elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: abuis

abuis , abbuus , abuis, vergissing. Middel-Nederlandsch abuus, Fransch abus, Latijn abusus. Vgl. oa.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
abuis , abuus , abuis.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
abuis , buuls , abuis, in de war
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
abuis , buuls , bijvoeglijk naamwoord , (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = in de war Hij wus de weg nich meer, hij was heilemaol buuls (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
abuis , abuus , abuis. ge hèt abuus! je vegist je.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
abuis , abuus , abuis , Daor hé'k abuus in gehad, ja dôr hé'k mieraokels néffe gekeeke, hoe bestee'get. Daar heb ik abuis in gehad, ja daar heb ik me ontzettend in vergist, hoe bestaat het.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
abuis , abuus , abuis , zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , et; abuis, vergissing
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
abuis , abuus , abuis
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
abuis , abuus , zelfstandig naamwoord, mannelijk , abuze , vergissing
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
abuis , abuus , zelfstandig naamwoord , korte uu; abuis, vergissing; – Ge hèt abuus - je vergist je; – abuus hebben of abuus zijn - mis zijn; abuus gaan - de verkeerde weg nemen; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ABUUS zelfstandig naamwoord o. - abuis, misslag, misgreep (Fr. erreur, méprise)Ach ge dè denkt zède abuus. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Henk van Rijen: ge hègget abuus - u vergist u; Cees Robben – Ge het abuus, meens... (19690328); Cees Robben – Ge het wirris abuus bruur.. (19870410); WBD III.l.4:15 'abuis' = idem 'abuis hebben = zich vergissen; WBD III.1.4:09 'per abuis' = zonder opzet; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): abuis; Ik heb abüs - ik vergis me
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal