elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beide

beide , beient , metʼn beiden  , voor: beiden, met z’n beient; een van oez beient. metʼn beiden = met ons beiden, Staat eigenlijk voor: met zʼn beiden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
beide , beide , (telwoord) , beide.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
beide , baiden , zie: tweibaiden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
beide , baid , (Ommelanden) = baide, albaide = alle beiden, beiden te gader; ook Zaansch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
beide , beide , (onbepaald telwoord) , Van beids wat (uitspr. van bais wet); vgl. VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 142. || Wat wil-je hebben, koek of alderhand? – Nou, liefst van beids wat.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
beide , baiden , zie ook tweibaiden *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
beide , bäide , beide
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
beide , béêje , Mi z’n béêje met z’n beiden, tweetjes, samen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
beide , beide , baide, baaide, baai , Ook baide, baaide (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), baai (Zui) = beide Hij pakte het mit baide handen an (Nsch), Zie zaten beide mit dikke rooie koppen tegenover mekaar (Sle), Het leken zo hen wel goeie meinsen, mar zij deugden gien van beide (Koe), ... van beiden (Noo), ... van beidend (Bei), Zij wadden met ʼn beidend (Ros), ...beiend (wb), Goeie dag, ij beide (Sle), Ein van baient mout mit (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beide , baej , béi , allebei, beide.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
beide , beide , beide
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
beide , baoje , beiden, tweeën , Iin van baoje hi ne kneevel d’n andere dreugt z’n haor óp ne start. Een van de twee heeft een snor de andere draagt zijn haar in een staart.
Mi z'n baoje is't iet van niks dé wéérek, mér alliin kun'der gewóón nie ôn begiene. Met z'n tweeën is het makkelijk werk, maar alleen kun je er gewoon niet aan beginnen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
beide , beide , beiden, beidend , telwoord , beide, alle twee, zowel de een als de ander, bijv. de beide maoten, zelfst. in bijv. Ze deugen gien van beiden(d). veur oons beide/-n(d) voor ons tweeën, mit zien beigies met z’n tweetjes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beide , baaie , telwoord , beiden, met z’n beiden Eên van baaie mottet geweest zijn Eén van beiden moet het geweest zijn
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
beide , bèìj , mi zun bèìje , allebei, beide
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
beide , bèìj de kante , weerskanten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
beide , bèèj , beiden, beide , Ze wâren ’r bèèj bèij. Ze waren er beiden bij.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
beide , beie , met z’n tweeën , Wae woeare mer ónger ós beie.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
beide , baaj , telwoord , 1. telwoord; beide(n); Al zijn ze baai wa jong... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘De bie zit op de blom’ , 1932); in baai oew eugkes... (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Mijn deuntje’, 1939); Hij keek me lang, aondaachtig aon; in baai z'n ooge blonk 'n traon. (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Ouwe man’, 1938); Cees Robben – En mee ’t aai in baai z’n haand... (19560428); Frans Verbunt: gin van baaje - geen van beiden; Stadsnieuws: êen van baaje vatte, aanders krèède sebiet gin van baaje (020706); Wè was et schoon daor op de haaj,/ meej niemand as allêen wij baaj... (Henriëtte Vunderink; Saome; k Zal van oe blèève haawe, 2007); Hij wier òn baaj de kaante wèl wè dôof. (Henriëtte Vunderink, Vergeefse mankemènte, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); Jan Naaijkens, Dès Biks - 1992 – (1992): BAAJE - telwoord beiden - Eênvanbaaje, ginvanbaaje;
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal