elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.

'm om hebben, m um hebbe, werkwoord, hieët 'm um, haaj 'm um, 'm umgehadj, dronken zijn
à la bonheur, allebenäör, tussenwerpsel, (Frans) alle gekheid op ‘n stokje
à propos, apperpoeë, zelfstandig naamwoord, mannelijk, apropos
aaien, aaje, werkwoord, strelen
aaks, haaks, aaks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haakse, aks(t)/grote bijl
aal, aol, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aole, äölke, paling, nokgording
aalpuit, aolpoêt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aolpoête, puitaal
aalschaar, aolschieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aolschieëre, (Nederweerts, Ospels) palingschaar
aambeeld, aambieëldj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aambieëldje, aambieëldje, aambeeld
aamsperring, aomsperring, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aomsperringe, dakspant
aamzeiksel, aomzeiksel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aomzeiksels, aomzeikselke, mier
aan de pin, aan de pin, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, uitgeput, moe
aan de schijt zijn, aanne schiêt zeen, werkwoord, diarree hebben
aan een aan, aan eîn aan, bijwoord, ononderbroken
aan het hek, aanne hék, aanne hèk, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; uitgeput
aan zijn, aan' zeen, werkwoord, és aan, woeër/woor/waas aan, aan gewaesj, verkering hebben, gekleed zijn
aanbesteden, aanbesteeje, aanbestieëje, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); aanbesteden
aanbonksel, aanbônksel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts, Ospels) turfveld, bovenlaag
aandenken, aandînke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aandenken
aandoen, aandoon, werkwoord, deut aan, dieëj/deej aan, aangedaon, aankleden, aanmaken (van lamp)
aandoening, aandoning, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aandoening, kleding
aaneen, aaneîn, bijwoord, aan elkaar
aanfrommelen, aanfroêmele, aanfoêmele, werkwoord, kleden, smakeloos
aangaan, aangaon, werkwoord, gieët aan, góng/ging aan, aangegânge, aangaan, aanpakken, beginnen (te branden), bezoeken, binnenlopen
aangeboren, aangeboeëre, aangebore, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; aangeboren
aangebrand, aangebördj, bijvoeglijk naamwoord, aangebrand, snel boos
aangeladen, aangelaaje, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts) aanslag, vol
aangelopen, aangeloupe, bijvoeglijk naamwoord, genoeg geweest
aangemaakt met, aangemaaktj mét, bijvoeglijk naamwoord, vatbaar voor, opgescheept zijn
aangemaakt zijn, aangemaaktj zeen, werkwoord, omgang hebben
aangestoken, aangestoeëke, aangestoke, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; aangebroken (vat)
aangeteld, aangetéldj, aangetèldj, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; drachtig (dieren), verwachting, in(vrouw)
aangetrouwd, aangetrawdj, aangetrouwdj, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; aangetrouwd
aanhang, aanhânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, verwanten , volgelingen, vrienden
aanhanger, aanhênger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanhêngers, aanhêngerke, aanhanger, volgeling, aanhangwagen
aanhebben, aanhebbe, werkwoord, hieët/heet aan, haaj aan, aangehadj, moeite kosten
aanhogen, aanhuuëge, werkwoord, ophogen
aanhouden, aanhaoje, werkwoord, héltj/hiltj/hultj aan, heel aan, aangehaoje, aanhouden, arresteren, volhouden
aanhuiken, aanhökke, werkwoord, höktj aan, hökdje aan, aangehöktj, ophitsen
aankaarten, aankaarte, werkwoord, naar de zin maken
aankallen, aankalle, werkwoord, aanpraten, aanspreken (op)
aankijken, aankieke, werkwoord, kiektj, kieëk/keek aan, aangekieëke/-gekeke, aankijken, afwachten, nader overwegen
aankissen, aankisse, werkwoord, kisj aan, kiszje aan, aangekisj, ophitsen
aankomen, aankome, aankaome, werkwoord, keumtj aan, kwoeëm/kwoom/kwaam, aangek(a)ome, tweede vorm Weerts (stadweerts); aankomen, bezoek brengen, zwaarder worden
aankomend, aankomendj, aankaomendj, bijvoeglijk naamwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); aanstaand, opgroeiend
aanlangen, aanlânge, werkwoord, aanreiken
aanleg, aanlék, aanlèk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; aanleg
aanleggen, aanlègke, aanlégke, werkwoord, légktj/lègktj aan, lag aan, aangelagdj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); aanleggen, omgang zoeken
aanlengen, aanlinge, werkwoord, aanlengen, verdunnen
aanloop, aanluîp, aanloup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanluîp, aanluîpke, aanloop;aanloup bezoek, (veel)
aanmaken, aanmake, werkwoord, aanmaken, omgang hebben
aanpalend, aanpaolendj, bijvoeglijk naamwoord, naastgelegen
aanpongelen, aanpongele, aanpoongele, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kleden, smakeloos , prutsen
aanrecht, aanrék, aanrèk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanrékke/aanrèkke, aanrékske, aanrèkske, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; aanrecht
aanritsen, aanritse, werkwoord, ritsj aan, ritszje aan, aangeritsj, (Nederweerts, Ospels) turf voorsteken
aanslag, aanslaag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanslage, vuil, laagje, (Nederweerts) contact
aanspanner, aanspênder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanspênders, beginneling
aanspraak, aanspraok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanspraoke, aanspräökske, toespraak, aanspraak
aanspraak hebben, aanspraok hebbe, werkwoord, praten met iemand
aanspraak op, aanspraok op, zelfstandig naamwoord, mannelijk, recht op
aanstaan, aanstaon, werkwoord, stieët aan, stóng aan, aangestânge, aanstaan, bevallen
aanstaarten, aansterte, werkwoord, zich -, bemoeien, zich
aansteken, aanstaeke, werkwoord, stiktj, stoeëk/stook, aangestoeëke/-gestoke, aansteken, besmetten
aanstoot, aanstoeët, aanstuuët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Weerts (stadweerts); aanstoot, waarschuwing
aanstoot geven, aanstoeët gaeve, aanstuuët gaeve, werkwoord, krenken, iemand
aantellen, aantélle, aantèlle, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; zwanger zijn
aantoddelen, aantóddele, werkwoord, kleden, smakeloos
aanvangen, aanvânge, werkwoord, vingtj aan, vóng aan, aangevânge, beginnen, uitspoken, iets
aanvinken, aanvînke, werkwoord, aansteken
aanvoerder, aanveurder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanveurders, aanveurderke, aanvoerder
aanwerk, aanwêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aanwêrke, aanwêrkske, begin, voorwerk
aanwezig, aanwezig, aanwieëzig, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); aanwezig
aanwijzen, aanwiêze, werkwoord, wiesj/wisj, wieës/wees, -gewieëze/-geweze, aanwijzen
aanwrijven, aanvriêve, werkwoord, vrieftj/vriftj, vrieëf/vreef, -gevrieëve/-gevreve, verwijten
aanzetten, aanzétte, aanzètte, werkwoord, zétj/zètj aan, zat aan, aangezatte, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; aanzetten, wetten van messen
aanzien, aanzeen, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aanzien
aanzwengelen, aanzwîngele, werkwoord, aanzwengelen
aap, aap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ape, aepke, aap
aar, aor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aore, äörke, aar, ader
aard, aard, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aard, natuur, plezier
aardappel, aerpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aerpel, aerpelke, aardappel
aardappelenbodempje, aerpelebeumke, aerpelebuuëmke, aerpelebeumkes/aerpelebuuëmkes, (verkleinwoord) eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), (verkleinwoord) Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); aardappelmandje
aardappelenkuil, aerpelekoel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aerpelekoêle, aerpelekuulke, aardappelkuil
aardappelenpotage, aerpelepetazie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aardappelpuree
aardappelstro, aerpelstroeëj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aardappelloof, gedroogd
aardbei, aerbeer, aerbeer, aerbieër, aerdbieër, aerdbieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aerbeêre/aerbieëre, aerbeerke/aerbieërke/aerdbieërke, eerst vier vormen Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels, vijfde vorm Weerts (stadweerts) aardbei
aarde, aerd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aarde; vloer
aarden, aarde, werkwoord, lijken op (karakter), wennen
aardewerk, aerdewêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aardewerk
aardgal, aerdgalle, (meervoud) paardenbloemen, paardenbloemwortels
aardhouw, aerdhouw, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aerdhouwe, aks, soort
aardig, arig, bijvoeglijk naamwoord, eigenaardig, vreemd
aardigheid, arigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, arigheidje, plezier
aardkar, aerdker, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aerdkerre, aerdkerke, slagkar, kleine
aardnaaister, aerdnejster, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aerdnejsters, naaister aan huis
aardpeer, aerdpaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aerdpaere, aerdpaerke, aardpeer
aardweg, aerdweêg, aerdwieëg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aerdweeg/aerdwieëg, aerdweegske/aerdwieëgske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); landweg, onverharde
aardzwaluw, aerdzwâlf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aerdzwâlve, oeverzwaluw
aas, aos, aost, zelfstandig naamwoord, mannelijk, äös(t), äöske/häöst, aas (kaartspel), lokaas; haost aas (kaartspel)
abdij, abdi-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, abdi-jje, abdij
abeelboom, baeleboum, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baelebuim, baelebuimke, abeel
abrikoos, abrikoeës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, abrikoeëze, abrikuuëske, abrikoos
abuis, abuus, zelfstandig naamwoord, mannelijk, abuze, vergissing
accent, aksênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aksênte, aksêntje, accent
accordeon, kordiejon, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kordiejons, accordeon
accorderen, akkedieëre, akkedeêre, fokkedieëre, fokkedeêre, werkwoord, akkedeertj/fokkedeertj, akkedeerdje/fokkedeerdje, geakkedeerdj/gefokkedeerdj, eerste vorm (Weerts (stadweerts)) en tweede vorm (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) overeenkomen, goed overweg kunnen; derde vorm (Weerts (stadweerts)) en vierde vorm (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Osp
acht, awt, awcht, telwoord, (Ospels) acht
acht geven, acht gaeve, werkwoord, geuftj acht, goof acht, acht gegaeve, verzorgen
acht geven, awt gaeve, awcht gaeve, werkwoord, (Ospels) opletten
achtdag, achtdaag, (meervoud) week
achter, awter, awchter, voorzetsel, (Ospels) achter
achteraf, achteraaf, awteraaf, bijwoord, tweede vorm Ospels; achteraf, afgelegen
achtereen, achtereîn, awtereîn, awchtereîn, bijwoord, onmiddellijk, achter elkaar
achtergedacht, achtergedecht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, achterdocht
achtergedachte, achtergedachdje, achtergedechdje, achtergedejje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, derde vorm Nederweerts; verstand; awtergedejje, awchtergedejje (Ospels) gedachte
achterhaam, achterhaam, awterhaam, awchterhaam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aw(ch)terhame, aw(ch)terhaemke, tweede en derde vorm Ospels; staartriem bij paard
achtermaat, achtermaot, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gras van tweede snede
achterom, achterum, bijwoord, achterom
achterom, achterum, zelfstandig naamwoord, mannelijk, achteringang
achterover, achteroeëver, achterover, awterover, awchterover, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Ospels; achterover
achterste, echterste, telwoord, achterste, laatste
achterste, echterste, zelfstandig naamwoord, onzijdig, achterwerk
achteruit, achteroet, achteruut, awteroet, awchteroet, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); derde en vierde vorm Oslpels; achteruit
achterwege, achterwege, achterwieëge, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); achterwege
adem, aom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, äömke, adem
ademen, aome, werkwoord, ademen
advocaat, advekaot, avvekaot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, advekaote/avvekaote, advekäötje/avvekäötje, (eerste vorm) advocaat, eigeel drankje, (tweede vorm) advocaat
af, aaf, voorzetsel, af
af en toe, aaf en tow, bijwoord, af en toe, nu en dan
afbeelden, aafbieëldje, aafbieële, werkwoord, bieël(d)tj aaf, bieëldje aaf, aafgebieëldj, afbeelden
afbeelding, aafbieëldjing, aafbieëling, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aafbieël(dj)inge, aafbieël(dj)ingske, afbeelding
afbetalen, aafbetale, werkwoord, afbetalen, afrekenen, vereffenen
afbidden, aafbaeje, werkwoord, afbidden
afbieden, aafbeeje, werkwoord, beejtj aaf, boeëj aaf, aafgeboeëje, afdingen
afbijten, aafbiete, aafbiête, werkwoord, bitj aaf, bieët/beet aaf, aafgebieëte/aafgebete, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); afbijten
afbikken, aafbikke, werkwoord, bikken (van steen)
afborstelen, aafbörstele, werkwoord, afborstelen, afrossen
afbranden, aafbörre, werkwoord, afbranden
afbreuk, aafbreûk, aafbruuëk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); afbreuk
afdak, aafdaak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aafdake, aafdaekske, afdak
afdampen, aafdâmpe, werkwoord, dâmptj aaf, dâmpdje aaf, aafgedâmptj, afdruipen, vertrekken
afdeling, aafdaeling, aafdeîling, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aafdaeling/aafdeîling, aafdaelingske/aafdeîlingske, tweede vorm Weerts (stadweerts); afdeling
afdoen, aafdoon, werkwoord, deut aaf, dieëj/deej aaf, aafgedaon, afdoen, breken, bijleggen (meningsverschil), oogsten (fruit), verbreken, rooien
afdrijving, aafdriêving, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aafdriêvinge, abortus
afdrogen, aafdruuëge, werkwoord, afdrogen, slaag geven
afdronk, aafdrônk, aafdroonk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); afdronk
afgaan, aafgaon, werkwoord, gieët aaf, góng/ging aaf, aafgegânge, afgaan, meelopen, invallen van dooi, verminderen
afgang, aafgânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, afgang, helling, ontlasting
afgebrand, aafgebördj, bijvoeglijk naamwoord, afgedaan, berooid, uitgeput
afgeladen, aafgelaaje, bijvoeglijk naamwoord, bomvol, tjokvol
afgeleefd, aafgelaefdj, bijvoeglijk naamwoord, uitgeput, versleten
afgelegen, aafgelaege, bijvoeglijk naamwoord, afgelegen, afgezonderd
afgepeigerd, aafgepeîgerdj, bijvoeglijk naamwoord, kapot, moe
afgestroopt, aafgestruîptj, bijvoeglijk naamwoord, aafgestruîpdje, afgestroopt
afgeveegd, aafgevaegdj, bijvoeglijk naamwoord, geraffineerd
afgeveegde, aafgevaegdje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aafgevaegdje, klaploper, persoon, gewiekst
afgeven, aafgaeve, werkwoord, geuftj aaf, goof aaf, aafgegaeve, afgeven
afgewerkt, aafgewêrktj, bijvoeglijk naamwoord, afgewêrkdje, klaar
afgezaagd, aafgezaegdj, bijvoeglijk naamwoord, afgezaagd
afhandig, aafhendjig, bijvoeglijk naamwoord, afhandig
afhang, aafhânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schuur (open)
afhangen, aafhânge, werkwoord, hingtj aaf, hóng aaf, aafgehânge, afhangen
afhouwen, aafhouwe, aafhawwe, werkwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); vertrekken, weggaan
afijn, affeng, tussenwerpsel, kortom
afkabelen, aafkabele, werkwoord, afkeuren, afzeggen, schikken, in der minne
afkeer, aafkieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, afkeer
afketsen, aafketse, werkwoord, ketsj aaf, ketszje aaf, aafgeketsj, afwijzen, annuleren
afkeuren, aafkeure, aafkuuëre, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); afkeuren
afkleden, aafkleî-je, werkwoord, slanker maken
afknappen, aafknappe, werkwoord, breken
afkopen, aafkoupe, werkwoord, kuîptj aaf, koch(t) aaf, aafgekochtj, afkopen
aflaat, aaflaot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aaflaote, aflaat, ondermelk
afladen, aaflaaje, werkwoord, leutj aaf/lieëtj/leetj aaf, looj aaf, aafgelaaje, afladen
aflaten, aaflaote, werkwoord, litj/lutj/leutj aaf, leet aaf, aafgelaote, melk ontromen
aflebberen, aaflebbere, werkwoord, aflikken, zoenen, hevig
afleggen, aaflègke, aaflégke, werkwoord, lègktj/légktj aaf, lag aaf, aafgelagdj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); afleggen
afliegen, aafleêge, werkwoord, liegen, voortdurend
aflikken, aaflekke, werkwoord, lektj aaf, lekdje aaf, aafgelektj, aflikken, zoenen, voortdurend
aflopen, aafloupe, werkwoord, luîptj aaf, leep aaf, aafgeloupe, aflopen, op sterven liggen, vergezellen
afmaken, aafmake, werkwoord, maaktj/meektj, maakdje aaf, aafgemaaktj, afrasteren, afspreken, doden, onderhandelen, overeenkomen
afmelden, aafmelle, werkwoord, afmelden
afpalen, aafpaole, werkwoord, afzetten (met palen)
afpersen, aafpörse, werkwoord, pörsj aaf, pörszje aaf, aafgepörsj, afpersen
afpikken, aafpikke, werkwoord, piktj aaf, pikdje aaf, aafgepiktj, ontnemen, doodgaan
afprengelen, aafprêngele, werkwoord, lospeuteren
afraden, aafraoje, werkwoord, rieëtj/reutj aaf, rooj aaf, aafgeraoje, afraden
afrakkeren, aafrakkere, werkwoord, overbelasten, slordig werken
afrapen, aafrape, werkwoord, raaptj aaf, raapdje aaf, aafgeraaptj, ontnemen
afrijten, aafriête, werkwoord, ritj aaf, rieët/reet aaf, aafgerieëte, afscheuren, wind laten, 'n
afromen, aafroûme, werkwoord, roumtj, roumdje, geroumdj, afromen
afruimen, aafrume, aafruûme, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); afruimen
afschuddelen, aafschöddele, werkwoord, afschudden
afschudden, aafschödde, werkwoord, schödtj aaf, schödje aaf, aafgeschödj, afgieten
afspraak, aafspraok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aafspraoke, aafspräökske, afspraak
afstropen, aafstruîpe, werkwoord, struîptj aaf, struîpdje aaf, aafgestruîptj, afstropen
aftellen, aaftélle, aaftèlle, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; aftellen
aftreden, aaftraeje, werkwoord, tritj/treutj/treetj aaf, troeëj/trooj aaf, aafgetroeëje/aafgetrooje, meten, afpassen
aftrekken, aaftrèkke, aaftrékke, werkwoord, trèktj/tréktj aaf, trok aaf, aafgetrokke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); aftrekken, fotograferen
aftuigen, aaftuûge, werkwoord, aframmelen, aftuigen
afval, aafvâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, afval, rommel
afvangen, aafvânge, werkwoord, vingtj aaf, vóng aaf, aafgevânge, afvangen
afvegen, aafvaege, werkwoord, veugtj aaf, voog/vaegdje aaf, aafgevaegdj, afvegen
afvoer, aafveur, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aafveure, afvoer
afweren, aafwere, aafwieëre, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); afweren
afwezig, aafwezig, aafwieëzig, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); afwezig
afwijken, aafwiêke, werkwoord, wiêktj, wieëk/week, aafgewieëke/aafgeweke, afwijken
afwijzen, aafwiêze, werkwoord, wiêktj, wieëk/week, aafgewieëke/aafgeweke, afwijzen
afwimpelen, aafwûmpele, werkwoord, afwimpelen
afzetten, aafzètte, aafzétte, werkwoord, zètj/zétj aaf, zat aaf, aafgezatte, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); afzetten, amputeren, bedriegen
afzien, aafzeen, werkwoord, zuût aaf, zoog aaf, aafgezeen, afzien, lijden
afzonderen, aafzundjere, aafzûnjere, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); afzonderen
ah, ao, tussenwerpsel, ah
akelig, akelig, akelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, angstaanjagend, akelig, angstig, misselijk, vervelend
aker, ieëker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ieëkers, ieëkerke, aker
akkeren, akkere, werkwoord, grenzen aan, veldwerk doen
akkermannetje, akkermenke, akkermenkes, (verkleinwoord) witte kwikstaart, veldleeuwerik
akkerpit, akkerpit, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, duif, verwilderde
akkoord, akkoeërd, bijvoeglijk naamwoord, akkoord
akkoord, akkoeërd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, overeenkomst, overeenstemming
al een, âl eîn, bijwoord, (Nederweerts) om ’t even
al met al, âl mét âl, bijwoord, alles overziende
al te, âl te, bijwoord, erg, te zeer
al zijn leven, alzelaeve, bijwoord, steeds, vast en zeker
aldoor, aldoeër, bijwoord, steeds
aleer, alieër, voegwoord, aleer, voordat
algedurig, allegedeurige, bijwoord, aanhoudend, steeds weer
alhoewel, allewaal, bijwoord, alhoewel, nou ja
aljaars, aljaors, bijwoord, jaarlijks
alle hondsgezeik, alle hóngsgezeike, bijwoord, aanhoudend, om de haverklap
alle weken, alle waeke, bijwoord, wekelijks
alle weken, alwaeke, bijwoord, wekelijks
allebei, allebej, telwoord, allebei, beide
alledaagse kleren, aldaagse kleî-jer, (meervoud) kleding, door-de-weekse , werkkleding
alledag, aldaag, bijwoord, iedere dag
allee, alleh, tussenwerpsel, toe nou/vooruit
allee vort, alleh vort, tussenwerpsel, vlugger (voermanstaal)
alleen, allein, bijwoord, alleen, vanzelf
alleenstaand, alleinstaondj, bijvoeglijk naamwoord, alleenstaand
allegatie, allegasie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ophef, kouwe drukte
allemaal, allemaol, ammaol, telwoord, allemaal
allengs, inselkes, insterkes, bijwoord, (eerste vorm) allengs, stilletjes aan, na verloop van tijd, (tweede vorm, Nederweerts), op lange termijn
allenig, alleinig, bijwoord, alleen, op je eentje
Allerheiligen, Alderheilige, Allerheilige, eigennaam, Allerheiligen
allerlei, alderlej, allerlej, bijvoeglijk naamwoord, allerlei, diverse
Allerzielen, Allerzeêle, Allerzieële, eigennaam, tweede vorm Nederweerts; Allerzielen
allewijl, alwiel, awiel, allewiel, bijwoord, tegenwoordig
allijk, alik, bijvoeglijk naamwoord, gaaf, geheel, heel, stuk, niet, vol
alluminium, allemiênium, zelfstandig naamwoord, onzijdig, alluminium
almaar, almèr, bijwoord, steeds
almanak, âlmanak, âlmenak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, âlmanakke/âlmenakke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kalender
als, as, voegwoord, zoals, zodra, dan, als
als dat is, as det és, voegwoord, indien
als god belieft, asj God bleeftj, tussenwerpsel, als het God belieft
als je, astejje, aszje, ostejje, voegwoord, als je (m)
als je, ajje, voornaamwoord, als je
als je, asse, voegwoord, als je (vr)
als jij, ajjae, voornaamwoord, als jij
alsem, aelse, (meervoud) alsem, kruidenboeket
alsjeblieft, asteblaef, astebleef, asjebleef, tussenwerpsel, alsjeblief(t), niet te geloven!
alsmaar, alsmèr, ammèr, bijwoord, steeds
alsof, as-of’, voegwoord, alsof
altaar, âltaor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, altaar
alteratie, alterasie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ontsteltenis
altijd, altiêd, bijwoord, altijd
Altweert, Aovert, eigennaam, Altweert
Altweerterheide, Altwieërthej, Altwieërterhej, eigennaam, Altweerterheide
Altweerterkapel, Aoverterkepèl, eigennaam, Aoverterkepèlke, Theuniskapel, Sint
aluin, aloên, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aluin
alverdrijf, âlverdriêf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, goudsbloem
ambachtsschool, ambachtschoeël, ambachtschool, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ambachtscho(eë)le, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; nijverheidsschool
ambetant, ambetânt, bijvoeglijk naamwoord, vervelend
ambras, ambras, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drukte, overdreven
amer, aomere, aomerte, (meervoud) houtskool
amer-ijzer, aomerte-iêzer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aomerte-iêzers, aomerte-iêzerke, strijkbout
amper, âmper, bijvoeglijk naamwoord, ranzig (van boter)
amper, âmper, bijwoord, amper, nauwelijks
ander, ânger, bijvoeglijk naamwoord, ander, volgend
ander, ânger, zelfstandig naamwoord, ânger, ander(en)
anderendaags, sângerdaags, bijvoeglijk naamwoord, anderdaags, volgende dag; sângerendaagsanderdaags, volgende dag
anderhalf, angerhâlf, óngerhâlf, telwoord, anderhalf
andermaal, ângermaol, bijwoord, andermaal
anders, ângers, ângerser, ângerster, ânges, ângert, bijwoord, anders, op ‘n ângert, elders
andersom, ângersum, bijwoord, andersom
andijvie, andiêvie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, andijvie
anemoon, annemoeën, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, annemoeëne, annemuuënkes, anemoon
angel, ângel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ângels, êngelke, angel
anijs, aniês, zelfstandig naamwoord, mannelijk, anijs
ankerbalk, ânkerbâlk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ânkerbêlk, ânkerbêlkske, moederbalk (boerderij)
ankerlicht, ânkerleecht, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ânkerleechte, ânkerleechtje, ankerlicht (turfschip)
antwoord, ântwoord, ântwoeërd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ântweurd/ântwuuërd, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); antwoord
apart, apaart, bijvoeglijk naamwoord, apart
apenhaar, apehaor, (meervoud) haren, stugge
apenkeutel, apekeutel, apekuuëtel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, apekeûtels/apekuuëtels, apekeûtelke/apekuuëtelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kind, klein
apenkopje, apeköpke, apeköpkes, (verkleinwoord) kind, speels
apennootje, apeneutje, apenuuëtje, apeneutjes/apenuuëtjes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); pinda
apotheker, apothieëker, appethieëker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, apothieëkers/appethieëkers, apothieëkerke/appethieëkerke, (eerste vorm) apotheek, (tweede vorm) apotheker
appel, appel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, appel(e), eppelke, appel
appelboom, appeleboum, zelfstandig naamwoord, mannelijk, appelebuim, appelebuimke, appelboom
appelmoes, appelemoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, appelemeuske, appelmoes
appelpeer, appelpaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, appelpaere, appelpaerke, stoofpeer
appelpruts, appeleprus, appelepruts, zelfstandig naamwoord, mannelijk, appelmoes
appelsien, appelesien, appelesjien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, appeles(j)iêne, appels(j)ienke, sinaasappel
appelspijs, appelespies, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, appelmoes voor vlaai
appetijtelijk, appetietelik, bijvoeglijk naamwoord, aantrekkelijk
apprensie maken, apprênsi-j make, werkwoord, aanstalten maken
april, aprîl, zelfstandig naamwoord, april
arbeid, êrbeid, zelfstandig naamwoord, mannelijk, arbeid
arbeid hebben, êrbeid hebbe, werkwoord, onrustig zijn voor bevalling
arbeider, êrbeî-jer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, êrbeî-jers, êrbeî-jerke, arbeider
ark, ârk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ârke, ereboog
arm, êrm, bijvoeglijk naamwoord, erm, erme/êrme, arm (behoeftig)
arm, êrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, erm, ermke, arm (lichaamsdeel)
arme, êrme, zelfstandig naamwoord, mannelijk, arme (behoeftige)
armelijk, êrmelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, armoedig
armoede, êrmood, êrmooj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, armoede
armoede lijden, êrmooj li-jje, werkwoord, arm zijn, heel/erg, lijden, kou
armoedig, êrmeujig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, armoedig
armoedspens, êrmoojspêns, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, armoedzaaier
armoedzaaier, êrmoodzejjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, êrmoodzejjers, armoedzaaier
armsgat, ermsgaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ermsgater, ermsgaetje, armsgat (van kleding)
armstoel, êrmstool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, êrmsteul, êrmsteulke, leunstoel
armvol, êrvel, räöbel, räövel, aerevöl, hêrvel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede en derde en vierde vorm Nederweerts, Ospels; vijfde vorm Nederweerts; ; armvol
armzalig, ermzeêlig, ermzieëlig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); armzalig
as, asse, (meervoud) as, sintels
as, as, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, asse, eske, naaf (wiel)
as, as, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, as (bv. sigaar)
asbak, assebak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, assebek, assebekske, asbak
asem, aosem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, adem
asjemenou, sjuris, tussenwerpsel, (Nederweerts) asjemenou
askruisje, assekruûske, (verkleinwoord) askruisje
asla, aslaaj, asselaaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, as(se)laaje, as(se)laetje, asla(de)
asperges, aspêrzjes, spêrzjes, (meervoud) eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; asperges
assurantie, astrânsie, strânsie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, astrânsies, verzekering
astrant, astrânt, strânt, bijvoeglijk naamwoord, brutaal, vrijpostig
Aswoensdag, Asgoonsdig, Aswoonzig, Aswoonsdig, Asgoonzig, eigennaam, Aswoensdag
atoom, atoom, atoeëm, zelfstandig naamwoord, onzijdig, atome/atoeëme, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); atoom
atoombom, atoombóm, atoeëmbóm, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, atoombómme/atoeëmbómme, atoombumke/atoeëmbumke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); atoombom
au, aw, tussenwerpsel, uitroep van pijn
au wee, auwieë, awwieë, tussenwerpsel, au
avanceren, avveseêre, avvesieëre, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); opschieten
avond, aovendj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aovendje, aovendje, avond
avond, saoves, bijvoeglijk naamwoord, avonds, ‘s
avondbrood, aovendjbroeëd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, avondmaal
avonturen, aventuuëre, aventeure, werkwoord, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; afwachten
avontuur, aventeur, aventuuër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aventeure/aventuuëre, aventeurke/aventuuërke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); avontuur
azijn, azien, ezien, zelfstandig naamwoord, mannelijk, azijn
baak, baok, bäök, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, baoke/bäöke, bäökske, walnoot, kwart , steenpuistschijf; bäök (Nederweerts) walnoot, kwart
baal, baal, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mannelijk, jute (weefsel)
baalscholk, baalschölk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baalschölke, (Nederweerts, Ospels) schort, juten
baan, baan, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bane, baantje, betrekking, peelweg
baan, baentje, baentjes, (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) huiswei
baar, baar, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bare, baerke, schotel
baarbinden, baarbînge, werkwoord, keuvelen
baard, baart, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vlasafval
baardmannetje, baardmenke, baardmenkes, (verkleinwoord) baardmannetje (vogel)
baas, baas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baze, baeske, baas, echtgenoot
babbel, bebbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bebbels, bebbelke, mond; kletswijf
babbelaar, babbelaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, babbelaers, babbelaerke, snoepje (hard)
babbelaartje, babbelaerke, babbelaerkes, (verkleinwoord) braamsluiper (vogel), garendiefje (vogel)
babbelen, bebbele, werkwoord, praten, veel
babbeltje, babbeltje, babbeltjes, (verkleinwoord) snoepje (hard)
badding, badding, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baddings, baddingske, balk
baden, baaje, werkwoord, baden (pootje ), ronselen van stemmen
bag, bag, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bagke, big
bagage, begaasj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bagage
baggen, bagke, werkwoord, werpen, biggen
baggerring, baggerrînk, bagkerrînk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; turfgereedschap
baggerturf, baggertörf, bagkertörf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; turfsoort
bak, bak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bek, bekske, bak
bakbeest, bakbieëst, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bakbieëste, voorwerp, groot, voorwerp, lomp/zwaar
bakguizen, bakgoeze, werkwoord, werpspel
bakhuis, bakkes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bakkese, bakhuis, gezicht, mond, veldoven
bakken, bakke, werkwoord, baktj, bakdje, gebakke, bakken
bakkeneren, bakkeneêre, werkwoord, bakkeneertj, bakkeneerdje, gebakkeneerdj, (Nederweerts, Ospels) spelen op het gras
bakker, bakker, bekker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bakkers/bekkers, bekkerke, bakker
bakkerij, bakkeri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bakkeri-jje, bakkeri-jke/bakkerieke, bakkerij
bakkesvol, bakkesvôl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, snoep
bakoven, bak-oôve, bakoeëve, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bak-oôves/bakoeëves, bak-oventje/bakoeëventje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bakoven
baktand, baktând, baktândj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baktang, baktèndje, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; kies
baktrog, baktroôg, baktroeëg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baktroôge/baktroeëge, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kneedbak
bal, bâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bel, belke, bal
bal, bâl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bâls, danspartij
balans, balâns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, balânse, weegwerktuig
balansen, balânse, werkwoord, inventariseren, (Nederweerts) wippen
balen, bale, bijvoeglijk naamwoord, juten (gemaakt van jute)
balken, bäöke, werkwoord, bäöktj, bäökdje, gebäöktj, balken (van ezel), loeien (van koeien), huilen (luid); bäölekeloeien (van koeien), bulken (van ’t geld)
balkenbrij, bâlkebri-j, zelfstandig naamwoord, mannelijk, balkenbrij
balkeneren, balkeneêre, balkenieëre, werkwoord, balkeneertj, balkeneerdje, gebalkeneerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); herrie maken, schreeuwen
balkevaar, bâlkevaar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schreeuwer
ballen, böl, (meervoud) ballen, kloten
balletig, balleêtig, ballieëtig, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); moe, ‘t moe zijn
balroos, bâlroeës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bâlroeëze, bâlruuëske, sneeuwbal
bam, bam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bamme, bemke/bammeke/bammetje, boterham (kindertaal)+D772
bamselen, bâmsele, werkwoord, (Nederweerts) slenteren
band, bând, baantj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bendj, bendje, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; band, boordje
banderen, bândere, werkwoord, ploeteren
bandgard, bândjgaerd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bândjgaerde, bândgaerdje, (Nederweerts, Ospels) panlat
bandmest, baantjmeest, baantjmést, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); stromest
bangschijter, bangeschieter, bangeschietert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bangeschieter(t)s, bangeschieterke, bangerd
bank, bânk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bênk, bênkske, bank (zitmeubel), bank (geldinstelling)
bannen, banne, werkwoord, aanmanen, zeuren
banzelen, bânzele, bânsele, werkwoord, tweede vorm Nederweerts; slenteren
barbier, barbeêr, barbieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, barbeêrs/barbieërs, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); barbier, kapper
baren, bare, werkwoord, verlossertik spelen
barg, barg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, varken (gecastreerd)
barg, berg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) varken, gesneden
barmhartig, bermhertig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, barmhartig
barrevoets, bêrves, bêrvers, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tweede vorm Nederweerts, Ospels; blootsvoets
barrière, breêr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, breer, breerke, hekafsluiting (spoorweg), afsluithek
barst, börsj, tussenwerpsel, barst (uitroep)
barst, beûrst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beûrste, beûrstje, (Nederweerts, Ospels) barst
barsten, börste, bijwoord, te -, hard, heel erg
barsten, beurste, börste, werkwoord, beursj/börsj, beurszje/börszje, gebeurste/gebörsj/geborste, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); barsten
bas, bas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, basse, zeildoek
bascule, baskuul, beskuul, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, baskule, baskuulke/beskuulke, bascule, weegschaal
batraaf, batraaf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, batrave, batraefke, brutale rakker
bats, bats, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, batse, bil
bats, bats, bijwoord, (Nederweerts) flink, hard
bats, bats, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, batse, (Nederweerts, Ospels) spade
batsenterger, batsetêrger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, batsetêrgers, slipjas
batteren, battere, werkwoord, lawaai maken, lopen, op en neer
batterij, batteri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, batteri-jje, batteri-jke/batterieke, achterwerk, batterij
bauwelen, bawwele, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) kauwen, tandeloos
baviaan, baviaon, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baviaone, baviaan, lelijk mens
bazaar, boezjaar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boel, santekraam
be-akkeren, be-akkere, werkwoord, bewerken van grond
bebeukt, bebäöktj, bijvoeglijk naamwoord, bebäökdje, betraand
bed, bèd, béd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bèdde/bédde, bèdje/bédje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bed
bedden, bédde, bèdde, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; op bed liggen
beddengerei, béddegerej, bèddegerej, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; beddengoed
beddengoed, béddegood, bèddegood, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; beddengoed
beddenkoets, bèdkoets, bèddekoets, bédkoets, béddekoets, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bèddekoetse/béddekoetse, (Nederweerts, Ospels) alkoof, bedstee
beddenzeiker, bèddezeiker, béddezeiker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bèddezeîkers/béddezeîkers, bèddezeîkerke/béddezeîkerke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bangerik, bedplasser
bedeesd, bedeesj, bedieësj, bijvoeglijk naamwoord, bedeeszje/bedieëszje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bedeesd
bedelaar, baedelaer, baedeler, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baedel(a)ers, baedel(a)erke, bedelaar
bedelaarsbrood, baedelersbroeëd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bedelaarsbrood
bedelen, baedele, bedeîle, werkwoord, (eerste vorm) bedelen, (tweede vorm) bede'len, toekennen
bedenken, bedînke, werkwoord, bedînktj zich, bedach(t) zich, zich bedachtj, zich -, bedenken, zich
bederven, bedêrve, werkwoord, bedörftj/bederftj, bedôrf, bedôrve, bederven
bedevaart, baevert, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, baeverte, bedevaart
bedienen, bedeêne, werkwoord, bedeentj, bedeendje, bedeendj, bedienen, bekennen (bij kaartspel), toedienen H. Oliesel
bedoen, bedoon, werkwoord, W: bedeut/bedutj, bedieëj, bedaon, zich -, aanstellen, zich , aanstellen, zich
bedoening, bedoning, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, drukte, woninkje
bedoeninkje, bedoningske, bedoningskes, (verkleinwoord) boerderijtje
bedompt, bedômptj, bedoomptj, bijvoeglijk naamwoord, bedômpdje/bedoompdje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); muf
bedpongel, bèdpongel, bédpoongel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bèdpoongele/bédpoongele, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); langslaper
bedrag slaan, bedraag slaon, werkwoord, aandacht hebben, opmerken
bedriegen, bedreêge, werkwoord, bedruugtj/bedrugtj, bedroeëg/bedroog,, bedriegen, bedriegen
bedrijf, bedriêf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bedriêve, bedriêfke, bedrijf
bedrijven, bedriêve, werkwoord, bedrieftj/bedriftj, bedrieëf/bedreef, bedrieëve/bedreve, bedrijven
bedsprei, bèdsprej, bédsprej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bèdsprejje/bédsprejje, bèdsprejke/bédsprejke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); beddensprei
bedstee, bédsteej, bèdsteej, bédstieëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bédsteeje/bèdsteeje/bédstieëje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); alkoof, bedstee
beek, beek, bieëk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beêke/bieëke, beekske/bieëkske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beek
beeld, bieëldj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bieëldje, bieëldje, beeld
beemd, baantj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baentj, baentje, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) beemd, grasveld, huiswei
beemd, beemdj, bieëmdj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beemdje/bieëmdje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beemd, weiland, waterrijk
beemdbezem, beemdjbeêsem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beemdjbeêsems, beemdjbeêsemke, veegbezem
been, beîn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bein, beinke, been
beenderik, beinderik, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meisje, lang
beenslet, beînslet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beinslette/beinsletter, beenkap
beentjes maken, beinkes make, werkwoord, opschieten
beer, baer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baere, baerke/bieërke/beêrke, beer (roofdier), beer (mannetjesvarken), kwajongen; baer, baêr vétige -, vieze/geile vent; eerste vorm Nederweerts; ritse -, geile vent; tweede vorm Nederweerts, Ospels; drek; bieër beer (mannetjesvarken)
beer op sokken, baer op zök, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sufferd
beerput, baerpöt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baerpötte, baerpötje, gierkelder, gierput
beertjes, bieërkes, (verkleinwoord, meervoud), (Weerts (stadweerts)) nachtschade, zwarte
beerwis, baerwes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baerwesse, stro, korte dikke schoof
beest, bieëst, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bieëste, bieës(t)je, beest, dier; vuilak, vrek
beestachtig, bieëstechtig, bijvoeglijk naamwoord, beestachtig
beesterij, bieësteri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, smeerlapperij
beetje, bitje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bitjes, beetje
befommelen, befoemele, werkwoord, kreuken
begaaien, begaaje, werkwoord, bekladden, rommel maken, de boel -, buitensporig gedragen, zich, zich -, te buiten gaan, zich
begaffelen, begaffele, werkwoord, bedisselen
begankenis doen, begênkenis doon, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zien -, gang gaan, zijn
begeren, begaere, werkwoord, begeren
begerig, begaerig, bijvoeglijk naamwoord, hebberig
begijn, begien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, begiêne, begienke, "kloosterzuster, non, verloupe -, oudevrijster, vrouw, ""overgeschoten"""
begin, begîn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aanvang, begin
beginnen, beginne, werkwoord, begintj, begos, begosj/begónne, beginnen
begrijpen, begriêpe, werkwoord, begriêptj/begriptj,begrieëp/begreep,begrieëpe/begrepe, begrijpen
begroten, begruuëte, werkwoord, begruuëtj, begruuëtdje, begruuëtj, begroten
beheer, behieër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beheer
behoeden, beheuje, werkwoord, behoeden
behoud, behaod, zelfstandig naamwoord, onzijdig, behoud
behouden, behaoje, werkwoord, behiltj/behultj, beheel, behaoje, behouden
beiden, beî-je, telwoord, beiden
beige, baêsj, bijvoeglijk naamwoord, baêszjer, baêsjt, beige
bejaard, bejaordj, bijvoeglijk naamwoord, bejaard
bejaën, bejaohe, werkwoord, beamen, instemmen
bekaf, bek-aaf, bijwoord, doodmoe
bekakt, bekaktj, bijvoeglijk naamwoord, bekakdje, arrogant
bekallen, bekalle, werkwoord, bespreken, overleggen
bekend, bekindj, bijvoeglijk naamwoord, bekend
bekende, bekindje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bekindje, bekende
bekennen, bekinne, werkwoord, bekennen, bekennen ( kaartkleur), zich -, bekend zijn met
bekijken, bekieke, werkwoord, bekiektj/bekiktj, bekieëk/bekeek, bekieëke/bekeke, bekijken
bekijks, bekiêks, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bekijks
beklag, beklaag, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beklag
bekonkelen, bekoonkele, werkwoord, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) bekonkelen
bekostigen, beköstige, werkwoord, bekostigen
bekwaam, bekwaom, bijvoeglijk naamwoord, bekwaam
bel, bel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, belle, belke, bel
belazeren, belazere, werkwoord, bedriegen
belet, belèt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) belemmering, verhindering
belezen, belaeze, bijvoeglijk naamwoord, belezen
bellen, belle, (meervoud) haveraren
bellen blazen, belle blaoze, werkwoord, zeepbellen blazen
belletje trekken, belke trékke, werkwoord, belletje trekken
beloken pasen, Beloeëke Paose, Beloke Paose, eigennaam, Beloken Pasen
belonen, beloeëne, werkwoord, belonen
beloven, beloeëve, belove, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; beloven
belroos, belroeës, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gordelroos
Bels, Bêls, eigennaam, Bêlze, Bêlske, Belg, België
bels, bêls, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bêlze, trekpaard, Belgisch
Belse bonk, Bêlze boonk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, Bêlze bûnk, trekpaard, Belgisch
Belse lamp, Bêlze lâmp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, Bêlze lâmpe, Bêls lêmpke, petroleumlamp
Belse stoof, Bêlze stoeëf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, Bêlze stoeëve, Bêls stuuëfke, buiskachel
bemmelen, bemmele, werkwoord, bungelen
bemoeial, bemeujâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bemoeial
bemoeien, bemeuje, werkwoord, zich -, bemoeien, zich
bemoerd, bemeûrdj, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts) troebel
ben, ben, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, benne, mand, voederbak voor schapen, ruif
benauwd, benawdj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, benauwd
benderen, bêndere, werkwoord, zeuren
beneden, beneeje, benieëje, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beneden
benen maken, bein make, werkwoord, opschieten
benepen, benepe, benieëpe, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); benepen
bengelen, bêngele, werkwoord, bungelen
benieuwd, benoedj, benowdj, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; benieuwd
benieuwen, benowwe, werkwoord, benowtj/benoetj,benowdje/benoetdje,benowdj/benoedj, benieuwen
benoemen, beneume, werkwoord, benoemen
bent, beentj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, buntgras
bentgras, beentjgraas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Ospels) buntgras
benul, belûl, benûl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, verstand, inzicht
benzelen, bênzele, werkwoord, afranselen
berappen, berappe, werkwoord, beraptj, berapdje, beraptj, betalen, vergoeden van schade
berenklauw, baereklaw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, baereklawwe, berenklauw (dier), berenklauw (plant), kachel (drie poten)
berf, berf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, berf, berfke, barbeel (vis)
berg, bêrg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, berg/bêrge, bergske, berg
bergemuisje doen, bergemuuske doon, werkwoord, verstoppertje spelen
berk, bêrk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bêrke, bêrkske, berk
berm, bêrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, berm/bêrme, bêrmke, berm
bermen, bêrme, werkwoord, opstapelen van hooi/stro
bermplaats, bêrmplaats, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bêrmplaatse, bergruimte naast de deel
bermsloot, bêrmsloeët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, sloot langs dijk
berouwen, berouwe, werkwoord, berouwen (zich), treuren (van koeien)
berrie, börrie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, börries, börrieke, disselboom, draagbaar
bes, bieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bieëre, bieërke, (Weerts (stadweerts)) bes
beschaamd, beschieëmdj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) beschaamd
bescheten, bescheête, beschieëte, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); in de maling genomen, bekaaid, verwaand
bescheuren, bescheure, beschuuëre, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bescheuren
beschieten, beschete, werkwoord, beschutj, beschoeët/beschoot, beschoeëte/beschote, beschieten, bijdragen tot
beschijten, beschiete, beschiête, werkwoord, beschitj, bescheet/beschieët, beschete/beschieëte, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); beschijten
beschrijven, beschriêve, werkwoord, beschrieftj/beschriftj, beschrieëf/beschreef,, beschrijven, dagdromen
beschuit, beschuût, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beschuûte, beschuûtje, beschuit
beseibelen, bezeîbele, werkwoord, ompraten
beslaan, beslaon, werkwoord, besleutj/besluuëtj/beslitj/beslieëtj, besloog, beslage, beslaan
beslag, beslaag, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beroerte, beslag (deur, paard), deeg
besluit, besloêt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, besloête, besluit
besluiten, besloête, werkwoord, beslutj/besloêtj, besloeët/besloot, besloeëte/beslote, besluiten
besnieten, besneête, werkwoord, ontgelden
beste, beeste, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) beste
beste kamer, beeste kamer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts, Ospels) huiskamer
besteden, besteeje, bestieëje, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); besteden
besteken, bestaeke, werkwoord, bestiktj/bestuktj, bestoeëk/bestook, bestoeëke/bestoke, besteken
bestelen, bestaele, werkwoord, bestaeltj, bestoeël/bestool/bestaal, bestoeële/bestole, bestelen
bestrijden, bestri-jje, werkwoord, bestrietj/bestritj, bestrieëj/bestreej, bestrieëje/bestreeje, bestrijden
bestuiten, bestoête, bestuûte, werkwoord, bestoêtj/bestuûtj, bestoêtdje/bestuûtdje, bestoêtj/bestuûtj, ophemelen, prijzen
bestuur, besteur, zelfstandig naamwoord, onzijdig, besteure, bestuur
betamen, betuuëme, werkwoord, betamen
beter, baeter, bijwoord, beter, genezen
beteren, baetere, werkwoord, beter worden, beterende hand, aan de
beterkoop, baeterkoup, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, goedkoper
Betje bijdehand, Betje behêj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bijdehandje
betoepen, betoepe, werkwoord, betoeptj, betoepdje, betoeptj, bedriegen
beton, betón, betóng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beton
betrekken, betrékke, werkwoord, betréktj, betrok, betrokke, bewolkt worden
betten, bejje, werkwoord, betten
beugelen, beugele, buuëgele, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beugelen
beuk, beûk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beûke, beûkske, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) beuk
beuk, buuëk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buuëke, buuëkske, (Weerts (stadweerts)) beuk (boom), beuk (kerk)
beuken, boke, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) beuken
beuker, bäöker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bäökers, bäökerke, huilebalk, schreeuwer
beukhamer, bookhamer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bookhamers, bookhaemerke, houten hamer
beulen, beule, buuële, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); blaffen
beun, buun, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buunke, toneel
beun, bäön, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kippenzitstok
beunes, bäönes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lobbes
beuren, beure, werkwoord, goedvinden, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) geld ontvangen, incasseren
beuren, buuëre, werkwoord, (Weerts (stadweerts)) ontvangen van geld , incasseren
beurs, beurs, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beurze, beurske, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) beurs
beurs, buuërs, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buuërze, buuërske, (Weerts (stadweerts)) beurs
beurt, buuërt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buuërte, buuërtje, beurt
bewaarschool, bewaarschool, bewaarschoeël, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bewaarscho(eë)le, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kleuterschool
bewegen, bewege, bewieëge, werkwoord, beweegtj/bewieëgtj, bewoog/bewoeëg, bewoge/bewoeëge, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bewegen
bewijs, bewiês, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bewiêze, bewijs
bewijzen, bewiêze, werkwoord, bewiesj/bewisj, bewieës/bewees, bewieëze/beweze, bewijzen
bezeikdigheid, bezeikdjigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, verwaandheid
bezeiken, bezeike, werkwoord, bezeiktj, bezeikdje, bezeiktj, bedriegen, oplichten, voor de gek houden
bezem, beêsem, bieësem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beêsems/bieësems, beêsemke/bieësemke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bezem
bezembinder, beêsembînger, bieësemebînger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beêsembîngers/bieësemebîngers, tweede vorm Weerts (stadweerts); bezembinder
bezemhei, beêsemhej, bieësemhej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); struikheide
bezemsteel, beêsemsteel, bieësemstieël, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beêsemesteel/bieësemstieële, beêsemesteelke/bieësemstieëlke, tweede vorm Weerts (stadweerts); bezemsteel
bezetsel, bezétsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pleisterwerk
bezetten, bezétte, werkwoord, bezétj, bezat, bezatte, stucadoren
bezien, bezeen, werkwoord, bezuût, bezoog, bezeen, bezien
bezig, bezig, bieëzig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bezig
bezijden, bezeeje, bezi-jje, bijwoord, langs
bezijden, bezeeje, bezi-jje, bijwoord, voorzetsel, naast
bezijden, bezeeje, bezi-jje, voorzetsel, bezijden
bezoek, bezeuk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bezoek
bezorgd, bezörgdj, bijvoeglijk naamwoord, bezörgdjer, bezörgst, bezorgd
bezwaai, bezweî-j, bezwêj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; drukte, bezwaarlijke
bezwaar, bezwaor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bezwaore, bezwaar
bezwademd, bezwaamdj, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) beslagen (ruiten)
bezweet, bezwétj, bijvoeglijk naamwoord, bezwétdjer, bezwétjst, bezweet
bibberen, bubbere, werkwoord, trillen
bidden, baeje, werkwoord, bidden
bidmensen, baejminse, (meervoud) bidzielen
bido, biedoo', zelfstandig naamwoord, mannelijk, blootje
bidprentje, baejprêntje, baejprêntjes, (verkleinwoord) bidprentje
biechten, beechte, werkwoord, zich -, biechten
biechtstoel, beechtstool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beechtsteul, biechtstoel
bieden, beeje, werkwoord, butj/beutj, boeëj/booj, geboeëje/gebooje, bieden
bier, beer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bere, bier
bierbuik, beerboêk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beerbuûk, beerbuûkske, bierbuik
bierpap, beerpap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beerpepke, bierpap
bierpens, beerpêns, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beerpênse, bierbuik
biertand, beertândj, beertând, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); biertand (op stap gaan)
bierzuip, beerzoêp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bierpap
bieskont, biskoont, biskôntj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, biskoonte/biskôntje, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)tweede vorm Nederweerts, Ospels; meisje, uithuizig
Biest, Beest, eigennaam, Biest
biest, beest, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mannelijk, biest (eerste melk)
Biesterbrug, Beesterbrök, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, Biesterbrug
biestmelk, beestemêlk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, biestmelk
bietsen, bietse, werkwoord, bietsj, bietszje, gebietsj, stelen, wegnemen
bietser, bietser, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bietsers, bietserke, dief, klaploper, schooier
biezen, beêze, bijvoeglijk naamwoord, biezen
biezen, bizze, werkwoord, rennen van koeien
biezenbosje, beêzeböske, beêzeböskes, (verkleinwoord) biezenbosje
biezenmatje, bissemètje, bissemètjes, (verkleinwoord) biezen mat
biezer, bisser, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bissers, meisje, uithuizig
biggelen, biggele, werkwoord, bikkelen
bij, bi-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bi-jje, bi-jke, bij (insect)
bij, bî-j, voorzetsel, (Nederweerts, Ospels) bij
bij, beej, bijwoord, voorzetsel, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) bij
bij, bi-j, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bi-jje, (Nederweerts, Ospels) bijenvolk
bij geleg, beej gelaeg, bî-j gelaeg, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gelegenheid, bij
bij tijden, beej ti-jje, bî-j ti-jje, bijwoord, soms
bijbaaien, bî-jbaaje, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) aangeven, bedriegen, betrappen, verlinken
bijbel, biêbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, biêbels, bijbel
bijbelen, biêbele, werkwoord, in boeken neuzen
bijblijven, bî-jbliêve, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) bijblijven
bijeen, beejeîn, bî-jeîn, bijwoord, bij elkaar, samen
bijeen pakken, bî-jein pakke, beejein pakke, werkwoord, paktj, pakdje bî-jeîn/beejeîn, bî-jeîngepaktj/beejeîngepaktj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); zich -, opstappen
bijeenzotelen, bi-jeînzotele, werkwoord, (Ospels) schrapen, bij elkaar
bijeneter, bi-jjenaeter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bi-jjenaeters, (Ospels) bijeneter (vogel)
bijenhal, bi-jjehal, bi-jhal, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bi-j(je)halle, (Nederweerts, Ospels) bijenschuurtje
bijenkaar, bi-jjekaar, bi-jkaar, biekaar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bijenkorf; biekaar bijenkorf
bijenkast, bi-jjekast, bi-jkast, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bi-jjekest, bijenkast
bijenkogel, bi-jkogel, bi-jkoeëgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bi-jkogels/bi-jkuuëgel, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); imkerskap
bijenkorf, bi-jjekôrf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bi-jjekôrve/bi-jjekörf, bijenkorf
bijgeloof, beejgelouf, bî-jgelouf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; bijgeloof
bijgelovig, beejgeluîvig, bî-jgeluîvig, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; bijgelovig
bijkans, bekans, mekans, bijwoord, bijna
bijkantig, bekântig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Ospels) jaloers
bijkeuken, beejkeuke, bî-jkeuke, beejkuuëke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beejkeukes/beejkuuëkes/bî-jkeukes, beejkeukske/beejkuuëkske/bî-jkeukske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; bijkeuken
bijkomen, beejkome, beejkaome, bî-jkome, werkwoord, keumtj bee/bî-j, kwoeëm/kwoom/kwaam bee/bî-j, beejgekaome/bî-jgekome, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); aankomen (gewicht), bijkomen (bij kennis)
bijl, biêl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, biêle, bielke, bijl
bijmees, bi-jmöske, bi-jmöskes, (verkleinwoord) koolmees
bijna, benao, biênao, bi-jnao, bijwoord, bijna
bijnaam, bî-jnaam, beejnaam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bî-jname, beejname, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bijnaam
bijs, bees, bies, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, beze/bieze, beeske/bieske, bui
bijsachtig, biesechtig, biesejchtig, bijvoeglijk naamwoord, (eerste vorm) buiïg; (tweede vorm, Ospels), buiîg
bijten, biete, biête, werkwoord, bitj, beet/bieët, gebete/gebieëte, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bijten
bijtertjes, biêterkes, (verkleinwoord) tandjes (kinderen)
bijtijds, betieds, bijwoord, op tijd, tijdig
bijvoorbeeld, beveurbieëldj, bevuuërbieëldj, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bijvoorbeeld
bijwijlen, bi-jwiêle, bi-jwiel, bijwoord, van tijd tot tijd
bijzen, bieze, werkwoord, biesj, bieszje, gebiesj, regenen (met buien); biese (Ospels) motregenen
bijzonder, bezûndjer, bezûnjer, bijvoeglijk naamwoord, bijzonder
bikken, bikke, werkwoord, biktj, bikdje, gebiktj, bikken (van stenen), eten
bikkesement, bikkesemênte, (meervoud) eten
bil, bîl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bille, bilke, bil
biljart, biljaar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, biljaars, biljart
biljarten, biljare, werkwoord, biljarten
bindel, bîngel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bîngels, bîngelke, kousenband
binden, bînge, werkwoord, bingtj, bóng, geboonge, binden
binnenrode, binneruuëtje, binneruuëtjes, sterappel
bis, bis, voorzetsel, tot
bisschop, busschop, buskop, busjkop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, busköp/busschöp/busschoppe/busjköp, derde vorm Ospels; bisschop
bit, beêt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beête, beêtje, bit
blaar, blaor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, blaore, bläörke, blaar
blaas, blaos, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, blaoze, bläöske, blaas
blaasbalg, blaosbâlk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blaosbêlk, blaosbêlkske, blaasbalg
blaaspijp, blaospiêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, blaospiêpe, blaospiêpke, blaasbalg
blad, blaad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blaar, blaedje, blad, pagina
bladeren, blare, werkwoord, bladeren
blak, blaak, bijvoeglijk naamwoord, onder water
blak, blaâk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blaâke, peelven
blaken, blaoke, werkwoord, blaoktj, blaokdje, geblaoktj, walmen
blaker, blaoker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blaokers, kandelaar, petroleumlamp
blakeren, blaokere, werkwoord, walmen
blamage, blamaasj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, schande
blanketten, blankette, werkwoord, poederen (gezicht)
blas, blas, bijvoeglijk naamwoord, bleek
blauw, blaw, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blauw
blauwe, blawwe, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blaw, politieagent
blauwe maandag, blawwe maondjig, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blauwe maandag
blauwe pieper, blawwe pieper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blaw piepers, heggenmus
blauwe steen, blawwe steîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blaw stein, blaw steinke, arduin, Naamse steen
blauwmakertje, blawmaekerke, (verkleinwoord) blauwverver
blauwmees, blawmieës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, blawmieëze, blawmieëske, pimpelmees
blauwmees, blawmeeske, (verkleinwoord) (Ospels) pimpelmees
blauwmus, blawmöske, blawmöskes, (verkleinwoord) heggenmus
blauwsel, blawsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blauwsel, zakje
blauwspecht, blawspechtje, blawspechtjes, (verkleinwoord) boomklever
blauwstaart, blawstèrt, blawstèrtjes, (verkleinwoord) (Ospels) blauwstaart
blauwverver, blawvêrverke, blawvêrverkes, (verkleinwoord) heggenmus
blazen, blaoze, werkwoord, bleusj, bloos, geblaoze, blazen
blazer, blaozer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blaozers, bläözerke, blazer
bleek, bleîk, bijvoeglijk naamwoord, bleek
bleek, bleîk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bleîke, bleîkske, bleekveld
bleek, bleek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bleke, bleekske, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) bleekveld
bleekschijter, bleîkschiêter, bleîkschiêtert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bleîkschiêters, bleîkschiêterke, bleekneus
blees, blieësdere, (meervoud) (Ospels)haverkaf
blèren, blaere, werkwoord, blaten, jengelen (van kinderen)
bles, bles, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blesse, bleske, haarlok
bleshoen, bleshoon, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bleshoonder, meerkoet
blij, bli-j, bijvoeglijk naamwoord, blij
blijdschap, bliedschap, bli-jdschap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tweede vorm Nederweerts, Ospels; blijdschap
blijk, bliêk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bliêke, blijk
blijken, bliêke, werkwoord, bliêktj, blieëk, geblieëke, blijken
blijven, bliêve, werkwoord, blieftj/bliftj, blieëf, geblieëve, blijven
blikje, bleek, blik, blék, blieëk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bleke/blikke/blékke, bleekske/blikske/blékske, eerste vorm (Nederweerts, Ospels) stofblik, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) blik(metaal); tweede vorm (Nederweerts) stofblik; derde vorm (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) stofblik; vierde vorm
blikje, blikske, blikskes, (verkleinwoord) blikje
blikslager, bliksleêger, blieëkslieëger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bliksleêgers/blieëkslieëgers, bliksleêgerke/blieëkslieëgerke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); blikslager
blind, blîndj, bijvoeglijk naamwoord, blind
blinde, blîndje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blîndje, blinde
blinde, blîndje, (meervoud) luiken (venster)
blindedarm, blîndjedêrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blindedarm
blindemannetje, blîndjemenke, (verkleinwoord) blindemannetje (kinderspel)
blinders, blinders, bijwoord, erg
blinken, blînke, werkwoord, blînktj, bloonk, gebloonke, blinken
blinkerd, blînkert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blînkers, opschepper
blinkerd, blînkert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blînker(t)s, blînkerke, (Nederweerts, Ospels) voorn
bloed, blood, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bloed
bloedbloem, bloodbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bloodblome, bloodbleumke, passiebloem
bloeden, blooje, werkwoord, bloeden
bloeding, bloojing, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bloojinge, bloojingske, bloeding
bloedje, bleûtje, bleûtjes, (verkleinwoord) meisje, zielig
bloedluis, bloodloês, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bloodluus/bloodloêze, bloodluuske, (Nederweerts, Ospels) bloedluis
bloedvink, bloodvînk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, bloodvînke, bloodvînkske, goudvink
bloedworst, bloodworst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bloodworste, bloodwörs(t)je, (Weerts (stadweerts)) bloedworst
bloedzuiger, bloodzuûger, bloodzuûker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bloodzuûgers/bloodzuûkers, bloodzuûgerke/bloodzuûkerke, bloedzuiger
bloeien, blujje, werkwoord, bloeien, groen uitslaan van koper
bloeiende takken, blujjende takke, (meervoud) aambeien
bloem, bloom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meel
bloem, bloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, blome, bleumke, bloem
bloemenstruis, blomestroês, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blomestruus, blomestruuske,, (Nederweerts) ruiker
bloemkool, bloomkoeël, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bloomkuuël, bloomkuuëlke, bloemkool
bloemputter, bloompötter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bloompötters, bloompötterke, distelvink, putter (grote)
blok, blok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, blök/blokke, blökske, blok
blokmes, blokmes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blokmesse, klompenmes
blond, blôndj, bloond, bijvoeglijk naamwoord, blóndjer/blónder, blônjst/blônsj/blóndst, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); blond
bloodje, bluuëtje, bluuëtjes, (verkleinwoord) persoon, verlegen
bloot, bloeët, bijvoeglijk naamwoord, bloot
blootheid, bloeëte persieële, (meervoud) naaktheid
blootje, bluuëtje, bloeëte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, blootje, nakie, in ziene -, naakt
blootkiek, bloeëtkek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bloeëtkekke, bloeëtkekske, nestvogel, pasgeboren
blozen, bloze, bloeëze, werkwoord, bloosj/bloeësj, blooszje/bloeëszje, gebloosj/gebloeësj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); blozen
bluts, bluts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, blutse, blutske, buil, bult, kneuzing, mens, goedig
bochel, poekel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poekele/pókkele/pókkels, poekelke/pukkelke, bochel, bult, puist/pókkel bult
bocheljan, poekelejân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, scheldnaam (gebochelde)
bocht, bócht, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bóchte, kromming in weg
bocht, bócht, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rommel, volk van minder allooi
bode, booj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, booje, (Nederweerts, Ospels) bode, politie-agent
bode, boeëj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boeëje, (Weerts (stadweerts)) politie-agent
bodem, boeëjem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boeëjems/boojems/beum/buuëm, buuëjemke/boojemke/beumke/buuëmke, achterwerk; boojem (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) bodem; boôm, boeëm eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); achterwerk, bodem, zitvlak van broek
bodempje, buuëmke, beumpke, buuëmkes/beumpkes, (verkleinwoord) tweede vorm Nederweerts, Ospels; schilmandje
boek, book, zelfstandig naamwoord, onzijdig, beuk, bukske, boek
boeket, Boôketj, eigennaam, (Nederweerts, Ospels) Boeket
boekvink, bókvînk, bookvînk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bókvînke/bookvînke, bókvînkske/bookvînkske, tweede vorm Ospels; boekvink
boekweit, bógkentj, bógket, bógkes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boekweit
boekweitmeel, bógkesmael, zelfstandig naamwoord, onzijdig, boekweitmeel
boekweitwinde, bógkeswindj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) akkerwinde
boekwerk, bookwêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bookwêrke, bookwêrkske, boekwerk
boeman, bäö, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bäös, boeman
boer, boor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bore, beurke, boer
boerderij, boorderi-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boorderi-jje, boorderi-jke/boorderieke, boerderij
boeren, bore, werkwoord, boerenbedrijf uitoefenen, boeren (oprisping)
boerenhengst, borenhingst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, man, lompe
boerenkal, borekâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, praat, lompe
boerenmoes, boremoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, boremeuske, boerenkool
boezeroen, bazzeroen, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bazzeroene, boezeroen
boffen, bóffe, werkwoord, bóftj, bófdje, gebóftj, boffen
bofje, böfke, böfkes, (verkleinwoord) boterham in stukjes
bofkont, bófkôntj, bófkoont, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bófkôntje/bófkoonte, bófkûntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); boffer
bok, bók, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bök/buk, bukske, bok
bokken, bókke, werkwoord, bukken, koppig zijn
bokkenpruik, bókkeproêk, bókkepruûk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bókkepruûke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bokkenpruik
bokkenrijder, bókkeri-jjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bókkeri-jjers, bokkenrijder
bokking, bökkem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bökkeme/bökkems, bökkemke, bokking
bokrijden, bókri-jje, werkwoord, bokrijden (pestspelletje)
boks, bóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bókse, bukske, boomstronk, broek
boks uittrekken, bóks oettrekke, werkwoord, ‘n -, macht onttrekken
boksbodem, bókseboeëm, bókseboôm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bóksebuuëm/bóksebeum, bóksebuuëmke/bóksebeumke, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; zitvlak van broek
boksen, bókse, werkwoord, bóksj, bókszje, gebóksj, boksen
boksman, bóksemân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bóksemen, bóksemenke, broekje, jong , jongen, kleine
bokspijp, bóksepiêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bóksepiêpe, broekspijp
bokspringen, bóksprînge, werkwoord, haasje over spelen
boksschijter, bókseschiêter, bókseschiêtert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bókseschiêters, bókseschiêterke, bangerik
bokstaan, bókstaon, werkwoord, bok staan bij haasje over
bokstas, bóksetès, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bóksetesse, bókseteske, broekzak
bol, boôl, bijvoeglijk naamwoord, holklinkend
bol, bôl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, böl, bölke, bol, hoofd
bolderen, beuldere, werkwoord, (Nederweerts) lopen, vlug
bolderkar, bolderkèr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bolderkerre, bolderkerke, bolderwagen
bolderwagen, bolderwage, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bolderwages, bolderwagentje, bolderwagen
bolle spade, boôlespaaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boôlespaaje, boôlespaejke, turfsschop
bolle turf, boôlentörf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, turfsoort
bolles, bölles, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bölleske, hoofd, studiehoofd
bolstuit, bôlstuut, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, achterwerk, kaal (kip)
bom, bóm, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bómme, bumke, bom
bombazijn, bommezien, bijvoeglijk naamwoord, bommeziêne, bombazijn
bomen, beume, werkwoord, (Nederweerts) slaan, er op los
bon, bón, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bónne, bunke, bon
bond, bôndj, boond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bôndje/boonde, eerste vorm Nederweerts, Ospels, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bond
bonenkruid, boeënekroêd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, boeënekruudje, bonenkruid
bonenstaak, boeënestaak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boeënestaek, boeënestaekske, bonenstaak; meisje, lang en mager
bonk, bônk, boonk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); grote hoeveelheid, zeer veel, aardkluit, paard
bonk van kaarten, bûnk van kaart, (meervoud) kaarten, goede
bonkschop, bônkschöp, boonkschöp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bônkschöppe/boonkschöppe, boonkschöpke, eerste vorm Nederweerts, Ospels, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); peelschop
bonnefooi, bónnefoeëj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bonnefooi
bont, bôntj, boont, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bont
bonte piet, bôntje piet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bôntje piete, (Ospels) scholekster
bonte specht, bôntje specht, bôntje spêjcht, boonte specht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bôntje spechte/bôntje spêjchte/boonte spechte, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bonte specht
bonte vliegenvanger, bôntje vlegevênger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bôntje vlegevêngers, (Ospels) bonte vliegenvanger
boodschap, boeëdschap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boeëdschappe, boodschap
boodschappen doen, boeëdschappe doon, werkwoord, inkopen doen
boog, boôg, boeëg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boôge/buuëg/boeëge, beugske/buuëgske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); boog
boogschutter, boogschötter, boeëgschötter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boogschötters/boeëgschötters, boogschötterke/boeëgschötterke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); boogschutter
boom, boum, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buim, buimke, boom
boom, boum, zelfstandig naamwoord, mannelijk, uitdrukking bij kaartspel
boomboks, boumbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boûmbókse, boomstronk
boomgaard, bóngerd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bóngerte, boomgaard
boomharst, boumherst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boumherste, appelschijven, gebakken
boomlopertje, boumluiperke, boûmluiperkes, (verkleinwoord) boomkruiper (vogel)
boomspek, boumspek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, appelschijven, gebakken
boon, boeën, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boeëne, buuënke, boon
boor, boor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bore/boeëre, beurke/buuërke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) boor/ boeër (Weerts (stadweerts)) boor
boorbank, boeërbânk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boeërbênk, (Weerts (stadweerts)) klompenmakersbank
boord, boord, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beurd/boorde/boeërde, beurdje/boordje/buuërdje, (Nederweerts, Ospels, Weerts (stadsweerts)) boord, border, rand
boot, boeët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buuëj/boeëte, buuëtje, boot
bopspelen, bopspeule, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) haringspel
borduren, bordeure, werkwoord, borduren
borg, börg, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, borg
borstel, börstel, beûrstel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, börstels/beûrstels, börstelke/beûrstelke, tweede vorm Nederweerts, Ospels; borstel
borsteling, börsteling, zelfstandig naamwoord, mannelijk, börstelinge, rotzak
borstsuiker, borssókker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kandijsuiker, kristalsuiker, bruine
bos, boês, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boêse, buuske, schoof
bosduif, bosdoef, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bosdoêve, bosduufke, bosduif
Boshoven, Bosseve, eigennaam, Boshoven
Boshoverbeek, Bosseverbeek, Bosseverbieëk, eigennaam, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); Boshoverbeek
Boshoverhei, Bosseverhej, eigennaam, Boshoverheide
bosuil, bos-uul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bos-uûle, bos-uulke, bosuil
boter, boeëter, boter, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; boter
boterbloem, boterbloom, boeëterbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boterblome/boeëterblome, boterbleumke/boeëterbleumke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); boterbloem
boterboks, boeëterbóks, boterbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boeëterbókse/boterbókse, boeëterbukske/boterbukske, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; broekbodem, afhangende
boterham, boterham, boeëterham, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boterhamme/boeëterhamme, boterhemke/boeëterhemke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); boterham
boterkuip, boterkuûp, boeëterkuûp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boterkuûpe/boeëterkuûpe, boterkuûpke/boeëterkuûpke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); boterton
botermand, botermang, boeëtermang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, botermânge/boeëtermânge, botermendje/boeëtermendje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); botermand
botermelk, botermêlk, boeëtermêlk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels); tweede vorm Weerts (stadweerts); karnemelk
botermelkse kaas, botermêlkse kieës, boeëtermêlkse kieës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels); tweede vorm Weerts (stadweerts); kwark
boterpot, boterpot, boeëterpot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boterpöt/boeëterpöt, boterpötje/boeëterpötje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); botervlootje
boterstang, boeëterstang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boeëterstânge/boterstânge, (Weerts (stadweerts)) karnstok; boterstang (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) karn
boterstoten, boeëterstoeëte, boterstoeëte, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; karnen
botsen, bótse, werkwoord, bótsj, bótszje, gebótsj, botsen, ruzie maken, stuiten
botsenspring, bótsesprînk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) hinkelbaan
bottine, petinne, (meervoud) (
bougeren, boezjeêre, boezjieëre, werkwoord, boezjeertj, boezjeerdje, geboezjeerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); reageren
bouillon, boeljon, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bouillon
bout, bout, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boute, poep, politieagent
bouten, boute, werkwoord, boutj, boutdje, geboutj, poepen
boutique, petiek’, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Frans) rotzooi
boutkeet, boutkiet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boutkiete, boutkietje, plee, WC
bouwen, bawwe, bouwe, werkwoord, bouwen
boven, boeëve, bove, voorzetsel, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; boven
boven zetten, bove zètte, werkwoord, (Nederweerts) gevangen zetten
bovenlip, bovelup, boeëvelup, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bovelupke/boeëvelupke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bovenlip
bovenste, beuvelste, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) bovenste
bovenste, boeëveste, boveste, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, manlijk/onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; bovenste
bovenste beste, boeëveste béste, boveste béste, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; allerbeste
braad, braoj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, braoje, vrouw, dikke
braad, braoje, (meervoud) (Nederweerts, Ospels) kuiten
braadpan, braodpan, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, braodpanne, braodpenke, braadpan
braadworst, braodwoorst, braodworst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, braodwoorste/braodworste, braodweursje/braodwörs(t)je, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); braadworst
braaf, braaf, bijvoeglijk naamwoord, braaf
braaf, braaf, bijwoord, erg, tamelijk
braak, braok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, braoke, braakliggend land
braam, braom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bräöm/braome, bräömke, braam (metaal)
braam, brieëm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brieëme, braamstruik, -tak
braam, braom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, braome, bräömke, braambes
braambes, braombeêr, braombieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, braombeêre/braombieëre/brómbieëre, braombeêrke/braombieërke/brómbieërke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); braambes; brómbieër(Weerts (stadweerts)) braambes
braden, braoje, werkwoord, breutj, brooj, gebraoje, braden
brakel, bräögel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bräögele, bräögelke, (Ospels) wervel (aan deur/luik)
brallen, brelle, werkwoord, boter, kaas en eieren (spel)
bralstaart, brêlstèrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brêlstèrte, brêlstèrtje, meisje, beweegijk , meisje, opschepperig
bram, bram, bijvoeglijk naamwoord, gek
bramel, bräömel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bräömele, vrouw, klagende
bramel, braomel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, braomele/braomelte, (Nederweerts, Ospels) braambes
bramelen, bräömele, werkwoord, klagen
bramenbijter, braomebiêter, braomelebiêter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, braome(le)biêters, braome(le)biêterke, tuinfluiter
bramenmeeuw, braomelemieëwes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, insekt (op braambessen)
bramenteut, brieëmetäöt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brieëmetäöte, brieëmetäötje, (Nederweerts, Ospels) braamsluiper (vogel)
brand, brândj, brând, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brând(j)e, brêndje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); brand
branden, börre, werkwoord, branden
branderig, brenjerig, bijvoeglijk naamwoord, branderig, koortsig, stoelgang, slechte
brandig, brenjig, bijvoeglijk naamwoord, branderig, koortsig, stoelgang, slechte
brandnetel, brândjnetel, brândnetel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brând(j)netele, brând(j)netelke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); brandnetel
brasem, braosem, brieësem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, braoseme/brieëseme, bräösemke/brieësemke, tweede vorm Weerts (stadweerts); brasem
brasmouw, brasmow, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brasmowwe, brasmoeke/brasmowke, morsmouw
brassen, brasse, werkwoord, brasj, braszje, gebrasj, morsen, knoeien
brauw, braoje, brawwe, (meervoud) tweede vorm Nederweerts, Ospels; wenkbrauwen
brazelaar, brazelaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brazelaere, beuzelaar
brazelen, brazele, werkwoord, brabbelen, praten, onzinnig, wauwelen
bred, breêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, breêter, breetje, plank
breed, breîd, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, brejjer, brejste/breîdste, breed
breedte, brédje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brédjes, breedte
breekboon, braekbuuënkes, (verkleinwoord, meervoud) sperciebonen
breekspeel, braekspeul, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) spelbreker
breien, brejje, werkwoord, breien
breinaald, brejnaoldj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brejnaoldje, brejnäöldje, breinaald
breken, braeke, werkwoord, briktj, broeëk/brook, gebroeëke/gebroke, breken, uitstrooien (hooi/stalmest)
brem, bräöm, brum, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Ospels; brem
brengen, brînge, werkwoord, bringtj, brach(t), gebrachtj, brengen
bretel, bredelle, perdèl, pertelle, perdelke, (meervoud) eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bretels; perdèl (Nederweerts, Ospels) bretel
breuken, bruîke, werkwoord, bruîktj, bruîkdje, gebruîktj, buigen, met geweld, forceren, wrikken
breukerd, bruîkert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bruîkers, persoon, hooghartig
brief, breef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, breve, breefke, brief
briefdrager, breefdreêger, breefdrieëger, brevedrieëger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, breefdreêgers/breefdrieëger/brevedrieëger, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); postbode; brevedrieëger Weerts (stadweerts)) postbode
brievenbus, brevebös, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brevebösse, brievenbus
brievenkopje, breveköpke, breveköpkes, (verkleinwoord) (Nederweerts) postzegel
brik, brik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brikke, brikske, baksteen
brioche, briejosj, brios, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, briejosse/briosse, briejöske/briöske, brioche
brits, brits, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, britse, britske, plank
britsel, britsel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, britsele, britselke, (Nederweerts) plank
britsen, britse, werkwoord, britsj, britszje, gebritsj, billenkoek geven
brobbel, bróbbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bróbbel, brubbelke, puist(je)
brobbelwammes, bróbbelwames, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bróbbelwamese, mopperaar
broche, brosj, bros, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brosse, bröske, tweede vorm Nederweerts; sierspeld
broddelwerk, bróddelwêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bróddelwêrke, bróddelwêrkske, knoeiwerk
broed, breuj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, breuje, broedkip
broeden, breuje, werkwoord, broeden
broeder, broeder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, broeders, broederke, kloosterbroeder
broek, brook, zelfstandig naamwoord, onzijdig, moerasland
broekhamer, brookhamer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brookhamers, brookhaemerke, soort hamer
broer, broor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, breurs, breurke, broer
brok, brok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brokke/brókke, brökske, stuk; vrouw, slordige ; brók broedkip, vrouw, norse
brokkelen, brokkele, (meervoud) broodbrokken
brokkelmelk, brokkelemêlk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, melk met witbrood/suiker
brokkelpap, brokkelpap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brokkelpepke, botermelk met zwartbrood
brokken, brókke, werkwoord, mokken
brombeer, brómbaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brómbaere, brómbaerke, mopperaar
brommen, brómme, werkwoord, brommen
bronk, broonk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, broonke, persoon die mokt
bronken, brônke, broonke, werkwoord, brônktj/broonktj, brônkdjebroonkdje, gebrônktj/gebroonktj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mokken
bronstig, breustig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bronstig
brood, broeëd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, politie (als scheldnaam)
brood, broeëd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bruuëj, bruuëdje, brood
broodje, bruuëdje, bruuëdjes, (verkleinwoord) broodje
broodklabatter, broeëdklabatter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, broeëdklabatters, schooier
broodmug, broeëdmök, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, broeëdmögke, broeëdmökske, kereltje, mager , secretaris, schrijvertje (waterinsect)
broodnodig, broeëdnoeëdig, bijvoeglijk naamwoord, broodnodig
broodwormpje, broeëdwörmke, broeëdwörmkes, (verkleinwoord) (Nederweerts) schrijvertje
brug, brök, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, brögke, brökske, brug
bruid, broêd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, broêde, bruûdje, bruid
bruidegom, broêdegom, bruûgem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Nederweerts, Ospels; bruidegom
bruidje, bruûdje, bruûdjes, (verkleinwoord) bruidje
bruidsmaagdje, broêdsmaegtje, broêdsmaegtjes, (verkleinwoord) bruidsmeisje
bruiloft, broêleft, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, broêlefte, bruiloft
bruin, broên, bijvoeglijk naamwoord, broene/broen; broener, broenst, bruin
bruin, broên, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bruin (de kleur)
bruine pater, Broene pater, zelfstandig naamwoord, mannelijk, Broen paters, Minderbroeder
bruinkeeltje, broenkaelke, broenkaelkes, (verkleinwoord) (Ospels) paapje
bruinsig, broensig, bijwoord, bruinachtig
bruis, broês, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schuim
bruisen, broêse, werkwoord, broêsj, broêszje, gebroêsj, schuimen
brul, brûl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gek
brul, brûl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, steriele koe
brulle, brulle, werkwoord, huilen, luid
bruls, brûls, bijvoeglijk naamwoord, onvruchtbaar
brussels lof, brussels loûf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, witlof
Budel, Beul, eigennaam, Budel
buf, buf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tenenhout, geschild
buffelen, buffele, werkwoord, schransen
bufketel, bufkieëtel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bufkieëtels, bufkieëtelke, (Weerts (stadweerts)) ketel (koken van tenen)
bui, bui-j, buj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bui-je/buî-je/bujje, bui-jke/bujke/buke, bui
buigen, buîge, werkwoord, buigtj, boeëg/boog, geboeëge/geboge, buigen
buik, boêk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buûk, buûkske, buik
buiker, buûker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buûkers, vismand
buikkramp, boêkkrâmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boêkkrâmpe, boêkkrêmpke(s), buikkramp
buikpijn, boêkpien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buikpijn
buil, buul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buûle, persoon, nietswaardig , rotvent, zak, papieren
builenplakker, buûleplekker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buûleplekkers, buûleplekkerke, rare snuiter
buis, buis, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buîze, buiske, buis (water/gas, e.d.)
buiten, boete, zelfstandig naamwoord, mannelijk, inne -, natuur, in de
buitenij, boeteni-jje, (meervoud) buitengebieden
buitense, boetese, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) vreemde
buitenshuis, boeteshoês, bijwoord, buiten
buitenste, boeteste, bijvoeglijk naamwoord, buitenste
buizen, boeze, werkwoord, boesj, boeszje, geboesj, stormen
buizen, buize, werkwoord, buisj, buiszje, gebuisj, drinken, overmatig
buizerd, boetsaard, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boetsaarde, (Ospels) buizerd
bulderen, bûldere, werkwoord, bulderen
bult, böltj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, böldje, böltje, bult
bunder, boonder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boonders, bunder
bup, böp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, böpke, (Nederweerts) boterham (kindertaal)
burgemeester, börgemeister, zelfstandig naamwoord, mannelijk, börgemeisters, burgemeester
burgemeesterse, börgemeisterse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, burgemeestersvrouw
burger, börger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, börgers, burger; burgemeester
bus, bös, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bösse, böske, autobus, karlager, voorraadbus
busje, böske, böskes, (verkleinwoord) busje, (Nederweerts) klappertje, slaghoedje
buslopen, bösloupe, werkwoord, buslopen (kinderspel)
busschieten, bösscheête, werkwoord, kamerschieten
bussel, bössel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bössels, bösselke, bos (bv. bloemen/gras), bundel
busselen, bössele, werkwoord, bezig zijn, dragen, met moeite , sjouwen
but, but, zelfstandig naamwoord, mannelijk, butte, man, norse
buten, bude, werkwoord, knikkeren
butoor, butoor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, roerdomp
buurten, buurte, werkwoord, buurtj, buurtdje, gebuurdj, buurten, keuvelen, praatje maken
buut, buut, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bude, knikker, glazen , voordracht vanuit een ton
buutreedner, buuttereedner, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buuttereedners, tonprater
caban, kabban, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kabbans, kabban-ke, schoudermantel
cachot, kasjot, kesjot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kasjotte/kesjotte, kasjotje/kesjotje, gevangenis
cadans, kedâns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, cadans, ritme
cadee, kedee, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kedees/kadees, kedeetje/kadeetje, hansworst, kwajongen, soldaat; groots, iets; kadee (Nederweerts) jongen, flinke/grote, manspersoon, opmerkelijk
café, kafee, kefee, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kafees/kefees, kafeeke/kefeeke, café
canada, kannedas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kannedasse, populier, Canadese
canaille, kernalie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kernalies, (Frans) helleveeg, vrouw, geraffineerde
canapé, kannepee, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kannepees, sofa, soort
capabel, kepabel, kómpabel, bijvoeglijk naamwoord, (des)kundig
caramel, kermèl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kermèlle, kermèlke, caramel
carbid, kerbiet, karbiet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tweede vorm Nederweerts, Ospels; carbid
carboleum, kerbelien, zelfstandig naamwoord, mannelijk, carboleum
caroussel, kersjèl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kersjelle, kersjelke, (Nederweerts) draaimolen
carrousel, kerresjel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kerresjelle, kerresjelke, draaimolen
carrouselhengst, kerresjelhingst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kerresjelhingste, sul
carrouselwijf, kerresjelwiêf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kerresjelwiêver, vrouw, ordinaire
cartouche, kertoesj, kartoes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kertoeze, tweede vorm Nederweerts, Ospels; (Frans) patroonhuls
cement, cemênt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, cement
cent, cênt, sênt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, cênte/sênte, cêntje/sêntje, cent
centenvanger, cêntevânger, sêntevênger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, cêntevângers, sêntevêngers/cêntevêngers/sêntevânge, cêntevêngerke/cêntevêngerke/sêntevângerke, cêntevêngerke/sêntevângerke, collectant, gierigaard; cêntevênger, sêntevânger
centimeter, centimaeter, sentimaeter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, centimaeters/sentimaeters, centimaeterke/sentimaeterke, centimeter
chagrijn, sjagrien, sjegrein, schedring’, zelfstandig naamwoord, onzijdig, chagrijn, verdriet, hartzeer
chapeau, ketspeng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ketspenge/sepènge, (Frans) bolhoed, hoge hoed, opvouwbaar; sepèng(Frans) hoge hoed
chemisette, semiezètje, summezètje, semiezètjes/summezètjes, (verkleinwoord) slabbertje; summezètje
chic, sjiek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, chic
chloor, kloeër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, chloor
chocolade, sjeklaat, sjoklaat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sjeklaatje/sjoklaatje, chocolade
cijfer, ciêfer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ciêfers, ciêferke, cijfer
cijferen, ciêfere, werkwoord, cijferen, rekenen
circus, sirk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sirkese, circus
citroen, cetroen, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, cetroêne, cetroentje, citroen
citroentje, cetroentje, cetroentjes, (verkleinwoord) citroenjenever
clown, kloon, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kloons, kleunke, clown
club, klöp, tussenwerpsel, (Nederweerts) op -, naar bed
cognac, kónjak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, konjekske, cognac
coiffeur, kwaffeur, kwaffäör, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwaffeurs/kwaffäörs, kwaffeurke/kwaffäörke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kapper
colbertjasje, kolbaerjeske, kolbaerjeskes, (verkleinwoord) colbert
colère, kolair, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts) (Frans) woede
colèrig, klaerig, kolaerig, kelaerig, klaerig, keleêrig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, derde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); vierde vorm Nederweerts, Ospels; (
college, kleezje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kleezjes, college
commies, kemies, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kemieze, douanebeambte, marechaussee
commies, kommieze, (meervoud) neusvuil
commiezen, kommieze, werkwoord, jongensspel
commode, kommoeët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kommoeëdes/kommoeëte, kommuuëtje, commode
communicant, kemuniekânt, kemuniekântj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kemuniekânte, kemuniekêntje, tweede vorm Nederweerts, Ospels; communicant
communie, kemuûnie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, communie
compagnie, kómpeni-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kómpeni-jje, kómpenieke/kómpeni-jke, gezelschap
compassie, kómpassie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, deernis, medeleven, medelijden
compleet, kómplieët, bijvoeglijk naamwoord, compleet
compliment, kómplemênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kómplemênte, kómplemêntje, compliment
complimenten hebben, kómplemênte hebbe, werkwoord, lastig zijn
concert, kónsaer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, concert; kónzaêr (Nederweerts) concert, toneelvoorstelling
concours, kónkoer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kónkoerse, concours
constant, kónstânt, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, voortdurend
consternatie, kónsternasie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, opschudding
content, kontênt, bijvoeglijk naamwoord, tevreden
contramine, kontramien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, houding , negatieve , oppositie
contrefort, koonterfoer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, contravoering, hielstuk van een schoen
contrevang, kontrevang, zelfstandig naamwoord, mannelijk, windscherm
cornelis, kernieëlke, krenieëlke, kernieëlkes, (verkleinwoord) tweede vorm Nederweerts; sering
corniche, kernies’, kernis’, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kernieze/kernisse, (Frans) gootlijst
cotonnade, kattenaat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Frans) gestreepte katoen
Court Pendu, karpedu, zelfstandig naamwoord, mannelijk, appelsoort
couter, koeter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koeters, (
couvert, koevaêr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koevaêrs, koevaêrke, briefomslag
crapuul, krepuul, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gespuis
cravate, krevat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krevatte, krevètje, stropdas
crimineel, krimmeneel, krimmenieël, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); buitensporig, geweldig
cuisinière, kwizzenjaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwizzenjaers, kwizzenjaerke, (Frans) fornuis
cultivator, kallevater, kullevater, kallewater, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kallevaters/kallewaters, tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde vorm Ospels; cultivator
daaps, daaps, bijvoeglijk naamwoord, gek
daar, dao, bijwoord, daar, ginds
daarbij, daobeej, daobî-j, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; daarbij, en -, bovendien
daarboven, daoboeëve, daoboôve, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; daarboven
daardoen, daodoon, werkwoord, deut dao, dieëj dao, daogedaon, de les lezen
daarginds, daogûns, bijwoord, daarginds
daarheen, daohaer, bijwoord, daarheen, slordig
daarmee, daomej, bijwoord, daarmee
daarna, daonao, bijwoord, daarna
daarom, daorum, bijwoord, daarom
daaropaan, daoroppes, bijwoord, daarnaartoe, in die richting
daaropaan, dao-obbaan, bijwoord, daarnaartoe
daartoe, daotow, bijwoord, daarlangs, (Nederweerts) daardoor
daarvanaf, daovanaaf, bijwoord, daarentegen, daarvandaan
daas, daos, daes, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, daoze/daeze, däöske/daeske, tweede vorm Nederweerts; steekvlieg
dabben, dabbe, werkwoord, krabben, wroeten
dadel, daandjel, daanjel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, daandjele/daanjele, daandjelke/daanjelke, dadel
dadelijk, dalik, bijwoord, dadelijk
dag, daâg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, daag, dag
dak, daak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dake, daekske, dak
dakgard, daakgaerd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, daakgaerde, panlat
dakhaas, daakhaas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, daakhaze, daakhaeske, kater
daklat, daaklat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, daaklatte, panlat
dam, dam, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, damme, dame in damspel, stut
damp, dâmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wasem
dampig, dêmpig, bijvoeglijk naamwoord, kortademig
dampnetel, dâmpnetel, dânnetel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dâmpnetele/dânnetels, dâmpnetelke/dânnetelke, tweede vorm Nederweerts, Ospels; dovenetel
dan, tintj, bijwoord, (Ospels) volgend (jaar/seizoen)
dank, dânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dank
dank u, dânke, tussenwerpsel, dank u wel
danken, dânke, werkwoord, dânktj, dânkdje, bedânktj, bedanken
dankenswaard, dânkeswaerd, bijwoord, dankenswaardig
dans, dâns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dânse, dênske, dans
dansen, dânse, werkwoord, dânsj, dânszje, gedânsj, dansen
darm, dêrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, derm, dermke, darm
das, das, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dasse, deske, das, sjaal
dat, det, voornaamwoord, voegwoord, voorzetsel, dat
daverwaat, daverwaat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, snijkant van zeis
dazelachtig, dazelechtig, dazelejtig, bijvoeglijk naamwoord, tweede vorm Ospels; duizelig
dazelen, dazele, werkwoord, duizelen, lopen, onvast
dazelig, dazelig, bijwoord, duizelig
de andere dag, dângerdaag, bijwoord, een dezer dagen , ooit
de een de ander, deindânger, voornaamwoord, elkaar
de Eind, d'Indj, eigennaam, Nederweert-Eind
de heb, d'n heb, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hebben, ‘t willen
de Ospel, Doospel, eigennaam, (Nederweerts, Ospels) Ospel
debben, debbe, werkwoord, lopen (vlug)
debber, debber, zelfstandig naamwoord, mannelijk, debbers, debberke, persoon, klein
debberen, debbere, werkwoord, lopen (parmantig)
deeg, deîg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deeg
deel, dael, deîl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, daele/deîle, daelke/deîlke, tweede vorm Weerts (stadweerts); deel
deels, daels, deîls, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); deels, gedeeltelijk
deeltje, daelke, delke, daelkes/delkes, (verkleinwoord) peelveldje
deem, deêm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deême/dieëme, deêmke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) koeientepel; dieëm(Weerts (stadweerts)) koeientepel
deemster, deemster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, schemering (late)
deemsteren, deemstere, deêmere, werkwoord, tweede vorm Ospels; schemeren
degisteren, degèstere, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) gisteren
deh, deh, tussenwerpsel, uitroep van verbazing
deh, deh, tussenwerpsel, kijk nou
deh dan, deh dan, tussenwerpsel, vooruit
dek, dek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dekke/dékke, dekske/dékske, bedsteedeur, dekbed, deksel, verdiepingsvloer; luik; dék (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) deksel
dek, dék, dèk, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; vaak
dekbed, dékbéd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dékbédde, dékbedje, dekbed
deken, daeke, zelfstandig naamwoord, mannelijk, daekes, deken (geestelijke)
deken, deêke, dieëke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, deêkes/dieëkes, deêkske/dieëkske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); deken
dekgard, dekgaerd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dekgaerde, bevestigingslat (dakstro)
deksel, dèksel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dèksels/déksels, dèkselke/dékselke, (Nederweerts, Ospels) beddengoed; déksel (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) deksel
dekselen, déksele, werkwoord, mond snoeren, de
del, del, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, delle, delke, slet, sloerie
delen, deîle, werkwoord, (Weerts (stadweerts)) delen
den, den, zelfstandig naamwoord, mannelijk, denne, den-ke, denneboom
den, din, den, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dinne, dinke, deel; dorsvloer
denderen, dêndere, werkwoord, ongedurig trappelen
denken, dînke, werkwoord, dînke, dach(t), gedachtj, denken
dennenknop, denneknóp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, denneknup, denneknupke, dennenappel
dennenpieper, dennepieper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dennepiepers, goudhaantje
depot, diepo, zelfstandig naamwoord, mannelijk, diepoos, depot
derde, dêrdje, telwoord, derde
dertien, dêrtieën, telwoord, dertien
desem, deîsem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, desem
deugd doen, deûn doon, werkwoord, deugd doen
deugen, doûge, werkwoord, deugen
deugniet, duuëgeneet, deugeneet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duuëgenete/deugenete, duuëgeneetje/deugeneetje, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; deugniet
deuk, deûk, duuëk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deûke/duuëke, deûkske/duuëkske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); deuk
deuken, duuëke, werkwoord, duuëktj, duuëkdje, geduuëktj, deuken
deun bij, doonbî-j, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) dichtbij; doonderbî-j (Nederweerts, Ospels) dichterbij
deunder, doonder, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) nader verwant
deur, deûr, duuër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, deûre/duuëre, deûrke/duuërke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); deur
deze, dees, dieës, dieëze, voornaamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede en derde vorm Weerts (stadweerts); deze
deze avond, deznaovendj, dizzenaovendj, bijwoord, vanavond
deze keer, ditskieër, bijwoord, deze keer
deze middag, dezmiddig, dizmiddig, bijwoord, vanmiddag
deze morgen, dezmêrge, dizmêrge, bijwoord, vanmorgen
dezelfde, dezelleje, dezelfdje, voornaamwoord, dezelfde
dich, dich, voornaamwoord, jij
dicht, dócht, bijvoeglijk naamwoord, dichtbij
dichtbij, dóchtbeej, bijwoord, dichtbij
dictionaire, diksjenaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, diksjenaers, diksjenaerke, dictionaire
die, dae, di-j, voornaamwoord, die
die andere dag, di-jângerdaag, bijwoord, een dezer dagen
dief, deef, dief, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deve/dieve, deefke/, tweede vorm Nederweerts; dief
dienen, deêne, werkwoord, deentj, deendje, gedeendj, dienen
dienstig, deenstig, bijvoeglijk naamwoord, nuttig
diep, deep, bijvoeglijk naamwoord, diep
diepte, deepdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, deepdjes, diepte
dier, deer, deêr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, deêre, deerke, (eerste vorm) dier, (tweede vorm) meisje (lief)
dieu, juu, tussenwerpsel, verdorie
dij, di-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, di-jje, di-jke/dieke, dij
dijk, diêk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, diêke, diêkske, dijk
dijn, dien, diene, voornaamwoord, jouw
dik doen, dik doon, werkwoord, deut dik, dieëj/deej dik, dik gedaon, boven je stand leven
dikkoek, dikkook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dikkeuk, koeksoort
diks, déks, bijwoord, vaak
dikte, dikdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dikdjes, dikte
ding, dînk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dinger, dingske, ding, meisje
dings, dings, (meervoud) wat, van alles
dinsdag, deênsdig, deênzig, deêsdig, deêzig, dieënsdig, dieënzig, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deênsdige/deênzige/deêsdige/deêzige/dieënzige, eerst en tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Nederweerts, Ospels; vijfde en zesde vorm Weerts (stadweerts); dinsdag
dinsdags, deênzes, dieënzes, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); dinsdags
direct, drek, bijwoord, direct
dissel, dissel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dissels, (Nederweerts, Ospels) schop met haakse steel
disselboom, disselboum, zelfstandig naamwoord, mannelijk, disselbuim, disselboom
distelvink, distelvînk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, distelvînke, distelvînkske, putter
doddel, dódzel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dódzels, dódzelke, vrouw, goedige , vrouw, suffe
dode, doeëje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doeëj, dode
dode door, doeëje doeër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Weerts (stadweerts)) spoorwegovergang (onbewaakt)
doek, dook, zelfstandig naamwoord, onzijdig, deuk, dukske, doek
doel, doel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doele, schietbaan (boogschieten), vereniging (boogschieten)
doelicht, doeleft, doelift, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bergplaats (stro)
doen, doon, werkwoord, deut, dieëj, gedaon, doen
doende, doondjes, bijwoord, doende
dof, dóf, bijvoeglijk naamwoord, dof
dog, duuk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dog (hond), koppige vent
doghond, duukhôndj, duukhoond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duukhóng/duukhung, duukhhundje/duukhundje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); dog
dol, döl, dûl, bijvoeglijk naamwoord, dol, gek, draaierig; duizelig
dolle Jabeek, dolle Jaobik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, halve gare
dolle koop, dölle koup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spotgoedkoop
dollekoop, döllekoup, dullekoup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; spotgoedkoop
dominee, domenee, zelfstandig naamwoord, mannelijk, domenees, (Ospels) beflijster
dompen, dômpe, doompe, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); misten, verplaatsen (met koevoet)
dompig, dômpig, doompig, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); benauwd, heiïg
donder, dónder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, donder
donderbeestje, dónderbieësje, dónderbieësjes, (verkleinwoord) donderbeestje
donderen, dóndere, werkwoord, donderen
donderpoes, dónderpoeze, (meervoud) kattestaarten
donderschoor, dónderschoor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dónderschore, onweersbui
donderwormpje, dónderwörmke, (verkleinwoord) (Ospels) donderbeestje
donkel, dônkel, doonkel, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); donker
donkelen, dônkele, doonkele, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); donker worden
donker, dônker, doonker, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); donker
donkeren, dônkere, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) donker worden
donkerte, doonkerte, dônkerte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; duisternis
dood, doeëd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dood
doodbidder, doeëdbaejer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doeëdbaejers, doodbidder
doodnaaier, doeëdnejjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doeëdnejjers, maker van doodskleding
doodrijp, doeëdriêp, bijvoeglijk naamwoord, overrijp
doodsbeeldje, doeëdsbieëldje, doeëdsbieëldjes, (verkleinwoord) bidprentje
doodsbloem, doeëdsbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doeëdsblome, doeëdsbleumke, lelie, witte
doodsbrief, doeëdsbreef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doeëdsbreve, doeëdsbreefke, rouwbrief
doodsprentje, doeëdsprêntje, doeëdsprêntjes, (verkleinwoord) bidprentje
doodziek, doeëdzeek, bijvoeglijk naamwoord, doodziek
doof, doûf, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dof, doof, slap (bladeren/planten)
doofpot, doufpot, doûfpot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doufpöt/doûfpöt, doufpötje/doûfpötje, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; doofpot
doofstom, doûfstóm, bijvoeglijk naamwoord, doofstom
dooier, doojer, doeëjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doojers/doeëjers, deujerke/duuëjerke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); eidooier
doopvont, doupvônt, doupvôntj, doupvoont, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); doopvont
door, doeër, door, bijwoord, voorzetsel, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; door
door de dag, doeëredaâg, bijwoord, overdag
door de week, doeëreaek, doôrewaek, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; door de week, op werkdagen
door een bot, door ‘n bot, bijwoord, (Nederweerts) gemiddeld
door het gebot, doeër/door ‘t gebot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gemiddeld
doorbijten, doorbiete, doeërbiête, werkwoord, bitj doeër, beet/bieët doeër, doeërgebete/doeërgebieëte, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); doorbijten
doordoen, doordoon, doeërdoon, werkwoord, deut door/doeër, deej door/dieëj doeër, doorgedaon/doeërgedaon, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); fijnmaken, opschieten, voortmaken
doordraaien, doeërdrejje, doordrejje, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; doordraaien, d'r -, geld opmaken
doordrijver, doordriêver, doeërdriêver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doordriêvers/doeërdriêvers, doordriêverke/doeërdriêverke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); drammer
dooreen, doeëreîn, doôreîn, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; door elkaar
doorhouden, doorhaoje, doeërhaoje, werkwoord, héltj/hiltj/hultj doeër, heel -, doeërgehaoje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); jaarwisseling vieren
doorn, deûre, doôre, doeëre, doeërn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deûr/deur/duuër/duuërn, deûrke/deurke/duuërnke, (eerste en tweede vorm, Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) doorn, eierdooier, (tweede vorm, Nederweerts) doorn, (derde vorm, Weerts (stadweerts)) doorn, eierdooier, (vierde vorm, Weerts (stadweerts)) doorn
doorndraaier, doôrendrejjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doôrendrejjers, (Ospels) grauwe klauwier
doornheg, duuërhék, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, duuërhégke, duuërhégkske, (Weerts (stadweerts)) doornhaag
doornheg, deûrehek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, deûrehegke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) doornenhaag
doorregen, doeërrieëge, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Weerts (stadweerts)) doorregen (spek)
doorslag, doorslaag, doeërslaag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doorsleeg/doeërslieëg, doorsleegske/doeërslieëgske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); vergiet
doortreden, doortraeje, doeërtraeje, werkwoord, treutj door/doeër, trooj door/troeëj doeër, doorgetrooje/doeërgetroeëje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); stevig doorlopen, stevig doorfietsen
doorvaart, doeërvaart, doorvaart, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; oprit over sloot
doos, doeës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doeëze, duuëske, doos, vrouw, suffe
dopen, duîpe, werkwoord, duîptj, duîpdje, geduîptj, dopen
doppen, döp, doppe, (meervoud) ogen
dor, dör, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dor
dorp, dörp, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dörp/dörpe, dörpke, dorp
dorpel, dörpel, dêrpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dörpels/dêrpels, dörpelke/dêrpelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); dorpel, drempel
dorren, dörre, werkwoord, drogen, durven
dorsen, dörse, werkwoord, dörsj, dörszje, gedörsj, dorsen
dorst, doorst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Ospels) dorst
dorstig, deurstig, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) dorstig
dorsvlegel, dörsvlegel, dörsvlieëgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dörsvlegels/dörsvlieëgels, dörsvlegelke/dörsvlieëgelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); dorsvlegel
dorus, doeres, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doerese/doeërese, dwaas; doeëres(Weerts (stadweerts)) dwaas
dove, douve, zelfstandig naamwoord, mannelijk, douf, dove
doven, douve, doûve, werkwoord, douftj, doufdje, gedoufdj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); doven
dovenetel, doufnetel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doufnetels, dovenetel
dozijn, dezien’, dozien, zelfstandig naamwoord, onzijdig, deziêne/doziêne, dozijn
draad, draod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dräöj, dräödje, draad
draai, drêj, dreî-j, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drêjje/dreî-je, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); draai, bocht in weg
draaibank, drejbânk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, drejbênk, drejbênkske, draaibank
draaien, drejje, werkwoord, draaien
draaiwind, drejwîndj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drejwîndje, wervelwind
drabbe, drabbes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, droesem, modder
dragen, drage, werkwoord, dreugtj, droog, gedrage, dragen
drank, drânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drânke, drênkske, drank, medicijn (veearts)
drankje, drênkske, drênkskes, (verkleinwoord) medicijn (huis)arts
drankton, drânktón, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, drânktónne, voerton
drankwagen, drânkwage, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drânkwages, drinkebroer
drapeau, drappo’, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drappoos, vaandel
dras, dras, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bezinksel (in koffie)
dree, drieë, bijwoord, vlug
dreef, dreeft, dreef, drieëf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dreve/dreefte/drieëve, dreefke/drieëfke, eerste en tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); dreef
dreeg, dreig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, laag, ondiep
dreet, dreêt, drieët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tweede vorm Weerts (stadweerts); vrouw, domme
drek, drek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, afval, onkruid
drekhaan, drekhaan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drekhane, drekhaenke, (Ospels) hop (vogel)
drelstaart, drêlstèrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drêlstèrte, drêlstèrtje, (Nederweerts) meisje, opschepperig
dreng, dreng, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, drenge, stang
dressoir, dressaor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dressaors, (Nederweerts) bed met spiraalveren
drie, drej, dri-j, telwoord, drie
driedemer, dri-jdemer, dri-jdieëmer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); driespeen
driekantig, dri-jkêntjig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, driehoekig
driekroonspot, dri-jkroeënsepot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dri-jkroeënsepöt, dri-jkroeënspötje, aarden pot
dries, drees, zelfstandig naamwoord, mannelijk, braakliggende grond
driesen, dreêse, werkwoord, drieslagstelsel toepassen
drijver, driêver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, driêvers, driêverke, drevel, drijver
drikus, driekes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, driekese, driekeske/driekske, Joris Goedbloed
dril, drîl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kikkerdril, vleesnat, gestold
drinken, drînke, werkwoord, drînktj, droonk/drônk, gedroonke/gedrônke (NO), drinken
drinken, drînke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, drank
drinken, drînkes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, drank
drinkenstijd, drînkestiêd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koffiemaaltijd, pauze
drinkenstuitje, drînkestuîtje, drînkestuîtjes, (verkleinwoord) drinkkan(netje)
droef, dreuf, bijvoeglijk naamwoord, droef
droenselen, droeënsele, werkwoord, (Nederweerts) knikkebollen
droenselmannetje, droeënselmenke, (verkleinwoord) Klaas Vaak
droevig, dreuvig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, droevig
dromel, draomel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, draomels, persoon, besluiteloos , teut
dromen, droûme, werkwoord, droumtj, droumdje, gedroumdj, dromen
drommeltje, drömmelke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vrouwtje, traag
droog, druuëg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, droog
droogpruimer, druuëgproemer, druuëgpruimer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, druuëgproemers/druuëgpruimers, droogpruim
droogte, druuëgdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, droogte
droogworst, druuëgworst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, druuëgworste, druuëgwörs(t)je, cervelaatworst, droogworst
droom, droûm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, droûme, druimke, droom
droom, droûm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vliegennet
droon, dreen, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, drene, dar
drubbeltje, drubbelke, drubbelkes, (verkleinwoord) dreumes
druif, droef, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, droêve, druufke, druif; vrouw, duffe
druipen, druîpe, werkwoord, druîptj, druîpdje, gedruîptj, druipen, druppelen
druivenhengel, droêvenhîngel, zelfstandig naamwoord, droêvenhîngels, wijnstok
drukken, drökke, werkwoord, dröktj, drökdje, gedröktj, drukken
drukte, drökdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, drukte
drupje, dröpke, dröpkes, (verkleinwoord) borreltje
druppel, dröppel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dröppels, dröppelke, druppel
druppelen, dröppele, werkwoord, druppelen
druppen, dröppe, werkwoord, dröptj, dröpdje, gedröptj, druppelen
du, dôw, voornaamwoord, (Nederweerts, Ospels) jij
dubbel, dobbel, dobbeltj, dobbelt, döbbel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dubbel
dubbel, döbbel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, döbbels, dubbel (stel)
dubbele, döbbele, zelfstandig naamwoord, onzijdig, dubbel (zo veel)
dubbele lijster, döbbele liêster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, döbbele liêsters, grote lijster, kramsvogel
dubbelen, döbbele, werkwoord, dubbelen (samen spelen)
dubbelteut, döbbeltäöt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, döbbeltäöte, grasmus
dubbeltje, döbbeltje, döbbeltjes, (verkleinwoord) dubbeltje
dubben, döbbe, werkwoord, döbtj, döbdje, gedöbtj, dubben, piekeren
duchtig, töchtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts) flink
duchtig, töchtig, duichtig, bijwoord, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; duchtig, hevig
duf, duf, bijvoeglijk naamwoord, benauwd, muf
duffel, duffel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duffels, duffelke, winterjas
duidelijk, dudelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, duidelijk
duiden, dujje, werkwoord, betekenen, te -- hebben, wiegen
duif, doef, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doêve, duufke, duif
duif van de deken, doef van d’n daeke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doêve, duufke, kraai, zwarte
duiker, duker, duûker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dukers/duûkers, dukerke/duûkerke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); duiker
duiles, duîles, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duîlese, duîleske, wildebras
duim, doem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doême, duumke, duim
duimelen, doêmele, werkwoord, duimzuigen
duimen, doême, werkwoord, duimzuigen
duimstok, doemstek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doemstekke, duimstok
duister, duûster, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, duister
duister, duûster, zelfstandig naamwoord, onzijdig, duister(nis)
duisteren, duûstere, werkwoord, schemeren, verduisteren
duivel, duûvel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duûvels, duûvelke, duivel
duivelsboender, duûvelsbênder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, duûvelsbênders, duûvelsbênderke, duivelstoejager
duivelshaar, duûvelshaor, (meervoud) baardharen, eerste, nesthaar
duivelskind, duûvelskîndj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, duûvelskîndjer, kind, ondeugend
duivelsklauw, duûvelsklaw, duûvelskaw, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, duûvelsk(l)awwe, duûvelsk(l)awke, lisdodde
duivelskoren, duûvelskoeëre, duûvelskore, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; moederkoren
duiveltje, duûvelke, duûvelkes, (verkleinwoord) potkachel, kleine
duiveltjessaus, duûvelkessaus, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, uiensaus
duivenkoren, doêvekoôre, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Ospels) moederkoren
duivenmelker, doêvemêlker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doêvemêlkers, duivenmelker
duizelen, duûzele, werkwoord, duizelen
duizelig, duûzelig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, duizelig
duizend, doêzendj, telwoord, doêzendje, duizend(en)
duizendschoon, doêzendjschoeëne, (meervoud) duizendschoon (bloem)
dulden, döldje, werkwoord, dulden
dulle jochem, dölle joeëchem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jongensgek
dumpel, dûmpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dûmpels, dûmpelke, deuk
dunk, dûnk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dunk
dunken, tûnke, werkwoord, tûnktj, tocht/toucht, getochtj/getouchtj, dunken, mening, van …. zijn
dunken, tûnke, werkwoord, tûnktj, tocht/toucht zich, getochtj/getouchtj, zich wat -, verbeelden, zich wat
dunkveel, tûnkveul, tûnkvöl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); opschepper
dunne, dunne, zelfstandig naamwoord, mannelijk, d'n -, diarree
dunnen, dunne, werkwoord, uitdunnen
dunnen, dunne, (meervoud) (Nederweerts) liezen
dunsel, dunsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, snoeisel
duren, deure, doôre, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; duren
durven, dörve, werkwoord, dörftj, dörfdje, gedörfdj, durven
duur, deur, bijvoeglijk naamwoord, duur
duwen, doûwe, dowwe, dui-je, werkwoord, derde vorm Nederweerts, Ospels; wiegen, duwen
dwars, dwers, dwaers, bijwoord, tweede vorm Nederweerts, Ospels; dwars
dweil, dwael, dwél, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dwaele/dwélle, dwaelke/dwélke, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); dweil
dweilen, dwaele, dwélle, werkwoord, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); dweilen
echt, ejt, bijwoord, (Ospels) echt
eczeem, ekzieëm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eczeem
edik, aek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Weerts (stadweerts)) azijn
eed, eîd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eed
eekhoorn, eikeurke, eikuuërke, eikeurkes/eikuuërkes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); eekhoorn(tje)
een, e, ein, lidwoord, een
een, eîn, telwoord, één; eî een
een grote Jan, ne groeëte Jân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meneer, 'n grote
een hele toer, ’n hieël toer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, opgave, grote
een ja, 'ne jao, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ja-woord
een stuk chagrijn, e stök sjagrien, e stök sjegrein, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zuurpruim
een-en-twintigen, ein-en-twîntjige, werkwoord, kaartspel
eend, aendj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aêndje, aendje, eend
eendenmoes, aendjemoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eendenkroos
eenmaal, eimaol, einmaol, bijwoord, eenmaal
eenmaal, eîmaol, eînmaol, telwoord, éénmaal
eens, ens, bijvoeglijk naamwoord, eens, hetzelfde, dezelfde
eens, ens, telwoord, éénmaal
eenweg, eîneweeg, eînewieëg, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); tegelijk(ertijd)
eenzielig, einzieëlig, eizeêlig, eizieëlig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels, derde vorm Weerts (stadweerts); eenzaam
eer, ieër, bijwoord, eer
eer, ieër, voegwoord, voordat; ieë (Nederweerts, Ospels) voordat
eer, ieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mannelijk, eer/lof
eerder, ieëder, ieërder, ieëre, bijwoord, eerder, vroeger
eergisteren, egéstere, egéster, bijwoord, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) gisteren
eerlijk, ieërlik, bijvoeglijk naamwoord, eerlijk
eerst, ieërst, bijwoord, onlangs
eerst, ieërst, telwoord, bijvoeglijk naamwoord, eerst
eest, eest, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eeste, droogoven (granen)
eet, aet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) d’n -, eten, het
eeuw, ieëw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ieëwe, eeuw
eeuwig, ieëwig, bijvoeglijk naamwoord, eeuwig
eeuwigmoes, ieëwigmoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, man, oude , splijtkool
efkes, efkes, effekes, bijwoord, even(tjes)
eg, eegdje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eegdjes, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) eg
eg, ieëgdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ieëgdjes, (Weerts (stadweerts)) eg
egaal, egaal, bijwoord, om ‘t even
egalig, egalig, bijwoord, gelijkmatig
eggen, ègge, égke, werkwoord, ègtj/égktj, ègdje/égkdje, ge-ègdj/ge-égktj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); eggen
egwis, ègwes, égwes, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ègwesse/égwesse, ègweske/égweske, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); ketting aan eg, kleine
ei, eî-j, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ei-jer/ejjer/eikes/eikes, ei-jke/ejke, ei; eike (verkleinwoord) ei(tje)
eibernek, ieëbernek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ieëbernekke, ooievaar, persoon, lang en mager
eidooier, eidoôre, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eideur, eideurke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) dooier
eierdop, ei-jerdöpke, ei-jerdöpkes, (verkleinwoord) eierdopje
eigen, eîge, eîges, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eigen, thuis, zelf
eigenlijk, eîgelik, bijwoord, eigenlijk
eigenwijs, eîgewiês, bijvoeglijk naamwoord, eîgewiezer, eîgewiêst, eigenwijs
eiland, eîlândj, eilând, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eîlândje/eîlêndj/eîlânde, eîlêndje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); eiland
eind, indje, (meervoud) (Nederweerts) broden in de oven, aantal
einde, indj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, einde
ekster, aegerst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aegerste, ekster, vrouw, smakeloos geklede
eksterentimmer, aegerstetummer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, takjes voor nestbouw
eksteroog, aegerstenoug, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aegerstenoûge/aegerstoûge, eksteroog, likdoorn; aegerstoug (Weerts (stadweerts)) eksteroog, likdoorn
electrisch, elektries, zelfstandig naamwoord, mannelijk, electriciteit
elke keer, elkeskieër, bijwoord, telkens
elleboog, èlleboog, élleboeëg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, èllebeug/éllebuuëg, èllebeugske/éllebuuëgske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); elleboog
ellende, ieëlendj, ellèndje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ellende; eêlendj(Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) ellende
ellenstok, ellestok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) el, maatstok
ellenwaar, ellewaar, ellewaart, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tweede vorm Nederweerts; textiel (stoffen)
ellenwinkel, ellewînkel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ellewînkels, ellewînkelke, textielwinkel (stoffen)
els, aels, els, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aelse/elze, aelske/elske, els, priem
els, aelske, elske, aelskes/elskes, (verkleinwoord) elsebitter
elsenbitter, aelzebitter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, elsebitter
elsenputter, aelzepötter, elzepötter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aelzepötters, aelzepötterke, distelvink, putter
emmer, eîmer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eîmers, eîmerke, emmer
en passant, ampassânt, ampessânt, bijwoord, terloops
enfin, efèng, tussenwerpsel, kortom
eng, ing, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, inge, 'n -, gierige vrouw
eng, ing, bijvoeglijk naamwoord, eng, gierig, nauw
engel, îngel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, îngele, îngelke, engel
engelbewaarder, îngelbewaarder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, îngelbewaarders, îngelbewaarderke, engelbewaarder
engelenmis, ingelemès, îngelemés, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ingelemèsse/îngelemésse, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); begrafenismis (klein kind)
engels, ingels, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, onzijdig, engels
enig, eînig, eînige, voornaamwoord, (Nederweerts) enig(e)
enige, ennige, (meervoud) enkelen
enige, ennige, telwoord, enkele
enigst, einigst, einigste, bijvoeglijk naamwoord, enigst(e)
enigste, ennigste, bijvoeglijk naamwoord, enig(st)e
enkel, înkel, înkelt, bijwoord, alleen (maar)
enkel, înkel, telwoord, enkel
enkel, înkel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, înkels, înkelke, enkel (lichaamsdeel)
enkele, inkelte, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts) enkele
enkeling, înkelike, telwoord, enige, enkele, weinige
enzowijder, enzoeëwieter, bijwoord, enzovoorts
er erg in hebben, d'r êrg in hebbe, werkwoord, acht slaan op
er tussenuit naaien, d'r tössenoet nejje, d’raan, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); vluchten
eraan, d’raan, bijwoord, beurt, aan de
eraan, d’raan, tussenwerpsel, er aan
eraan zijn, d’raan zeen, bijwoord, doodmoe zijn
eren, ieëre, werkwoord, eren
erf, êrf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, erf
erfdeel, êrfdael, êrfdeîl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, êrfdaele/êrfdeîle, tweede vorm Weerts (stadweerts); erfdeel
erfelijk, eifelik, bijvoeglijk naamwoord, (Ospels) armoedig
erfenis, êrfenis, zelfstandig naamwoord, mannelijk, êrfenisse, êrfeniske, erfenis
erfgoed, êrfgood, zelfstandig naamwoord, onzijdig, erfgoed
erfstuk, êrfstök, zelfstandig naamwoord, onzijdig, êrfstökke, êrfstökske, erfstuk
erfzonde, êrfzundj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, êrfzundj, erfzonde
erg, êrg, bijvoeglijk naamwoord, erger, ergst/êrgst, ernstig, gierig; erg
erg, êrg, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bedoeling, kwade
ergens, aevers, evers, êrges, bijwoord, ergens
erkennen, erkinne, werkwoord, erkennen
erkentelijk, erkîntelik, erkîntjelik, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; erkentelijk
erna, ternao, bijwoord, erna, uut en _, vaak, heel erg
erupsel, eîröpsel, eîrûmpsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eîrûmpsels, oprisping
erven, êrve, werkwoord, erftj, orf/ôrf/erfdje, ge-ôrve/ge-erfdj, erven
erwt, êrt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, êrte, êrtje, erwt
erwtengruwel, aartegrouwel, aartegrawwel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aartegrouwele/aartegrawwele, aartegrouwelke/aartegrawwelke, tweede vorm Weerts (stadweerts); vogelverschrikker
erwtenpikker, êrtepikker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, êrtepikkers, êrtepikkerke, (Ospels) grasmus
erwtenrijzer, êrteriêsder, êrteriêzer, (meervoud) erwtensteunen (rijshout)
erwtensoep, êrtesop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, êrtesöpke, erwtensoep
etaleren, eteleêre, etelieëre, werkwoord, eteleertj, eteleerdje, ge-eteleerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); etaleren, uitstallen
eten, aete, werkwoord, itj, oot/aat, ge-aete/gegaete/gaete, eten
eten, aete, zelfstandig naamwoord, onzijdig, voedsel
etterbaak, etterbaok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, etterbäök, etterbäökske, steenpuist
euch, uch, uche, voornaamwoord, je/jij, jullie, u
even, effe, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, egaal, gelijk
even, aeve, effe, bijwoord, (eerste vorm) even, geschikt, (tweede vorm) even(tjes)
even, aeve, zelfstandig naamwoord, onzijdig, onverschillig
even zo goed, aeve zoeë good, bijwoord, evenwel, niettemin
evenaf, effenaaf, bijwoord, kortaf
eveneens, aeveleîn, aevelèns, bijwoord, (Nederweerts) om ‘t even, onverschillig
evengoed, aevegood, bijwoord, evenzeer, goed, net zo , toch
evenook, aeveloûch, bijwoord, (Nederweerts) echter
evenveel, aevevöl, bijvoeglijk naamwoord, telwoord, evenveel
evenveel, aevevöl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sufferd, d'n -, zwaarmoedigheid
evenwel, aevewaal, bijwoord, evenwel; ouwel (Ospels) evenwel; aevel echter, evenwel, nochtans, um 't -, om 't even
evenwel, ewaal, bijwoord, tussenwerpsel, evenwel, toch
evenzeer, aevezieër, bijwoord, evengoed, evenwel
expres, espres, bijwoord, opzettelijk
expres, espres, zelfstandig naamwoord, mannelijk, espresse, sneltrein
ezel, ezel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ezels/ieëzels, ezelke/ieëzelke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) ezel; ieëzel (Weerts (stadweerts)) dommerik, ezel
fabriek, febriek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, febrieke, febriekske, fabriek
fabrieksmelk, febrieksmêlk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, taptemelk
fabrikant, fabrikântj, fabrikânt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fabrikântje/fabrikânte, fabrikêntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); fabrikant
faim, fames, fanes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, honger, trek in eten
falie, falie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, falies, hoofddoek, grote, nonnensluier, vrouw, slordige
faliekant, faliekânt, faliekântj, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; verkeerd, helemaal
faliekantig, faliekêntjig, bijwoord, mis, helemaal
familie, femiêlie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, femiêlies, familie
fanfare, famfaar, fanfaar, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, famfare(s)/fanfare(s), famfaarke/fanfaarke, fanfare
fantasie, fontoonte, (meervoud) smoesjes
fantasie, fantelezi-jje, (meervoud) (Ospels) fantasieën, rare
fatsoen, fetsoên, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fatsoen
fazant, fezânt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fezânte, fezêntje, fazant
fazel, fazel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geslachtsopening (koe), vagina; vazel vagina (koe)
februari, fibberwarie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, februari, bloeëte -, adamskostuum
feest, fieëst, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fieëste, fieëstje, feest
feestelijk, fieëstelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, feestelijk
feesten, fieëste, werkwoord, feesten
fehlen, faele, werkwoord, (Duits) ontbreken, onverschillig zijn, uitstaan, (niet) kunnen, velen
fel, fael, bijvoeglijk naamwoord, intiem; fael blij, gretig, happig
femel, feêmel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doetje, mens, onnozel, sukkelaar
femelaar, feîmelaer, feîmeler, zelfstandig naamwoord, mannelijk, feîmelaers/feîmelers, feîmelaerke/feîmelerke, vleier; feêmelaar charmeur
femelen, feêmele, feîmele, werkwoord, knuffelen, vleien
fermetietje, fermetètje, fermetètjes, (verkleinwoord) stadsmeisje, opgedirkt
feston, festóng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, festóngs, festungske, feston
feuts, fäöts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fäötse, fäötske, bluts, bult, deuk, klap
fiep, fiep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fiepe/feêpe, fiepke/feepke, fopspeen; feep fluitje, vrouw, onsympathieke , speen, aoj -, ouwehoer
fiepen, feêpe, werkwoord, feeptj, feepdje, gefeeptj, fluiten, drinken, glaasje bier
fieper, fieper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fiepers, fieperke, fopspeen
fieperen, fiepere, werkwoord, fluiten, weglopen
fiezel, feêzel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, feêzels/feêzele, feêzelke, hoeveelheid, kleine
fiezelen, feêzele, werkwoord, fluisteren, motregenen, uit elkaar halen
fiezelregen, feêzelraengel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) motregen
fijn, fein, bijvoeglijk naamwoord, feîner, feinst/fiener, fienst, mooi; fiên fijn, mager; fiên schijnheilig, slank
fijn, fiên, bijwoord, poeslief, precies
fijn, fiên, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lieveling
fijne, fiene, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lieveling, persoon, gluiperig, persoon, stipt en precies
fijt, fiêt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fijt
filou, fieloe, zelfstandig naamwoord, mannelijk, filoes, schurk
filou-se streek, fieloese streek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fieloese streke, valse streek
fint, fînte, (meervoud) streken, gekke , verzinsels
firtel, firtel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, firtels, ruziestookster
firtelen, firtele, werkwoord, lopen, zenuwachtig
firtelkont, firtelkôntj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, firtelkôntje/firtelkûntjes, firtelkûntje, (Nederweerts, Ospels) meisje, aanstellerig; firtelkûntje(verkleinwoord) (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) meisje, aanstellerig
fis, fis, vis, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fisse/visse, fiske/fiske, bunzing
fispernullen, fispernölle, fisternölle, werkwoord, knutselen, prutsen; vispernulle klungelen, knutselen
fitseltje, fidzelke, fidzelkes, (verkleinwoord) snippertje, snufje
flabbes, flabbes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flabbese, dwaas, komiek, zot
flamoes, flemoûs, flemoos, flemoeës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); vagina
flansen, flânse, werkwoord, flânsj, flânszje, geflânsj, slordig werken
flapuit, flapuut, flapoet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; flapuit
flares, flares, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flarese, lummel
flats, flats, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flatse, draai om de oren, flater (fout), flater (koeien-), klap
flatsen, flatse, werkwoord, flatsj, flatszje, geflatsj, draai om de oren geven, kreupel gaan , lopen, lawaaierig, raken van ring (beugelen), zakken voor examen
flatspoten, flatspuuëj, (meervoud) platvoeten
flauw, flaw, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, flauw
flauwe oom, flawwen uuëm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flaw uuëms, vent, flauwe
flauwekul, flawwekûl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flauwiteit, grap, onzin
flauwerik, flawwerik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flawwerike, persoon, karakterloos
fleemtiet, fleêmetetje, fleêmetetjes, (verkleinwoord) stadsmeisje, opgedirkt
fleer, flaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flaere, klap, oorvijg
fleren, flaere, werkwoord, aftuigen, slaan, met de vlakke hand
flessendoek, flessedook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, doek, geweven linnen
flik, flik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flikke, heideplag; vlik (Nederweerts, Ospels) heideplag, zode van veenlaag
flik, vlitske, vlitskes, (verkleinwoord) schijfje kaas/vlees, sneetje brood (dun)
flikflooien, flikfloeëje, werkwoord, vleien
flikken, flikke, werkwoord, fliktj, flikdje, gefliktj, aandoen, herstellen, klaarspelen, opknappen
flikkendeeltje, vlikkedèlke, vlikkedèlkes, (verkleinwoord) peelveld
flikkenschop, vlikkeschöpke, vlikkeschöpkes, (verkleinwoord) (Nederweerts) spade (voor heiplaggen)
flikkenspade, vlikkespaaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vlikkespaaje, spade (voor heiplaggen)
Flikkenstekers, Vlikkestaekers, eigennaam, carnavalsclub Ospel
flimp, flûmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flûmpe, houtspaander
flink, flînk, bijvoeglijk naamwoord, flink, knap
flipje, flupke, flupkes, (verkleinwoord) gekske, persoon, onnozel
flodderboks, flodderbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flodderbókse, flodderbukske, flodderbroek, persoon, slordig , persoon, onstandvastig
floep, floep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, angst
flos, flos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flosse, flöske, kwast, wollig bolletje
flots, floêts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, floêtse/flótse, baret, hoed (apart model), vrouw, onstandvastige , vrouw, onverzorgde; flóts vrouw, gemakzuchtige
flotsen, flótse, werkwoord, flótsj, flótszje, geflótsj, glijden
flotsmadam, floetsmedam, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, floetsmedamme, vrouw, onstandvastige , vrouw, onverzorgde
flotten, flótte, werkwoord, (Ospels) dwarrelen
fluim, fluum, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flume, fluumke, (Nederweerts, Ospels) fluim
fluit, fluit, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fluite, fluitje, fluit; vagina, wulpse vrouw
fluiter, fluitert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fluitkaas, hang-op
fluitkaas, fluitkieës, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fluitkaas, hang-op
fluweel, flewieël, fleweel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tweede vorm Nederweerts; fluweel
fluwijn, flewiên, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flewiêne, flewienke, hermelijn, wezel, (Ospels) steenmarter
foddel, fóddel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fóddele, föddelke, tod, vod
foddelaar, fóddelaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fóddelaers/fóddelers, knutselaar; fóddeler knoeier, prutser
foddelen, fóddele, werkwoord, knoeien, prutsen
foddelwerk, fóddelwêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, werk, slecht verzorgd
foef, fóffe, (meervoud) (Ospels) gekke streken
foefen, fóffe, werkwoord, plooien
foek, foêk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, foêke, fuûkske, vrouw, kwaadaardige, vrouw, slonzige
foep, foêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, foêpe, fuupke, claxon (van auto)
foetelarij, foeteleri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oneerlijk spel
foetelen, foetele, werkwoord, vals spelen
foezel, foezel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slechte drank
fommelen, foêmele, werkwoord, liefkozen
fond, fóng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Frans) levenslust, moed
fongsten, fóngste, werkwoord, ravotten
fonkelnieuw, fônkelnow, foonkelnow, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); fonkelnieuw
fooi, foeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, foeëje, fuuëjke, fooi
fophei, fophej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Ospels) dopheide
fornuis, fernuîs, fernuûs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fernuîze/fernuûze, fernuîske/fernuûske, fornuis
fortuin, fertuun, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fortuin, vermogen
fotsen, fótse, werkwoord, fótsj, fótszje, gefótsj, bedriegen, knoeien
fotskont, fótskôntj, fótskoónt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fótskôntje/fótskoonte, fótskûntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); vrouw, slecht verzorgde
fout, fout, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, foute, fuîtje, fout
fouw, fouw, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Ospels) gevoel, branderig (luchtpijp)
fox, fóks, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fókse, foxterriër (hond)
frak, frak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, frakke, rokkostuum
framboos, flamboeës, framboeës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flamboeëze/framboeëze, flambuuëske/frambuuëske, framboos
franc, frang, zelfstandig naamwoord, mannelijk, frangs, frengske, franc
franje, fraandjel, fraanjel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fraandjele/fraanjele, fraandjelke/fraanjelke, rafel
Franse drek, Frânse drek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knopkruid
frats, fratse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grillen, nukken
frech, vrech, vrek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, brutaal
frechlap, vrechlap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrechlep, vrechlepke, brutaal persoon
fretteren, fretteêre, fótskoonte, werkwoord, fretteertj, fretteerdje, gefretteerd, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); jagen met een fret
frikandel, frikkedel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, frikkedelle, frikkedelke, frikandel
frommelen, froêmele, werkwoord, frommelen, kreuken
fronsel, frûnsel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, frûnsele, frûnselke, kreukel, rimpel
fronselen, frûnsele, werkwoord, fronsen, kreukelen
frontispice, froontespies, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, froontespieze/froontespieskes, froontespieske, dakkapel; froontespieske(verkleinwoord) snorretje
frot, frot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, frotte, frötje, prop
frotten, frotte, werkwoord, frotj, frotdje, gefrotj, prutsen
frunniken, frunnike, werkwoord, frunniktj, frunnikdje, gefrunniktj, prutsen
frut, frut, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ventiel van voetbal
frut, fröt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, frotte, (Ospels) kind, pasgeboren
frutje, frutje, frutjes, (verkleinwoord) propje, sabbellapje voor baby
frutselen, frutsele, werkwoord, prutsen
fuik, foêk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, foêke, fuûkske, fuik; deuk in gleufhoed
fuikmuts, foêkemöts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, foêkemötse, foêkemötske, muts, katoenen
fundament, fóndemênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fóndemênte, fundament
gaaf, gieëf, bijvoeglijk naamwoord, gieëver, gieëfst, gaaf, gezond
gaam, gaam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, game, toonbank
gaan, gaon, werkwoord, gieët, góng/ging, gegânge, gaan
gaande, gaondje, bijwoord, bezig, doende
gaandes, gaondjes, bijwoord, te voet
gaaplepel, gaaplepel, gaaplieëpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gaaplepels/gaaplieëpel, gaaplepelke/gaaplieëpelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); leeuwebekje
gaar, gaar, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, afgemat
gaar, gaar, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) helemaal
gaarne, gaer, bijwoord, graag
gaaruit, gaâroet, bijwoord, (Ospels) helemaal
gabardine, gabberdien, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gabberdiêne, regenjas
gabberen, gabbere, werkwoord, kletsen, lachend
gade, gaaj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gading, zin
gaden, gaaje, werkwoord, bevallen, naar de zin zijn
gagelhout, gaolhout, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gagel (heestersoort)
gajes, gaajes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buik
gajes, gaajes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, volk, slecht
gal, galle, (meervoud) havikskruid, paardenbloem (bladeren)
galderen, gâldere, werkwoord, zingen, luid
galderpatroon, gâlderpetroeën, zelfstandig naamwoord, mannelijk, persoon, luid zingend
gales, gaâles, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gaâlese, meisje, vrolijk
galesen, gaâlese, werkwoord, gaâlesj, gaâleszje, gegaâlesj, gekheid maken
galg, gâlg, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gâlge, gelgske, galg
gamasche, kemas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kemasse, beenkap
gandel, gaandjel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gaandjele, (Ospels) meisje, vrolijk
gang, gânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geng, gengske, gang, voedergang in koestal; gemaaide rij koren, loopwijze
gangachtig, gânkejtig, gânkejchtig, bijvoeglijk naamwoord, (Ospels) uitgaand, graag
gangig, gengig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lenig
gangig maken, gengig make, werkwoord, aan de gang maken, aan 't lopen brengen
gangwerk maken, gânkwêrk make, werkwoord, wecken
gans, gaos, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gaoze/gaosder/gaos, gäöske, gans
gantel, gaantjel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gaantjele, meisje, vrolijk
gantelen, gaantjele, werkwoord, uitgelaten zijn
gaper, gapert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gaperts, nieuwsgierige neus
garage, geraasj, graasj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geraazjes/graazjes, garage
gard, gaerd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gaerde, gaerdje/gerdje, bonenstaak; kippezitstok, vishengel
garde civique, garesefiek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rommel, grote hoop
garendiefje, garedeefke, garedeefkes, (verkleinwoord) (Ospels) vliegenvanger
garenpaap, garepaap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, garepape, (Ospels) jongensgek; gaajepaap gek
garm, germ, gêrm, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, germ/gêrme, germke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); ooi; germke (verkleinwoord) lammetje, meisje, lang en mager
garstig, gerst, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) garstig, ranzig (van spek), stinkend
gas, gaas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gas
gaslamp, gaaslâmp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gaaslâmpe, gaaslêmpke, gaslamp
gat, gaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gate(r), gaetje, gat
gatsje, getske, getskes, (verkleinwoord) steegje
gauw, gaw, bijwoord, snel, vlug, te gaw aaf, te slim af
gauwkletsje, gawkletske, gawkletskes, (verkleinwoord) korte H.Mis, vluggertje, - doon, touwtje springen
gazet, gezèt, gezét, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gezètte/gezétte, gezètje/gezétje, (Nederweerts, Ospels) krant, roddelaarster; gezét (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) krant; gezét (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) roddelaarster; gezètje (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) rod
gazon, gezóng, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) gazon
gebak, gebek, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebeksels, baksel
gebakte, gebekdje, gebikdje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebekdjes/gebikdjes, tweede vorm Ospels; baksel
gebaren, gebieëre, werkwoord, (Nederweerts) gebaren maken
gebek, gebik, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gelaat, gezicht, op 't -, gelaatstrekken, aan de
gebekken, gebikke, werkwoord, gelaatstrekken hebben van, lijken op
gebergte, gebergdje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebergdjes, gebergte
gebeteren, gebaetere, werkwoord, waarmaken, zich -, zijn leven beteren
gebeuren, gebeure, gebeure, gebuuëre, werkwoord, eerste en tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); derde vorm gebeuren
gebeuren, gebeure, gebuuëre, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gebeuren
gebint, gebôntj, geboont, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebôntje/geboonte, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); gebint
gebit, gebeêt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebeête/gebitte, gebitje, gebit; paardenbit
gebod, gebood, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebooje, (Nederweerts, Ospels) gebod
gebokt zijn met, gebóktj zeen mét, werkwoord, behept zijn met, opgescheept zitten met; geboochtj zeen mét (Ospels) behept zijn met, opgescheept zitten met
geboorte, geboorte, geboeërte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geboo(ë)rtes, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); geboorte
gebrek, gebrieëk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebrieëke, gebrek, tekortkoming
gebrekelijk, gebraekelik, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts) gebrekkig
gebroers, gebreurs, (meervoud) broers
gebruik, gebroêk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gebroêke, gebruik
gebuur, gebuuëre, (meervoud) (Nederweerts, Ospels) buurtgenoten
gecijfer, geciêfer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rekenwerk
gedaan, gedaon, bijwoord, genezen, afgelopen
gedacht, gedachtj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedachdje, (Nederweerts) oordeel
gedachte, gedejje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedejjes, verstand; gedachte
gedachte, gedechdje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedechdjes, verstand
gedienstig, gedeenstig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dienstbaar, dienstwillig
gedoets, gedeûns, gedoons, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; gedoe, wanorde
gedoets, gedoôts, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedoe
gedraai, gedrej, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedraai
gedrieën, gedri-jje, bijwoord, drieën, met z'n
gedrobbel, gedróbbel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gestuntel, onhandige werkwijze, in 't -, in de drukte, op 't -, op goed geluk, onnauwkeurig
geduld, gedöldj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geduld
geduldig, gedöldjig, bijvoeglijk naamwoord, geduldig
gedumpeld, gedûmpeldj, bijvoeglijk naamwoord, gedeukt
gedwee, gedwieë, bijvoeglijk naamwoord, gedwee, rustig
geeën, gaeje, werkwoord, uitdunnen, wieden van onkruid
geel, gael, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geel
geel akkermannetje, gael akkermènke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kwikstaart, gele
geeloog, gaeloug, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gaeloûge, gaeluigske, voorn; bier, glas
geelsig, gaelsig, bijvoeglijk naamwoord, geelachtig
geelverf, gaelverf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geelzucht
geen, gein, geîn, telwoord, geen
geen een, geînen-eine, bijwoord, geen woord, helemaal geen, niets
geen een, geîn-eîn, telwoord, geen een
geen een, geînen-eine, zelfstandig naamwoord, mannelijk, niemand (wb. mannen); geîn-eîn niemand (wb. meisjes); gein-ein niemand (wb. vrouwen)
geer, gier, geer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gierke, tweede vorm Nederweerts; taps toelopende akker
geertje, gierke, geerke, gierkes/geerkes, (verkleinwoord) tweede vorm Nederweerts; driehoekig lapje stof
geest, geîst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geîste/geîster, geest
geestelijk, geîstelik, bijvoeglijk naamwoord, geestelijk
geestelijke, geîstelik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geîstelike, geestelijke, priester
geesteling, geîsteling, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geîstelinge, (Nederweerts) geestelijke, priester
geeuwdoop, gieëduîp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nooddoop
geeuwhonger, gieëhônger, gieëhoonger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); geeuwhonger
gefazeld, gevadzeldj, bijvoeglijk naamwoord, gerafeld (bij kleding), (Nederweerts) beschadigd
gefronseld, gefrûnseldj, bijvoeglijk naamwoord, gerimpeld
geguichel, geguuchel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, klein spul, rommel, slecht volk
gehampel, gehâmpel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gestuntel, werkwijze, onhandige
gehannes, gehannes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gestuntel, werkwijze, onhandige
geheng, gehing, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gehinge, hengsel
geheng, gehing, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ingewanden van slachtvee, scharnierstuk
geheugen, geheuge, gehuuëge, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geheuges/gehuuëges, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); geheugen
gehevel, gehevel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) geruzie
gehoor, gehuuër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gehoor
gehuichel, gehuuchel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gehuichel
geil, gaols, bijvoeglijk naamwoord, smakend naar vet
geitenmelker, geitemêlker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geitemêlkers, geitemêlkerke, nachtzwaluw
gek, gek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gekke, gekske, meisje, lichtzinnig
gekloot, gekloeëtj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, bedonderd
gekloot, gekloeët, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gestuntel
gekrulde zin, gekroldje zin, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, humeur, slecht
gelaten, gelaote, werkwoord, gelutj zich, geleet zich, zich gelaote, zich -, gedragen, zich
geld, gêldj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geld
gelden, gelle, geldje, gille, werkwoord, derde vorm Nederweerts; gelden
geldhoogsel, gêldjhuuëgsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, opgeld
gele schrijver, gaele schriêver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gael schriêvers, geelgors
gele spotvogel, gaele spotvogel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gael spotveugel, (Nederweerts, Ospels) spotvogel
gele wielewauw, gaele wielewouw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gael wielewouwe, (Ospels) wielewaal
geleden, geleeje, gelieëje, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); geleden
geleerde, gelieërdje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gelieërdje, geleerde
geleg, gelaeg, zelfstandig naamwoord, onzijdig, boerderijtje, ligging, omgeving
gelegerd, gelegerdj, bijvoeglijk naamwoord, platliggend (koren)
gelegouw, gaele gouwe, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gael gouwes, wielewaal
gelei, slei-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jam
geleid, geleît, zelfstandig naamwoord, onzijdig, idee, notie, verstand
geleuter, gelar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) geluid krolse kater, gezanik
gelid, geleed, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gelid
geliefd, geleefdj, bijvoeglijk naamwoord, geliefd
geliefde, geleefdje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, geleefdjes, geliefde
gelijk, geliêk, bijvoeglijk naamwoord, gelijk, hetzelfde
gelijke, geliêke, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geliêke, gelijke, iemands
gelijknabuur, liêknaober, (meervoud) buurtschap, grote
geloof, gelouf, glouf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, g(e)loûve, geloof
geloop, geloup, geloups, zelfstandig naamwoord, onzijdig, aanloop, veel
geloven, geluîve, gluîve, werkwoord, g(e)luiftj, g(e)luifdje/g(e)lui-je, gegluifdj, geloven
gelp, gêlp, bijwoord, weelderig groeiend
gelui, gelow', zelfstandig naamwoord, onzijdig, klokkengelui
geluk, gelök, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gelökske, geluk
gelukspatroon, gelökspetroeën, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gelökspetroeëne, bofkont, geluksvogel
gemaakte moekes, gemaakdje moekes, gemaakdje mowkes, (meervoud) smoesjes, uitvluchten
gemak, gemaak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gemak, kalmte, rust, wc
gemakkelijk, gemaekelik, bijvoeglijk naamwoord, gemakkelijk, meegaand
gemartel, gemertel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ongemakkelijk werk, onhandig gedoe
gemeen, gemein, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gemeen
gemeenlijk, gemeinlik, bijwoord, gewoonlijk
gemeente, gemeindje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gemeindjes, gemeente
gemeten krijgen, gemaete kriêge, werkwoord, ze -, gestraft worden
gemeuk, gemuuëk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ingewanden kleinvee
gemoed, gemoodj, bijwoord, geluimd
gemoerd, gemeurdj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts) troebel
gemontuurd, gemontoeërdj, bijvoeglijk naamwoord, uitgemonsterd
gemot, gemoêtj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts) mistig
gemul, gemäöl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, turfstrooisel
gemulmuil, gemäölmoel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gemäölmoêle, kletsmeier
genaam, genieëm, bijwoord, aangenaam, gemakkelijk, knus
genaaswater, genaaswater, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gezanik
genade, genaoj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, genade
gendarme, zjendêrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zjendêrme, gendarme
generen, zjeneêre, zjenieëre, werkwoord, zjeneertj, jeneerdje zich, zich gezjeneerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); zich -, zich schamen
geneuk, geneûk, genuuëk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gedoe, gepruts, spul
geneuks, geneûks, genuuëks, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); spul, troep
genezen, genaeze, werkwoord, geneusj, genoos, genaeze, genezen
genoeg, genóg, genógt, bijwoord, genoeg
gent, gaantj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gaandje, mannetjesgans; vrouw, niet volwassen
gepaardenkeuteld, gepaerskeuteldj, gepaerskuuëteldj, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beetgenomen, gevleid, overdonderd
gepakte, gepekdje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) bagage, ingepakte materialen
gepaktedrager, gepekdjedreger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gepekdjedregers, (Nederweerts) kruier
gepiel, gepiel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gepriegel, werkje, moeizaam
geps, geps, bijvoeglijk naamwoord, bijdehand, snugger
geraamsel, gerieëmsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gerieëmsels, rafels aan textiel, geraamte
geraamte, gerieëmtj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gerieëmdjes, geraamte
gereedschap, gereîdschap, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gereîdschappe, gereedschap
gerei, gerej, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gerejje, gereedschap; gerei
gerief, gereef, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gemak, gerief
gerookt vlees, geruîktj vleîs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rookvlees
geruit, geroêtj, bijvoeglijk naamwoord, geroêtdje, geruit
geruiteld, geruûteldj, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) geruit
gerust, gerösj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gerust
gerust, gereûsj, gereûstj, bijwoord, (Ospels) gerust
geschenk, geschînk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geschînke, geschînkske, cadeau, geschenk
geschieden, gescheeje, werkwoord, geschitj, gescheedje, gescheeje, geschieden
geschier, geschieër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gereedschap, toebehoren, volk van minder allooi
gesel, geîsel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geîsels, geîselke, gesel, zweep
geselen, geîsele, werkwoord, geselen
geslater, geslater, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) geluid bij op water slaan
gesleep, gesleîp, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedoe
gesprekelijk, gespraekelik, gesprieëkelik, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; aanspreekbaar, vriendelijk
gestaag, gestieëg, bijwoord, aanhoudend, gestaag
gesticht, gesticht, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gestichte, ziekenhuis, (Nederweerts) bejaardenhuis
gestrengeld, gestringeldj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, knoop, in 'n, verward
getammel, getammel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, werk, onhandig/lawaaierig
getreden, getroeëje, getrooje, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; gekwetst
getrubbel, getrubbel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, probleem
getuig, getuûg, zelfstandig naamwoord, onzijdig, getuûge, paardentuig
getuig, getuûg, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gemeen volk, gereedschap, gerei, tuig
getuige, getuûge, zelfstandig naamwoord, mannelijk, getuûge, getuige
geus, geus, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geuze, persoon, niet kerks
gevaar, gevaor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gevaore, gevaar
gevaarlijk, gevaorlik, bijvoeglijk naamwoord, gevaarlijk
geval, gevâl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gevalle, geval
gevallen, gevalle, werkwoord, gevéltj/geviltj, geveel, gevalle, bevallen, overkomen
geveegd, gevaegdj, bijvoeglijk naamwoord, gewiekst
geveegd zijn op, gevaegdj zeen op, werkwoord, op iets uit zijn, iets graag doen
gevel, gaevel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gaevels, gaevelke, gevel
geven, gaeve, werkwoord, guftj/giftj/geuftj/gaeftj, goof, gegaeve, geven
gevest, gevaesj, gevaestj, bijvoeglijk naamwoord, (Ospels) omzoomd met lint
geviefd, gevief, geviefdj, bijvoeglijk naamwoord, bijdehand, bij de tijd, goed ter been, kwiek, vlug
gevleugeld, gevleugeldj, gevluuëgeldj, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gevleugeld, scheef
gevoegen, geveuge, werkwoord, (Nederweerts) zich -, aanpassen, zich
gevoel, geveul, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geveules, geveulke, gevoel
gevogel, geveugel, gevuuëgel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gevogelte
gevroggel, gevrogkel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) gewurm
gevroor, gevreur, gevruuër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); vorst, vriezen, ‘t
gewaar, gewaar, bijvoeglijk naamwoord, opmerkzaam
gewaarworden, gewaarwaere, werkwoord, merken
gewammest krijgen, gewamesj kriêge, werkwoord, slaag krijgen
gewaste, geweêzie, geweêzje, geweêsdje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, derde vorm Nederweerts, Ospels; wasgoed
gewaterd, geweêterdj, bijvoeglijk naamwoord, doordrenkt met water, geweekt
geweer, geweêr, gewieër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geweêre/gewieëre, geweerke/gewieërke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); geweer
geweld, gewêldj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geweld
gewelf, gewölf, gewölftj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gewölve/gewölfdje, tweede vorm Nederweerts; gewelf
gewelfsel, gewölfsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gewölfsels, gewelf
geweten, gewete, gewieëte, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); geweten
gewinnen, gewinne, werkwoord, wennen
gewis, gewès, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) zeker
gewoonlijk, gewuuënlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gewoonlijk
gewoonte, gewuuëndje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gewuuëndjes, gewoonte
geworden, gewaere, werkwoord, gang laten gaan, zijn
gewormte, gewörmdj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Ospels) ongedierte
gezegde, gezagdje, gezègkdje, gezégkdje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gezagdjes/gezègkdjes/gezégkdjes, tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); gezegde, spreuk
gezeik, gezeik, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gedoe, gezeur
gezet, gezatte, bijvoeglijk naamwoord, dik, gezet
gezever, gezeîver, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geklets, gezeur
gezicht, gezicht, gezeejcht, gezi-jt, gezi-jcht, gezeecht, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gezichte/gezichter/gezeejchter/gezi-jchte/gezi-jch, gezichtje/gezeejchtje/gezi-jchtje/gezeechtje, tweede, derde en vierde vorm Ospels; vijfde vorm Nederweerts; gezicht
gezond, gezôndj, gezoond, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); gezond
gezusters, gezösters, (meervoud) zussen
gezwak, gezwânk, bijvoeglijk naamwoord, conditie, goede, lenig
gezwel, gezweêl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gezweêle/gezwieële, gezweelke/gezwieëlke, (Nederweerts, Ospels) gezwel, eelt, zwelling; gezwieël (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) gezwel
giebelen, giebele, giebere, werkwoord, giechelen
gielis, geêlis, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gek, keel
gier, geêr, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) gierig
gierdoop, gieërduîp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nooddoop
gierhonger, gierhônger, gierhoonger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); honger
gierrijp, gieëriêp, bijvoeglijk naamwoord, overrijp
gierrijpen, gieëriêpe, werkwoord, rijp worden, te vroeg
gieten, gete, werkwoord, kuit schieten
gif, gif, gift, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boosheid
gifschijter, gifschieter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gifschieters, gifschieterke, iemand die vlug boos is
giftig, gift, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vergif
giftig, giftig, bijvoeglijk naamwoord, giftig, boos
giftigheid, giftigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, boosheid
gij, gae, voornaamwoord, je/jij, jullie, U/u
gijpen op, giêpe op, werkwoord, (Nederweerts) beloeren, uitkijken naar
ginder, gunter, guntjer, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; daarachter, ginds
ginds, gûns, bijwoord, daarachter, ginds
ginnegappen, gunnegappe, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) gekheid maken
gissen, gèsse, werkwoord, gès(t)j, gèszje, gegèsj, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) gissen
gist, gés, gést, gès, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde vorm Nederweerts, Ospels; gist
gister, géster, géstere, gèster, gèstere, bijwoord, eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde en vierde vorm Nederweerts, Ospels; gisteren
glaarogen, glaaroûge, werkwoord, staren van verliefdheid
glaaroog, glaaroûge, (meervoud) ogen, opengesperde , staar (oogziekte)
glacés, glasjees, (meervoud) handschoenen, leren
glad, glaad, bijvoeglijk naamwoord, glater, glaadst, glad
glas, glaas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, glazer/glaze, glaeske, drinkglas
glas, glaas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, glaasder, raam, ruit
glaszeiker, glaaszeikerkes, (verkleinwoord, meervoud) bevroren aardappels
glazen, glaasdere, glazere, bijvoeglijk naamwoord, glazen (van glas)
gleuf, gleûf, gluuëf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gleûve/gluuëve, gleûfke/gluuëfke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gleuf
glijden, gli-jje, werkwoord, glietj, glieëj, geglieëje, glijden
glimmen, glumme, werkwoord, glimmen
glinsteren, glistere, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) glinsteren
gloeien, glujje, werkwoord, gloeien
gloeiig, glujjig, bijvoeglijk naamwoord, gloeiend
gloeiige, glujjige, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) de -, vuurgeest, 'ne -, iemand met rood haar
glooiing, glón, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, wak in het ijs
god en goed, god-en-good, bijvoeglijk naamwoord, doodgoed
godgeklaagd, godgeklaagdj, bijvoeglijk naamwoord, ongehoord
godsdienst, godsdeenst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, godsdeenste, godsdienst
godsgenade, godsgenaoj, godsgenaoje, tussenwerpsel, grote genade
godskluppel, godsklöppel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, godsklöppels, lomperd
godsloon, godsloeën, zelfstandig naamwoord, onzijdig, godspenning
godverneuker, godverneûker, godvernuuëker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, godverneûkers/godvernuuëkers, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bedrieger, huichelaar
goed, good, gooj, gooje, bijvoeglijk naamwoord, gooj/gooje; baeter, bést, goed(e)
goed, good, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kleren, landgoed, wasgoed
goed ter tale, good t'r tale, bijwoord, welbespraakt
goede aard, goojen aard, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zin, goede
goede boter, goojboeëter, goojboter, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; roomboter
goede kamer, goojkamer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, huiskamer
goedendag, goojedaâg, goojendaâg, tussenwerpsel, goejedag
goedendag, goojedaâg, goojendaâg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, goedendag
goedgemoed, goodgemoodj, bijvoeglijk naamwoord, goedgeluimd, vrolijk
goedig, geujig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, goed(ig), meegaand; gotig goedig
goedigheid, goojigheid, gotigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (eerste vorm) goedheid, (tweede vorm) goeiïgheid
goeding, geujing, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geujinge, hypotheek, schadeloosstelling, vergoeding
goedkallen, goodkalle, werkwoord, vergoelijken
goedkoop, goojekoup, bijvoeglijk naamwoord, goedkoop
goedmaken, goodmake, werkwoord, ongedaan maken, verklaren, waarmaken
goedsoortig, goodsoortig, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) goede soort
goot, goot, goeët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gote/goeëte, geutje/guuëtje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); dakgoot, straatgoot
gordijn, gerdien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gerdiêne, gerdienke, gordijn
gorgel, gäörgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) keel
gorgelen, gäörgele, werkwoord, gorgelen
goteling, geûteling, guuëteling, zelfstandig naamwoord, mannelijk, geûtelinge/guuëtelinge, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); melkemmer, koperen
gouden, goûwe, bijvoeglijk naamwoord, gouden
goudlijster, gouwliêster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, gouwliêsters, (Ospels) wielewaal
goudsbloem, goudsbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, goudsblome, goudsbleumke, ganzebloem, gele
goudvink, goudvînk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, goudvînke, goudvînkske, goudvink
graaf, graaf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grave, graaf (kleine adel), gracht, graf, sloot
graat, graot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, graote/gräöj, gräötje, graat
grantelen, graantjele, werkwoord, (Nederweerts) vragen, voortdurend, grissen
granten, grânte, grântje, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; bedelen, verlangend kijken
gras, graas, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gras
grasburger, graasbörger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, graasbörgers, graasbörgerke, burger met (beetje) kleinvee
grasleeuwerik, graaslieëwêrk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, graaslieëwêrke, graspieper, veldleeuwerik
grasmoek, graasmoeëk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, graasmoeëke, graasmuuëkske, graspieper
grasmus, graasmös, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, graasmösse, graasmöske, grasmus
grassnip, graassnup, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, graassnuppe, watersnip
grasteut, graastäöt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, graastäöte, graastäötje, graspieper
graszaad, graaszaod, zelfstandig naamwoord, onzijdig, graaszäöj, graaszäödje, graszaad
gratielijk, graselik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, geluk, met veel, genadig
grauw, graw, bijvoeglijk naamwoord, donker, grauw
grauwe begijnen, graw begiêne, (meervoud) zusters Penitenten
grauwe klijster, grawwe kliêster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, graw kliêsters, (Nederweerts) zanglijster
grauwe lijster, grawwe liêster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, graw liêsters, zanglijster
grauwe vliegenvanger, grawwe vlegevênger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, graw vlegevêngers, vliegenvanger
grauwelbeer, grawwelbaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grawwelbaere, grawwelbaerke, (Nederweerts, Ospels) mopperkont
grauwelen, grawwele, groûwele, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mopperen, zeuren
grauwelkont, grawwelkôntj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, grawwelkôntje/groûwelkoonte, grawwelkûntje/groûwelkûntje, (Nederweerts, Ospels) mopperkont; groûwelkoont(Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) mopperkont
graven, grave, werkwoord, greuftj, groeëf/groof, gegrave, graven
gravenveger, gravevaeger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gravevaegers, zeis met kort blad
greintje, greinke, greinkes, (verkleinwoord) spar
grendel, grîndjel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grîndjele, balk in midden staldeur
grenen, greîn, greîne, bijvoeglijk naamwoord, grenenhouten
grienen, griêne, werkwoord, grijnzen, huilen
griezel, greêsel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, greêsels, greêselke, hark
griezelen, greêsele, werkwoord, harken
grif, grif, bijwoord, steeds
grijnijzer, griêniêsder, griêniêzer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, griêniêsders/griêniêzers, izegrim
grijnzen, greîze, werkwoord, greisj, greiszje, gegreisj, mopperen, zachtjes
grijpen, griepe, griêpe, werkwoord, griptj//griêptj, greep/grieëp, gegrepe/gegrieëpe, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); grijpen
grijs, griês, bijvoeglijk naamwoord, griezer, griêst, grijs
grijs werk, griês wêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vuil werk
grijsje, grieske, grieskes, (verkleinwoord) tuinfluiter
grijze kraai, gries krej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gries krejje, griês krejke, bonte kraai
grijze wissen, gries wisse, (meervoud) wilgentenen, ongeschilde
gril, grel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zuur; grael hard, knarsend, schril
grillig, grellig, bijvoeglijk naamwoord, duur, erg, grillig, guur, onberekenbaar, ontstoken (bij wonden), zurig
grimas, kremasse, (meervoud) grappen
grimassen maken, kremasse make, werkwoord, gezichten snijden
grob, groop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts, Ospels) handvol
groei, gruj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, groei
groeien, grujje, werkwoord, groeien
groen, greun, bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, onzijdig, groen; rauw
groen, greun, greûn, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rauwkost, (Nederweerts, Ospels) knolgroen
groene, greune, zelfstandig naamwoord, mannelijk, appelvink, toilet, openbaar
groenmade, groômentj, grommentj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Nederweerts, Ospels; nagras
groensig, greunsig, bijvoeglijk naamwoord, groenachtig
groenspecht, greunspecht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, greunspechte, greunspechtje, groene specht
groentjes, greuntjes, (meervoud) groenten
groenvink, greunvînk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, greunvînke, greunvînkske, groenling
groes, groôs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, groze, greuske, grasveld
groezen, groze, werkwoord, grazen van vee
grof, groôf, groeëf, bijvoeglijk naamwoord, groôver/groeëver, groôfst/groeëfst, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); grof, onheus, ruw
grommelen, gromele, werkwoord, (Nederweerts) mopperen
grommen, grómme, werkwoord, (Ospels) mopperen
grommig, grómmig, bijvoeglijk naamwoord, groezelig
gromsig, grómsig, groomsig, groomsech, bijvoeglijk naamwoord, derde vorm Nederweerts; groezelig
grond, grôndj, groond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grôndje/groonde, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); akkerland
groot, groeët, bijvoeglijk naamwoord, groot
groot gaan, groeët gaon, werkwoord, zwanger zijn
groot trekken, groeët trékke, werkwoord, kweken
groot vandoen, groeët vandoon, bijvoeglijk naamwoord, noodzakelijk
groot vandoen, groeët vandoon, bijwoord, hard nodig
grootbrengen, groeëtbrînge, werkwoord, opvoeden
groothannik, groeëthannek, groeëthannik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opschepper, persoon, hovaardig
grootje, groeëtje, gruuëtje, groeëtjes/gruuëtjes, (verkleinwoord) oma
grootmoeder, groeëtmoôder, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, groeëtmoôders, groeëtmeuderke, grootmoeder
grootmuil, groeëtmoel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, groeëtmoêle, groeëtmuulke, persoon, brutaal
groots, gruuëts, bijvoeglijk naamwoord, trots, verwaand
grootse stinkerd, gruuëtse stînker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gruuëtse stînkers, gruuëts stînkerke, persoon, verwaand
grootsigheid, gruuëtsigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, verwaandheid
grootte, gruuëdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gruuëdjes, grootte
grop, gróp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grup, (Nederweerts, Ospels) man, erg sterke
grossier, grosseer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grosseers, grossier
grote, groeëte, zelfstandig naamwoord, mannelijk, groeëte, persoon, groot
grote poets, groeëte poets, zelfstandig naamwoord, mannelijk, grote schoonmaak
grote spade, groeëte spaaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, groeëte spaaje, (Nederweerts, Ospels) peelschop, soort
grove hei, groof hej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, struikheide
grub, grup, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gruppe, grupke, afvoergoot voor gier
gruis, gruûs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kolengruis
gruwelijk, grouwelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts) gruwelijk
guichel, guuchel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rommel, slecht volk
guizen, goeze, werkwoord, goesj, goeszje, gegoesj, gooien
gulden, göldje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, göldjes, gulden
gulgans, guûlegaantj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, guûlegaandje, meisje, uitgelaten/vrolijk
gulp, gölp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gölpe, gölpke, gulp
gust, göst, bijvoeglijk naamwoord, onvruchtbaar
haagwijf, hekweef, hekwieëf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hekweve/hekwieëver/hègkeweêve, hekweefke/hekwieëfke/hègkeweêfke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); moeder, ongetrouwde ; hègkeweêf (Nederweerts, Ospels) moeder, ongetrouwde
haak, haok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, häök, häökske, haak
haaks, haoks, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, haaks
haal, haol, bijvoeglijk naamwoord, puur/onvermengd, zuiver
haal, haol, bijwoord, alleen maar
haal over traal, haol oeëver traol, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, overdadig
haam, haam, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hame, trekjuk van paard
haan, haan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hane, haenke, haan
haar, eur, heur, voornaamwoord, (eerste vorm) haar, hen, jouw, uw, (tweede vorm) haar
haar, haor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haor, häörke, haar
haar terug halen, haor trök hale, werkwoord, revanche nemen, wraak nemen
haarblok, haarblok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haarblök, blok met haarspit
haarbok, haarbók, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haarbök/haarbuk, bok met haarspit
haarbol, haarbôl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haarspit (scherpen zeis)
haard, haerd, haêrd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; vloer, woonruimte
haarenkelen, harînkele, werkwoord, zich -, kneuzen van eigen enkels
haarhalen, haerhaoje, werkwoord, héltj/hiltj/hultj haer, heel haer, haergehaoje, (Nederweerts) slaag krijgen/geven, uitfoeteren
haarhamer, haarhamel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haarhamels, haarhamer
haarspang, haorspang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haorspange, haorspengske, haarspeld
haarspeld, haorspel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haorspelle, haorspelke, haarspeld
haaruit, haaroet, tussenwerpsel, paardencommando
haas, haas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haze, haeske, haas
haas, hieës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hieëse, hieëske, knieholte, kuit, onderste gedeelte; hieëske(verkleinwoord) varkensdijbeen
haast, haost, bijwoord, bijna
haast, haost, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haast
haasten, haoste, werkwoord, zich -, haasten, zich
haastig, haostig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gehaast, ongeduldig
haastig, haostig, bijwoord, plotseling
hachelen, haachele, (meervoud) vlasafval
hacht, hachte, (meervoud) haamkettingen
hagedis, eekvès, eikvès, eekvés, eikvés, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eekvèsse/eikvèsse/eekvésse/eikvésse, eekvèske/eikvèske/eekvéske/eikvéske, eerste en tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); salamander
hageldroog, hageldruuëg, bijvoeglijk naamwoord, kurkdroog
hagelkruis, hagelkruûs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hagelkruûse, hagelkruis
hagelzakje, hagelzekske, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Ospels) fuut, kleine
hak, hak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hakke, hekske, hak, hiel
hak, hak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hakke, (Nederweerts) aks, soort
haken, haoke, werkwoord, haoktj, haokdje, gehaoktj, haken, haken (handwerken)
hakfak, hakfak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, persoon met platvoeten
hakkel, hakkel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hakkele/hekkelke, winkelhaak in stof
hakkelen, hakkele, werkwoord, kerven van stof, stotteren
hakken, hakke, werkwoord, haktj, hakdje, gehaktj, glijden, onderuit (ijsbaan), twisten
hakschaarde, hakschaard, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hakschaarde, kerf (in ’n mes)
haksel, heksel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, haksel
haksgat, haksgaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, winkelhaak in stof
hakvlootje, hakvleutje, hakvluuëtje, hakvleutjes/hakvluuëtjes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); snijplank
half, hâlf, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, half
halfer, hâlfer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hâlfers, oppervlaktemaat (½ are), pachter
halflappen, hâlflappe, werkwoord, repareren van schoenen , verzolen (halve zool)
halfscheer, halfschieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, halfschieëre, half spant
halfvasten, hâlfvaste, zelfstandig naamwoord, mannelijk, halfvasten
halfweg, hâlfweegs, hâlfwieëgs, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); halverwege
hals, hâls, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hels, helske, hals, sukkel
halsje, hêlske, hêlskes, (verkleinwoord) kind, lief
halsoverkop, hâls oeëver kop, hâls over kop, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; gehaast
halster, helchter, zelfstandig naamwoord, onzijdig, helchters, halster; helfter halster
halsteren, helchtere, werkwoord, stuntelig werken
halverwege, hâlverwege, hâlverweges, hâlverwieëge, bijwoord, eerste en tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); halverwege
hamen, hame, werkwoord, zich -, opschieten, goed met elkaar, verdragen, elkaar
hampelen, hâmpele, werkwoord, onhandig werken
hampelman, hâmpelemân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hâmpelemèn, hâmpelemènke, man/jongen, onhandige , nietsnut
hand, hând, hândj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hang, hendje, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; hand
handel, hândel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, handel
handelaar, hândelaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hândelaers, hândelaerke, handelaar
handig, hendjig, henjig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, handig
handigheid, hendjigheid, henjigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hen(d)jigheidje, vaardigheid
handjeklap, hendje klap, zelfstandig naamwoord, meisjesspel
handjeraden, hendje raoje, zelfstandig naamwoord, knobelen (met knikkers)
handjestaan, hendje staon, zelfstandig naamwoord, handje staan bij klimmen
handlopen, hangloupe, werkwoord, lopen op de handen
handschoen, haos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haose, häöske, handschoen
handveger, hândjvaeger, hândvaeger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hândjvaegers/hândvaegers, hândjvaegerke/hândvaegerke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); stoffer
handvol, hâmfel, hâmpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hâmfels/hâmpels, hêmfelke/hêmpelke, handvol
hanengekraai, hanegekrej, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gekraai van een haan
hanenkam, hanekâmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hanekèm, hanenkam
hanenkul, hanekölle, (meervoud) rozenbottels
hanenschrei, haneschrej, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gekraai van een haan
hanenspar, haansperre, (meervoud) hanenbalken; haamsperre (meervoud) (Ospels) hanenbalken
hang naar, hânk nao, zelfstandig naamwoord, mannelijk, verlangen (naar)
hangen, hânge, werkwoord, hingtj, hóng, gehânge, hangen
hanger, hânger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hângers, hêngerke, hanger(tje) (sieraad), kleerhanger
hangoren krijgen, hangoeëre kriege, krigtj, kreeg, gekrege, (Nederweerts) hangoeëre -, draai om de oren
hannes, hannes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hannese, lomperik, man/jongen, onhandige
hannik, hannik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hannike, lomperik, man/jongen, onhandige
hap, hap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hep, hepke, hap
happig, heppig, bijvoeglijk naamwoord, gretig
hard, haard, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, haarder, haardst, hard
harde, haarde, bijwoord, oppen -, mensen, onder de
hardloper, haardluîper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haardluîpers, haardluîperke, schooier
harig, haorig, häörig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); harig
haring, heêring, hieëring, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hieëringe, hieëringske, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; wederik
harmonica, moeënika, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moeënika's, accordeon, harmonica
harmonie, harmeni-j, hermeni-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, harmeni-jje/hermeni-jje, harmenieke/hermenieke, harmonie
harren, harre, werkwoord, (Nederweerts) volharden
harrewarrerij, herwerderi-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ruzie
harst, herst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, herste, persoon, raar/vreemd, speklap, stijfkop, sufferd
harstenklever, hersteklever, hersteklieëver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hersteklevers, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gierigaard , stijfkop
harstenkot, herstekoêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, afdruk speklap (pannenkoek)
hart, hert, zelfstandig naamwoord, onzijdig, herte, hertje, hart
hartelijk, hertelik, bijvoeglijk naamwoord, hartelijk, hartig
hartenjagen, hertejage, (meervoud) hartenjagen (kaartspel)
hartig, hertig, bijvoeglijk naamwoord, hartig
hartstikke, herstikke, bijwoord, helemaal
hawoeks, hawoêks, tussenwerpsel, roep om hond te tergen
hazelnoot, hazelnoot, hazelnoeët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hazelneut/hazelnuuët, hazelneutje/hazelnuuëtje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); hazelnoot
hazelstruik, hazelstroêk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hazelstruûk, hazelstruûkske, hazelaar
hazelworm, hazewôrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hazewörm, hazewörmke, (Ospels) hazelworm
hazengerf, hazegerf, hazegêrf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; duizendblad
hazenklee, hazeklieë, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klaverzuring
hazenkot, hazekoêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hazekoête, hazenleger
hazenoor, hazenoeër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hazenoeëre, turfspade
hebben, hebbe, werkwoord, hieët/hieëf/heet, haaj, gehadj, hebben
hebben en houden, hebben-en-haoje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, fortuin, bezit
hebbig, hebbig, bijvoeglijk naamwoord, hebzuchtig
hecht, hicht, heejcht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hichte/heejchte, hichtje, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; handvat
heel, hieël, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, heel
heel, hieël, bijwoord, helemaal
heel, hieël, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hieële, hieëlke, zwenkarm
heel niet, hieël neet, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) geenszins
heelbeen, heîlbein, zelfstandig naamwoord, mannelijk, smeerwortel
heem, heîm, huîm, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Weerts (stadweerts); huis, thuis, op - aan, huis, naar …. toe
heemwaarts, heivers, bijwoord, huiswaarts
heen, hieën, bijwoord, heen
heer, hieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hieëre, hieërke, heer
heeroom, hieëroeëm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hieëroeëms/hieëroeëmes, heeroom
heerschap, hieërschap, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hieërschappe, heerschap; verhuurder (van boerderij)
hees, heîs, bijvoeglijk naamwoord, hees, schor
heester, hieëster, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hieësters, heester
heet, heît, bijvoeglijk naamwoord, heet
heet liegen, heîte lege, werkwoord, ontkennen
heffen, höffe, werkwoord, bier drinken, couperen bij kaarten, tillen
heg, hèk, hék, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hègke/hégke, hèkske/hékske, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); haag/heg
heggenadvocaat, hègkenadvekaot, hégkenadvekaot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hègkenadvekaote/hégkenadvekaote, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); advocaat van kwade zaken, beunhaas, raadgever, slechte
heggenappeltje, hègke-eppelke, hégke-eppelke, hègke-eppelkes/hégke-eppelkes, (verkleinwoord), eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); appeltje, wild
heggenbloem, hègkebloom, hégkebloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hègkeblome/hégkeblome, hègkebleumke/hégkebleumke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); haagwinde
heggendunsel, hégkedunsel, hègkedunsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; heggesnoeisel
heggenschaar, hègkeschieër, hégkeschieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hègkeschieëre/hégkeschieëre/hèkschieëre/hékschieër, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); heggenschaar; hèkschieër, hékschieër
heggensnoeisel, hégkesnujsel, hégkesnujtsel, hègkesnujsel, hègkesnujtsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde en vierde vorm Nederweerts, Ospels; heggensnoeisel
heggenteer, hégketerre, hègketerre, (meervoud) eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; haagbeuk
hegteut, hektäöt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hektäöte, hektäötje, grasmus
Hei, Hej, eigennaam, de -, Altweerterheide
hei, hej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, heide
hei op, hei op, hej op, bijwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); aanhoudend
hei wie nieuw, hej wi-j nej, bijwoord, nippertje, op 't
heideleeuwerik, hejlieëwêrk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hejlieëwêrke, boomleeuwerik
heidemaaier, hejmejjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hejmejjers, heidemaaier, iemand die veel eet
heidemus, hejmöske, hejmöskes, (verkleinwoord) (Ospels) kneu
heideputter, hejpötterke, hejpötterkes, (verkleinwoord) distelvink
heiderus, hejrisse, (meervoud) heizoden
heidetietsje, hejtitske, hejtitskes, (verkleinwoord) paapje (vogel)
heidevink, hejvînk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hejvînke, hejvînkske, boompieper
heigaffel, hejgaffel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hejgaffels, hejgeffelke, riek, houten
heikneuter, hejkneuter, hejknuiter, hejknuuëter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hejkneuters/hejknuuëters, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede en derde vorm Weerts (stadweerts); tapuit
heilig, haelig, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) heilig
heiligenhuisje, heilige, (meervoud) bieten, doorgeschoten
heiligenhuisje, heiligehuuske, heiligehuuskes, (verkleinwoord) café, herberg, kapelletje, straataltaar (bij processie)
hek, hèk, hék, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hègke/hégke/hèkkes, hèkske/hékske, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); hek; hèkke (Nederweerts, Ospels) hek
hekelen, heechele, werkwoord, hekelen (van vlas)
heksen, hekse, werkwoord, heksj, hekszje, geheksj, vlug iets doen
heksenbezem, heksebeêsem, heksebieësem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); heksenbezem
heksenscheut, heksescheut, hekseschuuët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heksescheut/hekseschuuët, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); rugpijn, plotselinge
hel, hél, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hel
hel, hêl, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) kras
held, hêldj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hêldje, held
helegaar, hieëlegaar, bijwoord, (Ospels) helemaal
helemaal, hieëlemaol, hieëmaol, bijwoord, helemaal
helen, heîle, werkwoord, genezen
help, hêlpe, (meervoud) bretels
helpen, hêlpe, werkwoord, hölptj/hêlptj, hôlp/heelp, gehôlpe, helpen
helpzeel, hêlpzeîl, hêlpzael, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hêlpzeîle/hêlpzaele, tweede vorm Nederweerts; schouderriem
hem, eum, voornaamwoord, hem
hemd, humme, hûmme, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hummes/hûmmes, humke/hûmke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); hemd
hemdrok, hêmprok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hêmprokke, hêmprökske, borstrok
hemdslip, hûmmeslup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hûmmesluppe, hûmmeslupke, hemd
hemel, hemel, hieëmel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hemels/hieëmels, hemelke/hieëmelke, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); hemel, baldakijn
hemelbij, hemelsbi-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hemelsbi-jje, hemelsbi-jke, (Nederweerts, Ospels) dar
hemelen, hemele, hieëmele, werkwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); hemelen, doodgaan
hemelgeit, hemelsgeit, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hemelsgeite, watersnip
hemelvleug, hemelsvleug, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, waterplas in zandweg
hen, hin, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hinne, hin-ke/hinneke, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) kip
heng, ging, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ginge, (Nederweerts) scharnier
hengel, hîngel, ingel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hîngels/ingels, hîngelke/ingelke, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; hengsel
hengelen, hîngele, hingele, hîngele, werkwoord, tweede vorm Ospels;derde vorm Weerts (stadweerts); hengelen, (Ospels) treuzelen, (Weerts (stadweerts)) stechelen
hengsel, hingsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hingsels, hingselke, hengsel
hengst, hingst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hingste, hengst
hengsten, hingste, werkwoord, hard werken, ruzie maken
hengstig, hingstig, bijvoeglijk naamwoord, bronstig
hennendraad, hinnedraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) kippengaas
hennenkooi, hinnekoeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hinnekuuëj, hinnekuuëtje, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) kippenhok
hennep, kennep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hennep
her, haer, bijwoord, geleden, heen, naar(toe), vandaan
her, her, bijwoord, terug
her, her, zelfstandig naamwoord, mannelijk, herre, duim (bij scharnier)
her en terug, haer en trök, bijwoord, op en neer
hercuul, herkuul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, held, krachtpatser
herengodgenade, hieëregodgenaoje, hieëregodsgenaoj, tussenwerpsel, potverdorie
herenteer, herreterre, (meervoud) haagbeuken
herfst, herfst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, herfst, nagewas
herik, haerik, hieërik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Ospels; herik
herkomst, haerkumst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts) herkomst
hersenknijper, herseknepper, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hersekneppers, herseknepperke, mus
hersens, horre, (meervoud) hersens; herre (meervoud) hersens van slachtvee
hersens, herses, harses, (meervoud) hersenen
herslag, herslaag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ingewanden slachtvee
heruit, haeroet, bijwoord, (Nederweerts) vandaan
hesp, hésp, heespe, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, héspe/hespe, eerste vorm Buitenijen, kerkdorpen rondom stadskerntweede vorm Nederweerts, Ospels; spek (buik-/rug-); hesp (Weerts (stadweerts)) ham, spek (buik-/rug-)
hespenschenk, hespeschînk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hespeschînke, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) ham
hespenvlees, heespesvleîs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts, Ospels) ham als broodbeleg
het, het, lidwoord, het
het, het, voornaamwoord, zij
hete bliksem, heîte bliksem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heîte bliksems, persoon, hartstochtelijk , geilaard
heten, heîte, werkwoord, hétj, hétdje, geheîte, noemen/benoemen, heten
heten naar, heîte nao, werkwoord, noemen naar
hetepeentjes, heîtepiekes, heîtepietjes, (verkleinwoord, meervoud) eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; worteltjes
heugen, heuge, werkwoord, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) zich -, herinneren, zich
heugen, huuëge, werkwoord, (Weerts (stadweerts)) hoogjassen (kaartspel), zich -, zich herinneren
heulbank, heulbânk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, heulbênk, heulbênkske, klompenmakersbank
heup, heup, huuëp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, heupe/huuëpe, heupke/huuëpke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); heup
hevel, hieëvel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Weerts (stadweerts)) zuurdesem; heêvel (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) zuurdesem
hevelen, hieëvele, werkwoord, hevelen, pesten
hielenkletser, hieësekletser, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hieëskletsers, hieësekletserke, slipjas
hiep, hieëp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hieëpe, hieëpke, hakmes
hier, heej, bijwoord, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) hier
hier, hî-j, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) hier
hierher, heejhaer, bijwoord, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) hierheen; hî-jhaêr(Nederweerts, Ospels) hierheen
hierop, heejerop, heejeroppes, bijwoord, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) hiernaartoe
hieroppers, hî-jjeroppers, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) hiernaartoe
hij, hae, voornaamwoord, hij; ae(Nederweerts, Ospels) hij
hijgen, giêge, werkwoord, ademhalen, piepend, hijgen
hijgen, hiêge, werkwoord, hijgen
hijpen, hiêpe, werkwoord, platliggen van een haas
hijskernel, iêskernêl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iêskernèlle, iêskernèlke, draaitol
hinkelen, hînkele, hoonkele, werkwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); hinken
hinkelman, înkelmân, înkemân, îngemân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, înkelmènke/înkemènke/îngemènke/hînkelemènke, hînke, etensketeltjes (aaneen); hînkelemân, hînkemânetensketeltjes, twee (aaneen)
hinnebes, hinnebieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hinnebieëre/hinnebeêre, hinnebieërke/hinnebeêrke, (Weerts (stadweerts)) vossebes; hinnebeêr (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) vossebes
hir, hir, bijwoord, kittig
hitsen, hitse, werkwoord, warmte geven
hitsig, hitsig, bijvoeglijk naamwoord, hartstochtelijk
hitte, hits, hitst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hitte
hitteblaar, hitsbläörke, hitstbläörke, (verkleinwoord) pukkeltje
ho, how, tussenwerpsel, stop, nou
hobbelpaard, hoepelpaerd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hoepelpaerd, hoepelperdje, hobbelpaard
hoddelgewerk, hoddelgewêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, knoeiwerk
hoddelwerk, hoddelwêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, knoeiwerk
hoed, hoed, hood, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heuj/hoede, hoedje/heudje, hoed
hoeden, heuje, werkwoord, hoeden (bv. schapen), zich -, zich hoeden, oppassen
hoefijzer, hoofiêsder, hoofiêzer, hoefiêsder, hoefiêzer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hoofiêsders/hoofiêzers/hoefiêsders/hoefiêzers, hoofiêsderke/hoofiêzerke/hoefiêsderke/hoefiêzerke, eerste en tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); hoefijzer
hoefpin, hoôfpîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoôfpin, hoôfpin-ke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) pootstok
hoefslag, hoofslaag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) paardenpad
hoek, hook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heuk, hukske, hoek
hoen, hoon, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoonder, heunke, (Nederweerts, Ospels) kip, sukkel
hoenderdraad, hoonderdraod, hoonderedraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) kippengaas
hoenderkooi, hoonderekoeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoonderekuuëj, hoonderekuuëtje, (Nederweerts, Ospels) kippenhok
hoendermoes, hoondermoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hoondermeuske, (Ospels) boerenkool
hoer, hoor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hore, heurke, hoer
hoesten, hooste, werkwoord, hoos(t)j, hooszje/hoostdje, gehoos(t)j, hoesten
hoetelaar, hoetelert, hoêtelert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoetelers, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); sjacheraar
hoetelen, hoetele, hoêtele, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); ruilen, sjacheren
hoeten, hoeëte, werkwoord, luieren (in bed)
hoeven, hove, werkwoord, hoeven/behoeven, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels), tuinieren
hoevens, hoves, (meervoud) (Nederweerts, Ospels) akkerland, afgelegen
hof, hoôf, hoeëf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heuf, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); erf, hoeve, tuin
hoffluiter, hoôffluiter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoôffluiters/hoeëffluiters, hoôffluiterke/hoeëffluiterke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) tuinfluiter; hoeëffluiter (Weerts (stadweerts)) heggenmus, tuinfluiter
hofpin, hoeëfpîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëfpin, hoeëfpin-ke, (Weerts (stadweerts)) pootstok
hoho, howhow, tussenwerpsel, stop
hol, hoôl, bijvoeglijk naamwoord, holle, (Nederweerts, Ospels) uitgehold; hoeël (Weerts (stadweerts)) hol; hol uitgehold
hol, hoôl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hoôle/heule/höl, hölke/heulke, (Nederweerts, Ospels) hol; hol hol
hol, hoeël, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoeële/hoôle, huuëlke/heulke, (Weerts (stadweerts)) ketel, pan, pot; hoôl (Nederweerts, Ospels) ketel, pot/pan
holapietje, holapietje, holapietjes, (verkleinwoord) borreltje met “kop”
holkop, hoolkop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoôlköp, hoôlköpke, (Nederweerts, Ospels) persoon, vergeetachtig
Hollander, Hollander, zelfstandig naamwoord, mannelijk, Hollanders/Hollèndjers, Noordnederlander, Hollander; Hollèndjer (Nederweerts, Ospels) Noordnederlander, Hollander
Hollands, Huîlands, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 't -, Nederlands (taal)
holle klot, haole klot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, turf, zwarte, gezelligheid
holletje, heulke, heulkes, (verkleinwoord) kookpannetje
holpijp, hoolpiêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoôlpiêpe, hoôlpiêpke, buis, holle
hommel, hummel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hummels, (Nederweerts, Ospels) hommel
hommelen, hommele, werkwoord, (Nederweerts) rommelen, zacht
hommelter, hummeltjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hummeltjers, hommel
homp, hômp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hômpe, heumpke, (Nederweerts, Ospels) homp; hoomp (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) homp
homp, hômp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hômpe, (Nederweerts, Ospels) daas, paardenvlieg; hoomp (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) daas, paardenvlieg
hompelen, hômpele, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) hinken, strompelen
hond, hôndj, hoond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hóng/hung/hundj, hundje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); hond
honderd, hóngerd, telwoord, honderd
honderd, hóngerte, telwoord, honderden
honderdste, hóngerste, telwoord, honderste
honds, hóngs, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, honds
hondsbes, hóngsbeêr, hóngsbieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hóngsbeêre/hóngsbieëre, hóngsbeêrke/hóngsbieërke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); zwarte bes
hondsbloem, hóngsbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hóngsblome, hóngsbleumke, hondsbloem
hondsdagen, hóngsdaag, (meervoud) hondsdagen
hondsgezeik, hóngsgezeîke, bijwoord, alle -, haverklap, om de
hondshout, hóngshout, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vuilboom
hondskersenhout, hóngskörsehout, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hout van vuilboom
hondskooi, hóngskoeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hóngskuuëj, hóngskuuëtje, hondenhok
hondsmik, hóngsmik, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ontsteking nagelrand
honger, hônger, hoonger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); honger
honing, hoeëning, honing, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; honing
honingdrijvertje, honingdriêverke, hoeëningdriêverke, honingdriêverkes/hoeëningdriêverkes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); honingzuiger (vogel)
honingraat, hoeëningraot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëningräöj, hoeëningräötje, (Weerts (stadweerts)) honingraat
honskers, hóngskörse, (meervoud) hondsroos
hoofd, eûfke, eufkes/uuëfkes, (verkleinwoord) (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) doetje; uuëfke(verkleinwoord) (Weerts (stadweerts)) doetje
hoofd, hoeëfd, höt, huit, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hoeëfde/hui-jer, hötje, (eerste vorm) baas, (tweede vorm) hoofd, kool, volgroeid, (derde vorm) hoofd
hoofdkaas, huitkieës, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zult
hoofdknuddel, huitknudel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, huitknudels, huitknudelke, baas, hoofdman
hoofdpeluw, huitpölf, huitpläög, zelfstandig naamwoord, mannelijk, huipölve/huitpölfte/huitpläöge, huitpläögske, tweede vorm Nederweerts, Ospels; peluw
hoofdstel, hötsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hötsels, hötselke, bustehouder, paardenhoofdstel, vrouw, lompe
hoofdstuk, hoeëfstök, hoofdstök, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hoeëf(d)stökke/hoofdstökke, hoeëf(d)stökske/hoofdstökske, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; hoofdstuk
hoofdvlees, huitvleîs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts, Ospels) zult
hoog, hoeëg, bijvoeglijk naamwoord, hoog
hoogkar, hoeëgker, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoeëgkerre, kar, hoge tweewielige
hoogkijker, hoeëgkieker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëgkiekers, persoon, verwaand
hoogmis, hoeëgmés, hoeëmes, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoeëgmésse/hoeëmese, hoogmis
hoogsel, huuëgsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, huuëgsels, zijschot, afneembaar
hoogsel, huuëgsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, opgeld
hoogstens, huuëgstes, bijwoord, hoogstens/ten hoogste
hoogte, huuëgdje, huuëje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, huuëgdjes/huuëjes, hoogte
hoogvaart, hoeëgvaart, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoeëgvaarte, reuzenrad (kermisattractie)
hoogvlieger, hoeëgvleger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëgvlegers, hoeëgvlegerke, hoogvlieger, uitblinker
hooi, hoeëj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hooi
hooiberg, hoeëjbêrg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëjbêrge, hooimijt
hooiberm, hoeëjbêrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëjbêrme, hooimijt
hooien, hoeëje, werkwoord, doorwoelen, haasten, hooien
hooigaffel, hoeëjgaffel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoeëjgaffels, hooivork
hooiopper, hoeëjopper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëjöpper, hoeëjöpperke, (Nederweerts) hooiopper
hooireep, hoeëjreîp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoeëjreîpe, hoeëjreîpke, hooiruif
hooiriek, hoeëjraek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëjraeke, hoeëjraekske, hooihark van hout
hooischelf, hoeëjschelft, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëjschelfte, hooizolder
hooispringer, hoeëjsprînger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëjsprîngers, hoeëjsprîngerke, sprinkhaan
hooivisje, hoeëjvèske, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Ospels) kattenpoep
hooiwagen, hoeëjwage, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeëjwages, hooiwagen, langpootmug, spinnensoort
hoolsluits, hoeëlsoêts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoeëlsoêtse, boomstam, holle, persoon, vergeetachtig
hoop, houp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, huîp, huîpke, hoop
hoop en al, houp en âl, bijwoord, hooguit
hoops, huîps, bijwoord, veel, heel
hoorn, hoôre, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoôres, (Nederweerts, Ospels) doffer
hoorn, hoôre, zelfstandig naamwoord, mannelijk, heur, heurke, (Nederweerts, Ospels) horen van beest
hoornen, heure, hoôre, bijvoeglijk naamwoord, tweede vorm Nederweerts, Ospels; hoornen
hoorntje, heurke, heurkes, (verkleinwoord) (Nederweerts) opzetstuk vleesmolentje
hoos, hoos, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoze, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) kous, lange
hoos, hoeëze, (meervoud) (Weerts (stadweerts)) kousen
hoosbendel, hoeësbîngel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeësbîngels/hoosbîngels, hoeësbîngelke, (Weerts (stadweerts)) kousenband; hoosbîngel (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) jarretel, kousenband
hop, hoep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoepe, hop (vogel)
hopen, hoeëpe, huîpe, werkwoord, (eerste vorm) hopen, (tweede vorm) massa vormen, ophopen, stapelen
hopen zetten, huîp zétte, werkwoord, ophokken (graanschoven)
hophak, hoephak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoephakke, hop (vogel)
hopkedee, hoepkedee, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoepkedees, kind, klein, vrouwtje, klein
hoppen, hoepe, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) huppelen, wippen, op en neer
hopper, hoepert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hoeperte, hop (vogel)
hor, hor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, horre/hörtjes/hortjes, hortje/hörtje, latwerk, rek, vliegengaas; hörtje (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) rekje van latjes; hortje (verkleinwoord) rekje van latjes, onderzetter
horen, huuëre, werkwoord, horen
horloge, horlozie, gerloeëzje, gerloôzie, gerloôzjie, horloeëzje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, horlozies/gerloeëzjes/gerloeëzjies/gerloôz(j)ies/h, horlozieke/gerloeëzjeke/gerloôz(j)ieke/horloeëziek, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde en vierde vorm Nederweerts, Ospels; vijfde vorm Weerts (stadweerts); horloge
hortelen, hortele, werkwoord, (Ospels) klonteren
horzel, hoostel, hoorstel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoostels, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Ospels; horzel
hotselen, hotsele, hootsele, werkwoord, (eerste vorm) schiften van melk; tweede vorm Ospels, aarzelen, onhandig werken
houd je, houtje, tussenwerpsel, tot kijk; hawtje (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) tot ziens
houden, haoje, werkwoord, héltj/hiltj/hultj, heel, gehaoje, houden, nestelen, zich -, goed blijven, staon te -, niets doen
houder, haojer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, haojers, haojerke, houder
houding, haojing, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, haojinge, houding
hout, hout, howt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, houter, houtje, tweede vorm Ospels; hout
houtduif, houtdoef, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, houtdoêve, houtduufke, bosduif
houtere, hoûtere, zelfstandig naamwoord, mannelijk, persoon, lomp en stijf
houteren, hoûtere, bijvoeglijk naamwoord, houten; holteren (Nederweerts) houten
houtje, höltje, höltjes, (verkleinwoord) (Ospels) stokje
houtmallejan, houtmarrejan, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts) mallejan
houtspecht, houtspecht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, houtspechte, specht, groene
houweel, houwieël, zelfstandig naamwoord, onzijdig, houwieële, houwieëlke, houweel
houwekster, houwaegerst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, houwaegerste, klapekster
houwen, hawwe, houwe, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; slaan
houwer, houwer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, houwers, zeis met klein blad
houwmouw, houwmouw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stuifwind
hoven, hoeëve, werkwoord, (Weerts (stadweerts)) tuinieren
hozen, hoeëze, werkwoord, (Weerts (stadweerts)) hozen
hozenbengel, hozebîngel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hozebîngels, hozebîngelke, (Nederweerts) deugniet
hozzesmens, hozzesmins, tussenwerpsel, tjongejonge
hozzesmens evenwel, hozzesmins aevel, tussenwerpsel, (Ospels) tjongejonge
hufje, huuëfke, huuëfkes, (verkleinwoord) (Weerts (stadweerts)) meisje, wispelturig
hufter, höfter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, höfters, hufter
hufter, heufter, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts, Ospels) meisje, dom
huid, hoêd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, huûdje, huid
huifkar, hoefkèr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoefkerre, hoefkèrke, huifkar
huik, huik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, huike, omslagdoek voor baby’s
huik, huûkske, huûkskes, (verkleinwoord) hurkhouding
huilen, huûle, werkwoord, huilen
huis, hoês, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hoêze/hoêze/hoêsder, huuske, huis, woonkeuken boerderij
huishouden, hoêshaoje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hoêshaojes, huishouden
huishoudster, hoêshaodster, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoêshaodsters, hoêshaodsterke, huishoudster
huisje, huuske, huske, huuskes/huskes/tuuskes/tuskes, (verkleinwoord) tweede vorm Nederweerts, Ospels; toilet buitenshuis, wc buitenshuis; tuske, tuuske (verkleinwoord) eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); wc buitenshuis
huiskets, hoêskets, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoêsketse, huismus
huismus, hoêsmös, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoêsmösse, hoêsmöske, huismus
huisvrouw, hoêsvraw, hoêsvrouw, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoêsvröllie, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; huisvrouw
huiswaarts, huivers, bijwoord, (Ospels) huiswaarts
huizen, hoeze, werkwoord, hoesj, hoeszje, gehoesj, wonen
hukken, hökke, werkwoord, höktj, hökdje, gehöktj, ophitsen, uitdagen
hulde, höldje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hulde
hulp, hölp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hölpe, hölpke, hulp
huls, höls, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hölze, hölske, huls
hulst, hölst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hulst
hult en bult, höltj en böltj, bijwoord, oneffen
hummel, hummelke, hummelkes, (verkleinwoord) kind, klein
hummeren, hummere, werkwoord, hinniken
huppelpop, huppelpupke, huppelpupkes, (verkleinwoord) dansmarietje
huppieterug, huppietrök, bijwoord, achteruit
hurken, hoke, werkwoord, hooktj zich, hookdje zich, zich gehooktj, zich -, terugdeinzen; hoêke hurken, zich -, bukken, wegduiken; hukke (Nederweerts, Ospels) gehurkt zitten
hurtig, hörtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gejaagd
hurtig, hörtig, bijwoord, horten en stoten, met
hut, hut, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, dommerik
hutten, hutte, (meervoud) ogen
huttentut, huttentut, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts, Ospels) pijpenstro
huttepetut, hutepetuut, bijwoord, habbekrats
huur, heur, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, heure, huur
hypocriet, iêpekrietje, iêpekrietjes, (verkleinwoord) persoon, hypocriet, persoon, nurks , ventje, klein
idioot, idioeët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, idioeëte, idiuuëtje, idioot
ieder, eder, voornaamwoord, iedereen
iedere keer, ederskieër, edeskieër, bijwoord, iedere keer; edere kieër iedere keer
iedereen, edereîn, voornaamwoord, iedereen
iel, iel, bijvoeglijk naamwoord, dun, tenger
iemand, emes, voornaamwoord, iemand; eme iemand
iemand anders, emes ângers, voornaamwoord, iemand anders, ik; emen ângers iemand anders, ik
iet, eet, voornaamwoord, wat
iets, eet, eets, voornaamwoord, iets
ietsje, eetske, eetskes, voornaamwoord, beetje, ‘n
ijlen, iêle, werkwoord, ijlen
ijs, iês, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ijs
ijsbeentje, iêsbeinke, (verkleinwoord) spierpijn
ijsco, eiskout, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eiskoutje, ijs(je)
ijsdop, iêsdop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iêsdöp, iêsdöpke, priktol
ijsheilige, iêsheilige, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iêsheilige, ijsheilige
ijsje, iêske, iêskes, (verkleinwoord) ijsje/ijsco
ijskast, iêskast, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iêskest, iêskes(t)je, koelkast
ijspoeper, iêspoeper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, iêspoepers, iêspoeperke, priktol
ijsschol, iêsschol, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, iêsscholle, iêsschölke, ijsschots
ijsvogel, iêsveugelke, iêsvuuëgelke, iêsveugelkes/iêsvuuëgelkes, (verkleinwoord), eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); ijsvogeltje
ijver, iêver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ijver
ijveren, iêvere, werkwoord, stimuleren, ijveren
ijzel, iêsel, iêzel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ijzel
ijzelen, iêsele, iêzele, werkwoord, ijzelen
ijzelpeer, iêselpaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, iêselpaere, iêselpaerke, herenpeer
ijzer, iêsder, iêzer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, iêsders/iêzers, iêsderke/iêzerke, ijzer
ijzeren klompje, iêsdere klûmpke, iêsdere klûmpkes, (verkleinwoord) appelsoort
IJzeren Man, Iêzere Mân, eigennaam, IJzeren Man
ijzertik, iêzertik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ijzertik (tikspel)
ijzig, iêzig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ijzig
ik, ich, iche, voornaamwoord, (eerste vorm) ik, (tweede vorm) ik!
immelijk, ieëmelik, bijvoeglijk naamwoord, honingzoet, walgelijk (van smaak), weeïg (reuk)
immelijke, ieëmelike, zelfstandig naamwoord, mannelijk, man, vervelende
in, in, voorzetsel, bijwoord, bij, in
in de gang, innegang, bijwoord, meteen, tegelijkertijd
in de langeweg, inne langeweêg, inne langewieëg, bijwoord, lengte, in de
in de poepzak zitten, inne poepzak zitte, werkwoord, bang zijn
in de war, inne wer, zelfstandig naamwoord, war, in de
in deel dat, in dael det, voegwoord, (Ospels) terwijl
in die tijd, in daen tiêd, bijwoord, toendertijd
in het eerst, int-ieërst, bijwoord, voorlopig
in kortst, in körts, in körtst, in kors, in korts, bijwoord, onlangs
inbeelden, inbieële, werkwoord, zich -, verbeelden (zich), vermoeden
inbeelding, inbieëling, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, inbieëlinge, verbeelding, waanidee
indraaien, indrejje, werkwoord, indraaien, omwikkelen
ineens, ineins, inéns, inèns, bijwoord, ineens
infermantig, infermêntig, bijwoord, (Nederweerts) flink, geweldig, hels, verschrikkelijk
ingelegde haring, ingelagdje hieëring, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ingelagdje hieëringe, haring, zure, zuurpruim, droogstoppel (sul)
ingemaakt varken, ingemaaktj vêrke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ingemaakdje vêrkes, gierigaard
ingetogen, ingetoeëge, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ingetogen
ingeval, ingevâl, voegwoord, als/indien
inhebben, inhebbe, werkwoord, hieët/heet 't in, haaj 't in, 't in gehadj, op zijn heupen hebben
inhouden, inhaoje, werkwoord, inhouden
inkeer, inkieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, inkeer
inkomen, inkaome, zelfstandig naamwoord, onzijdig, inkaomes, inkomen
inkorts, inkorts, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) binnenkort, onlangs
inktlap, înklap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, înklep, înklepke, inktlap
inlijsten, inliêste, werkwoord, liêsj in, liêszje/liêsdje in, ingeliêsj, inlijsten
inmaken, inmake, werkwoord, maaktj in, maakdje in, ingemaaktj, verslaan, wecken
inramen, inrame, werkwoord, inlijsten
inscharen, inschieëre, werkwoord, vee van ander erbij nemen
inschieten, inscheête, werkwoord, schutj in, schoeët/schoot in,, inschieten (brood in oven), kwijtraken, d'rbeej -, tekort komen
inschudden, inschödde, werkwoord, schödtj in, schödje in, ingeschödj, inschenken
insgelijks, insgeliêke, bijwoord, evenzo, insgelijks
intijds, intieds, intids, bijwoord, tweede vorm Nederweerts; tijdig
intrekken, intrékke, intrèkke, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; samenwonen, gaan
introuwen, intrawwe, introuwe, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; inwonen bij familie
invamen, inveême, invieëme, werkwoord, veemtj in, veemdje in, ingeveemdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); insteken, ‘n draad
inwijden, inwi-jje, werkwoord, inwijden
inzepen, inzeîpe, werkwoord, inzepen
inzitten, inzitte, werkwoord, meevoelen, d'r mej -, probleem hebben, een
inzouten, inzaote, werkwoord, pekelen
ivoor, ivoeër, ivoor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; ivoor
izegrim, iêzegrim, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brombeer, knorrepot
ja, jao, bijwoord, ja
ja, jeh, tussenwerpsel, tja
ja dat, jeh deh, tussenwerpsel, warempel
ja maar, jao-mèr, tussenwerpsel, wat nu?
ja nee, jehneîn, tussenwerpsel, welnee, zeker niet!
ja waar, jao waor, tussenwerpsel, nietwaar
jaar, jaor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, jaore, jäörke, jaar
jaargetijde, jaorgeti-j, zelfstandig naamwoord, onzijdig, jaorgeti-jje, jaargetijde
jaarling, jäörling, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jäörlinge, jäörlingske, éénjarig veulen of rund
jaarmarkt, jaormêrrentj, jaormêrretj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jaormêrrendje/jaormêrretje, tweede vorm Nederweerts; jaarmarkt
jacht, jaacht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jaachte, jachtveld
jacht, jaacht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jacht
jagen, jage, werkwoord, jeugtj, joog, gejaagdj, haastig zijn, jagen
jager, jeêger, jieëger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jeêgers/jieëgers, jegerke/jieëgerke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); jager
jaja, jejjao, tussenwerpsel, jazeker
jakken, jakke, werkwoord, jaktj, jakdje, gejaktj, rondlopen, uithuizig zijn
jakker, jakkert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jakkers, persoon, uithuizig
jaksjees, jaksjees, jaksjieës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jaksjeêze/jaksjieëze, jaksjeeske/jaksjieëske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); persoon, gehaast , persoon, uithuizig
jaloers, zjeloers, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, jaloers
jaloezie, zjallezie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zjallezie, zjallezieke, rolluik
jaloezie, zjallezie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, afgunst, jaloezie
jam, zjem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jam
jammer, jaomer, bijvoeglijk naamwoord, tussenwerpsel, jammer
janken, jânke, werkwoord, jânktj, jânkdje, gejânktj, huilen
jaren her, jaore her, bijwoord, geleden, lang, vroeger
jarig, jaorig, jäörig, bijvoeglijk naamwoord, jarig
jarige, jaorige, jäörige, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jaorige/jäörige, jarige
jarretel, zjarretel, zjartèl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, zjarretels, zjarretelke/zjartèlke, kousophouder (vrouwen)
jas, jas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jes/jasse, jeske, jas
jassen, jasse, werkwoord, jasj, jaszje, gejasj, aardappelen schillen
jatsen, jatse, werkwoord, jatsj, jatszje, gejatsj, rondzwerven
jawel, jaowaal, jewaal, jaowul, tussenwerpsel, jawel
jawoord, jaowoeërd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, jawoord
jazeker, jaozieëker, tussenwerpsel, zeker wel
jeep, zjiep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zjieps, jeep
jekker, jekker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jekkers, jekkerke, overjas, korte
jemig, jömmig, tussenwerpsel, jeminee
jen, jen, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flauwekul, gekke -, flauwekul
jenever, sjenaever, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sjenaevers, sjenaeverke, jenever
jengelen, jêngele, werkwoord, zeuren
jennen, jenne, werkwoord, plagen
jensbaan, jênsbaan, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, jênsbane, jênsbaenke, beugelbiljart
jenzen, jênse, jênze, werkwoord, jênsj, jênszje, gejênsj, (eerste vorm) beugelen, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) plagen, hard trappen (voetbal), (tweede vorm) plagen, hard slaan, (beugelen)
jepper, jepper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jeppers, groots, iets, joekel, grote
jeu, juu, zelfstandig naamwoord, mannelijk, - inhebbe, pee/pest inhebben
jeu, juu, zelfstandig naamwoord, onzijdig, geîne -, niets
jeuk, jeuk, juuëk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); jeuk
jeuken, jeuke, juuëke, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); jeuken
jezus, jözzes, juzzes, tjuzzes, tussenwerpsel, hemeltje lief, mijn hemel!
jezusgenade, jözzesgenaoj, jözzesgenaoje, tussenwerpsel, verdorie nog aan toe
jezusmarante, juzzesmerânte, tussenwerpsel, hemeltje lief
jezusmensgenade, jözzesminsgenaoj, jözzesminsgenaoje, tussenwerpsel, allemachtig
jodentuf, joedetuf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koekoeksspog
jodenvet, joedevét, zelfstandig naamwoord, onzijdig, snoep
jok, joeks, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flauwekul, plezier
jok, jook, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, joke, slechte binnenweg, vrouw, slordig gekleed
jong, jônk, bijvoeglijk naamwoord, jóng/jónge; jónger, jóngst(e), jong
jong, jóng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jóng/joonges, jungske, jongen
jong, jônk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, jóng, jong van dieren, kind
jong, joonk, bijvoeglijk naamwoord, jóng/jónge; jónger, jóngst(e), (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) jong
jong, joonk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, jóng, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) jong van dieren, kind
jong, jóng, (meervoud) kinderen
jonge jongens, jóng jônges, jóng joonges, (meervoud) tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); jongelui
jongeheer, jóngenhieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jónghieëre, jónghieërke, jongeheer, penis
jongelui, jóngluj, (meervoud) jongelui
jongen, jónge, werkwoord, jongen krijgen
jongensgek, joeëchem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jongensgek
jongensgek, jôngesgek, joongesgek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jôngesgekke/joongesgekke, jôngesgekske/joongesgekske, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); jongensgek
jonggetrouwd, jônkgetrouwdj, joonkgetrawdj, bijvoeglijk naamwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); getrouwd, jong, getrouwd, pas
jonker, jûnkerkes, (verkleinwoord, meervoud) anjertjes, duizendschoon
jonkeren, jônkere, joonkere, werkwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); janken van hond
jood, joed, zelfstandig naamwoord, mannelijk, joede, joedje, gierigaard, handelaar, sluwe, jood, pos (visje)
juist, zjuust, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, juist, net
juist goed, zjuust tegooj, bijwoord, goed, net; zjuustegooj net goed
juistement, juustemênt, tussenwerpsel, juist, klopt, dat, zo is het
jujube, zjiepke, zjuupke, zjiepkes/zjuupkes, (verkleinwoord) dropje, snoepje, zacht
juk, jook, zelfstandig naamwoord, onzijdig, joke, jookske, juk
jumper, jûmper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jûmpers, jûmperke, trui voor dames
juttepeer, juttepaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, juttepaere, juttepaerke, zomerpeer, sappige
juuk, juuk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, juke, juukske, (Nederweerts) kip (kindertaal)
juweel, jewieël, zelfstandig naamwoord, onzijdig, jewieële, jewieëlke, juweel
kaakboks, kaakbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaakbókse, schreeuwlelijk
kaal, kaal, bijvoeglijk naamwoord, kaal
kaal, kaal, bijwoord, helemaal
kaaljakker, kaaljakker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaaljakkers, opschepper, windbuil
kaan, kaoje, (meervoud) kaantjes
kaan, kaojkaoje, (meervoud) kaantjes
kaar, kaar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kare, kaerke, bijenkorf, bun, korf
kaars, kers, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kerse, kerske, kaars
kaarsenluchter, kerseluchter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kerseluchters, kerseluchterke, kandelaar
kaart, kaart, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaarte, kaertje, kaart, toegangsbewijs
kaarten, kaarte, werkwoord, kaartj, kaartdje, gekaartj, kaarten
kaartmoor, kaartmoor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaarter, fanatieke
kaas, kieës, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kieëze, kieëske, kaas, platte -, hangop
kaasje, kieëskes, (verkleinwoord, meervoud), (Nederweerts) kaasjeskruid
kaatsbal, kaatsebâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaatsebel, kaatsebelke, kaatsbal
kaatseballen, kaatseballe, werkwoord, kaatsen
kaatsen, kaatse, werkwoord, kaatsj, kaatszje/kaatsdje, gekaatsj, kaatsen
kabaal, kebaal, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lawaai
kabas, kabèske, kebèske, kabèskes/kebèskes, (verkleinwoord) aardappelmandje
kabeljauw, kabbeljaw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kabbeljawwe, kabbeljawke, kabeljauw
kabouter, kebouter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kebouters, kebouterke, kabouter
kaboutermannetje, keboutermenke, keboutermenkes, (verkleinwoord) kabouter
kabuis, kaboêts, kabuûts, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kool, witte
kachel, kachel, bijwoord, dronken
kachel, kachel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kachels, kechelke, kachel
kachelpijp, kachelpiêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kachelpiêpe, hoge hoed, kachelpijp
kadetje, kedètje, kedètjes, (verkleinwoord) broodje
kadiezen, kerdieze, werkwoord, kerdiesj, kerdieszje, gekerdiesj, aanmerken, goede zaken doen, van jetje geven
kadodder, kedodder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kedodders, kedodderke, mens, klein
kadoddertje, kedödderke, (verkleinwoord) kooswoord voor kinderen
kaduuk, kaduuk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kapot
kaduuk, keduuk, bijwoord, kapot, rustig, versleten
kaduuk houden, kaduuk haoje, keduuk haoje, werkwoord, rustig blijven/zijn
kaf, kaaf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kaf van graanvruchten
kafferen, kaffere, werkwoord, foeteren
kafmand, kaafmang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaafmânge, kaafmendje, kafmand
kafrot, kaafrot, kieëfrot, bijvoeglijk naamwoord, rot, door en door
kak, kak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opschepperij, poep
kakement, kakemênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gezicht, kaak
kaken, kake, werkwoord, huilen, roepen, hard, schreeuwen
kaker, kaker, kakert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaker(t)s, kakerke, opschepper, schreeuwlelijk
kakkement, kakkemênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) achterwerk
kakmadam, kakmedam, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kakmedamme, vrouw, aanstellerige , vrouw, hovaardige
kakschool, kakschool, kakschoeël, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kakschole/kakschoeële, kakscheulke/kakschuuëlke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kleuterschool
kakstoel, kakstool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaksteul, kaksteulke, kinderstoel met pot
kal, kâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kletspraat, schaele -, schuine praat
kalachtig, kâlechtig, kâlejchtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; praatgraag
kale plavuter, kale plevuter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaal plevuters, opschepper
kalebas, kallebas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kallebasse, kallebeske, boodschappentas, tas, grote
kalf, kaof, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kaover, käöfke, kalf, persoon, lomp , sukkel
kalfjammer, kaofjaomer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kaofjaomere, flapdrol
kalfjammeren, kaofjaomere, werkwoord, bemoederen, klagen
kaligheid, kaligheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts, Ospels) armoede, leven boven zijn stand
kallen, kalle, werkwoord, praten, spreken, d'r naeve -, ijlen
kalmoes, kâlmoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kalmoes
kalveel, kalvöl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, praatjesmaker
kalven, kaove, werkwoord, kalveren
kalverbak, kaoverbak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaoverbek, hok voor pasgeboren kalf
kalverveken, kaovervaeke, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hok voor pasgeboren kalf
kam, kâmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kem, kemke, kam, ploegonderdeel
kam, keîm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keîme, keimke, kam (kindertaal)
kam, kaam, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kame, kaardenbol; (Ospels) wolkam
kamer, kamer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kamers, kaemerke, kamer
kameraad, kammeraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kammeräöj, kammeräödje, kameraad
kamizool, kammezoeël, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kammezuuël/kammezuuëlkes, kamezuuëlke, vest met mouwen, lang; kammezuuëlke (verkleinwoord) damesborstrokje
kammen, keîme, werkwoord, eten, veel, kammen (haar), twisten
kamperen, kampieëre, werkwoord, kamperen
kamrad, kâmpraad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kâmpraar, kâmpraedje, tandwiel
kan, kan, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kanne, ken-ke, kan
kanaal, knaal, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knale, knaelke, kanaal
kanarie, kenarie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kenaries, kanarie
kandel, kaanjel, kaandjel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaandjels, (Nederweerts, Ospels) oversteekplaats over beek, waterafvoer, ondergrondse
kaneel, kenieël, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaneel
kaneelpijp, kenieëlpiêpke, kenieëlpiêpkes, (verkleinwoord) kaneelpijpje
kankerbloem, kânkerbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kânkerblome, kânkerbleumke, (Nederweerts) paardenbloem
kankerbus, kânkerbösse, (meervoud) paardenbloemen
kanon, kenón, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kenónne, kenunke, kanon
kanonzat, knónzaat, bijvoeglijk naamwoord, laveloos, stomdronken
kans, kâns, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kânse, kênske, kans
kant, kânt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, varens
kant, kânt, kântj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kân(tj)e, kêntje, (eerste vorm, Nederweerts, Ospels) kant, rand, kaoje -, schoonfamilie, oôze -, eigen familie, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), kant (weefsel), kant, rand, kaoje -, schoonfamilie, oeëze -, eigen
kant, kêntje, kêntjes, (verkleinwoord) korst
kantonnier, kanteneer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kanteneers, kantonnier, wegwerker
kantoor, kantoeër, ketoeër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kantoeëre/ketoeëre, kantuuërke/ketuuërke, kantoor
kap, kap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kappe, kepke, capuchon, kap
kapel, kepèl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kepèlle, kepèlke, kapel, muziekgezelschap
kapelaan, keplaon, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kepläöns/kapläöns, kepläönke/kapläönke, kapelaan, slechte waar, speklap in pannekoek, eme - make, puberspelletje; kaploan (Nederweerts) kapelaan
kapelanie, kapleni-j, kappeleni-j, keplaoni-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kap(pe)leni-jje/keplaoni-jje, kapelanie
kapitoor, kaffeturie, kaffetuur, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kappeteurs, boekomslag, kaft; kappeteur (Nederweerts) boekomslag, kaft
kapot, kepot, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, stuk, versleten
kapotje, kepotje, kepotjes, (verkleinwoord) condoom
kappen, kappe, werkwoord, kaptj, kapdje, gekaptj, hakken, hoeven bijslijpen, trappen van paard
kapper, kapper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kappers, kepperke, kapper
kapperdjen, kapperdjèn, tussenwerpsel, verdraaid
kappertje, kappertje, kappertjes, (verkleinwoord) glaasje op voet
kappes, kappes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kool, witte
kappesmoes, kappesmoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kool, witte
kapsel, kepsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kleingeld, snijstro-afval, tabaksgruis
kapstevel, kapstevel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kapstevels, (Nederweerts) laars
kapstok, kapstok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kapstök, kapstökske, kapstok; vrouw, magere
kapvlootje, kapvluuëtje, kapvluuëtjes, (verkleinwoord) snijplank, houten (groenten)
kar, ker, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kerre, kerke, kar
karaf, keraf’, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keraffe, kan
karbonade, kermenaaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kermenaaje, kermenaatje, carbonade
karbonkel, kerbompel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kerbompels, (Nederweerts, Ospels) vrouw, lelijke
karbord, kèrbreet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kèrbreter/kèrbreejer, kèrbreetje, zijschot van kar
karhengst, kèrhingst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kèrhingste, ezel
karhond, kèrhôndj, kèrhoond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kèrhóng/kèrhung/kèrhundj, kèrhundje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); trekhond
karleis, kèrleis, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kèrleize, karrenspoor
karmijnrood, kermiênroeëd, bijvoeglijk naamwoord, kermiênroeëj(e), karmijnrood
karper, kêrper, kêrp, karp, kârp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kêrpe/karpe/kêrp, kêrperke/kêrpke, derde vorm Ospels; vierde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); karper
karpet, kerpèt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kerpette, kerpetje, vloerkleed
karren, kerre, werkwoord, fietsen, hard, lopen, hard
karrenschob, kerschop, kerreschop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, berging voor karren
karspringer, kersprînger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onhandelbaar paard
karton, kertóng, kartóng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Nederweerts, Ospels; karton
karwans, kerwaans, bijvoeglijk naamwoord, ongewoon
karwats, kerwats, kerwatsj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kerwatse/kerwatsje, kerwetske/kerwetsjke, rijzweep
karwei, kerwej, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kerwejje, kerwejke, karwei
kaskenade, kiskenade, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kiskenades, kiskenaatje, drukte, koude; kiskenaatjes(verkleinwoord, meervoud) smoesjes
kaskenademaker, kiskenaatjesmaeker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kiskenaatjesmaekers, herrieschopper
kasserol, kastrol, kestrol, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kastrolle/kestrolle, kaströlke/keströlke, braadpan, stoofpan
kast, kast, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kest, kes(t)je, kast
kastanje, kerstaandjel, kerstaanjel, krestaanjel, kastaandjel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kerstaan(d)jele/kerstaanjele/krestaanjels/kastaand, kerstaan(d)jelke/kerstaanjelke/krestaanjelke/kasta, derde vorm Nederweerts; vierde vorm Nederweerts, Oslpels; kastanje
kasteel, kestieël, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kestieële, kestieëlke, kasteel
kat, kat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, katte, ketje, kat, meisje, kattig
katapult, kattepröl, katteprûl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, katteprölle/katteprulle, katapult
kater, kater, zelfstandig naamwoord, mannelijk, katers, kaeterke, kater, meisje, kattig
katholiek, katheliek, bijvoeglijk naamwoord, katholiek
katholiek, katheliek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kathelieke, katholiek
katje, ketjes, (verkleinwoord, meervoud) wilgenkatjes
katoen, ketoên, zelfstandig naamwoord, mannelijk, katoen
katoentje, ketoentje, ketoentjes, (verkleinwoord) kousje in olielamp
katrol, ketrol, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ketrolle, ketrölke, katrol
kattel, kattele, (meervoud) (Ospels) wilgentakjes
kattenkaas, kattekieës, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hangop; kaasjeskruid
kattenklauw, kattekaw, katteklaw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kattekawwe/katteklawwe, (Nederweerts, Ospels) lisdodde
kattenkop, kattekop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, katteköp, gierpomp, meisje, kattig
kattenoog, katte-uigske, katte-uigskes, (verkleinwoord) knikker, glazen
kattenstaart, kattestèrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kattestèrte, lisdodde
katuil, kat-uul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kat-uûle, kat-uulke, steenuil
katvis, katvès, katvés, zelfstandig naamwoord, mannelijk, katvèsse/katvésse, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); dwergmeerval
kauw, kaw, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kawwe, kawke, kauw, verwonding (snee)
kauwen, kawwe, werkwoord, kauwen
kazemat, kazjemat, kazzemat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kazjematte/kazzematte, kazemat
kazerne, kezêrne, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kezêrnes, kazerne
kazuifel, kesuîfel, kesuûfel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kesuîfels/kesuûfels, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kazuifel
keek, keêk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keêke, keekske, kokmeeuw
keel, kael, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaele, kaelke, keel; keel keel
keelhond, kaelhôndj, kaelhoond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaelhóng/kaelhung/kaelhundj, (Nederweerts, Ospels) bloedhond, hond, grote, hond, hard blaffende
keelknoop, kaelsknoûp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaelsknuîp, kaelsknuîpke, adamsappel
keeltjesstamp, keêlkesstâmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) raapstelenstamppot
keen, keên, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keêne, keenke, huidkloof, kerf in vinger
Keent, Kieëntj, eigennaam, Keent (wijk Weert)
keer, kieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keer; maal
keerbezem, kieërbieësem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kieërbieësems, kieërbieësemke, bezem
keergeld, keêrgêldj, kieërgêldj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); op de vloer gevonden geld, veeggeld
keet, kieët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kieëte, kieëtje, keet
keffen, kaffe, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) blaffen
kegel, keêgel, bijwoord, dronken
kei, kej, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kejje, kejke, kei
kei op kei af, kej op kej aaf, zelfstandig naamwoord, spel (met keien)
keihard, kejhaard, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, keihard
keisteen, kejsteîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kejstein, kejsteinke, kinderkopje
keitje, kejke, zelfstandig naamwoord, (Nederweerts, Ospels) op 't - doon, kinderspel
kek, kek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kegke, kekske, jongste kind uit gezin, mus zonder veren
kelder, kêlder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kêlders, kêlderke, kelder
keldergat, kêldergaat, kêldersgaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kêlder(s)gater, vensteropening in kelder
kelderslak, kêlderslek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kêlderslekke, kêlderslekske, naaktslak
kelen, keêle, (meervoud) raapstelen
kelen, kaele, werkwoord, doden, kelen
kelenmoes, keêlemoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, raapstelenstamppot
kelk, kêlk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kêlke, kêlkske, kelk
kemp, kêmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, hennep
kenmerk, kinmêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kinmêrke, kenmerk
kennen, kinne, werkwoord, kintj, kindje/kos, gekindj, kennen, kunnen
kennis, kinnes, zelfstandig naamwoord, verkering
kennis, kinnes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kinnese, kennis (bekende)
kennis, kinnes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kennis (weten)
keper, kaeper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaepers, kaeperke, balk, houten , keper
kepernagel, kaepernegel, kaepernieëgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaepernegel/kaepernieëgel, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); spijker, grote
keps, keps, bijwoord, blut
kerbetten maken, kerbette make, werkwoord, uit de hand lopen
kerbetteren, kerbettere, werkwoord, doen wat niet mag, iets
kerel, kaerel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaerels, kaerelke, kerel, manspersoon
keren, keêre, kieëre, werkwoord, keertj, keerdje, gekeerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); keren, uithouden, vegen, wenden
kerk, kêrk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kêrke, kêrkske, kerk
kerkenrat, kêrkerat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kêrkeratte, kwezel
kerkenwerk, kêrkewêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kêrkewêrkse, secuur werk
kerkroos, kêrkroeës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kêrkroeëze, pioenroos
kerksleutel, kêrksluuëtelkes, (verkleinwoord, meervoud), (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) sleutelbloemen
kerktoren, kêrktore, kêrktoeëre, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kêrktores/kêrktoeëres, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kerktoren
kerkuil, kêrkuul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kêrkuûle, kêrkuulke, kerkuil
kermauwen, kermawwe, kermewwe, kremawwe, kremewwe, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) miauwen van krolse kat
kermis, keîmes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keîmese, dandy, grapjas
kermis, kêrmes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kêrmese, kermis
kermisbloem, kêrmesbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kêrmesblome, kêrmesbleumke, floks
kermissen, keîmese, werkwoord, eten, veel
kermiswortel, kêrmeswortel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kêrmeswortels, kalmoes
kermizeren, kermiezeêre, werkwoord, kermezeertj, kermezeerdje, gekermezeerdj, (Nederweerts, Ospels) klagen
kern, kaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaere, kaerke, pit van vruchten
kernel, kernêl, krenêl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kernelle/krenelle, kernelke/krenèlke, tweede vorm Nederweerts; tol; kernêl (Nederweerts, Ospels) kind, levendig
kernellen, kernelle, werkwoord, draaien, galmen, spelen met een tol
kernenbrok, kaerebrok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaerebrök, kaerebrökske, nougatblok met pinda’s
kernistelen, kernistele, werkwoord, mopperen
kers, körs, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, körse, körske, kers
kersenpikker, körsepikker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, körsepikkers, körsepikkerke, tuinfluiter, vliegenvanger, grauwe
kerst, Körst, eigennaam, Kerstmis
kerstmis, Körsemes, Körsmes, eigennaam, Kerstmis
kersvers, körsvörs, bijvoeglijk naamwoord, kersvers
kervel, kêrvel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kervel
kerzoel, kerzuuëlkes, (verkleinwoord, meervoud) pruimen, wilde
ketel, ketel, kieëtel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ketels/kieëtels, ketelke/kieëtelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); ketel
ketelboeter, ketelbuter, kieëtelbuter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ketelbuters/kieëtelbuters, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); tinnegieter
kets, kets, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) knikker
ketsen, ketse, werkwoord, ketsj, ketszje, geketsj, achter meisjes aan lopen, ketsen (knikkerspel), vuur slaan
ketser, ketser, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ketsers, ketserke, aansteker, knikker
ketser, ketser, ketsert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ketser(t)s, ketserke, rokkenjager
ketsheuvel, ketsheuvel, ketshuuëvel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); plaats om vuur te maken
ketsmaal, ketsmaal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ketsmale, (Nederweerts) knikker van glas, knikker van leem
ketssteen, ketssteîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ketsstein, ketssteinke, vuursteen
kettingcarrousel, kéttingkerresjel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kéttingkerresjelle, kéttingkerresjelke, zweefmolen
keubelen, keubele, werkwoord, afkeuren
keujes, kui-jes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lobbes
keuken, keûke, kuuëke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keûkes/kuuëkes, keûkske/kuuëkske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); keuken
keur, keur, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keuze
keur, keûrke, kuuërke, keûrkes/kuuërkes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); korreltje
keuren, keure, kuuëre, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); keuren
keurmeester, keurmeîster, kuuërmeîster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keurmeîsters/kuuërmesters, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); keurmeester
keus, keûs, kuuës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); keuze
keus, kuus, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuus/kuze/koeze, kuuske, persoon, gierig , opschepper, varken; koes (Nederweerts, Ospels) varken
keutel, keutel, kuuëtel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); drol, keutel, kindje
keutelmand, keutelemang, kuuëtelemang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keutelemânge/kuuëtelemânge, keutelemendje/kuuëtelemendje, tweede vorm Weerts (stadweerts); keutelmand, wispelturig persoon
keutelpeer, keutelpaer, kuuëtelpaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keutelpaere/kuuëtelpaere, keutelpaerke/kuuëtelpaerke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); perensoort, kleine
keutelraper, keuteleraper, kuuëteleraper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keutelerapers/kuuëtelerapers, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); persoon, hebberig
keuterboer, keuteleboor, kuuëteleboor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keutelebore/kuuëtelebore, kuuëtelebeurke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); keuterboer
keuvelen, keuvele, werkwoord, (Nederweerts) klagen, kletsen
keverbeestje, kaevelebieësje, kaevelebieësjes, (verkleinwoord) lieveheersbeestje
keveren, kevere, werkwoord, erwten doppen
kevervrouwtje, kaevelevrouke, kaevelevroukes, (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) lieveheersbeestje
kevie, keviep, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, keviepke, krot, huisje, oud/vervallen; wachthuisje soldaten
kiebes, kiebes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kiebese, persoon, eigenwijs , hoofd
kiel, keel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kele, keelke, kiel
kiele, kiela, bijwoord, gek
kienen, kieme, kiene, werkwoord, kienen
kienhout, kienhout, zelfstandig naamwoord, onzijdig, hout, fossiel
kieuw, kieëwe, (meervoud) (Ospels) kaken, kauwen
kieuwertje, kieërke, kieërkes, (verkleinwoord) varkentje
kievit, keêvit, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keêvite, kievi(e)t
kiezel, keesder, keesdere, keêzele, keêzere, keesdere,, (meervoud) grind; keêzele, keêzere (meervoud) grind, kiezelsteentjes; keesderkes,keêzerkes(verkleinwoord, meervoud) kiezelsteentjes
kiezelsteen, keêzelsteinkes, (verkleinwoord, meervoud) kiezelsteentjes
kiezen, keêze, werkwoord, keusj, koeës/koos, gekoeëze/gekoze, kiezen
kijk, kih, kîh, tussenwerpsel, kijk
kijken, kieke, werkwoord, kiektj/kiktj, kieëk/keek, gekieëke/gekeke, kijken
kijker, kieker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kiekers, kiekerke, verrekijker
kikkelen, kikkele, werkwoord, kirren van ’t lachen
kikken, kikke, werkwoord, bewegen, zeggen, iets
kind, kîndj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kîndjer, kindje, kind
kinderkopje, kîndjerköpke, kîndjerköpkes, (verkleinwoord) maaskei, ronde
kindskorf, kindjskôrf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, babyuitzet, luiermand
kinkhoest, kiekhoost, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) kinkhoest
kinskind, kîndjskînjer, kîndjskîndjer, kinskîndjer, kinskînjer, (meervoud) kleinkinderen
kip, kipke, kipkes, (verkleinwoord) (Ospels) waterhoen
kissen, kisse, werkwoord, kisj, kiszje, gekisj, sissen van vet in de pan
kist, kis, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kiske, achterwerk, billen
kits, kits, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kitse, kitske, klokhuis
klaar, klaor, bijvoeglijk naamwoord, helder
klaar, klaor, bijwoord, gereed
klaas, klaos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klaoze, kläöske, vent, onhandige
klaasjeshollands, kleuskeshuîlands, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) Nederlands (slecht)
klabatteren, klabattere, klebettere, werkwoord, lawaai maken, rebbelen, praten, druk
klad, kladze, (verkleinwoord, meervoud) restjes
klad, kladde, (meervoud) lijf
klagen, klage, werkwoord, klagen
klak, klak, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klakke, klekske, pet, platte
klakje guizen, klekske goeze, werkwoord, petgooien (jongensspel)
klakstaart, klakstèrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, turfbol
klamot, klamot, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klamotte, smeerpoes
klamotten, klamotte, (meervoud) geld, veel, kleren, spullen
klamsig, klamsig, bijvoeglijk naamwoord, klam, vochtig
klander, klander, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klanders, meelworm, (Ospels) vreemd sujet
klank, klânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klânke, klênkske, klank
klant, klântj, klânt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klântje/klânte, klêntje/klêntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); klant
klapbuis, klapbuis, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klapbuîze, klapbuiske, proppenschieter
klaplopen, klaploupe, werkwoord, klaplopen
klaploper, klapluîper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klapluîpers, klapluîperke, klaploper
klaproos, klaproeës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klaproeëze, klapruuëske, klaproos
klapstoel, klapstool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klapsteul, klapsteulke, vouwstoel
klare, klaore, zelfstandig naamwoord, mannelijk, jonge -, jonge jenever, aoje -, oude jenever
klark, klârk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klârke, fluim
klarken, klârke, werkwoord, klârktj, klârkdje, geklârktj, spuwen (fluimen)
klarkpotje, klârkpötje, klârkpötjes, (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) spuwbakje/-potje
klas, klas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klasse, kleske, klas
klassineren, klasjeneêre, klasjenieëre, klasseneêre, werkwoord, klasjeneertj/klasseneertj, klasjeneerdje/klasseneerdje, geklasjeneerdj/geklasseneerdj, (eerste vorm, Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels en tweede vorm, Weerts (stadweerts)) debatteren, praten, gezellig, (derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) debatteren
klater, klater, zelfstandig naamwoord, oppe -, op stap, oppe - gaon, wegrennen
klaterjanus, klaterjanus, zelfstandig naamwoord, mannelijk, diarree, koffie, slappe
klats, klats, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klatse, kletske, rest(je), slag, , menstruatie
klatsen, klatse, klaatse, werkwoord, kla(a)tsj, kla(a)tszje, gekla(a)tsj, tweede vorm Nederweerts, Ospels; slaan
klatsen krijgen, klatse kriêge, werkwoord, slaag krijgen
klatser, klatser, klatsert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klatsers, turf, soort
klauw, klaw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klawwe, klawke, hand, hoef, baksteen, dikke
klauwhamer, klawhamer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klawhamers, klauwhamer
klauwsteen, klawsteîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klawstein, klawsteinke, baksteen, dikke
klavats, klavaats, tussenwerpsel, klanknabootsing
klavatsen, klevaatse, werkwoord, lopen, lawaaierig
klaveren, klieëvere, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klaveren (kaartspelkleur)
klaveren, klaoftere, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) dauwtrappen, lopen door nat gras
kledage, klei-jaasj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kleding
kledder, kledder, bijvoeglijk naamwoord, kletsnat
kleddermannetje, kleddermenke, kleddermenkes, (verkleinwoord) boomkruiper
kleddernat, kleddernaat, bijvoeglijk naamwoord, kletsnat
kleden, kleî-je, werkwoord, kleden
klee, klieë, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klaver
kleed, kleîd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kleî-jer/klei-jer, klédje, japon
kleekaf, klieëkaaf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, klaverbloem, gedroogde
kleerhanger, kleî-jerhânger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kleî-jerhângers, kleî-jerhêngerke, knaapje
kleezaad verkopen, klieëzaod verkoupe, werkwoord, biechten
klein jantje, klein jantje, klein jantjes, (verkleinwoord) winterkoning
kleine butoor, kleine butoor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, woudhopje
kleine rosdomp, kleine rosdoomp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rosdoompe, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) woudaapje
kleinkind, kleinkîndj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kleinkîndjer, kleinkind
kleinwicht, kleinwichter, (meervoud) kleinkinderen
kleinzoon, kleinzoon, kleinzoeën, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kleinzeuns/kleinzuuëns, kleinzeunke/kleinzuuënke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kleinzoon
klem, klem, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts) tetanus
klep, klep, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kleppe, klepke, pet, vooruitstekend deel
klepel, klepel, klieëpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klepels/klieëpels, klepelke/klieëpelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); klepel
klepperen, kleppere, werkwoord, klapperen (jongensspel)
kleppermolen, kleppermeûle, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kleppermeûles/kleppermuuëles, kleppermeûlke/kleppermuuëlke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) kleppermolen, ratel; kleppermuuële(Weerts (stadweerts)) kleppermolen, kletswijf, ratel
kleren, kleî-jer, (meervoud) kleding
klets, klets, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kletse, kletske, verkoudheid
kletsmajoor, kletsmajoeër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kletsmajoeërs, kletsmajuuërke, kletsmeier
kletsoor, kletsuuërke, kletsuuërkes, (verkleinwoord) baksteen, halve
kleur, kleur, kluuër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kleure/kluuëre, kleurke/kluuërke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kleur
kleuteren, kleutere, werkwoord, plassen
klief, kleefke, kleefkes, (verkleinwoord) wasknijper zonder scharnier
klieven, kleêve, werkwoord, kleeftj, kloof/kleefdje, gekloôve, (Ospels) klieven
klijen, kli-jje, klujje, (meervoud) tweede vorm Nederweerts; boekweitzemelen
klijster, kliêster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, kliêsters, kliêsterke, lijster
klimmen, klumme, werkwoord, klimmen
klimmer, klummerke, klummerkes, (verkleinwoord) kers, Oostindische
kling, klinge, (meervoud) haamkettingen
klingelbuil, klîngelbuul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klingelbuûle, klingelbuulke, collectezak
klink, klînk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klînke, klînkske, deurklink
klinken, klînke, werkwoord, klînktj, kloonk, gekloonke, klinken, toosten
klis, klis, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kliskruid
klis, kles, klis, zelfstandig naamwoord, (Nederweerts, Ospels) boomhars (fruitbomen), boomsap (fruitbomen); kles dropwater
klit, klit, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kliskruid
klitsklanderen, klitsklandere, (meervoud) etensrestjes
klitskletsje, klitskletskes, (verkleinwoord, meervoud) etensrestjes, onbenullige dingen
kloek, klook, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, moedig
kloek, klok, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klokke, broedkip/kloek, klok/uurwerk
klokje, klökskes, (verkleinwoord, meervoud) grasklokje
klokkenspel, klokkespeûl, klokkespuuël, zelfstandig naamwoord, onzijdig, klokkespeûle/klokkespuuële, klokkespeûlke/klokkespuuëlke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); klokkenspel
klommel, kloemel, klómmel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kloemele/klómmele, ondeugdelijk voorwerp; rommel
klommel, kloemele, klómmele, (meervoud) rommel
klommelaar, klómmelaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klómmelaers, klómmelaerke, prutser
klommelen, klómmele, werkwoord, prutsen
klomp, klômp, kloomp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klûmp/kloompe, klûmpke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); klomp
klont, klôntj, kloont, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klôntje/kloonte, klûntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); klont
klooster, kloeëster, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kloeësters, kloeësterke, klooster
kloot, kloeët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kluuëj, kluuëtje, aardklont, man, goedaardig , teelbal
klootbuil, kloeëtbuul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kloeëtbuûle, kloeëtbuulke, klootzak
klootje, kluuëtje, kluuëtjes, (verkleinwoord) mannetje, goedaardig , prutser
klootveger, kloeëtvaeger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kloeëtvaegers, nietsnut
klootzak, kloeëtzak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kloeëtzek, kloeëtzekske, klootzak
klophengst, klophingst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klophingste, hengst (teelballen binnenslijfs), kluns
klophout, klophout, zelfstandig naamwoord, onzijdig, klophouter, houten hamer, persoon, onhandig
klopijzer, klopiêzer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, klopiêzers, klopiêzerke, mandenmakergereedschap
klos, klos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klosse, klöske, klos, lomperd
klosbeer, klosbaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klosbaere, lomperd
klot, klot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zwarte turf, haole -, gezelligheid, je van het!, heel goede turf
kloten, kloeëte, werkwoord, kloeëtj, kloeëtdje, gekloeëtj, bedriegen, prutsen, voor de gek houden
kloter, kloter, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kloters, kloterke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) haambel
kloteren, klotere, werkwoord, (Nederweerts) lopen, op en neer, plassen, rinkelen
kloterkar, kloterkèr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kloterkerre, (Nederweerts, Ospels) ophaal/rondbrengkar, persoon, slordig
klots, kloets, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kloetse, buil op voorhoofd
klots, kloets, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oog, dik
klotskop, klotskop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klotsköp, klotsköpke, domoor
klotsoog, kloetsoug, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kloetsoûge, oog, dik
klotspade, kloeëtspaaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kloeëtspaaje, peelschop (aflegger); klotspaaj (Nederweerts, Ospels) peelschop (aflegger)
klotsturf, kloeëtstörf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, turf van goede kwaliteit
kloven, kluive, werkwoord, kloven
klucht, klucht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kluchte/klujchte, kluchtje/klujchtje, troep vogels, vriendenclubje; klócht hoeveelheid, troep vogels; klujcht (Ospels) troep vogels
kluis, kloes, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kloeze, kluuske, kluis
kluister, kloesters, (meervoud) handboeien
kluit, kloêt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kloête, kluûtje, kluit; kluût (Ospels) zwarte turf
klungelboks, klôngelbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, klôngelbókse, (Nederweerts) treuzelaar
klungelen, klóngele, werkwoord, (Nederweerts) treuzelen
kluns, klûns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klûnze, klûnske, ezel, gecastreerde, sukkel
kluppel, klöppel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, klöppels, klöppelke, dommerik
klutsje, klutske, (verkleinwoord) koffie met ei en cognac
knab, knab, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knabbe, knebke, houtblok, stuiver (muntstuk)
knab, knabbe, (meervoud) groot geld
knabbelen, knebbele, werkwoord, (Nederweerts) knabbelen
knabben zagen, knabbe zaege, werkwoord, snurken
knakken, knakke, werkwoord, knaktj, knakdje, geknaktj, mank lopen, strompelen
knap, knap, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, erg, flink, mooi
knapkoek, knapkook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knapkeuk, knapkukske, knapkoek
knappen, knappe, werkwoord, knaptj, knapje, geknaptj, breken, stuk gaan
knappen, kneppe, werkwoord, kneptj, knepdje, gekneptj, knappen, sprokkelen
knappertje, knepperkes, (verkleinwoord, meervoud) sneeuwbessen, witte
knapsool, knapsoeël, zelfstandig naamwoord, onzijdig, knapsuuël, knapsuuëlke, zweeppuntje
knar, knar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knarre, man, gedrongen , knoest, kwast in hout
knasper, knaspert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brood, hard; knóspert (Ospels) brood, oud
knaster, knastert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tabak, slechte
knats, knaats, knats, bijwoord, (eerste vorm) gek, (tweede vorm) helemaal
knats, knaats, knaatsj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (eerste vorm) modder, (tweede vorm) prut; knetsjmodder
knats egaal, knats egaal, bijwoord, helemaal, om het even
knatselen, knaatsele, werkwoord, knuffelen, pesterig
knauw, knaw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knawwe, knauw
knauwel, knawwel, knoûwel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onzin, onzinnige praat; knawwele, knoûwele (meervoud) etensrestje(s)
knauwelen, knawwele, knoûwele, werkwoord, kauwen, knabbelen
knecht, knejt, knejcht, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knej(ch)te, (Ospels) knecht
kneden, knaaje, knaeje, werkwoord, (eerste vorm) kneden, prakken, (tweede vorm) fietsen in harde tegenwind, kneden, onelegant lopen
knep, knep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aanmaakhout, sprokkelhout
knets, knetsj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, klef, ongaar
kneuter, kneuter, knuiter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kneuters/knuiters, knuiterke, kneu
kneuter, knoôter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knoôters, (Nederweerts, Ospels) boerenkinkel
kneuterboks, knoôterbóks, knoeëterbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knoôterbókse/knoeëterbókse, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); mopperaar
kneuteren, knoeëtere, knuuëtere, knoôtere, werkwoord, eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; mopperen
kneutergat, kneutergaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kneutergater, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) brombeer
kneutergat, knoôtergaat, knoeëtergaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, knoôtergater/knoeëtergate(r), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); mopperkont, mopperaar
kneuterhout, knoôterhout, knoeëterhout, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); mopperkont
kneuterpot, knoôterpot, knoeëterpot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knoôterpöt/knoeëterpöt, knoôterpötje/knoeëterpötje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); mopperkont, mopperaar
kneuterwammes, knoôterwames, zelfstandig naamwoord, onzijdig, knoôterwamese, (Nederweerts, Ospels) mopperkont
knevel, knevel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knevels, knevelke, kerel, persoon, eigengereid , snor, vensterluikslot, wervel
knie, kni-j, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kni-jje, knieke/NO kni-jke, knie
knieboon, kni-jboeën, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kni-jboeëne, kni-jbuuënke, tuinboon
knielen, knele, werkwoord, knielen
knieschijf, kni-jschief, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kni-jschiêve, kni-jschiefke, knieschijf
kniezeelder, kni-jzaelder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) kalf met knietouw, persoon, eigengereid
kniezelen, kni-jzaele, werkwoord, knietouw omdoen (koeien)
knijp, kneîp, bijwoord, schrik
knijp hebben, kneîp hebbe, werkwoord, bang zijn
knijpen, kniêpe, werkwoord, kniêptj, knieëp/kneep, geknieëpe/geknepe, knijpen, 'm -, bang zijn
knik, knik, zelfstandig naamwoord, onzijdig, knikke, knikske, (Ospels) boterhammenzak van stof
knip, kniêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kniêpe, kniêpke, zakmes
knip, knip, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, huis, knipbeurs, slot
knipbeurs, knipbeurs, knipbuuërs, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knipbeurze/knipbuuërze, knipbeurske/knipbuuërske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); knipbeurs
knipoog, knipoug, knupoug, zelfstandig naamwoord, onzijdig, knupuig, knipuigske/knupuigske, tweede vorm Ospels; knipoog
knipper, knipper, knupper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knippers/knuppers, knipperke/knupperke, tweede vorm Ospels; drukknoop
knipperen, knuppere, werkwoord, (Ospels) knipperen
knisteren, knistere, werkwoord, (Nederweerts) sissen van vet in de pan
knobbel, knóbbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knóbbele/knóbbels/knoebele, knubbelke/knoebelke, knobbel; knoebel bult
knobbelen, knobbele, werkwoord, (Ospels) voorkauwen
knoddel, knóddel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knóddels, vrouw, knoeierige
knoedel, knoêdel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knoedele/knudele, knoedelke/knudelke, meelprop (in pap); knudel (Nederweerts, Ospels) meelprop (in pap)
knoei, knoeëj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rommel, troep, viezigheid
knoeien, knoeëje, werkwoord, knoeien, morsen, werken, slordig
knoeikont, knoeëjkôntj, knoeëjkoont, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knoeëjkôntje/knoeëjkoonte, knoeëjkûntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); knoeier
knoers, knuuër, (meervoud) (Nederweerts) handen
knoers, knirs, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kraakbeen
knoers, knoer, bijwoord, erg
knoerzat, knoerzaat, bijvoeglijk naamwoord, laveloos, stomdronken
knoet, knoêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knoête, knuûtje, gierige vrouw
knoezel, knuuëzelke, knuuëzelkes/kneuzelkes, (verkleinwoord) (Weerts (stadweerts)) onweersbeestje; kneuzelke (verkleinwoord) onweersbeestje
knoffer, knóffert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knófferte, (Nederweerts) lomperd
knokenhard, knokenhaard, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) keihard
knokkel, knoeëkel, knuuëkel, kneûkel, knokel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knuuëkel/knuuëkels/kneûkels/kneukel, knuuëkelke/knuuëkelke/kneûkelke/kneukelke, eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts); derde en vierde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; knokkel
knook, knook, knoeëk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kneuk/knoke/knuuëk, kneukske/knuuëkske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bot
knoop, knup, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, knuppe, slaag, pak, handicap, letsel
knoop, knoup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knuîp, knuîpke, knoop
knoop en span, knup en span, zelfstandig naamwoord, knikkerspel
knoopjes, knuîpkes, (verkleinwoord, meervoud) kamille
knoopzeel, knuîpzael, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lang stro
knop, knop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knöp, knöpke, schakelaar
knop, knóp, knop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knup, knupke, (eerste vorm) knop, slaag, pak; tweede vorm Nederweerts; schakelaar
knopen, knuppe, werkwoord, knuptj, knupdje, geknuptj, drinken van bier, kapot slaan, knikkers raken, vlooien vangen
knopen, knuîpe, werkwoord, knuîptj, knuîpdje, geknuîptj, knopen
knopen van ogen, knöp van oûge, knup van oûge, (meervoud) tweede vorm Nederweerts; ogen, dikke
knopper, knoppert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) turf, slechte; knöppert turf, slechte
knopselderij, knópsêlderi-j, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knolselderij
knot, knutje, knutjes, (verkleinwoord) haarwrong
knotsel, knootsele, (meervoud) (Ospels) kluiten, bevroren
knotsen, knótse, werkwoord, botsen
knotskop, knótskop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knótsköp, persoon, haatdragend, stijfkop
knuffel, knoevele, (meervoud) (Nederweerts) handen
knuffelen, knoefele, werkwoord, knuffelen, hardhandig, werken, hard; knoêvele (Nederweerts, Ospels) knuffelen, hardhandig
knuif, knoef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, man, norse
knuizen, knoûze, werkwoord, knousj, knouszje, geknoûsj, eten met tegenzin
knuppel, knöppel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knöppels, knöppelke, dommerik
knurft, knörft, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knörfte, boerenkinkel
knut, knut, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geld
koe, kow, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuj, kowke/koeke, koe
koehoorn, kujjeheur, (meervoud) koehorens
koeienzooi, kowwezoeët, zelfstandig naamwoord, onzijdig, koeienvoer
koeioneren, koejeneêre, koejenieëre, werkwoord, koejeneertj, koejeneeerdje, gekoeieneerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); koeieneren, pesten
koejongen, kowjônk, kowjoonk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kalf
koek, kook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keuk, kukske, koek, pannenkoek
koek de dinant, koekdenang, zelfstandig naamwoord, mannelijk, taai-taai
koekeloeren, koekeloere, werkwoord, gapen, kijken
koekeloeres, koekeloeres, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koekeloerese, dromer, haan
koekenblad, kokeblaad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kokeblaar, weegbree
koekenbloem, kokebleumke, kokebleumkes, (verkleinwoord) primula
koekoekstuf, koekoekstuf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koekoeksspog
koel, keul, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, koel
koelen, keule, werkwoord, koelen
koelkast, keulkast, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keulkest, keulkes(t)je, koelkast
koelomp, kowlômp, kowloomp, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); dom, erg
koemuil, kowmoel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kowmoêle, sneep (vis)
koemuilen, kowmoêle, (meervoud) vingerhoedskruid
koest, koesj, tussenwerpsel, koest
koet, koêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koête, neuskeutel
koetje, koetje, koetjes, (verkleinwoord) sigarettenpeuk
koetsier, koetseer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koetseers, koetsier
koeveren, koêvere, werkwoord, huiveren, koesteren, zich -, zich warmen bij vuur/kachel
koevink, kowvînk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kowvînke, kwikstaart, gele
koewachtertje, kowwechterke, kowwechterkes, (verkleinwoord) grasmus
koffen, kóffe, werkwoord, hoesten, kuchen
koffer, koffer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, koffers, köfferke, koffer
koffiedrinken, koffiedrînke, werkwoord, drînktj, droonk koffie, koffie gedroonke, broodmaaltijd nuttigen
koffiejanus, koffiejanes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) koffie, oude
koffieleut, koffieleût, koffieluuët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koffieleûte/koffieluuëte, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); koffieleut
koffieloodje, koffieluuëtje, (verkleinwoord) koffie (dubbel maatje)
koffietje, koffieke, (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) koffie, oude
koffiezeef, koffiezeefke, koffiezieëfke, koffiezeefkes/koffiezieëfkes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); koffiezeefje
koffiezijg, koffiezieke, koffiezi-jke, koffieziekes/koffiezi-jkes, (verkleinwoord) tweede vorm Nederweerts, Ospels; koffiezeefje
kogel, kogel, koeëgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kogels/keugel/kuuëgel, keugelke/kuuëgelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kogel
koken, käöke, werkwoord, boeren
koken, koeëke, koke, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; koken
kokkelkoren, kokkelkoeëre, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Weerts (stadweerts)) kokkelkorrels (giftig zaad)
kokkerel, kokkerêl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kokkerelle, kokkerelke, drijftol
koldere joostje, koldere juuësje, koldere juuëske, (verkleinwoord) (Nederweerts) ventje, geestig
kolen, kole, koeële, (meervoud) eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kolen
kolenbak, kolebak, koeëlebak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kolebek/koeëlebek, kolebekske/koeëlebekske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kolenkit
kolenboer, koleboor, koeëleboor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kolebore/koeëlebore, koeëlebeurke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kolenboer
kolf, kouf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bal bij kolven
koliek, kliek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts, Ospels) koliek
kolk, kôlk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kôlke, kölkske, kolk, rioolput
kolkensnufferd, kôlkesnuffert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kôlkesnuffer(t)s, (Nederweerts) rioolzuiger
kollenbladeren, kolleblaar, (meervoud) waterlelie
kollenbloem, kollebloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kolleblome, kollebleumke, waterlelie
kom, kóm, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kómme, kumke, kom, kopje (zonder oor), zwaaikom in kanaal
kom, kômp, koomp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Nederweerts; zwaaikom in kanaal; tweede vorm Weerts (stadweerts); bassin
komaf, kómaaf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, afkomst, einde
komen, kome, kaome, werkwoord, keumtj/kumtj, kwoom/kwoeëm/kwaam, gekome/gekaome, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); komen
komgauw, komgaw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, diarree
komiek, kemiek, bijvoeglijk naamwoord, kluchtig
komiek, kemiek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kemieke, kemiekske, grappenmaker
kommode, kemoeët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kemoeëte, kemuuëtje, kommode, ladenkast
konheks, kónheks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kónhekse, bijdehandje
konijn, kniên, zelfstandig naamwoord, mannelijk, knien, knienke, konijn
konijnsaarde, kniensaerd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grond, schrale
koning, keûning, kuuëning, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keûninge/kuuëninge, keûningske/kuuëningske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); koning, meikever, vertical molenas
koningin, kuuënegin, kuuëningin, keûningin, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuuëneginne/kuuëninginne/keûninginne, kuuëneginneke/kuuëninginneke/keûninginneke, eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; koningin
koninkje, keûningske, kuuëningske, keûningskes/kuuëningskes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); winterkoninkje
kont, kôntj, koont, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kôntje/koonte, kûntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); achterwerk, kont
kontenkruiper, koontekroêper, kôntjekroêper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koontekroêpers/kôntjekroêpers, koontekroêperke, tweede vorm Nederweerts, Ospels; slijmbal, vleier
kontentas, koontetès, kôntjetès, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koontetèsse/kôntjetèsse, koontetèske/kôntjetèske, tweede vorm Nederweerts, Ospels; broekzak (achterkant)
kontje, kûntje, kûntjes, (verkleinwoord) kontje, korst(je) van brood
kooi, koeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuuëj/koeëje, kuuëtje, bed(dekoets), huis (in negatieve zin), kooi
kook, käök, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, beu
kook, käök, werkwoord, de - hebben, boeren
kook, koôk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koôke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) kok(kin); koeëk (Weerts (stadweerts)) kokkin
kookappel, kookappel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kookeppel/kookappele, kookeppelke, appelsoort
kookbollen, käökböl, (meervoud) spruitjes
kool, kuuël, (meervoud) kool(soorten)
kool, koeël, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuuël, kuuëlke, kool
koolduif, kooldoef, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kooldoêve, koolduufke, (Ospels) houtduif
koolraap, koeëlderaap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koolraap
koopdag, koupdaag, (meervoud) (Nederweerts) uitverkoop
koor, koeër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, koeëre, kuuërke, koor
koord, koeërd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, koeërde, kuuërdje, (Weerts (stadweerts)) koord
koordje, körtje, (verkleinwoord) molenwiek (ged. bedekt), springtouw
koorjongen, koeërjóng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koeërjóng/koeërjoonges, koeërjungske, (Weerts (stadweerts)) koorknaap, misdienaar
koorknaap, koeërknaap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koeërknape, koeërknaepke, (Weerts (stadweerts)) koorknaap, misdienaar
koorts, koors, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts, Ospels) koorts; korse (meervoud) koorts
koot, kuuëtse, werkwoord, kuuëtskes, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) bikkel; kuuëtske(verkleinwoord) (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) bikkel
kootselen, kootsele, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) bikkelen
kop, kop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, köp, köpke, hoofd, kop (koffie/thee), (Nederweerts, Ospels) spinnenweb
kopbrekens, kopbraekes, (meervoud) kopzorgen
kopen, koupe, werkwoord, kuîptj, koch(t), gekochtj, kopen
koper, koeëper, koôper, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; koper
koperen koning, koeëpere kuuëning, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koeëpere kuuëninge, (Weerts (stadweerts)) straatmuzikant
koperen Nelis, koeëpere Nelis, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Weerts (stadweerts)) zon
kopermuts, kopermöts, koeëpermöts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kopermötse/koeëpermötse, kopermötske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); steekvlieg
koperslager, kopersleger, koeëperslieëger, koperslieëger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koperslegers/koeëperslieëgers/koperslieëgers, eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; koperslager
koperzuur, koeëperzoor, koperzoor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; kinderdiarree
kopje, köpke, köpkes, (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) postzegel
kopkuitelen, kopkuîtele, werkwoord, kopje duikelen
kopkussen, kopkösse, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kopkösses, kopköske, hoofdkussen
koppelknoop, koppelknuîp, (meervoud) manchetknopen
koppelknoopje, koppelknuîpke, koppelknuîpkes, (verkleinwoord) boordenknoopje
koppelschei, koppelschej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, trekhout (twee paarden)
koppen, koppe, werkwoord, (Nederweerts) grenzen aan, kops
koppijn, koppien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, hoofdpijn
kopraam, kopraam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koprame, kopraemke, bovenlicht, tuimelraam
kopstaan, kopstaon, werkwoord, op zijn handen staan
kopzak, kopzak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kopzek, kopzekske, haverzak voor paard
kopziekte, kopzikdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kopzikdjes, kopziekte bij vee
kopzorg, kopzörg, (meervoud) kopzorgen
kordaat, kerdaats, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) plotsklaps
kordeelsriem, kerdieëlsreem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kerdieëlsreme, paardenleidsel
koren, koeëre, koôre, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Nederweerts, Ospels; rogge
korenberm, koôrebêrm, koeërebêrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koôreberm/koeëreberm, koôrebermke/koeërebermke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); korenmijt
korenbloem, koôrebloom, koeërebloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koôreblome/koeëreblome, koôrebleumke/koeërebleumke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); korenbloem
korenfluiter, koôrefluiter, koeërefluiter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koôrefluiters/koeërefluiters, koôrefluiterke/koeërefluiterke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bosrietzanger
korenmijt, koeëremiêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koeëremiête, (Weerts (stadweerts)) korenmijt
korenmus, koôremöske, koeëremöske, koôremöskes/koeëremöskes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bosrietzanger
korenpater, koôrepater, koeërepater, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koôrepaters/koeërepaters, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); boeman in koren
korenschrijver, koôreschriêver, koeëreschriêver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koôreschriêvers/koeëreschriêvers, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); gors, grauwe
korenteut, koôretäöt, koeëretäöt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koôretäöte/koeëretäöte, koôretäötje/koeëretäötje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bosrietzanger
korf, kôrf, körf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kôrve/körf, körfke, korf
korfschaar, kôrfschieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kôrfschieëre, kôrfschieërke, mandenmakersschaar
korhoen, korhoôn, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, korhoônder, korheunke, (Nederweerts) korhoen
korren, kórre, werkwoord, (Nederweerts) knorren van plezier
korset, kersjèt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kersjètte, kersjètje, korset
korst, korst, koorst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, korste/koorste, körs(t)je/keurs(t)je/keûrs(t)je, tweede vorm Nederweerts, Ospels; korst
kortbij, kortbeej, kortbî-j, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; dichtbij
kortbrekig, kortbrieëkig, kortbretig, bijwoord, tweede vorm Ospels; bros
kortelen, kortele, werkwoord, (Ospels) schiften
korteling, körteling, zelfstandig naamwoord, mannelijk, körtelinge, dwarsbalk, hout, (rest)stuk
kortelings, körtelings, bijwoord, onlangs
korten, körte, werkwoord, körtj, körtdje, gekörtj, inhouden, korter maken, verkorten in tijd
kortijzer, kortiêsder, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kortiêsders, (Nederweerts, Ospels) peelschop
korver, körver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, körvers, körverke, mandenmaker
kost, kost, koost, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kösje, tweede vorm Ospels; kost
kosten, köste, (meervoud) kosten; keûste(meervoud) (Nederweerts, Ospels) kosten
kosten, koste, werkwoord, kosj, koszje/kosdje, gekosj/koos(t)j, kooszje/koostdje, gekoos(t)j, kosten; kooste(Nederweerts, Ospels) kosten
koster, keûster, köster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, keûsters/kösters, keûsterke/kösterke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); koster
kosterskindje, keûrstekindje, keûsterkindje, kösterkindje, keûrstekindjes/keûsterkindjes/kösterkindjes, (verkleinwoord) eerste en tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); dopeling
kot, koêt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koête, kuûtje, leger van een haas
kot, kot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kotte, kotje, gevangenis, hut, keet
kot, koêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koête, kuûtje, holte, kuil
kot, koêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bed
kotelen, koêtele, koetele, werkwoord, (eerste vorm) draaien, wentelen (in bed), behaaglijk zitten, (tweede vorm, Nederweerts) kusjes geven
kotelet, kortelèt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kortelette, korteletje, varkenscotelet
kots, kóts, zelfstandig naamwoord, mannelijk, braaksel
kotsen, kótse, werkwoord, kótsj, kótszje, gekótsj, braken
kotsmoe, kótsmeug, bijwoord, doodmoe, genoeg van iets hebben
koud, kaod, bijvoeglijk naamwoord, koud
koud, kaoj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kou(de)
koudig, keldjig, keldjig, bijvoeglijk naamwoord, (eerste vorm) verkouden; tweede vorm Nederweerts, guur, kil
koudsmid, kaodsmeed, kaodsmieëd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kaodsmeej/kaodsmieëj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); koper-of blikslager
koudvuur, kaodveur, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gangreen, koudvuur
koukrimp, kaojkrûmp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaojkrûmpe, kaojkrûmpke, koukleum
koukrimper, kaojkrûmper, kaojkrûmpert, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaojkrûmpers, kaojkrûmperke, koukleum
kouneus, kaojnaas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kaojnaze, kaojnaeske, koukleum
kous, kous, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kouse, kouske, kous
kousje, kouske, kouskes, (verkleinwoord) kousje (olielamp)
kouter, kouter, zelfstandig naamwoord, onzijdig, koutere/kouters, ploegmes
koutje, koutje, koutjes, (verkleinwoord) zakmes, groot
kraafs, kraef, bijwoord, (Nederweerts) prikkelbaar
kraag, kraag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krage/kraeg, kraegske, kraag
kraai, krej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krejje, krejke, kraai, zwarte
kraaien, krejje, werkwoord, kraaien
kraaienbek, krejjebek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krejjebek, kraaienbek (tang)
kraakbuis, krakebuis, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krakebuize, krakebuiske, proppeschieter
kraakpijp, krakepiêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krakepiêpe, krakepiêpke, proppeschieter
kraaltje, kräölke, kräölkes, (verkleinwoord) koorknaap, misdienaar
kraam, kraom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kräöm/kraome, kräömke, kraam
kraammeester, kraommeîster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kraommeisters, marktmeester, ongediplomeerd veearts
kraamnabuur, kraomnaober, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kraomnaober, buren, naaste
krabbel, krebbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krebbels, krebbelke, (Nederweerts) mesthaak
krabbel, krebbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) kereltje
krabber, krebber, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krebbers, krebberke, krabber
kracht, krawt, krawcht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kraw(ch)te, (Ospels) kracht
kragenmaker, kragemaeker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kragemaekers, kemphaan
krak, krak, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, fiets, oude; (Nederweerts) knol/oud paard; (Ospels) vrouw, oude gebrekkige
kraker, kraker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krakers, tafeleend
krakken, krakke, werkwoord, kraktj, krakdje, gekraktj, breken/afbreken
kram, krâmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krêmp/krem, kremke, kram, kramp
kramel, kraomel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kraomele, vrouw, klagende
kramelen, kraomele, werkwoord, klagen
kramen, kraome, werkwoord, bevallen, klagen, klungelen, ziek zijn, vaak
kramer, krieëmer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krieëmers, krieëmerke, marskramer, verkoper
kramer, krieëmer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spit (in de rug)
krammen, kremme, werkwoord, meisjesspel
krampig, krêmpig, bijvoeglijk naamwoord, kramp in benen (paard)
krans, krâns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krânse/krêns, krênske, krans
kransje, krênske, krênskes, (verkleinwoord) bijeenkomst (vrouwen), ringmus
krant, krânt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krânte, krêntje, krant
krapje, krepke, krepkes, (verkleinwoord) brood, stukjes geroosterd, kaantje, wittebrood (kontje/korstje)
krapje steken, krepke staeke, werkwoord, knikkerspel
krappelen, kreppele, werkwoord, snijden, in stukjes
krasperd, krasped, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meisje, vinnig
krats, kräötske, kräötskes, (verkleinwoord) vrouwtje, klein , appeltje, misvormd
kratsel, kraatsel, kräötsel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kraatsele/kräötsele, kräötselke, tweede vorm Nederweerts; vrouw, kleine , vrucht, gerimpelde
kratsel, kreutselke, kreutselkes, (verkleinwoord) (Ospels) vrouw, kleine
kratsen, kratse, werkwoord, kratsj, kratszje,gekratsj, krabben
krauwelen, krawwele, werkwoord, (Nederweerts) knuffelen
krawouwer, krawouwer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, borreltje
kree, krieë, bijwoord, amper, krap, nauw, precies
kreeft, kreeft, krieëft, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kreefte/krieëfte, kreeftje/krieëftje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kreeft
kreiten, kreite, werkwoord, plagen, ruzie maken
krek, krek, bijwoord, juist, net
krek tout de même, krek toet mem, bijwoord, om het even
krekelzanger, krekelzânger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krekelzêngers, krekelzêngerke, sprinkhaanrietzanger
kreng, kring, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kringe, feeks, kreng, vrouw, lastige
krenken, krînke, werkwoord, krînktj, krînkdje, gekrînktj, krenken
krensel, krînsele, (meervoud) dorsafval
krenselen, krînsele, krieënsele, werkwoord, (eerste vorm) jammeren, kibbelen, (tweede vorm) zich -, schudden, zich
krenselkoren, krînselkoeëre, krînselkoôre, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; dorsafval
krent, krînt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krînte, krîntje, krent, persoon, vitziek
krentenkakker, krîntekakker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krîntekakkers, vitter
krentenkoek, krîntekook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krîntekeuk, krîntekukske, krentebroodje
krentenlikker, krîntelekker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krîntelekkers, persoon, secuur
kreperen, krepeêre, krepieëre, werkwoord, krepeertj, krepeerdje, gekrepeerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kreperen
krets, krets, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, huidziekte
kreukelen, kreukele, kruuëkele, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; kreukelen; tweede vorm Weerts (stadweerts); kreuken
kreunlijk, kruuënlik, bijvoeglijk naamwoord, (Ospels) kleinzerig
kreupel, kreupel, kruuëpel, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kreupel
kreutzer, kruitser, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kruitsers, (Duits) munt, oude
krib, krub, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krubbe, krubke, voederbak; kribke, krubke (verkleinwoord) kerstkribbe; kraêp (Nederweerts) zaaikorf
kribbenbijter, krubbebiêter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krubbebiêters, krubbebiêterke, brombeer; paard, kribbebijtend
kriek, kreek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kreêke, kreekske, pruim, kleine gele; krik pruim, kleine gele, takkenbos
krijgen, kriêge, werkwoord, kriegtj/krigtj, krieëg/kreeg, gekrieëge/gekrege, krijgen
krijt, kriêt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kriêtje, krijt
krijten, kriête, werkwoord, kriêtj, krieët/kreet, gekrieëte/gekrete, huilen, krijten
krikkel, krikkel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, wankel, wisselvallig, zwak van gezondheid
krimpen, krûmpe, werkwoord, kou lijden, krimpen
krimper, krûmpert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krûmper(t)s, krûmperke, koukleum
krimpneus, krûmpnaas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krûmpnaze, krûmpnaeske, koukleum
kring, krînk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kring(e), kringske/krînkske, kring
kringelen, krîngele, werkwoord, kibbelen
kritiek, kertiêk, kretiek, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (eerste vorm) proper, secuur, (tweede vorm) hachelijk; (Nederweerts) proper, secuur
kritiek, kretiek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kretieke, commentaar
kritseltje, gridzelke, gridzelkes, (verkleinwoord) kruimeltje
kritseltjespap, gridzelkespap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, griesmeelpap
kroes, kroes, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, roetaanslag aan pan
kroet, kroêt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kruutje, siroop, stroop; kruutje (verkleinwoord) stroop
kroetemmer, kroêteîmerke, kroêteîmerkes, (verkleinwoord) (Nederweerts) stroopemmertje
kroetpers, kroêtpörs, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kroêtpörse, stroopmakerij
kroezen, kroeze, werkwoord, zich -, bevuilen, zich
krom, krômp, kroomp, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); krom
krombijl, krombiêl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, krombiêle, schoorbalk
kromme zin, króm zin, bijwoord, slecht geluimd
krongelen, krôngele, werkwoord, (Nederweerts) kringelen
kronselen, krônsel, kroonsel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krônsele/kroonsele, kreunselke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kruisbes
kronselen, kroeënsele, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) spreken, klaaglijk
kroon, kroeën, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kroeëne, kruuënke, kroon
kroonkraan, kroenekraan, kroeënekraan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kroenekrane/kroeënekrane, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kraanvogel
kroontje, kruuënke, kruuënkes, (verkleinwoord) kroontje
kroos, krizuuëlkes, (verkleinwoord, meervoud) pruimen, wilde
kroot, krot, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krotte, krotje/krötje, biet
kroppen, kroppe, werkwoord, verdragen
kropper, kropper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kroppers, sierduif
krotenkopper, krottekopper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krottekoppers, bietenschoffel
krotenmolen, krottemeule, krottemuuële, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krottemeules/krottemuuëles, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bietensnijder
krotenpoffer, krottepóffer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krottepóffers, boer, bietenschoffelende
kruid, kroêd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, krujje(r), kruûdje, kruid
kruid, krujje, (meervoud) kruiden
kruidnagel, kroêdnegel, kroêdnieëgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kroêdnegel(s)/kroêdnieëgel(s), kroêdnegelke/kroêdnieëgelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kruidnagel, sering
kruidwis, kroêdwés, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kruidenbos, alsem
kruien, krujje, werkwoord, kruien
kruik, kroêk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kroêke, kruûkske, kruik
kruikar, kroeker, kroekèr, krukker, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kroekerre/kroekèrre/krukkers, kroekerke/kroekèrke/krukkerke, eerste vorm en tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde vorm Nederweerts, Oslpels; kruiwagen
kruikarren, kroekèrre, krukkere, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; rijden met kruiwagen
kruikenstop, kroêkestop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kroêkestöp, kroêkestöpke, persoon, klein , kurk
kruimel, kruuëmel, gruûmel, gruuëmel, kruûmel, kreumel, greumel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kruuëmels/kruûmels/kreumele/greumele, kruuëmelke/kruûmelke/kreumelke/greumelke, tweede, derde en vierde vorm Weerts (stadweerts); vijfde vorm Nederweerts, Ospels; zesde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; kruimel
kruimelen, kreumele, kruuëmele, gruuëmele, greumele, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede en derde vorm Weerts (stadweerts); vierde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; kruimelen
kruimelen, kromele, werkwoord, (Nederweerts) kermen, zachtjes, praten, klagerig
kruimelgat, kromelgaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kromelgater, kromelgaetje, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) persoon, kleinzerig , zeurpiet
kruimelvot, kromelvot, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kromelvotte, kromelvötje, (Nederweerts) zeurpiet
kruin, kruuënke, kruuënkes, (verkleinwoord) kruin, tonsuur bij priesters
kruipen, kroepe, kroêpe, werkwoord, kroeptj/kruptj/kruûptj, kroop/kroeëp, gekrope/ gekroeëpe, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kruipen
kruipertje, kroêperke, (verkleinwoord) gerstsoort
kruipgat, kroêpgaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kroêpgate(r), kroêpgaetje, klein huis, klein vertrek, kruipgat
kruipuit, kerboêt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, balkenbrij
kruis, kruûs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kruûse/kruûze(r)/kruûsder, kruûske, kruis
kruisbes, kruûsbeer, kruûsbieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kruûsbeêre/kruûsbieëre, kruûsbeerke/kruûsbieërke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kruisbes
kruisboog, kruûsboôg, kruûsboeëg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kruûsboôge/kruûsbuuëg, kruûsbeûgske/kruûsbuuëgske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); kruisboog
kruisen, kruûse, werkwoord, kruûsj, kruûszje, gekruûsj, kruisen, kruisjassen
kruisheer, kruûshieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kruûshieëre, ekster, kruisheer (orde)
kruisjassen, kruûsjasse, werkwoord, kruûsjasj, kruûsjaszje, gekruûsjasj, kruisjassen
kruk, krök, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krökke, deurknop, driepoot, kruk
krul, krol, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krolle, krölke, halssnoer, krul
krullenbol, krollebôl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krolleböl, krollebölke, krullebol
krullenkop, krollekop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, krolleköp, krolleköpke, krullebol
krulmoes, krolmoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, boerenkool
krulspeld, krolspel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, krolspelle, krolspelke, krulspeld
kuieren, kui-jere, werkwoord, wandelen
kuierlatten, kui-jerlatte, (meervoud) benen
kuif, koef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koêve, kuufke, kuif
kuifleeuwerik, koeflieëwêrk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koeflieëwêrke, koeflieëwêrkske, kuifleeuwerik
kuik, kuûk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuûke(s), kuûkske, brutale jongen, jong kind; snottebel
kuiken, kuûke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuûke(s), kuûkske, brutale jongen, jong kind, kuiken (kip)
kuikendraad, kuûkedraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kippengaas
kuikenkramer, kuûkekrieëmer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuûkekrieëmers, kippenopkoper
kuil, koel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koêle, kuulke, kuil, mijn (kolen-), poel
kuileker, koêleker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koêlekers, (Nederweerts, Ospels) knikker, glazen
kuilenbal, koêlebâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koêlebèl, koêlebelke, (Nederweerts, Ospels) stuiter, stenen
kuilenballen, koêleballe, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) knikkeren
kuilenkloot, koêlekloeët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koêlekluuëj, koêlekluuëtje, knikker van leem
kuilenkop, koêlekop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koêleköp, koêleköpke, dikkopje
kuilenkop schieten, koêlekop scheête, werkwoord, kopje duikelen
kuilenkopje, koêleköpke, koêleköpkes, (verkleinwoord) kikkervisje
kuilenpinken, koêlepinke, werkwoord, (Nederweerts) stuiteren met knikkers
kuilputter, koelpötter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koelpötters, mijnwerker
kuimen, kuûme, werkwoord, hijgen, werken, hard, zuchten, kreunend
kuip, kuûp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuûpe, kuûpke, badkuip, kuip; koêp kuip
kuiper, kuper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kupers, kuiper
kuit, kuit, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lol
kuit, kuût, koêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuûte/koête, kuûtje, tweede vorm Nederweerts, Ospels; kuit
kuitelen, kuitele, werkwoord, rollen
kuiten, kuite, werkwoord, kuitj, kuitdje, gekuitj, plezier maken, spelen
kuitenboks, kuitbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuitbókse, loltrapper, pleziermaker
kuitentikker, kuûtetikker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuûtetikkers, kuûtetikkerke, slipjas
kuiter, kuiter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuiters, kuiterke, pleziermaker
kukelen, kukele, werkwoord, duikelen
kul, kûl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, praat, flauwe, onzin
kulder, kuldert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kulderte, wulp
kullen, kulle, werkwoord, (Nederweerts) voor de gek houden
kuls, kuîles, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kuîlese, hoofd
kunnen, kunne, kónne, werkwoord, kân, kos/koos, gekosj/gekundj/gekónne, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; kunnen
kunst, kûnst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kûnste, kûns(t)je, kunst
kurk, körk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, körke, körkske, kurk
kussen, kösse, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kösses, köske, kussen
kussentijk, kössteek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kössteke, kössteekske, kussensloop
kussentreksel, köstrèksel, köstréksel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, köstrèksels/köstréksels, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kussensloop
kuur, kuuër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kuuëre, (Weerts (stadweerts)) gril, zotte, keuze
kwaad, kwaod, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kwaoj(e); kwaojer, kwaodst, boos, moeilijk, slecht
kwaad oog, kwaod oug, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) boze oog, heksenoog
kwaak, kwaek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, grote mond
kwaakboks, kwakbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwakbókse, kletskous
kwaakpastoor, kwakpestoeër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwakpestuuërs, kletskous, veelprater
kwaal, kwaol, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwaole, kwäölke, kwaal
kwabbel, kwabbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwabbele, kwebbelke, kwab, klomp vet/vlees
kwacht, kwaacht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwaachte, peelmoeras
kwade, kwaoje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, de kwaoj, de -, slecht/verkeerd persoon, 'ne -, boos persoon, moeilijk persoon, iets moeilijks
kwajongen, kwaojóng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwaojóng, kwaojungske, kwajongen
kwak, kwak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwakke, kwekske, hoeveelheid, kleine; kwók kwak, schok
kwakel, kwakel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwakels, kletstante, kwartel, vrouw, slordige
kwakel, kwakel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwakele, (Nederweerts, Ospels) stront, plakkaat gedroogde
kwakel, kwakele, (meervoud) schaapswolresten, draden, uitgerafelde
kwaken, kwake, kwaeke, werkwoord, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; schreeuwen
kwaker, kwakker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwakkers, kwekkerke, kikker; kwakkert kikker, kletskous
kwakje, kwekske, kwekskes, (verkleinwoord) hoeveelheid, kleine
kwakken, kwakke, kwókke, werkwoord, (eerste vorm) gooien/smijten, kuieren, praten, gezellig, (tweede vorm) kwakken, schokken
kwalijk, kwaolik, bijvoeglijk naamwoord, misselijk
kwalijk, kwaolik, bijwoord, amper, nauwelijks
kwansuis, kwansiês, bijwoord, alsof, quasi, zogenaamd
kwant, kwânt, bijvoeglijk naamwoord, grappig/leuk, raar/vreemd
kwartier, keteer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, keteêre, keteerke, kwartier
kwast, kwast, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwaste, kwes(t)je, gek, kwast
kwastelorum, kwastelorem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vent, rare
kwebbel, kwebbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwebbels, kwebbelke, kletskous
kwebbelgat, kwebbelgaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kwebbelgater, kletskous
kween, kwieë, kwieën, kween, kwien, kwint, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; vierde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); vijfde vorm Ospels;
kweepeer, kwieëpaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kwieëpaere, kwieëpaerke, kweepeer
kweken, kweke, werkwoord, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) schreeuwen, telen
kwekken, kwekke, werkwoord, (Nederweerts) piepen, brullen
kwekker, kwekkert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwekker(t)s, kwekkerke, (Nederweerts) kikker
kwelen, kwaele, werkwoord, kwijnen, rotten van groenten, vergaan
kweren, kwaere, werkwoord, malen met handmolen
kweren, kweêre, werkwoord, kweertj, kweerdje, gekweerdj, twijnen
kwezelshaar, kwezelshaor, (meervoud) vlokken van wollegras
kwibus, kwiebes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwiebese, vent, rare , zonderling
kwibus, kwiep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, halve gare; kwielephalve gare
kwiedam, kwiedem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fat
kwijt, kwiêt, bijwoord, kwijt
kwikkebil, kwikbîl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, fat, spring in ’t veld
kwikken, kwikke, werkwoord, wegen, op de hand, gewicht schatten, tillend
kwikstaart, kwikstèrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kwikstèrte, kwikstèrtje, kwikstaart, witte
kwisp, kwespke, kwespkes, (verkleinwoord) tenenroede
kwispelmandje, kwispelmendje, kwispelmendjes, (verkleinwoord) draagmandje
laag, lieëg, bijvoeglijk naamwoord, gemeen, laag (niet hoog), leeg
laag, laog, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, läög/laoge, läögske, laag
laan, laan, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lane, laenke, laan
Laar, Laor, eigennaam, Laar (kerkdorp Weert)
laars, laars, zelfstandig naamwoord, mannelijk, laarze, laerske, laars
labberente, labberînte, (meervoud) inne -, verlegenheid, in
lach, lach, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lechske, lach
lachduif, lachdoef, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lachdoêve, lachduufke, tortelduif
lachen, lache, lawchte, werkwoord, lachtj, lajje/lachdje, gelache, tweede vorm Ospels; lachen
lade, laaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, laaje, laetje, lade
laden, laaje, werkwoord, laden
lading, laajing, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, laajinge, lading
laf, laf, bijvoeglijk naamwoord, flauw
laf, laf, bijwoord, zwoel
lak, lak, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, koeiengebrek, paardengebrek
laken, lake, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lakes, laekske, laken
lakvogel, lakvogel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lakveugel, (Ospels) pestvogel
lam, laam, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lam/verlamd
lam, laam, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lame, lemke, lam (schaap)
lamenteren, lammenteêre, lammentieëre, werkwoord, lammenteertj, lammenteerdje, gelammenteerdj, zich beklagen, jammeren
lamlendig, laamlendjig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lamlendig
lammen, lame, (meervoud) lammeren
lammetje, lemke, lemkes, (verkleinwoord) lammetje
lammetjespap, lemkespap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kindjespap, pap van gekookte melk
lamp, lâmp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lâmpe, lêmpke, lamp
land, lând, lândj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lendj/lêndj, lêndje/lendje, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; land (akker), land (staat)
land klein maken, lând klein make, lândj klein make, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; eggen
landsteken, lândjstaeke, lândstaeke, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); landveroveren (spel)
landstelen, lândjstaele, lândstaele, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); landveroveren (spel)
lang, lânk, bijvoeglijk naamwoord, lang(e); langer, lânkst, lang; langlangdurig
langen, lange, lânge, werkwoord, (eerste vorm) schenken, (tweede vorm) aangeven, aanreiken
langs, langs, voorzetsel, naast
langsgewijs, langewieëgs, bijwoord, lengte, in de
langstaartje, langstèrtje, langstèrtjes, (verkleinwoord) (Ospels) staartmees
langszij, langszi-j, bijwoord, langszij
languit, lânkoet, lânkuut, bijwoord, languit
langzaam, lânksaam, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, langzaam
langzaam, lânksem, bijwoord, langzaam
lans, lâns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lânse, lênske, lans
lantaarn, lantaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lantaeres, lantaerke, lantaarn
lantaarnpaal, lantaerepaol, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lantaerepäöl, lantaerepäölke, lantaarnpaal
lap, lap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lappe, lepke, lap
lap, lappe, (meervoud) oogkleppen (van paard)
lapje, lapje, lapjes, (verkleinwoord) snip, kleine (vogel)
lapjesdeken, lepkesdeêke, lepkesdieëke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lepkesdeêkes/lepkesdieëkes, lepkesdeêkske/lepkesdieëkske, lappendeken
lappen, lappe, werkwoord, laptj, lapdje, gelaptj, betalen, proberen te doen, verzolen van schoenen
lappendeken, lappedeêke, lappedieëke, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lappedeêkes/lappedieëkes, lappedeêkske/lappedieëkske, lappendeken
lappenmarkt, lappemêrrentj, lappemêrretj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; textielmarkt
lapper, lapper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Ospels) bokje
lapzwans, lapzwâns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lapzwânse, lapzwênske, luierik, grote, vent van niks
lar, lar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, larre, zanikerd
larder, larder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, larders, zanikerd
lariks, lârks, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lârkse, lariks, lork
laris, laris, zelfstandig naamwoord, mannelijk, larisse, lariske, grapjas, lolbroek
larissen, larisse, werkwoord, kolderen
larren, larre, werkwoord, geluid van krolse katten, zeuren
lassen, lasse, werkwoord, lasj, laszje/lasdje, gelasj, lassen
lastig, lestig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lastig
lat, lat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, latte, letje, lat, vrouw, magere
latei, letej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, letejje, letejke, latei
laten, laote, werkwoord, lieëtj/leutj/lutj, leet, gelaote, laten
laten litsen, laote litse, werkwoord, loslaten, plicht verzuimen, schieten, laten
laten schrijven, laote schriêve, werkwoord, zich -, heten
latijn, letiên, zelfstandig naamwoord, onzijdig, latijn
laurier, laureer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, laurier
lauw, law, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lauw, waardeloos
lauw, law, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lawwe, lawke, zeelt
lauwer, lawwere, (meervoud) lauweren
lauwerkrans, lawwerkrâns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lawwerkrêns/lawwerkrânse, lawwerkrênske, lauwerkrans
laweit, leweît, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lawaai
lebberen, lebbere, werkwoord, drinken (teugjes), sabbelen
lechter, laechters, leichters, (meervoud) tweede vorm Nederweerts, Ospels; nageboorte bij varken
leed, leîd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ellende, leed, d'r - van hebben, betreuren, spijt hebben van
leeftijd, laeftiêd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, laefti-jje/laeftiêde, leeftijd
leeg, leeg, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, leeg
leegloper, lieëgluîper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lieëgluîpers, persoon, werkschuw
leegte, lieëgdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lieëgdjes, laagte, leegte, moerasgebied
leem, leîm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, leem
leemgrond, leîmgrôndj, leîmgroond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); leemaarde
leemkuil, leîmkoel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leîmkoêle, leîmkuulke, leemput
leer, lieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, leer, -, in opleiding, op stage
leer, laer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, laerke, leer
leer, leî-jer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leî-jers, leî-jerke, ladder
leerkar, leî-jerkèr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leî-jerkerre, leî-jerkerke, kar met open zijkant
leerlooierij, laerloojeri-j, laerloeëjeri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, laerloojeri-je/laerloeëjeri-je, laerloojerieke/laerloeëjerieke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); leerlooierij
leertijd, lieërtiêd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stage(periode)
leest, leîst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, leîste, leest
leeuw, lieëw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lieëwe, lieëwke, leeuw
leeuwerik, lieëwêrk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lieëwêrke, leeuwerik
leewater, lei-jwater, lieëwater, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gewrichtsvocht
legen, lieëge, werkwoord, leegmaken
legen, leêge, werkwoord, leegmaken
leggen, lègke, légke, werkwoord, lègktj/leegtj/légktj, lag(t), gelagdj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); leggen
lei, lej, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerlijk
lei, lej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lejje, lejke, lei, oppe - klatse, schulden maken, oppe - staon, schulden hebben, , te goeder trouw
lei, leî-je, (meervoud) ranken (bonen)
leidekker, lejjendékker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lejjendékkers, lejjendékkerke, leidekker
leiden, leî-je, werkwoord, létj/leîtj, lédje/leîdje, gelédj/geleîdj, leiden
leikel, leîkels, (meervoud) wolrepen
leisteen, lejsteîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lejstein, lejsteinke, leisteen
lekken, leêke, lieëke, werkwoord, lieëktj, lieëkdje, gelieëktj, lekken
lekkere, lekkere, werkwoord, ondertroeven bij kaartspel
lekkertje, lekkerke, lekkerkes, (verkleinwoord) snoepje
lelijk, lieëlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, geweldig, lelijk, slecht, zeer
lelijk doen, lieëlik doon, werkwoord, mopperen, schelden
lelpoep, lelpoep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, diarree, ziekte, verzonnen
lempen, lûmpe, werkwoord, slinken van bladeren, wijder worden van stoffen
lempoog, lûmpoug, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lûmpoûge, ooglid, afhangend
lende, lîndje, (meervoud) lendenen
lende, lîndjene, (meervoud) lendenen
lendenlam, lîndjelaam, bijvoeglijk naamwoord, verlamd
lenen, lieëne, werkwoord, lenen
lengen, lînge, werkwoord, lengen
lengte, lingdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lingdjes, lengte
lens, lêns, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, leeg, uitgeput
lente, lîntje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lîntjes, lente
lepel, lepel, lieëpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lepels/lieëpels, lepelke/lieëpelke, lepel
lepelaar, lieëpelaar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lieëpelaars, lepelaar (vogel)
lepelbek, lepelbek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, slobeend
leps, leps, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, flauw, smakeloos
leraar, lieëraar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lieërare, leraar
leren, lieëre, werkwoord, leren, wennen
leren tis, laere tus, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moeras bedekt met gras, voorwerp, taai
lerenwoep doen, laerewoep doon, werkwoord, bewegen, op en neer doen, wiegen
lerenwoep maken, laerewoep make, werkwoord, dansen op natte grond
les, lès, lés, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lèsse/lésse, lèske/léske, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); les
lest, léste, lèste, leêste, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede en derde vorm Nederweerts, Ospels; laatste
lest, lést, leêst, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; laatst, onlangs
letten, létte, lètte, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; beletten
letter, lètter, létter, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lètters/létters, lètterke/létterke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); letter
lettereitje, lettereike, lettereikes, (verkleinwoord) (Ospels) eitje, onbevrucht
leugen, leuge, luuëge, zelfstandig naamwoord, mannelijk, leuges/luuëges, leugeske/leugentje/luuëgentje, leugen
Leuken, Luuëke, eigennaam, Leuken (wijk Weert)
leun, läön, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) leunstoel
leuning, luuëning, leuning, läöning, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luuëninge/leuninge/läöninge, luuëningske/leuningske/läöningske, derde vorm Nederweerts, Ospels; leunstoel
leunstoel, luuënstool, leunstool, läönstool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luuënsteul/leunsteul/läönsteul, luuënsteulke/leunsteulke/läönsteulke, derde vorm Nederweerts, Ospels; leuning
leuter, leûter, luuëter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zeepsop
leven, laeve, werkwoord, leven
leven, laeve, zelfstandig naamwoord, onzijdig, laeves, laeventje, leven
leven, laeve, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lawaai
levende, laevendje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, laevendje, levende
levensgroot, laevesgroeët, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, levensgroot
lever, laever, zelfstandig naamwoord, mannelijk, laevers, laeverke, lever, (Ospels) li-jchte -, lever (bij slachtvee), zwaore -, longen (bij slachtvee)
Leveroy, Leîvere, eigennaam, Leveroy
lezen, laeze, werkwoord, leusj/lusj, loos/laas, gelaeze, lezen
lezen, leze, werkwoord, leesj, leeszje, geleesj, bonen van draden ontdoen
licht, licht, lîcht, leecht, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (eerste vorm) licht (niet zwaar), (tweede en derde (Weerts (stadweerts)) vorm) licht (t.o. donker)
licht, lîcht, leecht, leejcht, li-jcht, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lîchte/leechte(r)/leejchter/li-jchte, lîchtje/leechtje/leejchtje/li-jchtje, tweede vorm Weerts (stadweerts); derde en vierde vorm Ospels; lamp, licht
licht, locht, bijvoeglijk naamwoord, lichtvaardig; luchtig, zacht
licht, lucht, lujcht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lu(j)chte, lu(j)chtje, tweede vorm Ospels; lantaarn
lichten, luchte, werkwoord, luchtj, luchtdje, geluchtj, bijlichten, luchten, optillen, lichtjes
lichthout, luchthout, zelfstandig naamwoord, onzijdig, luchthouter, hout om eg te tillen
lid, leej, lieëj, (meervoud) ledematen
lid, lid, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lede/leej(e), lid
lid, leet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leête, leetje, plak, stuk
lied, leed, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lede/leej(e), lid, lied
lief, leef, bijvoeglijk naamwoord, leêve; leêver, leefst, lief
lief, leef, zelfstandig naamwoord, onzijdig, leêveke, lief
liefde, leefdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leefdjes, liefde
liegen, leêge, werkwoord, luugtj/lugtj, loeëg/loog, geloeëge/geloge, liegen
Lieve Vrouw, Levrouw, Levevrouw, Levraw, Levevraw, eigennaam, derde en vierde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); Onze Lieve Vrouw
Lieve-Heer, Levenhieër, eigennaam, Onze Lieve Heer
lieveheer, levenhieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, levenhieërke, kruisbeeld
lieveke, leêveke, leêvekes, (verkleinwoord) liefje
liever, leêver, bijwoord, liever
lieverhoofdstel, leverhötsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, leverhötsels, paardenkopstel
lieverkoekjes, leverkukskes, (verkleinwoord, meervoud) wens, grote, willen, liever
lievevrouwenbeertje, levrawwebieërke, levevrawwebieërke, levevrouwebeêrke, levrouwebeêrk, levevrawwebieërkes, (verkleinwoord) derde en vierde vorm Nederweerts, Ospels; aalbes
lievevrouwenbeestje, levrouwebieësje, levrouwebieësjes, (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) lieveheersbeestje
lievevrouwenbloempje, levevrouwebleumke, levrouwebleumke, levevrouwebleumkes, (verkleinwoord) pinksterbloem
liggen, ligke, werkwoord, ligktj, loog/laag, gelaege, liggen
ligger, ligger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, liggers, molensteen, onderste
lijden, li-jje, werkwoord, lietj/litj, lieëj/leej, gelieëje/geleeje, lijden
lijf, liêf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, liêve, liefke, lichaam, t'r - drejje, schuld geven, 't - oetdoon, naweeën van koe
lijfje, liefke, liefkes, (verkleinwoord) borstrokje (kinderen), lijfje (kinderen)
lijk, liêk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, liêke, liêkske, dode, lijk, t'r - gaon, condoleren, begrafenis bijwonen, t'r - nuuëje, aanzeggen van 'n dode
lijken, liêke, werkwoord, liêktj, lieëk/leek, gelieëke/geleke, lijken
lijkklauw, liêkklaw, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, liêkklawwe, litteken
lijkmis, liêkmés, zelfstandig naamwoord, mannelijk, liêkmésse, begrafenismis
lijm, liêm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, liême, lijm
lijmroede, liêmrooj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, liêmrooje, lijmstok
lijn, lien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, liêne, lienke, lijn, touw, lang, vissnoer
lijndrijver, liendriêver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, liendriêvers, scheepsjager
lijnijzer, liêniêsder, liêniêzer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, liêniêsders/liêniêzers, peelschop
lijnwaad, liêvendj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, linnengoed
lijnwaadkast, liêvendjkast, zelfstandig naamwoord, mannelijk, liêvendjkest, linnenkast
lijnwaadmand, liêvendjsmang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, liêvendjsmânge, liêvendjsmendje, wasmand
lijnzaad, leêzentj, liênzaod, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lijnzaad
lijnzaadmeel, leêzesmael, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lijnzaad, gekookt
lijnzaadolie, leêzesoeëlie, leêzesolie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lijnolie
lijs, lies, liês, bijwoord, (Nederweerts) (eerste vorm) allicht, gauw, lichtelijk, (tweede vorm) onwaarschijnlijk
lijs, leîze, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 'ne -, persoon, traag
lijsei, lees-eike, lees-eikes, (verkleinwoord) windei
lijst, liêst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, liêste, leest, lijst
lijster, liester, liêster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, liesters/liêsters, liesterke/liêsterke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); zanglijster
lijsterbes, liesterbeêr, liêsterbieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, liesterbeêre/liêsterbieëre, liesterbeêrke/liêsterbieërke, lijsterbes
lijzen, leîze, werkwoord, leîsj, leîszje, geleîsj, rekken van linnen (na was); liêze rekken van linnen (na was)
likduim, lekdoem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, zuigduim
likken, lekke, werkwoord, lektj, lekdje,gelektj, likken
likneus, leknaas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, leknaze, leknaeske, eter, kieskeurige
limonade, limmenaad, zelfstandig naamwoord, mannelijk, limonade
linde, lîndje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lîndjes, lindenboom
lindeboom, lîndjeboum, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lîndjebuim, lîndjebuimke, lindenboom
link, lînk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, gevaarlijk, slim
linkmiegel, lînkmiechel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lînkmiechels, lînkmiechelke, persoon, gewiekst
links, lînks, bijvoeglijk naamwoord, links, onhandig
linnen, liêne, bijvoeglijk naamwoord, linnen
linnen, liêne, zelfstandig naamwoord, onzijdig, linnen, linnengoed
lint, lîntj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lîntje, lintje, lint
linze, lînze, (meervoud) linzen (peulvruchten)
linzen, lînze, bijvoeglijk naamwoord, linzen
lip, lup, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, luppe, lupke, lip
lippen, luppe, werkwoord, luptj, lupdje, geluptj, huilen, begin van, pruilen
lippentrul, luppetrûl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mopperaar
litanie, litteni-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, litteni-jje, littenieke, litanie
lits, lits, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, litse, litske, bretel, kousenophouder
lobbes, löbbes, loebes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, löbbese/loebese, löbbeske, lobbes, goedaardig persoon, goedzak, sul
lodderen, loedere, werkwoord, rollen met bal, zacht
loden, loeëje, bijvoeglijk naamwoord, loden
loden handen, loeëj hang, (meervoud) uitgedroogde handen
lodig, loeëtig, bijvoeglijk naamwoord, zwaar
loef, loef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luufke, persoon, venijnig , stiekemerd, valsaard
loeien, lowwe, werkwoord, lowtj/loetj, lowdje/loedje, gelowdj/geloedj, loeien, luiden
loeren, lore, werkwoord, gluren, loeren
loeroor, looroeër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gluurder, luistervink, stiekemerd
loets, lóts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lótse, duim, speen, pijp, zuigspeen
loetsen, lótse, werkwoord, lótsj, lótszje, gelótsj, drinken, duimzuigen
logement, lozjemênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lozjemênte, lozjemêntje, logement
logeren, lozjeêre, lozjieëre, werkwoord, lozjeertj, lozjeerdje, gelozjeerdj, logeren
lol, lôl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lol, plezier
lolstoof, lôlstoeëf, lôlstoof, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lôlstoeëve/lôlstove, lôlstuuëfke/lôlsteufke, voetstoof
lommel, lómmel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lómmele, lómmelke/leumelke, lor, prul, vod
lommerten, lómmerte, (meervoud) broodjes, soort
lomp, lômp, loomp, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); lomp
lomp, lômpe, loompe, (meervoud) eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); lompen, vodden
lomperik, lômperik, loomperik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lômperike/loomperike, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); persoon, lomp
lonen, loeëne, werkwoord, lonen
long, lóng, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, loonge/longe, lungske, (eerste meervoud Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), tweede meervoud en verkleinwoord Nederweerts, Ospels) long
lonken, lônke, loonke, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); lonken
lont, lôntj, loont, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, lôntje/loonte, lûntje/luntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); lont
loochenen, loeëchene, werkwoord, loochenen
lood, loeëd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, gewicht, lood
loods, loeëds, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, loeëdse, loods
loodzand, loeëdzând, loeëdzândj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; grond, onvruchtbare
loof, loûf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, loof, lover
looien, loeëje, werkwoord, looien, verkleuren van appels
lookje, leûkske, leûkskes, (verkleinwoord) vlasbundeltje
loon, loeën, zelfstandig naamwoord, onzijdig, loeëne, luuënke, loon
loop, loup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, loop
loop, luîp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luîpe, luîpke, loop, geweerloop, sloot, waterloop
loopachtig, luîpetig, bijvoeglijk naamwoord, loops
loops, luîps, bijvoeglijk naamwoord, loops
loos, loeës, bijvoeglijk naamwoord, loos
loospijp, loeëspiêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, luchtpijp
loot, loot, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lote/loeëte, leutje/luuëtje, ent, loot; loeët ent loot
lootsoor, loêtsoeër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, loêtsoeëre, stiekemerd
lopen, loupe, werkwoord, luîptj, leep, geloupe, lopen
lopend, loupendjes, bijwoord, voet, te
loper, louper, luîper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, loupers/luîpers, louperke/luîperke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); hardloper, loper (schaakspel), loper (sleutel), molensteen, bovenste, traploper
lopig, luîpig, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) loops
losem, loeësem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, orgaanvlees van slachtvee
losse petit, losse petit, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) kleingoed
lot, loeët, zelfstandig naamwoord, onzijdig, loeëte, luuëtje, lot uit loterij
loten, loeëte, werkwoord, loeëtj, loeëtdje, geloeëtj/lootj, lootdje, gelootj, loten; lote (Nederweerts, Ospels) loten
loten, loeëte, zelfstandig naamwoord, mannelijk, persoon, sloom
louter, loêter, bijwoord, (Nederweerts) louter
louw, louw, bijwoord, waardeloos
louw, low, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lowwe, lowke, (Nederweerts, Ospels) zeelt
louw loene, louw loêne, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onbetaald
louw loene, louw loêne, bijwoord, sfeerloos
louw smoezen, louw smoeze, werkwoord, praten, niet over
loze, loês, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kereltje, ad rem
lozen, loze, loeëze, werkwoord, loosj/loeësj, loosdje/loeëszje, geloosj/geloeësj, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); lozen
lucht, locht, loûwt, loûwcht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, löchte/loûwte, loûwchte, löchtje, lucht; löcht tweede en derde vorm Ospels; lucht
lui, luî-j, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, lui
lui, luj, (meervoud) lieden
luie knecht, lui-je knecht, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koevoet, laarzentrekker
luierik, lui-jerik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lui-jerikke, luilak
luiewijvensoep, lui-j wiêver sop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, soep uit blik/pakje
luik, loêk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, loêke, luûkske, luik
luis, loês, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, luus, luuske, luis
luister, luûster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luister, pracht
luisteren, loestere, loêstere, werkwoord, luisteren
luiszak, loêszekske, loêszekskes, (verkleinwoord) persoon, onbetrouwbaar
luiwammes, lui-jwammes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, lui-jwammese, luilak
luizenkam, loêzekâmp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, loêzekem, loêzekemke, luizenkam, stofkam
luizenkramer, loêzekrieëmer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, loêzekrieëmers, loêzekrieëmerke, persoon, slecht verzorgd
luizenpaadje, loêzepaedje, (verkleinwoord) haarscheiding
luizenpiemel, loêzepiemel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, loêzepiemelke, kleinigheid
luizenpummel, loêzepummel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, loêzepummelke, (Nederweerts) kleinigheid
luizig, loêzig, bijvoeglijk naamwoord, slim
luizig, luzig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ondeugend
lukken, lökke, werkwoord, löktj, lökdje, gelöktj, lukken
lulijzer, luliêzer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, luliêzers, kletskous, telefoon
lurken, lörke, werkwoord, drinken, rustig
lurven, lörve, (meervoud) kladden, lurven
lusten, löste, leuste, werkwoord, lös(t)j/leus(t)j, löszje/lösdje/leuszje/leus(t)dje, gelös(t)j/geleus(t)j, tweede vorm Nederweerts, Ospels; lusten
lusters, luûsters, bijvoeglijk naamwoord, satinet, van
m gaan, m genge, werkwoord, veel eten, hard lopen, hard werken, op stap gaan
maag, maag, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mage, maegske, maag
maagd, maagd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maagde/maegtjes, maegtje, dienstmeisje, maagd; maegtje (verkleinwoord) meisje
maagdjesnaam, maegtjesnaam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maegtjesname, achternaam getrouwde vrouw
maaien, mejje, werkwoord, maaien
maal, maal, maol, zelfstandig naamwoord, mannelijk, male, maelke, (eerste vorm) knikker, (tweede vorm) keer, maal
maal, maol, zelfstandig naamwoord, onzijdig, maole, maaltijd
maalbord, mâlbord, zelfstandig naamwoord, onzijdig, egalisatiewerktuig (akker)
maalmolen, maalmeulke, maalmeulkes, (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) handmolen voor graan
maaltand, maaltândj, maaltând, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maaltendj/maaltang, maaltendje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kies
maaltijd, maoltiêd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maoltiêde, maaltijd
maan, maon, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maone, mäönke, maan
maand, maondj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maondje, mäöndje, maand
maandag, maondjig, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maondjige, maandag
maandagavond, maondjigaovendj, maondjigenaovendj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maondjig(en)aovendje, maandagavond
maandagmiddag, maondjigmiddig, maondjigemiddig, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maondjig(e)middige, maandagmidag
maandagmorgen, maondjigmêrge, maondjigemêrge, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maondjig(e)mêrges, maandagmorgen
maandags, smaondjes, bijvoeglijk naamwoord, maandags
maankalf, maonkaof, zelfstandig naamwoord, onzijdig, maonkaover, flapdrol, lawaaimaker, domme, praatjesmaker
maar, mer, bijwoord, slechts
maar, meh, mer, tussenwerpsel, nee maar!, uitroep van verbazing
maar, mer, voegwoord, maar
maar ja, mejjeh, mejjieë, tussenwerpsel, (eerste vorm) echt waar?, (tweede vorm, Ospels), och God!
maar nee, meh neîn, tussenwerpsel, welnee
maart, mieërt, zelfstandig naamwoord, maart
maasruts, maasröts, maasruts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maasrötse/maasrutse, maasrötske/maasrutske, alver (vis)
maat, maot, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maote, mäötje, maat (afmeting), partner
maatje, mäötje, mäötjes, (verkleinwoord) inhoudsmaat (ca. 1 dl)
maatje, mäötje, (verkleinwoord) stokje als klompenmaat
maatlat, maotlat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maotlatte, maotletje, maatlat
maatslager, maotsleger, maotslieëger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maotslegers/maotslieëgers, maotslegerke/maotslieëgerke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tjiftjaf
maatstok, maotstek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maotstekke, maotstekske, maatlat
machine, mesjien, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mesjiêne, mesjienke, machine
machineketel, mesjiensketel, mesjienskieëtel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mesjiensketels/mesjienskieëtels, mesjiensketelkes/mesjienskieëtelke, tweede vorm Weerts (stadweerts); varkensvoerketel
machinekloot, mesjiênekluuëtje, mesjiênekluuëtjes, (verkleinwoord) monteur (naaimachine)
machineman, mesjiênemenke, mesjiênemenkes, (verkleinwoord) monteur (naaimachine)
machinemelk, mesjiensmêlk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, taptemelk
machinen, mesjiêne, werkwoord, dorsen, machinaal
machochel, mechochel, machochel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mechochels, vrouw, zwaarlijvige
machtig, mechtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) machtig
made, maaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maaje, made
magerendag, magerendaâg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, magerendaag, onthoudingsdag
magerman, magermenkes, (verkleinwoord, meervoud) herderstasje
maïs, meîs, zelfstandig naamwoord, onzijdig, maïs
maisonnette, mazjenetje, mazjenetjes, (verkleinwoord) (
majoor, majoeër, mejoeër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, majoeërs/mejoeërs, majuuërke/mejuuërke, majoor
maken, make, werkwoord, maaktj, maakdje, gemaaktj, maken
makkelijk, mekkelik, bijwoord, gemakkelijk
mal, moolje, mooldje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mooldjes, kneedtrog
malen, male, werkwoord, in de war zijn, knikkeren, malen, mijmeren
malheur, meleûr, zelfstandig naamwoord, onzijdig, meleûre, meleurke, ongeluk
mallejan, mallejân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) mallejan; merjân mallejan
mals, mâls, bijvoeglijk naamwoord, mals
man, mân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, men, menke, man
manchesterse boks, mansjesterse bóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mansjesterse bókse, broek van ribfluweel
mand, mang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mânge, mendje, mand
mandenmaker, mângemaeker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mângemaekers, mângemaekerke, mandenmaker
manen, mane, (meervoud) manen (nekhaar)
manen, mane, werkwoord, manen/aanmanen
mangel, mângel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mangel
mangelen, mângele, werkwoord, mangelen
manier, meneer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meneêre, meneerke, manier
mank, mânk, bijvoeglijk naamwoord, mank, (Nederweerts) gebrekkig
mankement, mânkemênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mânkemênte, mânkemêntje, handicap, letsel
mankeren, mankeêre, mankieëre, werkwoord, mankeertj, mankeerdje, gemankeerdj, tweede vorm Weerts (stadweerts); mankeren, ziek zijn
mannetje, menderke, menderkes, (verkleinwoord) (Ospels) mannetje
mannetjes maken, mennekes make, werkwoord, spelen, comedie
manskerel, manskaerel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, manskaerels, man(skerel)
manslengte, minslingdje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, minslingdjes, manshoogte
manslui, mansluj, (meervoud) mannen, mansvolk
mansmens, mansmins, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mansminse, man
mantel, mântjel, mântel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mântjels/mântels, mêntjelke/mêntelke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mantel
marechaussee, marsjesjeer, massesjeer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, marsjesjere/massesjere, (eerste vorm) marechaussee, snotneus, (tweede vorm) snot
marel, marel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, marels, (Ospels) griel (duinvogel), grutto
margarine, megrien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, margarine
maria marante, mari-jje merânte, tussenwerpsel, uitroep van verbazing
mariel, meriel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, drukte, inspanning, -doon, zich inspannen
marielen, meriele, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) ploeteren
markolf, mêrkof, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mêrköf, mêrköfke, vlaamse gaai
markt, mêrrentj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mêrrendje, markt
markt hebben aan, mert hebbe aan, werkwoord, maling hebben aan
marmer, mârmer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, marmer
mars, mers, zelfstandig naamwoord, mannelijk, merse, merske, (Nederweerts) rugzak/mars
martelaar, martelaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, martelaere, martelaerke, martelaar
martelen, mertele, werkwoord, martelen, prutsen, stuntelen
mastvogel, mastvogel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mastvogels, (Nederweerts, Ospels) roodborsttapuit
mat, mat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, matte, metje, mat
materiaal, matriaol, materiaol, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mat(e)riaole, materiaal
materie, beteêrie, materiej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Ospels; tweede vorm Nederweerts; etter
matras, metras’, zelfstandig naamwoord, mannelijk, metrasse, metrèske, matras
matroos, matroeës, metroeës, zelfstandig naamwoord, mannelijk, matroeëze/metroeëze, matruuëske/metruuëske, matroos
mauwen, mauwe, mawwe, werkwoord, miauwen
mazelen, mazele, maasdele, maasdere, mazere, (meervoud) tweede en derde vorm Nederweerts; vierde vorm Nederweerts, Oslpels; mazelen
medaille, bedalie, medalie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bedalies/medalies, bedalieke/medalieke, medaille
mede, meej, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, honingdrank
medicijn, middesien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, middesiêne, middesienke, medicijn
meduwen, medujje, bijwoord, (Nederweerts) van -, belangrijk
mee, mej, bijwoord, mee, meteen
mee aandoen, mej aandoon, werkwoord, aanpassen, zich
mee en dan, mej en dan, bijwoord, af en toe
meedoen, mejdoon, werkwoord, meedoen
meel, mael, zelfstandig naamwoord, onzijdig, meel
meelbes, maelbeerkes, maelbieërkes, (verkleinwoord, meervoud) tweede vorm Weerts (stadweerts); meidoornbessen
meelmopje, maelmupke, maelmupkes, (verkleinwoord) meelkoekje
meelschep, maelschoop, maelschoeëp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maelschope/maelschoeëpe, maelscheupke/maelschöpke, tweede vorm Weerts (stadweerts); meelschep
meelworm, maelwôrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maelwörm, maelwörmke, meelworm
meer, mieër, bijwoord, meer
meerkoet, maerkoet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maerkoête, meerkoet
meerkol, maerkol, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maerkolle, watersalamander, weeraal
meerkor, maerkor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maerkorre, meerval (vis)
meerrest, mieërrest, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rest
mees, mees, mieës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meze/mieëze, meeske/mieëske, tweede vorm Weerts (stadweerts); mees
meest, meîst, meîste, mieëst(e), bijvoeglijk naamwoord, derde vorm Weerts (stadweerts); meeste/grootste deel, vaakst
meestal, meîstal, mieëstal, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); meestal
meestens, meîstes, meîstens, bijwoord, meestal
meestentijds, meîstentieds, mieëstentieds, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); meestal
meester, meîster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meîsters, meîsterke, onderwijzer, de - make, ondeugend zijn
meeuw, mieëw, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mieëwe, mieëwke, meeuw
meevaren, mejvare, werkwoord, veurtj mej, voor mej, mejgevare, (Nederweerts) liften, meerijden
mei, mei, zelfstandig naamwoord, mei (maand), hoogste punt (bouw)
meischeut, meischeut, meischuuët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Weerts (stadweerts); groeikracht, extra ( in mei)
meizanger, mejzânger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mejzêngers, mejzêngerke, grasmus
mekken, meêke, maeke, werkwoord, meêktj, meêkdje, gemeêktj, protesteren, huilend zeuren, (Nederweerts, Ospels) schreeuwen
mekker, maekert, meêkert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maeker(t)s/meêker(t)s, maekerke/meêkerke, huilebalk
meld, mêl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, roem bij kaartspel
melden, melle, werkwoord, melden, roemen bij kaartspel
melig, maelig, bijvoeglijk naamwoord, droog en korrelig (fruit), melig
melk, mêlk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, melk
melken, mêlke, werkwoord, mêlktj, mêlkdje, gemêlktj, melken, uithoren
melkstaart, mêlkstèrtje, mêlkstèrtjes, (verkleinwoord) huiszwaluw
melktuit, mêlktuît, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mêlktuîte, mêlktuîtje, melkbus
meluw, meêli-jje, meelje, (meervoud) tweede vorm Ospels; bladluizen
mem, mem, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mêmme, memke, vrouwenborst
memel, memele, (meervoud) meelluizen
memmen, memme, werkwoord, zeuren
menage, menazie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, voedsel
menageklep, menazieklep, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, menaziekleppe, mond
meneer, menieër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, menieëre, menieërke, mijnheer
menen, meîne, werkwoord, meintj,meindje, gemeindj, bedoelen, denken, menen
menens, meînes, bijwoord, serieus
menens, meînes, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ernst
mengelen, mîngele, werkwoord, mengen
mengen, mînge, werkwoord, mengen
mengsel, mingsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mingsels, mingselke, mengsel
menig, mennige, voornaamwoord, menige
menig ding, mânge dings, bijwoord, overvloed, in, volop
menigte, mennigte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mennigtes, massa, menigte
mens, mins, zelfstandig naamwoord, mannelijk, minse, echtgenoot, man(spersoon), mens, groeëte -, volwassene
mens, mins, zelfstandig naamwoord, onzijdig, minse, minske, vrouw(spersoon)
mensenkinderen, minsekîndjer, (meervoud) kinderen
mensenkinderen, minsekîndjer, tussenwerpsel, hoe bestaat het?
mensgenade, minsgenaoj, minsgenaoje, tussenwerpsel, heremetijd
mensgenadig, minsgenaojig, tussenwerpsel, heremetijd
merel, maerel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maerels, maerelke, merel
merel, merel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slijpmolen
meren, merre, werkwoord, talmen
merg, mêrg, zelfstandig naamwoord, onzijdig, merg
merg, mêrg, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts) mals
mergel, mêrgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mergel
merk, mêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mêrke, mêrkske, merk
merkaton, merketón, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, merketóns, perzik, dikke gele
merrie, maer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, maere, maerke, merrie
merriezeik, maerezeik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, koffie, slappe
mes, mes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, messe, meske, mes
mest, mést, meest, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Nederweerts, Ospels; mest
mesten, maste, werkwoord, vetmesten
mesten, méste, werkwoord, més(t)j, mészje/méstdje, gemés(t)j, mesten, mest uitrijden op akker
mesthoop, meesthoup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meesthuîp, meesthuîpke, (Nederweerts, Ospels) mestvaalt
mestkuil, méskoel, méstkoel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, més(t)koêle, més(t)kuulke, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) mestvaalt
mestmijt, méstmiêt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, méstmiête, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) mestvaalt
mestnat, méstnaat, bijvoeglijk naamwoord, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) kletsnat
mestvaren, meestvare, méstvare, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mest uitrijden op akker
mestworm, meestwôrm, méstwôrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meestwörm/méstwörm, meestwörmke/méstwörmke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mestkever
met, met, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, geit, roepnaam voor
met, mét, mèt, voorzetsel, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; mee, met
met de boks lopen, métte bóks loupe, werkwoord, diarree hebben
metaal, metaol, zelfstandig naamwoord, onzijdig, metaole, metaal
meteen, bedeîn, medeîn, bijwoord, aanstonds, meteen
meten, maete, werkwoord, maetj/meutj, moot/maat, gemaete, meten, eme(s) -, afranselen
meter, maeter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, maeters, maeterke, meter
metsen, metse, werkwoord, metsj, metszje, gemetsj, metselen
metser, metser, zelfstandig naamwoord, mannelijk, metsers, metserke, metselaar
meubel, meubel, muuëbel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, meubele/meubels/muuëbele/muuëbels, meubelke/muuëbelke, meubel, vrouw, dikke
meuk, muîk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, muîke, vrouw, gemakzuchtige
meun, mäön, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vent, onbehouwen
meuna, mäöna, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vrouw, onbehouwen
meuzelen, meuzele, werkwoord, mompelen
middag, middig, zelfstandig naamwoord, mannelijk, middige, middigske, middag, warm eten (om 12 uur), nao de -, na middag, 's middags
middag, smiddes, bijvoeglijk naamwoord, middags, 's
middageten, middigaete, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eten, warm (om 12 uur)
middelst, middeste, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onzijdig, middelste
midden, midde, zelfstandig naamwoord, mannelijk, onzijdig, midden
miegelen, miegele, werkwoord, plassen
miem, miême, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kat in kindertaal
miemert, miêmerte, (meervoud) aalbessen
mieren, miere, werkwoord, bezig zijn met iets, leuteren
mieter, mieter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lichaam
mieter, mieter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mieters, geldstuk
mieteren, mietere, werkwoord, gooien, pesten
mij, mich, voornaamwoord, mij
mijden, mi-jje, werkwoord, mietj/mi-jtj, mieëj/meej, gemieëje/gemeeje, mijden, vermijden
mijl, miêl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, miêle, mijl
mijmeren, miêmere, werkwoord, mijmeren, turen
mijn, mien, voornaamwoord, mijn
mijn, mien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, miêne, mienke, mijn (explosief), mijn (kolen-)
mijt, miêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, miête, miêtje, mijt
mijter, miêter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, miêters, miêterke, mijter
mik, mik, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mikke, mikske, tarwebrood, witbrood, aoj -, oude vrouw
mikkendeeg, mikkendeîg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, brooddeeg
mikkenvloot, mikkevluuëtje, mikkevluuëtjes, (verkleinwoord) broodvorm
miljard, miljaar, tussenwerpsel, vloek (bastaard-)
miljard, miljaar, telwoord, miljard
milt, mîltj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, milt
min, mîn, bijvoeglijk naamwoord, gemeen, gering, klein van gestalte, laag allooi, van
mirakel, mirakel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mirakels, mirakelke, wonder, lieëlik -, gemene vrouw, vör -, bewusteloos
mis, mès, més, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mèsse/mésse, mèske/méske, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mis
miserie, mezaerie, mezeêrie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, armoede, ellende
miskraam, miskraom, zelfstandig naamwoord, mannelijk, miskraome, miskraam
mismoed, mismood, zelfstandig naamwoord, mannelijk, lusteloosheid, moedeloosheid
mismoedig, mismeujig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, mismoedig
misnieten, misneête, werkwoord, misneêtj, misneêtdje, misneêtj, boeten, voor iets, klos zijn, de, ontgelden
misschien, meschien, meschiens, bijwoord, misschien
missionaris, misjenaris, zelfstandig naamwoord, mannelijk, misjenarisse, missionaris
mistrouwen, mistrouwe, werkwoord, wantrouwen
mistrouwen, mistrouwe, zelfstandig naamwoord, onzijdig, wantrouwen
misval, misvâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, misvel, miskraam
modderen, móddele, werkwoord, rommelen
modderkuiken, modderkuûk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, modderkuûke, modderkuûkske, waterhoentje
mode, moeëde, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moeëdes, mode
moe, meug, bijvoeglijk naamwoord, moe
moed, mood, zelfstandig naamwoord, mannelijk, gemoedstoestand, moed, onverschrokkenheid
moede, meug, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, e -, vrouw, werkschuwe
moede, meuge, zelfstandig naamwoord, mannelijk, <'ne -, man, werkschuwe
moeder, moôder, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moôders, meuderke, moeder
moederzielig, moorzieëlig, bijwoord, moederziel (alleen)
moeien, meuje, werkwoord, zich -, bemoeien, zich
moeiigheid, meugigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vermoeidheid
moeilijk, meujlik, meujelik, moojlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, derde vorm Ospels; moeilijk, lastig
moeimoei, meujmeuj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, bemoeial
moeite, meute, moôte, meujte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, derde vorm Nederweerts, Ospels; moeite
moeiveel, meujvöl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bemoeial
moer, moor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meur, meurke, bijenkoningin, moederkonijn
moer, moor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, more, moeras
moer, moer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moere, muurke, moer
moeren, meure, werkwoord, water troebel maken
moergrond, moorgrôndj, moorgroond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); veen
moerhond, moôrhôndj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moôrhung, moôrhundje, (Ospels) teef
moerig, meurig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, troebel
moerkonijn, moôrkniên, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moorknien, moorknienke, moederkonijn
moermens alleen, moormins allein, bijwoord, moederziel alleen
moernachtegaal, moornachtegaal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moornachtegale, roodstaart, gekraagde
moerpijp, moorpiêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moorpiêpe, koninginnecel bijen
moes, moos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, koolsoorten, moes
Moesdijk, Moeësdiêk, eigennaam, Moesdijk (toponiem)
Moesel, Moêzel, eigennaam, Moesel (wijk Weert)
moeshof, mooshoôf, mooshoeëf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moosheuf/mooshuuëf, moosheufke/mooshuuëfke, groententuin
moeshoofd, mooshuit, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mooshui-jer, persoon, onvriendelijk , stijfkop
moeskei, mooskej, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mooskejje, mooskejke, kei, zware (op zuurkoolvat)
moeskop, mooskop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moosköp, persoon, onvriendelijk , stijfkop
moessteen, moossteîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moosstein, moossteinke, kei, zware (op zuurkoolvat)
moesstrobbel, moosstróbbel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moosstróbbele, (Nederweerts, Ospels) koolstronk
moeston, moostón, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moostónne, moostunke, zuurkoolvat
moeswijf, mooswiêf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mooswiêver, mooswiefke, (Weerts (stadweerts)) groentenvrouw
moet, mót, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ‘ne -, verplichting
moeten, mótte, werkwoord, mót, mós, gemótte, moeten
moetje, mótje, mótjes, (verkleinwoord) meisje dat moet trouwen
mof, móf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, móffe, duitser, mof (handwarmer)
moffelen, móffele, werkwoord, eten, stilletjes zitten te, wegstoppen
mogelijk, meugelik, muuëgelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); mogelijk
mok, moêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mok (paardenziekte)
mokkel, mókkel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mókkels, mókkelke, meisje, mollig
mokkevooi, mókkefoeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mókkefoeëje, vrouw, lelijke
mol, môl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, möl, mölke, mol
molen, meule, muuële, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meules/muuëles, meulke/muuëleke, molen
molenaartje, molenaerke, molenaerkes, (verkleinwoord) braamsluiper
molenmeester, meulemeîster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, meulemeîsters/muuëlemeîsters, tweede vorm Weerts (stadweerts); molenbouwer
molenpaard, meulepaerd, muuëlepaerd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, meulepaerd/muuëlepaerd, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); molenpaard, dikke vrouw
molenroede, meulerooj, muuëlerooj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meulerooje/muuëlerooje, molenwiek
molentantetje, muuëletêntje, muuëletêntjes, (verkleinwoord) (Weerts (stadweerts)) lieveheersbeestje
mollen, molle, werkwoord, vernielen
molsbes, môlsbeêr, môlsbieër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, môlsbeêre/môlsbieëre, môlsbeerke/môlsbieërke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bosbes
molshoop, môlshoup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, môlshuîpke, gebak, soort, molshoop
mombakkes, mómbakkes, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mómbakkese/mómmebakkese, masker; mómmebakkes (Ospels) masker
momber, momer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, voogd
momeren, moômere, werkwoord, (Ospels) slachten, clandestien
mond, môndj, moond, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mundj/môndje/moonde, mundje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mond
monkelen, mônke, mônkele , moonke, moonkele, werkwoord, eerste en tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mompelen
monkes, moonkes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, moonkese, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) persoon, nors
monnik, munnik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, munnike, munnikske, monnik
monsieur, mesjeu, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mesjeus, mesjeuke, (Frans) mijnheer
monster, mônster, moonster, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mônsters/moonsters, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); monster (gedrocht), monster (staal)
monsteren, mônstere, moonstere, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); beschouwen, keuren
monturen, montoere, mantoere, werkwoord, (eerste vorm) uitmonsteren; tweede vorm Nederweerts, opvallende kleden, zich
moor, moeër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moeëre, muuërke, waterketel
moor, moor, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paard, zwart van kleur
moor, moeër, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moeëre, muuërke, peen, wortel; muuërkes(verkleinwoord, meervoud) waspenen, zomerwortelen
moord, moord, moeërd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moorde/moeërde, moord
moorpaard, moorpaerd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, moorpaerd, moorperdje, paard, zwart van kleur
moos, moost, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mooste, moeras; modder; moeëst(Weerts (stadweerts)) moeras; (Weerts (stadweerts)) modder
mop, móp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, móppe, möpke, grap, mop
mop, mop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moppe, möpke/mupke, (Nederweerts, Ospels) koekje
mopje, möpke, mupke, möpkes/mupkes, (verkleinwoord) kind, klein/lief (koosnaam)
moppen, móppe, werkwoord, bevredigen, zichzelf
morel, merèl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, merèlle, morel (kersensoort)
morenmoes, moeëremoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, moeëremeuske/moôremeuske, stamppot van wortelen; moôremoosNederweerts, Ospels) stamppot van wortelen
morenpotage, moeërepetazie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stamppot van wortelen; moôrepetazie (Nederweerts) stamppot van wortelen
morgen, mêrge, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mêrges, morgen
morgen, smêrges, bijvoeglijk naamwoord, morgens, 's
mortontel, martóntel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, vrouw, dikke en vadsige
mosplukker, mosplökker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mosplökkers, mosplukker
mot, moêt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mist
motregen, motraengel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, motregen
motsig, moêtsig, mótsig, mötsig, bijvoeglijk naamwoord, (eerste vorm) mistig, (tweede vorm) benauwd, (derde vorm) zwoel
mouting, motting, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, bergplaats, geheime, inne -, op voorraad
mouw, mow, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mowwe, moeke/mowke, mouw
mouwen, mouve, mouwe, werkwoord, 't mouftj/mouwtj, opwaaien van stof/zand, zandstuiven
mozeskalf, mozeskaof, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mozeskaover, persoon, lomp
muf, mouf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stof, stuifzand
mug, mök, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mögke, mökske, mug
muggenpis, mögkepis, zelfstandig naamwoord, mannelijk, beetje, een heel klein, regen, heel fijne
muggenvet, mögkevét, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vet, niet bestaand (1 aprilgrap)
muil, moel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moêle, muulke, bek, mond, muil
muilen, moêle, werkwoord, mond roeren, de, praten, druk
muilenjan, moelejân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kletsmeier
muilenmaken, moêlemake, werkwoord, opscheppen, ruzie zoeken
muilenmaker, moêlemaeker, moêlemaker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moêlemaekers/moêlemakers, moêlemaekerke/moêlemakerke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); kletsmeier, opschepper
muiltje, muulke, muulkes, (verkleinwoord) kusje, zoen
muiltjesmaat, muulkesmaot, bijwoord, mondjesmaat
muilvechten, moelvechte, werkwoord, bekvechten, schelden
muilvechterij, moelvechteri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, scheldpartij
muilwerk, moelwêrk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, mond
muis, moês, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moêze, muuske, muis
muizen, moêze, werkwoord, moesj, moeszje, gemoesj/mousj, mouszje, gemousj, eten, stilletjes zitten te, muizen vangen, rondsnuffelen; mouze eten, stilletjes zitten te, schransen
muizenaas, moêzenaas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moêzenaze, moêzenaeske, persoon, nieuwsgierig
muizenkeutel, moêzekeutelkes, moêzekuuëtelkes, "(verkleinwoord, meervoud) tweede vorm Weerts (stadweerts); anijskorrels/""muisjes"""
muizenkontje, moêzekûntje, moêzekûntjes, (verkleinwoord) moedervlek op wang
muizenkorrel, moêzekeurkes, moêzekuuërkes, "(verkleinwoord, meervoud) tweede vorm Weerts (stadweerts); anijskorrels/""muisjes"""
mul, möl, bijvoeglijk naamwoord, mul
mulder, mölder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mölders, meikever (grijzig dekschild), molenaar
multer, möltjer, bijvoeglijk naamwoord, (Ospels) rul (van grond)
munt, mûntj, mûnt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mannelijk, mûnt(j)e, mûntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); munt
murf, mörf, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gezicht
murw, mörf, mörg, bijvoeglijk naamwoord, overrijp; murw
mus, mös, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mösse, möske, huismus
muskus, möske, (verkleinwoord) reukwater
mussendraad, mössedraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, draadgaas
mussenkooi, mössekoeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mössekoeëje, mössekuuëtje, vogelkooi, volière
mussentimmer, mössetummer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mössetummers, mössetummerke, nest van huismus; werk, licht
mussenval, mössevelke, mössevelkes, (verkleinwoord) vogelknip
muts, möts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mötse, mötske, muts; sufferd
mutsaard, möttert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mötterte, takkenbos
mutsaardberm, möttertebêrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, mötterteberm, takkenbossenhoop
mutsaardmijt, möttertmiêt, möttertemiêt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, möttert(e)miête, takkenbossenhoop
mutterd, möttert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Weerts (stadweerts)) hoofd
muur, meer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, murik; mieër (Weerts (stadweerts)) murik
muur, moor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, more, meurke, muur
muurplaat, moorplaaj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, moorplaaje, (Nederweerts) muurplaat
muursteen, muursteîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, moorstein, moorsteinke, baksteen
muziek, meziek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, meziekske, muziek
muzikant, muzekânt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, muzekânte, muzekêntje, muzikant
n'importe wat/wie/wie, nemport waat/weem/wi-j, bijwoord, onverschillig wat/wie/hoe
na, nao, bijwoord, nabij
na, nao, voorzetsel, na, naar
na en voor, nao en veur, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) voor en na
naad, naod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, näöj, näödje, naad
naadgaren, naodgare, zelfstandig naamwoord, onzijdig, rijggaren
naaien, nejje, werkwoord, beetnemen, naaien, neuken
naaierse, nieërse, nieëse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nieë(r)ses, naaister
naairing, nejrînk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nejring, nejringske, vingerhoed
naaister, nejster, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nejsters, nejsterke, naaister
naakt, naaks, bijvoeglijk naamwoord, naakt
naakt bier, naaks beer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, bier zonder suiker
naakt brood, naaks broeëd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, brood zonder beleg
naaktheid, naaksigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, naaktheid
naaktmannetjes, naaksmenkes, (verkleinwoord, meervoud) sneeuwklokjes
naald, naoldj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, naoldje, näöldje, naald
naam, naam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, name, naemke, naam
Naamse steen, Naemse steîn, Nieëmse steîn, Aemse steîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, Aemse stein, Aems steinke, Naamse steen (arduin)
naargelang, naogelang, voegwoord, naargelang
naarsterig, neesterig, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) vlijtig
naarsterig, neesterig, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) naarstig
naarstig, nieërstig, bijvoeglijk naamwoord, vlijtig
naarstig, neerstig, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) naarstig
naastengang, naostegang, bijwoord, achtereenvolgens, kort -, kort na elkaar
nabestaande, naobestaondje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naobestaondje, erfgenaam, nabestaande
naburen met, naobere mét, werkwoord, buurtschap, behoren tot de
nabuur, naober, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naober, buurman; buurt(schap)
nabuurmens, naobermins, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naoberminse, buurman; naoberminse (meervoud) buren
nabuurse, naoberse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, naoberse, buurvrouw
nacht, nawt, nawcht, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naw(ch)te, naw(ch)tje, (Ospels) nacht
nachtegaal, nawchtegaal, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Ospels) nachtschade, zwarte (plant)
nadeel, naodael, naodeîl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, naodaele/naodeîle, nadeel
nagel, nagel, neêgel, nieëgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, neêgel/nieëgel, negelke/nieëgelke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde vorm Weerts (stadweerts); nagel, spijker
nagelschraapsel, nagelschrapsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kleinigheid, weinig
nahouden, naohaoje, werkwoord, hiltj/héltj/hultj/heultj, heel, naogehaoje, boos blijven
nakend, nakendj, bijvoeglijk naamwoord, naakt
naknopen, naoknuppe, werkwoord, knikkerspel
nalaten, naolaote, werkwoord, litj/lutj/leutj nao, leet nao, naogelaote, nalaten, opgeven, ophouden, verzuimen/niet doen, verzwakken
nar, nar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, narre, (Nederweerts) persoon, kwaadaardig
nat, naat, bijvoeglijk naamwoord, nat
nat, naat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vloeistof, vocht
nat maken, naat make, werkwoord, maaktj naat, maakdje naat, naatgemaaktj, presteren
natgat, naatgaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, naatgater, persoon, prikkelbaar, persoon, vervelend
nattig weer, naatsig waer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Nederweerts) nat weer
natuur, neteur, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, natuur
natuurlijk, neteurlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, natuurlijk
nauw, nauw, bijvoeglijk naamwoord, nauw, precies
nauw, nêj, bijwoord, precies
navegeer, naever, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naevers, (Ospels) avegaar
navel, navel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, navels, naevelke, navel
navelstreng, navelstrânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, navelstreng/navelstrânke, navelstrengske, navelstreng
navenant, naodenao, voegwoord, (Nederweerts, Ospels) alhoewel
navenant, naodenao, naomenântj, nómmenântj, naovenânt, nómmenânt, eerste, tweede en derde vorm Nederweerts, Ospels; vierde en vijfde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); navenant
nazaat, naozaat, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naozate, afstammeling, nakomeling
Nederweert, Neewieërt, Ni-jwieërt, eigennaam, Nederweert
neef, naef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, naeve, naefke, neef
neen, neîn, bijwoord, neen
neer, naêr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dar
neer, neer, voorzetsel, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) neer
neer, nieër, bijwoord, (Weerts (stadweerts)) neer
neet, neet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, neête, luizenei
neetoor, neetoeër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, neetoeëre, persoon, jaloers, stijfkop
negen, neûge, nuuëge, telwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); negen
negenoog, nuuëgenoug, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nuuëgenoûge, (Weerts (stadweerts)) negenoog, rivierprik (vis); neûgenoug(Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) negenoog
negentien, nuuëgetieën, telwoord, (Weerts (stadweerts)) negentien
negentig, nuuëgetjig, nuuëgentjig, telwoord, (Weerts (stadweerts)) negentig
negeren, neêgere, werkwoord, pesten
negorij, negeri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, negeri-jje, negerieke, uithoek
nemen, neme, werkwoord, neemtj, noeëm/noom, genoeëme/genome, nemen
nergens, nêrges, nevers, bijwoord, tweede vorm Ospels; nergens
nergens niet, nêrges neet, bijwoord, nergens
nest, neest, zelfstandig naamwoord, mannelijk, neeste/nèste/néste, neestje/nèsje/nésje/nèstje/néstje, (Nederweerts, Ospels) nest; nèst, nést eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); nest
nestel, nistel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nistels, nistelke, veter
net, net, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, juist, knap/mooi
net, nét, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nétte, nétje, net
netel, netel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, netele, netelke, netel
netengat, netegaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, netegater, persoon, lastig , persoon, snel geprikkeld
netenknipper, neteknipper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, neteknippers, persoon, achterbaks , persoon, geniepig
netselen, neetsele, werkwoord, motregenen
neuken, nuuëke, werkwoord, nuuëktj, nuuëkdje, genuuëktj/neuktj, neukdje, geneuktj, (Weerts (stadweerts)) neuken, prutsen; neuke (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) duwen, onhandig, neuken, prutsen
neulen, näöle, werkwoord, mopperen, onzin vertellen, zeuren
neus, naas, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, naze, naeske, neus
neusdoek, nuisdook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nuisdeuk/nuizike, nuisdukske/nuizikske, omslagdoek, driepuntige; nuizik omslagdoek, driepuntige, zakdoek
neuswateren, naaswatere, werkwoord, snotteren, zaniken
neuswijs, naaswiês, bijvoeglijk naamwoord, nieuwsgierig
neutelig, neutelig, neutelik, nuuëtelig, nuuëtelig, bijvoeglijk naamwoord, eerste en tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Weerts (stadweerts); humeurig, lastig
nevel, naevel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) mist, nevel
nevelen, naevele, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) misten/mistig zijn
neven, naeve, voorzetsel, langs, naast
neveneen, naeveneîn, voorzetsel, naast elkaar
nicht, nî-jcht, neecht, neejt, neejcht, nicht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nî-jchte/neechte/neej(ch)te/nichte, nî-jchtje/neechtje/neej(ch)tje/nichtje, eerste en tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Ospels; vijfde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); nicht
niemand, nemes, voornaamwoord, niemand; nieme niemand
niemand niet, neme neet, voornaamwoord, niemand
nier, neer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nere, neerke, nier
nies, niês, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, chagrijnig, humeurig, mopperaar
nies, niês, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nijdig
niesgat, niêsgaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, niêsgater, mopperaar
niet, neet, bijwoord, niet
niet te goed, neet te gooj, bijwoord, misselijk, ziek
nieuw, now, bijvoeglijk naamwoord, nowwe; nowwer, nowst(e)/noetst(e), nieuw
nieuwjaar, nowjaor, Nujjaor, zelfstandig naamwoord, onzijdig, nieuwjaar
nieuws, nows, noets, nowts, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde vorm Nederweerts, Ospels; nieuws
nieuwsgierig, nowsgierig, bijvoeglijk naamwoord, nieuwsgierig
niezen, niêse, werkwoord, niêsj, niêszje, geniêsj, mopperen
niezen, neeste, werkwoord, neesj, neeszje/nees(t)dje, geneesj, niezen
niezer, niêser, niêsert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, niêser(t)s, mopperaar
nijd, niêd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, afgunst, nijd
nijp hebben, niêp hebbe, werkwoord, spijt hebben
nijpachtig, niêpechtig, niêpejchtig, bijvoeglijk naamwoord, tweede vorm Ospels; guur, kil
nijpen, niêpe, werkwoord, niêptj/niptj, nieëp/neep, genieëpe/genepe, knijpen, koud, erg zijn, d'r um -, kritiek zijn
nijper, niêper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, niêpers, vrek
nijpkont, niêpkôntj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts) knijperd, vervelende
nijptang, nieptang, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nieptange, nieptengske, nijptang
nijver, niêver, bijvoeglijk naamwoord, ijverig
niknakje, niknekskes, (verkleinwoord, meervoud) koekjes
niks, niks, bijwoord, telwoord, niets
niks, niks, zelfstandig naamwoord, mannelijk, 'ne -, nietsnut
niks niet, niks neet, telwoord, niets, helemaal
niks waard, niks waerd, bijwoord, niets waard, ziek
niksnutter, niksnötter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, niksnötters, (Nederweerts) nietsnut
nikswaard, nikswaerd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nietsnut, persoon die niet deugt
nimmer, nummer, bijwoord, nooit
nippertje, nupperke, (verkleinwoord) nippertje
nippig, neppig, bijvoeglijk naamwoord, nijdig
nirken, nerike, neringe, werkwoord, neriktj, nerikdje, generiktj, herkauwen
nobbelen, noebele, werkwoord, knuffelen (hardhandig)
node, noeëj, bijwoord, node/ongaarne, tegenzin, met
noden, nuuëje, werkwoord, uitnodigen
nodig, noeëdig, nuuëdig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (eerste vorm) nodig, (tweede vorm) veel
nodige, noeëdige, zelfstandig naamwoord, onzijdig, nodige
nodigen, nuuëdige, zelfstandig naamwoord, onzijdig, nodige
nodigheid, noeëjigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, spijt, verdriet
noemen, neume, werkwoord, noemen
noemer, neumer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vraagprijs
non, nón, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, nónne, nunke, non
nonchalant, nonsjelânt, bijvoeglijk naamwoord, nonchalant
nondejaar, nondedjaar, nondedjaw, tussenwerpsel, vloek (bastaard)
nondeju, nondedju, tussenwerpsel, vloek (bastaard)
nondejuke, nondedjuke, nondedjukes, (verkleinwoord) vlinderdasje
nondemiljaar, nondemiljaar, tussenwerpsel, vloek (bastaard)
nood, noeëd, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nood
nooit, noeët, noeëts, bijwoord, nooit
nooit niet, noeët neet, noeëts neet, bijwoord, nooit
nooit ofte nimmer, noeët ofte nummer, noeëts ofte nummer, bijwoord, nooit
noorden, noeërde, noorde, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; noorden
noordnaald, noordnaoldj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, noordnaoldje, (Ospels) kompas
noot, noot, noeët, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, note/noeëte, neutje/nuuëtje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); noot
nootmuskaat, nootmuskaot, noeëtmuskaot, notebeschaot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Ospels; nootmuskaat
nopje, nöpke, nöpkes, (verkleinwoord) pluisje, vlokje
noppen, nóppe, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) duwen, lichtjes met vinger
noppes, noppes, bijwoord, tussenwerpsel, niets
noster, österke, österkes, (verkleinwoord) (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) rozenkrans
nosteren, nostere, noostere, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); mopperen, op en neer lopen; tweede vorm Nederweerts; mopperen
nozel, noeëzel, noôzel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; armoede, ellende, kou(de)
nu, noow, bijwoord, voegwoord, nu
nuchter, neuchter, bijvoeglijk naamwoord, nuchter
nummer, nummer, nómmer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, nummers/nómmers, nummerke/nómmerke, nummer
nut, nöt, bijvoeglijk naamwoord, gevaarlijk, groezelig, lelijk, lui, onbetrouwbaar, onzedig, vies
nut, nöt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, nut
nut op, nöt op, bijwoord, verzot op
nutter, nöttert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nötterts, viezerik
nutterik, nötterik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nötterike, nötterikske, deugniet, luilak, persoon die niet deugt, viezerik
nuttigheid, nöttigheid, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, gemeenheid, rommel, viezigheid
o ja, aojao, tussenwerpsel, o ja
o jee, aojej, tussenwerpsel, o jee
o jemig, aojömmich, tussenwerpsel, ajakkes
o jezus, aojözzes, tussenwerpsel, o jee
ocharm, ochêrm, tussenwerpsel, ocharm
of, of, voegwoord, alsof, noch, of
offerstok, offerstok, zelfstandig naamwoord, mannelijk, offerstök, offerblok
officier, offeseer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, offeseêre, offeseerke, officier
oftewel, oftewaal, oftewul, voegwoord, oftewel
ofwel, ofwaal, ofwul, voegwoord, ofwel
ogen, ouge, uige, werkwoord, (eerste vorm) uitzien, (tweede vorm) kijken
ogen naar, uige nao, werkwoord, lijken op
ogen wie, uige wi-j, werkwoord, lijken op, uitzien als, er
ogenblik, oûgenblik, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oûgeblikke, oûgeblikske, ogenblik
ogendokter, oûgendokter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oûgendokters, oogarts
ogentroost, oûgentroeëst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ogentroost (plant)
oksaal, oksaol, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oksaal
oktober, oktoeëber, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oktober
olie, oeëlie, olie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; olie
olifant, olifânt, oeëlifânt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, olifânte/oeëlifânte, olifêntje/oeëlifêntje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); olifant
olijf, olief, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, oliêve, oliefke, olijf
om, um, voorzetsel, om
om de harst, um d’n herst, bijwoord, (Weerts (stadweerts)) kavelen
om die doen, um daen doon, bijwoord, daaromtrent, ongeveer, rond die tijd
om en nabij, um en naobeej, bijwoord, ongeveer
om en om, um en um, bijwoord, beurtelings
ombeller, umbelder, umbeller, zelfstandig naamwoord, mannelijk, umbelders/umbellers, umbelderke/umbellerke, omroeper
omdoen, umdoon, werkwoord, deut um, dieëj/deej um, umgedaon, omslaan, omspitten, ploegen
omdraai, umdrêj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, omkering, ommekeer
omdraaien, umdrejje, werkwoord, omkeren
omgaan met, umgaon mét, werkwoord, kennis hebben aan, omgang hebben met
omgekeerd, umgekieërdj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, omgekeerd
omgeving, umgaeving, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, omgeving
omhoog, umhoeëg, bijwoord, omhoog
omjagen, umjage, werkwoord, jaagtj um, joog um, umgejaagdj, koeien verweiden
omlaag, umlieëg, bijwoord, omlaag
omloop, umloup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, omloop
omristeren, umreestere, werkwoord, omzetten van ploeg
omschudden, umschödde, werkwoord, schödtj um, schödje um, umgeschödj, drinken, leeggieten, omschudden
omstand, umstândj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) drukte, moeilijkheden
omstebeurt, umstebeurt, umstebuuërt, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beurtelings
omtrent, intrîntj, bijwoord, omtrent, ten naaste bij
omtrent, umtrîntj, voorzetsel, omtrent
omweg, umweêg, umwieëg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, umweêg/umwieëg, umweêgske/umwieëgske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); omweg
omweiden, umweî-je, werkwoord, koeien verweiden
onbedaarlijk, ónbenaerlik, bijwoord, (Nederweerts) bandeloos, onbeheerst
onbehoorlijk, ónbehuuërlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onbehoorlijk
onbekend, ónbekindj, bijvoeglijk naamwoord, onbekend
onbeleefd, ónbelaefdj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onbeleefd
onbeschaamd, ónbeschieëmdj, bijvoeglijk naamwoord, onbeschaamd
ondank, óndânk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ondank
onder, ónger, oonger, voorzetsel, tweede vorm Weerts (stadweerts); onder
onderboks, óngerbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, óngerbókse, óngerbukske, onderbroek
ondereen, óngereîn, oongereîn, voornaamwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); onder elkaar
ondergoed, óngergood, oongergood, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tweede vorm Weerts (stadweerts); ondergoed
onderhand, óngerhândj, óngerhând, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); ondertussen
onderhand dat, óngerhândj det, óngerhând det, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); terwijl
onderhanden, óngerhang, oongerhang, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); bewerking, in , onderhanden
onderhanden hebben, óngerhang hebbe, werkwoord, bezig zijn met
onderkomen, óngerkome, oongerkaome, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); verval geraakt, in
onderkomen, óngerkome, oongerkaome, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); huisvesting
onderlicht, oongerlîcht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Weerts (stadweerts)) paardentuig
onderling, óngerlings, oongerlings, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); onderling
ondermelk, oongermêlk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Weerts (stadweerts)) taptemelk
onderpastoor, oongerpestoeër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Weerts (stadweerts)) eerste kapelaan
onderschuiver, oongerschuûver, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oongerschuûvers, (Weerts (stadweerts)) buitenechtelijk kind
onderste, ûngelste, bijwoord, onderste
onderste, óngerste, voorzetsel, onderste; oongerste (Weerts (stadweerts)) onderste
onderste, ûngelste, zelfstandig naamwoord, onzijdig, 't -, onderste, het
ondersteboven, ungelsteboeëve, ungersteboeëve, óngersteboeëve, ungerstebove, ónge, eerste, tweede en derde vorm Weerts (stadweerts); vierde, vijfde en zesde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; ondersteboven
onderstond, óngerstóng, oongerstóng, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tweede vorm Weerts (stadweerts); middagdutje
ondertoe, óngertow, oongertow, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); onderdoor, onderen, langs
ondertussen, óngertösse, oongertösse, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); ondertussen
onderweg, óngerweêg, óngerwieëge, óngerwieëg, oongerwieëg, óngerwieëges, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede tot en met zevende vorm Weerts (stadweerts); achtste, negende en tiende vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); onderweg
onderwijs, óngerwiês, oongerwiês, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tweede vorm Weerts (stadweerts); onderwijs
ondeugend, óndeugendj, ónduuëgendj, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); ondeugend
onduidelijk, óndudelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onduidelijk
oneven, ónaeve, bijvoeglijk naamwoord, onbehoorlijk, oneven, ongelijk, ongepast, neet -, aantrekkelijk, mooi
ongedacht geven, óngedawchtj gaeve, werkwoord, (Ospels) onzinnig voorkomen
ongedacht kijken, óngedawchtj kieke, werkwoord, (Ospels) kijken, verontwaardigd
ongedeerd, óngedeerdj, óngedieërdj, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); ongedeerd
ongeduldig, óngedöldjig, bijvoeglijk naamwoord, ongeduldig
ongedurig, óngedeurig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ongeduldig, onrustig
ongehobeld, óngehoebeldj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onbehouwen
ongelegde eieren, óngelagdje ei-jer, óngelagdje ejjer, (meervoud) eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); dingen, (nog) niet gebeurde
ongelegen, óngelaege, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ongelegen
ongelijk, óngeliêk, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ongelijk
ongeloof, óngelouf, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ongeloof
ongelovige, óngeluîvige, zelfstandig naamwoord, mannelijk, óngeluîvige, ongelovige
ongeluk, óngelök, zelfstandig naamwoord, onzijdig, óngelökke, óngelökske, ongeluk
ongemak, óngemaak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, last, ongemak
ongemakkelijk, óngemaekelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ongemakkelijk
ongemoed, óngemoodj, bijwoord, niet lekker voelen, ongesteld, ziek
ongerief, óngereef, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ongerief
ongerijmd, óngeriemdj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ongerijmd, onnaspeurbaar
ongeveer, óngevieër, bijwoord, ongeveer
ongewend, óngewindj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onwennig
ongewis, óngewés, bijvoeglijk naamwoord, link, onzeker
onhebbelijk, ónbehöbbelik, bijwoord, onbehouwen
onkruid, ónkroêd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, onkruid
onnozel, ónnuuëzel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, dom, lichtgelovig, onnozel
onnut, ónnöt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, deugniet, persoon, waardeloos, viespoes
onrustig, ónreûstig, ónröstig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); onrustig, zenuwachtig
ons, os, voornaamwoord, ons; oos (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) ons
ons, óns, zelfstandig naamwoord, onzijdig, óns, unske, ons (gewicht)
onschuldig, ónschöldjig, bijvoeglijk naamwoord, onschuldig
ontaard, óntaardj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ontaard, ontzettend
ontiegelijk, óntieglik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, buitengewoon, ontzettend
ontijdselijk, óntitselik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, ongeregeld
ontleg, óntlék, zelfstandig naamwoord, onzijdig, excuus, uitvlucht
ontslaan, óntslaon, werkwoord, óntsleutj, óntsloog, óntslage, ontslaan
ontslag, óntslaag, zelfstandig naamwoord, onzijdig, óntslage, ontslag
ontvangen, óntvânge, werkwoord, óntvingtj, óntvóng, óntvânge, ontvangen
ontvanger, óntvênger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, óntvêngers, ontvanger
onverhoeds, ónverheuds, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Ospels) onverwacht
onverstand, ónverstândj, ónverstând, zelfstandig naamwoord, onzijdig, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); persoon, onverstandig
onverwachts, ónverwachs, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, onverwacht
onweer, ónwaer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, ónwaere, ónwaerke, onweer
onwetend, ónweîtendj, ónwetendj, ónwieëtendj, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde vorm Weerts (stadweerts); onwetend
onze, oeës, voornaamwoord, oeëze, (Weerts (stadweerts)) onze
Onze Heer, Oeës Hieër, Oos Hieër, eigennaam, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; Onze Lieve Heer
Onze-Lieve-Heer, Slivvenhieër, eigennaam, Slivvenhieërke, Onze Lieve Heer
Onze-Lieve-Vrouw, Slevrouw, Slevvevrouw, Slivrouw, Slivvevrouw, eigennaam, Slevrouke/Slevevrouke/Slivrouke/Slivvvevrouke, Onze Lieve Vrouw
onzeker, ónzeker, ónzieëker, bijvoeglijk naamwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); onzeker
ooft, oôft, oeëft, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oôfte/oeëfte, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); fruit, peer, gedroogde (voor vlaai)
oog, tuûkskes, (verkleinwoord, meervoud) oogleden
oog, oug, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oûge, uigske, oog
oogappel, ougappel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ougeppelke, oogappel
oogbrauw, ougsbraoje, ougsbrowwe, (meervoud) tweede vorm Ospels; wenkbrauwen
oogje knippen, uigske knippe, werkwoord, knipogen
oogje knippen, uîgelkes, (verkleinwoord, meervoud), (Ospels) oogjes
ooglappen, ouglappe, (meervoud) oogkleppen
oogst, ougst, oust, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ou(g)ste, oogst
oogstappel, ougstappel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ougstappele, ougsteppelke, oogstappel
oogstpeer, ougstpaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ougstpaere, ougstpaerke, perensoort
oogvlim, ougsvlumme, (meervoud) wimpers
oogwimper, ougsplûmpe, (meervoud) wimpers
ooievaar, oeëjevaar, oojevaar, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oeëjevaars/oojevaars, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Weerts (stadsweerts)tweede vorm Ospels; ooievaar
ooit, oeët, oeëts, bijwoord, ooit, soms
ooit lang laat, ieëtj lang letj, tussenwerpsel, (Ospels) vroeg of laat
ooittijden, oeëtti-jje, bijwoord, nu en dan, ooit, soms
ook, , ouch, bijwoord, ook; ouwch (Ospels) ook
ook, ouch, voegwoord, nog eens
ook nog, ounog, bijwoord, ook nog
oom, uuëm, oeëm, oeëme, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oeëmes/uuëms, uuëmke, persoon, eigenwijs , oom, flawwen -, flauwerik
oompje, uuëmke, zelfstandig naamwoord, mannelijk, uuëmkes, suikeroom
oor, oeër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oeëre, uuërke, oor
oorbaard, oeërbaard, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oeërbaarde, oeërbaardje, bakkebaard
oordje, örtje, örtjes, (verkleinwoord) munt (halve cent)
oordjeslint, örtjeslîntj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, veterlint
oorkonde, oeërkonde, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oeërkondes, oorkonde
oorlog, oorlog, oeërlog, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oorloge/oeërloge, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); oorlog
oorsprong, oeërsprung, oeërspróng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); oorsprong
oorveeg, oeërvaeg, oeërvieg, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oeërvaege/oeërviêge, oorvijg
oost, oeëst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, d'n -, oosten
oosten, oeëste, zelfstandig naamwoord, onzijdig, oosten
op, op, voorzetsel, in, met, op, over
op acht geven, obbacht gaeve, werkwoord, geuftj/gaeftj, goof, obbacht gegaeve, acht geven, verzorgen
op de aard, oppenaard, bijwoord, ongeveer, zoals
op de gijp, oppe giêp, bijwoord, loer, op de
op de knip, oppe knip, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, slot, op
op de loop, oppe luîp, bijwoord, gaan, er vandoor, hol, op, loop, op de
op de pof, oppe póf, werkwoord, krediet kopen, op
op de tijd, oppetiêd, bijwoord, op tijd, tijdig
op de tijd, oppetieds, bijwoord, op tijd, tijdig
op de tippen van, oppe tuppe van, bijwoord, op het punt van
op de trek zitten, oppe trèk zitte, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) tocht zitten, op de
op den duur, oppendoor, bijwoord, op de lange duur
op den duur aan, oppendooraan, bijwoord, op de lange duur
op een hoop toe, oppen houp tow, bijwoord, extra
op een hupwup, op 'ne hupwup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oogwenk, in een, snel
op en af, op en aaf, bijwoord, op en af
op het heilig oog, op 't heilig oug, zelfstandig naamwoord, onzijdig, op goed geluk
op het huppen, opt huppe, bijwoord, (Ospels) bijna, nagenoeg
op rabot gaan, op rabot gaon, rebot gaon, op, werkwoord, op stap gaan
op rits, op rits, bijwoord, onderweg, uithuizig
op slag, op slaag, bijwoord, direct
op verse vaart, op vörse vaart, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opnieuw
op voorhand, op veurhând, op vuuërhând, op veûrhândj, bijwoord, derde vorm Nederweerts; bij voorbaat
op zijn gemak, op zie gemaak, bijwoord, gemak, op zijn, rustig aan
op zijn hurken, op z'n huûkske, bijwoord, gehurkt
opaan, obbaan, bijwoord, naar toe, richting, in de
opbreken, opbraeke, werkwoord, briktj, broeëk/brook, opgebroeëke/-gebroke, opbreken, spijt krijgen, vertrekken
opbrengst, opbringst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, opbringste, opbrengst
opdoen, opdoon, werkwoord, deut op, dieëj/deêj op, opgedaon, krijgen, oplopen
opdoen, opdoon, werkwoord, deut, dieëj/deej zich op, zich opgedaon, zich -, kandideren, voorstellen, zich
opdraaien, opdrejje, werkwoord, opdraaien, voor de gek houden, wijsmaken
opeen, obbeîn, bijwoord, op elkaar
opeens, obbeins, obbéns, bijwoord, opeens, plotseling
open, oeëp, oeëpe, oôp, ope, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts); derde en vierde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts Ospels; open
open huis, oôpen hoês, oeëpe hoês, oeëpen hoês, ope hoês, zelfstandig naamwoord, onzijdig, zoete inval
opening, oeëpening, opening, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oeëpeninge/openinge, oeëpeningske/openingske, opening
opgeven, opgaeve, werkwoord, geuftj/giftj/guftj op, goof op, opgegaeve, opgeven, spuwen van bloed
opguizen, opgoeze, werkwoord, goesj op, goeszje op, opgegoesj, opgooien, tossen
opheffen, ophöffe, werkwoord, höftj op, höfdje op, opgehoffe, optillen
ophoren, ophuuëre, werkwoord, ophouden, stoppen
opje-dopje, öpke döpke, (verkleinwoord) aftelrijmpje
opkalefateren, opkallefatere, werkwoord, herstellen, opknappen
opkallen met, opkalle mét, werkwoord, meepraten, kritiekloos
opkoper, opkuîper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opkuîpers, opkoper
oploop, oploup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, menigte mensen
oplopen, oploupe, werkwoord, luîptj op, leep op, opgeloupe, krijgen, meelopen, oplopen, toenemen
opmaken, opmake, werkwoord, maaktj op, maakdje op, opgemaaktj, concluderen, opzetten, verkwisten, versieren, verteren
opnaad, opnaod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opnäöj, naad, opgestikte
opnaaien, opnejje, werkwoord, boos maken, voor de gek houden
opnieuw, oppernow, oppernows, oppernowtj, oppernoets, bijwoord, eerste en tweede vorm Nederweerts; derde vorm Ospels; vierde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); opnieuw
oppakken, oppakke, werkwoord, paktj op, pakdje op, opgepaktj, oppakken
oppakken, oppakke, werkwoord, paktj zich op, pakdje zich op, zich opgepaktj, zich -, vertrekken
opper, öpper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, öppers, öpperke, opper
opprellen, opprelle, werkwoord, opknappen (van ziekte)
oprieken, opreêke, werkwoord, reektj op, reekdje op, opgereektj, losmaken grond met riek
oprijten, opriete, opriête, werkwoord, ritj/rietj, rieët zich op, zich opgerieëte, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); zich -, opwinden, zich
oprukker, oprökker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oprökkers, (Nederweerts) initiatiefnemer, organisator
opschepper, opschöpper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opschöppers, opschöpperke, opschepper
opschrijven, opschriêve, werkwoord, schriftj/schrieftj, schrieëf/schreef ,, neuken, opschrijven
opschudden, opschödde, werkwoord, schödtj op, schödje op, opgeschódj, opschenken, opschudden
opsnijder, opsni-jjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, opsni-jjers, klompenmakersmes, opschepper
opsteken, opstaeke, werkwoord, stiktj, stoeëk/stook, opgestoeëke/opgestoke, licht aandoen, kennis opdoen, eme -, iemand ophemelen
opstoken, opstoeëke, opstuuëke, opsteûke, werkwoord, eerste en tweede vorm Weerts (stadweerts); derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; verbranden
opstoten, opstoeëte, werkwoord, afladen, oprispen
opstuwen, opstouwe, werkwoord, opdrijven van vee
optrede, optraej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, optraeje, opstapje, verhoging voor het huis
optreden, optraeje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, optraejes, optreden
opvaart, opvaart, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) oprit naar erf
opvoeding, opveujing, opvoojing, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, opvoeding
opzakken, opzakke, werkwoord, zaktj op, zakdje op, opgezaktj, in zakken doen
opzij, opzi-j, bijwoord, opzij
ordentelijk, ordêntelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, fatsoenlijk, netjes
ordinair, ordenaêr, bijwoord, (Ospels) gewoonlijk
orgel, ôrgel, örgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ôrgels, örgelke, orgel
orgelist, ôrgelist, örgelist, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ôrgeliste/örgeliste, (Nederweerts) organist
ortolaan, ortelaon, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ortelaone, ortolaan
os, os, zelfstandig naamwoord, mannelijk, osse/ös, os, man (ongetrouwd/ >30 jr)
Ospel, Oospel, Ospel, eigennaam, tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); Ospel
ossenboek, ossebook, zelfstandig naamwoord, onzijdig, in 't -, man (ongetrouwd/ >30 jr)
ossenschaap, osseschaepke, (verkleinwoord) op 't -, vrouw (ongetrouwd/>30 jr)
ostertje, eusterke, eusterkes, (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) rozenhoedje
oud, aod, bijvoeglijk naamwoord, aoj/aoje; aojer, aodst, oud
oude, aoj, bijvoeglijk naamwoord, aoje; aojer, aodst, oud
oude, aoje, zelfstandig naamwoord, mannelijk, d'n -, vader, 'nen -, oude man
oude, aoj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, 'n -, oude vrouw
oude dag, aojendaâg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ouderdom
oude kut, aoj kut, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aoj kutte, kletskous
oude stempel, aoje stêmpel, bijwoord, van , van d'n -, degelijk
oude teuten, aoj tuuëte, (meervoud) oude gewoonten, ouderwets gewoonte, ouderwetse praat
oude zaag, aoj zaeg, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aoj zaege, zanikerd, zeurkous
ouder, aojer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aojers, ouder
ouder, aojer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ouderdom
ouderdom, aordem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Ospels) ouderdom
ouderwets, aojerwéts, bijvoeglijk naamwoord, ouderwets
oudewijvenkal, aojwiêverkâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, kletspraatjes
ouwebet, aoj bet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, aoj bette, man, zanikende
ouwebetten, aojbette, werkwoord, kletsen
ouwefiepen, aojfeêpe, werkwoord, ouwehoeren, zaniken
ouwehoer, aojoor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aojore, ouwehoer
ouwehoeren, aojore, werkwoord, kletsen, ouwehoeren
ouwemem, aoj mem, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, aoj memme, kletsmajoor
ouwememmen, aojmemme, werkwoord, ouwehoeren
oven, oôve, oeëve, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oôves/oeëves, oôventje/euveke/oeëventje, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); oven
ovenbakkertje, oôvebekkerke, oeëvebekkerke, oôvebekkerkes/oeëvebekkerkes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); fitis
ovenmannetje, oôvemenke, oeëvemènke, oôvemenkes/oeëvemènkes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); tjiftjaf
ovenmuil, oôvemoel, oeëvemoel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oôvemoêle/oeëvemoêle, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bakovenopening
ovenschoot, oeëveschoeët, oôveschoôt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; deeg voor één baksel
ovenschop, oôveschöp, oeëveschöp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, oôveschöppe/oeëveschöppe, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); ovenschop (bakkerij)
ovenschopje, oôveschöpke, oeëveschöpke, oôveschöpkes/oeëveschöpkes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bakhuisje
over, oeëver, over, voorzetsel, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; over
overal, overâl, oeëverâl, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overal
overall, overal, oeëveral, zelfstandig naamwoord, mannelijk, o(eë)verals, o(eë)verelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overall (werkkleding)
overblijfsel, overbliefsel, oeëverbliefsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, overbliefsels/oeëverbliefsele/oeëverbliefsels, overbliefselke/, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overblijfsel, restant
overdaad, overdaod, oeëverdaod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overdaad
overdag, oeëverdaâg, overdaâg, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; overdag
overden, oeëverdin, overden, overdin, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede en derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; zolder boven dorsvloer
overeen, oeëvereîn, overeîn, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; overeen, over elkaar
overeenkomen, overeînkome, oeëvereînkaome, werkwoord, keumtj, kwoom/kwaam/kwoeëm, overeîngekome/oeëvereîngekaome, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); eens worden
overeenkomst, overeînkumst, overeînkómst, oeëvereînkómst, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, overeînkómste/overeînkumste/oeëvereînkómste, overeenkomst
overeenliggen, overeînligke, oeëvereînligke, werkwoord, ligktj, loog/laag o(eë)vereîn, o(eë)vereîngelaege, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); ruzie hebben
overgaan, overgaon, oeëvergaon, werkwoord, gieët over, góng/ging o(eë)ver, o(eë)vergegânge, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); bevorderd worden (school), overgaan, voorbijgaan
overgeven, overgaeve, oeëvergaeve, werkwoord, geuftj/giftj o(eë)ver, goof o(eë)ver, o(eë)vergegaeve, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); braken, opnieuw geven (kaartspel), overgeven
overhemd, overhûmme, oeëverhûmme, zelfstandig naamwoord, onzijdig, overhûmmes/oeëverhûmmes, overhûmke/oeëverhûmke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overhemd
overher, overhaer, voorzetsel, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) overheen
overher, oeëverhaer, bijwoord, (Weerts (stadweerts)) overheen
overhoop, oeëverhoup, overhoup, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; door elkaar, overhoop
overhoop liggen, overhoup ligke, oeëverhoup ligke, werkwoord, ligktj, loog/laag o(eë)verhoup, o(eë)verhoup gelaege, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); ruzie hebben
overjas, overjas, oeëverjas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, overjes/oeëverjes, overjeske/oeëverjeske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overjas
overkant, oeëverkânt, overkântj, overkânt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oeëverkânte/overkânt(j)e, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Nederweerts, Ospels; derde vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); overkant
overknikken, oeëverknikke, overknikke, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; doorknikken voorbeen
overleg, oeëverlék, overlék, overlèk, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde vorm Nederweerts, Ospels; overleg
overleggen, overlègke, overlégke, oeëverlégke, werkwoord, overlègktj/overleegtj/o(eë)verlégktj, o(eë)verlag, o(eë)verlagdj, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde vorm Weerts (stadweerts); overleggen
overloop, overluîp, oeëverluîp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, overluîpe/oeëverluîpe, overluîpke/oeëverluîpke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overloop
overloper, oeverlouper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oeverluîpers, oeverluîperke, steenvink
overmorgen, oeëvermêrge, overmêrge, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; overmorgen
overnieuw, overnows, overnowts, bijwoord, opnieuw
overstromen, overstroûme, oeëverstroûme, werkwoord, o(eë)verstroumtj, o(eë)verstroumdje, o(eë)verstroumdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overstromen
overtammeld, oeëvertammeldj, overtammeldj, bijwoord, (Weerts (stadweerts)) oververmoeid
overtel, oeëvertél, overtél, overtèl, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde vorm Nederweerts, Ospels; te veel
overtuigen, overtuûge, oeëvertuûge, werkwoord, o(eë)vertuugtj, o(eë)vertuugdje, o(eë)vertuugdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); overtuigen
overweg, oeëverwieëg, overweêg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oeëverwieëge/overweêg, overweêgske, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; overweg
overweg kunnen, overweêg konne, oeëverwieëg kunne, werkwoord, kân, kos o(eë)verw(i)eêg, o(eëverw(i)eêg gekundj, tweede vorm Weerts (stadweerts); opschieten, kunnen
ozel, oeëzel, oôzel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; armoede, ellende, kou
ozelaar, oôzelaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, oôzelaere, koukleum
ozelachtig, euzelechtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, armoedig, onnozel
ozeltje, euzelke, euzelkes, (verkleinwoord) vrouwtje, onnozel/simpel
ozendrop, neuzendröp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dakdrup
ozendrop, euzendröp, zelfstandig naamwoord, mannelijk, dakdrup
paal, paol, zelfstandig naamwoord, mannelijk, päöl, päölke, paal
paar, paar, zelfstandig naamwoord, onzijdig, e/'n -, enige(n), enkele(n)
paard, paerd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, paerd, perdje, paard
paardenbil, paersbîl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paersbille, kalf
paardenblad, perteblaar, (meervoud) (Nederweerts, Ospels) ridderzuring
paardenbloem, paersbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, paersblome, paersbleumke, paardenbloem
paardenfamilie, paersfemiêlie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, kennissen, zeer goede
paardengetuig, paersgetuûg, zelfstandig naamwoord, onzijdig, paersgetuûge, paardentuig
paardenkeutel, paerskeutel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paerskeutele/paerskuuëtels, paerskeutelke/paerskuuëtelke, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) paardenkeutel; paerskuuëtel (Weerts (stadweerts)) paardenkeutel
paardenkeutelen, paerskeutele, paerskuuëtele, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beetnemen, ophemelen, prijzen
paardenmarkt, paersmêrrentj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paersmêrrendje, paardenmarkt
paardenneef, paersnaef, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paersnaeve, kennis, zeer goede
paardenpijn, paerspien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pijn, ondraaglijke
paardensnede, paerssneej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, paerssneeje, (Ospels) brood, dikke snee
paardentand, paerstând, paerstândj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paerstang, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; paardentand
paardenvot, paersvot, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, paersvotte, gezicht, lelijk
paardenweg, paersweêg, paerswieëg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); jaagpad
paardenworm, paerswôrm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paerswörm, paerswörmke, mestworm
paardig, paerdig, bijvoeglijk naamwoord, bronstig van paard
paards, paers, bijvoeglijk naamwoord, bronstig
paasbloem, paosbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, paosblome, paosbleumke, narcis, gele
paasei, paosejjer, (meervoud) paaseieren
pacht, pecht, pejt, pejcht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tweede en derde vorm Ospels; pacht
pachten, pechte, pejte, pejchte, werkwoord, tweede en derde vorm Ospels; huren, pachten
pachter, pechter, pejter, pejchter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pechters/pej(ch)chters, tweede en derde vorm Ospels; pachter
pad, paad, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paej, paedje, pad/looppad, weggetje, smal
pad, pad, ped, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, padde/pedde, pedje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); pad
paddenbloem, peddebloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peddeblome, peddebleumke, pinksterbloem
paddengezwel, peddegezwêl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kikkerdril
paddenkaas, peddekieës, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peddekieëze, peddekieëske, paddestoel
paddenmeuk, peddemoeëk, pennemoeëk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peddemuuëk/pennemuuëk, peddemuuëkske/pennemuuëkske, kikvors
paddenmeuk slaan, peddemuuëk slaon, werkwoord, kikkers vangen
paddenmeukgezwel, peddemoeëkgezwêl, zelfstandig naamwoord, onzijdig, kikkerdril
paddenpaternoster, peddepaternoster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rozenkransgebed, snel
paddenscheet, paddescheet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paddeschete, paddescheetje, (Nederweerts, Ospels) wegescheet, zweertje op een ooglid
padoeria, padoerieja, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts) scheldnaam
paffen, pave, werkwoord, roken, schieten, d'r op -, slaan, met de vlakke hand
paffer, pavert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paver(t)s, roker, straffe
pak, pak, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pek, pekske, kostuum, pak
pakken, pakke, werkwoord, paktj, pakdje, gepaktj, nemen, pakken, ontroeren
pakkenoten, pakkenoeëte, (meervoud) bagage, spullen
paleis, peliês, zelfstandig naamwoord, onzijdig, peliêze, peliêske, paleis
palet, plet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plette, slaghout bij beugelen
paling, paoling, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paolinge, päölingske, paling
palissade, pallesaot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pallesaote, stijve hark
paljas, paljas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paljes, kermisbed, strozak
palm, pâlm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pâlme, pelmke, palm
palmbezem, pâlmebessem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pâlmebessems, palmpaas
palme, pâlme, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) onnozelaar
palmhaan, pâlmenhaan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pâlmenhane, broodhaantje, palmpaas
palmhanenstek, pâlmenhanestek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pâlmenhanestekke, palmpaas
Palmpasen, Pâlmpaose, eigennaam, Palmpasen, Palmzondag
pampus, pâmpes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pâmpese, persoon, pafferig
pan, pan, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, panne, penke, pan
pand, pândj, pând, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pând(j)e, pêndje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); pand
pandoer halen, pandoer hale, werkwoord, kaartterm
pannenbloem, pannebloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, panneblome, pannebleumke, sleutelbloem
pannenpoppen, pannepóppe, werkwoord, dakpannen afdichten
pannenschob, panneschop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, panneschöp, pannenbakkerij, schuur, open
panter, pânter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pânters, pênterke, panter
pap, pap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vader
pap, pap, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pepke, pap
papegaai, pappegej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pappegejje, pappegejke, papegaai
papenkruid, papekroêd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Ospels) paardenbloem
papenkul, papekölle, (meervoud) rozebottels
papenmuts, papemöts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, papemötse, monnikskap
papier, pepeer, pampeer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pepeêre, pepeerke, papier
papzak, papzak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, papzek, papzekske, vent, dikke , slappeling
papzand, papzând, papzândj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; zand, fijn geel
paraat maken, paraat make, werkwoord, maaktj/meektj, maakdje/meekdje, -gemaaktj, maken, er wat van, presteren
paradijs, paradiês, parediês, zelfstandig naamwoord, onzijdig, paradieske/paredieske, paradijs
paraplu, parrepluj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, parreplujje, parreplujke/parrepluke, paraplu
pardaf, perdaaf, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) plotseling, plotsklaps
pardessus, pertezu, partezu, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pertesuus, (Frans) overjas
pardieu, perdjen, tussenwerpsel, sapperloot, verdorie
parel, paerel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paerels, paerelke, parel
parmantelijk, permântelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfbewust
parmantig, permântig, bijvoeglijk naamwoord, zelfbewust
part, paart, zelfstandig naamwoord, onzijdig, deel
partij, perti-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, perti-jje, perti-jke/pertieke, partij
partje, pertje, pertjes, (verkleinwoord) muurplaatanker
partje, pertjes, (verkleinwoord, meervoud) broodbrokjes (erwtensoep), partjes, spekblokjes (erwtensoep)
Pasen, Paose, eigennaam, Pasen
paspoort, paspoeërt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, paspoeërte, paspoort
passant, persânt, bijwoord, tegelijkertijd
passe-vite, pasfiet, passeviet, zelfstandig naamwoord, mannelijk, roerzeef
passen, passe, werkwoord, pesj/pasj, pazje, gepasj, betamen, passen, voegen
passerelle, passerel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, doorgang, loopplank, voetpad
pastoor, pestoeër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pestuuërs/pestoeërs, pestuuërke, pastoor
pastoorsmaagd, pestoeërsmaagd, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pestoeërsmaagde, huishoudster van pastoor
pastorie, pasteri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pasteri-jje, pasterieke/pasteri-jke, pastorie
patat, petat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, petatte, aardappel, oplawaai
pater, pater, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paters, paterke/paeterke, pater
pateren, patere, werkwoord, lopen, doelloos rond-
paternoster, paternoster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paternosters, rozenkrans; reeks, lange
paternosteren, paternostere, werkwoord, lopen, doelloos rond-, toespreken
patersbroodje, patersbruuëdjes, (meervoud) kaasjeskruid
patersvaatje, patersvaetje, (verkleinwoord) uut/oet 't -, kwaliteit, heel goede
patjakker, batjakker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, batjakkers, batjakkerke, straatbengel, vlegel
patje, batje, batjes, (verkleinwoord) vlegel
patrijs, petries, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, petriêze, petrieske, patrijs
patrimonium, patermoeënie, patermonie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; erfdeel, vaderlijk
patronaat, patrenaat, patternaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, patronaat
patroon, petroeën, zelfstandig naamwoord, mannelijk, petruuëns, baas, deugniet, patroon (beschermheilige), patroon (kogel), patroon (voorbeeld), persoon, raar/vreemd
patroon, pertungske, pertungskes, (verkleinwoord) klappertje (pistooltje)
patroonsfeest, petroeënsfieëst, zelfstandig naamwoord, onzijdig, petroeënsfieëste, naamdag
pats, paats, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, paatse, klap (in het gezicht)
pauw, paw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pawwe, pawke, pauw
pauwstaartje, pawstèrtje, pawstèrtjes, (verkleinwoord) blauwborst, sierduif
pedant, pedânt, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, opschepperig, verwaand
pedantertje, pedênterke, pedênterkes, (verkleinwoord) wijsneus
peel, pieël, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pieële, pieëlke, peel
peel, peel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peêle, peelke, (Nederweerts) steeltje van een vrucht
peeldeel, pieëldeilke, pieëldeilkes/pieëldelkes, (verkleinwoord) (Nederweerts) peelveldje; pieëldelke(verkleinwoord) peelveldje
peelhei, pieëlhej, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, struikheide
peelkruikar, pieëlkrukker, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pieëlkrukkerre, (Nederweerts, Ospels) kruiwagen (in de Peel)
peelpuist, pieëlpoêst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pieëlpuûst/pieëlpoêste, pieëlpuûsje, (Nederweerts, Ospels) kienhout
peelwagen, pieëlwage, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pieëlwages, wagen voor turfvervoer
peem, peêm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peême, peemke, aardappelscheut; penis van dier; (Ospels) plantenwortel, lange
peer, paer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, paere, paerke, peer, vuistslag
pees, pees, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peêze, peeske, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) pees
pees, pieës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pieëze, pieëske, (Weerts (stadweerts)) pees
peet, paet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, paete, doopmoeder, peettante
peetoom, paetoeëm, paetoeëme, peêtoeëm, peêtoeëme, pieëtoeëm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paetoeëms/peêtoeëmes/pieëtuuëms/pieëtoeëmes, vijfde vorm Weerts (stadweerts); peetoom
peettante, paettânt, paettânte, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, paettântes, paettêntje, doopmoeder
pegel, peêgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peêgels, pen in draaitol, (Ospels) gulden
pegulanten, pegelânte, (meervoud) geld
pek, paek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pek
pekdraad, paekdraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pekdraad
pekvijster, paekviêster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paekviêsters, paekviêsterke, schoenmaker
pekzwart, paekzwert, bijvoeglijk naamwoord, pikzwart
pelerine, pelderien, pellerien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pelderiens/pelleriêne, pelderienke/pellerienke, omslagdoek, zwarte
pelletjes, pelkes, (verkleinwoord, meervoud) hoofdschilfertjes
pels, pêls, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pêlze, pêlske, bont, pels
pelsjas, pêlsjas, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pêlsjes, pêlsjeske, bontmantel
peluw, pläög, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pläöge, pläögske, (Nederweerts, Ospels) peluw
peluw, pölf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pölve, pölfke, peluw
pemel, peêmel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peêmele, pemelke, haarlok, haarsliert, sliert
pens, pêns, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pênse, pênske, buik, pens
penseel, penseel, pensieël, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, penseêle/pensieële, penseelke/pensieëlke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); penseel
penserij, pênseri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, buik, bolle
pensionaat, pensjenaat, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pensjenate, kostschool, pensionaat
pensionair, pensjenaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, pensjenaere, pensionair(e)
penspijn, pênspien, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buikpijn
pepel, peêpel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peêpels, (Ospels) treuzelaarster
pepelaar, peêpeler, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peêpelers, (Ospels) treuzelaar
pepelen, peêpele, werkwoord, (Ospels) treuzelen
peper, paeper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paepers, paeperke, peper
peperkoek, paeperkook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, paeperkeuk, paeperkukske, ontbijtkoek, peperkoek
pepermuntje, paepermûntje, paepermûntjes, (verkleinwoord) pepermunt
per alle gelukken, per alle gelökke, bijwoord, toevalligerwijs
perceel, persieël, zelfstandig naamwoord, onzijdig, persieële, persieëlke, perceel
perceel, persieële, (meervoud) billen, bloeëte -, naakt
perdatsen, perdaatse, werkwoord, slaan, met vlakke hand
peren, paere, werkwoord, slaan, met de vuist, d'r tössenuut -, hard weglopen, <'m -, hard werken
perjan, perjân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, perjêntje, opschepper
perkaal, perkâl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rolgordijnenstof (katoen)
permejoel, permejoeël, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, permejoeële, nectarine
permitteren, permeteêre, permetieëre, werkwoord, permeteertj, permeteerdje, gepermeteerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); klagen
pernoesten, pernoeëste, werkwoord, (Ospels) weeklagen van pijn
pernoesteren, pernoeëstere, werkwoord, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Weerts (stadsweerts)) mopperen, aanhoudend
pernolle, pernolle, (meervoud) geld
pers, pörs, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pörse, pörske, drukpers
pers, pörs, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pers (journalistiek), pers (vruchten)
persen, pörse, werkwoord, pörsj, pörszje, gepörsj, aframmelen, persen, zwoegen
persoon, persoeën, zelfstandig naamwoord, mannelijk, persoeëne, persuuënke, persoon
persoonlijk, persoeënlik, persuuënlik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, persoonlijk
pertinentje, pertinêntje, pertinêntjes, (verkleinwoord) persoon, erg precies, persoon, veeleisend
perzik, peêrs, pieërs, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, peêrse/pieërse, peêrske/pieërske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); perzik
pet, patsj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pats(j)e, alpino(pet)
petekind, paetekîndj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, paetekîndjer, paetekindje, petekind
peter, peêter, peêtere, paeter, pieëter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peêters/paeters/pieëters, eerst en tweede vorm Nederweerts, derde vorm Nederweerts, Oslpels; vierde vorm Weerts (stadweerts); doopvader, peetoom
peterselie, pittersillie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peterselie
petietelijk, petietelik, bijvoeglijk naamwoord, klein, petieterig
petietertje, petieterke, petieterkes, (verkleinwoord) klein ding, kleine hoeveelheid
petrieko, petrieko, zelfstandig naamwoord, mannelijk, persoon, in zichzelf gekeerd
petrolie, petrol, zelfstandig naamwoord, mannelijk, petroleum
pets, peets, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peetse, draaitol, smak
petsen, peetse, werkwoord, peetsj, peetszje, gepeetsj, kinderspel
petskernel, peetskernêl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peetskernelle, peetskernelke, draaitol
peuk, peukske, puuëkske, peukskes/puuëkskes, (verkleinwoord), eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beetje, klein, zak, gevulde (graan/meel)
peuksel, peuksel, puuëksel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); pluizen
peulen, pole, werkwoord, schoonmaken van groente
peuter, peuter, puuëter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peuters/puuëters, peûterke/puuëterke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); peuter
peuteren, puuëtere, werkwoord, peuteren
pezerik, peesderik, peêzerik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peesderike/peêzerike, geslachtsorgaan, mannelijk
pflaster-man, flastermân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, flastermen, stratenmaker
pflastern, flastere, werkwoord, (Duits) plaveien
pielen, piele, werkwoord, werken, onhandig, prutsen
piemel, piemel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, piemels, piemelke, bangerik, penis, persoon, tenger
pieper, pieper, zelfstandig naamwoord, mannelijk, piepers, pieperke, aardappel, duif, jonge
pieper, piepert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pieperte, grasmus
pieper, piepert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, veenlaag, rietturf
pieper, pieperke, pieperkes, (verkleinwoord) vliegenvanger, grauwe
pierik, peêrik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peêrike, peêrikske, pier
pij, pi-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pi-jje, pij
pij, pi-jje, (meervoud) (Nederweerts, Ospels) wanten
pijhoos, pi-jhaose, (meervoud) wanten
pijl, piêl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, piêle, pielke, pijl
pijl-en-boog, piêleboôg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, piêlebeug, piêlebeugske, (Nederweerts, Ospels) handboog
pijlappel, piêlappel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, piêlappel(e), piêleppelke/piêleneppelke, appelbol; piêlenappel (Nederweerts, Ospels) appelbol
pijlboog, piêlboeëg, zelfstandig naamwoord, mannelijk, piêlbuuëg, piêlbuuëgske, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) handboog
pijlstaart, piêlstèrtje, piêlstèrtjes, (verkleinwoord) staartmees
pijn, pien, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, piêne, pienke, pijn
pijp, piêp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, piêpe, piêpke, pijp
pijpenmuts, piêpemöts, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, piêpemötse, pijpendop
pijpenroer, piêpereurke, piêpereurkes, (verkleinwoord) pijpmondstukje
pijpenstaart, piêpesterte, (meervoud) pijpenstelen
pijpenstaartje, piêpestertje, piêpestertjes, (verkleinwoord) klein mannetje
pik, pik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pikke, pikkel
pik, pik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, wrok
pik, pik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pikke, (Nederweerts, Ospels) houweel
pikantig, perkântig, bijvoeglijk naamwoord, jaloers
pikkeldraad, pikkeldraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, prikkeldraad
pikkeltje, pikkelke, pikkelkes, (verkleinwoord) onderrokje
pilaar, pelaêr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pelaêre, pelaêrke, pilaar
pilarenbijter, pelaêrebiêter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pelaêrebiêters, schijnheilige
pimpelen, pîmpele, pûmpele, werkwoord, drinken
pimpernel, pimpernelleke, pimpernellekes, (verkleinwoord) lieveheersbeestje
Pin, Pîn, eigennaam, Pinne, Nederweertenaar
pin, pin, (meervoud) vingers
pin, pîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pin, gierigaard
pin, pîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pinne, pinke, sluitpen
pin, pin-ke, pin-kes, (verkleinwoord) wasknijper
pindraad, pîndraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) prikkeldraad
pingelen, pîngele, werkwoord, afdingen
pink, pînk, zelfstandig naamwoord, pînke, bokje (soort snip), pink, watersnip, kleine
pinkel, pînkel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stuk hout
pinkelen, pînkele, werkwoord, afdingen, kinderspel, pingelen
pinksterbloem, pînksterbloom, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pînksterblome, pînksterbleumke, narcis, witte
Pinksteren, Pînkstere, eigennaam, Pinksteren
Pinmaker, Pinmaeker, eigennaam, Pinmaekers, Pinmaekerke, Nederweertenaar
pintop, pîndop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pîndöp, pîndöpke, priktol
pips, peêps, bijwoord, pips
pis, pis, zelfstandig naamwoord, mannelijk, urine
pisang, piezang, piezjang zeen, werkwoord, de - zeen, klos zijn, de
pisbak, pisbak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pisbek, pisbekske, wc, publieke, urinoir
pisdoek, pisdook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pisdeuk, pisdukske, luier
pismannetjes, pismenkes, (verkleinwoord, meervoud) aardappels, bevroren
pispotjes, pispötjes, (verkleinwoord, meervoud) haagwinde
pissen, pisse, werkwoord, pisj, piszje, gepisj, plassen
pisser, pisser, pissert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pissers/pisserts, pisserke, kereltje, dik ; pisser bangerik
pistolet, pisteleetje, pisteleetjes, (verkleinwoord) broodje, langwerpig
pistool, pestoeël, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pestoeële, pistool
pitriet, pitreet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pitriet
pitsen, pitse, werkwoord, pitsj, pitszje, gepitsj, afzetten, eten, met lange tanden, tik geven, korte felle
pitteleer, pietelaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pietelaere, (
plaag, plaog, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pläög/plaoge, plaag
plaat, plaat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plate, plaetje, plaat
plaatbol, plaatbôl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plaatböl, plaatbölke, kaalkop
plaats, plaats, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plaatse, plaetske, plaats
plafond, plefóng, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plefóngs, plefungske, plafond
plagen, plaoge, werkwoord, plagen
plak, plak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plakke/plek, plekske, perceel grond, peelveld, plaats/ruimte
plakken, plekke, werkwoord, plakken
plakpleister, plekplaoster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plekplaosters, plekplaosterke, hechtpleister, plakker
plakprentje, plekprêntje, plekprêntjes, (verkleinwoord) plakplaatje
plaksel, pleksel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, plaksel
plaksneeuw, pleksnieë, zelfstandig naamwoord, mannelijk, sneeuw, pas gevallen
plank, plânk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plênk/plânke, plênkske, plank
plant, plântj, plânt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plânt(j)e, plêntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); plant
planten, plânte, plântje, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; besmetten, planten
plaren, plare, werkwoord, prutsen, rommelen, stuntelen
plat kallen, plat kalle, werkwoord, dialect spreken
plat kindje, plat kindje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, baby
platenkop, platekop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plateköp, kaalkop
platte, platte, bijwoord, oppe -, niet zo maar, op 'ne -, niet te geloven
Plätzchen, pletserke, pletserkes, (verkleinwoord) koekje, plat en rond
plavuis, plevuus, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plevuûze, plevuuske, plavuis, tegel
plavuter, plavuter, plevuter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plavuters, plavuterke/plevuterke, achterwerk, deugniet, plavuis, tegel, schooier, windbuil
plegen, pleeje, werkwoord, (Ospels) plegen
pleister, plaoster, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plaosters, pläösterke, pleister
pleisteren, plaostere, werkwoord, stucadoren
pleiten, pleite, werkwoord, gaan, er vandoor, weglopen
plek, plek, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plek/plekke, plekske, vlek
plemer, plaemert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plaemer(t)s, (Nederweerts) egoïst, gierigaard
plenken, plênke, werkwoord, spijbelen
pleuris, fleuris, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, longontsteking
pleurzooi, pleurezooj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts, Ospels) zootje
plezier, plezeer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, plezeerke, plezier
plicht, pli-jt, pli-jcht, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pli-jchte, (Ospels) plicht
plicht, pli-jt, pli-jcht, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pli-jchte, (Ospels) leemgat
plinken, plînke, werkwoord, besmettelijk zijn
plint, plîntj, plînt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plînt(j)e, plîntje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); plint
ploeg, ploog, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ploge, pleugske, ploeg
ploegen, ploge, werkwoord, ploegen
plooi, ploeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ploeëje, pluuëtje, plooi
plooien, ploeëje, werkwoord, plooien
plu, pluj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, plujje, plujke/pluke, paraplu
pluim, pluum, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pluûme, pluumke, pluim
pluis, pluus, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pluûze, pluuske, pluis, vlokken (ook van planten)
plukken, plökke, werkwoord, plöktj, plökdje, geplöktj/geplokke, plukken
plukzak, plökzak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plökzek, plökzekske, persoon, slecht gekleed
poef, poeëf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Weerts (stadweerts)) stof
poeha, beheî-j, behêj, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; ophef
poeier, poejer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poejers, poeder
poejakken, poejakke, werkwoord, werken, hard
poel, pool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pole, peulke, plas, poel, moeras
poel, pöl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pölle, pölke, kip, jonge, meisje, jong
poeletjes, poelekes, (verkleinwoord, meervoud) voetjes
poep, poep, zelfstandig naamwoord, mannelijk, puupke, poep
poeperd, poepert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poeperts, achterwerk, hop (vogel)
poephak, poephak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poepakke, hop (vogel)
poepkernel, poepkernêl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poepkernelle, draaitol
poepzat, poepzaat, bijvoeglijk naamwoord, stomdronken
poes, poes, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, poeze, poeske/puuske, bundel, kat, pluim, uiteinde, vezelig
poet, poetje, zelfstandig naamwoord, onzijdig, poetjes, kwajongen, viespeuk
poezenbezem, poêzebeêsem, poêzebieësem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poêzebeêsems/poêzebieësems, ragebol (van rietpluimen)
pof, póf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stof, vuil, zand, (op)stuivend
pofboks, pófbóks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pófbókse, pofbroek
pofduivel, pófduûvel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pófduûvels, stofbron
poffen, póffe, werkwoord, kopen op krediet, opscheppen, poffen (aardappels/maïs), stuiven, d'r uut/oet -, ertussenuit gaan
poffer, póffert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pófferts, opschepper
poken, poeëke, werkwoord, poeëktj, poeëkdje, gepoeëktj, onrustig zijn, werken, zonder succes, zin doordrijven, z'n
poker, poeëker, poeëkert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poeëkers, poeëkerke, sukkelaar
politie, plies, zelfstandig naamwoord, mannelijk, plies, politie, politieagent; pliesie politie
pomp, pômp, poomp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pômpe/poompe, pûmpke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); pomp
pompbrug, poompbrök, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, poompbrögke, poompbrögkske, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) pontonbrug
pompernikkel, pómpernikkel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, roggebrood, grof
pompsteen, pômpsteîn, poompsteîn/poompesteîn, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pômpstein/poompstein/pômpestein/poompestein, pômpsteinke/poompsteinke/pômpesteinke/poompesteink, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); gootsteen; pompesteîn eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); gootsteen
pond, pôndj, poond, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pôndj/poond, pûndje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); pond (500 gram)
ponder, pûnjer, pundjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pûnjers/pundjers, pûnjerke/pundjerke, unster
pongel, pôngel, poongel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pôngele/poongele, pöngelke, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); rommel
pongel, pûngel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pûngels, pûngelke, plunjezak, rugzak/ransel
pongelen, pôngele, poongele, werkwoord, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); prutsen, rommelen, werken, zonder succes
pongelsoep, pôngelsop, poongelsop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); soep van restgroenten
ponypaard, ponniepèrdje, ponniepèrdjes, (verkleinwoord) pony
pook, poôk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, peûk, peukske, (Nederweerts, Ospels) zak, gevulde (graan/meel)
poor, poeër, poôr, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Nederweerts, Ospels; prei
poort, port, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, porte, pörtje, poort
poos, poeës, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, poeëze, puuëske, poos
poot, poeët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, puuëj, puuëtje, been, poot, voet
pootaan spelen, poeëtaan speule, poeëtaan spuuële, werkwoord, tweede vorm Weerts (stadweerts); aanpakken, flink
pootaardappel, pootaerpel, poeëtaerpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pootaerpel(e)/poeëtaerpel(e), pooraerpelke/poeëtaerpelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); pootaardappel
pootje haken, puuëtje hakke, werkwoord, beentje lichten
pootje haken, poetekes, (verkleinwoord, meervoud) voetjes
pootje lappen, puuëtje lappe, werkwoord, beentje lichten
pootsel, peutsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) pootgoed
pop, póp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, póppe, pupke, pop, zangvogel, vrouwelijke
poppen, póppe, werkwoord, neuken, dakdekken met strobosjes
poppenschrooier, póppeschruuër, zelfstandig naamwoord, mannelijk, póppeschruuërs, póppeschruuërke, libel, vader van enkel dochters
poppenstront, póppestrôntj, póppestroont, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); slijmbal
populier, póppeleer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, póppelere, póppeleerke, populier
por, par, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, parre, (Nederweerts) optater, por, stomp
portaal, pertaol, portaol, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pertaole/portaole, pertäölke/portäölke, portaal
portemonnee, portemenee, portemeniks, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, portemenees/portemenikse, portemeneeke, portemonnee
portret, pertret, zelfstandig naamwoord, onzijdig, pertrette/petrette, pertretje/petretje, persoon, eigenaardig , foto; petret foto, portret
portrettenmaker, petrettemaeker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, petrettemaekers, fotograaf
pot, pot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pöt, pötje, pot, vaas
potage, petazie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, stamppot
potdekken, potdékke, werkwoord, mond snoeren, de
potdekselen, potdéksele, werkwoord, mond snoeren, de
poten, poeëte, pote, werkwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; poten
poter, poter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poters, (Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) poter
poter, poeëter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poeëters, (Weerts (stadweerts)) pootaardappel
potguizen, potgoeze, werkwoord, spel met stenen
potkarder, potkerder, zelfstandig naamwoord, mannelijk, potkerders, potkerderke, sukkelaar
potkarren, potkerre, werkwoord, rommelen, wat aan-, werken, zonder succes
potlepel, potlepel, potlieëpel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, potlepels/potlieëpels, potlepelke/potlieëpelke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); pollepel
potloden, potloeëte, werkwoord, insmeren met zwartsel
potlood, potloeëd, zelfstandig naamwoord, onzijdig, potluuëj, potluuëdje, potlood
potslaan, potslaon, werkwoord, potslaan (spel)
potsuiker, potsókker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, basterdsuiker
pottenkruier, pottekreujer, pottekrujjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pottekreujers/pottekrujjers, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bedelaar
pottenkruierse, pottekreujerse, pottekrujjerse, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pottekreujerse/pottekrujjerse, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); bedelares
pottenschurger, potteschörger, zelfstandig naamwoord, mannelijk, potteschörgers, schooier
potvast, potvast, bijwoord, vast, heel erg
potverteren, potvertere, potvertieëre, werkwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); potverteren
poutrel, petrèl, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, petrèlle/betrèlle, petrèlke, (Frans) draagbalk, ijzeren; betrèl (Frans) balk van staal
pozelen, poôzele, werkwoord, (Nederweerts, Ospels) werken, alleen
pozen, poeëze, (meervoud) weeën
praam, praam, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, prame, neusklem (paard)
praambalk, praambâlk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vangbalk (molen)
prakkedenken, prakkedînke, werkwoord, dubben, nadenken, piekeren
prakkedenkties, prakkedînksies, (meervoud) gepeins, gepieker, hersenspinsels, overpeinzingen
prakkesaatsies, prakkezasies, (meervoud) gepeins, gepieker, overpeinzingen
prakkeseren, prakkezeêre, werkwoord, prakkezeertj, prakkezeerdje, geprakkezeerdj, nadenken, piekeren, dubben; prakkezieëre (Weerts (stadweerts)) dubben, nadenken, piekeren
pramen, prame, werkwoord, () zich -, zich inspannen, (Nederweerts, Ospels) zeuren
pratmoes, pratmoos, zelfstandig naamwoord, onzijdig, stamppot met stokvis
prats, pratsj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, bagger, modder
pratsen, pratsje, werkwoord, prakken van voedsel
precies, presies, bijvoeglijk naamwoord, precies, secuur; persies precies, secuur
predikant, spittelekânt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, spittelekânte, spittelekêntje, (Ospels) meikever
predikant, priddekânt, prittekânt, prittelekânt, spirtelekânt, sprittelek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, priddekânte/prittekânte/prittelekânte/spirtelekânt, priddekêntje/prittekêntje/prittelekêntje/spirtelek, meikever, predikant
preekstoel, praekstool, preekstool, zelfstandig naamwoord, mannelijk, praeksteul/preeksteul, preekstoel
prei, prej, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) prei
prel, prêl, bijvoeglijk naamwoord, helder van geest, kras, monter
prengel, prêngel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, prêngels, prêngelke, kwajongen, man, lastige , ruziemaker, vrek
prengelen, prêngele, werkwoord, afdingen, schooien
prent, prînt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, prînt, prîntje, (Nederweerts) prent
prentje, prêntje, prêntjes, (verkleinwoord) bidprentje, meisje, knap, prentje
present, prezênt, bijvoeglijk naamwoord, aanwezig
present, prezênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, prezênte, prezêntje, geschenk, procent
presumptie, presómsie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, presómsies, argwaan, verdenking
priem, preem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, preme, els, priem
priemerik, preêmerik, prieëmerik, zelfstandig naamwoord, mannelijk, preêmerike/prieëmerike, scheldnaam (geestelijke), gierig persoon
priester, preester, zelfstandig naamwoord, mannelijk, preesters, preesterke, priester
prij, pri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pri-jje, prieke/pri-jke, lijf, vrouw, gierige , vrouw, ruziezoekende
prijken, priêke, werkwoord, mokken, prijken, reikhalzen
prijker, priêker, priêkert, zelfstandig naamwoord, mannelijk, priêkers/prekers/prekerts, priêkerke, opschepper, stiekemerd; prekert (Nederweerts) betweter
prijs, priês, zelfstandig naamwoord, mannelijk, priêze/priêzer, priêske, prijs
prijzen, priêze, werkwoord, priesj, prieës/prees, geprieëze/gepreze, loven, prijzen
prijzig, priêzig, bijvoeglijk naamwoord, duur
prikken, prikke, werkwoord, vangen met de hand
prins, prîns, preens, zelfstandig naamwoord, mannelijk, prînse/preense, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); prins
proberen, perbeêre, prebeêre, perbieëre, prebieëre, werkwoord, perbeertj/prebeertj, perbeerdje/prebeerdje, geperbeerdj/geprebeerdj, eerst en tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Weerts (stadweerts); proberen
probleem, prebleem, zelfstandig naamwoord, onzijdig, prebleme, prebleemke, probleem
procent, perzênt, prozênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, perzênte/prozênte, perzêntje/prozêntje, procent
proces, persès, presès, zelfstandig naamwoord, onzijdig, persèsse/presèsse, proces
processie, persessie, presessie, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, persessies/presessies, processie
proef, proof, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, prove, preufke, proef, test
proeven, preuve, werkwoord, proeven
profeet, profeet, perfeet, prefeet, profieët, perfieët, prefieët, zelfstandig naamwoord, mannelijk, profete/perfete/prefete/profieëte/perfieëte/prefie, profeetje/perfeetje/prefeetje/profieëtje/perfieëtj, eerste, tweede en derde vorm Nederweerts, Ospels; vierde, vijfde en zesde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); profeet
professor, perfesser, prefesser, zelfstandig naamwoord, mannelijk, perfesser(t)s/prefessers, perfesserke/prefesserke, professor
profijt, perfiêt, prefiêt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, profijt, voordeel
profijtelijk, perfiêtelik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, kieskeurig, secuur
prompelen, prômpele, werkwoord, (Nederweerts) mompelen
pronk, prônk, proonk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); opschepster
pronker, prônker, proonker, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Nederweerts, Ospels; opschepper, pauw; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); opschepper
pronkvogel, prônkvogel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts, Ospels) fuut
pront, prônt, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) fatsoenlijk, netjes, precies, zo-even
pront wie, prônt wi-j, bijwoord, (Nederweerts, Ospels) evenals
prontelijk, prôntelik, bijvoeglijk naamwoord, (Nederweerts, Ospels) keurig netjes
prooi, proeëj, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, proeëje, prooi
proost, praos, zelfstandig naamwoord, mannelijk, präöske, stoel, gemakkelijk zittende
proper, proper, proeëper, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; schoon, zindelijk; tweede vorm Weerts (stadweerts); proper, schoon, zindelijk
Prügel, preugel, pruuëgel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); slaag, pak
pruik, proêk, pruûk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, proêke/pruûke, pruûkske, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); pruik
pruikendraaier, pruûkedrejjer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pruûkedrejjers, persoon, achterbaks
pruim, proem, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, proême, pruumke, pruim
pruim, pruumke, pruumkes, (verkleinwoord) pruimtabak
pruimedant, proêmedânte, (meervoud) pruimen, gedroogde blauwe
pruimenmuil, proeme, werkwoord, pruimen van tabak
pruimenmuil, proêmemuulke, proeêmemuulkes, (verkleinwoord) pruilmondje
Pruis, Pruûs, eigennaam, Pruûse, Duitser
Pruisen, Pruûses, eigennaam, Duitsland
prul, prûl, zelfstandig naamwoord, mannelijk, prulle, rommel, slechte waar
prulderij, prulderi-j, prolderi-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, tweede vorm Nederweerts, Ospels; rommel
prullenman, prullemân, zelfstandig naamwoord, mannelijk, prullemen, prullemenke, prutser
prus, prus, zelfstandig naamwoord, mannelijk, appelmoes
prut, prut, tussenwerpsel, prosit
prut, prut, zelfstandig naamwoord, mannelijk, appelmoes
prut, prut, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, prutte, prutje, del, slons
pruts, pruts, zelfstandig naamwoord, mannelijk, appelmoes
pudding, pödding, pölling, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pöddinge/pöllinge, pöddingske/pöllingske, pudding
puin, puîne, (meervoud) kweekgras
puist, poêst, zelfstandig naamwoord, mannelijk, poêste/puûst, puûs(t)je, boomstronk, man, zwaargebouwd, puist, wortelstronk
pulken, päöleke, werkwoord, päölektj, päölekdje, gepäölektj, peuteren
pullenei, pöl-eike, pöleikes, (verkleinwoord) (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) eitje van jonge kip; pölle-eike (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) eitje van jonge kip
pulver, pôlfer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, buskruit
pulverdroog, pôlferdruuëg, bijvoeglijk naamwoord, kurkdroog
pummelumpje, pummelûmke, (verkleinwoord) worsteinde (met touwtje)
puntdraad, pûntdraod, pûntjdraod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; prikkeldraad
puntelijk, pûntelik, pûntjelik, bijwoord, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; accuraat, zorgvuldig
pupiter, pepieter, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pepieters, pepieterke, (Frans) lessenaar, muziekstandaard
pups, pups, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pupse, oogvocht, gedroogd, oogvuil
purper, pörper, bijvoeglijk naamwoord, purper
put, pöt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, pötte, pötje, put
putpeer, pötpaer, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, pötpaer, pötpaerke, peer, soort
putsen, pötse, werkwoord, pötsj, pötszje, gepötsj, (Nederweerts) slaag geven, pak
putten, pötte, werkwoord, putten
putter, pötterke, pötterkes, (verkleinwoord) distelvink
quatsch, kwatsj, tussenwerpsel, pardoes
quatsch, kwatsj, zelfstandig naamwoord, mannelijk, praat, flauwe, onzin
qui-vive, kevie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vrouwlijk, werklust, ijver
qui-vive, kwevief, kwieviet, kwievief, kweviet, kevief’, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, attent, bijdehand, bij de tijd, op zijn hoede, op z'n kevief’, oplettend
quinzaine, konzieëm, zelfstandig naamwoord, onzijdig, konzieëms, konzieëmke, loon (veertiendaags)
raad, raod, zelfstandig naamwoord, mannelijk, räöj, raad
raadsel, raodsel, rieëdsel, zelfstandig naamwoord, onzijdig, raodsels/rieëdsels, räödselke/rieëdselke, raadsel
raak, raâk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) verhemelte
raam, raam, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rame, raemke, lijst, raam, venster
raap, reup, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reube, reupke, herfstraap; winterknol
raapkoek, rupkook, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rupkeuk, rupkukske, rapen, geperste, veekoek
raapmaat, reupsmaot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raapzaadolie
raapolie, reupsoeëlie, reupsolie, rupsolie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts); tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde vorm Nederweerts; raapzaadolie
raapstelen, reubesteêle, reubestieële, (meervoud) eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); rapenloof
raar, raar, bijwoord, eigenaardig, ongewoon, schaars
raar, rare, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raar, kerel, vreemde
raasduivel, raosduûvel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raosduûvels, raosduûvelke, persoon, gehaast
raaskop, raoskop, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raosköp, dwarsligger, stijfkop
raaskoppig, raosköppig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, koppig
raat, raot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raote, räötje, raat
rabarber, rebârber, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rabarber
rabauw, rebaw, rebouw, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rebawwe/rebouwe, renet (appel)
rabot, rebot, zelfstandig naamwoord, mannelijk, drukte
rabuis, rabuis, rebuis, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rabbuize/rebuize, rabbuiske/rebuiske, proppeschieter
rad, raad, zelfstandig naamwoord, onzijdig, raar, raedje, wiel
raden, raoje, werkwoord, rieëtj/reutj, rooj/raodje, geraoje, aanraden, raden/gissen, raadplegen, eme -, raadgeven
radertje, relke, relkes, (verkleinwoord) radertje
radgek, raadgek, bijvoeglijk naamwoord, stapelgek
radicaal, ratsekaal, rattekaal, bijwoord, grondig
radijs, rediês, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, redieskes, radijs; redieske(verkleinwoord) radijsje
rafel, reîfel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reîfels, reîfelke, reep, strook, stuk
rafelen, raofele, werkwoord, rafelen
raffel, raffel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, raffels, raffelke, kwebbel, spreekster, vlotte
rails, rels, rils, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rails
rakel, raokel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, flapuit, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts) vrouw die onzin uitkraamt
rakelen, raokele, werkwoord, oppoken, rakelen, rammelen
rakelijzer, raokeliêsder, raokeliêzer, zelfstandig naamwoord, onzijdig, raokeliêsders/raokeliêzers, raokeliêsderke/raokeliêzerke, pook
rakelkar, raokelkèr, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, raokelkerre, veelprater
raken, rake, werkwoord, raaktj, raakdje, geraaktj, raken, <'m flînk -, stevig drinken
ram, ram, bijwoord, helemaal
rammelen, raomele, werkwoord, herrie maken
rammen, raome, werkwoord, herrie maken
rand, rândj, rând, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rendj/renj, rendje, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); rand
ransuil, râns-uul, zelfstandig naamwoord, mannelijk, râns-uûle, râns-uulke, ransuil
rap, rap, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, snel
rap, rap, zelfstandig naamwoord, mannelijk, vlasafval
rapaille, repkedepeu, repkedepuuë, zelfstandig naamwoord, onzijdig, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); (Waals) gepeupel, schorem, volk van minder allooi
rapenpotage, reubepetazie, zelfstandig naamwoord, mannelijk, stamppot van herfstrapen
rapensoep, reubesop, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reubesöpke, rapensoep
raphekel, rapheechel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rapheechels, rapheechelke, ruwe hekel
rasp, rasp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, raspe(s), respke, rasp
raspel, raspel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, raspels, respelke, rasp
raspelachtig, raospelechtig, raospelejchtig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, eerste vorm Nederweerts; ongedurig, rommelig; tweede vorm Ospels; ongedurig
rat, rat, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ratte, retje, rat
rataplan, ratteplan, zelfstandig naamwoord, mannelijk, boeltje, rataplan, rommel
ratel, ratel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, ratelaar (onkruid)
ratel, ratel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ratels, raetelke, kwebbel, ratel
rats, rats, bijwoord, helemaal, totaal
rats, rats, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, angst, verlegenheid
rauw, roow, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, row(we); rowwer, rowst, (Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern)) rauw, ruw; row (Nederweerts, Ospels) rauw
rauw, row, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, row, 'n -, ruwe vrouw, slordig werkende vrouw
rauwe rammel, row rammel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, row rammels, vrouw, ruw gebekte
rauwmoes, rowmoos, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Ospels) vrouw, ruw gebekte
rauwwammes, rowwammes, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rowwammese, persoon, ruw
ravotten, revotse, revotte, werkwoord, revot(s)j, revotszje/ revotdje, gerevot(s)j, stoeien
razen, raoze, werkwoord, raosj, raoszje, geraosj, razen
reageren, reageêre, reagieëre, werkwoord, reageertj, reageerdje, gereageerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); reageren
rebbel, rebbel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rebbels, rebbelke, vrouw, druk pratende
recht, rejt, rejcht, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Ospels) precies, recht
recht, rejt, rejcht, zelfstandig naamwoord, onzijdig, (Ospels) recht
rechtvaardig, rechtvieërdig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rechtvaardig
redelijk, rellik, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, tamelijk, redelijk
redelijk, röllik, rei-jlik, bijwoord, (eerste vorm) redelijk, tamelijk; tweede vorm Nederweerts, Ospels, mooi, proper
reden, rieëje, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rieëjene/rieëjes/reeje/reejes, (Weerts (stadweerts)) oorzaak, reden, toespraak; reeje Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels) reden
redeneren, riddeneêre, rizzeneêre, riddenieëre, rizzenieëre, werkwoord, riddeneertj/rizzeneertj, riddeneerdje/rizzeneerdje, geriddeneerdj/gerizzeneerdj, eerste en tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; derde en vierde vorm Weerts (stadweerts); redeneren
reef, reef, zelfstandig naamwoord, onzijdig, heggewikke
reemsel, rieëmsel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rieëmsels, rieëmselke, rafel, stof, gerafeld
reemselen, reimsele, rieëmsele, werkwoord, rafelen
reemselvodden, rieëmselvodde, (meervoud) kleren, gerafelde
reep, reîp, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reîpe/raepe, reîpke, hoepel; raep repel; rieëp, reêpvistuig
reepstaart, reîpstèrt, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reîpstèrte, reîpstèrtje/raepstèrtje, vlinder, slet; raepstèrt (Nederweerts, Ospels) meisje, vrijpostig, scharminkel (dieren)
reet, reet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reête, reetje, achterwerk, kier
regen, raegen, raengel, reîngel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raegens/raengels, derde vorm Weerts (stadweerts); regen
regenen, raegene, reîngele, raengele, werkwoord, derde vorm Weerts (stadweerts); regenen
regeren, regeêre, regieëre, werkwoord, regeertj, regeerdje, geregeerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); regeren
reglement, reglemênt, riggelemênt, riglemênt, zelfstandig naamwoord, onzijdig, reglemênte/rig(ge)lemênte, reglement
reiken, reike, werkwoord, bevatten, reiken
rein, rein, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, (Nederweerts, Ospels) nageboorte koe
reis, reis, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reize, reiske, reis, dieës/dees -, ditmaal, deze keer
reisduif, reisdoef, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reisdoêve, reisduufke, postduif
rek, rèk, rék, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rèkke/rékke, rèkske/rékske, eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); rek
rekel, raekel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raekels, raekelke, konijn (mannetje), persoon, ondeugend , reu
rekenen, raekene, werkwoord, rekenen
rekenturf, raekentörf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, turf op rijen, natte
remmel, remmel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, remmels, remmelke, konijn (mannetje), rotzak
remous, remouw, remouf, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (eerste vorm) pof; tweede vorm Nederweerts, Ospels, stuifwind
remousmannetje, remouwmenneke, remoufmenke, (verkleinwoord) tweede vorm Nederweerts, Ospels; zandhoos
remspoor, remspoor, remspoeër, zelfstandig naamwoord, onzijdig, remspore/remspoeëre, remspeurke/remspuuërke, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); poepstreep (in onderbroek), remspoor
remstaart, remstèrt, zelfstandig naamwoord, mannelijk, remstèrte, slet
renet, renèt, zelfstandig naamwoord, renette, snijmes (paardenhoeven)
repareren, rippereêre, ripperieëre, werkwoord, rippereertj, rippereerdje, gerippereerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); herstellen
repen, reîpe, werkwoord, reîptj, reîpdje, gereîptj/raeptj, raepdje, geraeptj, hoepelen; raepe repelen, vlas
repeteren, rippeteêre, rippetieëre, werkwoord, rippeteertj, rippeteerdje, gerippeteerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); repeteren
ressort, resaor, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, resaors, resäörke, springveer
ressortbak, resaorbak, zelfstandig naamwoord, mannelijk, resaorbek, bak met springveren in bed
resteren, resteêre, restieëre, werkwoord, resteertj, resteerdje, geresteerdj, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); resteren
retraite, retraet, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, retraetes, retraite
reubes, reubes, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reubese, proppeschieter
reugel, reugel, röggel, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, perzikkruid, wijnruit, madeliefjes; reuchel korenbloem
reuk, reuk, ruuëk, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reuke/, reukske/ruuëkske, eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); geur
reumatiek, rimmetiek, rummetiek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, tweede vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; jicht, reumatiek
reut, reût, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) reuzel
revanche, revèns, revêns, zelfstandig naamwoord, mannelijk, eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; revanche
revers, revaer, zelfstandig naamwoord, mannelijk, revaers, revaerke, revers
rib, rub, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, rubbe, rubke, rib
rib, rup, zelfstandig naamwoord, mannelijk, (Nederweerts) weegbree, smalle
ribbenkast, rubbekas, rubbekast, zelfstandig naamwoord, mannelijk, rubbekest, rubbekesje, borstkas
richel, riechel, zelfstandig naamwoord, mannelijk, riechels, riechelke, richel
richtig, richtig, bijwoord, juist, precies
riebaken, rieëbake, werkwoord, laatste adem uitstoten (koe)
riek, raek, zelfstandig naamwoord, mannelijk, raeke/reêke/rikskes, raekske/reekske, hooihark, houten, schietboom (schutterij); reek riek; rikske (verkleinwoord) (Nederweerts, Ospels) vork
riel, rieël, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, (Nederweerts) slank, smal
riem, reem, zelfstandig naamwoord, mannelijk, reême, reemke, riem
riem, reêm, zelfstandig naamwoord, mannelijk, nageboorte vee
riet, reet, zelfstandig naamwoord, onzijdig, riet
riethen, reethin, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reethinne, reethinke, waterhoen
rietlijster, reetliêster, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reetliêsters, karekiet, grote
rietvink, reetvînk, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reetvînke/reetvînkskes, graspieper; reetvînkske(verkleinwoord) karekiet, kleine
rietwouw, reetwouw, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, reetwouwe, kiekendief, bruine
rij, ri-j, zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, ri-jje, rieke/ri-jke, rij
rijden, ri-jje, werkwoord, rietj/ritj, rieëj/reej, gerieëje/gereeje, rijden, 'm -, kwaad zijn
rijerabeel, ri-jjerbaele, (meervoud) trilpopulier
rijeren, ri-jjere, werkwoord, bang zijn, beven, bibberen, trillen
rijertjes, ri-jjerkes, (meervoud) trilgras
rijf, rief, zelfstandig naamwoord, onzijdig, vogelwikke
rijf, riêf, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, rieve; riever, riefst, (Ospels) verkwistend
rijgen, riêge, werkwoord, riegtj, rieëg/riegdje/reeg, gerieëge, rijgen
rijk, riêk, bijvoeglijk naamwoord, rijk