elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beeld

beeld , beeldje , beeldeken , voor een prentje, of welke afbeelding ook van iets. Zoo hoort men bijv. de kinderen zeggen: Gij moest eens een beeldje voor mij maken, d.i. eens eene
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
beeld , beeld , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie een zegsw. op onnozel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
beeld , beelt , onzijdig , beelder , beeltje , beeld. ẹ Beelt van ẹ vroumisj: een knappe vrouw.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
beeld , bild , zelfstandig naamwoord , beeld. ‘n Bild van ’n meijd. Bildegooje was een kinderspel. Een kind werd in het rond gezwierd en losgelaten, waarna het onmiddellijk verstarde tot een “bild” in een zo bizar mogelijke houding. Een “koper” koos het mooiste beeld uit, maar ging er mee vandoor zonder te betalen. Een algemene achtervolging werd ingezet. Wie de dief kon vangen mocht de nieuwe koper zijn.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
beeld , beeld , bield , en , Ook bield (Zuid-Drenthe) = beeld Der steeit een beeld in het park standbeeld (Eex), Een beeld van een meid (Hgv), Ik kan mij der nog gien beeld van vormen (Hijk), Beeldtien gooien spel op schoolplein. Je pakte iem. bij de arm en gooide hem weg. De persoon moest direct stijf blijven in de houding, waarin hij neerkwam (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beeld , beld , het , belder , (Zuidoost-Drents veengebied, veroud.) plaat Ze haren mooie belder an de wand (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beeld , bild , beeld, ’t Hèllighartbild is van ’t trôntje gedonderd, het Heilig-Hart-beeld is van zijn staanplaats gevallen. verkl. bildje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
beeld , bild , beeld , In de mônd maoj wier't bild van Maria versierd, meej maojbluumkes én 'n kaorske. In de maand mei werd het beeld van Maria versierd, met madeliefjes en een kaarsje.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
beeld , beeld , bield , zelfstandig naamwoord , et 1. beeld 2. bijzonder mooi meisje of vrouw 3. plaatje, foto, schilderij of vergelijkbare uitbeelding 4. indruk, impressie, geschetste toestand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beeld , beeld , zelfstandig naamwoord onzijdig , beelder , beeldsje , beeld , VB: Dao sjtèit e beeld van Slevroûw oppe kas. Zw: E beeld van e mèitske.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
beeld , bildje , beeldje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
beeld , beldje gojje , beeldje gooien (spel)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
beeld , bêêleke , prentje, religieus prentje. als we vroeger op school braaf wa­ ren, of mooie punten behaalden, dan werden we beloond met een “bêêleke”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
beeld , bild , bildje , beeld
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
beeld , beeldj , (onzijdig) , beeldje , beeldje , beeld
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
beeld , bieëldj , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bieëldje , bieëldje , beeld
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
beeld , bild , bilde , zelfstandig naamwoord , beeld, ook in de hedendaagse betekenis, b.v. op de tv; Cees Robben – Ze kèèken naor ’t bild van Job (19600520) [Sint Job in de kerk van Enschot]; Cees Robben – Bij ’t wonderbild gekomen (19700925); Der stao en bildje van drie aopen op mèn kaast... (Henriëtte Vunderink, Heure, zien èn zwèège, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); Ik kan me die bilde nòg herinnere van de teeveej èn öt de kraant. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012); WBD III.3.1:311 'beeldje' = illustratie (in tijdschrift of boek); WBD III.3.2:352 bildje of plòtje = prentje; WBD III.3.3:49 bild, hèllegenbild = heiligenbeeld; WBD III.3.3:106 bildje, muurbildje = beeld in muurkapelletje; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): bild - zelfstandig naamwoord beeld: 'n bild van 'n meijd; zie bildeke
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal