elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanhebben

aanhebben , aanhöbbe , hau aan, haet aangat , aanhebben.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
aanhebben , aonhebben , aanhebben, van kleren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
aanhebben , anhebben , werkwoord , 1. aanhebben: dragen van kleding 2. in werking hebben, brandend enz. hebben: m.b.t. vuur, verwarming, verlichting, de autolichten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aanhebben , ônhebbe , aanhebben
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
aanhebben , ènhébbe , aanhebben , Ge kant mi di weer hèndig unnen dikken duffel ènhébbe. Je kunt met dit weer makkelijk een dikke duffel aanhebben., Ik hé de kachel èn, want ’t is kèèw. Ik heb de kachel aan, want het is koud.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
aanhebben , aanhebbe , werkwoord , hieët/heet aan, haaj aan, aangehadj , moeite kosten
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal