kalver in zitten (Zdw) 2. lichaam (Zuid-Drenthe, Ros) De hele balg döt mij zeer (Mep) 3. blaasbalg De smid trök wat harder an de balg (Wes)
balgig, balgig, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = zwaarlijvig Wat een balgige koe is dat (Emm)
balgooien, balgooien, onbepaald werkwoord, met de bal gooien, bijv. schaatsend op het ijs met de bal gooien en zien, wie het verst gooit (Veenkoloniën)
balhoofd, balheufd, het, balhoofd, onderdeel van de fiets
balhouwen, balhouwen, onbepaald werkwoord, 1. kinderspel, soort hockey (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Bij oos was balhouwen een kinderspel, net hockey. Elk hef een stok, ... gebogen stok (Wes) ...maor in plaots van een doel is er een koel in de grond van ong. 20 cm in deursnee. Daor mot één partij preberen de holten bal in te kriegen, terwiel de aander partij heur prebeert tegen te holden (And) 2. kastie (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), zie ook balslaon
balie, baolie, balie, baelie, baolies, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook balie (Zuid-Drenthe), baelie (Zuidwest-Drenthe, noord) = grote tobbe, vooral gebruikt bij de was, maar ook bij de slacht en voor opslag van karnemelk (zoepenbaolie) De balie wurde wat wasgoed in edaone, dan het wasbrud der in en mar rossen um het schone te kriegen. De balie kwamp op een dreiepote, aanders musse wij te veule bugen (Koe)
balie, baolie, balie, baelie, baolies, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook balie (Zuid-Drenthe), baelie (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. balie in gerechtszaal Hij is niet naor het wark vandage, hij mot veur de baolie (Hijk), Kom der maor mit veur de baolie voor de draad (Erf) 2. gevangenis (Zuidwest-Drenthe, zuid) Zij hef het niet bried, heur kerel zit in de baolie (Noo)
baliekluiver, baliekluiver, de, baliekluivers, onnut persoon, rotjongen Wat een baliekluiver van een jong, door keuj niks mit anvangen (Bov)
balk, balk, balke, baalk, baalke, baolke, balken, balkens (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidw, Ook balke (Zuidwest-Drenthe en Zuidoost-Drents veengebied), baalk (Kop van Drenthe), baalke (Veenkoloniën), baolke (Veenkoloniën) = 1. houten balk Dou de banderdeure even dichte en gooi de baalke der even veur (Vtm), Hij zit boven in de balken in de nok (Coe), Het stait op papieren balken er rust een zware hypotheek op (Bco), Hie hef het geld over de balk gooid verkwist (Odo) 2. (vaak mv.) onderkant van de zolder Wij komt de winter wal deur, wij hebt het zwien in de balken (Exl), ...in de baalk (Row), ...an de balken (Bro) 3. (vaak mv.) opslagruimte onder het dak boven de deel, schuurzolder Laot nou de regen mar komen, wij hebt de rogge op de balken (Koe), ... op de balk (And), De balken schèren het afknippen van stro, dat door de kieren van de zoldering steekt (Sle) 3. (mv.) balken onder het ijs Hoe meer balken, hoe starker het ies (Hgv)
balkanker, balkanker, de, (Kop van Drenthe) = ijzer, waarmee een balk in de muur is vastgezet
balkduister, balkenduuster, bijvoeglijk naamwoord, (Ros) = erg donker
balken, balken, belken, baalken, Ook belken (Kop van Drenthe), baalken (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = balken, schreeuwen Dat is gien zingen mèer, dat is balken (Zwe)
balken, balken, onbepaald werkwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = balken leggen, de schoven neerleggen
balkenbier, balkenbier, het, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = bier of andere drank, gegeven door de eigenaar, als de balken in het nieuwe huis gelegd zijn
balkenbrij, balkenbrij, de, een in Drenthe niet algemeen bekend meelgerecht, waarin soms ingrediënten van de slacht meestal die voor de leverworst of het nat ervan zijn verwerkt, maar waarmee soms ook alleen een soort pap wordt aangeduid, al dan niet smakelijk gemaakt met krenten, rozijnen, bastaardsuiker, kaneel of stroop.
balkenijs, balkenies, het, (Zuidwest-Drenthe) = 1. dik, zwart ijs met luchtbelletjes Balkenies is ies, woor barsten in sprungen van het harde vriezen. Zwart ies mit allemaole witte stippen er in (Hol) 2. ‘Balkenies ontstaat, als het langer vriest en er ruimte komt tussen water en ijs (Wsv), (...) Delen van het water kleven aan het ijs, dat bevriest. Zo ontstaat onder het ijs een grillige structuur’ (Dwi)
balkenladder, balkenledder, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = lange houten ladder naar de bergzolder De balkenledder stun op de dele tegen de balken an (Eri), ...op de deel in de slop (Gro), Hij schreeuwt as een kat, die aachterneers van de balkenledder oftrökken wordt (And)
balkenlegger, balkenlegger, de, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = persoon, die bij het binnenhalen van het koren de schoven op de zolder legt. De garvensmieter mut de garven mit ʼt gat naor de balkenlegger gooien (Bro), ‘Wanneer het in de schuur donker werd, zette de balkenlegger een witte muts op, dan kon de garvengooier hem zien’ (Hav)
balkenschaar, balkenscheer, de, fopwerktuig, niet bestaand voorwerp, waarvoor kinderen op pad werden gestuurd Der bint niet veul kwajonges, die ze nooit um de balkenscheer op pad stuurd hebt (Bal)
balkensliet, balkensluut, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = lange paal, waarmee de zoldering boven de deel wordt dichtgelegd Balkenslieten bint ronde boomstammegies mit een deursnee van ong. 10 - 15 cm. (Wsv)
balkenvleier, balkenvleier, de, (Veenkoloniën) = persoon, die de schoven op de zolder legt
balker, balkerd, de, balkerds, (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe) = schreeuwerd As een jong hard zung, dan zeden ze wal: wat een balkerd (Zwig)
balkgat, balkengat, het, (Die) = gat in de zolder boven de deel, waar de ladder staat, z. ook balkenslop
balkglop, balkenglop, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = rechthoekig gat boven de deel in de zolder Hij stek het heui deur de balkenglop hen baoven (Zdw), zie ook balkenslop
balkhaas, balkenhaze, balkhaze, Ook balkhaze = 1. spotnaam voor een kat De balkenhaze zit boven op het huus (Klv) 2. meisje, dat met iedereen naar bed gaat. Dit gebeurde dan op de balken in het hooi (Zdw) 3. bouwvakker zonder hoogtevrees (Pes), zie ook dakhaze, beunhaze
balkhout, balkenholt, balkholt, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook balkholt = hout voor het gebint Deelholt is tegenstelling tot balkholt of bintholt (Hgv)
balkijzer, balkiezer, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = ijzeren staaf achter een hoef van een paard langs ter bescherming
balkknijp, balkenkniepe, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe) = vernauwing tussen de balkenruimte en de schuur
balklaag, balkenlaog, balklaog, Ook balklaog (Midden-Drenthe) = eerste laag koren op de zolder ...aans kriew de balklaog der straks nooit goed in (Hoh)
balkslop, balkenslop, het, de, (niet Veenkoloniën) = rechthoekig gat in de zolder boven de deel Bij winterdag leg wij ʼt balkenslop dicht (Sle), zie ook balkengat, balkenglop
ballast, ballast, ballaster, bals, ballasten, Ook ballaster, bals (Pdh) = schop van diverse afmetingen en vormen, maar over het algemeen een grote schop met opstaande randen, om er los spul mee op te scheppen. Kan van hout of ijzer zijn Een ballast is een grote ronde schup, maor de bek is recht (And), ...met steile ziedkaanten (Eex), De ballast is hetzölfde as de bats, man heitte in het veen ballaster (Bco), Ofbonken deden wij met een schoffel en een ballaster (Scho), ook fungeerde de ballaster als baggerschop (Scho, Nor)
ballast, ballast, de, het, ballasten, 1. onnut of lastig persoon, druktemaker, deugniet De dree wichter van oze buren bint slim gezeggelijk, maor die jong is zo’n ballast! (Bei), Het is een flinke, gezonde jonge, mar o, het is zo’n ballast (Rui), Een koper zunder geld is een ballast op de mark (Sle) 2. rommel Wat is het door altied een ballast op het arf (Bro), Der komp ballast oet het juur etter (Sle) 3. lawaai Het was altied dezelfde, die veul ballast meuk (Eri) 4. lomp beest (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat een ballast van een peerd (Ruw)
ballasten, ballasten, onbepaald werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. lawaai maken, de boel op stelten zetten Nou moej ies even opholden met dat ballasten; ik kan jao gien woord verstaon (Bei) 2. rommelen (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Kinder, hol toch ies op te ballasten, ie kunt jao gien bien mèer verzetten rommel maken (Hijk), Wij gaot ballasten losse rommel opruimen (Val)
ballastig, ballastig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. hinderlijk, baldadig, rumoerig De kwaojonges binnen zo ballastig, wai zullen wel aander weer kriegen (Row), De bolle wordt wat al te ballastig (Rui) 2. erg (Zuidwest-Drenthe, zuid, vn) Die balken bint ballastig zwaor (Pes)
ballastput, ballastput, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = afvalput Aal oes toenofval giet naor de ballastput (Odo)
ballastschop, ballastschup, balleschuppe, Ook balleschuppe (Die) = ballastschop, zook ballast II
balleer, balleer, het, het leer, dat men onder klompen slaat, zodat ze langer meegaan Van aole schoenen en van een aolde pèerdezeel muuk ij balleer (Sle), ‘Balleer was vroeger één van de emolumenten, die een boer zijn knechten en meiden gaf’ (Bro)
ballen, ballen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe) = 1. kaatsen De maagies bint an het ballen tegen de mure (Nije) 2. tot een bal vormen Hij balde de voesten 3. plakken (Zuid-Drenthe) De snei balt zo, ik kan de bienen haoste niet mitkriegen (Koe)
ballen, ballen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe) = leer onder de klomp slaan Aj de klompen laot ballen, gaot ze langer mit (Hol), zie ook opballen, underpeggen, underballen
ballendoek, ballendoek, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = zwarte omslagdoek met balletjes eraan Die vrouw drag nog een ballendoek (Oos)
ballenjagen, ballejagen, onbepaald werkwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = spel ‘In onze jeugd vermaakten wij ons ook een tijdlang met ballejagen; een spel dat later vanwege de gevaren verboden werd. Een houten bal werd met lange stokken voortgedreven. Wie hem tegen zijn hoofd had gekregen zou wel dood neergevallen zijn’ (Rui)
ballon, ballon, bellon, ballonne, ballonnen, Ook bellon, ballonne (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe) = 1. luchtballon Der hung gistern een ballon in de locht (Bov) 2. kap of bol van de lamp De ballonne van de laampe is oons ebreuken (Pes)
ballonvaarder, ballonvaarder, de, ballonvaarders, ballonvaarder Aal mèensken leuipen te hoop um die ballonvaorder gooud te kunnen zeein (Gas)
baloor, baloor, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = ongezeggelijk, dwars persoon Dat is een baloor, hij is altied tegen de draod in (Hgv)
baloren, baloren, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord) = balorig zijn Die vent is aordig an het baloren (Wsv)
balorig, balorig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. weerspannig, ongezeglijk Die jong is zo balorig, ij moet het hum wal hoe vaak zeggen, veurdat hij ʼt döt (Zwe) 2. ondeugend, baldadig, lastig, vervelend Wij kriegt vast aander weer, oenze jongen bint zo balorig (Ker)
balroos, balroos, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = pioenroos
bals, bals, bijvoeglijk naamwoord, (Midden-Drenthe) = krols De kat is bals (Ktv)
balsem, balsem, de, balsems, balsem Een geneesmiddel tegen hondenkring is blom van zwevel met balsem (Pdh)
balslaan, balslaon, onbepaald werkwoord, (veroud.) = balspel, waarbij a. de bal met een plank wordt weggeslagen, een soort honkbal, slagbal of kastie b. waarbij de bal met een soort hockeystick in een kuiltje wordt geslagen Balslaon is met een balstok de bal in een koelegie slaogen en de aandern mouten dat ofweren (Vri), zie ook balhouwen, kloothouwen c. waarbij de spelers de bal naar elkaar toeslaan, een soort tennis, z. ook Sint-Pieter
balstarrig, balstarrig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = halsstarrig
balsteren, balstern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = baggeren Hij balsterde er dwars deur hen (Nije)
balsturig, balsturig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. ongezeglijk, eigenzinnig Toen wai oons peerd aanspanden, was hij aordig balsturig (Pei), Ik wete nooit precies, wat aj wilt, ie bint altied zo balsturig grillig (Flu) 2. ruig, wild Het is balsturig weer winderig, wat ruig (Dwi), Wat bint die jongen balsturig, der is zeker sturm op komst (Hijk)
baltsen, baltsen, balstern, Ook balstern (Zuidoost-Drents veengebied) = baltsen van korhoenders Wat balstert die korhanen (Klv), zie ook baldern
bam, bam, de, (Kop van Drenthe) = vaart Der bam achter zetten (Pei)
bam, bam, de, bammen, (Zuidwest-Drenthe, noord) = verhoogd gedeelte van de koestal vroeger van hout, nu van steen of beton, waarop de koeien met de achterpoten staan
bam, bam, het, de, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = aanduiding voor verschillende grassoorten op nattige plaatsen Bam is een soort bente, een hard soort gras (Emm), ... is een soort wild gras (Nsch), Bente kuj mèeien, bam niet. Met bam kuj ok vlechten (Sle)
bambeer, bambèer, wambeer, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook wambeer (wb) = grote, grove kerel As die bambèer je in handen krig, die brek je alle botten (Sle) 2. wildeman, woest, ruw persoon, maar ook een man die druk is en altijd de eerste wil zijn (Midden-Drenthe) Het is een goeie kerel, mor as e een borrel op haar, was het een bambeer (Zwig)
bamberen, bamberen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = ergens met veel kabaal op afgaan Hij bambeerde der weer wat op los (Emm)
bamberig, bamberig, wamberig, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord), Ook wamberig (wp, wm, wb) = 1. woest, wild, met veel getier Een bambèrig kèreltien (Oos) 2. kleinzerig (wm)
bambes, bambeer, de, (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = jeneverbes, z. ook dambeer
bamboe, bamboe, de, het, bamboe, meestal in samenst. als bamboebessem bamboebezem of bamboestok bamboestok. Bamboestokken kunj hiel mooi opsplitsen van lid tot lid (Hoh)
bamkop, bamkop, bamtop, bampol, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook bamtop (Zuidoost-Drents zandgebied), bampol (Midden-Drenthe) = graspol Ik huld mie vaste an de bamkop, anders was ik in de sloot gleden (Nsch), De koenen laot aaid de bamtoppen staon, daor vreet ze wal umhen (Oos), Het is min grasland met veul bampollen en nat (Eex), zie ook bam I
bamkorf, bamkörf, de, (Hijk) = bijenkorf, gevlochten van ‘bam’
bammer, bammer, bammerd, bammerds, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = stenen of glazen stuiter, ijzeren kogel ...neuten op een riegel en dan met de dikke koegel (de bammer) der zo dicht meugelijk an langes... (And), zie ook bommer(d)
bams, bams, de, 1. klap Hie hef hum toch een bams veur de kop geven (Bor) 2. dreun Hij kon het vrachie neit haolden ʼt kwam mit een bams op de grond (Erf) 3. klanknabootsing Ik haar alles mooi opstapeld en bams!, daor lag het en kun ik opnei begunnen (Hijk), Bams, die is dicht (Nam), zie ook wams
bamschieten, bamschieten, bomschieten, (Zuidwest-Drenthe, noord). Ook bomschieten (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe) = knikkerspel Met de stuiter mussen wij bomschieten (Dwi), zie ook bommen I
bamsen, bamsen, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. met een klap vallen Hie bamsde op de grond (Sle) 2. slaan Zij bamst ok zo hard mit de deure (Hol) 3. zich erg inspannen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij mut er tegen bamsen (Flu)
bamspier, bamspier, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = grasspriet De bamspieren wuurden gebroekt veur o.a. het dak (Pdh), zie bij bam I
bamtikkertje, bamtikkertie, bantikkertie, (Zuidwest-Drenthe, noord). Ook bantikkertie = tikspel Bamtikkertie, dan leupen de kiender van het iene bam maor ʼt aandere en daor tussen ien meugden ze dan etikt worden. Dan waren ze of en hulpen dan tikken (Wsv)
bamzaaien, bamzaaien, onbepaald werkwoord, bamzaaien Ze zaten in de train wat mit ’nkander te bamzaaien (Bov)
ban, bam, bamme, ban, bammen, (Zuidwest-Drenthed, Midden-Drenthe,Veenkoloniën). Ook bamme (Zuidwest-Drenthe), ban (Zuidwest-Drenthed, Veenkoloniën) = 1. plaats, waar je niet getikt of gestoord mocht worden Ie magt mij niet tikken, ik bin in de bam in een afgeperkte ruimte, waar men in kwam als men ‘af’ was (Die), ‘Als er bam geroepen werd mocht er niet afgetikt worden’ (Dwij, ook Vtm), ‘Verwachtte je afgetikt te worden, dan zei je snel bam in en later weer bam uut’ (Wap), ...ban of (Git), zie ook baan II 2. gezegd bij knikkerspel (Zuidwest-Drenthe, noord), in Wie döt mit op de bam uitnodiging tot knikkerspel, waarbij knikkers met een dikke stuiter of ijzeren kogel uit een cirkel werden gegooid (Die)
ban, ban, bandevoet, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), in op (iegen) ban en voet op eigen houtje. Ook bandevoet. Hij dee det mar op eigen ban en voot (Rui). ... ’t alles mor op eigen bandevoet (Smi)
ban, banne, ban, bannegien, bannen, (Zuidwest-Drenthe). Ook ban, bannegien = 1. onaangebroken stuk van het hooi of korenvak Het heui kort hard op, der zit mar een klein bannegien meer (Dwij) 2. hoeveelheid afgestoken hooi Het heui an bannen stikken in blokken (Zdw), Ik mut nog een bannegien heui ofgooien (Ker) 3. dammetje ‘Om van het water geen hinder te hebben laat men bij het sloten van tijd tot tijd een bannegien zitten. Deze bannegies verwijdert men dan later (Bro) 4. hoeveelheid Ze zetten een bannegie holt in de hook van de schure (Hgv)
ban, banne, de, bannen, (Zuidwest-Drenthe). = 1. gang langs de groep achter de koeien De bam [sic] is de ruumte tussen de gröppe en de butenmure (Vle) 2. plank over de groep, bijv. gebruikt als de koe moest kalven (Die), zie ook ban, achterban
ban, ban, de, bannen, (Zuidwest-Drenthe, noord) = dam Der kun wel een bannegien blieven staon, umdat er gien ruumte meer op de wal was um de vene kwiet te worden (Wsv), zie ook klink I
banaan, banaan, banaon, banaen, bananen, Ook banaon (Noord-Drenthe), banaen (Zuidwest-Drenthe, noord) = banaan Bananen kent wij vanof ongeveer 1920 (Sle)
band, baand, band, banden, baanden, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook band (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. band om te binden De 2 korte baanies van de schoet wurden dan an mekaor knupt (Vri) 2. rand, strook Een baand deur het brood, dan is het brood niet gaor (And), Een dikke baand beton (md), Een koe met een witte baand over het kruus (Sle) 3. band om iets Wij hebt vandaag een flink stuk in de band kregen schoven van band voorzien (Bor), De wind is oet de baand fietsband (Nsch), Aj de klomp kapot harren, muuk de smid der een bandtien over (Scho), De toete hef vèer iezern baanden veur de stevigheid (Zdw), Ik spaar die bandties niet sigarenbandjes (Klv), As de eerder eine dood was, leupen ze mit een zwarte band um de arm (Bov), (fig.) Ie heurt ook vake van meinsen, die in heur jonge jaoren nooit ies uut de baand sprungen (Hol) 4. spier even boven het begin van de staart aan weerskanten van het staartbeen Dei kou kan wel ies gauw kaalven, de banden binnen al weg (Eel) 5. boekenband Dat boek lig hielmaol oet de baand (Sle) 6. rand van biljart Hie kan geweldig over de baand speulen (Oos) 7. geluidsband Zie hebt oes vao op de baand opnummen (emm) *Het kan beter van de zak as van de baand beter van een rijke dan van een arme (Rol)
band, baand, het, 1. lintvormig weefsel Ik mot nog even wat band van de winkel halen (Bov) 2. teenhout Een rietdekker warkt mit baand (Smi)
bandafnemer, baandofnimmer, de, bandenlichter Ik wol de baand lappen, mor de baandofnimmers zaten niet in het duusien (Sle)
banddoek, baandtiesdoek, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = luier met banden voor grotere kinderen
bandeloos, bandeloos, banloos, bandloos, bandlos, baandelos, Voor bet. 1. ook bandloos, banloos (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), bandlos (Zuidoost-Drents veengebied), baandelos (Zuidwest-Drenthed) = 1. zonder banden, niet drachtig te krijgen Een baandeloze is een biest dat altied deur bèult (Hgv) 2. zonder regels, bandeloos Wat wurdt die jeugd toch baandeloos (Koe)
banden, banden, werkwoord, (dva) = schoven van band voorzien
bandenschoot, bandenschoet, bandtiesschoet, baandtiesschoet, baandenschoet, ba, Ook bandtiesschoet, baandtiesschoet, baandenschoet (Zuidwest-Drenthe), baandenschölk (Zuidwest-Drenthe) = schort met banden om de middel Mien moe dreug vroger een baandtiesschölk (Pes)
bandensnijder, baandensnieder, de, persoon, die bij de dorsmachine de banden om de garven doorsnijdt De instopper en de bandensnieder zaten boven op de dörsmesien (Zey)
bandentwijg, bandentwieg, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = lange twijg Bandentwieg weur gebroekt bie het dekken (Bov), zie ook bandgaarde
bandgard, bandgaarde, bandgare, bandgeerde, bandgaorde, bandgaor, bandga, bandgaarden, Ook bandgare, bandgeerde (Ros), bandgaorde (Midden-Drenthe), bandgaor (Midden-Drenthe), bandgaar (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), bandgarre (Zuidwest-Drenthe),bandgarde (Zuidwest-Drenthe) = 1. lange twijg meestal van (water)wilg gebruikt bij het dekken van stro of riet en bij het maken van korven of manden. Ook bij het binden van talhout, takkenbossen en bezems Wij hebt de dekker op het huus, nou murre wij baandgarden snien (Hav), Pak mij ies even een bandgaarde, dat peerd wil niet lopen (Pdh), Aj dat nog ies een keer wèer doet, dan kreej met de baandgare (Bei), Een baandgarde um de takkebos (Hol), zie ook bandentwieg 2. lange dunne stok van vuilboom, gebruikt bij het rietdekken, om het riet neer te drukken (Dwi)
bandhout, baandholt, het, (Zuidoost-Drents veengebied) = akkerhout
bandiet, bandiet, de, bandieten, bandiet Het was wel een baandrekel, maor gain bandiet (Git)
bandig, bandig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = 1. druk Een bandige kerel is een drokke, haardwaarkende kerel (Erf) 2. erg, zwaar Dat wark was mij wat te bandig (Exl), zie ook albandig
bandijzen, pandiezen, bandiezen, spandiezen, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook bandiezen (Noord-Drenthe), spandiezen (Zuidoost-Drents veengebied) = razen, tieren Schei toch oet te pandiezen, wat hej der met te maken? (Sle), Hie leuip daor te vleuiken en te bandiezen! (Gas), ook met element van opschepperij Hij stait door wat te pandiezen, mar het haalt niks oet (Bov), z. ook plandiezen
bandijzer, baandiezer, het, bandijzer Wij hebt een neie zwienebak, mor der mot nog een baandiezer op (Bal)
bandmaat, baandmaot, de, (Midden-Drenthe) = bandmaat Dunbaand reit is een bossie reit met een baandmaot van 23 cm. De baandmaot wur meten an de voout van de bos (Eex)
bandrekel, bandrekel, baandrekel, baanderekel, baanderekkel, baanderèkel, Ook baandrekel (buiten Oost-Drenthe), baanderekel (Zuidwest-Drenthe), baanderekkel (Pdh, Scho), baanderèkel (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. ondeugende jongen, kan zowel positief als negatief zijn Die baandrekel hef mij de wiend uut de baand laoten lopen en het ventiel weg egooid (Wsv), Het bint wal goeie jongs, maor aordige baandrekels (Ndo) 2. kettinghond (Nsch)
bandrekelen, bandrekeln, onbepaald werkwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = ondeugende streken uithalen Zie lupen daor wat bij oes te bandrekeln (Sle)
bang, bang, bange, baange, baang, Ook bange (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), baange (Veenkoloniën), baang (Kop van Drenthe) = angstig, bevreesd As er een moesie in de kaomer lop, wordt de vrouwlu bang (Vri), Hij is zo bang as een moes(ie) (Die), ... as een hond(tie) (Klv), ... een wesel(tien) (Ruw), ... een haas (Odo), ... een scheet (Twe), ... een schieterd (Zwig), Je moeten wel veurzichtig wezen, maor ie kunnen ok wel ies te bange wezen te voorzichtig (Smi), Door huif ie nich bang(e) veur te wezen bezorgd (Bov)
bangbroek, bangebroek, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = angstig persoon Het is een kakkerd van een kerel, wat zeg ik, een bangebroek! (Mep)
bangdrijter, bangedrieter, de, (Zuidwest-Drenthe, noord) = bangerik Aans de mond groot zat, maor in donker is hij een dikke bangedrieter (Dwi)
bangerd, bangerd, de, bangerds, (Zuidwest-Drenthe) = 1. bang persoon (Zuidwest-Drenthe, zuid) 2. sterk persoon (Zuidwest-Drenthe, noord) Het is zo’n bangerd van een kerel, ... van een wief (Die) 3. in de bangerd achter het gat hebben opgejaagd worden (Zuidwest-Drenthe) Hij har de bangerd achter het gat, hij nevelde der langes (Ruw)
bangigheid, bangigheid, de, bangheid, angst Het is niks as bangigheid dat e zo vluukt (Pes)
bangmakerij, bangmakerij, bangemakerij, Ook bangemakerij (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën) = bangmakerij Ach, het was niet zo arg, het was wat bangmakerij (Exl)
bangschijter, bangschieterd, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) = bang persoon Hij is overal bang veur, het is een echte bangschieterd (Pei)
banjer, banjer, banjerd, banjers, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. groot, grof persoon of dier, zelden gezegd van voorwerpen Mit dei banjerd van een kerel krieg ik laiver gain roezie (Twe) 2. bolleboos Wat een banjerd in het wark, het is net een kerel (Oos) 3. opschepper (Zuidwest-Drenthe) Hij vuult zich aordig, het is een hele banjer (Mep)
banjeren, banjern, bantjern, baantjern, Ook bantjern (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), baantjern (Veenkoloniën) = spannen, schommelen, weinig schelen Of e al 80 jaor is, weet ik niet, maor het banjert er wel um (Gas)
banjeren, banjern, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. waden (Zuidwest-Drenthe) Wij mussen deur de modder banjern (Eli) 2. vallen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie schommelt zo hard, dat hie banjert er haost oet (Emm) 3. er stevig de pas in hebben (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe) As hij der an komp banjern, giet iederiene op zied (Noo)
banjerheer, banjerheer, baonderheer, baondermeneer, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook baonderheer (Veenkoloniën), baondermeneer (Zuidwest-Drenthe, zuid) = heer in uiterlijk en kleding, z. ook baonholder
bank, bank, baank, banken, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën). Ook baank (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) = 1. geldinstituut Zij doet heur altied aordig arm veur, mar zij hebt vaste hiel wat op de baank staon (Koe), Bij het kaorten hef hij de baank (Wes) 2. bankgebouw Op aoljaorsdag bint de baanken sleuten (Bei) 3. bankbiljet Ik geef je 10 baankies van honderd (Gas)
bank, bank, banke, baank, baanke, banken, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe). Ook banke (Zuidoost-Drents veengebied), baank (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), baanke (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = 1. bank om te zitten Hij was zo lang, hij mus altied op de achterste banke zitten schoolbank (Bov), Hij zit altied op het eerste baankien altijd met de neus vooraan (Noo), Hie stek zien miening niet under stoelen of banken komt voor zijn mening uit (Sle) 2. toonbank Deur de bank nummen is er niet veul verschil (Gro) 3. werkbank Het dieg lig op de baank plaats, waar deeg na bewerking in de trog wordt neergelegd (Oos), Hij is um een kromme baanke edreid tegen de keer in (Hgv) 4. wolkenband Een bank in het noorden brengt de volgende dag regen (Dro), Een bank veur de zun gef vaak onweer (Sle) 5. schuin oplopende plank in spinnewiel, waarin de boveneinden van de poten van het spinnewiel zitten (hy) 6. kastplank (Zuidwest-Drenthe, Pdh) Wij hadden het geld altied op de darde baank in de kast, mar hij is nooit deur ebeugen (Koe) 7. veenbank, stuk veen op turflengte, dat telkens door de graver wordt vergraven Een bank veen is ein törf lengte en hef de bredte van de putte meestal 5 meter (Bov), Een baankie veen was 5 of 6 törven dikte (Twe), Een bank was ± 5 m. lang en een törflengte bried (Ndo), Een bank is een törflengte dwars veur de koele langs (Scho), Ein baankie veur hebben aan een steek bezig zijn bij het turfgraven (Erf), Weur er as het veen diep was in 2 baankies graven, dan weurden er eerst 4 laogen graven. Daor weurd daor een plaank over legd veur de slagwagen en dan weurden de onderste laogen graven, aanders was het te hoge um het op de wagen te kriegen (Geb), zie ook klaampe, bankveen 8. harde laag Der zit een baank in de grond en doorumme wil het water niet zakken (Bro), Die koe hef een baank in het uur (Gro), (fig.) Ik heb een baank in het lief a. te veel gegeten (Nor) b. ben zenuwachtig (Oos)
bankenmaker, bankenmaker, de, (po, N:Ruw) = verzorger van zitplaatsen op een begrafenis
bankenpacht, bankenpacht, de, (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. pacht van een kerkbank Hij hef de bankenpacht nog nich betaald (Bco) 2. het verpachten van kerkbanken De bankenpacht was ʼs zundags ʼs middags nao het lof (Bov)
bankenverhuur, bankenverhuur, bankenverhuring, Ook bankenverhuring (Zuidoost-Drents zandgebied) = plaatsenverhuur in de kerk De eerste zaoterdag in mei luudden um ien uur de kerkklokken. Dan was ter bankenverhuur, ...bankenverhuring (Sle)
banket, banket, het, banketten, (Zuidoost-Drents veengebied) = de aan het nog te vergraven hoogveen zittende strook onderveen, waar het bovenveen over ong. 1 meter is afgegraven, z. ook lichting
bankgeheim, bankgeheim, het, bankgeheim Zie hebt hum overplaotst, hie har het bankgeheim schunden (Sle)
bankhamer, bankhamer, de, smidshamer, ong. 1 kilo zwaar Zo’n haemer is een baankhaemer (Smi)
bankroet, bankroet, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, failliet De zaok was bankroet (Erf)
bankschroef, bankschroeve, de, bankschroef Hij hef de baankschroeve esmeerd; het ding piepte as de bliksem (Pes), Hij hef handen as bankschroeven (Bov), (fig.) Wij zult hum de baankschroeven anzetten dwingen (Hijk)
bankstel, bankstel, het, bankstel Dat bankstel was zo groot, het kun niet deur de deur (Sle)
bankveen, bankveen, het, (veend. Zuidoost-Drenthe) = in banken onderverdeeld veen. ‘Bankveen is een turflengte van 40-42 cm of van een kleine turf 28 cm. Zo een lengte en dan 5 à 6 turven diep, dat is een bankje turf’ (Eri)
bankwerker, bankwarker, de, machinebankwerker Hij hef veur bankwarker leerd, mar later is e smid worden (Klv)
bannen, bannen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied) = term bij tikkertje. Als je verwachtte afgetikt te worden zei je Ik ban (Zwe) of Ban mij (Zwig), zie ook baan II en bam III
bar, bar, barre, Ook barre = 1. erg De biggies wilt barre slecht umliek (Coe), Ze hebt het wel een beetie bar maokt gisteraovend (Vri), Het is barre, barre heel erg (Bei) 2. bar, ruw, onstuimig, streng Hie zat de hiele dag in de barre zun (Sle), ...de bare zunne de volle zon (Rui), Het is een barre winter (Eex), Wat is het min weer niet? Jao bar (Gas) 3. in barre gaon blootsvoets (Ros), zie ook barft
barak, barak, de, barakken, barak Het woord barak kent wij sinds ongeveer 1939 (Sle)
barbier, barbier, de, barbiers, barbier De barbier had het haor zo hakkerig eknipt, het was gien gezichte (Hgv)
barbijster, barrebiester, barbiester, barrebiesten, barrebies, (Zuid-Drenthe). Ook barbiester, barrebiesten (Zuidoost-Drents zandgebied), barrebies (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. zeer, erg Daor ligt barrebiester veul stienen op het laand (Bui), Dat valt barrebiester tegen (Hol). Ook gescheiden Het was bar en biester, zoas het er um weg gung (Oos), Het is bar(re)biester weer (Sle) 2. uitroep (Zuidwest-Drenthe) Barrebiester, wat is het kold (Noo) 3. als zn. (Veenkoloniën) Hij is in de barrebiester in de war (Erf)
barde, barde, de, 1. zware harde turf uit de Oostermoerse venen (dva) 2. bevroren turf (Bor)
baret, beret, baret, beretten, Ook baret = baret Mien vrouw dreug vroger as kiend wel een beret soort matrozenmuts (Smi)
barg, börg, borg, börgen, Ook borg (Zuidoost-Drents veengebied) = gesneden mannetjesvarken Een börg gruit haarder as een mot (Row), Dat is ok en aordige börg lomp persoon, die zich ook nog heel wat verbeeldt (Sle)
barge, barge, de, (dac, veroud.) = ijzeren trekschuit
bargpees, borgpeze, borgstrenk, (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook borgstrenk = uitgesneden urinebuis van een borg Toen a’k de zage in evet har mit een borgpeze, klemde hij niet meer (Koe), zie ook pees
bark, bark, baark, börk, (Midden-Drenthe, wp, dva). Ook baark (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), börk (wb:Rui) = schors van eikenhout Bark weur eerder bij mekaor gaord deur de Geldersen (Eex)
barkmolen, barkmeulen, de, (Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe, veroud) = barkmolen De barkmeulen wur bruukt um de bark van de eeikenbomen of te haolen (Eex)
barmot, barmot, bargemot, baargemot, barremot, barmotten, (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). bargemot (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), baargemot (Kop van Drenthe), barremot (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidoost-Drents zandgebied) = marmot, ook onjuiste benaming voor cavia Aj een barmot in hoes hebt, hej gien last van rutten (Zwig), Vrouger leuipen bedelaorskinder vaok met een kistie met bargemotten (Eex), zie ook marmot
barnsteen, barnstien, het, barnsteen Ik heb een sigarenpiepien van barnstien (Sle)
barnstenen, barnstienen, bijvoeglijk naamwoord, van barnsteen Kèrel domnee, wat hej daor een mooie barnstienen sigarenpiep (de)
barometer, barometer, de, barometer De barometer stait ok bar leeg (Bov)
baron, baron, beron, baronnen, barons, Ook beron = 1. baron Hie lop der bij as een baron: ʼt lief veuroet en de doemen achter ʼt vest (Gas), Dat is een baron van Habberniks veel poeha en geen geld (Dwi), Het is een baron van Eikenstein, een echte dikdoender (Odo) 2. dikke kerel, soms met air van een baron Die kerel, dat is mij ook een baron, die kan niet zien, of hij de schoenen dichte hef (Hgv)
barouchet, barouchette, de, barouchettes, (Kop van Drenthe) = licht rijtuig op veren voor personenvervoer
barrebeesten, barrebiesten, (Zuidwest-Drenthe, noord), in Het is bij de barrebiesten of bij de beesten af (Dwi)
barrebies, barrebies, de, barrebiezen, (Kop van Drenthe) = beweeglijke jongen
barrebiesjes, barbiesies, barrebiesies, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook barrebiesies in Loop naor de barbiesies de hel (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) en Het is naor de barbiesies kapot (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) en Barrebiesies maken gekheid uithalen (Hav)
barrehoofds, barreheufds, bijwoord, (Coe) = blootshoofds
barrel, barrel, de, barrels, 1. diggel Jan bolderde tegen het theekassien an en de hele boel lag in barrels (Flu), Hij was zo kwaod dat hij alles an barrels gooide (Ass) 2. lomp persoon (Veenkoloniën) Dat wicht is ain grode barrel (Git)
barrevoets, barft, baarft, borft, borfend, barf, barreft, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook baarft (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), borft (Zuidoost-Drents veengebied, naast barft), borfend (Bco), barf (wb:Ass), soms in Zuidwest-Drenthe, zuid uitgesproken als barreft = 1. blootsvoets Aj niet opholdt, gaoj dommies mit barfte bienen hen bedde speels dreigement tegen kinderen (Bro), Het peerd löp barft, ie kunt er niet zo wied mit over de straote zonder ijzers (Zdw), ‘De jongens ten platten lande mogen ʼs voorjaars niet barrevoets (barft) loopen, voordat zij den ooievaar hebben gezien’(dva) 2. blootshoofds (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hie leup met de barfte kop hen boeten (Wee) 3. fel (Midden-Drenthe) Hij lup met de blote kop in de barfte zunne (Bei), zie ook bar
barrevoets, barrevoets, barvoets, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook barvoets (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = 1. barvoets 2. zonder hoefijzer (Flu) Der bint er ook al, die de peerden barrevoets laot lopen
barries, barries, baddies, barrie, Ook baddies (Veenkoloniën), barrie (Zuidoost-Drents veengebied) = dik, zwaar persoon, minder gebruikelijk van voorwerpen of dieren Ik bin hen poppie kieken west, wat een barries van een jong (Gas), ʼt Jong van oes is mor ’n fienegie naost die dikke barries van Gèert (Hijk)
barst, barst, barste, baarst, baarste, borst, barsten, Ook barste (Zuidoost-Drents veengebied), baarst (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), baarste (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, noord), borst (Bco naast barst) = 1. kloof, barst, spleet Barsten in de lippen deej aluun op (Sle), Die boom is in die strenge winter kepot vroren, der zit een baarst in, door kuj zo’n haand in steken (And), Aj met dat koolde weer met water warkt, hej zo barsten in de handen (Pdh), (fig.) Ik viene der gien barst an niets (Noo) 2. schilfers op de hoofdhuid (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Hij hef aordig barst op het heufd (Dwi), zie ook barg II
barsten, barsten, baarsten, Ook baarsten (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = barsten De gevel baarst aordig (Die), Het ies is borsten (Bco), Ik kun het niet haarden, al barst het ok wat ik ook deed (Man), Ik weet wel daj liegt daj barst (Hijk), Hij het hom te barsten eten (Row), Hij is van de eerste leugen niet ebarsten (Dwij), Barst um mij verwensing (Eri)
barstend, barstend, barstens, Ook barstens. Var. als bij barsten = zeer, erg Wij hebt een baarstend mooi feest had (Eex), Hij hef barstens veul heui kregen van ʼt zommer (Sti)
barstensvol, barstensvol, barstendvol, barstenvol, barstendevol, barstensevo, Ook barstendvol, barstenvol, barstendevol (Kop van Drenthe), barstensevol, baarstvol (Zuidwest-Drenthe, zuid), baarstvol (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = overvol Wat was daor gisteraovend een volk, het was der barstensvol (Koe)
barsterig, barsterig, barstig, baarstig, Ook barstig, baarstig (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = vol barsten De proemen waren van ʼt jaor aordig barsterig (Ruw), Die jongen hef een baarstige hoofdhuud schilferig (Wap)
Bartjens, Bartjes, in volgens Bartjes logisch geredeneerd. Volgens Bartjes kan hij der nog lange nich weerwezen (Bco)
bas, bas, de, bassen, 1. zangstem Hij hef een hiel mooie bas (Sle) 2. baszanger Hij stun leiver bie de bassen as bie de tenoren (Bov)
bascule, bescuul, bascuul, b-scule, bescules, Ook bascuul, b-scule (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengeb. Oost-Drenthe) = weegtoestel, bascule Ie moet je even laoten wegen op de bescule. Ik geleuve daj wal aordig ankommen bint (Bei), zie ook wechte, waoge
bast, bast, baste, basten, Ook baste (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, in bet. 1.) = 1. bast De bast van de iekenbeume gung naor de leerlooierijen (Pdh) 2. klap (Veenkoloniën, Midden-Drenthe) Ik gaf hum een bast veur het gat (Eco), zie ook bats 3. grote hoeveelheid (Midden-Drenthe) Der zat een dikke bast rogge op (Rol)
bastaardmuur, basterdmier, basterdmuur, (hk:Oost-Drenthe). Ook basterdmuur = hoornbloem, ogentroost, Cerastium triviale Link
bastaardvloek, basterdvluuk, de, bastaardvloek Bliksem is een basterdvleuk (Hijk)
basterdsuiker, basterdsuker, de, het, bastaardsuiker Doe mij mar basterdsuker op brood (Sle)
bat, bat, batte, badde, batten, (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied). Ook batte (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën), badde (Veenkoloniën) = 1. bruggetje, soms los en wegneembaar, maar ook gezegd van een vast bruggetje Een batte is bij oons een lösse brogge over een wieke miest twiedielig die op lösse paolen of balken lig en waor aj mit peerd en waegen over kunden. As er een bok of praem deur mot, kan hij der oflegd worden (Smi), Het schip mus deur de batte (Schn), Der lig een batte over de wieke losse post op het water (Klv), Over de sloot lig een battentje (Eco) 2. vonder over de koegroep (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Kou wil kaalven, ik heb ʼt battie der maor aachter legd, veurdat ʼt kaalf mij in de group komp (Vri) 3. leuning van een vonder (Bor) 4. aanlegsteiger (Kop van Drenthe) Het Somberse bat aanlegsteiger in de Roder vaart (Row)
bataljon, batteljon, het, batteljons, bataljon Bie de infanterie proot ie van een batteljon (Bov)
baten, baoten, baten, baeten, alleen onbep. ww. en 3e pers. Ook baten (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), baeten (Zuidwest-Drenthe, noord). De vorm baoten geldt in Zuid-Drenthe ten dele als veroud. = baten Zij hebt er alles an edaone, maor het mag niet baten (Ruw) *Baot het niet, het schaodt ok niet (Dro)
batig, baotig, bijvoeglijk naamwoord, batig Hij har een baotig saldo op zien reken (Bov)
bats, bas, de, bassen, (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = bil, bout An dat biest zit beste bassen (Gro)
bats, bats, batse, batsen, Ook batse (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe in bet. 2. meer bats) = 1. grote hoeveelheid (niet Veenkoloniën) Der kwam een bats waoter oet die bui (And) 2. klap Hij gaf mie een batse veur de kop (Erf)
bats, bats, batse, batsen, Ook batse (Zuidwest-Drenthe, veenderijen Oost-Drenthe) = 1. schop met verschillende maten en vormen Ofbonken, det dede wij mit een batsie, een steil schuppie (Pes), zie ook ballast 2. soort zeis, waarmee heide en heideplaggen gemaaid worden in Westerbork (oz) 3. vuurzweep, gebruikt bij het blussen van heidebrand (Hgv)
bats, batse, de, batsen, (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. vrouwspersoon Dei batse is wat mit loos (Bco), Wat een verwaande batse wordt dat (Noo) 2. stuiter (Ros)
bats, batse, de, batsen, (Zuidoost-Drents veengebied) = bil Zij haar dikke batsen (Bov), zie ook bas I
bats, bats, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. verwaand, trots Wat kik die bats toe verwaand en onvriendelijk (Ruw) 2. mooi, keurig gekleed (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe) Moej dennend zeen, wat steeit e der bats op (Gas) 3. nors, stuurs, kortaf (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Hij kan het zo bats zeggen (Sle)
bats, bats, tussenwerpsel, bats Hij kwam der hard anlopen en strukelde en bats, daor lag hij laankuut (Wsv), als bw. Ik zee het hum bats veur de kop recht in zijn gezicht (Zdw)
batsen, batsen, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. botsen, stoten Wie batsten mit de kop tegen mekaor an (Erf) 2. slaan Bats hum veur de kop, as e je anwil (Hijk) 3. vallen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Hij batste met geweld van de helling of (Hijk) 4. smijten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Hij batste de rommel op de grond 5. baggeren (Midden-Drenthe) Loop niet zo deur het waoter te batsen (Gro)
batsig, batsig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = mooi Wat stun mij dat wichtien der batsig op (Bui), zie ook bats III
batteren, baddern, battern, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook battern (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = baggeren, waden IJ moet niet aal deur de modder baddern (Sle)
batteren, battern, zwak werkwoord, onovergankelijk, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. dreunend lopen De peerde battert deur het laand (Bal), Hie hèurt de kinder battern lawaai maken (Sle) 2. waden, baggeren Die smerige jongen bint overal deurhen batterd (Rol)
batterij, batterij, batterije, batteraai, batterijen, Ook batterije (Zuidwest-Drenthe), batteraai (Kop van Drenthe) = 1. batterij Ie moet neie batterijen in de zaklantèern doen (Dwi) 2. achterwerk Hij had de grootste stoel wel neudig veur zien dikke batterije (Mep), Ik wil nog een toertien achter de batterij naar bed, gezegd door getrouwde man (Zwe), Die neurende koe hef een mooie batterij (Pdh) 3. grote hoeveelheid Wij hebt vandaog een hiele batterij bij mekaor haold (Gro) 4. in uitdrukkingen als op (de, het) batterij te voorschijn Kinder kriegt asmangs een gril, dat ze alles op batterij haolt (Eex), Kom der mar gerust met op de batterij voor de draad (Pdh), Zie komt niet veul mèer op batterij gaan niet veel meer uit (Sle), Vort jong, gaot de batterije toch ies op (Hgv), Der was een bult volk op ʼt batterij aanwezig (ku), Bi’j ok weer op batterij weer beter (Oos) 5. buurt (Zuidwest-Drenthe, zuid) Gaot de hiele batterije maar ies rond, misschien kooj der iene tegen, die bij oe past (Noo), De batterij opgaon naar buiten (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe)
battering, batterink, battering, battink, batterinks, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook battering, battink (wb:Zuidenveld) = 1. tol, meestal priktol of werptol, zelden drijftol Een battering trökke wij mit een touwgie an (Hgv), De kiender speulden vroger vake mit een batterink of mit een giebe (Rui) 2. grote lemen knikker (Zuidwest-Drenthe, zuid)
batting, batting, badding, battings, Ook badding (Zuidwest-Drenthe, zuid, soms naast batting) = 1. balk, stevige plank Een batting is bij oons een balk (Eli), As ze bij de buren wolden vesieten, dan lèden ze ʼs aovends een paar battings aover de wieke (Hgv), ook de onderligger voor een brug of vloer Under een brugge over de sloot zaten veer battings (Sle) of de balk onder de sporen van het dak (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) 2. bruggetje (vooral in veengebieden) 3. vonder over de koegroep (Zuidwest-Drenthe, noord) Een batting is een brogge over de gröppe (Wap), zie ook bat
bauwen, bauwen, baauwen, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook baauwen (Zuidoost-Drents zandgebied, ook naast bauwen gebruikt) = schreeuwen Hol je toch stil te bauwen, zie kunt je an het aander èend van het darp wal heuren (Oos)
bauwerd, bauwerd, baauwerd, bauwerds, Ook baauwerd (Zuidoost-Drents zandgebied) = schreeuwerd Die jong, dat is toch zo’n bauwerd (Sle)
baviaan, baviaan, baviaon, bavianen, Ook baviaon (Noord-Drenthe) = 1. baviaan 2. lomperik (Kop van Drenthe) Wat een lomperd, wat een baviaon (Vri)
bazar, bazar, bezar, bazars, bazarren, Ook bezar = bazar Ik moet de hiele straot nog opheuren veur de bazar spullen opscharrelen voor de bazar (Hoh)
bazelen, bazeln, baozeln, baezeln, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook baozeln (Noord-Drenthe, Pdh naast bazeln), baezeln (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. onzin praten, wartaal uitslaan Man wèes wiezer, ie bazelt (Hgv) 2. zeuren Zij bazelt er tot vervelens toe over dat die koppies ebreuken bint (Noo), Hij baozelt mie aal um de kop (Ros) 3. ijlen Die jongen van oens hef vannacht zo ebazeld; zul hij koorts hebben? (Dwij), Wat waaj vannacht an het bazeln praatte je in de slaap (Hav), zie ook bazen
bazen, bazen, baozen, baezen, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook baozen (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), baezen (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. ijlen Hij hef vaste koorts, hij baast zo nou en dan (Bro), Ik heb vannacht slecht eslaopen en maar dreumen en bazen praten in de slaap (Hol) 2. onzin praten Die baast zo mar wat raak (Pes) 3. pochen Die vent zat de hiele aovend te bazen en wat is het (Dro)
bazenkeet, baozenkeet, de, (dc) = keet, waarin zich veenbazen ophouden
bazenstok, baozenstok, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = stok van veenbaas van drie en een half voet, gold als statussymbool, z. ook vierdehalfvoetien
bazer, bazer, de, bazers, (Zdw) = dromer, iemand, die buiten de werkelijkheid staat
bazig, baozig, bazig, Ook bazig (Zuid-Drenthe) = 1. bazig As hie niet zo’n baozig wief haar, bleef hie wel oet de kroeg (Bal) 2. te zwaar Het zwienevoren weur het aol mèensk baozig genog (Bor)
, bee, tussenwerpsel, (Scho) = lokwoord voor lam of konijn
be-, be, voorvoegsel, gebruikt als in het Nederlands. Er worden dus overg. werkwoorden gevormd van a. een onoverg. ww. als bespringen, belustern, bewonen, die hetz. betekenen als het grondww., verbonden met voorzetselbepaling: springen op, luisteren naar, wonen in b. van zn. als in bebossen, beplanten met als bet.: voorzien van het in het zn. genoemde c. van een bn., zoals beschuldigen met als bet.: in de door het bijvoeglijk naamwoord genoemde toestand brengen
beademen, beaomen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe). Voor var. z. aom = beademen Zie hebt de ramen hielmaol beaomd (Sle), Mondopmond beaodemen mondopmondbeademing toepassen (Vri)
beamen, beaomen, beamen, (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook beamen (Zuid-Drenthe) = beamen Dat duur ik morzo nog niet beaomen, waj daor zegt (Sle)
beantwoorden, beantwoorden, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, 1. antwoord geven Het deupen geit maor zo neit, ze mout de deupvraogen eerst met jao beantwoorden (Vri), Ik heb hum de vraoge beantwoord (Bov), Mu’k al die vraogen beantwoorden? (Coe), Ik zal de vraoge met jao beantwoorden (Sti), Ik heb alles naor èer en geweten zuver beantwoord (Hijk), 2. voldoen aan Hij beantwoordde niet an de verwaachting (Rui) 3. als vader of getuige de vragen na het doopformulier beantwoorden (dva, wb) Zien bes hef hum beantwoord (dva) *Iene gek kan meer vraogen as tien wiezen kunnen beantwoorden (Vle)
bebeuld, bebeuld, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = behuild Wat hest doe toch ain bebeulde kop, wat is der? (Twe)
beboeren, beboerken, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = als boer bewerken Veur die tied beboerkten wij de plaetse naost ouns (bh)
bebossen, bebossen, zwak werkwoord, overgankelijk, met bos beplanten Zie hebt dat stuk opnei bebost (Sle)
bebroeden, bebruun, zwak werkwoord, overgankelijk, bebroeden Die eier bint nog niet bebröd (Odo)
becijferen, beciefern, zwak werkwoord, overgankelijk, becijferen Ik kan nog niet beciefern, wat het kosten mot (Bov)
bed, bedde, bed, ber, berre, bère, bedden, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, met rekking in Midden-Drenthe). Ook bed (gerekt uitgespr. in Midden-Drenthe naast gerekt ber), ber (gerekt uitgesproken Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), berre (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe), bère (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied). In samenst. komt bed vaker voor, maar zelden in Zuidwest-Drenthe (daar vrij alg. bedde) en Veenkoloniën en weinig in Zuidoost-Drents veengebied = 1. bed, bedstede Veur dag en dauw was hij al uut berre (Eri), Wij slaopt op ber, maor aj zeeik wadden, lagen ij in ber (Eex), Wij kunt die kleine jongen mit gien stok op bedde kriegen (Klv), Men mag niet uut bedde klappen (Dwij), Hij is mit ʼt verkeerde bien uut bedde estapt (Bro), Die raak ie niet gauw kwiet in bedde van dikke vrouw (Hol), Hij vönd zien bedtien espreid hij had het voor elkaar (Ruw), Hij is ok mit heur in ʼt bedde west heeft gemeenschap met haar gehad (Ker), Grietien mut van Garriet in bedde is zwanger van G. (Ruw), Wanneer krup de vrouw in bedde wanneer wordt het kind geboren (Sle), Hie hef de vrouw in ʼt bedde in de kraam (Exl), Hie hef de vrouw in bedde zitten de vrouw is ziek (Sle), Gao toch hen bedde tegen iem. die vervelend is (Sti), As het wark bij je op bedde komp, is het niet best je achtervolgt (Oos), IJ gaot er met hen bedde en staot er met op (Sle), Hij maokt het bedde op en een aander geeit er op slaopen een ander profiteert van hem (And), Hij is wies met het bedde of: Hie mus ʼt berre an het gat hangen hebben ligt uit luiheid vaak in bed (Bal), Wij gaon naor tante Bedje, ...Betje in de Laokenstraot naar bed (Dro), zie ook Betje, Die verlös hum niet in bedde hij heeft een dikke vrouw (Sle), Hej de slaop uut? Dan kuj het berre wal verkopen (Klv), Hij is met bedde en al op straot zet (Gro), Hij stun op de kop in ʼt bedde had veel pijn (Man), Wij zint an het bedde toe moe (Oos), Laot hum maor lopen, die kleedt zich niet uut, veur hij naor bedde giet (Hgv), Dei lig altied maor even met knei en elleboog op bedde heel kort (Vri), Gao toch hen bedde, morgen hej ʼt locht veur niks van iem., die bij lamplicht werkt (Smi) 2. beddegoed Het is goed weer, wij hebt het bedde hen boeten (Sle). 3. bed voor tuingewassen Ik heb een mooie bedde wortels in de toen (Bui) 4. de hoeveelheid metselspecie, die ineens wordt aangemaakt (Sle) *’s Aovends bij de heerd en ʼs morgens op bedde wil ʼs avonds niet naar bed en er ʼs morgens niet uit (Smi); De olde wieven schudt het bedde uut het sneeuwt (Die); Beter eten as het bedde versleten beter werken voor de kost dan lui zijn (Gas); De mieste mèensken gaot op bedde dood (Zwe); In bedde is nog nooit iene dood eslagen bij onweer (Hgv); Een dronken vrouw is een engel in ʼt bedde (Sti); Aj de naam hebt van vro opstaon, dan kuj wal lang op bedde liggen (Bor); As het bedde ʼt maor niet heurt tegen iem. die zegt vroeg op te willen staan (Mep)
bedaard, bedaard, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Var. als bij bedaren = rustig, kalm Zie komt der heeil bedaord anfietsen (Eex), Ik heb er mij aover verwonderd dat een bedaorde kerel as hij toch is zo uut zien sloffe kun schieten (Flu)
bedaasd, bedaasd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidoost-Drents zandgebied) = rustig IJ moet je bedaasd holden (Sle)
bedacht, bedacht, bedaacht, bedocht, Ook bedaacht (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), bedocht (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. in bedacht wezen op vervat, voorbereid Ik was der niet op bedacht dat er een koele in de weg zat (Zdw), Men is old, veurdaj der op bedacht bint (Ros), zie ook verdacht 2. rustig, kalm (Zuidoost-Drents zandgebied) Dat is een bedachte kerel (Pdh)
bedachtzaam, bedachtzaom, bedaachtzaom, bedochtzaom, Ook bedaachtzaom (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), bedochtzaom (Veenkoloniën) = 1. weloverwogen, voorzichtig, rustig Hij komp der altied zo bedachtzaam mit veur de dag (Stu) 2. vervat (Zuidwest-Drenthe, noord) Daor moej op bedachtzaem weden (Dwi)
bedankbriefje, bedankbriefien, het, bedankbriefies, bedankbriefje Hij hef mie een bedankbreifie stuurd veur dat hij een weke bie oes west is (Bov)
bedanken, bedanken, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. bedanken Je wordt bedankt veur het bezuik (Gie), Ik mus het baonie wel annemen; ik kun er min veur bedaanken (Row), Nou, bedankt heur! (Vtm) 2. ontslag geven of nemen Zij hebt hum bedaankt (Ruw), Hie is haost nog te lui um aodem te haolen, ik zal hum wel moouten bedanken (Eex), Die kèrel hef bedankt in het bestuur (Oos)
bedankje, bedankien, het, bedankies, Var. als bij danken = 1. dankbetuiging Bedaankies hangt de lucht vol van (Flu), Met bedankies heb ik de zolder vol liggen (Dro), Er kun nog gien bedaankie of (Eli) 2. afzegging Wij hadden een domnee beropen, maor wij hebt een bedaankie had (Bei)
bedapperen, bedappern, bedebbern, Ook bedebbern (Stu) = 1. zich inhouden Ik wol hum een bats an de kop geven, mor ik mus mai bedappern (Row) 2. zich vermannen, moed vatten Mös niet zo in de putte zitten, bedapper dij maor ies even (Bei)
bedaren, bedaren, bedaoren, bedaeren, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook bedaoren (Noord-Drenthe), bedaeren (Zuidwest-Drenthe, noord), maar in Noord-Drenthe komt spor. bedaren ook voor en in Zuid-Drenthe bedaoren, soms beide vormen naast elkaar (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bedaren Hou, bedaar een beetien! (Dwij), Laot ze eerst maor bedaeren, dan kuj ʼt joende der wel van zeggen (Smi), De störm is aordig bedaord (Bor), IJ moet je daor achter in de zaal ies wat bedaren (Sti), De pèerde bedaart hèur komen tot stilstand (Sle)
bedaring, bedaring, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bedaren Het peerd kwamp al mèer tot bedaring en mit een zacht lientien hew hum wèer op stal ekregen (Rui)
bedauwen, bedauwen, zwak werkwoord, overgankelijk, bedauwen Ik har het klied de hiele nacht boeten liggen laoten, het was hielmaol bedauwd (Sle)
bedbeschot, beddebeschot, het, houten wand in de bedstee
beddenbeun, beddebeun, de, het, zoldering boven in de bedstee, ook de plankenlaag onder in de bedstee (Zuidwest-Drenthe, zuid) De beddebeun is de beun boven de bedden (Vle), ...bedstee boven de kelder (Geb), zie ook beddelaog
beddenboel, beddeboel, de, (Zuidwest-Drenthe, noord) = beddegoed Wij hebt de beddeboel buten zijn aan de schoonmaak (Die)
beddenbont, beddebont, het, rode of blauwe stof (katoen), gebruikt voor gordijnen voor de bedstede of voor overtrek
beddenbuur, beddebuur, beddebure, beddetiek, beddetieke, beddeburen, (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), beddetieke (Veenkoloniën) = beddentijk Beddebuur is de stof om een veren ber (Pei), ...een kleeid, waor de veren in kwamen (Nor), zie ook bijslaop
beddendeur, beddedeur, bedstee, Ook bedstee = deur van de bedstede Ik stop je achter de beddedeuren tegen kinderen, die vervelend zijn (Nam), Wij gaot mor is achter de beddedeuren naar bed (Val)
beddengaanstijd, beddegestied, beddegaostied, beddegaonstied, beddegiestied, Ook beddegaostied, beddegaonstied, beddegiestied (Zuidwest-Drenthe, zuid) = tijd om naar bed te gaan Ze zaten tot berregestied in ʼt donker (Hijk), Vlak veur beddegestied trekt ze nog achter een grote schale riesebrij (Koe)
beddengaper, beddegaoper, de, beddegaopers, (Gie) = kind dat als laatste bij de koeien kwam, als deze voor het eerst werden uitgelaten, z. nustkoek
beddengat, beddegat, het, opening van de bedstee, in Daags zeg ʼt van klipperdeklap en ʼs nachts stiet het veur ʼt beddegat (Zdw), ...bedde en gap. Antw. klompen (Sle)
beddengoed, beddegoed, het, beddengoed Het is goed weer, wij brengt het beddegoed hen boeten (Sle)
beddengordijn, beddegerdien, het, gordijn voor de bedstede We kruupt maor weer achter de beddegordienen, het begunt te reeuwen gaan naar bed (Vri)
beddenkast, beddekaste, de, beddekasten, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. kast, grenzend aan de bedstee De kaste tussen de bedden was de beddekaste (Bru) 2. (verkl.) kastje in de bedstede (Midden-Drenthe) Een beddekastie haj an het voetenende met een pot er in (Bei)
beddenkleed, beddeklied, het, bedovertrek Het beddeklied zit um de buur (Sle), zie ook beddebuur
beddenkoets, beddekoets, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) = bed Hij lag al op tied in de berrekoets (Bal)
beddenkribbe, beddekrubbe, de, beddekrubben, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = bakje op de beddenplank voor de baby
beddenkruik, beddekruuk, de, kruik om bed op te warmen, z. ook bij beddepan
beddenkwast, beddekwast, de, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = beddelichter met een kwast er aan
beddenlaag, beddelaog, de, laag planken onder in de bedstede, z. ook underlaog
beddenlaken, beddelaken, het, beddelakens, beddenlaken Ik moe de beddelakens der of hebben, ze ligt er al virtien dagen op (Sle)
beddenlichter, beddelichter, de, beddelichters, aan de zoldering van de bedstede hangend koord Een beddelichter is een touw mit een kwast um je op te trekken (Nam)
beddenpan, beddepan, de, 1. (meestal koperen) steelpan met kooltjes, die door het bed werd gehaald om dat te verwarmen. Daarvoor werd ook een kruik gebruikt Zu’n pan dat is de berpan (Eex) 2. iem. die graag in bed ligt (Zuidoost-Drents zandgebied) Die vent, dat is een beddepan (Coe)
beddenpapier, beddepepier, het, (Zuidwest-Drenthe, noord) = bedstedenbehang Dat is mooi gebloemd beddepepier (Wap)
beddenpeluw, beddepeul, de, peluw De beddepeul lag onder de kussens en miesttied ook iene op het voetenende boven de dekens; zo’n peul was net zo laank as het bedde bried was (Dwij)
beddenpisser, beddepisser, de, beddepissers, (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = keldermot, pissebed
beddenplank, beddeplank, de, 1. uitneembare plank aan de voorkant en soms aan de achterkant in de bedstede Pas op, ik wup je over de beddeplaank tegen ondeugende kinderen (Gie), De beddeplaanke zat veur het bedde um te veurkommen dat de dekens er of völlen, maar de plaanke achter in het bedde heette ook zo (Hol), Over de beddeplaank springen, ...wuppen a. naar bed gaan Ie bint gisternaovend aordig late over de beddeplaanke stapt (ui) b. bij elkaar in bed kruipen, waardoor een gedwongen huwelijk ontstaat c. trouwen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) As ze net trouwd waren, zeren ze wel ies: die bint ook al aover de beddeplaanke ewupt (Dwij) d. uit bed opstaan (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Kop van Drenthe) e. gezegd van precies 9 maanden na de huwelijksdatum geboren kind (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Het is van de beddeplank of (Mep), ook gezegd van de baby Dat is ein van de beddeplaank (Vri) 2. plank aan het voeteneind in de bedstede om wekker, po etc. op te zetten Aj hoesten mussen, kreej een koppien sukerwater met op de beddeplank (Sle)
beddenrabat, bedderabat, beddeval, gordijnstrook, valletje in de bedstee ‘Het waren smalle, witte stroken met kant boven en aan de onderkant (van het bed), gestreepte om het zicht op de aardappels te belemmeren’ (Gas)
beddenreeds, beddereets, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = graag naar bed gaand Hij is altied al zo beddereets ewest (Ruw)
beddenschot, beddeschot, het, uitneembare plank aan de achterkant in de bedstede Het beddeschot zaat an de muurkaante (Smi), Het beddeschot was bij oes helblauw (Bru), ...blauwgruun of blauw (Sle), ...griesgruun (Wes)
beddensprei, beddesprei, de, beddensprei Otien hef een mooi beddesprei veur mij brèeid (Sle)
beddenstok, beddestok, de, 1. stok om de achterkant van het bed in de bedstede mee goed te leggen De beddestok bij het bedde opmaeken, aj er niet best bij kunden komen om de laekens en dekens terechte te leggen (Smi), ook om het stro mee op te schudden 2. roede voor de beddengordijnen (Zuidwest-Drenthe, zuid)
beddenstoof, beddestove, de, (Zuidwest-Drenthe, noord) = koperen vat, dat diende als beddenkruik
beddentijk, beddetiek, beddebuur, beddebure, Ook beddebure (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), beddetiek (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), beddetieke (Veenkoloniën) = beddentijk Beddebuur is de stof om een veren ber (Pei), ...een kleeid, waor de veren in kwamen (Nor), zie ook bijslaop
beddenvak, beddevak, het, (md) = bedstede Die schudt nog de veren uut het beddevak het sneeuwt
beddenval, beddeval, bedderabat, Ook beddeval (Zuidwest-Drenthe, noord) = gordijnstrook, valletje in de bedstee ‘Het waren smalle, witte stroken met kant boven en aan de onderkant (van het bed), gestreepte om het zicht op de aardappels te belemmeren’ (Gas)
beddenzak, beddezak, de, (Nijs) = sloop om de tijk
bede, bee, de, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, veroud.) = bede, verzoek om behulpzaam te zijn, in o.a. te bee vraogen verzoeken om hulp (veroud.), te bee gaon, te bee warken etc. iemand helpen, die het werk niet aan kan, of niet het nodige gereedschap heeft of geen paard, As de meinsen vrogger zulf gien peerd hadden, weur heur de turf in bee oet het veen haald (Bei)
bedebier, beebier, bedebier, (dva, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.). Ook bedebier = maaltijd, die de verzoeker om een bee gaf aan de mensen, die hadden meegewerkt
bedeboer, beeboer, de, (veroud.) = boer, die hulp biedt bij het beewark. Morgen mout ik beeboer wezen (Vri), De beeboeren kwamen helpen steinen haolen bij het bouwen (Nor)
bedehouwer, beehouwer, de, (wb, ti) = persoon, die op verzoek van dorpsgenoten boekweitveen hakt
bedekken, bedekken, zwak werkwoord, overgankelijk, bedekken De erpel hebt de grond hielmaol bedekt (Sle), Het kan wel vreizen vannaacht; ik gao de eerpels nog even bedekken (Row)
bedekoppel, beekoppel, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, ti, veroud.) = een groep, die te bee gaat vanuit het dorp, waarheen een boer is vertrokken naar het dorp, waar deze vandaan komt om bijv. het nog aan de boer toebehorende koren te maaien, maar ook om ander beewark te verrichten (Sle) Die komt niet klaor met het wark, der mot neug een beekoppel hen (Sle)
bedelaar, bedelaar, bedelaor, bedelaars, Ook bedelaor (Noord-Drenthe) = bedelaar Der kwam een bedelaar bij oes an de deur; ik heb hum wat te eten geven (Emm), zie ook het meer gebr. schooier
bedelarmband, bedelarmband, bedelketting, Ook bedelketting (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe) = bedelarmband Ik heb het wichtien een paar bedelties metnummen veur heur bedelarmb(a)and (Sle)
bedeldeken, bedeldeken, de, (weinig) = lappendeken Vrogger wurden der uut armoede wel ies bedeldèkens emaakt, mar tegenwoordig wordt zuk soort dèkens emaakt uut liefhebberije (Koe), Mag ik dat lappie hebben veur mien bedeldeken (Erf)
bedelen, bedeln, zwak werkwoord, onovergankelijk, bedelen Ie magt die hond niks geven, want dan leer ie hum bedeln (Zdw)
bedelen, bedielen, zwak werkwoord, overgankelijk, bedelen Zij hebt hum slecht bedield, hie hef zowat niks kregen (Sle)
bedeling, bedieling, de, Voor var. z. dielen = bedeling, armenkas Hij hef ook al een poosien van de bedieling eleefd (Hav), Hij kreeg van de bedeiling (Row), As de mèensken gien woord hebben wolden dat ze van de diaoken kregen, zeden ze vaok het woord bedeeiling, dat klonk wat beter (Eex), Geef ze allemaole nog maor een stukkie, het giet hier niet van de bedieling (Noo)
bedelstaf, bedelstaf, de, bedelstaf Zie hebt hum met ’n kander an de bedelstaf bracht (N), Hie is an de bedelstaf raekt (Smi)
bedeltje, bedeltien, het, bedelties, bedel aan bedelarmband Alle bedeltjes waren van zulver (Eco)
bedemennen, beemennen, onbepaald werkwoord, (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, veroud.) = met een paard hulp verlenen bij beewark, als de verzoeker geen paard heeft
bedenk, bedenk, bedenkt, Ook bedenkt (ZWN). Var. als bij denken = overweging Ik wil het nog een paar dagen in bedeink holden (Bei), ...in mien bedenk (Klv), ...in het bedenk (Dro), ...ien bedenkt (Wsv)
bedenken, bedenken, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. bedenken Ie moeten bedeinken, het gaot van kwaod töt arger (Smi), Het is moeilijk um een goeie zin te bedenken (Sti), Zie heb oes goed bedacht we hebben flink wat gekregen (Sle), Hej der al wat op bedacht? een antwoord gevonden (Bco) 2. (wederk.) zich bezinnen Hij bedaacht zich eerst, veurdat e wat zee (Rol), Daor wi’k mij nog even over bedenken over nadenken (Eri), Ik bedèenke mij daor dat wij nog gien brood hebben denk er ineens aan (Mep)
bedenktijd, bedenktied, de, bedenktijd Ik wil nog een paar dagen bedenktied hebben (Zwig)
bederf, bedarf, het, Var. als bij bedarven = bederf Dat heui lig al op bedarf rot weg (Bco), In de hondsdaegen is eterije gauw an bedaarf toe (Die) *Draank is een bedarf in aandermans lichaam (Bor); Een groteleu meid en een moes is een bedarf in een aarbeiders hoes (And)
bederven, bedarven, bedaarven, Ook bedaarven (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = bederven Aj dat peerd klappen geeft, kuj hum hielmaol bedarven (Man), Die jong is stok en steein bedörven (Gas), IJ hebt dat hiele taofelklied bedörven met je gemos (Zwe), Hij kun het niet bai hom bedaarven (Row), Daor is niks an te bedarven is toch al niets waard (Wijs), Jammer van dat eten, het is bedörven (Noo)
bedevaart, bedevaart, bedevaort, bedevaarten, (r.-k). Ook bedevaort (Noord-Drenthe) = bedevaart De bedevaart is bie oes noe elk joor op de eerste zundag in juli (Bov)
bedevaren, beevaren, bedevaren, (Zuidoost-Drents zandgebied, dva, veroud.). Ook bedevaren (dva) = 1. hulp bieden bij ziekte, waarbij buren (of het hele dorp) aantraden om werk als hooien, opruimen na brand etc. te doen (Wes) 2. werken op zondag voor liefdadigheid (dva)
bedewerk, beewark, het, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, veroud.) = werk, dat te bee wordt verricht
bedgeheim, bedgeheim, het, geheim uit de slaapkamer Dat bint bedgeheimen, daor wi’k niet over praoten (Vri)
bedibberen, bedibbeln, bedibbern, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook bedibbern (Zuidwest-Drenthe in bet. 1.) = 1. uitmaken, regelen Die wil alles bedibbeln en dan nog wel graag bij aandern (Hol), Zij hebt het zo bedibbeld dat ze het veur menaar hadden (Ruw) 2. afdingen (Zuidwest-Drenthe, noord) Daor kun ie niks op bedibbeln, zo is het en niet anders (Dwi) 3. beknibbelen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die wilt nog wel op een halve cent bedibbeln (Zdw)
bedibberen, bedibbern, bedobbern, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook bedobbern (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. bedriegen Ik laot mij niet bedibbern (Hoh) 2. uitmaken, regelen (Zuidwest-Drenthe), zie ook bedibbeln
bediende, bediende, de, bediendes, bedienden, Voor var. z. dienen = bediende In dat café heb ze smangs weinig bedeinden (And)
bedienen, bedienen, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. verzorgen, voorzien van het benodigde Hij wordt op zien wenken bediend (Bui), Hij lat hom bedeinen zich bedienen (Row), Aj de meinsen goed bedienden, dan hul ie ook klaanten (Koe), Ik zal oe netties bedienen goed behandelen (Dwi), Hij giet geregeld uut bedienen is dan kellner (Zdw), De buurvrouwlu kwamen te bedeinen bij bruiloft of begrafenis (Gie), Wij bedienen ouszölf, as wij met het woordenboek an de gang binnen (Nor) 2. een ambt waarnemen De domnee bediende de deup an vief kinder (Pdh) 3. het H. Oliesel toedienen aan een stervende (r.k.) Hij is nich veul meer, hij is al bedeind (Bco), Ik heb liever dat ie mij bedienen as de pastoor (Mep) 4. een kaart van de gevraagde kleur of troef bijleggen Hej gien troef? Ie hebt niet bediend (Hijk)
bediening, bediening, de, Voor var. z. dienen = bediening De bedeining op dei bruloft was nich best (Bov)
bedilal, bedilal, de, bedilallen, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = iem. die alles wil regelen
beding, beding, het, bedingen, voorwaarde Ie mugt dooun, waj wilt, maor ik wil under gien beding in het bestuur (Gas), Het gaait deur, zunder beding (Row)
bedingen, bedingen, sterk werkwoord, overgankelijk, bedingen Ik heb erbij bedungen dat ik twie pak heui toekrieg (Odo), As doe ain pak bie hom kofs, most er ain strikke bie bedingen (Vtm), Nauw bedingen en eerlijk betaolen zoveel mogelijk van de prijs zien af te halen (Eco), Ik verkoop oe de boerderij, maar beding er de tegelties uut (Stu)
bedisselen, bedisseln, bedusseln, Ook bedusseln (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = met een dissel bewerken As de boom mit de biele bekaant is, wordt hij nog bedisseld (Wsv), Ze mussen de wringpaol nog bedusseln (Row)
bedisselen, bedukseln, bedusseln, bedisseln, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook bedusseln (vooral Oost-Drenthe), bedisseln (elders, soms ook dubbele vormen) = 1. regelen Dat hebt wij met ’n beiden bedukseld (Sle), De aoldste dochter bedisselde de huusholding (Coe), Wij hadden wel in hoes kunnen blieven, want het was al bedisseld (Dro), Ze hadden wat hikhakkeraai, mor het is al weer wat bedisseld gesust (Row) 2. duidelijk maken (Klv, veroud.) Hij hef mij dat bedisseld 3. bedriegen (ti) IJ hebt je bedukseln laoten, Hinderk
bedisselig, bedisselig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = van iem. die alles wil regelen
bedlampje, bedlaampien, het, bedlampies, bedlampje met of zonder blaker, met of zonder oor, gevuld met olie of petroleum Een bedlampien was een klein petroliepottien mit een klein dechtien of kousien mit een glas er op (Bov), zie ook nachtlaampien
bedlegerig, bedlegerig, beddelegerig, berrelegerig, berreliggerig, Ook beddelegerig (Zuidwest-Drenthe), berrelegerig (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), berreliggerig (niet Veenkoloniën) = bedlegerig Die vrouw kan niet veul, die is bedlegerig (Sle)
bedoelen, bedoelen, bedolen, bedoulen, bedooulen, Ook bedolen (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), bedoulen (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), bedooulen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = bedoelen Hij bedoelt het wal goed (Zwig), Zo is het niet bedoeld is niet de opzet (Hgv), Ik bedoul daj beter wat later kommen kunt wil maar zeggen (Bov), Wel bedoulsde doe doormit (Bco)
bedoeling, bedoeling, de, bedoelings, bedoelingen (weinig), Voor var. z. bedoelen = 1. doel, oogmerk Hij hef dat met een bedoeling daon (Exl), Ik heb dat hoes koft, mar dat was niet de bedoeling; het gung mij um het striekgeld (Wee) 2. voornemen, plan Het is de bedoeling, daw ʼt aovend bij mekaar koomt (Ruw), Hij hef altied wel goeie bedoelings, mar er komt weinig van terechte (Zdw) 3. zin, betekenis Wat is de bedoeling van die iene knop an je radio? (Sle)
bedoen, bedoen, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. bevuilen Hie hef mij de hiele zaak bedaon ondergespuwd (Sle) 2. (wederk.) zich bevuilen Hij har zuk van onder tot boven bedaon (Nsch), Oh, schei uut, ik bedoe mij van het lachen ik doe het in de broek (Bro) 3. met je doen In het ziekenhuus hej kaans dat ze oe van alle kaanten beklopt en bedoet (Uff)
bedoening, bedoening, de, bedoenings, Voor var. z. doen = 1. gedoe Dat was zien bedouning toeleg (Row), Toen wij daor kwamen was het een armoedige bedoening (Dro), As de lemen dele nat worde, was het een gliederige bedoning (Wap) 2. bedrijfje Zie hebt heur pleegkind op een klein bedoeninkie zet en toen hebt ze der niet wèer naor umkeken (Bei)
bedokteren, bedoktern, zwak werkwoord, overgankelijk, 1. voor elkaar maken Dat hebt ze mooi bedokterd dat het niet in het reur komp (Sle), Hij har ʼt lest bij ons bedorven en nou wil hij het weer bedoktern (Scho) 2. bepraten Wij mut eerst alles bedoktern, veur as wij het anneemt (Dwij) 3. beheersen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij bedoktert heur helemaole bestelt haar alles, laat haar alles doen (Mep) 4. uitdokteren (Midden-Drenthe) IJ kunt wal hielwat bedoktern, mor of ʼt aaid wal zo oetkomp, is de vraog (Zwig)
bedompt, bedompen, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. muf Het rook zo bedompen in dei kamer (Bov) 2. mistig Het is bedompen weer (Vtm)
bedompt, bedompt, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bedompt Wat is er hier een bedompte locht in hoes (Rol), Wat kiek ie jao bedompt toe triest (Hol)
bedonderd, bedonderd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, 1. beroerd Hij zaag er bedonderd uut (Dwi) 2. beduusd, beteuterd Wat keek e bedonderd, doe a’k hum dat zee (Coe) 3. gek Bi’j bedonderd, dat doe ik niet (Dwij)
bedonderen, bedondern, zwak werkwoord, overgankelijk, misleiden, bedriegen Met die koop bin ik bedonderd (Schn) *Aj een Jeude wilt bedondern, muj twee Drentse boeren mitnemen. Aj een goeie mitneemt, dan kuj mit iene toe (Zdw)
bedonkeren, bedonkern, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = aan duisternis wennen, z. ook beduustern
bedotten, bedötten, bedotten, (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook bedotten = foppen, misleiden Ik laot mij niet bedotten (Zwe)
bedraaien, bedrèeien, zwak werkwoord, overgankelijk, (Midden-Drenthe) = door (ver)draaien er onderuit proberen te komen Hij wol het nog wel bedrèeien, mar mus wel schuld bekennen (Schn)
bedrag, bedrag, het, bedragen, bedrag, geldsom Het volle bedrag betalen en schoon geld beuren zonder korting of aftrek (Rui)
bedragen, bedragen, bijvoeglijk naamwoord, Var. als bij dragen = veel gedragen, versleten Die jas is slim bedraogen, die kuj niet meer an een aander geven (Eex)
bedreigen, bedreigen, zwak werkwoord, overgankelijk, bedreigen Hij bedreigde zien vao met een mes (Sle)
bedremmeld, bedremmeld, bedrempeld, bedrömmeld, bedrebbeld, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Ook bedrempeld (Zuidwest-Drenthe, noord), bedrömmeld (Zuidwest-Drenthe, zuid) = beteuterd Hij wet niet goed, wat hij doen mut en stiet er wat bedremmeld bij (Bro), Hij is wat bedremmeld schuchter (Emm); bedrebbeld (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = beduusd Ik was der glad bedrebbeld van (Zwig), Het kind was glad van de kaort, ʼt leek zo bedrebbeld (Hijk)
bedreten, bedreten, bedrèten, (Zuidwest-Drenthe). Ook bedrèten (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. bedremmeld Wat heb ie uut evrèten, wat staoj daor toch bedrèten te kieken (Hol) 2. bekaaid Hij komp er lillijk bedreten of (Koe), zie ook bedrieten
bedreven, bedreven, bijvoeglijk naamwoord, bedreven Die jong is aordig bedreven in het holtsnieden (Gas)
bedriegen, bedriegen, bedreigen, bedregen, bedraigen, bedreeigen, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook bedreigen (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), bedregen (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), bedraigen (Veenkoloniën, Kop van Drenthe), bedreeigen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. bedriegen Ik had nooit dacht dat hie mij bedreug (Emm), Hij bedrug je, waor ie bijstaot (Bei), As er een veenput was, die je bedreug, dan was het niet best niet aan de verwachtingen voldeed (Vtm), Hij döt niks as liegen en bedriegen (Oos) 2. ontrouw zijn Hij bedrug zien vrouw al joren, man der is gieneine, dei het heur vertelt (Bco) 3. (wederk.) zich verkijken (ti) ...kiek oet dien ogen heur en bedrieg dij der nou niet op (ti) *Aj een Jeude bedreeigen willen, moej een Drent metnemen (Vri), zie ook bedondern
bedrieger, bedrieger, de, bedriegers, Var. als bij bedriegen = 1. bedrieger Die kerel, dat is een bedreeiger (Gie) 2. goochelaar (Emm)
bedriegerij, bedriegerij, bedriegerije, bedriegerai, bedriegeraai, bedriegerijen, Var als bij bedriegen. Ook bedriegerije (Zuidwest-Drenthe), bedriegerai, bedriegeraai (Kop van Drenthe) = bedreigerij Ze haar mooie bloumpies op ʼt buffet, mor het was allemaol bedreigeraai, ʼt wazzen plastieken (Row), Mit al zien bedriegerije is hij niet wied ekomen (Dwij)
bedrijf, bedrief, het, bedrieven, 1. bedrijf, inz. de boerderij Gienien van de jongs wol op het bedrief (Pdh), Hij hef daor een bedrief van zo’n 30 bunder (Hijk), (fig.) Het was under de bedrieven al elf uur intussen (Eex), Under de bedrieven deur mag ik nog wel geern ies een piepie stoppen (Vri), Tuschen de bedrieven deur kun ik het kind even helpen tussendoor (Sle) 2. deel van toneelstuk etc. Het leste bedrief kwam der niet goed oet (Odo)
bedrijfskosten, bedriefskosten, de, meervoud, bedrijfskosten De bedriefskosten zint hoog tegenwoordig (Sle)
bedrijfsverzorger, bedriefsverzörger, de, bedrijfsverzorger Oeze naober is ziek, zie hebt non een bedriefsverzörger, een flinke kèrel (Sle)
bedrijten, bedrieten, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. beschijten Hij hef zuk van boven tot under bedreten (Bov) 2. bedriegen Ie kunt er nog wel ies een maol bedreten mit uutkomen (Pes) 3. bemesten (Hijk) De aolde meinsen, die zeden: Ie moet altied good mes op het laand doon, want aj Drenthe niet bedriet, bedret Drenthe je
bedrijvig, bedrievig, bedrieverig, Ook bedrieverig (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bedrijvig Hij was aordig bedrievig druk bezig (Dwi), Een bedrieverig meinse (Zdw)
bedrijvigheid, bedrievigheid, de, bedrijvigheid, drukte In de heuitied is het ien en al bedrievigheid in de maot (Pdh), Dat vrouwgie is ien en al bedrievigheid steeds bezig (Die), Een mens mot wel wat bedrievigheid hebben op olde leeftied (Wtv)
bedril, bedril, bedil, (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook bedil (Zuidoost-Drents zandgebied) = toeleg Het was zien bedril dat het noe zo lopen is (Klv)
bedrillen, bedrillen, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents veengebied) = regelen, uitmaken Hij wil altied alles bedrillen (Eri)
bedroefd, bedroefd, bedroofd, bedrooufd, bedroufd, bedruifd, bedruufd, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook bedroofd (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), bedrooufd (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), bedroufd (Kop van Drenthe), bedruifd (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), bedruufd (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. om bedroefd van te worden, treurig Dat was wel zo’n bedruifd gezicht (Vtm), Het is een bedroofd geval (Rui), Het is bedroufd, zoas die kinder er bijlopen (Nor), Ik mag er niet an denken, bedroofd, bedroofd (ndva:Rui), zie ook bedroevend 2. waardeloos Het is bedroefd weer (Sle), Een bedroefde kerel (Man), Wat een bedroefd lochie heb ie jao (Smi) 3. (bw.) zeer, erg Het is bedroefd slecht weer (Ndo)
bedroeven, bedroeven, zwak werkwoord, overgankelijk, Var. als bij bedroefd = 1. verdriet doen Het ken mie bedruiven, dat het zo laank dreuge is (Twe), Het mot je bedroouven, aj zeeit, hoou ze ʼt spul van de aol leui versmeert (Gas) 2. (wederk.) zich schamen (Midden-Drenthe) Hie mag zuk bedroouven dat e dat anmans had hef (Eex), zie ook bedroefd
bedroevend, bedroevend, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, Voor var. z. bedroefd = bedroevend Het is bedrovend zo slecht as de kinder tegenwoordig lustern wilt (Hijk), zie ook bedroefd
bedrog, bedrog, het, bedrog , Zie kunt mij meer vertellen, het is aolmaol bedrog(Bui), zie ook bedriegerij *Dreumen zint bedrog (Sle)
bedrogen, bedreugen, zwak werkwoord, (on)overgankelijk, droger worden Het is nog niet goed, het mot nog een beetie bedreugen (Dro), Het is aordig bedreugd tussen de middag (Eev), As het gres in het zwad wat bedreugd is, wordt het lösgooid (Sle)
bedrongen, bedrongd, bedrungd, bedrongen, bedrungen, (niet Zuidoost-Drents veengebied). Ook bedrungd (Zuidwest-Drenthe, noord), bedrongen (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), bedrungen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = dicht opeen, ingeklemd De bieten stunden er aordig bedrongd op (Gro), Ie wussen niet better, mar wat lagen ij aaid bedrongd in de bedstee (Pdh), Wie zaten bedrongen in de baanke (Vtm), zie ook drong, bedrokt
bedrongen, bedrongen, bedrungen, (Midden-Drenthe). Ook bedrungen (Zuidwest-Drenthe, zuid) = gedrongen, klein Het is een bedrungen kereltie (Hol)
bedruipen, bedruipen, bedrupen, bedruppen, Ook bedrupen, bedruppen (Midden-Drenthe) = zich bedruipen Hai mot zukzölf mor bedruipen (Eco)
bedruisten, bedroesten, zwak werkwoord, overgankelijk, (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = overbluffen, bang maken Hij probeerde mij te bedroesten (Sle), Laot oe niet bedroesten (Dwi), Hij bedroestte hum en toen worde hij bange (Rui)
bedruizeld, bedruzeld, bedosseld, bedoezeld, bedolderd, bedusseld, bedroe, Ook bedosseld (Zuidoost-Drents veengebied), bedoezeld (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), bedolderd (Zuidwest-Drenthe, zuid), bedusseld (Zuidoost-Drents zandgebied), bedroezeld (Zuidwest-Drenthe, noord), bedrusseld (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied), beduzeld (ti) = 1. in de war, versuft, beduusd Het pèerd was hielmaol bedruzeld (Sle), Hij vult van de wagen en do was hij bedosseld (Bco), Hij is der bedoezeld van (Vtm), zie ook beduusd 2. bedruzeld wordt gezegd van iem. die alsmaar in de weer is, veel praat, maar weinig presteert (Noo)
bedrukken, bedrukken, zwak werkwoord, overgankelijk, bedrukken De bladziede is an beide kaanten bedrukt (Die), De dokter gung de patiënt helemaol bedrokken bevoelen (Uff)
bedrukt, bedrokt, bedrukt, (Zuidwest-Drenthe). Ook bedrukt = dicht opeen Wij kunden het daor niet harden, wij zaten veul te bedrokt (Hgv)
bedrukt, bedrukt, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, neerslachtig, bedrukt Hij keek zo bedrukt, zul e wat hebben? (Bov)
bedstee, bedstee, beddestee, berrestee, bèrestee, bedsteden, Ook beddestee (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Coe), berrestee (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), bèrestee (Zuidoost-Drents veengebied) = bedstede Wij kroept de bedstee maor is in gaan naar bed (Val), Tegenaover de gaankmure, die an de noordkaante is, bint twei beddestèden (ui)
bedstel, bedstel, het, matras Een bedstel was in het begun driedielig (Sle)
bedstro, beddestro, het, bedstro Verhuzen kost beddestro geld (Hgv), Hij verlös heur niet in het beddestro van een dikke vrouw (Ker), Die hef ook nog wel wat in het beddestro zitten geld achter de hand (ui)
bedtijd, bedtied, de, tijd om naar bed te gaan Wie gaot hen hoes, het is bedtied veur de kleine kinder (Bov), zie ook het meer gebr. beddegestied
beduiden, beduun, beduden, (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook beduden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. duidelijk maken As ene iets niet begrip, dan mèuj proberen, aaj hum dat beduden kunt (Hol), Ik har hum goed bedud, hoe as het mus (Koe), Hij hef mij bedud dat ik bij hum mus kommen (Erm) 2. betekenen Dat het niks te beduden (Ass), Wat zul dat alarm nou weer beduden (Scho), Ik heb een arfenis kregen, niet dat het wat bedudt voorstelt (Sle)
beduimelen, bedoemeln, bedumeln, Ook bedumeln (Zuidoost-Drenthe) = beduimelen Wel hef dat boek nou almaol weer bedoemeld? (Odo), Zij fisselt net zo lang tot de ruten helemaol bedumeld zint (Coe)
beduisterd, beduusterd, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = aan het donker gewend Wij hebt net zo lang wacht tot wij een beetie beduusterd waren, toen bin wij ʼt vondertie over egaon (Geb)
beduisteren, beduustern, zwak werkwoord, onovergankelijk, 1. aan duisternis wennen (Zuidwest-Drenthe) Aj bij het locht wegkoomt, moej erst wat beduustern (Wsv), zie ook bedonkern 2. overvallen worden door invallende duisternis (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wij hebt ons wat beduusterd (Hgv), Ik had mij verlaat en toen was ik beduusterd (Pdh), Hie beduustert er nog bij (Noo), Doe het locht toch op, meinsen, ie beduustert jao helemaole tegen mensen, die zitten te schemeren (Flu)
beduusd, beduusd, bedoesd, bedost, bedust, Ook bedoesd (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), bedost (Zuidoost-Drents veengebied), bedust (Zuidwest-Drenthe, zuid) = beteuterd, bedwelmd, in de war Mien buurman was onverwachts overleden, ik was er glad beduusd van (Pei), Ie moet niet zo beduusd kieken (Uff), Ik heb hum beduusd houwd tegen de vlakte geslagen (Klv), zie ook bedoezeld
beduvelen, beduveln, zwak werkwoord, overgankelijk, beduvelen, bedriegen Die man was er altied over oet um je te beduveln (Bor), Die jong hef dat wicht beduveld (Odo), Mit dat peerd bin ik beduveld (Eri), Zij beduvelt en bedondert oe, daor aj bijstaot (Hav)
bedwang, bedwang, bedwaank, Ook bedwaank (Zuidwest-Drenthe), in in bedwang onder controle Help mij eeis even, ik kan dat peerd niet in bedwang holden (Eex)
bedwingen, bedwingen, sterk werkwoord, overgankelijk, bedwingen Hij kun zuch nich bedwingen, hij mus lachen (Bov)
beefes, beefesch, de, (Zuid-Drenthe) = ratelpopulier, z. ook trilesch
beefgras, beefgres, trilgres, (Zuid-Drenthe). Ook trilgres (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = trilgras, Briza media
beefsniel, beefsniel, de, (Nije) = bep. moerasplant
beek, beek, biek, beken, Ook biek (Zuidwest-Drenthe, zuid) = beek As er ies was, gungen ze in een biek aolstikken (Noo)
beeld, beeld, bield, en, Ook bield (Zuid-Drenthe) = beeld Der steeit een beeld in het park standbeeld (Eex), Een beeld van een meid (Hgv), Ik kan mij der nog gien beeld van vormen (Hijk), Beeldtien gooien spel op schoolplein. Je pakte iem. bij de arm en gooide hem weg. De persoon moest direct stijf blijven in de houding, waarin hij neerkwam (Sle)
beeld, beld, het, belder, (Zuidoost-Drents veengebied, veroud.) plaat Ze haren mooie belder an de wand (Bco)
beeldig, beeldig, beelderig, Ook beelderig (Vtm) = heel mooi De bruid zag er beeldig oet (Vri)
beeldschoon, beeldschoon, bijvoeglijk naamwoord, beeldschoon Dat is een beeldschoon wicht (Nsch)
beeltenis, beeltenis, de, beeltenissen, (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = beeltenis Die beeltenis heb ik altied nog veur ogen (Schn), De beeltenis van O.L. Heer stun op de bouzem het beeld (Nsch)
beëlzebub, beelzebal, de, (Hav) = harde werker met hoog tempo
beëmen, beëmen, zwak werkwoord, overgankelijk, (wp, dva) = besproeien, inz. het onder water laten lopen van hooilanden
been, bien, beein, been, bein, bain, bienen, biene, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Ook beein (Midden-Drenthe), been (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), bein (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), bain (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = 1. been Hij hef kroeme bienen (Hav), Je moet je gien bien oet laoten trekken poot (Hijk), IJ hebt gien bien um op te staon (Klv), Hie giet er met de start tuschen de biene vandeur (Pdh), Mit het verkèerde bien uut bedde stappen (Dwi), Ie kunt er gien bien tussen kriegen speld (Hgv), Bientie aover doen beentje over bij schaatsen (Hgv), Een beste blok van een maid, die het bainen as gebinten van een schure (Vtm), Ik zal dai gauw even een baintie draaien een been om het been van een ander draaien en zo de ander laten vallen (Eev), Zuj Loeks niet een bientien können drèeien een loer draaien, beentje lichten (bl), Hij het de beinen weer onder het gat is er weer bovenop (Row), Zie hef ʼt lief vol arms en bienen is zwanger (Bor), Hij zet er het been op vilt (N:be), Ik had hum al van de bienen slagen de borrel uitgedronken (ec), Ien bientien haken pootje lichten (Man), IJ moet bienen maken zorgen dat je wegkomt (Sle), Even de bienties van de vloer! even dansen (Klv), De bienen onder de narm nemen er vandoor gaan (Bro), Hie hef de bienen oetsteuken is gestorven (Sle), Der gien bien in zien geen mogelijkheden zien (Die), Het beste beintie veurzetten (Een), Hie stiet met ien bien in het graf (Val), Hie löp op zien leste bienen (Odo), Ik heb mij de bienen oet het gat lopen (Bei), Het giet net zo as het bienen hef net zo als het valt (Sle), Hij hef het beein stief holden niet toegegeven (Bal), De bienen scheuten mij under het gat weg ik gleed uit (Sle), Het wordt tied daj de bienen ies bij een aander under taofel steekt het huis uitgaat (Oos), Zij stund op heur achterste bienen was kwaad (Noo), Der is een hoop volk op de beein (Eex), Wel hef dat prootien op bien bracht in de wereld gebracht (Sle), Hij hef mij het gras veur de bienen wegmeid voor de voeten (Gro), Dan moej het zölf an het zère bien binden gezegd als iets duurder uitvalt dan je had gedacht, of: dat geld krijg je toch niet (Sti), Aj de hiele dag lopen hebt hej ʼs aovends lange bienen (Sle), Hij kwam der op hoge beeinen anzetten (Bal), Hij hef hum lillijk bie het bein had bedrogen (Nsch), Dat kan ik mie nich oet de beinen snieden kan ik je onmogelijk bezorgen (Bov), Zie prot hum de bienen under het gat weg kletst geweldig tegen hem aan (Zwin) 2. verticaal paaltje van een hek (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), In een landhek zaten veer bienen (Emm), Ie mut de bienen van ʼt hekke èven wied van menaar maken (Bro) *Leugens hebt korte beinen (Bov); Op eein beein kuj neeit lopen 1 borrel is niet voldoende (Eex); Het bint starke bienen, die de weelde dragen kunt (Oos)
beenbreuk, bienbreuk, de, beenbreuk Zo’n beinbreuk geneest slecht aj suker hebt (Bov)
beender, bienderd, de, bienderds, (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Var. als bij bien I = 1. iem. met lange benen Veur zo’n beinderd as doe is het mor een klain endje (Erf) 2. iem. die altijd op een draf loopt Dat is toch zo’n bienderd, dende döt aaid in draf (Sti)
beenderen, biendern, zwak werkwoord, onovergankelijk, Var. als bij bien I = snel, met grote passen lopen Doe hij bange worde, mus ie hum zien biendern (Ruw), Hij beenderde deur de vore (Bei), Wat mot je deur dat laand baaindern (Eco)
beeneter, beineter, de, (Row) = beenontsteking
beenglas, bainglas, het, (glasbl.,db:Nbui) = soort wit glas, waarbij de kleur wordt verkregen door beenderenmeel aan het mengsel toe te voegen
beenpijp, bienpiep, de, beenpijp, waterdichte broekspijp
beenstuk, bienstuk, het, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bovenstuk van klomplaars
beenzerig, beinzerig, beenzerig, (Kop van Drenthe). Ook beenzerig (ti). Klemtoon op zer = pijn in de benen veroorzakend De beinen binnen mai seupel. Het is ok zuk beinzerig weer (Row)
beenzwart, beinzwaart, het, (Vri) = beenteer, beenderolie
beer, bèer, beer, bere, bèren, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook beer (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe), bere (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. beer Die beren in de dierentoene in Emmen bunt al aold (Bov) 2. lomp, onbehouwen persoon 3. steunbeer De muur verzakt, der moet een beer tegen metseld worden (Row) 4. in zwarte beer (wm) kinderspel, waarbij de spelers elkaar bij de hand pakken, een kring vormen, rondgaan en eentonig regels zingen die betrekking hebben op een zwarte beer
beer, bèer, de, bèren, Var. en verspr. als beer I = mannetjesvarken De buurman giet mit ʼt varken naor de bere (Hgv), Het is net of der een beer langs megen hef van een kromme voor of niet in één rij staande korenhokken (Sle)
beer, bèer, de, bèren, Var. als bij beer I = beerput Hij mus even de bèer slachten (Wes), bèer snien de beerput legen (Oos)
beerenburg, berenbörg, bèrenbörg, berenburg, berenborger, Ook bèrenbörg (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), berenburg (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), berenborger (vn) = drank, getrokken van Berenburger kruiden Mien opa har altied berenburg op de beddeplank staon (Bov)
beerhouder, bèerholder, de, beerhouder Vrouger wassen bij ous in het dörp wel drei beerholders (Pei)
beermot, bèermot, de, 1. dekrijp vrouwelijk varken 2. een varken op die leeftijd Een beermot is een handig zwientie van zowat een dikke 100 pond (Eex), beermot van 3 à 4 maond (Klv)
beerput, beerput, de, beerput, gierkelder De jasse was hum mit stoete en al in de beerputte vallen (Bov)
beers, beers, bijvoeglijk naamwoord, (Zuidoost-Drenthe) = tochtig van varken Dat zwien, dat is beers (Eri), zie ook ruis
beerton, beertonnegie, het, beertonnegies, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = privaatton
beest, biest, beest, beeist, beist, baist, biest, biesten, bieste, Ook beest (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), beeist (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), beist (Zuidoost-Drenthev, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), baist (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = 1. beest, inz. (jonge) koe Wij hebt de beeste al op stal (Hijk), Hij zet er uut as een biest (Dwi) 2. van personen Wat een biest van een kerel (Exl), Het was bij de biesten of (Sle), ... bai de beisten om of (Row), De biest uuthangen (Hgv), Hie was aaltied het slim beeist kreeg van alles de schuld (Rol), Dat hangt mar de biest oet ...(Pdh), Ie bint biest gezegd tegen de verliezer bij het kaarten, vooral bij ‘kloppen’ (Dwi)
beestachtig, biestachtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, beestachtig Het is biestachtig weer (Mep), Hij was beestachtig smèrig (Bei)
beestenbende, biestenbende, de, beestenbende, smeertroep Daor is het altied een beestenbende (Hijk)
beestenboel, biesteboel, biestenboel, Ook biestenboel = smeertroep Het was door een baistenboudel (Eco)
beestenfonds, biestefonds, het, (Zuidoost-Drents zandgebied) = veefonds
beestenheer, biesteheer, biestbeheer, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, veroud.). Ook biestbeheer = koeherder
beestenhut, biesthut, de, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = hut, vier palen met plaggendak, waarin men ging zitten, als men op de koeien moest passen
beestenkaan, biestekaonen, zelfstandig naamwoord, meervoud, (Zuidoost-Drents zandgebied) = kaantjes van rundvet IJ hadden biestekaonen en russelkaonen (Sle)
beestenkoper, biestkoper, de, handelaar in koeien Die biestkoper wol mij der niet mèer veur geven (Wee)
beestenleider, biesteleider, de, (Zuidoost-Drents zandgebied) = geleider De biesteleiders op de mark leidt de bieste oet de wagens (Pdh)
beestenmaandag, biestmaandag, biestermaandag, (Zuidoost-Drenthe). Ook biestermaandag (Zuidoost-Drents zandgebied) = marktdag in Coevorden IJ hadden de eerste biestmaandag, een grote viemark, dan de middelbiestmaandag, niet zo groot en weinig vie en lèestbiestmaandag en dan gaanzemark. Op die biestmaandagen, die nao de Zuudlaorder mark valt, is er aaid een boel volk (Sle), Op daarde biestermaandag is ’t aaid zun gedrang (Pdh)
beestensoep, biestsoep, de, soep van rundvlees
beestenweer, biestenweer, biesteweer, Ook biesteweer = erg slecht weer Het is goud baistenweer vandaoge (Vtm)
beet, biet, de, beet, hap Dat is maor een biet, daor woj niet zat van (Bei), Ik kun der gien biet meer deurkriegen hap door de keel (Eex), Zij telt hum de bieten in de mond (Sle), Ik was an het vissen west, maor ik heb nooit gien biet had beet (Pei)
beet, beet, de, beten, beet Een beet van een hond kan gemien zèer doen (Wes)
beëten, beèten, sterk werkwoord, overgankelijk, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = het eten afnemen Meuj nou oe zussien ook nog beèten (Rui), zie ook bevreten
beethebben, beethebben, sterk werkwoord, overgankelijk, 1. vasthebben De hond har hum beet (Wei) 2. beethebben Ik har beet van een grönteltien bij het hengelen (Ruw)
beetje, beetien, bettien, bittien, bitken, beedie, beeie, beeties, Ook bettien (Pdh, Scho), bittien (Zuidoost-Drents veengebied), bitken (Zuidoost-Drents veengebied, veroud.), beedie (Noord-Drenthe), uitspr. beeie in Kop van Drenthe = beetje Ik heb er een bitken suker bie indaon (Bco), Wel wil nog koffie, der zit veur elk nog net een bettien in (Pdh)
bef, bef, buffie, beffen, Ook buffie (Zuidwest-Drenthe, noord). Vaak verkl. = bef, zowel door mannen als door vrouwen gedragen De man had vrouger een veurbint veur. Dat weur ok wal beffien nuimd (Bov), Vrouwen hadden eerder vaak een beffien in de jurk of het klied (Oos)
beflenteren, beflendern, zwak werkwoord, wederkerend, (Zuidwest-Drenthe, wb). = bevuilen Ie mut oe niet zo beflendern (Dwi)
befleren, beflèren, befleren, beflaren, (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook befleren (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), beflaren (Midden-Drenthe) = 1. belasteren Die bint even lillijk befleerd (Eex), Hie mag aandern gèern beflèren (Wee) 2. besmeuren Dat jonk hef zich weer gans en al beflèerd, het is een echte flèertoete (Hgv), zie ook beflendern, beflittern, beglèren
beflijster, befliester, de, (Zuidwest-Drenthe, zuid) = beflijster, Turdus torquatus
beflutteren, beflittern, befluttern, (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook befluttern (Zuidwest-Drenthe, zuid) = besputteren Ik wuur hielmaol beflitterd deur de spekpan