elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afrossen

afrossen , ofrossen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. roskammen Wil ie de peerden ofrossen, veur as ze het laand ingaot? (Eli) 2. slaag geven Die jongen zulden mekaor net even ofrossen, mor heur vaoder kwam der net over toe (Eke), z. ook ofdörschen 3. afwerken (Zuidwest-Drenthe, noord) Wij mut het waark vlot even ofrossen (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afrossen , afròssen , afslaan, afranselen: die jong van ’t Uiventje wieren op de Graspèl flink afgerost. Zie ook afsloon.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
afrossen , afrösse , afranselen , Afnaoje, afpèère, afrösse, afslôn én aftûire betiikend allemôl ‘t zéllefde. Vijf verschillende manieren om iemand af te ranselen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
afrossen , ofrossen , werkwoord , 1. door te boenen, af te kloppen reinigen, met borstelende bewegingen afkloppen 2. afranselen 3. afbeulen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afrossen , afrösse , zwak werkwoord , afrösse - röste(n) aaf - afgeröst , aframmelen, afranselen, een pak slaag geven, 'afslaon'; De Wijs – (Gehoord van de hertrouwde weduwe tegen haar man (de hertrouwde weduwnaar:) Mèn kender en jouw kender zèn ons kender aon’t afrosse (27-12-1968); WBD III.1.2:56 'afrossen' = een pak slaag geven; ook: 'afslaan'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal