elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: arme

arme , arm’ , voor: armen, arme lieden; wie hebben mit onze ijgen arm’ genōg te doun, vrömden ken wie nijt geven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
arme , oarmen , de oarmen, het armbestuur
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
arme , èrreme , m , arme, berooide. D’n èrreme hai mar énnen èrrem De arme had maar één arm.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
arme , arme , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze van de arme onderhouwen worre, armlastig zijn, onderhouden worden door een instelling voor armenzorg.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
arme , erme , mannelijk , den erme, het armbestuur. Hae laef van den erme: voor zijn levensonderhoud is hij op het armbestuur aangewezen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
arme , èèrme , arme. mv. ermen, arme mensen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
arme , d’n erreme , zelfstandig naamwoord , armbestuur, diaconie Dat meñs had al jaere van d’n erreme en of en toe van de bedêêling Die vrouw werd al jaren onderhouden door de diakonie en soms kreeg ze van liefdadigheid; Hij mosset van d’n erreme hebbe Hij was afhankelijk van de armenzorg (ook: Hij was an d’n erreme); Je werkie an d’n erreme Hoe hard je ook werkt, alles wat je verdient gaat toch op
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
arme , d'n erme , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , armbestuur , Vb.: Vreuger laog op de Vroendelswëg 'n kiësewej van d'n erme, de Ermewej.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
arme , [arme ] , erme , (mannelijk) , arme, arm persoon
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
arme , êrme , zelfstandig naamwoord, mannelijk , arme (behoeftige)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
arme , èèreme- , èèrme- , voorvoegsel , als eerste lid in een samenstelling; van of voor de arme mens
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal