elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aansmeren

aansmeren , ánsméêre , slinks verkopen Dieje sjacheraor perbeert me det ánsméêre.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
aansmeren , ansmèren , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. stucadoren Wij gaot morgen de muren ansmeren (Die), zie ook ansmieten 2. te duur verkopen Wel hef die dei aolde fietse ansmeerd? (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
aansmeren , [aanpraten] , aonsmeren , iemand iets aansmeren
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
aansmeren , ansmeren , werkwoord , aansmeren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aansmeren , añsmeere , werkwoord , smeer an, smeerde an, añgesmeerd , 1. opknappen De lucht smeer weer an De lucht knapt weer op 2. aansmeren Lae’ je niks añsmeere hoor!
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
aansmeren , ônsmeere , aansmeren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal