elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beugelen

beugelen , beugeln , fig. in: “hai beugelde moar deur” = hij werkte maar door, ging, zonder zich aan iets of iemand te storen, zijn’ gang. Vgl. beugel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
beugelen , beugele , werkwoord , Met de beugel werken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
beugelen , beugele , beugelde, haet gebeugelt , beugelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
beugelen , beugele , spel met houten slagers en ballen op de beugelbaan.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
beugelen , beugeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. het veen met een beugel onder het water vandaan halen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) 2. wiebelen (Zuidoost-Drents veengebied) Zit nich aal op dei stoule te beugeln (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beugelen , beugelen , spel waarbij een houten bal door een ijzeren ring (beugel) gerold wordt. zie ook sleger.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
beugelen , beugelen , werkwoord , de baggerbeugel hanteren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beugelen , bugele , werkwoord , bugelde, gebugeld , beugelen , VB: bugele ês e sjpuül dat al ién de Middeliewe woerd gesjpëuld.; foppen bugele; plooien (zakvormige plooien vormend) bugele VB: De gerdyne bugele, de zoüm hynk oongeliék.; zeven (tarwemeel zeven) bugele VB: Vuur blom te kriége môs te 't mèl bugele.; bedotten bugele Zw: (plat) 'nne bugele: bedotten
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
beugelen , beugele , buuëgele , werkwoord , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beugelen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
beugelen , beugele , zwak werkwoord , "Van Delft - Nog wat ouderen vermaakten zich met ""beugelen"". Op menig Meierijsch dorp ziet men nog hier of daar zoo'n beugelbaan. Meest had men die te Tilburg bij de boeren, die wat achteraf woonden, en bij buitencafés. Een ruimte van vijf bij drie en halve meter groot was door planken omgrensd en daarin een leemen vloer met op een derde gedeelte vast in den grond een groote ijzeren ring. Eigenlijk drie ringen boven elkaar. De buitenste was iets grooter dan de ballen waar men mee speelde. Die bollen waren gedraaide hardhouten kanjers van zoowat vijftien centimeter middellijn. Men speelde op beurt af van het begin der baan met een slager. Die slagers waren zware planken met een handvat er aan gesneden, waarmede die ballen versjouwd werden, flinke spieroefeningen dus. Het doel was om den bal door den bovenste ring te krijgen, deze telde de meeste punten, de andere minder, wijl het dáárdoor werken der ballen gemakkelijker ging. Aan het boveneinde was de baan wat hooger voor het uitrollen der ballen. Met het beugelen brachten de buurtjongens zoodoende den Zondag door. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929); Interview Jolen - 1978 - “Mar mist din ze beugele…Witte waor dè gedaon wèrd? Agge nouw de Diepestraot ingaot van Körvel èùt èn dan hèdde en rij höskes staon èn dè schaajt bij Gèèr van Aveldonk (?) dieje, op dieje punt wèrd dè mist gedaon van die, van die buurt zak nouw mar zègge”. (transcriptie Hans Hessels, 2013)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal