elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aaien

aaien , aien , aaien, zacht streelen; spottend voor: niet sterk genoeg wrijven bij het schuren, enz. Oostfriesch eien, eijen = streelen, liefkoozen, aaien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
aaien , [strelen] , aaie , aai, aais, aait, aaide, geaaid , streelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
aaien , èêje , aaien; èêj poes! aai poes! (gezegde als je de poes aait.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aaien , aaien , aoien , Ook aoien (Veenkoloniën) = 1. strelen Die kribbels aait mij over de handen (And), Wat aaien en strieken döt seins een bulte goed (Hgv) 2. niet met de nodige kracht of aandacht werken IJ moet ok börselen en niet liggen te aaien (Sle), Ie heuft hum neet te aaien, hij bit oe neet, ...döt oe niks terugge (Dwi), Hij aait er wat veur langs neemt geen breed zwad mee bij het maaien (Man), Hij aaide der wat aover (Ruw), Der bij lang(e)s aaien (Mep), ...umme toe aaien (Hgv), ...an langes aaien (Noo) 3. vleien, flikflooien Ein um de bek aaien (Ros), Hij zat zien tante te aaien om later de arfenis te kriegen (Dwij), Hij aait je naor de mond (Pdh) 4. slaan (Zuidoost-Drents veengebied) Hij aaide hum daor eine over het gezicht gaf hem een klap in het gezicht (Nsch), (iron.) Zie aaiden mij neeit gezegd door iemand die mishandeld is (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aaien , eijen , aaien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
aaien , aaien , werkwoord , aaien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
aaien , aaje , aaien , És oma ‘n kat óp d’re schóót hôj, zeej ze teege de kléén manne, duu mér aaje poeske. Als oma een kat op haar schoot had, zei ze tegen de kindjes, aai het poesje maar.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
aaien , aaien , werkwoord , 1. aaien, strelen 2. met te weinig kracht schoonmaken 3. de hitte van een bep. stof, voedsel, drinken verdragen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aaien , aaje , aaien, liefkozen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aaien , èèje , aaien
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
aaien , aaje , werkwoord , strelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
aaien , aje , aajde , geaajd , aaien
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal