elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.

aak, aaaak, bah, dat is vies.
aalgeer, ellegèèr, elger, aalgeer, aalschaar, aal­ of palingsteker. werktuig om door stekende bewegingen paling te vangen.
aan, aon, aan (voorzetsel).
aangebierst, aongebierst, in de uitdrukking: “aongebierst komme”, snel aan komen lopen.
aangenomen, aongenôôme, een werk doen voor een van te voren afgesproken bedrag. het lijkt wel of het hier “ien’t aongenôôme gaot”, dit wordt spottend gezegd, als er heel vlug gewerkt wordt, alsof het aange­ nomen werk is.
aanhouden, aonouwe, aanhouden.eenbuiten­ echtelijke verhouding hebben.
aankloten, aonklwôôje, wat aanstuntelen.
aanladen, aonlaoje, beslaan van ruiten.
aanrecommanderen, aonrikkemedêêre, aanbevelen.
aanschieten, aonschiete, in de uitdrukking: “‘n broek aonschiete”, “een broek aantrekken”, “iemand aonschiete”, “iemand ophouden om iets te vragen”.
aanslaan, aonslaoge, beslaan van ruiten.
aantotteren, aontottere, ondanks moeilijkheden gewoon doorgaan en er het beste van maken, “och we zulle wel aontottere”.
aanvangen, aongevange, uitgevoerd. in de uitdrukking: “wa d’edde nou aongevange?”, “wat heb je nu uitge­ voerd?”.
aap, aop, aap.
aap, opke, aapje.
aard, aord, aard. in de uitdrukking: “nor wie edde gij d’n aord?”, “op wie lijk jij?”.
aardappel, erpel, aardappel.
aardappelgang, erpelgâânk, kleine strook van het aardappelveld, die de boer aan iemand voor de opbrengst verkocht. vaak was die strook gelegen aan een “weggeske”, “wegje”, of langs een greppel.
aardappelkuil, erpelkuil, aardappelkuil, aardap­ pelen op een hoop ondergedekt met b.v. stro en zand.
aardappelschiller, erpelscheller, aardappelschil­ mesje.
aardbei, errebizzie, aardbei.
aarde, èèrd, aarde, grond. “èèrd of potèèrd”, “grond of potgrond”.
aardig, aoreg, aardig, redelijk. in de uit­ drukkingen: “ij ed al aoreg wa d’op”, “hij heeft al aardig wat ge­ dronken” en “da’s un jêêl aoreg maske”, “dat is een heel aardig meisje”.
aardig, aoreg, raar, eigenaardig.
aardige, aorege, rare. in de uitdrukking: “da’s un aorege”, “dat is een rare”.
aardigheid, aoregèd, aardigheid.
aas, aos, aas. in de uitdrukking: “ij gaot ’r altij mee ’t aos ôôver”, “hij weet het altijd beter”.
aasje pek, oske pek, o de duivel.
accorderen, akke(r)dêêre, kunnen opschie­ ten/overeenkomen. ze kunnen niet met elkaar “akke(r)dêêre”. dit komt van het franse “accorder” en hiervan is weer “accoord” afgeleid.
accountant, akketâânt, accountant.
acht, aacht, acht.
achter, aachter, achter.
achteraan, aachteraon, achteraan.
achteraf, aachteraf, achteraf.
achtereen, aachterjêên, binnenkort.
achterelkaar, aachtermekaore, achterelkaar.
achtermiddag, aachtermiedag, namiddag.
achtermiddag, saachtermiedags, na de middag. ook “saachtermiereges”.
achterom, aachterom, achterom.
achterste, aachterste, achterste.
achterwerk, aachterwaarek, achterwerk.
achtkantig, aachtkantig, lomp, onbehouwen, dwars.
adem, ossem, asem, adem. in de uitdrukking “nor oewen ossem appe”, “naar (je), adem snakken”.
advocaat, affekaot, advocaat.
advocaatje, affekòtje, advocaatje.
afbatteren, afbattere, iemand een pak slaag geven.
afbladderen, afblattere, afschilferen van ge­ schilderde materialen. zie ook “afblottere”.
afbladderen, afblottere, afschilferen van ge­ verfde materialen. zie ook “afblattere”.
afbollen, afbolle, weggaan.
affijn, affèn, enfin, welnu.
affronteren, affrontêêre, beledigen.
afgaan, afgaon, afgaan. in de uitdruk­ king: “ij gao nie vur elluf uure n’af”, “hij is gierig”.
afgang, afgâânk, afgang, stoelgang.
afgeladen, afgelaoje, afgeladen, dronken.
afhang, avvang, open afdakje, ook wel “avvâânk”.
afkalven, afkalle, afkalven.
afkuisen, afkösse, schoonmaken.
aflappen, aflappe, vechten.
aflassen, aflasse, afgelasten.
afleggensklaar, afleggesklaor, uitgeblust, totaal vermoeid, aan het eind van z’n krachten zijn.
afpekking, afpekking, o pak rammel/ slaag, hij heeft een goede “afpekking” gehad, i.p.v. “afpekking” ge­ bruikt men ook wel “afbattering”.
afraffelen, afraffele, iets vlug en slordig doen. zie ook “afroefele” en “afröffele”. afraoje afraden, ontraden.
afraffelen, afroefele, iets vlug en slordig doen. hij “roefelde” zijn les maar gauw af. zie ook “afraffele”.
afraffelen, afröffele, iets vlug en slordig doen.
afrijden, afgereeje, in uitdrukking, “‘k eb ‘t gras afgereeje”, “ik heb het gras gemaaid”.
afscheiten, afschèète, dit woord werd gebruikt, wanneer bij het opwinden van de haktol het touwtje te vroeg afgleed.
afstenen, afstêêne, tot daden komen.
afstoken, afstôôke, afbranden.
afstrijden, afstraaje, ontkennen.
afstropen, afstrwôôpe, villen, afstruinen.
aftroeven, aftroeve, het gras voor de voeten wegmaaien, overbluffen.
afvegen, afvèège, afvegen. in de uitdruk­ king: “ergus z’n botte n’aon afvèège”, “zich ergens niets van aan­ trekken”.
afvoederen, afvwôôjere, afvoederen, voor het slapen gaan werd er op de boer­ derij nog even naar de stal gegaan om de beesten (koeien en paarden) het laatste voer van die dag te geven “de bjêêste afvwôôjere”.
afwachten, afwaachte, afwachten.
afzetten, afzette, plassen.
air, erke, een liedje of deuntje.
ajuin, juin, ajuin, ui. in de uitdrukking: “juin kraauwe”, met korte hak zil­ veruitjes uit de grond halen. dit is de vroegere wijze van oogsten met de hand.
akelig, aokeluk, akelig, naar.
aker, aoker, aker, putemmer.
akkefietje, akkefietje, kleinigheid, b.v. als men een werkje voor iemand doet en het is zo geklaard, dan zegt men “och ut was mar un akkefietje”.
akkelewaaien, akkelewaoje, onenigheid hebben met iemand en blijven bekvechten.
akkenaaien, akkenaoje, kibbelen.
akkenaaier, akkenaojer, kibbelaar, ruziemaker.
al zijn leven, alzelêêve, altijd, vast en zeker.
allang, allâânk, al lang.
alledag, alledag, elke dag. in de uitdruk­ king: “ze lwôôpt op alledag”, “zij kan op elk moment bevallen”.
allemaal, ammel, allemaal, “ze zen ammel jêênder”, “ze zijn allemaal gelijk, hetzelfde.”
allerheiligen, alderèèlege, allerheiligen.
allumineur, allemeneur, p aansteker.
altijd, altij, altijd.
amai, ammei, tussenwerpsel bij verbazing, pijn of teleurstelling.
ambetant, ambetâânt, naar, vervelend, hinderlijk.
ambetanterik, ambetâânterik, een vervelend iemand, “da ‘s un ambetâânterik”, het komt van het franse “embêtant”, vervelend.
ambras, ambras, p moeilijkheden.
ambras, embras, ook “ambras”, met iemand onenigheid, moeilijkheden hebben.
amper, ââmper, amper.
anderdaags, sâânderendags, de volgende dag.
anderhalf, onderalf, anderhalf.
anders, âânders, anders.
Antwerpen, âântwaarpe, antwerpen.
apen en uilen, aope n’en uile, prullen, iets van geringe waarde zoals vaasjes, potjes, beeldjes e.d.. ik zal al die “aope n’en uile” eens opruimen.
apparaat, apperaot, apparaat.
apparaat, apperotje, apparaatje.
appel, appel, hoofd. in de uitdrukking: “un pèèr têêge n’oewen appel”, “een klap tegen je hoofd”.
appelsien, appelsien, sinaasappel.
arm, aarem, arm.
armoede, aaremoej, armoede, kou.
armoelijder, aaremoejlijer, armoelijder.
as, assie, verbrandingsrest van kool of hout enz. in de uitdrukking: “ij kom d’ier z’n assie uitkruije”, “hij komt hier z’n ongenoegen kenbaar maken”.
asperge, spazzie, asperge. ook kleine perzik.
asschuif, assieschuif, asla, lade van een kachel voor de as.
astrant, astrâânt, brutaal. zie ook “strâânt” en “strâânterik”.
astrant, strâânt, brutaal.
astranterik, strâânterik, brutaal iemand.
attaque, attak, beroerte, hersenbloeding, “un attak krèège”.
avance, avvââns, in de uitdrukking: “da’s ginne n’avvââns”, “dat klopt niet”, “daar schieten we niets mee op”, afkomstig uit het frans: “avancer”, opschieten.
avanceren, affesêêre, opschieten, ook wel “avvesêêre”.
avanceren, avvesêêre, opschieten.
avansatie, avvesaotie, vooruitgang, dit komt van het franse “avancer”, verhaasten, opschieten, bevorde­ ren, bij ons bekend als “avvesêêre”, opschieten.
avond, saoves, ‘s avonds.
baaien rok, baoje rok, rok van donkerblauwe stof. ook “baojerde rok”.
baalzak, baolzak, jute zak.
baan, baon, baan (in meerdere betekenissen).
baan, bontje, baantje, klein onverhard weggetje.
baard, baord, baard.
baard, bordje, baardje.
baas, baos, baas.
baas, boske, baasje.
baden, baoje, baden. in de uitdrukking: “pwôôtje baoje”, “pootje baden”. “ij baojt er zoo mar dur”, “lopen zon­ der acht te slaan op wat er staat”.
bagage, begozzie, bagage.
bagagedrager, begozziedraoger, bagagedrager, b.v. van een fiets
bagatel, bakketèl, bagatel, kleinigheidje.
bak, bakske, bakje, kopje, kistje “bakske koffie”, “kopje koffie”, “spèèkerbakske”, “spijkerkistje”.
baker, baoker, baker. ook “baokster”.
bakker, bakkerke, bakkertje.
bakkes, bakkes, mond, gezicht, bek. in de uitdrukking: “un bakkes vol”, “een grote zuurbal”, “een mondvol”, “ge mot oew bakkes ouwe”, je moet je mond houden.
bamis, baomis, herfst. afkomstig van bavomis, n.a.v. het feest van st. bavo op 1 oktober. in de herfst is het meestal regenachtig en winde­ rig. dan spreekt men van baomis­ weer.
banaan, benaon, banaan.
band, bâând, band, b.v. fietsband of autoband.
bandenwagen, bâândewaoge, platte boeren­ wagen, met luchtbanden.
bangschijter, bangschèèter, bangerik.
bank, bâânk, bank.
bank, bangeske, bankje.
barreblaan, barreblaon, soort kleine pruim. ook “barbelaon”.
bascule, baskwiel, bascule, weegtoestel.
batraaf, batraof, kwajongen.
bazeloen, bazzeloen, werkhemd, doorde­ weeks overhemd, het zondagse over­ hemd wordt “kleejèm” genoemd.
bedanken, bedâânke, bedanken.
beddenbak, beddebak, eenvoudig houten ledikant.
beddenplank, beddeplâânk, plank voor de bedstee.
bedeweg, beeweg, bedevaart.
beeld, bêêleke, prentje, religieus prentje. als we vroeger op school braaf wa­ ren, of mooie punten behaalden, dan werden we beloond met een “bêêleke”.
beeldje, bildje, beeldje.
been, bjêên, been.
beenselen, bêênsele, drentelen.
beer, bèèr, beer, gier.
beeremmer, bèèrjêêmer, gieremmer.
beerput, berput, beerput, gierput.
beerschep, berschep, emmer aan een steel om de gierput leeg te maken.
beest, bjêêst, beest.
beetje, bietje, beetje, weinig, wat.
begaadsel, begaojsel, braaksel.
begaden, begaoje, bontmaken, zich slecht gedragen. te bont maken, b.v. “ze begaoje ut daor nogal”, “ze maken het wel een beetje al te bont”.
begankenis, begâânkenis, bedevaart, de meest bekende is hier wel de “bendrechse begâânkenis”, die sinds 1745 jaarlijks op 8 september gehouden wordt.
begarrelen, begarrele, regelen.
begrafenis, begraofenis, begrafenis.
bejaarde, bejaorde, bejaarde.
bejaardenhuis, bejaordenuis, bejaardentehuis.
bekantig, bekâântig, o jaloers, afgun­ stig. is afgeleid van het midden­ brabantse woord: vekâântig. in de uitdrukking, “nieks vekâântig zèèn”, “niet jaloers zijn”. vekâântig = vijlkantig. vijlkant is de scherpe kant aan de maalkerven van een molensteen.
bekijks, bekèks, bekijks, belangstelling. bekke vergiet. ook “trezee” bekwaom bekwaam.
belatafeld, belaojtaofeld, in de uitdrukking: “ben de belaojtaofeld”, “ben je gek, belazerd, beduveld”.
belazeren, belaozere, belazeren.
Belgisch, bels, belgië, belg, belgisch.
beloken pasen, blokke paose, beloken pasen, 1e zondag na pasen.
ben, benneke, mandje, een “erpelbenneke” een aardappelmandje.
beren, bèère, inhoud van de beerput over het land verspreiden.
berg, baareg, berg. ook gesneden beer (varken). in de uitdrukking: “wanne baareg zâând”, “wat een berg zand”.
berg, baargske, bergje.
bergen, baarege, plaats: bergen op zoom.
berk, baark, berkenboom.
berkenhout, baarkenout, berkenhout.
berm, baarum, berm.
bes, bizzie, bes.
bes, bizzieke, besje.
beschermen, beschaarme, beschermen.
beslaan, beslaoge, beslaan. in de uitdruk­ king: “‘t pèèrd ies beslôôge”, “het paard is van nieuwe hoefijzers voorzien”, “goed beslôôge ten èès komme”, “goed weten waaraan je begint”.
bessenbos, bizziebos, bessenstruik.
betijden, betijje, in de uitdrukking “laot ’m mar betijje”, laat hem maar doen.
beukennoot, buukenotje, beukennootje.
beuling, beuling, o/p bloedworst.
beuling, bulling, bloedworst.
beurs, börs, onvriendelijke vrouw;
beurs, börs, het overrijp zijn van fruit.
bevroren, bevrôôze, bevroren.
beween, bewèèn, p drukte. in de uit­ drukking: “ge mot niej zoveul “bewèèn” maoke”, “je moet er niet zoveel drukte over maken” (meestal om indruk te maken of aandacht te trekken).
bezas, bezas, p knapzak of ander soort tas met etenswaren voor de werkman.
bezem, bessem, bezem.
bezem, bessemke, bezempje.
bezorgd, bezörgd, bezorgd.
bezouwen, bezouwe, benul. in de uitdruk­ king: “buite bezouwe”, “zonder het zelf te weten”, “ij et ur gin bezouwe van”, “hij heeft er geen benul, besef, van”.
bezwaren, bezwaore, o/p “d’n aoved bezwaort”, tegen de avond wordt het erger (bij ziekte).
bieden, bieje, bieden.
bierzen, bierze, in de uitdrukking “weggeweer bierze”, onrustig snel heen en weer lopen.
biezenwei, biezewaai, wei waarin biezen groeien, een natte slechte wei. in de uitdrukking: “diej komt in de biezewaai terecht”, “iemand op leeftijd, die niet zo gemakkelijk ten huwelijk gevraagd zal worden”.
bij, baaj, bij (voorzetsel). in de uit­ drukking, “ij iest’r gèère baaj”, “hij is een echt feestvarken”.
bij, biej, bij (insect).
bij, biejke, bijtje.
bij god, begod, stopwoord. bij god. in de uitdrukking: “da’s begod niks”, “dat is helemaal niets”.
bij lange na niet, belangenaonnie, bij lange niet, verre van dat.
bij tijden, bij tije, bij tijden, soms. ook “somtije”
bijen, bieje, Bijen.
bijenhoning, biejeneuning, bijenhoning.
bijenkorf, biejekörf, bijenkorf.
bijkans, bekâânt, bijna, ten naaste bij, bijkans, ook wel “bekaast”.
bijkans, bekaast, zie “bekâânt”.
bijl, beltje, bijltje. in de uitdrukking: “z’n beltje baaj ebbe”, “niet op z’n mondje gevallen zijn”.
bijmees, biemjêêuwiske, tenger kindje. ook kuifmeesje.
bijteut, bieteut, o/p koolmees.
bijtijds, betèds, bijtijds, tijdig.
bijwerken, baajwaareke, iemand een pak slaag geven.
bil, bil, dijbeen.*
biljarten, biljaare, biljarten.
binden, bèène, binden, iets vastbinden.
binnen, binne, binden. ook “bèène”.
binnenbrandje, binnebrâândje, binnenpretje. in de uitdrukking: “un binnebrâândje emme”, “in zichzelf pret hebben”.
binnenkort, binnekört, binnenkort.
binnenrijven, binnerèève, binnenhalen, in de wacht slepen.
bittere peeën, bittere peeje, ook wel “peejkoffie” genoemd. gemaakt van ci­ chorei (of witlof), wortels. dit ter vervanging of aanvulling van echte koffie.
blaaien, blaoje, het uitgeven of ontvangen van geld. in de uitdrukking: “daor kan iek gin geld van blaoje”, “daar kan ik geen geld voor vragen”.
blaar, blorreke, blaartje.
blaas, blaos, blaas.
blaasbalg, blaosbalg, blaasbalg. ook “blaosbalk”.
blad, blaojers, boombladeren, vellen papier.
blad, blaojke, blaadje. ook vloeipapiertje om sigaret in te rollen.
blaffetuur, blaffetuur, p rolluik.
blak, blak, onbegroeid, gelijkliggend, b.v. “blak lâând”. in de uitdruk­ king, “ut liegt daor blak en blwôôt”, “het ligt daar duidelijk zichtbaar”.
blak, blakke, in de uitdrukking ‘vur de blakke komme’, “te voorschijn komen, in de openbaarheid komen.”
blaker, blaoker, blaker. lage kandelaar met brede platte ronde voet met handgreep.
blaten, blèète, huilen, wenen, schreien, schreeuwen. het komt van blaten, de schapen blaten. een kind dat vaak huilt, noemt men wel “n’nechte blèèter”.
blauw, blaauw, blauw.
blauwe vlam, blaauw vlam, iets van generlei waarde. meisje, waar je maar kortstondig verliefd op geweest bent.
blazen, blaoze, blazen.
bleek, bljêêk, bleekveld. in de uitdrukking: “de was op d’n bljêêk legge om ‘t wieter te laote worre”, “de was op de bleek leggen om het witter te laten worden of het te laten bleken”.
bleekjes, bljêêkskes, bleek. in de uitdruk­ king: “ij zôôg zoomar bljêêkskes”, “hij zag zomaar witjes”.
blein, blèèn, blaar.
blein, blèèn, p fietswielspaak. ook balein
blein, blentje, baleintje, blaartje.
bleu, blwôôj, bleu, verlegen, bedeesd. in de uitdrukking: “liever blwôôje jan, as dwôôje jan”, “beter blode jan dan dode jan”.
blijle, blèèle, heel fijn ribfluweel.
blik, blek, blik, vuilnisblik.
blik, blekke, “d’n blekke”, ruiten tien bij het kaartspel “wippen”.
blind, blienders, blinden, houten ven­ sterluiken.
blindaas, bliendaos, blinde daas, steek­ vlieg. in de uitdrukking: “ij slôôg nieks af as vliege en bliendaoze”, “hij pakte alles aan ”. “ut gaot van de vliege nor de bliendaoze”, “het gaat van kwaad tot erger”.
blink, blienk, schoenpoets.
blinkdoos, blienkdwôôs, doosje voor schoensmeer. b.v. de schoenen moeten nog “geblonke” (gepoetst), worden.
blinkverf, blienkvaaref, p glansverf.
bloeden, bluuje, bloeden.
bloedje, bluujke, onschuldig, lief kind, dat b.v. ziek is of andere moeilijk­ heden heeft. meervoud: “bluuje” of “bluujkes”.
bloedworst, bloedwöst, bloedworst.
bloeien, bluuie, bloeien.
bloem, blom, bloem, als plant, of bloem, bedoeld als meel van graan.
bloem, blommeke, bloemetje.
bloemmot, blommot, p rhododendron in bloei.
bloot, blwôôt, bloot.
bocht, bocht, bepaald soort bank in de kerk. er waren vroeger “mannebochte” en “vrouwebochte”. zie ook “vaarkesbocht”.
bocht, bocht, rotzooi.
bode, bwôôje, p bode.
bodem, bwôôjem, bodem.
bodem, bwôôjemke, bodempje, klein borreltje
boekje, boekske, boekje.
boekje blaadjes, boekske blaojkes, pakje sigaret­ tenvloeitjes.
boekweit, boekert, boekweit, ’n bekende graansoort, die vroeger hier werd geteeld.
boerenklepel, boereklippel, iemand zonder fatsoen, pummel.
boerentenen, boeretjêêne, tuinbonen.
boerentuilen, boeretuile, duizendschoon (bloem).
boesteren, boestere, in de uitdrukking: “iemand buite boestere”, “iemand buiten gooien”, “iemand met enig geweld buiten werken”.
boetsen, boetse, p botsen.
bohemer, boejêêmer, in de uitdrukking: “d’r baaj lwôôpe as ‘n boejêêmer”, “er zeer slordig bijlopen (als een bohemer)”.
bokkenpoten, bokkepwôôte, de linker schoen aan de rechter voet en omgekeerd.
bokking, bukkem, bokking, gerookte haring. in de uitdrukking: “‘n bukkem krèège”, “een standje krijgen”.
bol, bolleke, snoepje.
bolhoed, bol’oejke, bolhoedje.
bolletje blauw, bolleke blaauw, middel om de was witter te laten worden. zie ook “bulleke blaauw”.
bonjourder, bollezjoerder, feestvarken. ook “bonzjoerder”.
bonjouren, bezjoere, goeden dag zeggen, af­ komstig van bonjour zeggen. flink uitgaan. in de uitdrukking: “iemand buite bezjoere”, “iemand hardhandig buiten zetten”.
bonjouren, bollezjoere, uitgaan, feesten. zie ook “bezjoere”.
bonken, boenkse, bonken.
bont, bôônt, bont. in de uitdrukking: “ij slôôg um bôônt en blauw”, “hij sloeg hem bont en blauw”.
bonte piet, bonte piet, scholekster.
boodschap, botschappe, boodschappen.
boom, bwôômke, boompje.
boomgaard, bôôgerd, boomgaard.
boomgaarden, bôôgere, een tuin of boomgaard intrekken om zich aan andermans vruchten te goed te doen.
boon, bwôôn, boon. in de uitdrukking: “mette dieje zèn we nog nie aon de groene bwôône”, “daar zijn we er nog niet mee”.
boor, bwôôr, boor.
bord, börd, bord.
bord, bördje, bordje.
bord, börreke, bordje. in de uitdrukking: “‘n börreke soep”, “een bordje soep”.
boren, bwôôre, boren, ‘n gaatje boren. bij ons heeft het woord nog ‘n andere betekenis. als vroeger iemand z’n weekloon ontving, gebeurde het wel eens dat de persoon in kwestie ging “bwôôre”. hiermee bedoelde men dan dat hij geld ging achter­ houden en verstoppen voor eigen gebruik. het weekloon werd dus niet in z’n geheel aan het gezin be­ steed. bedrog dus!
borstel, böstel, borstel. in de uitdrukking: “er mee de raauwe böstel (ruwe borstel) durgaon”, “niet te flauw met iets of iemand zijn”.
boskant, boskâânt, houtwal.
bot, botte, laarzen. in de uitdrukking: “z’n botte er aon afvèège”, “zich er niets van aantrekken”.
boterham, botram, boterham. ook “botteram”.
botjes, botjes, korte, houten schaatsen.
bottentrekker, bottetrekker, laarzenknecht.
bougiet, boezjieke, p kaarsje.
bovenarms, bôôvenaarms, in de uitdrukking, “er bôôvenaarms op zitte”, “direct in actie komen”.
bovenmeester, bôôvemjêêster, hoofd der school.
braad, braoj, deel van de huisslacht dat werd weggegeven.
braden, braoje, braden, b.v. het vlees bra­ den, knoeien. in de utdrukking: “wa zedde nouw aont braoje”, “wat ben je nu aan het knoeien”.
brak, brak, klein kind.
brakken, brakke, druk in de weer zijn.
bram, bram, in de uitdrukking: “ij egget nogal bram”, “hij vindt zich toch heel voornaam”, “hij heeft het zwaar”, “ij egget bram zitte”, “hij is zwaar verliefd”.
brand, brâând, brand.
branden, brâânde, branden.
breien, braaie, breien.
breiwerk, braaiwaarek, breiwerk.
brembes, brembizzie, braambes.
bremzig, bremzig, loops, de voortplantingsdrift maakt zich kenbaar (bij dieren).
brodden, brodde(le), knoeien bij het werk. wordt vooral gebruikt bij het brei­ en. er werden zelfs broddellapjes gebreid
broden, brwôôje, broden.
broeinetel, broenêêtel, brandnetel.
brokstok, brokstok, veel voorkomende varkensziekte.
brol, brol, rommel, rotzooi.
brood, brwôôd, brood.
bruiloft, bröloft, bruiloft.
bufferkaart, bufferkortje, bufferkaartje. wij zouden nu zeggen, “zwartrijden” met de tram. in de tijd dat hier de tram nog reed, had elke wagon een open portaal aan de voor­ en achterzijde. bij het wegrijden sprongen jongens soms op de tram en zorgden er voor dat de conducteur hen niet zag. men noemde dat, een bufferkaartje nemen (de buffers waren de stootblokken tussen de wagons).
buikziek, bökziek, overrijp fruit is “bökziek”.
builtje blauw, bulleke blaauw, zakje blauwsel om de was witter te laten worden. zie ook “bolleke blaauw”.
buis, böske, buisje.
bul, bulle, doeken, vodden, versleten kleding. “goeje bulle”, “nette kleren”.
bul, bulleke, doekje.
bullenvent, bullevent, voddenman, opkoper van vodden en oude metalen.
bunzing, bôôsum, bunzing.
bussel, bussel, bundel. in de uitdrukking: “ne flienke bussel geld bij emme”,”veel geld bij zich hebben”.
buurten, buurte, een praatje maken.
cachot, kesjòt, gevangenis. afkomstig van het franse “cachot”. ook “kot”, of “kotje”.
cadeau, kedoow, cadeau.
camion, kammion, vrachtwagen.
caoutchouc, katsjoew, p rubber, gummi. afkomstig van het franse woord “caoutchouc”, b.v. “katsjoewe” zo­ len of hakken “’ne katsjoewe kletterbal”, “n rubberen kaatsbal”.
capsule, kappesjuul, capsule.
carbid, kurbied, carbid.
carbidlantaarn, kurbiedlantèère, carbidlantaarn.
casserole, kastrol, braadpan (casserole).
chagrijn, saggerèèn, chagrijnig persoon.
chasse, zjas, snelheid. b.v. “mee volle zjas”, “met grote snelheid”.
chocolade, siekelaot, chocolade. ook “siklaot”, “sjeklaot”, “sjekkelaot”, “sukkelaot”, “sjoklat”.
chocolade, sukkelotje, chocolaatje. ook “siklotje”, “sjeklotje”, “sjoklatje”.
clown, klôôn, clown, ook klomp; in beide betekenissen is het meervoud “klôône”.
cognac, kejak, cognac.
commandant, kommedâânt, commandant.
commanderen, kommedêêre, commanderen.
commissie, kemissie, commissie, comité.
commissie, kemissie, p boodschap.
communie, kemuunie, communie, “z’n kemuunie doen”, zich tegoeddoen aan eten en drinken.
compassie, kepassie, medelijden. afkomstig van het franse “compassion”.
compère, kepèèr, o/p peter, mannelijke getuige bij het heilige doopsel. afkomstig van het franse “compère”. de vrouwelijke doopgetuige (de meter), werd “mitje” genoemd.
concert, konsèèr, concert, toneeluitvoering.
confrerie, konfrerie, confraterie. in de roomskatholieke kerk had men vroeger leden van de confraterie. het waren de mannen die in de sacramentsprocessie tijdens een “lof”, “zondagmiddag kerkdienst”, de brandende lantaarntjes droegen.
content, ketint, o/p content, tevreden. afkomstig van het franse “content”. ook “ketènt”.
cordons, kurdons, in de uitdrukking “dur de kurdons motte”, “door iets onaangenaams heen moeten”.
cornelisrozen, kurnillesrwôôze, pioenen, rose, witte of rode.
courage, koerozzie, moed. afkomstig van het franse “courage”.
crème-glace, krèèmglas, p ijsje, afkomstig van ‘t franse “crème-glace”, het werd ook “èèskrèèm”, “èèskremmeke” of “eske”, genoemd.
cuisinière, kezjèèr, keukenfornuis met oven. afkomstig van het franse “cuisinière”.
curieus, kurieus, bijzonder, nieuwsgierig.
curieuze neus, kurieuze neus, nieuwsgierig iemand, nieuwsgierig aagje.
daai, daoj, in de uitdrukking: “’n flienke daoj”, “een flinke vrouw” of meisje.
daar, dèr, asjeblief, hier is ‘t.
daar neven, durneffe, ernaast.
daarmee, daormeej, vandaar.
daaromtrent, daovetrent, daaromtrent, ongeveer. zie ook “daovetrint”.
daaromtrent, daovetrint, tamelijk, b.v. als antwoord op de vraag: “hoe gaat het met je man?”, “och daovetrint aaj, ‘t gao wel”, “ach tamelijk hè, het gaat wel”.
dahlia, dollias, dahlia, meervoud: “dolliasse”, dahlia’s.
dal, dal, betontegel voor de stoep, meervoud is dals.
dalk, dalk, zie djalk
dank, dâân, dank u (kindertaal).
dans, dââns, dans. ook een verwend kind. “un bedorve dââns”.
dauw, daauw, dauw.
deer, dèèr, ellende, verdriet, deernis. in de uitdrukking: “daor ebbe we veul dèèr meej gad”, “daar hebben wij veel ellende en verdriet mee ge­ had”.
deinen, dèène, soort suède. hertenleer. “‘n dèène jas”, “een jas van hertenleer”. afkomstig van het franse woord: daim.
dertien, dartien, dertien.
dertig, dartig, dertig.
deur, durreke, deurtje.
deurgat, durgat, deuropening.
deus, djêêzeke, deusje.
deze, dêês, dit, deze, b.v. “dêês boek ‘em ‘k al gelêêze, mar datte nog nie”, “dit boek heb ik al gelezen, maar dat nog niet”.
different, tefrènt, verschillend. b.v. “tweej tefrènte schoene n’aon emme”, “twee verschillende schoenen aan hebben”. ook “tefrint”.
dikwijls, diekels, dikwijls. in de uitdruk­ king: “dà d’em ‘k al diekels gedaon”, “dat heb ik al dikwijls ge­ daan”.
dikwijls, dikkels, dikwijls. zie ook “diekels”.
ding, diengers, dingen.
ding, diengeske, dingetje.
ding, dienk, ding.
dinsdag, destag, dinsdag, ook “destags”, “dinsdags”.
dissel, dessel, dissel.
djalk, djalk, sukkelaar, iemand die het erg zwaar heeft vanwege moeilijkheden zoals ziekte en armoede. ie­ mand die door andere oorzaken aan lager wal is geraakt.
dod, dodde, p dennenappels.
doddelaar, doddelèèr, p stotteraar.
dode, dwôôje, dode.
doek, doekske, doekje.
dof, doef, flinke duw of stomp. in de uitdrukking: “iek krêêg me daor ’n doef in m’ne rug”, “ik kreeg me daar een duw in mijn rug”.
donkerte, donkerte, duisternis.
dood, dwôôd, dood.
doodgewoon, dwôôdgewôôn, doodgewoon.
doodsbeeld, dwôôdsbêêleke, bidprentje.
doof, dwôôf, doof.
dooien, dwôôie, dooien.
door, dur, door.
door de bank, dördebâânk, over het algemeen.
doordoen, durdoen, kaartspelen van oud tot nieuw. (de overgang vant oude naart nieuwe jaar).
doorheen, durjêên, doorheen, door elkaar, b.v. ze gooiden alles “durjêên”.
doorjager, durjaoger, iemand, die veel geld opmaakt.
doorloper, durlwôôpers, rechte schaatsen met houten bovenstuk. de zogenaamde friese doorlopers. soms zat aan de voorkant van het ijzer een krul.
doorregen, durrêêge, doorregen. in de uit­ drukking: “durrêêge spek”, “doorregen spek”
doos, dwôôs, doos, ook wel een sullig vrouwspersoon.
dopen, dwôôpe, dopen.
doppen, doppe, p geldelijke steun af­ halen door een werkloze, (dopper), waarbij dan gestempeld, (gedopt), moest worden
dor, dör, dor.
dorp, dörp, dorp.
dorp, dörpke, dorpje.
dorpel, dörpel, dorpel.
dorst, do(r)st, dorst.
dorst, dörst, dorst.
draad, draod, draad.
draad, drodje, draadje.
draad krijgen, draod krèège, lijden of slijten. in de uitdrukking: “da’s zwaor waark, daor kredde draod van”, “dat is vermoeiend”.
draai, draoi, draai.
draaikont, draoikôônt, iemand die met alle winden mee waait of mee gaat.
dragen, draoge, dragen.
dragen, draoge, zweren; wond waar vocht uitkomt.
drank, drâânk, drank.
dreef, drifke, dreefje, smalle landweg.
drenk, drienk, drenk. laagte in het weiland, als drinkplaats voor het vee.
drentelen, drintele, o drentelen.
drie, draaj, p drie.
driegen, driege, o rijgen, een zoom in een naaiwerk rijgen, alvorens te stikken.
drieggaren, drieggaore, o rijggaren.
drinken, drienke, drinken.
drollenvanger, drollevanger, plusfour, pofbroek.
drop, druupke, dropje.
druifwijngaard, druivèègerd, druivenwingerd.
dubbele trits, dubbele trits, in de uitdrukking: “da’s dubbele trits”, men zegt dit als men twee keer moet betalen of ontvangen. “dat is dubbel op”.
Dubbele witjes, dobbelewietjes, op ouwel geplakte, platte kindersnoepjes. ze werden vroeger verkocht in de marktkraampjes tijdens de “bendrechse begâânkenis”.
dubben, dubbe, zeer ondiep omspitten van teeltgrond.
dubben, duppe, o zie dubbe.
duffel, doefel, in de uitdrukking “‘n dieke doefel”, “een dikke vrouw”.
duif, döfke, duifje.
duim, dömmeke, duimpje.
duister, döster, duister.
duivel, duuvel, duivel.
duivel, duuveltje, kacheltje, allesbrandertje. kort na de 2e wereldoorlog noemde men dat ook noodkacheltje.
dun, dunder, dunner. vergrotende trap van dun.
durven, daarve, p durven.
dutsel, dutseltje, seutig vrouwtje.
duur, dier, o duur. in de uitdrukking: “dà d’ies ‘n dier kljêêd”, “dat is een dure jurk”.
duzeneuren, duuzeneure, o stil zitten tobben over moeilijkheden, het niet kunnen verwerken van zorgen.
dwarskont, dwarskôônt, iemand die overal tegen ingaat of overal tegen is.
eau de cologne, oodeklonnie, eau de cologne.
echel, echel, in de uitdrukking: drinken als een “echel”, flink drinken.
echelstaart, echelstèèrt, windhoos.
eekhoorn, ienkôôre, eekhoorn. zie ook “inkert”.
eekhoorn, inkert, eekhoorn. in de uitdrukking, “op d’n inkert gaon”, “eekhoorns vangen”.
eend, int, eend.
eender, jêênder, hetzelfde.
eens, sjêêns, eensgezind.
eerder, jidder, eerder.
eerst, jirst, eerst. ook “jist” of “jistes”. jirstus eerste (zelfstandig ge­ bruikt rangtelwoord). ‘ij ies jirstus’, ‘hij is eerst, hij is de eerste’. zo ook ‘twiddus’, ‘dardus’, ‘tiendus’, ‘lestus’. het betreft hier een oude naamvalsvorm.
effen, effe, egaal, effen, even, ‘n korte tijd, b.v. “effe” wachten.
effenaf, effenaf, in de uitdrukking: “‘t ies “effenaf fout”, “het is helemaal fout”, “ij was zoomar effenaf”, “hij was nogal onvriendelijk, of kortaf”.
eg, iecht, eg of egge. de eg wordt over het land gesleept om de grond los en rul te maken. deze bewerking wordt ook slechten genoemd.
ei, aai, ei.
ei, aaike, eitje.
eierdooier, aaierdwôôier, eierdooier. ook “aaierdwôôre”.
eierdop, aaierdop, eierdop.
eierschaal, aaierschaol, eierschaal.
eigen, èège, eigen. in de uitdrukkingen: “da gao van èèges”, “dat gaat van­ zelf”, “da gieng ut z’n èège”, “dat ging vanzelf”, “ouw d’oew èège kallem”, “hou je zelf kalm”, “da’s van m’n èège”, “dat is van mezelf”. èègenaoreg eigenaardig.
eikel, jêêkel, eikel.
eikenkant, èèkekâânt, houtwal van eiken­ hout. ook “boskâânt”.
elastiek, ellestiek, elastiek.
elastiek, illestiek, elastiek. zie ook “ellestiek”.
electriciteit, elletriek, electriciteit, in de uit­ drukking: “den elletriek ies uitgevalle”, “de electriciteit is uitgeval­ len”.
elfje, ellufke, werkonderbreking, schafttijd.
elk, ielk, elk, ieder. in de uitdrukking, “ielk z’n djêêl”, “ieder zijn deel”. iemes iemand.
elkaar, mekaore, elkaar.
elkaar, mekaore, samen, bij elkaar.
embouchure, ammezuur, de juiste mondstelling voor het blazen van een muziekinstrument. uit het frans “embouchure”.
emmer, emmerke, emmertje. ook “jimmerke”.
emmer, jêêmer, emmer.
en passant, iempersâânt, tegelijkertijd, intussen.
enig, ennigte, enige, verscheidene.
enkel, enkeld, enkel, slechts, alleen.
enkel, ienkel, o/p enkel, het enkelgewricht. in de uitdrukking, “zunnen ienkel verzwieke”, “zijn enkel “verzwikken”, “verstuiken”.
erfenis, aarfenis, erfenis.
erg, aareg, erg. in de uitdrukking: “da’s jêêl aareg”, “dat is heel erg”, “da’s aareg”, “dat is ernstig, dat is erg”.
ergens, ieverââns, ook “ieverâânt”, ergens. in de uitdrukking, “ieverââns enne gaon”, “ergens heen gaan”.
ergens, ievers, p ergens.
erven, aareve, erven.
erwten, aarte, erwten. in de uitdrukking: “ij è z’n aarte n’uit”, “hij is er mee klaar”, “hij heeft er genoeg van”.
erwtensoep, artsoep, erwtensoep. ook “aartesoep”.
erwtje, artje, erwtje.
etalage, eetelaozie, etalage.
eventjes, effekes, eventjes, heel even, ook “efkes”, “ifkes”, en “êêvekes”.
faant, fâânte, in de uitdrukking, “da’s ne fâânte”, “dat is een rare kerel”, hij heeft ze niet op een rijtje.
faar, faar, p in de uitdrukking, “de volle faar”, “het volle licht”.
fabrikant, fabriekâânt, fabrikant.
familie, femielie, familie. ook “fermielie”.
fantasie, fâântezie, fantasie.
fartelaar, fartelèèr, treuzelaar.
fas, fas, in de uitdrukking, “‘t fas af zèèn”, “dodelijk vermoeid zijn”.
fazant, fezâânt, fazant.
februari, fêêbrewaorie, februari.
feep, fêêp, toeter, mondharmonica.
feep, fipke, feepje.
feliciteren, fliesietêêre, feliciteren.
fepen, fêêpe, toeteren. muziek maken met blaasinstrument. ook in de uit­ drukking “zit nie soo te fêêpe”, “zit niet zo te zaniken”.
feper, fêêper, zaniker.
ferm, faarm, ferm, flink.
fiducie, feduusie, vertrouwen.
fier, fjêêr, fier, trots. in de uitdrukking, “ij ies t’er fjêêr op”, “hij is er trots, fier op”.
fietskaart, fietskaort, provinciale belasting voor fietsen. in de crisistijd kwam er nóg een belasting voor fietsen bij, de fietskaart. deze was geldig van 1 mei t/m 30 april en moest dus jaarlijks worden vervangen. de kaart had je nodig en moest je kunnen tonen als je over de provinciale weg wilde rijden.
fietsplaatje, fietsplotje, fietsplaatje. in de crisistijd van de jaren ‘30 werd het fietsplaatje ingevoerd. het was een metalen plaatje dat aan het stuur moest worden bevestigd. het kostte ƒ2,50 en het was een belasting voor fietsen. een hele aderlating voor de werkman. de werklozen kregen een kosteloos plaatje, ‘n plaatje met ‘n gat erin geslagen. in 1939 is het fietsplaatje komen te vervallen.
fievelefors, fievelefors, ook “fiebelefors”, heel snel, heel vlug. in de uitdruk­ king, “lwôôpt’ies fievelefors naor de slachter”, “loop eens heel vlug naar de slager”.
finaal, fienaol, finaal.
fis, fies, p bunzing
flanzen, flâânze, flanzen, gooien, smijten.
fleer, flèèr, flinke klap. in uitdrukking, “mot ‘k oew ies ‘n flèèr rond oew ôôre gêêve?”, “moet ik jou eens een flinke klap rond je oren geven?”.
fleren, flèère, gooien, smijten.
floezen, floeze, o pluizen. in de uitdruk­ king, “die stof floest”, “die stof pluist”.
flok, flok, samengevouwen lapje met zoete stof. een baby kreeg dit om erop te zuigen opdat het zo rustiger werd.
flokken, flokke, duimzuigen, zuigen op een “flok”, iemand “flokke”, “iemand kussen”.
florisant, florriesâânt, in de uitdrukking, “ze ziet er florrisâânt uit”, “ze ziet er fris, gezond en goed gekleed uit”.
fluit, flötje, fluitje.
fluitenhout, fluitenout, hout van de vlierbes. vaders, maar ook de jongens zelf maakten er fluitjes van. ook “flötjesout”.
fluitjesklep, flötjesklep, gulp aan een jongens­ of mannenbroek.
fluwijn, fluwèèn, o kussensloop.
foef, foefke, p smoesje, trucje, ook “uitmoak”.
foepejeeën, foepejeeje, haasje over, (kinderspel).
foezelkont, foezelkôônt, aanhalig iemand.
fokkederen, fokkedêêre, overeenkomen. in de uitdrukking, “ze fokkedêêre nie”, “ze komen niet overeen”.
folen, fwôôle, knuffelen.
fomp, foemp, stomp met de vuist.
fooi, fwôôi, vrouwelijk konijn. ook “vwôôi”.
fooi, fwôôike, fooitje.
fornuis, furnèès, fornuis.
fornuiskot, furnèèskot, huisje, waarin zich het wasfornuis bevond.
fos, foske, o heel oud zijden petje, gedragen door oude mannen.
foto, fottoo, p foto.
frak, frak, p jas.
franje, fronnies, franjes.
frank, frâânk, vrijpostig.
frank, frang, frank (munt). in de uit­ drukking, “zunne frang valt”, “hij heeft het door”.
frappant, frappâânt, frappant, merkwaardig, treffend, eigenaardig, apart, opvallend. in de uitdrukking, “da’s frappâânt”, “dat is merkwaardig”.
frein, frèèn, p rem van enig voertuig.
freinen, frèène, p remmen (werkwoord).
frikadel, friekedèl, gehaktbal.
frommel, froemel, kreukel in kleding.
frommel, frommels, ook “froemels”, “fronsels”. in de uitdrukking, “z’n bazzeloen zôôt in de frommels”, “z’n overhemd was gekreukeld”, niet goed gestreken.
frommelen, froemele, frommelen, wegmoffelen.
fronsel, frôônsels, rimpels, b.v. in het voorhoofd.
frou frou, froe froe, laag over het voorhoofd gekamd hoofdhaar, ook “ponnie” genoemd.
fuif, föfke, fuifje.
fysionymie, fieselemie, gezicht, gelaat.
gaaf, gèèf, netjes, gaaf. in de uitdruk­ king, “ij ies wir gèèf aongekleejd”, “hij is weer netjes gekleed”.
gaaf, gèèf, flink, behoorlijk. in de uit­ drukking: “ij et ‘m gèèf ommange”, “hij is behoorlijk dronken”.
gaan, gaon, gaan.
gaapstok, gopstok, iemand die nieuwsgierig en stokstijf de mensen staat aan te “gaope”, “staren”.
gaar, gaar, woord, dat geroepen werd bij boogschieten om de schietbaan vrij te maken.
gaar, gaor, gaar.
gaar, gaore, in de uitdrukking “n’n alleve gaore”, iemand die niet goed snik is.
gaarne, gèère, graag.
gaas, gaos, gaas.
gadeslaan, gaojslaoge, gadeslaan. zorgen dat je gezond blijft. in de uitdrukking: “ge mot oew èège goed gaojslaoge”, “je moet je zelf goed verzorgen”.
galg, galg, bretel.
galileeër, galliejèèr, “gladjanus”. iemand die zich gemakkelijk en op een slimme manier uit een situatie redt.
gang, gâânk, gang, snelheid, vaart, strook. de breedte (strook), die een arbeider op het land meeneemt (bewerkt). in de uitdrukking: “oewe gâânk opraope”, “de achtergebleven uien/aardappelen oprapen enz”, “ga daor ies meej gâânk weg”, “ga daar eens snel weg”.
gang, gangeske, gangetje.
gans, gââns, gans.
gans en gaar, gââns en gaol, helemaal, geheel, totaal. in de uitdrukking: “ut ies me gââns en gaol gelèèk, hoe ge da gaot doen”, “het is mij om het even, hoe je dat gaat doen”.
gapen, gaope, gapen.
garde, garde, veldwachter.
garde boue, gardeboe, spatbord, het schuin staande schot voor de koetsier op een rijtuig om het opspattende water te weren. uit het frans: garde-boue.
garde chasse, gardesjas, ook “garde chasse”, “jachtopziener”.
garelen, grjèèle, bretels.
garen, gaore, garen.
garnaal, garnot, garnaal, garnalen. deze werden vroeger in de westerschelde veel geschept. na het schoonma­ ken en het koken, werd vroeger de “garnot” “uitgeleurd”, “aan de deur verkocht”.
garstig, gastig, garstig. ranzig, b.v. ranzig spek, sterk smakend.
gat, gaoters, gaten. in de uitdruk­ king: “daor kunde un paor gèève gaoters van ien de grond piese”, “dat stelt niets voor”, “daar kun je niets mee”.
gat, gat, achterwerk. in de uitdrukking: “zun gat ies in de was”. men zei dit van een man of jongen als hij een veel te ruime broek aan had.
gat, gotje, gaatje.
gatlauw, gatlaauw, lauw, handwarm. ook “gatwaarum”.
gauw, gaauw, vlug, gauw.
gauwtjes, gaauwkes, vlug, snel. in de uitdrukking: “gao d’ies gaauwkes weg hier”, “ga eens vlug weg hier”.
gebeteren, gebêêtere, “nie kunne gebêêtere”, “er niets aan kunnen doen of verbeteren”.
geblaat, geblèèt, gehuil, geschreeuw.
geboden, gebwôôje, geboden. in de uitdrukking: “mee z’n tien gebwôôje êête”, “met z’n handen eten”.
gedaan, gedaon, gedaan, ontslag. in de uitdrukking: “gedaon krèège”, “ontslagen worden”.
geen, gêêne, gindse. in de uitdrukking: “aon gêêne kâânt”, “aan die kant”, “aan de overkant”.
geen, gin, geen.
geen, gin, geen, niet. in de uitdrukking: “da’s gin waor”, “dat is niet waar”.
geen mens, gi(n)mêês, niemand.
gehakt, gakt, gehakt.
gehaktbal, gaktebal, gehaktbal.
geit, gèèt, geit
geitje, getje, geitje.
gekort, gekört, in de uitdrukking: “da’s niks gekört”, “daar schiet je niets mee op”.
gelei, sjelaai, p jam.
gelei, slei, gelei, jam.
gemaaid, gemaoid, ‘n appel ies gemaoid, wormstekig. in de uitdrukking: “ij ies gemaoid”, “hij heeft ze niet op een rij”.
gemaatst, gemotst, samen met een medespeler, (maat) een spel spelen. b.v. kaarten.
gemak, gemak, toilet, w.c..
gemeente, gemjêênte, gemeente. gemjêêntenuis gemeentehuis.
genade, genaoj, o in de uitdrukking: “oep âândermââns genaoj lêêve”, “op andermans zak leven”.
generen, zjenêêre, schamen. generen.
geneuk, geneuk, lawaai, ruzie, gedoe.
geneuk, geneuk, problemen, moeilijkheden. in de uitdrukkingen: “daor krèède geneuk meej”, “daar komen moeilijkheden van”, “’t ies daor altij geneuk”, “er zijn daar altijd problemen”, “ies’t nou klaor mitta geneuk?”, “is het nu afgelopen met dat geruzie/gerommel?”, “daor eddut geneuk al”, “daar beginnen de moeilijkheden al”, “wa d’n geneuk”, “wat een gedoe”, “we n’ôôrde n’n wôôp geneuk”, “we hoorden een hoop kabaal”.
genoeg, genoegt, voldoende, genoeg. ook “genogt”.
genoeg, genog, genoeg. in de uitdruk­ king: “we zèèn mee genogte”, “we zijn met genoeg mensen”.
genoegen, genoege, in de uitdrukking: “meej genoege zèèn”, “met voldoende personen zijn”.
gepsen, gepse, er van door gaan, er tussenuit gaan. in de uitdrukking: “ij iestum gaon gepse”, “hij is er vandoor”.
geraaktheid, geroktèd, geraaktheid, beroerte.
gerst, ga(r)st, gerst.
gerst, gast, gerst.
gerust, gruust, gerust. in de uitdrukking: “zèè mar gruust”, “wees maar kalm”.
gesp, geps, gesp, zo veranderde “rasp” in “raps”, “wesp” in “weps”, “nispen” in “nipse”.
gestampt, gestoempt, gestampt. in de uitdrukking: “gestoempte petaate”, “fijngestampte aardappelen, puree”.
get, get, modder. in de uitdrukking: “ne getslwôôt”, “sloot met drassige roestkleurige modder”.
get, gette, leren of stoffen omhulsels om de benen te beschermen tegen de regen en kou.
getlaarzen, getlèèrze, laarzen, om mee door de modder te stappen.
geuren, geure, geuren. in de uitdrukking: “ij geurt ’m nogal”, “hij heeft het naar zijn zin”.
geweer, gewèèr, geweer.
geweer, gewerke, geweertje.
gewest, gewest, manier. in de uitdrukking: “op ‘t gewest van”, “op de manier van”, of lijkend op.
gewijd zand, geweeje zâând, o op de feest­ dag van de h. gertrudis op 17 maart werd ’s morgens in de kerk wit zand gewijd. het werd gebruikt ter bestrijding van de muizen.
gezeeg, gezêêg, rustig, kalm. in de uitdrukking: “ij doeget gezêêg aon”, “hij doet het heel rustig aan”.
gilde, guld, de guld. het schuttersgilde.
ginder, giender, ginds, daar. ook “gienter”. in de uitdrukking: “gienderwèèd”, “daar in de verte”, “gienderaachter”, “daar achter”.
giroffel, snoffeltjes, anjertjes.
gisteren, giestere, gisteren.
glad, glat, helemaal. in de uitdrukking: “glat vergêête”, “helemaal vergeten”.
glad, glattug, “gladdig”, glad.
glazensnijder, glaozesnijer, libelle, (insect).
gleuf, glufke, gleufje.
gloeien, gluuie, gloeien.
gloeien, gluuiend, gloeiend.
goot, gotje, gootje
gordel, gördel, gordel.
gordelroos, gördelrwôôs, gordelroos.
gordijn, gurdèèn, gordijn.
gordijntje, gurdentje, gordijntje.
gording, görding, gording.
gortig, görtug, gortig, sterk, onbegrijpelijk. in de uitdrukking: “zo “görtug” heb ik het nog niet meegemaakt”.
gouden janus, gouwejaonus, middelste puntje van de roos bij het boogschieten.
graat, grotje, graatje.
grasburger, grasburger, iemand die zich belangrijker vindt dan hij eigenlijk is.
greef, grèèf, werktuig om mest of kuilvoer af te steken.
grens, grêêns, grens.
grensjager, grêênsjaoger, lijnrechter.
gretig, grèèt, gretig. in de uitdrukking: “ij ies grèèt aon de bak”, “hij kan goed eten”.
grip, grip, greppel, ondiep, smal slootje.
gripkant, gripskâânt, slootkant. de met gras en onkruid begroeide rand van een greppel.
groeien, gruuie, groeien.
groot, grötje, grootmoeder.
grootmoeder, grötmoeder, grootmoeder.
grootsig, grwôôtsig, trots, hovaardig.
grootvader, grötvaoder, grootvader.
haag, ogske, haagje.
haak, okske, haakje.
haakwerk, okwaarekske, haakwerkje.
haan, aon, haan.
haantje, aontje, haantje.
haar, aor, haar. in de uitdrukking: “oew aor op zolder emme”, “je haar op zolder hebben”. na de kin­ derjaren gingen de meisjes hun haar opsteken. de haren werden vanuit de nek en het voorhoofd omhoog gekamd en op het hoofd of achter­ hoofd in elkaar gedraaid tot een rol of dot.
haar, eur, haar, in uitdrukking: “da’s van eur”, “dat is van haar”.
haar eigen, durèège, zichzelf.
haard, èèrd, vloer. in de uitdrukking: “veul over de n’ èèrd komme”, “veel over de vloer komen”, “d’n èèrd kjêêre”, “de vloer schoonma­ ken”.
haarom, aar-om, linksaf als commando bij paarden. “aar-om of juut-om” zegt de menner tegen zijn span paarden voor de kar als het naar links of rechts uit moet wijken of afslaan.
haarzak, orzak, “orzak speule”. vals spelen b.v. in een kaartspel.
haas, aos, haas.
haas, oske, haasje.
haast, aost, haast.
haast, ost, haast.
haastig, osteg, haastig.
hakkelaar, akkelèèr, hakkelaar, stotteraar.
hakker, akker, hak, schrepel.
haksel, aksel, zult.
halfelfje, allufelfke, borreltje in de voor­ middag.
halfmaantje, allufmontje, half maantje, een half­rond venstertje in een schuur of stal.
halfsegat, allufsegat, half goed, niet af, niet volledig, slecht en slordig, geen zorg aan besteed. “ten allufsegat” iets doen.
halfsekloten, allufseklwôôte, slordig afgewerkt.
halfuit, allevuit, half uit. Vroeger moest op de kermisbals betaald worden voor twee dansen. was er één dans gespeeld, dan riep men “allevuit”, “half uit”.
Halsteren, altere, halsteren.
halve gare, alleve gaore, iemand, die niet goed wijs is.
halverwegen, alverwêêge, halfweg.
hand, âând, hand.
handdoek, âândoek, handdoek.
handelen, âândele, handelen.
handsbal, èèsbal, handspel, hands!
handschoen, âânschoen, handschoen.
handvat, âânsfat, handvat.
handveger, âândvèèger, handveger.
handvol, âânsfol, handvol.
handwerk, âândwaarek, handwerk.
hanenpis, aonepies, dunne gier, slappe kof­ fie.
hang, ang, bepaald soort scharnier, deze werd veelvuldig gebruikt op deuren voor boerenschuren en stallen.
hangijzer, angêêsder, hangijzer. iemand die niet weg te krijgen is. plakker.
hannekbroek, annebroek, vlaamse gaai.
hannetjesnest, annekesnest, probleemgeval.
hapschaar, apsjaar, een eigenaardig iemand.
hapschaar, napsjaar, raar persoon.
hard, aart, hard. in de uitdrukking: “un aarte weg”, “een verharde weg”. “ij ies ‘n aarte”, “hij is hardvochtig”, “hij is gierig”.
hardlopend, aartlwôôpes, hardlopend.
haring, erring, haring, “pêêkelerring”, “pekelharing”.
harmonie, aaremeniej, harmonie.
harstikke, arstikke, heel erg.
hartelijk, arteluk, hartelijk, innig, uit het hart komende.
hartig, artig, pikant van smaak.
hartje, artje, hartje.
haver, aover, haver.
heb ik, emme k’iek, heb ik. in de uit­ drukking: “emme k’iek da gedaon?”, “heb ik dat gedaan”.
heb je haast?, eddost?, vraag: heb je haast?
hebben, emme, hebben.
hebben we het?, emmemenut, hebben we het? “jao, menemmenut”, “ja, we hebben het”.
heen, enne, heen, weg, naar. in de uitdrukking: “ij ies t’r enne”, “hij is er heen”. “er ôôver enne zèèn”, “er over heen zijn”, “waor gaot ie enne?”, “waar gaat hij naar toe?”. “mag iek daor nie enne vraoge?”, “mag ik daar niet naar vragen?”.
heer, jêêr, heer. in de uitdrukking: “ôôns jêêr brenge”, “de commu­ nie thuisbrengen”.
heffen en kruien, goffe en gekrôôje, het zware karwei is klaar.
heibezem, aaibessem, heibezem. bezem ge­ maakt van heidestruiken.
heide, aai, heide of hei.
heiligheid, èèligèèd, in de uitdrukking: “ij ziet er uit as d’ èèligèèd”, “hij ziet er slecht uit”.
heipolder, aaipolder, ontgonnen grond van de heide voor land­ en tuinbouw, schertsend bedoeld.
hek, ekke, hek.
hek, ekkeske, hekje. zie ook “ekketje”.
hek, ekketje, hekje. zie ook “ekkeske”
helemaal, jêêlemaol, helemaal. ook “jêêmaol”.
helpen, ellepe, helpen.
hem, um, hem
hem, ummekes, in de uitdrukking “daor ed’ ummekes wok wir!”, “daar heb je hem ook weer”. ook “ummekesum”.
hemd, em, hemd, in de uitdrukking: “z’emme gin em aon d’r gat”, “ze hebben geen hemd aan hun gat”, “ze zijn erg arm”. ook het gezegde, “emmeke rok m’n gatje nie”, dit werd gezegd van een verwaand iemand.
hemd, emmeke, hemdje.
hemdrok, emtrok, borstrok, (gebreid van ongebleekte witte katoen).
hemdsmouw, emsmouw, hemdsmouw.
hemel, êêmel, hemel.
hengsel, engsel, greep van een emmer.
herberg, arrebarg, herberg. ook “stammenee”.
hersenen, arsus, hersens. zie ook “assies”.
hersenen, assies, hersenen. zie ook “arsus”.
het een en het ander, tjêên en tâânder, het een en ander.
hierheen, ierenne, hierheen.
hierneven, ierneffe, hiernaast.
hijs, èès, o hengsel. in de uitdrukking: “de n’èès van ‘nen jêêmer”, “het hengsel, de beweegbare beugel van een emmer”.
hilt, ilt, dwarshoutje als greep op een steel van een spade of riek.
hinkelen, ienkele, hinkelen (een kinderspel).
hoed, oeike, hoedje.
hoef, oef, hoeve, boerderij. ook paardenhoef.
hoefijzer, oefèèzer, hoefijzer. ook “oefèèsder”.
hoefstal, oefstal, hoefstal, inrichting voor beslaan van paarden.
hoek, oekske, hoekje.
hoeve, oef, hoeve, boerderij. ook paardenhoef.
hof, of, hof, tuin.
hofpad, ofpad, pad door de (moes)tuin.
hol, oeleke, knikkerkuiltje.
hollewaai, ollewaoi, losbandige vrouw.
hommel, oemel, hommel.
hond, oend, p hond.
hondsdagen, ôônsdaoge, hondsdagen. de dagen dat de hondsster, sirius, op­ komt als de zon ondergaat. dit is van 19 juli tot 18 augustus. het is gewoonlijk de warmste tijd van het jaar. vroeger geloofde men dat er tijdens die dagen hondsdolheid zou voorkomen.
honger, oenger, honger.
honing, unning, honing. ook “euning”.
hoofdakker, noojakker, noodakker. strook land aan het hoofdeinde van de akker.
hoog, wôôg, hoog, oog.
Hoogerheide, wôôgeraaje, hoogerheide.
hoogtijdag, wôôgtijdag, hoogtijdag.
hooien, ooie, hooien. in de uitdrukking “motte nog gaon ooie?”, “moet je nog gaan hooien”, wat heb je toch ‘n haast.
hooien, wôôje, hooien.
hoop, ôôp, hoop. ook wôôp.
hoor, wur, hoor. b.v. “jao wur”, “ja hoor en “naaje wur”, “nee hoor”.
hoos, ôôs, hoesje met touwtjes dat werd gebruikt om het verband aan een verwonde vinger te beschermen.
hor, or, horde. grove schuinaflopende houten of metalen zeef om bv. aard­ appelen van het zand te ontdoen. “d’erpels over d’or doen”.
horloge, lozzie, horloge.
horsklepel, orsklippel, dwarshout achter het paard, waaraan de strengen zijn bevestigd om de kar voort te trekken.
houden, ouwe, houden. “ouw d’oew kwèèk”, “houd je mond”.
houden, ouwe, houden. gebruikt in “vurtouwes”, “voor het houden”. als men aan een ander iets geeft en die weet niet of hij het mag houden, vraagt deze “ies ut vurtouwes?”.
houdoe, oudoe, groet bij het weggaan.
hout, out, hout. in de uitdrukking “iek zen zo veul in tel as nat kachelout”, “ik ben weinig of niet in tel”.
hout haken, out aoke, p met een haak de dode takken van bomen afbreken. vroeger moesten de jongens na schooltijd naar het bos om het dode hout uit de bomen te aoke voor brandhout.
Huibergen, uibaarege, huybergen
huis, öske, huisje, wc.
huishouden, uisouwe, huishouden, gezin.
hurken, ukke, hurken. ook “uuke”. zie ook “urke”.
hurken, urke, hurken. “op oew urke gaon zitte”, “op je hurken gaan zit­ ten”. zie ook “ukke”.
huubje, öpke, st­hubertusbroodje. vroeger werden deze broodjes op 3 november in de kerk gewijd. ze werden gegeten om gevrijwaard te blijven voor hondsdolheid.
iedereen, iederjêên, iedereen.
iets, iet, iets. in de uitdrukking “edde gij nog iet gezien?”, “heb jij nog iets gezien?”.
iets, iet, ! uitroep van verbazing. ietfer! uitroep bij iets ongeloofwaardigs.
ijlen, èèle, ijlen.
ijs, èès, ijs.
ijs, eske, ijsje.
ijspin, èèspien, ijspegel.
ijzer, èèz(d)er, ijzer.
ijzerzaag, èèz(d)erzaog, ijzerzaag.
immers, ommes, immers. in de uitdrukking “‘k em da ommes al gezêêd”, “ik heb dat immers al gezegd”.
inkt, int, inkt.
inktlap, intlap, inktlap.
inktpot, intpot, inktpot.
inpiepen, inpiepe, samen gearmd lopen, b.v. ze liepen “ingepiept”.
interessant, intersâânt, interessant.
ja, jao, ja.
ja, jot, ja hoor.
jaar, jaor, jaar.
jaar, jorreke, jaartje.
jaargetijde, jaorgetij, jaargetijde. ook “jorgetij”, “jaarlijkse herdenkingsdienst in de kerk.
jacht, jaacht, jacht.
jagen, jaoge, jagen.
jager, jaoger, jager.
jaloers, sjeloers, jaloers.
jam, sjam, jam.
jammerkloot, jammeklwôôt, zielig persoon.
janken, jâânke, janken, huilen.
januari, jannewaorie, januari.
jassen, jasse, slaan. in de uitdrukking: “‘n paol in de grond jasse”, “een paal in de grond slaan”.
je hebt ‘t, gegget, je hebt het. in de uitdrukking: “gegget of gegget nie”, “je hebt het of je hebt het niet”.
jenever, jannêêver, jenever. ook “zjenêêver”, of “zjenêêvel”.
jeremiëren, jêêremiejeeje, weeklagen, jammeren.
jeuk, juuk, jeuk.
jeuken, juuke, jeuken.
jezus, jêêzus, jezus. in de uitdrukking: “jêêzus van merâânte”, uitroep van verwarring.
jiven, zjèève, p swingen, de jive dansen.
jong, joeng, o/p kinderen, jong, nakomelingen
jong, joenk, jong (van leeftijd). ook “jonk”.
jongen, jongers, meervoud van jongen.
jongetje, jongeske, jongetje.
juinen, juine, krachtig en venijnig slaan.
juinig, juinig, wulps.
juist, sjuust, juist, zonet, zoëven. ook “suust”. in de uitdrukking “da’s sjuust”, “dat is juist”.
juist, zjuust, juist. zie ook “zuust”.
juist, zuust, juist. zie ook “zjuust”.
juist eender, sjuustjêênder, juist eender, precies eender.
jullie, göllie, jullie.
juutom, juutom, zegt de menner tegen de paarden als ze naar rechts moeten.
kaak, kaok, kaak, wang.
kaak, kokske, wangetje.
kaal, kaol, kaal.
kaan, kaojkes, kaantjes, overblijfselen na het smelten van varkensvet.
kaars, ke(r)ske, kaarsje.
kaars, kèèrs, kaars.
kaarsvet, kersfet, kaarsvet.
kaart, kaort, kaart.
kaart, kortje, kaartje.
kaarten, kaorte, kaarten.
kaas, kèès, kaas.
kaatseballen, ketseballe, kaatseballen. ook “kletterballe”.
kaban, kaban, over de schouders gedragen mouwloze mantel van zware donkere stof. hij werd soms met en soms zonder “kap” gebruikt tegen kou en regen. hij behoorde ook bij slecht weer tot het uniform van de postbode.
kabinet, kabinet, toilet, w.c., dit woord werd weinig gebruikt. in de volksmond werd het meer aangeduid als het “öske” het “gemak” of de “pleej”.
kachelbuis, kachelbuis, zwarte hoge herenhoed voor een deftige gelegenheid. ze worden soms nog bij een begrafenis gedragen. ook “wôôge zije”.
kachelschuif, kachelschuif, asla van een kachel. ook “assieschuif”.
kadaster, kedaster, kadaster.
kade, kaoj, kade.
kadee, kadee, “da’s ‘n kadee”, “dat is een vrolijk iemand”.
kadetje, kedètje, broodje.
kadukelijk, geduukeluk, gebrekkig, on­ gelukkig. in de uitdrukking: “ze lwôôpt geduukeluk”, “ze loopt gebrekkig”, “ze loopt ongelukkig”. ook “keduukeluk”.
kadukelijk, keduukeluk, niet 100% in orde, niet goed functionerend, b.v. hij loopt “keduukeluk”, hij is slecht ter been. zie ook “geduukeluk”.
kakelen, kaokele, kakelen.
kakelnest, kaokelnesje, het jongste kind in een gezin.
kakschool, kak(ke)schooltje, oude spottende benaming voor de vroegere “bewaarschool”, “kleuterschool”.
kakstoel, kakstoel, kinderstoel met po.
kalebas, kallebas, boodschappentas.
kalissesap, kliesiesap, ook “kliesiesjap”. aftreksel van pijpdrop of laurierdrop. een stukje drop wordt in een flesje met lauw water gedaan. een stop erop en dan flink schudden. de drank gaat dan erg schuimen. dit schuim wordt dan opgezogen. dat heet dan “schumpketrekke”. het wordt ook wel “schommeldrup” genoemd.
kalkei, kalkaai, kunstei.
kalkoen, kallekoen, kalkoen.
kalot, klotje, alpinopet, kalotje.
kamer, kaomer, kamer.
kamp, kââmp, kamp.
kamperfoelie, kââmperfoelie, kamperfoelie. kââns kans.
kan, kanneke, kannetje.
kanaal, kenaol, kanaal.
kandelaar, kandelèèr, kandelaar.
kandelaar, kandelerke, kandelaartje.
kanon, kenon, kanon.
kant, kâânt, kant, opzij. “gaodis uit de kâânt”, “ga eens even op zij”, “die kan aorig uit de kâânt komme”, “die kan aardig voor de dag komen”.
kapel, kapelleke, cafeetje, in uitdrukking “‘n kapelleke aondoen”, “een cafeetje binnengaan”.
kapel, kapelleke, kapelletje.
kapitteljas, kapieteljas, deftige herenjas met slippen. ook met dezelfde betekenis “pietelèèr” en “billetikker”.
kapnon, kapnon, tol, die met zweepje draaiend wordt gehouden.
kapnonnen, kapnonne, tollen met zweepje.
kapoen, kepoen, “kapoen”, deugniet.
kapot, kepot, kapot, stuk.
kapot helpen, kepotellepe, kapotmaken, stukmaken.
kappen, kappe, gieten, hakken, kippen.
kapperen, kappere, schiften van b.v. melk.
kapruin, kepruin, kroon of kruin van een boom, top van een boom.
kapzeis, kapzèès, korte zeis voor het maai­ en van de slootkanten.
kar, kaar, kar. in de uitdrukking “ij ies kört in de kaar”, “hij is vlug op z’n tenen getrapt”.
kar, karreke, karretje.
karbonade, karmenaoj, karbonade.
kardoes, kurdoes, in papier verpakt rolletje geldstukken van gelijke waarde. jachtpatronen van papier gevuld met kruit.
karnemelk, kerremelk, karnemelk.
karren, kèère, p sjezen, karren.
karrenkot, kar(re)kot, wagenhuis.
karwei, kurwaai, karwei.
kast, kas, kast.
kastanje, kestonnie, kastanje.
kastjesvent, kasjesvent, marskramer.
katapult, kattepult, katapult.
kater, kaoter, kater.
katoen, ketoen, katoen. “ketoen stôôke”, “petroleumlamp te hoog laten branden”.
kattenstaart, kattestèèrte, zeekralen.
keer, kjêêr, keer.
keet, kiet, huis. ‘jêêl de kiet stao d’ôôverwôôp’, ‘heel het huis staat overhoop.’ ‘lot ôôns de kiet mar verkwôôpe’, “laat ons het huis maar verkopen.
keet, kjêêt, keuken, keet.
kei, kaai, kei.
kelderwinde, kelderwin, kelderwinde, krik, dommekracht.
kepakel, kepaokel, tussenstijl tussen twee schuurdeuren (wegneembaar).
kepikkelhoutjes, kepikkeloutjes, aanmaakhout­ jes. ook “spaontjes”.
kerel, kèèrel, kerel. in de uitdrukking “da’s me ‘ne kèèrel”, “dat is me er eentje”.
keren, kjêêre, vegen. in de uitdrukking “d’n èèrd kjêêre”, “de vloer vegen”.
keren, kjêêre, omdraaien.
kerfstok, kaarefstok, kerfstok.
kerk, kaarek, p kerk.
kerk, kaarekske, p kerkje.
kerkboek, kerreboek, kerkboek.
kerkgang, kerkgâânk, kerkgang. ongeveer 3 à 4 weken na de geboorte van een baby deed de moeder vroeger haar kerkgang. samen met de meter of de buurvrouw ging ze op een “wêêkse dag”, “dag in de week”, naar de kerk. de baby toegedekt met een eenvoudige of meer bewerkte witte doek droeg ze op de arm. de dienst­ doende priester haalde hen achterin de kerk af en begeleidde hen naar het maria­altaar. daar werd over de moeder en het kind een zegening uitgesproken. hierna konden ze de h. mis bijwonen en in het vervolg de zondagsplichten weer vervullen.
kermis, kaaremus, p kermis
kerstmis, kessemus, kerstmis.
ket, ket, vork. ook “vurket” en is afkomstig van het franse “fourchette”.
keutelpeer, keutelperke, klein soort stoofpeer.
keuterboer, keutelboerke, keuterboer. boer met klein bedrijf.
kieken, kieke, kip.
kiekenkot, kiekeskot, kippenhok.
kielspit, kielspit, wigvormige “gespitte”, “gegraven” geul voor het afvoeren van overtollig water.
kieme, kieme, in uitdrukking, “’ne kieme”. iemand die niet alles lust. kieskeurig = “kiem”.
kiep, kiep, de voor, waar men in staat bij het spitten.
kiezelsteen, kietelkaai, kiezelsteen. ook “kiedelkaai”en “kielekaai”.
kijken, kèèke, kijken.
kind, kiend, kind. in uitdrukking, “‘n kiend over d’alve deur”, “een kind dat al geboren is voordat men getrouwd was”, (voorechtelijk kind).
kind, kiendje, kindje. ook “kieneke”.
kinderwagen, kienderwaoge, kinderwagen.
kinds, kiens, kinds, dement.
kinnebakkes, kienebakkus, kin. ook “kinnebakkus”.
kip, kiep, kip.
kip, kiepke, kippetje. ook “kiekeske”.
kist, kiesje, kistje.
kist, kiesjes, kistjes, zware hoge schoenen.
kist, kiest, kist.
kittig, kietzig, vinnig, te gejaagd.
klaar, klaor, klaar.
klabats, klabats, geluid van een slag of val.
klad, klad, in de uitdrukking “‘n klad duive”, “een vlucht duiven”.
kladderpapier, kladderpepier, dun ritselend papier.
klagen, klaoge, klagen.
klak, klak, pet. als hoofdbedekking.
klak, klakske, petje.
klamp, klââmp, een hoog opgestapelde hoop stro of hout.
klamp, klââmp, houten belegstuk, om bij timmerwerk planken bij elkaar te houden.
klamper, klââmper, dagroofvogel, zoals buizerd, sperwer of torenvalk.
klank, klâânk, klank.
klant, klâânt, klant.
klapbuizenhout, klapbuizenout, vlierenhout.
klappen, klappe, p praten.
klapstoel, klepstoeltje, klapstoeltje in de kerk. inklapbare stoel.
klapzand, klapzâând, drijfzand, zand zonder draagkracht.
klare, klaore, jenever.
klaskont, klaskôônt, morsig kind of persoon.
klaspot, klaspotje, een overschotje van een maaltijd wat niet weggegooid wordt.
klassen, klasse, morsen.
klaver, klaover, klaver.
klavetter, klavetter, geluid van een slag of mep.
klawieteren, klawietere, p “‘t klawietert”, “het weer klaart op”.
kleed, kleike, kleedje.
kleed, kljêêd, jurk, japon.
kleed, kljêêt, “luie kljêêt”, “luie vrouw”.
kleedhemd, kleejem, overhemd.
klei, klaai, klei.
kleinmannen, klèènmanne, kinderen.
kleintje, klentje, kleintje.
klepel, kliepel, knuppel. ook “kluppel” en “klippel”. ook figuurlijk voor lomperik.
klepper, klepper, luxe rijpaard. iemand, die uitblinkt in z’n soort.
klerage, kleejaozie, kleding, manier van gekleed gaan.
klerk, klaarek, klerk.
klerk, klaarekske, klerkje.
klietig, klietig, plakkerig goedje, b.v. klei.
kliever, kliever, soort tapse tol met ijzeren punt, welke met omwonden touwtje tot draaien werd gebracht. ook haktol.
klink, klienk, deurklink. eenvoudige deursluiting.
klinker, klienker, klinker.
klooien, klwôôje, klunzen.
kloon, klôôn, klomp. ook “klôômp”. Ook clown, in beide betekenissen is het meervoud “klôône”.
kloot, klwôôte, kloten (meervoud). in de uitdrukkingen, “’t ies naor de klwôôte”, “’t is kapot”, naar de vaantjes, naar de verdoemenis. “ij mot ‘n stââmp onder z’n klwôôte emme”, “hij moet eens goed achter de veren gezeten worden”. “ij gwôôi ‘t vur z’n klwôôte”, “hij gooit er met z’n pet naar”. “ijeggetaonz’nklwôôtelaotedrwôôge”, “hij heeft er niets aan gedaan”. “d’r deug gin klwôôte van”, “er deugt niets van”. “da deug d’n ond z’n klwôôte nie”, “dat deugt totaal niet”. “ij vêêgt ‘r z’n klwôôte n’aon af”, “hij trekt er zich niets van aan”. “iemâând bij z’n klwôô te emme”, “iemand te pak­ ken hebben, te grazen nemen”. “lwôôp naor de klwôôte”, “loop naar de pomp, maak dat je wegkomt”. “iek vin d’r gin klwôôte n’aon”, “ik vind er niets aan”. “’t ies klwôôte van de bok”, “het is waardeloos”.
klot, kloet, knot. in de uitdrukking “‘n kloet wol”, “een knot wol”.
kloten, klwôôte, sukkelen, prullen. in de uitdrukking, “staon te klwôôte”, “staan sukkelen”. ook: ligge of zitte te klwôôte. “da d’emme geklwôôt”, “dat heeft me de das omgedaan”. “iemâând prebêêre te klwôôte”, “iemand proberen te dwarsbomen”.
knauwen, knaauwe, kouwen, knauwen.
kneukelen, kneukele, punniken. vroeger “kneukelde” we met oude katoen een lang koord. we deden dat op een leeg houten garenklosje waar boven­ op vier kleine spijkertjes zaten.
kneuter, kneuter, oliebol. kneu (vogel).
knie, knieje, knieën. in de uitdruk­ king “ij zit meej z’n knieje dur z’n broek”, “hij heeft bij z’n knieën een gat in z’n broek.
knikker, knieker, knikker.
knikkeren, kettere, o/p knikkeren.
knikkeren, kniekere, knikkeren.
knipsel, kniepseltjes, o tot snippers geknipt papier. vroeger werd er elke 1e zondag van de maand in de r.k. kerk tijdens het lof een processie gehouden. de zusters van de “maskesschôôl”, “meisjesschool”, lieten de overblijvertjes tijdens de mid­ dagpauze wit en gekleurd papier tot snippers knippen, de zogenoemde “kniepseltjes”. deze werden in de processie devoot door de “meidekes”, “bruidjes”, uitgestrooid.
knoefelen, knoefele, altijd maar hard, heel hard werken en jezelf geen rust gunnen.
knoersel, knoezel, ook “knoerzel”. enkel (enkelgewricht).
knolraap, knolderopke, knolraapje.
knoop, knopke, knoopje.
knoopsgat, knopsgat, knoopsgat.
knop, knop, knoop van kledingstuk.
knorren, knörre, in stukken gehakte ruggestreng van een varken.
knorren, knörre, knorren.
knuist, knöst, knuist.
koe, koej, koe.
koe, koejke, koetje.
koeben, koejben, voerbak voor de koeien in de stal.
koebonen, koejbwôône, lupinen. gewas, dat hoofdzakelijk als groenbemesting wordt geteeld.
koeioneren, koejenêêre, koeioneren. voortdurend pesten en treiteren. iemand het leven zuur maken.
koek, koekske, koekje.
koekenbak, koekebak, o/p pannekoek.
koekjesdoos, koekskesdwôôs, koektrommel. ook spottend voor kleine auto.
koekoek, koekoek, enigst kind in een gezin.
koer, koer, achterplaats, wc, speelplaats.
koerbakkes, koerbakkus, mombakkes, masker.
koeren, koere, kindervermaak bij carnaval, waarbij zij gemaskerd aanbelden en bij opening van de deur riepen “koere, koere, koere”. de kinderen werden door de onbekendheid weer weggestuurd.
koers, koers, wielerwedstrijd.
koersfiets, koersfiets, racefiets.
koersrijder, koersrijer, wielrenner.
koertje, koereke, gemaskerd kind met de carnaval.
koestauwer, koejstouwer, kwikstaart, koewachter.
koeter, koeter, koewachter.
koevereren, kievrêêre, er op vooruitgaan, herstellen. afkomstig uit het latijn: recuperare.
koevles, koevles, dakkapel.
kol, kol, p lijm.
kolerig, kelèèrig, boos of nijdig. afkom­ stig uit het frans: colère.
kom, kommeke, kommetje, kopje.
komedie, kemêêdie, toneelspel, toneeluitvoering. ook “kemêêdie speule”, “toneelspelen”.
komende, kommede, komende. in de uitdrukking, “kommede wêêk”, “volgende week”.
komijnenkaas, kemèènekèès, komijnekaas.
konijn, kenèntje, konijntje.
konijn, ku(r)nèèn, ook kenè, konijn.
konkelefoezen, konkelefoeze, in ‘t geniep iets bespreken.
kont, kôônt, kont. in de uitdrukking “ij ziet meej z’n kôônt dur z’n broek”, “hij heeft een gat, achter in z’n broek”.
kooi, kwôôi, kooi.
kool, kôôle, kolen, brandstof.
kool, kwôôl, kool (groente).
koor, kwôôr, zangkoor.
koord, kwôôreke, p touwtje.
koorts, kôôrs, koorts.
kopkussen, koppekusse, hoofdkussen.
koppeltje duikelen, koppeltje duikele, kopje duikelen, koprol maken. ook “kopke duikele”.
korf, körf, korf.
korset, kesjèt, korset.
korst, kösje, korstje, kapje.
korst, köst, korst.
kort, kört, kort. in de uitdrukkingen “die motte kört aon de lent zaoie”, of “die motte kört aon de lent ouwe”, “die moet je niet teveel ruimte geven”.
kort, kört, kort. in uitdrukking, “kört in de kaar”, “kort in de kar”, hij is gauw geraakt, gauw gepikeerd.
kostelijk, kösteluk, kostelijk, iets wat veel geld kost. ook in de uitdrukking “‘t smok kösteluk”, “het smaakt lekker”.
koster, köster, koster.
kotjesdraad, kottekesdraod, p gaas met vierkante mazen.
koude platte, kouwe plat, p koude schotel.
koupis, kouwpies, blaasontsteking. vaak moeten plassen.
kozijn, kezèèn, kozijn.
kozijn, kozèèn, ook “kozze”, neef. af komstig van het franse “cousin”.
kozzemossen, kozzemosse, knoeien. ook “smosse”.
kraag, krogske, kraagje.
kraai, kraoi, kraai.
kraaien, kraoie, kraaien.
kraakbeen, kraokebjêên, kraakbeen.
kraam, kraom, kraam.
kraam, krommeke, kraampje.
kraan, kraon, kraan.
kraan, krontje, kraantje.
kraken, kraoke, kraken.
krans, krââns, krans.
krant, krâânt, krant.
krant, krâântje, krantje.
krauwen, kraauwe, krabben “die kraauwde nie blwôôt”, “die zit er warmpjes bij”. bepaalde manier om met de hand en met behulp van korte hak zilveruitjes te oogsten. het zogenaamde “juin kraauwe”.
krentenpaal, krentepoltje, langwerpig broodje met krenten.
kreukel, kreukel, alikruik.
kreukel, kreukel, valse vouw in kleding. in de uitdrukking “oewe rok zit vol kreukels”, “je rok zit vol valse vouwen”.
kriek, kriek, kers.
kriekenboom, kriekebwôôm, kersenboom.
krijt, krèèt, krijt.
krijt, kretje, krijtje.
krijtelijk, krèèteluk, “da’s krèèteluk”. dat is betreurenswaardig.
krikkel, krikkels, houtskool.
krip, kripke, “kripke spek”. schijfje of partje spek.
kroffelen, kröffele, moeizaam omhoog krabbelen. b.v. men is bij het schaatsen gevallen en komt met veel moeite weer overeind.
krombussel, krombussel, een bos bijeengegaard en gebonden stro, dat op het land is blijven liggen nadat de rest al tot schoven, of pakken is samengebonden. ook klein gedrongen vrouwtje.
kroon, krwôôn, kroon.
kruiband, kruibâând, schouderband om bij het kruien met de kruiwagen de armen te ontlasten.
kruidnagel, krönaogel, sering, kruidnagel.
kruik, krökske, kruikje.
kruimel, krömmel, kruimel.
kruiwagen, kruiwaoge(l), kruiwagen.
kruk, krukske, krukje.
kuieman, kuijeman, varkensmaag.
kuif, köfke, kuifje.
kuis, kös, “de grwôôte kös”, “de grote schoonmaak”.
kuisen, kösse, ook “kuise”, schoonmaken, oppoetsen.
kuit, kiet, kuit. het achterdeel van het onderbeen.
kuitentikker, kietetikker, billentikker, slipjas.
kulleman, kulleman, prutser.
kulleman, kulleman, jongen, jongetje, (vergelijk het bergse woord kul), mannelijk geslachtsorgaan, b.v. “ij krêêg d’n bal têêge z’ne kulleman”, hij kreeg de bal tegen zijn geslachtsorgaan.
kullemannen, kullemanne, prutsen. ook “prullemanne”.
kus, kuuske, kusje.
kuus, keus, varken. ook “kuske”.
kuus, kuske, varkentje.
kwaad, kwaoje, “da’s ‘n kwaoje”, “dat is een kwaad iemand”. bij het uitzoeken van fruit moeten de “kwaoje”, “de rotte”, eruitgehaald worden.
kwaadkrijgs, kwaojkrèègs, moeilijk verkrijgbaar.
kwaaier, kwaajer, vogelpoep, spuug, sap van pruimtabak.
kwaaieren, kwaajere, spugen.
kwalijk, kwolluk, kwalijk.
kwansel, kwâânsel, flinke scheut vloei­ stof.
kwanselen, kwâânsele, kwanselen, knoeien, morsen.
kwansuis, kaksieus, schijnbaar serieus. zie ook “kwaksuis”.
kwansuis, kwaksuis, schijnbaar serieus. zie ook “kaksieus”.
kwarel, kwèèrel, mond. in uitdrukking, “oud’oewe kwèèrel”, hou je mond.
kwartier, ketier, kwartier.
kwats, kwats, onzin. afkomstig uit het duits: quatsch.
kwatta, kwatta, reep chocolade.
kwattastrooisel, kwattestrwôôisel, hagelslag.
kwek, kwèèk, bakkes, mond.
kwek, kwèèk, keep (vogel).
kwekken, kwèèke, hard praten of roepen.
kwijlen, kwiele, kwijlen.
kwijt, kwèèt, kwijt.
kwikken, kwieke, iets optillen of oppakken en dan het gewicht ervan schatten. ook “kwikke”.
kwikkwak, kwikkwak, p wip (speeltuig). ook “wipwap”.
kwikkwakken, kwikkwakke, p wippen op de “wipwap”, “wip”.
kwikstaart, kwikstèèrt, kwikstaart.
kwispelen, kwipsele, kwispelen.
laag, laog, laag.
laag, ljêêg, laag. ook aanduiding voor een laag gelegen stuk land. “ut ljêêg”, “het laag”.
laag, ljêêger, lager.
laars, lèèrs, laars.
laars, lerske, laarsje.
laat, laot, laat.
laat, lotter, later.
laatst, lest, laatst.
labberdepoepie, labberdepoepie, niet veel bijzonders.
labeur, labeur, in de uitdrukking “aart labeur”, “zwaar werk”.
lade, laoj, la, lade. b.v. van een kast. de tafella heette echter altijd “taofelschuif”.
lade, laojke, laatje.
laden, laoje, laden.
laden en lossen, laoje en losse, laden en lossen.
laken, laoke, laken.
lakenstraatje, laokestrotje, lakenstraatje. in uitdrukking, “nor ut laokestrotje gaon”, “naar het lakenstraatje gaan”, naar bed gaan.
lam, lââmpke, lampje.
lammenadig, lammenaodeg, ellendig, miserabel. in de uitdrukking, “ik voelde me zo “lammenaodeg”.
lamp, lââmp, lamp.
lampe belge, lambèls, petroleumlamp aan het plafond.
lamstraal, lamstraol, scheldwoord voor iemand, die te lui is om te werken of iets te doen.
land, lâând, land, de akker.
land, lâândje, landje.
landverovertje, lâândrwôôverke, spel in het zand, waarbij met opgooi van een zakmes stukjes moesten worden veroverd.
lang, lâânk, lang. in de uitdrukking, “da’s lâânk geleeje”, “dat is lang geleden”, “ij lot ’m lâânk uit z’n broek ange”, “hij geeft meer geld uit dan hij normaal gewend is”, “ien’t lâânk gaon”, “”bij een feestelijke gelegenheid een lange jurk dragen”.
langs, lêêst, langs.
lantaarn, lantèère, lantaarn. de “stallantèère”, “stallantaarn”.
lantaarn, lanterreke, lantaarntje.
lantaarnpaal, lantèèrepaol, lantaarnpaal.
lanterfanten, lâânterfâânte, de luilak uit hangen, lanterfanten.
lanterfanter, lâânterfâânter, iemand die niets uitvoert, luilak.
lat, latje, liniaal (schooltaal). ook “lèènlatje”.
lat, latte, in de uitdrukking, “dur zèèn latte op ‘t dak”. wanneer er een gesprek tussen oudere personen gaande was en de aanwezige jongeren mochten daar niets van horen, dan zei zo’n oudere persoon “hé, denk er aon, dur zèèn latte op ’t dak!”.
lawaai, lawèèt, lawaai, drukte.
leegkappen, lêêgkappe, leeggieten. b.v. een emmer water “lêêgkappe”. in de uitdrukking “‘t ies net of d’un jêêmer lêêgkapt”, “je doet net of het niets kost”.
leem, ljêêm, leem.
leemkuil, ljêêmkuil, leemput.
leep, ljêêp, leep, slim, uitgekookt.
leer, lèèr, leer, leder.
leer, lerke, leertje.
leer, ljêêr, ladder.
leer, ljêêrke, laddertje.
leerling, ljêêrli(e)ng, leerling.
leest, ljêêst, leest, schoenmakersleest, taille.
leeuwerik, ljêêwaarek, leeuwerik.
lefkeutel, lefkeutel, opschepper.
lei, laai, lei. een platte leisteen, deze wordt gebruikt als dakbedekking. laaje leiden, geleiden.
lekkage, lekkozzie, lekkage.
lekkertje, lekkerke, snoepje. we noemden ze ook “mumbolleke”, “zuurke”, “muntebol”, of “babbelèèr”.
lekkertje, lekkerkes, snoepjes.
lelijk, ljêêluk, lelijk. ook “lillek”.
lelijkerd, ljêêlekerd, lelijkerd. een stiekum iemand.
lelijkerd, ljêêlekers, in de uitdrukking, “ljêêlekers fange”, “gekheid ophangen”, “gekke bekken trekken”.
leren, ljêêre, leren.
lering, ljêêri(e)ng, de voorbereiding voor de vroegere “kleine”, “grote” of “plechtige” communie.
lessenaar, lessenèèr, lessenaar.
lessenboek, lesseboek, de catechismus, waarin de leer van de r.k. kerk uiteengezet wordt door middel van vraag en antwoord.
leurder, leurder, marskramer, venter.
leuren, leure, venten, leuren.
leuter, leuter, houten spaan in de vorm van een mesje. deze wordt gebruikt om klei of andere kleverige grond van “den akker”, “de schrepel”, of de “schop”, “spa”, te krabben. ook mannelijk geslachtsdeel.
leuteren, leutere, niets zeggend praten “iemand aon de leuter ouwe”, “iemand aan de praat houden”.
lever, lêêverd, lever. in de uitdrukking “iets op z’n lêêverd emme”, “ergens mee bezwaard zijn of schuldig aan iets zijn
licht, loecht, licht, gemakkelijk. “ij denkt er loecht over”, “hij tilt er niet zo zwaar aan”, “ij ies ‘n bietje loecht”, “hij is een beetje aangeschoten”.
lied, liejke, liedje.
lijden, lije, lijden.
lijf, lèèf, lijf.
lijf, lefke, lijfje.
lijf, lefke, flanellen onderkleding, waaraan de jarretels bevestigd werden.
lijk, lèèk, lijk. in de uitdrukking, “te lèèk gaon”, “naar de begrafenis gaan”. “ut lèèk rondzegge” en “ut lèèk verzoeke”. wanneer er iemand gestorven was, moest dat aan de fa­ milie, buren en vrienden worden bekend gemaakt. het gebruik van rouwbrieven bestond nog niet in het begin van de 20e eeuw. een vrouw uit de gemeente had deze taak op zich genomen. men beschouwde dit als een edel werk. te voet ging deze vrouw de hele gemeente door en vertelde telkens opnieuw aan familieleden, buren en vrienden wanneer en hoe laat de overledene was “gepasseerd”. ook zei ze wan­ neer en hoe laat de dienst in de kerk was en nodigde hen uit deze bij te wonen. tot slot werden de naaste familieleden en enkele anderen na de uitvaart aan tafel verzocht.
lijkbidster, lèèkebidster, vrouw, die tijdens de avondwake (de avond voor de uitvaart), de rozenkrans voorbad
lijken, lèèke, lijken, gelijken.
lijkenhuisje, lèèkenuske, lijkenhuisje, huisje, stalletje op het kerkhof. dit werd gebruikt om aangespoelde lijken van vreemdelingen en zwervers onder te brengen, alvorens ze te begraven. dit begraven gebeurde in ongewijde aarde. het lijkenhuisje werd ook gebruikt om er de nodige gereedschappen en materialen van de grafmakers in op te bergen.
lijmen, lèème, lijmen.
lijn, lèèn, lijn. b.v. “drwôôglèèn”, “drooglijn”.
lijnt, lent, leidsel voor het mennen van de paarden. touw aan twee klossen om een rechte lijn te trekken bij het spitten of zaaien.
lijnt, lentje, lijntje, liniaaltje.
lijnzaad, lèènzaod, lijnzaad, vlaszaad.
lijst, ljêêsje, lijstje.
lijster, lèèster, lijster.
likken, lakke, likken. een kind durfde wel eens zijn bordje “lêêg te lakke”.
likstok, lekstok, zuurstok (snoep).
lillepoten, lillepwôôte, stuiptrekken of stuiptrekkingen. ook “lellepwôôte”.
limonade, liemenat, limonade. ook “limmenat”. wie kent nog het vroegere “kogelfleske”? een limonadeflesje met een glazen knikker in de nek als afsluiting.
limonade, limmenatje, glaasje limonade.
limp, lemp, chronische kwaal. “‘n lemp emme”. zie ook “limp”.
limp, limp, ziekte, kwaal of ongemak, waar men niet makkelijk van af komt. in de uitdrukking, “un limp ôônder de leeje emme ”, “een kwaal onder de leden hebben”. ook “lemp”.
links, liengs, links en binnenste buiten.
liter, lieter, hoofd. “‘n grwôôte lieter”, “een groot hoofd”.
lobbes, loebes, goedzak. een sullig persoon.
loert, loert, leverworst.
loeten, loete, streken. in de uitdrukking “ij eggut mej loete”, “hij heeft zo nu en dan nukken”.
lommer, lommert, lommer, schaduw.
lood, lwôôd, lood.
loon, lwôôn, loon.
loos, lwôôs, long. in de uitdrukking “lwôôs wö(r)st”, varkensworst waarin de longen werden verwerkt. ook “lwôôze wö(r)st”.
loos, lwôôs, loos. b.v. “lwôôs alaarm”, “loos alarm”.
lopen, lwôôpe, lopen.
lopend, lwôôpes, lopend, te voet.
lorren, lörre, stukken vel, bijv. in de soep. vodden.
loshandens, lozzâândes, zonder de handen te gebruiken.
loteren, lôôtere, loszitten. niet precies passen, zodat er speling ontstaat. ook “leutere”.
lubberen, lebbere, ook “lubbere”. in de uitdrukking, “de kraog van oew jas lebbert”, “de kraag van je jas zit veel te ruim”.
lucht, loecht, luchtig. in de uitdrukking “‘n loechterke”, “een vrolijk deuntje”.
lucht, loecht, p lucht.
lui zijn, lui zèèn, slaap hebben.
luiewijvenpap, luiewèèvepap, beschuitpap. men legde een beschuit in een bord, goot er warme melk over, soms nog wat suiker erdoor en klaar was de pap. deze “luiewèèvepap”, werd gewoonlijk klaargemaakt als men flink in het werk zat.
luik, lökske, luikje.
luis, löske, luisje.
luisteren, löstere, luisteren, gehoorzaam zijn.
luizenbank, luizebangeskes, gratis zitplaatsen in de kerk.
luizenpad, luizepadje, scheiding in het haar.
lurven, lörreve, kladden, lurven. in de uitdrukking “iemand bij z’n lörreve pakke”, “iemand ruw beetpakken”.
lusten, lusse, lusten.
luzerne, lusèèr, lucerne of luzerne, franse klaver.
maag, mogske, maagje.
maal, maol, maal.
maal, moltje, maaltje.
maan, montje, maantje.
maand, mond, maand.
maandag, mondag, maandag
maar, mar, maar, slechts.
maart, mèèrt, maart.
maat, maot, maat, collega.
maat, motje, maatje.
machine, mesien, machine “naoimesien”, “naaimachine”, “dörsmesien”, “dorsmachine”. ook mesjien.
machochel, mechochel, dikke vrouw. in ongustige zin.
made, maoj, made. in de uitdrukking “d’n appel ies gemaojd”, “de ap­ pel is wormstekig”.
mademoiselle, mammezèl, p jonge juffrouw. afkomstig uit het franse “mademoiselle”.
mager, maoger, mager.
maken, maoke, maken, repareren.
makkedoelie, makkedoelie, o gemakzuchtige vrouw. ze laat alles slingeren en maakt zich geen zorgen over de janboel.
makker, mekker, maatje, vriend, makker.
malen, maole, malen.
mallemolen, mallemeule, draaimolen.
man, manneke, mannetje. in de uitdrukking “ij ies ‘t manneke”, “hij heeft het gemaakt”.
manchesterse broek, mesiesterse broek, broek gemaakt van manchester, geribd of katoenfluweel.
mand, mâând, mand.
mand, mâândje, mandje.
mangelpee, mangelpeej, voederbiet.
mankeren, mekêêre, mankeren.
manskerel, mâânskèèrel, manspersoon.
mantel, mâântel, mantel.
marbel, marebol, knikker.
marbelen, marebolle, knikkeren.
marchandiens, marsjendiens, o de “werktram”, van de tram mij a.b.t. (antwerpen, bergen op zoom, tholen). deze kwam dagelijks om ± 15.00 uur in ossendrecht goederen halen.
marchandise, marsjandies, in de uitdrukking “da’s goeje marsjandies”, “dat is goede koopwaar”.
marechaussee, masjesee, marechaussee.
markt, mart, markt.
markt, martje, marktje.
markten, marte, proberen te verkopen.
marmiet, marmiet, p koperen wasketel. soms werd ook de koperen waterketel zo genoemd.
mastenboom, mastebwôôm, dennenboom.
mastenpin, mastepien, wortel van dennenboom.
mastenprop, masteprop, denappel.
mastenspelden, mastespelle, dennennaalden. mats oplawaai, klap.
matraque, mattrak, p gummiknuppel.
mauwen, maauwe, zeuren, kletsen.
max, maks, vrolijk iemand.
max, maks, groot. in de uitdrukking “‘n maks van ‘n vaarke”, “een groot varken”.
maxen, makse, p knikkeren.
medaille, medollie, medaille. in de uitdrukking “‘n vetlèère medollie”. een zeer eenvoudige uitvoering of spottend bedoeld. ook “bedollie”.
medicijn, middesèène, medicijnen.
meescharen, meejschaare, stiekem iets meenemen.
meester, mjêêster, meester, onderwijzer. mjêêtje smal stukje land, reepje grond.
meet, mitje, o/p meter, vrouwelijke getuige bij het heilige doopsel.
meetjezen, mietjeze, spel, waarbij met centen wordt gemikt op een “oeleke”, (vierkant doeltje), met daar omheen een speelveld in de vorm van een halve maan.
mei, maai, mei.
meibloem, maaiblommeke, madeliefje.
meid, mèèd, meid.
meid, mèèdeke, o/p bruidje. ze liepen mee in de processie en tijdens an­ dere kerkelijke feestelijkheden. vele meisjes droegen met hun “kleine” communie een wit jurkje. ze werden dan ingeschreven bij de bruidjes om de processies mee op te luisteren. ze mochten dan “snipperkes”, (gebruikt als confetti), strooien, bloemen of een vaandeltje dragen enzovoort. die snippers waren door meisjes van de school geknipt uit kleurige vellen papier en werden uitgestrooid van­ uit fleurige mandjes.
meimaand, maaimond, meimaand.
meisje, maske, meisje.
meisjesschool, maskesschôôl, meisjesschool.
melken, melleke, melken, zeuren.
melkerd, mellekert, de hom van vis.
menarik, menaarek, losbol.
menens, mjêênes, menens, gemeend, echt.
mennen, menne, in uitdrukking, “graon menne”, graan van het veld naar de schuur brengen.
mens, mêês, mens. in meervoud “mêêse”. in uitdrukking, “da’s ginne mêês gewèès”, dit wordt gezegd van iemand die niet goed “oppast”.
menselijk, mêêseluk, menselijk. in de uitdruk­ king, “da’s nie mêêseluk mjêêr”, “dat is niet menselijk meer”.
merel, mèèrel, merel.
merk, maarek, merk.
merkaton, marketon, grote perzik
meroets, meroets, niet goed wijs.
mesjepik, meskepiek, ook wel “lâândrwôôverke”, ‘n jongensspel, waarbij een mes op de bovenzijde van de hand werd gelegd en waarna dan de hand zo gedraaid werd, dat het mes op de punt in een afgebakend stuk grond kwam te staan. met het mes werd dan een lijn in het zand getrokken. dat stuk (land), mocht je je dan “toeëigenen”.
mest, mies, mest. we kennen de “mieskaar”, “de mestkar”, “de miesput”, “de mestput”. wanneer de mest over het land werd verspreid, dan spreekt men van “mies brêêke”.
mesten, miesse, bemesten met stalmest.
mestkuil, mieskuil, mestkuil, mesthoop. ook “mieswôôp”
met gang, meggâânk, vlug.
meteen, bedjêême, straks, zo dadelijk. ook “seffes”, “seffens” of “sebiet”.
metselaar, metselèèr, metselaar.
metseldiender, metseldiender, p opperman
metsen, metse, p metselen.
meuken, meuke, ook “muuke”, halfrijpe appels of peren in broeiend hooi of tussen de dekens leggen om ze te la­ ten rijpen. “pas op, d’r ziet ‘n muis ôônder ‘t meuke” “pas op, er is iets niet in orde”.
meukensmand, meukesmâând, grote tenen mand met een inhoud van ± 1/8 hl. b.v. gebruikt om aardappelen in te doen.
meutelen, meutele, rommelen, b.v. het ge­ luid van een beginnend onweer in de verte.
middag, mirgut, in de uitdrukking “van de mirgut”, “vanmiddag”. ook “van de middegut”
middag, smiereges, ‘s middags.
miechel, miecheltje, zwarte piet.
mijn, mèèn, "mij, mijn. “da’s van mèèn” "" dat is van mij”."
mik, miek, p katapult.
milieu, muljeu, milieu.
mirakels, meraokels, in uitdrukking, “meraokels duur”, “heel erg duur”, buitengewoon duur.
mis, mies, heilige mis. de rooms katholieke kerkdienst.
misdienaar, miesdiender, misdienaar. ook “miesdienèèr”.
misschien, meschien(t), misschien.
misval, mi(e)sval, miskraam.
moe, moej, moe. “iek zen ‘t zoo moej as gespôôge spek”, “ik ben het beu”.
moesjanken, moesjâânke, zeuren.
moesjanker, moesjâânker, zeurpiet.
moet, moetje, tante. vroeger kenden we onze tantes als “moetje kee, moetje sjo, moetje trien, enz”. onze ooms werden aangesproken met “tiestwôôm”. “jaonuswôôm” en “suuswôôm” enz.
moet, motje, “‘t ies een motje”, “ze moeten trouwen”, omdat de bruid al voor het huwelijk in verwachting is. dit werd vroeger zwaar aangerekend.
moeten, motte, moeten.
moezeiker, moe(i)zèèkers, mieren. ook “muu(r)zèèkers”
mogen, meude da?, mag je dat?
mogen, meuge, mogen. lekker vinden.
moken, mwôôke, onophoudelijk hard werken.
molen, meule, molen
molen, meuleke, molentje.
molenpaard, meulepèèrd, molenpaard. deze benaming werd ook gebruikt voor een grote stevige vrouw die veel werk kan verzetten
molm, melm, houtmolm.
mommelen, moemele, murmelen, binnensmonds, onverstaanbaar praten.
mondfeep, môôndfêêp, mondharmonica. ook “môôndörgel
mondmuziek, môôndmeziekske, mondharmonica.
mondvol, môôsfol, mondvol.
monica, monnika, harmonica.
moor, mwôôr, waterketel, dikwijls met een “zak”. om het water vlug te laten koken werd het deksel van de kachel genomen en werd de “mwôôr met de zak”, in het gat boven het vuur gezet. kachelringen verkleinden vaak het gat, zodat het vuur toch afgesloten was.
moord, mwôôrd, moord. in de uitdruk­ king “de mwôôrd er meej”, “het is mij wel goed”. “de mwôôrd stieke van d’n aarmoej”, “erg arm zijn of het heel koud hebben”.
moos, môôs, de kleine bijkeuken.
moot, mwôôt, moot, schijf, plak.
moren, mwôôre, herhaaldelijk afhakken van onkruid.
morgen, smaarges, o/p ‘s morgens. in de uitdrukking: “smaarges ies ie d’r nie gèère baaj”, “hij is geen ochtendmens”.
mortel, mörtel, metselspecie.
mossel, mossel, mossel. in de uitdrukking “ge mot gin ‘’mossels’’ roepe vurda s’aon de wal zèèn” “de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is”.
mot, mutteke, kalfje.
mouwophouder, mouwopouwer, mouwophouder. elastieken band om de bovenarm, waarmee de overhemdsmouw op zijn plaats werd gehouden en dus niet kon afzakken.
mozengat, môôzegat, kleine opening op vloerhoogte in een muur. hierlangs werd het schuurwater naar buiten geveegd. om te voorkomen dat er ongedierte langs binnen zou komen, werd het gat telkens met een houten blokje afgesloten.
muffig, moefig, gebruikt in “moefig weer”, “ongezond, zwaar drukkend weer”, ook bedompt weer.
muffig, moefig, muf.
mug, muggeske, mugje.
muis, möske, muisje.
muizenstront, muizestrontjes, chocolade korrels, hagelslag.
mulder, mulder, molenaar.
mulder, mulder, meikever. de koning is bruin en is het mannetje. de bakker is wit bestoven en is het vrouwtje. ook “meulenèèr”
mumbol, mumbol, snoepje.
muntebol, muntebol, snoepje. suikerbol met muntsmaak.
murw, murrig, in de uitdrukking “de petaate zen murrig”, “de aardappelen zijn te gaar gekookt”.
mutsaard, musterd, mutserd of mutsaard. samengebonden takkenbossen. “musterd bèène”, takkenbossen met een draad of “wies”, (wilgetak), bijeenbinden. de bakker stookte vroeger de oven met mutserd.
mutsaardbinder, musterdbèèner, iemand, die takkenbossen tot mutserd bindt. ook het apparaat om takkenbossen samen te persen en om af te binden met draad.
mutsaardmijt, musterdmèèt, stapel takkenbossen, ook “musterdklââmp”.
naaien, naoie, naaien.
naald, naold, naald. zie ook “nold”.
naald, nold, naald. zie ook “naold”.
naaldje, noldje, naaldje.
naäpen, noraope, naäpen.
naar, nor, naar. in de uitdrukking “nor de kerk”, “nor schôôl”.
naar, nor, na. “we gaon nor schôôl voetballe”. we gaan na schooltijd voetballen.
naargelang, norgelâânk, naargelang.
naast, nost, naast, dichtsbijzijnd. in de uitdrukking “munne noste buur”, “mijn naaste buur”.
naastebij, nostebaaj, ongeveer. naastebij.
nacht, naacht, nacht.
nadenken, nordenke, nadenken.
naderhand, naoderâând, naderhand, later.
nadoen, nordoen, nadoen. imiteren.
nagaan, norgaon, nagaan. ergens langs gaan. ook “lêêstgaon”.bij iemand op bezoek gaan of een café binnen­ gaan.
nagel, naogel, nagel.
nagelbuik, naogelbuik, navel. zie ook “naogelebuik”.
nagelbuik, naogelebuik, navel. zie ook “naogelbuik”
nakend, naoked, naakt
naker, naokere, in de uitdrukking “da’s ‘ne naokere”, “dat is een rare”.
nauw, naauw, nauw.
navenant, naovenâânt, navenant. uit het frans: à l’avenant.
nee, naaje, nee. zie ook “nèèje”
nee, nèèje, nee. zie ook “naaje” en “neije”.
nee, neije, nee. gebruikt in “munne neije ies neije”, “mijn neen is en blijft neen”.
nergens, nergest, nergens.
nergens, nieverââns, nergens. zie ook “nievers”, “nieverâânt” en “nieverâânsnie”.
nergens, nieverâânt, nergens. zie ook “nievers” en “nieverâânsnie” nievers nergens. zie ook “nieverââns”.
nergens niet, nieverâânsnie, nergens. zie ook “nievers”, “nieverâânt” en “nieverââns”
nestel, niestel, veter, schoenveter. zie ook “nistel”.
nestel, nistel, veter. zie ook “niestel”.
netzak, netsak, p boodschappentas.
neuk, neuk, (‘n) klap, duw, oplawaai. in de uitdrukkingen “iemes‘n neukgêêve”, “iemand een klap, oplawaai geven”. “we zulle n’m ies ‘n neuk gêêve”, “we zullen er eens flink aan werken”. “da gieng ‘r nogal ‘n neuk uit”, “dat ging met grote snelheid, dat schoot flink op”.
neuk, neuk, (‘t) problemen, moeilijkheden. in de uitdrukkingen “ien ‘t neuk ziete”, “in de problemen zitten”. “uit ‘t neuk zèèn”, “uit de moeilijkheden zijn”.
neuk, neuk, (‘t) hekel, afschuw. in de uitdrukking “daor em iek ‘t neuk aon”, “daar heb ik een hekel aan”.
neukedeuntje, neukedeuntje, voorwendsel. in de uitdrukking “ij ies nie echt ziek, da zen mar neukedeuntjes”, “hij klaagt veel, maar er is eigenlijk niets aan de hand”.
neuken, genukt, in de uitdrukking: “‘t‘etter genukt”, “er is flink tekeer gegaan”. ook “‘t’etter gespjêêrd”.
neuken, neuke, gooien, smijten. in de uitdrukkingen “iemes buite neuke”, “iemand buiten gooien” “nuk mar weg”, “gooi maar weg”. interesseren, ertoe doen. in de uitdrukkingen “da nuk me niks”, “dat interesseert me niets”. “da nuk nie”, “dat doet er niets toe. “wa nukt da”, “wat geeft dat”. “da nuk de baoker nie, at kiendje mar gezond ies”, “het gaat om een goed resultaat”. met grote snelheid iets doen. in de uitdrukkingen “ij nukte d’r tussenuit”, “hij ging er met grote snelheid vandoor”. “daor zul d’s ‘n aop van zien neuke”, “je zult nog opkijken van wat daarvan komt” (meestal spottend bedoeld).
neus, nuske, neusje.
neusdoek, neusdoek, vroegere omslagdoek. een neusdoek werd door vrouwen en meisjes om de schouders gedragen en was heerlijk warm. gewoonlijk waren ze gemaakt van zwarte wol. met een stevige “slötspel” (veiligheidsspeld), was die dan vastgesjord. nu nog zeer bekend zijn de vroegere gevleesde, neusdoeken, echte antieke doeken, geweven van “kasjmierwol”. (geitenwol uit india).
neusvegen, neusvèège, in de uitdrukking: “da’s mar neusvèège”, “dat is zo gebeurd”.
neven, nêêve, naast. zie ook “neffe”.
neven, neffe, neven, naast. in de uitdrukking “ij slaog t’r neffe”, “hij is niet goed wijs”. ook nêêve.
niemand, niemes, niemand.
niet, niej, niet.
niet, niet, p in de uitdrukking “vur niet”, “voor niets of gratis”.
nieuw, nuuwt, nieuw. in de uitdrukking “ij ies ien ‘t nuuwt”, “hij heeft nieuwe kleren aan”.
nieuws, nuuws, nieuws. in de uitdruk­ king “edde gij nog nuuws?”, “heb je nog nieuws?”.
nieuwtje, nuuwke, nieuwtje.
nijg, nèèg, vlug, vinnig.
nijpen, nèèpe, knijpen. in de uitdruk­ king “ij nept um”, “hij is bang, bevreesd”.
nijperd, nèèpert, knijpert. in de uitdrukking “ij zôôt in z’n nèèpert”, “hij zat in z’n rats”.
nijptang, neptang, nijptang.
nikkel, niekeltje, o/p stuivertje. vier­ kant nikkelen geldstukje ter waarde van vijf cent van vóór 1940. ook “nikkeltje”.
nikskeniet, nikskenie, niks.
noden, nooje, noden, uitnodigen. in de uitdrukking “zèède genoojd?”, “ben je uitgenodigd?”.
noers, noers, in de uitdrukking: “noers en dwars”, “zeer slordig door elkaar liggend”. zie ook “oers en dwars”.
nondejuke, nondejuujke, vlinderdasje.
nood, nwôôd, nood.
nooit niet, nwôôtnie, nooit of te nimmer. in de uitdrukking “iek zen nwôôtnie verkouwe”, “ik ben nooit verkou­ den”, “amme nwôôtnie”, “nooit van m’n leven”.
occasie, okkozzie, occasie. koopje uit de tweede hand. uit het frans: occasion.
och arme, ochaarme, och arme. in de uitdrukking “d’n ochaarme ‘n uitange”, medelijden trachten op te wekken.
oers en dwars, oers en dwars, zeer slordig, rommelig, door elkaar, niet geordend. zie ook “noers”.
oesem, oesem, bruut, ongegeneerd iemand.
oet, oet, och jee, of och gij. in de uit­ drukking “oet gij”, tussenwerpsel in een gesprek. zie ook “ietfur”.
oets, oets, oude krakkemikkige fiets.
oksaal, ôôgsaol, oksaal of oxaal. verhoging in de kerk, afgesloten met balustrade. ook wôôgsaol.
oksaal, wôôgsaol, oksaal. verhoging achter in de kerk, waar het koor zingt tijdens de diensten.
olienoot, ollienotje, olienootje, pinda.
olifant, ôôliefâânt, olifant.
om het eerst, ompertjêêst, om het eerst.
om het hardst, ompertaartst, om het hardst.
om te houden, omtouwes, om te houden. ook “vurtouwes”.
ombladeren, omblaoje(re), ombladeren, de bladzijden omslaan.
omdubben, omdubbe, zeer ondiep omspitten van grond. zie ook “dubbe”.
omhangen, ommange, omhangen. in de uit­ drukking “ij et ‘m ommange”, “hij heeft ‘m omhangen”, hij is dronken.
omspaaien, omspaoje, omspitten.
omver, omvaar, omver.
onder, oender, p onder.
onderhand, ôônderâânt, onderhand, eindelijk.
onderlangs, ôônderlêêst, langs onder of onderlangs. ook “ôônderlâânst”.
onderlangs, ôônderlest, onlangs. zie ook “ôôverlest”.
ondersteboven, tonderstebôôve, ondersteboven, omver. b.v. iemand “tonderstebôôve” lopen, iemand omver lopen”.
onderweg, ôônderwêêge, onderweg.
onderwijl, ôônderwèèl, ook “ôônderwèèle”, “intussen”. zie ook “iempersâânt”.
ongepermeteerd, ongeparmenteerd, ongepermitteerd. iets wat niet door de beugel kan.
ons, ôôs, ons. als bezittelijk, of per­ soonlijk voornaamwoord. ook als gewicht van 100 gram.
onthouden, omtouwe, onthouden.
ontig, ontig, goor, onverzorgd. in de uitdrukking “’n ontige was”, “een gore was”.
ontrampeneerd, ontrââmpeneerd, onthand, ontriefd. gebruikt in “ontrââmpeneerd zèèn”, “onthand zijn”.
onzevader, ôôzevaoder, ook wel “vaoderôôns”, “onze vader”. gebed des heren uit het christelijke geloof.
oog, wôôg, hoog, oog.
ook, ok, ook. ook “wok” en “wôôk”.
op, oep, o/p op.
open, ôôpe, open. in de uitdrukking “‘n oôpe gerij”, “een open vrouwenbroek”. ook wel “snelzèèker” genoemd.
oplaatst, oplest, op het laatst.
oplappen, oplappe, in de uitdrukking “de duive oplappe”. de duiven opleren. trainingsvluchten voor postduiven.
oplappen, oplappe, opknappen, beter wor­ den of herstellen na een ziekte.
opnaaien, o(e)pnaoje, opjutten.
opneuker, opneuker, klein persoon.
oprakelen, o(e)preukele, oppoken (van kachel/vuur).
oprijven, o(e)prèève, aanharken. ook “aonrèève”
optreden, optreeje, optreden.
opwinden, o(e)pwèène, opwinden. bv. een uurwerk opwinden.
opzeilen, opzèèle, in de uitdrukking “da kan iek nie opzèèle”, “dat kan ik niet betalen/bekostigen”.
oremus, orêêmus, in de uitdrukking “t’ies wir orêêmus”, het is weer hommeles.
orgel, örgel, orgel. in de uitdrukking “têêge n´oewen örgel”, “dat zou je wel willen, maar dat gaat niet door”.
ossendrecht, ostrecht, ossendrecht.
ouder, ouwer, leeftijd. in de uitdrukking “wij zèèn van dezelfde n’ ouwer”, ook “ij ies van mèène n’ouwer”, “hij is van dezelfde leeftijd als ik”.
ouder, ouwer, ouder
ouder, ouwers, ouders
overeind, ôôverend, overeind, omhoog. in de uitdrukking “oôverend komme”, na een val weer opstaan.
overhand, ôôverâând, Om beurten. Ook “omstebeurt”.
overheen, ôôverenne, overheen. in de uit­ drukking “ze kan dur nie ôôverenne komme”, “ze kan er niet over­ heen komen” (b.v. bij verdriet).
overhoop, ôôverwôôp, overhoop. gebruikt in “meej iemand overwôôp ligge”, moeilijkheden hebben met iemand, met iemand in onmin leven.
overlangs, ôôverlest, onlangs. zie ook “ôônderlest”.
overwijlen, ôôverwèèle, laatst. een tijdje terug. in de uitdrukking “dâ d’em iek ôôverwèèle ok meejgemokt”, “dat heb ik laatst ook meegemaakt”.
paal, poltje, paaltje.
paar, paor, paar.
paard, pèèrd, paard.
paard, perdje, paardje.
paardenmest, persmies, paardenmest.
paardenstal, persstal, paardenstal.
paardenstront, persstront, paardenstront.
paardig, perrig, chagrijnig, slecht gehumeurd.
paardig, perrig, tochtig zijn, van een merrie.
paasbloem, paosblom, narcis, paasbloem.
paasei, paosaai, paasei.
pad, pad, in de uitdrukking “iek wit de pad nie”, ik weet de weg niet.
padoog, padwôôg, strontje aan het oog. rood opgezwollen rand van een ooglid. dit kan ontstaan als een haarzakje van een ooghaar gaat ont­ steken.
pagadder, pegatter, leuke peuter of kleuter.
pakkage, pakkozzie, pakkage, pak en zak, bagage.
paling, polling, paling.
pallepoten, pallepwôôte, overal met de vingers aankomen. in de uitdrukking “zit nie zoo te pallepwôôte”.
pan, panneke, pannetje.
panharing, panèrring, panharing.
pannengeleg, pannegeleg, fabriek waar dakpannen gemaakt worden.
papschool, papschôôl, bewaarschool/kleuterschool, vaak bij de nonnen. ook “kakschôôl”
park, paark, park, perk.
parmenteren, parmentêêre, klagen.
part, pertje, partje, deel, stukje. b.v. bij het verdelen van een sinaasappel onder de kinderen, kreeg elk kind een paar “pertjes”.
part, port, part.
Pas geleden, pasgelêêje, onlangs.
pasen, paose, pasen.
pastoor, pestwôôr, pastoor.
patat, petaat, aardappel, oplawaai, klap.
patat, petaate, aardappelen. in de uitdrukking “meej d’n dieje zen ze nog nie aon de nuuwe petaate”, “daar zijn ze er nog niet mee, die zal nog veel moeten verbeteren”.
patatten schillen, petaate schelle, aardappelen schillen.
patattengang, petaategâânk, zie “erpelgâânk”.
pater, paoter, pater.
paternoster, potte(r)noster, paternoster of rozenkrans.
patience, pesjeensie, geduld, medelijden. in de uitdrukking “pesjeensie emme meej iemand”, “geduld, me­ delijden hebben met iemand.
patjakker, patjakker, schuinsmarcheerder. ook “patjepeejer”
patjepeeër, patjepeejer, zie “patjakker”.
pauw, paauw, pauw.
peekoffie, peijkoffie, ook “bietere peije”. surrogaat voor koffie, gemaakt van cichoreiwortels.
peekoffiestadje, peijkoffiestadje, benaming voor ossendrecht, toen er nog verschillende cichoreiverwerkende bedrijven waren.
peen, peij, biet, peen, wortel.
peen, peijke, peentje.
peenstamp, peijstââmp, hutspot.
peer, pèèr, peer. “‘n pèèr têêge n’oewe n’appel”, “een klap tegen je hoofd”.
peer, pjêêr, in de uitdrukking “ij et z’ne pjêêr nog al gezien”, “hij heeft het moeilijk gehad”.
pees, pêês, pees.
pees, piske, peesje.
penen dunnen, peije dunne, bosjes bietenplantjes uitdunnen zodat er één plantje overblijft.
penen slaan, peije slaoge, bietenplantjes die op rij gezaaid zijn met de hak op bosjes zetten.
penen steken, peije stêêke, rooien van suikerbieten met de hand.
pennenkas, pennekas, pennendoos of pennenkoker.
pensioen, pusjoen, pensioen.
perk, paark, perk, park
perrewesp, perreweps, wesp, grote paardenwesp, horzel.
perzikboom, spazziebwôôm, perzikboom.
pesjonkelen, pesjo(e)nkele, gebruik in de r.k. kerk. na het lof van allerheiligen (1 november) en op allerzielen (2 november), kon men aflaten verdi nen voor de zielen in het vagevuur. men moest telkens het kerkgebouw ingaan en daar dan zes “onze vaders”, zes “weesgegroetjes” en zes keer “ere zij de vader ” bidden. afkomstig van portiuncula. oorspronkelijk een kapel bij assisi in italië, waar st.fransiscus een bijzondere aflaat zou hebben ontvangen.
petroleum, pieterôôlie, petroleum.
petroleum, pietrol, o/p petroleum.
pezerik, pêêzerik, ook “pêêzderik”. roede van stier of varken. werd na de slacht in de schuur gehangen om de zaag in te vetten.
piel, pieleke, kuikentje.
pieper, piepers, lelietjes van dalen, aard­ appelen.
pieperjasser, pieperjasser, ook “erpelschelderke”, aardappelschilmesje.
pieraas, pieraos, pier, worm
pierewiet, pierewietje, o/p steekwagentje.
pierworm, pierewörm, pier, regenworm.
pietelaar, pietelèèr, slipjas.
piezerd, piezert, kamertje voor de inwonende knecht. het was een afgetimmerde ruimte in de schuur, boven de “schelft”.
pijl, peltje, pijltje.
pijn, pèèn, pijn.
pijn, pentje, pijntje.
pijp, pèèp, pijp.
pijp, pepke, pijpje.
pik, pik, zicht of korte zeis waarmee graan werd geoogst in combinatie met de “pikaok”, pikhaak.
pikant, piekâânt, o afgunstig, naijverig. in de uitdrukking “piekâânt zèèn op mekaore”, “niet kunnen uitstaan dat een ander meer krijgt dan jezelf.
pikkelen, piekele, o pikkelen, moeilijk ter been zijn. gebruikt in “ze piekel zoo mar aon”, “ze loopt nogal moeilijk”.
pikkelhoutjes, pikkeloutjes, aanmaakhoutjes. in de uitdrukking “pikkeloutjes kappe”, “aanmaakhoutjes hakken”. ook “kepikkeloutjes”.
pil, pil, p batterij.
pillicht, pilliecht, p zaklantaarn.
pin, pien, boomwortel. in de uitdruk­ king “piene rwôôije en klieve”. “boomwortels opgraven en tot kachelhout kleinmaken”.
pin, pin, boom wortel. ook “pien”.
pinhaar, pienaor, stekelig haar.
pink, pingeske, pinkje.
pinken, pienke, knipogen. ook “pienkwôôge”.
pinker, pienker, knipperlicht, richting­ aanwijzer.
pinnen, pinne, o/p in de uitdrukking: “ze doe d’ of ze ziek ies mar ‘t zen pinne”. ze veinst dat ze ziek is.
pinnenmuts, pinnemuts, puntmuts. ook “pienemuts”
pinnetjesdraad, pinnekesdraod, prikkeldraad. ook “pi(e)ndraod”.
pinneus, pienneus, druipneus.
pisbloem, piesblom, paardebloem.
piscine, piessèèn, pisbak, urinoir. afkomstig van het franse woord piscine, wat zwembad betekent.
pispot, piespotje, witte bloem van de haagwinde.
pistolet, piestoleejke, kadetje, broodje.
plaat, plotje, prentje. een plaatje met een religieuze afbeelding. ook “printje” of “bêêleke”.
plaat, plotje, grammofoonplaatje.
plaats, plets, verharde plaats achter het huis.
plaats, plots, plaats.
plaats, plotske, plaatsje. poelie jonge hen.
plakken, plakke, behangen. in de uitdrukking “bâând plakke”, band repareren. “blèève plakke”, “niet van weggaan weten”.
plakker, plakkerke, etiketje of papiertje, dat ergens opgeplakt wordt.
plank, plâânk, plank.
plank, plangeske, plankje.
plant, plâânt, plant.
plant, plâântje, plantje.
planten, plâânte, planten, poten.
platte prijs, platte prèès, in de uitdrukking “ginne platte prèès gewonne”, “totaal niets gewonnen”.
plattebuis, plattebuis, ouderwetse langwerpige kolenkachel met plat bovenstuk.
platter, blatter, paardebloem. ook “platter”.
platter, platter, het loof van de paarde bloem. in de uitdrukking “vroeger moesse we platters gaon stêêke vur de kenèène”, voer voor de konijnen. in ossendrecht spreekt men van “blatters”.
plee, pleej, ook “ut gemak”, of “ut öske”. toilet, w.c..
pleister, ploster, pleister.
plek, plak, plaats, plek, vlek. in de uit­ drukking “da’s mèèn plak”, “dat is mijn plaats”. ook gebruikt in “plak zat”, “plaats genoeg”. verkleinwoord: “plakske”, plaatsje, plekje, vlekje.
plek, plakske, plekje, plakje, vlekje, plaatsje.
pleuris, florris, pleuritis, (ontsteking aan het borstvlies).
plezant, plezâânt, plezierig.
pluis, plöske, pluisje.
poes, poes, das van bont. als de kop, de staart én de pootjes er nog aanzaten, dan werd het een “voske”, genoemd.
poesjesgras, poeskesgras, lagurus. eenjarig gekweekt siergras met donzig behaarde bloeiwijze. wordt gebruikt in droogboeketjes. ook ‘hazestaartje’ genoemd.
poetje, poetje, puttee. beenwindsel voor militairen.
poetzak, poetsak, iemand, die tot vervelens toe overal aanzit. in de uitdrukking “‘n vervêêlende poetsak”.
pol, pol, hand. verkleinwoord “polleke”.
pol, polle, handen. “ij ies baaj de polle”, “hij is handig”. ook:” hij is sterk”.
politie, pliesie, politie.
politieagent, pliesiegent, politie­agent.
pollekeshaar, pollekezaor, polkahaar of pagekapje. bepaald soort kapsel.
pompbak, pompbak, gootsteen.
pony, ponnie, pony, paardje.
poort, portje, poortje.
poot, pôôt, wilgenpoot, knotwilg.
poot, pwôôt, poot.
poot, pwôôtje, pootje. in de uitdrukking “pwôôtjetrekke”, “pootjetrekken”, het varken bij het slachten in bedwang houden middels een touw aan de achterpoten, “pwôôtjelappe”, “pootjelappen”, iemand doen struikelen door pootje te haken of te tekkelen.
pootaan, pwôôtaon, in de uitdrukking “ij ies ‘n echte pwôôtaon”, “hij kan nergens afblijven”, “pwôôtaon speule”, “hard doorwerken of op­ schieten”.
pop, poep, p pop.
porren, pörre, porren. in de uitdrukking “ij ies’ter nie vur te pörre”, “hij ziet er niets in”.
portefeuille, portefoelie, portefeuille.
portret, petrèt, portret.
pot, potje, porseleinen isolator aan de palen van de elektriciteitsleidingen. door de jeugd werden deze potjes nog al eens met stenen stukgegooid. het zogenaamde “potjetikke”.
potloden, potlwôôje, potloden of zwart maken. vroeger werd de pot van de plattebuiskachel “gepotlwôôjd” met “potlwôôjsel”, een soort zwart poeder. door het branden van de kachel werd de pot grijs.
potlood, potlwôôd, potlood.
potlood, potlwôôjke, potloodje.
pots, potske, kalotje, mutsje.
praat, praot, praat(s).
praat, protje, praatje.
praten, praote, praten, spreken. “praote en braaie”, “niet alleen kletsen, maar tegelijkertijd ook werken”.
pree, pree, zondagsgeld of zakgeld. “pree”, werd gewoonlijk zondags gegeven.
preekstoel, prikstoel, preekstoel.
prei, praai, prei.
presentatie, prizzentaosie, presentatie.
presenteren, prizzentêêre, presenteren.
prevelement, prêêvelement, in de uitdrukking “ij doe z’n prêêvelementje”, “hij zegt z’n woordje”.
priem, priem, breinaald.
pries, pries, p stekker.
prijs, prèès, prijs.
prijs, preske, prijsje.
proberen, prebêêre, proberen. ook “purbêêre”.
proces, pursès, proces, bekeuring.
processie, pursessie, processie.
proeven, pruuve, p proeven.
prop, prop, dennenappel. in de uit­ drukking “proppe raope”, “dennenappels verzamelen”, voor het aanmaken van de kachel.
prossen, prosse, morsen, knoeien. ondeug­ delijk werk leveren.
pruim, prummeke, pruimpje. ook “prumke”.
prul, prulleke, klein ding, klein kindje.
prullen, prulle, knoeien. stuntelig te werk gaan.
prust, prust, o koppig, nukkig, zwij­ gend klein meisje.
puin, puine, kweekgras. een hardnekkige grassoort. in de uitdrukking “puine rieke”, “met een riek dit hardnekkige onkruid uit de grond verwijderen”. de wetenschappelijke naam is ‘agropyron repens’. vroeger heette dat: triticum repens, kruipende tarwe.
puinenschudder, puineschudder, harde werker. ook gezegd van een keuterboer.
puist, pösje, puistje.
puist, pöst, puist
puit, pötje, kikkertje.
puit, puit, kikvors of kikker.
puitenkwarrel, puitekwarrel, kikkerdril.
puitenslager, puiteslaoger, iemand die slootkanten bijhoudt.
puitenviller, puitevilder, oud scherp mesje.
Putte, put, Putte.
Putte, puut, p Putte
raad, raod, raad.
raam, raom, raam.
raam, rommeke, raampje.
raapsetol, ropsetol, knolraap. ook “knolderaop”.
raden, raoje, raden.
radijs, radeske, radijsje.
radio, raddijo, p radio.
rafelskop, raofelskop, ragebol. ook “spienekoppevèèger”. ook gezegd van iemand met zeer slecht zittend onverzorgd haar.
rakelijzer, reukelèèzer, ijzeren haak om het vuur in de broodoven op te porren.
raken, raoke, raken.
rammelaar, rammelèèr, rammelaar, mannelijk konijn.
rammelkast, rammelkas, oude fiets.
rand, râând, rand.
rank, râânk, rank.
ranken, râânke, ranken. in de uitdrukking “bwôône râânke”, “bonen ontdoen van de zijdraden”.
rap, rappe, in de uitdrukking: “aon de rappe staon”, “diarree hebben”.
rasp, raps, rasp.
rauw, raauw, rauw, ongekookt, onrijp.
rauzen, rouwse, flink tekeergaan.
razig, roezig, in de uitdrukking, “‘t weer ies roezig”, “het is winderig weer”.
reel, rèèl, lang en dun. wijze van plantengroei.
reep, rjêêp, hoepel. meestal gemaakt van een fietswiel zonder spaken.
reep, rjêêpke, hoepeltje.
regenen, rèègere, regenen.
reis, rèès, reis.
reis, reske, reisje.
reizen, rèèze, reizen, rijzen.
reiziger, rèèzeger, vertegenwoordiger. iemand die winkels langsging om z’n waren te verkopen.
rek, rekske, elastiekje.
rekening, rêêkering, rekening.
rekken, rekke, snelbinders.
rekker, rekkers, zie “rekke”. snelbinders
rem, remmeke, remmetje.
ren, renneke, hor. in de uitdrukking, ‘n “renneke” in het raam zetten.
repareren, ripperêêre, repareren, herstellen.
repen, rjêêpe, hoepelen.
repeteren, rippetêêre, oefenen, repeteren.
resoor, resôôr, spiraalbed.
restaurant, resterâânt, restaurant.
restauratie, resteraosie, restauratie.
retteketetten, retteketette, door elkaar praten/kwebbelen. in de uitdrukking “wat zaten de vrouwtjes weer te “retteketette”.
reuk, ruukske, geurtje, reukje, par­ fum, eau de cologne.
reukwater, ruukwaoter, eau de cologne.
reveille, revellie, in de uitdrukking. “ij ies vroeg in de revellie”, “hij is heel vroeg wakker en aan zijn werk”. afkomstig van het franse woord ‘reveille’, dat weksignaal betekent.
rib, ribbeke, ribbetje.
rijden, rijje, rijden. in de uitdrukking “ij rij t’m nogal”, “hij is nogal kwaad”. in de sinterklaastijd ook: cadeautjes brengen. ‘sienterklaos ad gereeje’, ‘sinterklaas had cadeautjes gebracht.’
rijder, rijer, rammelaar, mannetjeskonijn. zie ook “rammelèèr”.
rijeren, rèèle, bibberen (van de kou). ook “riere”. zie ook “rèègele”.
rijf, rèèf, hark.
rijf, refke, harkje.
rijgelen, rèègele, beven. in de uitdrukking “iek stong te rèègele op m’n bjêêne”, “ik stond te beven op mijn benen.
rijgelen, rèèle, bibberen (van de kou). ook “riere”. zie ook “rèègele”.
rijk, rèèk, rijk.
rijm, remke, rijmpje. ook “remmeke”.
rijm, remmeke, rijmpje.
rijs, rèès, rijs. twijg of teen. ook rijshout genoemd. meestal van de berk of wilg. in de uitdrukking “’ne rèèze bessem”, “een bezem van rijshout”.
rijst, rèèst, rijst.
rijstpap, respap, rijstepap.
rijven, rèève, harken.
rijzen, rèèze, reizen, rijzen.
ring, riengeske, ringetje.
rist, rjêês, rist of ris. ook “rjêêst”. in de uitdrukking “”ne rjêês wörst”, een rij worsten, waarvan de uiteinden nog dichtgebonden zijn. als het varken geslacht was, werden de worsten klaargemaakt. deze hing men over latten aan de zoldering. meestal gingen ze schuil achter een strook stof van brabants bont om ze een beetje aan al te nieuwsgierige blikken te onttrekken.
rits, rits, in de uitdrukking, “ij ies veul op de rits”, “hij is veel op stap”.
roede, roej, de roe van zwarte piet.
roede, roej, roede als oppervlaktemaat. ook “ruuj”.
roefetem, roefetem, in de uitdrukking “en roefetem… weg was-ie”, plotseling ging hij er als een haas vandoor.
roffel, röffel, onaangenaam, niet te vertrouwen persoon. ook in de uit­ drukking “”ne wilde röffel”, “een wildebras”.
roffelen, roefele, in de uitdrukking “er onder roefele”, “een flink pak rammel (slaag), geven”.
rogge, rog, rogge, graansoort. ook “kôôre”.
roken, rwôôke, roken.
rokkenkas, rokkekas, rok­ en jasbeschermer aan de fiets.
rondom, rommetom, rondom.
rood, rwôôd, rood.
rood, rwôôje, rode, roodharige, socialist.
rooien, rwôôie, rooien.
ros, ros, roodachtig. in de uitdruk­ king “de rosse maon”, “de maartse maan”.
rosmolen, rossemeule, paardjesmolen, mal­ lemolen.
rotzak, rotsak, vlaamse gaai (vogel).
royaal, rejaol, royaal.
rozenhoedje, rwôôzenoedje, rozenkransgebed.
rozenhoedje, rwôôzenoejke, rozenkransgebed.
rozenkrans, rwôôzekrââns, rozenkrans.
rozijn, rezèèn, rozijn.
rozijn, rezentje, rozijntje.
rui, rui, een kortstondige lichamelijke inzinking.
rui, ruif, rui. in de uitdrukking, “ien de ruif zèèn”, het verwisselen van gevederte bij vogels.
ruien, ruive, ruien. het verwisselen van veren bij vogels en van haren bij dieren met een vacht.
ruifelig, ruifelig, onverzorgd. ook “ruifelaachtig”. heeft meestal betrek­ king op haardracht.
ruiken, ruuke, ruiken.
ruïneren, rinnewêêre, vernielen. ook “verrinnewêêre”.
ruisen, rösse, ruisen, wrijven. “röst’s ôôver m’n ruug”, “wrijf eens over m’n rug”. ook in de uitdrukking “t zal er rösse”, “het zal er tekeer gaan”.
ruit, rötje, ruitje.
ruiver, ruiver, iemand met slechte gewoontes.
rups, rips, rups.
rups, ruups, rups. ook “rips”.
rus, ros, graszode.
sacoche, sjakkos, p tas. in de uitdrukking, “‘t ies ien de sjakkos”, “het is voor mekaar”.
sacristie, sakkerstiej, sacristie. kerkekamer, vertrek in de kerk waarin alles wat voor de altaardienst nodig is, bewaard wordt.
sajet, saoj, sajet. ook “sjet”. getwijnd brei­ en stopgaren.
sajet, sjet, sajet, getwijnd brei­ of stopgaren. zie ook “saoj”.
salie, saovie, salie. een tuinkruid, lip­ bloemige paarsbloeiende plant. een domme vrouw werd wel “‘n saoviebos” genoemd.
salut, seluuj, saluut, tot ziens. synoniem van ‘oudoe’.
sap, zjap, p schommeldrop.
sapje, zjapke, p sapje van schommeldrop.
saselen, saosele, onduidelijk en onsamenhangend praten. ook “saauwele”.
saucisse, sesies, worst. afkomstig van het franse woord saucisse.
saus, saauwes, saus, jus.
sauwelen, sjaauwele, door elkaar praten. ook wat in zichzelf praten of wartaal en onzin uitslaan. “wat un gesjaauwel”, “wat een door­elkaar­ gepraat!”.
savooiekool, sevwôôiekwôôl, groene kool
scapulier, schabbelier, schapulier, scapulier. gewijde lapjes stof door twee linten aan elkaar verbonden, zodat ze onder de kleding gedragen konden worden op borst en rug.
scapuliermedaille, schabbeliermedollie, religieuze medaille, die met een speld op de onderkleding werd bevestigd.
schaaf, schaof, schaaf.
schaal, schaol, schaal.
schaal, scholtje, schaaltje.
schaap, schaop, schaap.
schaap, schopke, schaapje.
schaar, schaar, schram.
schaar, schèèr, schaar.
schaar, scherreke, schaartje.
schaats, schetske, schaatsje, schetsje.
schaatsen, schetse, schaatsen.
schade, schaoj, schade.
schadelijk, schaojluk, schadelijk, duur, met hoge kosten. bijv. “schaojluk lache”; te uitbundig lachen.
schaften, schofte, schaften. het werk onderbreken voor de maaltijd.
schakelaar, schaokelèèr, schakelaar.
schakelaar, schaokelerke, schakelaartje.
schamen, schaome, schamen.
schampen, schââmpe, schampen.
schampschot, schââmpschot, schampschot.
schande, schâânde, schande.
schap, schap, legplank in een kast. “z’ies van ‘t schap”, “ze is getrouwd”.
scharelings, scharrelings, schrijlings.
scharen, schaare, schampen. bijv. “ij schaarde meej z’n aarem langs de muur”, “hij bezeerde zich door met zijn arm de muur te schampen”.
scharen, schaare, hebberig zich snel iets toe­eigenen. ook “wegschaare” en “meejschaare”.
scharenslijper, schèèreslieper, scharenslijper.
schaven, schaove, schaven.
scheel, schêêl, deksel.
scheel, schiltje, dekseltje. ook “scheeltje”.
scheerkwast, scherkwast, scheerkwast.
scheermes, schermes, scheermes.
scheerzeep, scherzjêêp, scheerzeep.
scheiden, gescheeje, gescheiden.
scheiden, schaaje, o/p scheiden.
scheiden, scheie, scheiden. ook de scheiding van erf of veld.
Schelde, scheld, in de uitdrukking, “‘t scheld”, “de schelde”.
schelden, schelle, schelden. ook “uitschelle”.
schelden, schelles, een standje. in de uitdrukking: “ij krêêg schelles”, “hij kreeg een standje”.
schelen, schille, verschillen, schelen. in de vervoegingen, schille ­ schouw of schol gescholle.
schelen, schille, schelen. in de uitdrukking: “’t kan mèèn nie schille”, “het kan mij niet schelen”.
schelft, schelft, verdieping boven een schuur/stal waar meestal hooi en stro wordt opgeslagen, hooizolder.
scheren, schèère, scheren.
scherf, schaaref, scherf van aardewerk, glas of metaal.
scherm, schaarem, scherm.
scherp, schaarep, scherp. schraal of droog, van wind en weer.
scherpzetten, schaarepsette, in de uitdrukking, “schaarepsette van ‘t pèèrd”, punten aanbrengen onder de hoefijzers van een paard tegen het uitglijden.
schetebaggetel, schêêtebaggetel, kleinigheid, de moeite niet waard. ook “schêêtebakketel”.
schets, schetske, schaatsje, schetsje.
scheutig, schutzig, scheutig. in de uitdrukking “nie schutzig zèèn op iets”. iets niet graag doen.
scheutje, schutje, scheutje
schijf, schèèf, schijf.
schijf, schefke, schijfje.
schijnheilig, schèènèèlig, schijnheilig.
schijthuis, schèètuis, bangerik, wc.
schil, schel, schil
schil, schelleke, schilletje.
schilderen, schildere, schilderen. “staon te schildere”, “staan te lanterfanten”.
schillen, schelle, schillen
schoenblink, schoenblienk, schoenpoets. ook “blienk”.
schof, schof, schoft. deel van de werk­ dag tussen de pauzes. ook de rusttijd heet het schoft. in de uitdrukking “schof van ’n kaar ”, “het houten schot om de kar van achteren af te sluiten”.
schoffelen, schoefele, ongemanierd, vlug eten. in de uitdrukking “alles nèèg nor binne schoefele”, “alles vlug opeten”.
schoffeljoenes, schoefeljoenes, ongemanierd iemand, die alles durft.
schoft, schoeft, o/p schoft, schouder, hoge rug.
schommel, schoemel, p schommel.
schoner, schwôônder, mooier, schoner.
schoofzak, schôôfzak, ook “stukkezak”. stoffen zak, om de boterhammen in te bewaren.
schooien, schwôôie, schooien, bedelen.
schooier, schwôôier, schooier, bedelaar.
school, schôôltje, in de uitdrukking “schôôltje aachter d’aog speule”, “spijbelen”.
schoon, schwôôn, mooi, schoon.
schoot, schwôôt, schoot
schop, schup, schop of spa. in de uit­ drukking, “z’n schup afkösse”, “stoppen met werken”, “ij moes z’n schup afkösse”, “hij kreeg ont­ slag”.
schop, schup, schop, trap.
schop, schupke, schopje.
schoppen, schuppe, schoppen, trappen.
schort, schört, schort
schotelvod, schottelvod, p vaatdoek. “ze gebruike me as schottelvod”, “ik kan alle vuile karweitjes opknappen en voor de rest hebben ze me niet nodig!”.
schotelwater, schottelwaoter, slappe koffie.
schouder, schouwer, schouder.
schouw, schouw, schuw, bang.
schouw, schouwke, schoorsteentje.
schouwstel, schouwstel, een stel vazen, met of zonder klok, dat men vroeger op de “schouw in den uis” (schoorsteenmantel in de kamer), zette.
schoven, schôôve, werkonderbreking zonder te eten. “nor ‘t schofte nog êêve schôôve”, na de maaltijd nog even rusten voordat men weer aan het werk gaat.
schraal, schraol, schraal.
schreeuwen, schrêêuwe, huilen, schreien of wenen.
schrooien, schrwôôje, slootkanten maaien.
schrooihaak, schrôôjaok, korte zeis om sloot­ kanten te maaien.
schuddekul, schuddekul, zeer slappe koffie.
schuif, schöfke, schuifje. in de uitdrukking, “‘t schöfke krèège ien de biechtstoel”, “niet meer aanhoord worden door de priester tijdens de biecht”.
schuifelen, sjoefele, schuifelend voortbewegen.
schuim, schömke, schuimpje, schuim­ snoepje. ook “schömmeke”.
schuimaarde, schuimèèrd, schuimaarde, kalk­ houdende meststof.
schuimpje trekken, schumke trekke, schuim van schommeldrop zuigen.
schurft, schörft, bruine, ijzerhoudende grondlaag. schurft.
schuur, schuurke, schuurtje.
secretarie, sikketrie, secretariaat van de gemeente.
secretaris, sikketorres, secretaris.
seffens, seffes, straks.
seinpaal, sèènpaol, houten paal waaraan de draden van de elektriciteit als bovenleiding worden bevestigd.
sergeant, surzjâânt, sergeant, lijmklem. uit het frans: serre joint.
seut, seut, traag persoon.
shag, sjekske, zelfgedraaid sigaretje. in de uitdrukking “‘n sjekske bolle”, “‘n sjekske vèèze”, “‘n sjekkie draoie”, “een sigaretje draaien”.
shotten, sjotte, p voetballen.
sigaar, segaor, sigaar.
sigaar, segorreke, sigaartje.
sikkel, zikkel, sikkel.
simmen, simme, pruilen.
Sinksen, sienkse, p pinksteren.
Sint-maarten, si(e)nter(e)mèèrte<, sint-maarten
sinterklaas, si(e)nter(e)klaos, sinterklaas
sjacheraar, sjacherèèr, sjacheraar.
sjok, sjok, p in de uitdrukking, “zij ies ‘n goeie sjok”, “zij is een goedaardig mens”.
sla, slaoj, sla.
slaag, slaog, slaag.
slaan, slaoge, slagen, slaan.
slaapkamer, slopkaomer, slaapkamer.
slaapmuts, slopmuts, slaapmuts.
slachter, slachter, slager, thuisslager.
slagen, slaoge, slagen, slaan.
slapen, slaope, slapen.
slapers, slaopers, verdroogd traanvocht in de ogen. in de uitdrukking “ij et de slaopers nog ien zun wôôge ziete”, “hij is nog niet goed wakker”.
slauw, slaauw, p slang, tuinslang.
sleebes, slêêbes, doortrapte deugniet.
sleeën, slêêje, sleetje rijden.
sleuf, slufke, sleufje.
sleutel, sleuter, sleutel.
slibberbaan, slibberbaon, glijbaan op het ijs, of in de sneeuw.
slibberen, slibbere, glijden op een ijsbaan. ook “sliebere”.
slijpen, slèèpe, slijpen.
slijpsteen, slepstjêên, slijpsteen.
slijt, slêêt, o iemand “slêêt voere”, b.v. de “ouweluikes”, vader en moeder, worden door de kinderen in huis genomen en verzorgd tot ze overlijden.
slijt, slêêt, slijtage.
slijtig, slitzig, sleets. in de uitdrukking “slitzig zèèn”, “veel verslijten”.
slikvanger, sliekfanger, spatbord.
slobberen, sloebere, slurpen, slobberen.
slof, sloef, slof, pantoffel.
sloffen, sleffe, sloffen, de voeten bij het lopen bijna niet van de grond tillen.
slok, sloek, slok.
slok, slokske, slokje. ook “sloekske”.
slokken, sloeke, slikken.
slokker, sloeker, ook “sloek-op”, “slok­ op”, gulzige drinker, of eter.
sloot, slwôôt, sloot.
sluitspeld, slötspel, veiligheidspeld.
smeerlap, smerlap, deugniet, smeerlap.
smerel, smirrel, sierduif of duif, die niet goed presteert in de duivensport.
smeren, smèère, smeren. gebruikt in “ij smèèrt ‘m”, “hij gaat er vandoor”, hij smeert hem.
smerig, smerrig, smerig.
smidse, smis, smidse, smederij. ook “smies”.
smokkelaar, smokkelèèr, smokkelaar.
smoor, smwôôr, opwaaiend stof of zand.
smoren, smwôôre, roken, een sigaretje roken.
smoren, smwôôre, stuiven van stof of fijn zand.
smos, smos, grenadine.
smoskont, smoskôônt, knoeipot.
smospot, smospot, knoeier.
smosregen, smosrèège(r), p motregen.
smossen, smosse, knoeien, morsen met eten.
smoutenbol, smoutebol, oliebol, gebakken in reuzel.
snauwen, snaauwe, snauwen.
snokken, snukke, snokken, fors rukken. b.v. aan een koord “snukke”.
snorzelpot, snorzelpotje, bij elkaar gevoegde etensrestjes.
snotlip, snotlip, p snotneus.
snuit, snötje, snuitje, gezichtje. “ien ‘t snötje ouwe”, “in de gaten houden”.
snuiten, snuute, snuiten.
snurken, snörreke, snurken.
soepterrine, soeptrien, soepterrine.
solutie, seluusie, lijm om banden te plakken.
sommige, sommugte, sommige.
somwijlen, s(e)wêês, terwijl, ondertussen.
somwijlen, swèèle, soms, somwijlen.
sou, sjoew, de vroegere stuiver (5 cent). in de uitdrukking “un alve sjoew”, “een halve stuiver (2½ cent). “verkwôôpe vur ‘n sjoew en ‘n knop”, “iets verkopen voor ‘n krats”.
soupape, sepapke, p fietsventielslangetje. afkomstig uit het frans “soupape”.
spaaien, spaoje, spitten. in de uitdrukking “ij spaojt er nogal over”, “hij stapt er flink op los”.
spaaischop, spaojschup, panschop.
spaak, spjêêk, fietswielspaak.
spaarpot, sporspot, spaarpot.
spade, spaoj, spade, schop.
specht, spacht, p specht.
speculaas, spiekelaosie, speculaas.
speekbak, spjêêkbak, kwispedoor, spuugbak of spuwpotje. vroeger, toen nog veel mannen pruimtabak kauwden, stond in elk café een “spjêêkbak”.
speelgoed, spullegoed, speelgoed.
speeltuin, spultuin, speeltuin.
speken, spjêêke, spugen.
spel, spel, aanduiding voor tamelijk opvallend/mooi bouwwerk.
speld, spel, speld.
spelden, spelle, dennennaalden.
speldenkussen, spellekusse, speldenkussen.
spelen, speule, spelen.
speren, spjêêre, spatten, ook overdrachtelijk, “‘t spêêr t’r nogal”, het gaat daar flink tekeer, het is daar flink ruzie.
spin, spien, spin. ook “spienekop”.
spin, spieneke, spinnetje.
spinazie, spienozzie, spinazie.
spinde, spin, spinde. provisiekast in de keuken.
spindekast, spienekas, ook “vliegenkas”. een kast met gazen wanden en deur voor het luchtig bewaren van etenswaren, zonder dat er insecten bij konden komen.
spleet, splitje, spleetje.
spoeden, spoeje, spoeden, opschieten.
spol, spol, houtspaander.
spollen, spolle, splijten van hout.
spreekhoorn, sprêêkôôre, hoorn, die hardhorenden aan het oor houden als men tot hen spreekt.
sprei, spraai, sprei.
spreiden, spraaje, spreiden.
sprinkhaan, spriengkaon, sprinkhaan.
spruit, sprötje, spruitje.
spuwen, spouwe, overgeven.
staaf, staof, staaf.
staaf, stofke, staafje.
staan, staon, staan.
staandeweg, staondesweg, iets doen zonder erbij te gaan zitten. ook “stondesweg”.
staar, staar, hoofd.
staart, stèèrt, staart. in de uitdrukking “d’r deug gin aor of stèèrt van”, “er deugt helemaal niets van”.
staart, stertje, staartje.
stalenpakker, staolepakker, magneet.
staminee, stammenee, ook “arrebaareg”, “café, herberg.
stamp, stoemp, stamppot.
stamppot, stââmppot, stamppot, hutspot. ook “stââmp” of “stoemp”.
stank, stâânk, stank.
stapel, staopel, stapel.
statie, staosie, station.
steel, stiltje, steeltje.
steengeleg, stjêêngeleg, steenfabriek.
steenpad, stjêênpad, stoep langs of naar het huis.
stek, stekske, lucifer. b.v. “un dwôôs ke stekskes”.
stekel, stêêkel, distel.
stekelbes, stêêkelbizzie, kruisbes.
stekelvarken, stêêkelvaarke, egel.
stekjeraden, stekskeraoje, bamzaaien. gokspel met lucifers.
stellingplank, stellingplâânk, steigerplank.
ster, staar, ster.
sterappel, staarappel, sterappel.
sterfput, staarfput, sterfput voor opvang van was­, of ander afvalwater.
sterk, staark, sterk.
sterven, staarve, sterven.
stesselen, stessele, drentelen.
stiek, stiekske, elastiekje. ook “rekske”.
stijf, stèèf, stijf.
stijfsel, stèfsel, stijfsel. ook “stessel”.
stijfsel, stessel, stijfsel.
stinken, stienke, stinken.
stinkerd, stienkertje, afrikaantje (tuinbloem).
stoefen, stoefe, opscheppen, verwaand, grootsig zijn.
stoefer, stoefer, opschepper.
stoefer, stoeferke, pochette, lefdoekje, in de borstzak van een colbert.
stom, stoem, p dom.
stompen, stoempe, stompen.
stoof, stôôf, voetenbankje, waarin een testje met gloeiende kooltjes om de voeten te verwarmen.
stoof, stôôf, p kachel.
stoofhaak, stôôfaok, p kachelpook.
stook, stôôk, brandstof.
stootkar, stwôôtskaar, stootkar. handkar met twee wielen.
storm, störm, storm.
stormen, störme, stormen.
straat, straot, straat.
straat, strotje, straatje.
straks, strak, straks.
streef, strêêf, o “iemâând ôôver de strêêf trekke”, “iemand overhalen om iets te laten doen”. “ôôver de strêêf gaon”, te ver gaan, te veel van jezelf eisen.
streep, stripke, streepje.
streng, strêên, streng wol. in de uitdrukking, “ij egget aon z’n strêên”, “hij is nukkig”.
streng, streng, trektouwverbinding tus sen paard en wagen. in de uitdrukking, “oôver de streng trappe”, “buiten zijn boekje gaan”.
strengetje, strintje, strengetje. b.v. “un strintje zij”, “een strengetje zijde”.
stro, strwôôj, stro.
strootjetrekken, strwôôjketrekke, strootjetrekken. (om uit te maken wie won of verloor). ook “peltje trekke”.
strotouw, strwôôjtouw, zelfbinderstouw waarmee korenschoven samengebonden worden.
struikelen, stroenkele, p struikelen.
stuiteren, stuitere, spel met knikkers.
stukken, stukke, stuk, kapot. “meej stukke staon”, “met pech staan”. “mette stukke betold zèèn”, “gedupeerd achterblijven”.
stukkenzak, stukkezak, stoffen zakje om brood in mee te nemen, ook “knapsak” en “schôôfsak”.
stuwen, stouwe, drijven of stuwen. in de uitdrukking, “iemand ien z’n kot stouwe”, “iemand terecht wijzen”.
subiet, sebiet, dadelijk, straks.
suikeren koeken, suikere koeke, beschuit met muisjes bij een geboorte.
suikerpee, suikerpeej, suikerbiet.
suisse, swies, de suisse. vroeger de ordebewaker in de kerk.
suite, zwiet, in de uitdrukking “de zwiet uitange”, “zich opschepperig voordoen”.
sukkelaar, sukkelèèr, sukkelaar.
sukkelaar, sukkelerke, sukkelaartje.
supriseavond, sepriesaoved, sinterklaasavond.
suus, suus, in de uitdrukking, “van oewe suus valle”, “flauwvallen”.
suusoom, suuswôôm, oom suus, oom frans.
taal, taol, taal.
taal, toltje, taaltje.
taart, taort, taart.
taart, toert, p taart.
taart, tortje, taartje, gebakje.
tabak, tabak, gebruikt in “tabak ouwe”, “tabak houden”. een rustpauze van enkele minuten houden tijdens het zware werk.
tabernakel, tabbernaokel, tabernakel. kastje op het altaar in de kerk, waarin de gewijde hosties worden bewaard.
tachtig, taggetig, tachtig.
tafel, taofel, tafel.
tak, tak, tak. in de uitdrukking “van z’n tak maoke”, veel praatjes hebben.
tand, tâând, tand. “da’s nor zunne tâând”, “dat is naar zijn smaak”. tâânte tante.
tang, tangeske, tangetje.
tarra, taar, tarra. verschil tussen bruto en nettogewicht.
tarwe, tarroew, tarwe.
taten, taate, in de uitdrukking “ij krêêg flienk taate”, hij kreeg flink op z’n donder. “da zen âândere taate”, dat is nog eens iets anders.
teef, tifke, teefje.
teen, tjêên, teen.
teer, taar, teer, of pek. zie ook “tèèr”.
teer, tèèr, teer.
teerzalf, taarzalf, teerzalf.
teerzeep, taarzjêêp, teerzeep.
tegenwoordig, tiggeswôôreg, ook “siggeswôôreg”, “tegenwoordig”.
teil, tjêêl, teil.
tekenen, tjêêkene, tekenen.
telefoon, tellefôôn, telefoon.
telefoon, tillefon, p telefoon.
televisie, tilleviesie, televisie.
teljoor, telwôôr, p bord.
temptatie, temtaosie, temptatie, kwelling, verzoeking.
ten naaste bij, tenostebaaj, ongeveer.
teneinde, tenne, aan het einde. in de uitdrukking “ij ies tenne”, “hij is er mee klaar”, “tenne raod zèèn”, “ten einde raad zijn”, “tenne ‘n ossum zèèn”, “geen adem meer hebben”.
teneinde aan, tennenaon, aan het eind van.
teren, tèère, teren, potverteren, “un tèèrdag ouwe”. vele verenigingen hadden zo’n jaarlijkse teerdag, vaak op de feestdag van de patroon of patrones van de vereniging. het was een gezellige bijeenkomst met een maaltijd en fijn bijeen zijn.
teren, tèère, met teer besmeren.
tergen, taarge, tergen, sarren.
tering, tèèring, tering, tbc (tuberculose). ook “terring”
testpot, testpotje, klein vierkant aardewerk potje, dat, gedeeltelijk gevuld met hete kooltjes of sintels uit de plattebuis, in de stoof werd geplaatst om zo de voeten te verwarmen. ook “tesje”.
teut, teut, tuit. b.v. de “teut” van de theepot, kan of gieter.
teutaan, teutaon, uitgeput.
tevens, têêves, tevens.
tevoren, tevurre, tevoren.
tiedelewiet, tiedelewiet, alles, wat er bij hoort. b.v. “ier edde de jille tiedelewiet van de pepiere”, “hier heb je alle papieren, die er van zijn”.
tiet, tiet, kip. in de uitdrukking “ij lwôôpt as ‘n tiet”, hij loopt voor­ treffelijk.
tietelewiet, tietelewiet, lang verhaal of litanie.
tietenbes, tietebizzie, beetje vreemd manspersoon.
tijd, tedje, tijdje.
tijd, tèèd, tijd.
tijding, teng, tijding, bericht. b.v. “‘k em nog gin teng g’ad”, “ik heb nog geen bericht gehad”. “kwaoj teng krèège”, “slecht bericht krijgen”, “gin teng ies goej teng”, “geen bericht is goed bericht”.
tikje, takske, gebruikt in “takske doen”, krijgertje, tikkertje spelen. zie ook “takkerke”.
tikje blok, takske blok, een variatie op het gewone “takske doen”, waarbij de aangetikte bij de tikker moest aanhaken. ze namen elkaar bij de hand en samen probeerden ze weer iemand aan te tikken, die dan ook moest aanhaken. zo ging het spel door en de sliert werd steeds langer. alleen de twee buitenste van de sliert mochten iemand aantikken. ook “takkerke blok”.
tikje krauw, takske kraauw, hierbij moest de tikker iemand ergens op het lichaam aantikken. de aangetikte werd nu tikker, maar moest al hollende een hand op de aangetikte plaats houden. hij mocht niet “lossen”, ook “takkerke kraauw”.
tikje over de meet, takske over de mêêt, hierbij werden twee lijnen getrokken, ver genoeg uit elkaar. binnen deze lijnen werd gespeeld en erbuiten was men (vrij) en mocht dan niet aangetikt worden. er was ook nog een middellijn getrokken. was je die eenmaal gepasseerd, dan mocht je niet meer terug naar de lijn waar je vandaan kwam. ook “takkerke over de mêêt”.
tikkertje, takkerke, tikkertje (kinderspel).
tirette, tierèt, p ritssluiting.
tjur, tjur, leeuwerik.
tjurelen, tjuurele, tingelen. spelen van vogels of op een muziekinstrument.
toennet, toenet, zojuist.
toenstraks, toenstrak, daarstraks, even geleden.
toespeld, toespel, p veiligheidsspeld. toet p tot. b.v. “toet den noste kjêêr dan”, “tot de volgende keer dan”.
toespijs, toespèès, broodbeleg.
toile cirée, twalzeree, zeildoek, dat als beschermend tafelkleed werd/wordt gebruikt.
toile-tje, twalleke, p pleister. ook het plakband rond een fietsstuur.
tol, tolleke, raapachtig gewas voor groenvoer en groenbemesting.
ton, tonneke, tonnetje.
toog, twôôg, toog, toonbank, toga.
toot, tôôt, gezicht, mond. in de uitdrukking “oew tôôt ouwe”, “je mond houden”.
toren, tôôreke, torentje.
totentrekker, tôôtetrekker, iemand die een raar gezicht trekt (van verbazing, woede of verdriet).
toujouren, toerlezjoere, uitgaan en plezier maken en het geld laten rollen.
tournevis, toernevies, p schroevendraaier.
tout même, toetmem, in de uitdrukking “’t ies ammaol jin toetmem”, “het is allemaal hetzelfde”. ook “tutmem”.
touter, touter, schommel.
touteren, toutere, schommelen.
traan, traon, traan.
traan, trontje, traantje.
tractor, trakter, tractor.
traineren, trenêêre, ook “trèèzele”, “treuzelen”, niet doorwerken, niet opschieten.
tralie, trollie, tralie.
traliebes, trolliebizzie, aalbes.
trammelant, trammelâânt, moeilijkheden, ruzie. b.v. “trammelâânt maoke”, “moeilijkheden zoeken”.
trapleer, traplirke, laddertje.
trapleer, trapljêêr, ladder.
trappedoelie, trappedoelie, boze zwarte piet.
trechter, trefter, trechter.
trein, trèèn, trein. ook lange boeren­ wagen; bestaande uit twee delen, nl. de voorloper en de “èèrdkaar”, de wagen zelf.
trekken, trekke, in de uitdrukking “bwôône trekke”, bonen plukken.
trekken, trekke, tochten.
trekken, trekke, fotograferen, op de foto zetten. ook “uittrekke”
trekzak, trekzak, trekharmonica, accordeon.
treuzelen, trèèzele, p treuzelen. ook “trenêêre”.
triporteur, triepeteur, p bakfiets.
trizee, trezeej, vergiet. in ons dialect wordt hiervoor toch meer het woord “bekke” gebruikt.
trottinette, trottienet, p step.
truweel, trewjêêl, truweel, troffel.
tuffen, tuufe, spugen, tuffen.
tuin, töntje, tuintje.
tulpetaan, tullepetaon, parelhoen.
tureluurs, tuureluurs, gek, gestoord. “ge wor t’r tuureluurs van”, “je wordt er gestoord van”.
turf, törf, turf.
tuteren, tuutere, tutteren, toeteren.
tuttebel, teutebel, treuzelaar.
tutter, tutter, speen van zuigfles of fop­ speen. ook “tuuter”.
twee, twij, twee.
tweedens, twidde(s), tweede. in de uitdrukking “ij kom twiddes”, “hij komt net te laat”.
tweezak, twijzak, iemand, die beide partijen gelijk geeft.
uilenei, uilenaai, iets wat niet goed gelukt is. in de uitdrukking “da’s ‘n uilenaai”, “dat stelt niets voor”.
uitbonjouren, uitbezjoere, uitzwaaien. iemand uitzwaaien, uitwuiven.
uitladen, uitlaoje, uitladen.
uitleiden, uitlaaje, het uitvliegen van jonge vogels uit hun nest.
uitlikken, uitlakke, uitlikken.
uitmaak, uitmaok, smoesje.
uitscheiden, uitscheije, stoppen, er mee ophouden. ook “uitscheeje”.
uitschelden, uitschelle, uitschelden.
uitscheren, uitschjêêre, ophouden.
uitschieten, uitschiete, uitdoen van kledingstuk, uitkleden.
uittrekken, uittrekke, in de uitdrukking “oew èège uit laote trekke”, “je laten fotograferen”.
uitvaart, uitfort, uitvaart.
unster, össel, p unster. ook ussel.
unster, ussel, unster. weegtoestel.
uw, oew, uw of jouw..
uw eigen, oewèège, jezelf.
vaak, vaok, p slaap. in de uitdrukking “vaok emme”, “slaap hebben”. maar ook gebruikt in “praot vur de vaok”, onzin kletsen.
vaart, vaort, vaart, snelheid.
vaart, vaort, heimwee. in de uitdrukking “‘t sal oew kôôntje vaore”, “het zal wennen zijn voor je”. ook “vort”.
vaart, vort, vaart, heimwee. in de uitdrukking “vort emme”, vaart, heimwee hebben. ook “vaort”.
vaas, voske, vaasje, vosje.
vader, vaoder, vader.
vaderons, vaoderôôs, onze vader, een gebed. in de uitdrukking “bid mar un vaoderôôs”.
vakantie, vekaasie, vakantie.
valling, valling, p verkoudheid. in de uitdrukking “‘k em un valling te pakke”, “ik heb een kou gevat”.
vaneigens, vanèèges, vanzelf.
vapeur, vapurke, p opvlieger, opstijging naar het hoofd. afkomstig uit het frans “la vapeur”.
varen, vaore, varen.
varken, vaareke, varken. in de uitdrukking “ij ies bang daggut vaareke van aachtere jêêst opgêête wordt”, “hij is bang benadeeld te worden”.
varkensbocht, vaarekesbocht, omheinde uitloop van de varkensstal.
varkensfonds, vaarekesfôôs, varkensfonds. vroeger hield bijna iedereen een varken voor de thuisslacht. dat was een heel bezit. men kon dan hier­ voor in het varkensfonds, voor een kleine premie een verzekering af­ sluiten.
varkensstuwer, vaarekesstouwer, iemand met kromme, wat naar buiten gebogen benen, o­benen.
varkentje, vaarekske, varkentje.
vastenavond, vastelaoved, vastenavond.
veeg, vèèg, veeg, vijg, oorveeg.
veel, veul, veel. in de uitdrukking “vus te veul”, “veel te veel”.
veel te veel, veulste veul, veel teveel.
veel te veel, vusteveul, veel te veel. ook “veulsteveul”.
veertig, fjêêrtig, veertig.
vegen, vèège, vegen. in de uitdrukking “iij vèègt ‘r z’n botte n’aon af”, “hij neemt het niet zo nauw”.
vegen, vèège, vegen. in de uitdrukking “‘t ies mar neusvèège”, “het is zo gebeurd”.
vel, velleke, velletje.
vellen, velle, in de uitdrukking “z’emme de velle gad”, “ze hebben verloren met voetballen”.
velling, velling, velg van een wiel.
velo, v(e)loo, p fiets.
velocipède, fielesepee, o fiets.
velours, floer, fluweel, velours. in de uitdrukking, “‘n floere gurdèèn”, “’n fluwelen gordijn”, “‘n floere broek”, “’n broek van de stof velours”.
velourse broekjes, floere broekskes, cheiranthus bloem, muurbloem.
venster, vêêster, venster.
vensterschap, vêêsterschap, vensterbank.
vent, vint, p vent, kerel, man.
venter, vinter, p venter, leurder.
ver, vaarre, in de uitdrukking “iekzôôg ut al van vaarre n’aonkomme”, “ik zag het al van verre aankomen”.
veranderen, verâândere, veranderen. verabbezakke in de uitdrukking “edde gij nog iet te verabbezakke?”, “heb jij nog iets, een werkje, te doen?”.
verbalemonden, verbollemonte, verbalemonden, verwaarlozen, verslonzen, niet goed verzorgen.
verdomd, verdommes, verdomd, ontzettend. in de uitdrukking “verdommes goed”, “heel goed”, “ontzettend goed”.
verf, vaaref, verf.
verflensen, verflêênse, verflensen, verwelken. b.v. die bloemen zijn al gauw “verflêênst”.
verjaardag, verjaordag, verjaardag.
verjaren, vejaore, verjaren, jarig zijn.
verkoevereren, verkoevrêêre, p beter worden van een werk. zich ermee kunnen verrijken. er op vooruit gaan.
verleden week, fleejwêêk, vorige week.
verleiden, verlaaje, verleiden.
verliezen, verliere, verliezen.
vermokkeren, vermokkere, zinloos verbruiken van geld of tijd.
vermoorden, vermwôôre, vermoorden.
verrekt, verèkkes, erg, zeer, buitensporig. in de uitdrukking “da doe verèkkes zjêêr”, “dat doet erg pijn”.
verruïneren, verrinnewêêre, onnodig vernielen of kapot maken. het expres vernielde noemen we “rinnewaosie”.
vers, vaars, p vers.
vers, vörs, vers.
verschijten, verschèète, verdoen. in de uitdrukking “iek verschèèt er veul tèèd meej”, “ik verdoe er veel tijd mee”.
verschillen, (ver)schille, schelen. in de uitdrukking “wâ kan mèèn dâ (ver)schille”, “wat kan mij dat schelen”.
verschuwen, verschouwe, schuw maken. b.v. de vogeltjes “verschouwe”. de oudervogels verjagen door te veel bij de nestjes te komen, en/of de eitjes of de jonge vogeltjes te beroeren.
verslonzen, verslôônse, verslonzen.
verspelen, verspeule, verspelen, verliezen, kwijtraken.
verstaan, verstaon, verstaan, begrijpen.
verstand, verstâând, verstand.
verteer, vertèèr, verteer.
vertelsel, vertelseltje, verhaaltje.
verven, vaareve, verven.
verweren, verwèère, verweren, verdedigen. in de uitdrukking “oew èège verwèère”, “zich verdedigen”.
verzorgen, verzörge, verzorgen.
vetleer, vetlèèr, vetleer. in de uitdrukking “iemand un vetlèère medollie gêêve”, “iemand een vetleren medaille geven”. dit wordt spottend gezegd. ook gebruikt in “vetlèère schoene”, werkschoenen van een zekere zeer sterke leersoort gemaakt. ze werden vooral gedragen door de landarbeiders. deze schoenen werden niet gepoetst, maar ingesmeerd met varkensvet, dat niet voor de consumptie geschikt was.
vetwammes, vetwammes, log, vies, lui persoon.
vierkant, vierkâânt, vierkant. in de uitdrukking “ij ies wir jillemaol vierkâânt”, “hij is weer helemaal gezond”. “‘n pèèrd vierkâânt beslaoge”, “een paard van vier nieuwe hoefijzers voorzien”.
vievelefors, vievelefors, in de uitdrukking “en nou vievelefors”, “(snel en goed), aan je werk”.
vijf, vèèf, vijf.
vijf, vefke, vijfje.
vijfde, vefde, vijfde.
vijftien, veftien, vijftien.
vijftig, feftig, vijftig.
vijl, veltje, vijltje.
vinden, vèène, vinden. ook “vinne”.
vinger, vienger, vinger.
vlees, vljêês, vlees.
vlegel, vlêêgels, in de uitdrukking “ij ies ien ut bos van jan vlêêgels grwôôtgebrocht”, hij is ongemanierd. hij heeft geen goede opvoeding gehad.
vliegen, vliege, vliegen. in de uitdrukking “van de vliege nor de bliendaoze gaon”, “van de regen in de drup komen”.
vlier, flier, vlierbessenstruik.
vlimmen, vlieme, p ook “vlimme” of “spelle”, “dorre droge naalden van dennen”.
vlinder, vliender, vlinder.
vlo, vlwôôj, vlo.
vloer, vloerke, vloertje.
vlok, vlok, flink, uitgedijd, weelderig gegroeid.
voederen, vwôôjere, voeren, voederen.
voederij, vwôôjerij, voering van b.v. mantel, jas en andere kledingstukken. vwôôltje voile. hoed met sluiertje. ook “vaoltje”.
voet, voete, voeten. in de uitdrukking “iets uit de voete doen”, “iets re­ gelen, of afwerken”, “erges nie mee uit de voete kunne”, “er niet mee overweg kunnen”.
voiture, fetuur, p kinderwagen.
voiture, vwattuur, p rijtuig, voertuig, kinderwagen.
vol, volder, voller (vergrotende trap van vol).
volk, volluk, volk. als men ergens bin­ nen kwam en trof niemand aan, dan riep men: “volluk”. dit met de bedoeling om aan te geven: hier is iemand.
volkappen, volkappe, volgieten.
vooi, vwôôj, vrouwelijk konijn.
voor, veurste, voorste.
voor, vur, voor (voorzetsel).
vooraan, vurraon, vooraan.
voordat, vurda, voordat. ook “vurra”.
voorkant, vurkâânt, voorkant.
voorkind, vurkiend, een kind dat vóór het huwelijk al is geboren.
voorschoot, vurschwôôt, halve schort, voorschoot.
voort, voert, p vooruit.
voos, vwôôs, voos, gevoelloos.
vorig, vurrig(e), vorig(e).
vork, vörruk, vork.
vorm, vörrum, vorm.
vorst, vörst, vorst, vriesweer.
vorst, vöst, nokpan, vorstpan. ook vuist, gebalde hand.
vos, vos, vaal, verschoten (kleding). ook “vosse suiker”, “lichtbruine basterd suiker”.
vos, voske, vaasje, vosje.
vragen, vraoge, vragen.
vreten, frèète, vreten, eten.
vrouwlui, vrullie, vrouwen en/of meisjes. ook “frullie”.
vrouwmens, vrummes, vrouw. in de uitdrukking “da’s un flienk vrummes”, “dat is een flinke vrouw”. ook “frommes” en “vrommes
vuil, vuil, onkruid. in de uitdrukking “vuil trekke”, “met de hand onkruid verwijderen”.
vuil, vuil, pus, etter. in de uitdrukking “d’r kom veul vuil uit die stjêênpöst”, “er komt veel pus uit die steenpuist”.
vuilak, völluk, vuilak, smeerpoes.
vuiligheid, völliggèd, vuiligheid. in de uitdrukking “dur val völliged meej”, “er valt wat lichte sneeuw”.
vuilnisbak, völluksbak, vuilnisbak.
vuilniskuil, völlukskuil, vuilniskuil. de grote kuil, waar vroeger al het vuilnis van de gemeente werd ingegooid en waar verder iedereen zijn afval in kwijt kon.
vuist, vösje, vuistje.
vuisten, vöste, vuisten, bamzaaien. ook “stekske raoje”, “raden hoeveel voorwerpjes (knopen, meestal lucifers) iemand in gesloten hand heeft. het is een gokspel om te bepalen wie het gelag betaalt.
vuisthamer, vöstaomer, vuisthamer. ook kortweg “vöst” genoemd.
vuur, vuurke, vuurtje.
waaghals, waogals, waaghals.
waaien, waoie, waaien
waakhond, waokond, waakhond.
WAAR, waor, waar. in de uitdrukking: “da’s daover nie waor wur”, “da’s nie waor wur”, “dat is niet waar hoor”.
waard, wèèrd, waard. in de uitdrukking: “iek zen nieks wèèrd”, “ik voel me niet lekker”. “nieks wèèrd”, “dat gebeurt niet”.
waarde, wèèrde, waarde.
waarheen, waorenne, waarheen.
waarlangs, waorlêêst, waarlangs. ook “waorlangst” en “waorlingst”.
waarschuwen, worschouwe, waarschuwen.
waarvoor, waovur, waarvoor.
wachten, waachte, wachten.
wagen, waoge, wagen.
waken, waoke, waken.
warm, waarem, warm.
warmen, waareme, warmen.
warzel, wörzel, p houten schroefdraad.
wasem, waosem, wasem.
wat voor, waffer, welke. welke soort. in de uitdrukking: “waffer boek zèède gij aon’t lêêze?”, “welk boek ben je aan het lezen?”.
water, waoter, water.
watergang, waotergâânk, watergang, een brede sloot in de polder, waarin het water uit de kleinere sloten verzameld wordt.
watjekou, watjekoo, oplawaai, klap.
weduwe, wêêf, weduwe.
weduwnaar, wêêvenèèr, weduwnaar.
week, swêêks, doordeweeks.
week, wikske, weekje.
weerlicht, wirlicht, weerlicht, bliksem.
weerom, vroem, p ook “vrom”, weerom, terug. in de uitdrukking “bende of (zèède), gaauw vroem?”, “ben je gauw terug?”.
weerskanten, swirskâânte, weerskanten, aan beide zijden.
weeskind, wjêêskiend, weeskind. in de uitdrukking: “’k zen gin wjêêskind”, “ik wil ook meedelen”.
weg, weggeske, wegje.
wegfoefelen, wegfoefele, stiekem wegstoppen. zie ook “wegmoefele”.
weggeweer, wegge(de)weer, heen en weer
wegkappen, wegkappe, weggieten.
wegkruipertje, wegkruiperke, gebruikt in “wegkruiperke doen”, “verstoppertje spelen”.
wegmoffelen, wegmoefele, iets stiekem ver­ stoppen. zie ook “wegfoefele”.
wegstuwen, wegstouwe, veel eten. veel verzetten.
wegzjèren, wegzjaare, wegsmijten. ook “wegneuke”.
wei, waai, wei, weide.
wei, waaike, weidje.
weibloem, waaiblommeke, weidebloempje, madeliefje of meizoentje.
weken, wjêêke, weken. het zacht maken van bepaalde groenten. in de uitdrukking: “daor motte oew bwôôntjes nie op in de wjêêk legge”, “daar moet je niet op vertrouwen”.
welja, beljao, wel ja. ook “beljaot”, “beljot”.
welja, beljaot, zie “beljao”.
welk, wellek, wat zeg je?
welke, oeleke, welke. in de uitdrukking “oeleke plâânke mot emme?”, “welke soort planken moet je hebben”. zie ook “ulleke”, “wakke”, “ukkere” en “waffere”.
welke, ukkere, welke. zie ook “ulleke”.
welke, ulleke, welke, van welke soort. b.v. ulleke plâânke mot ik pakke?, welke soort planken moet ik pakken? ook “ukkere”.
welnee, belnjêênt, wel nee.
wereld, wèèreld, wereld.
weren, wèère, weren. in de uitdrukking: “ij wèèr z’n èège”, “hij doet zijn best”.
werf, waaref, werf, erf.
werf, waaref, werf, erf.
werk, waarek, werk. in de uitdrukking: “da’s gin waarek”, “dat is niet eerlijk”.
werk, waarekske, werkje.
werkdag, swar(k)dags, op een werkdag, op een door de weekse dag. zo sprak men van “swar(k)dagse klêêre”, kleding die goed genoeg is voor een werkdag. zo was er ook “sondags goed”.
werken, waareke, werken.
werkmens, waarekmêês, arbeider.
werkwinkel, waarekwienkel, werkplaats van de timmerman.
werpen, waarepe, werpen.
wervel, waarvel, draaibaar houten blokje op de deur of soms ook op de “blinders”, “de vensterluiken”, om deze te kunnen sluiten. ook “wörfel”.
wesp, weps, wesp. zie ook “perreweps”.
wezen, wieste, wezen. in de uitdrukking: “’k zen wieste schetse”, “ik ben wezen schaatsen”.
wezenlijk, wêêzeluk, werkelijk.
wie, wien, p wie. in de uitdrukking: “wien ies da?”, “wie is dat?”.
wielewouter, wielewouter, woelwater, iemand die niet stil kan zitten.
wiemelen, wiemele, wiebelen, heen en weer bewegen. b.v. met de benen “wiemele”.
wieuwen, wieuwe, opstandig gedrag van paard in de hoefstal. het achteruitslaan met de achterpoten.
wijd, waajer, p verder. zie ook “wijer”.
wijd, wèèd, ver.
wijd, wijer, verder. zie ook “waajer”.
wijf, wèèf, wijf, vrouw.
wijf, wefke, wijfje, vrouwtje.
wijn, wèèn, wijn.
wind, wiend, wind.
windei, wiendaai, windei, ei zonder kalkschaal.
winden, wèène, winden. in de uitdrukking: “‘n klos touw opwèène”, “een klos touw opwinden”.
windschijter, wiendschèèter, opschepper. ook “wiendkaar”.
winterknoesten, wienterknoeste, winter­, of stoofperen. ook “wienterpèère”.
wipwap, wipwap, wip als speeltoestel.
wipwappen, wipwappe, wippen op de wip.
wit, wiet, wit. in de uitdrukking: “’t ies wiet aon”, “ze zijn goede matjes”.
witloof, wietlwôôf, witlof.
woeien, woeje, overmatig, hard werken. ook verbaal flink te keer gaan.
woensdag, swostags, ’s woensdags.
woensdag, wostag, woensdag.
Woensdrecht, wôôsdrecht, woensdrecht.
wonen, wôône, wonen. in de uitdrukking: “ij wôôn met de bel aon de deur”, “hij is welgesteld”.
worm, wurm, worm. ook “wörm”.
worst, wöst, worst.
wortel, wörtel, wortel.
wrat, vrat, wrat.
wreed, frjêêd, wreed, erg.
wreed, vrjêêt, wreed, heel erg. in de uitdrukking “ut ies toch vrjêêt”, “het is toch wel erg”.
wreken, vrjêêke, wreken, wrikken.
wroeter, vruuter, iemand die altijd bezig is. ook vroeter, afkomstig van het werkwoord wroeten.
zaad, zaod, zaad.
zaag, zaog, zaag.
zaag, zogske, zaagje.
zaagmachine, zaogmesjien, zaagmachine.
zaaien, zaoie, zaaien.
zaaier, zaoier, kuit van een vis.
zaaigoed, zaoigoed, zaad om te zaaien.
zaaimachine, zaoimesjien, zaaimachine.
zaak, zaok, zaak.
zaak, zokske, zaakje.
zaal, zaol, zadel.
zaal, zaol, zaal, als grote ruimte.
zaal, zoltje, zaaltje.
zabberen, zabbere, sabbelen.
zadel, zoltje, zadeltje.
zageman, zaogeman, zeurder.
zagemeel, zaogemêêl, zaagsel.
zakdoek, zaddoek, zakdoek.
zakken, zakke, dalen, zakken
zalig, zaoleg, zalig.
zand, zâând, zand. in de uitdrukking “ge zul gin zâând mir afgaon”, “je hebt genoeg gegeten”.
zang, zâânk, o bosje korenaren.
zaniken, zaoneke, zaniken.
zaterdag, saoterdag, zaterdag.
zaterdag, saoterdags, zaterdags.
zaterdag, zaoterdag, zaterdag.
zeef, zifke, zeefje.
zeem, zjêêm, zeem.
zeen, zêên, klap of oplawaai.
zeen, zêên, zeur(der).
zeep, zjêêp, zeep.
zeepkist, zjêêpkiest, zeepkist. soort speelgoedauto.
zeer, zjêêr, zeer, pijn.
zeil, zeltje, zeiltje.
zeis, zèèsie, zeis.
zeker, zêêkere, pietje precies.
zelf, zelve, gebruikt in “van oew zelve valle”, “bewusteloos neervallen”, flauwvallen. ook “van oew outje gaon”.
zenen, zêêne, zeuren.
zerk, zaarek, zerk op het kerkhof.
zerk, zaarekske, zerkje.
zetgoed, zetgoed, pootgoed.
zetten, zette, planten, poten of zaaien “d’erpels zette”, “de aardappelen poten”.
zetter, zetter, pootaardappel.
zeven, zeuve, zeven. in de uitdrukking “da zen de zeuve stuivers nie”, “daar gaat het niet om”.
zeventig, seuvetig, zeventig.
zeveraar, zjêêverèèr, iemand die onzin kletst.
zeveren, zjêêvere, onzin kletsen. in de uitdrukking, “da’s zjêêver in un pakske”, “dat is onzin”.
zeveren, zjêêvere, kwijlen.
zeveren, zjêêvere, motregenen.
ziep, zipke, ook “zjiepke”. grijs werkjasje voor de arbeider. op zondag droeg men een jasje van fijnere stof. men noemde het “mun zilver zipke”.
zjat, zjat, p in de uitdrukking “‘n zjat koffie”, “een kop koffie”.
zjèren, zjaare, gooien, smijten. in de uitdrukking “daor kan ik nie meej gezjaard zèèn”, “daar ben ik het niet mee eens”.
zode, zwôôj, graszode.
zonde, zôônde, zonde.
zonder, zôônder, zonder.
zooi, zwôôi, bende.
zoom, zwôôm, zoom.
zorg, zörrug, zorg, armstoel.
zorgen, zörrege, zorgen.
zottelut, zottelut, wulpse vrouw.
zou het?, zouwut ?, is het waar?
zoveel, zoeveul, zoveel.
zuiver, suiver, zuiver. in uitdrukking, “‘t ies suiver waarem”, je zou bijna zeggen dat het warm is, ook “presies”.
zulke, zokkere, zulke. in de uitdrukking “zokkere kouse emme-k-iek wok”, “zulke kousen heb ik ook”. vragend “okkere kouse edde gij aon?”, “wat voor kousen heb jij aan?”, het antwoord “zokkere”.
zulke, zukkere, zulke (aanwijzend voornaamwoord). zie ook “zokkere”.
zulle, zul, gang langs de voergoot in de koestal.
zullebalk, zulbalk, dwarse balk boven de koeiennekken in de stal.
zullie, zullie, in de uitdrukking “da’s van zullie”, “dat is van hen”.
zwaar, zwaor, zwanger.
zwaluw, zwolloew, zwaluw. ook “zwollum”.
zwansen, zwâânse, niet helemaal de waarheid spreken.
zwartsmoester, zwartsmoester, vuilpoes, slordig/ vuil persoon.
zweer, zwèèr, zweer.
zweer, zwerke, zweertje.
zweerij, zwerrei, zweer, abces.
zwerm, zwaarum, zwerm. in de uitdrukking “’ne zwaarum bieje” (bijen). zwaor zwaar.
zwiermolen, zwiermeule, o zweefmolen op de kermis.
zwijgen, zwèège, zwijgen.
zwing, zwing, dubbel zwenghout, waar de strengen van de paarden aan bevestigd worden om de wagen te trekken.
zwoerd, zwordje, zwoerdje van gebakken spek.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal