elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: biest

biest , biest , de melk van eene pas gekalfd hebbende koe. Sommigen brengen het tot biezen, bijzen, bissen, ’t welk eigenlijk gezegd wordt van het rondloopen der rund
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
biest , biest , (vrouwelijk zonder meervoud) , de eerste melk van de koe na het afkalven. Men onderscheidt ze gewoonlijk in eerste, tweede en derde biest; de eerste biest bevat 6 a 7 maal meer vlastof dan gewone melk, de tweede en derde weer minder en zo vervolgens. In den regel geeft men de eerste biest aan het kalf; de tweede en derde verkoopt men aan den bakker of bereidt er eene smakelijke pap van. Zie op het woord wellen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
biest , buust , beust, beunst , eerste melk eener koe na de kalving, Gron. bijst, Westf. baist, bais, bast, bissemelke, Noordfr. bjest, HD. Bistmilch. Van: bijzig = onstuimig, omdat zulke melk geen koken kan lijden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
biest , bijst , biest (v. Dale), door landhuishoudkundigen ook geschreven: bist (colostrum), de eerste melk eener koe nadat zij gekalfd heeft. Drentsch buust, West-Vlaamsch. bynst, bünst, bieste, bienste, Westfaalsch baist, bais, bast, bissemelke; Noordfriesch bjest, Hoogduitsch Biestmilch, Middel-Hoogduitsch biest, bienst. Van: bijzig = onstuimig, opbruisend, omdat zij geen koken kan lijden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
biest , baist , biestmelk
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
biest , biest , zelfstandig naamwoord de , De eerste melk van een koe na het kalven (soms ook de eerste moedermelk). Men onderscheidde wel eerste, tweede en derde biest.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
biest , biest , ‘gele melk’ die een koe soms geeft
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
biest , biest , zelfstandig naamwoord , de eerste melk van een koe die pas gekalfd heeft (de eerste drie tot vier malen) (KRS: Hout; LPW: Lop) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 38). Zie hoofdstuk 4, punt 7: melken .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
biest , buust , buus, buuns, buunst, beunst, beuist, beust, buist, , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook buus (Zuidoost-Drents zandgebied), buuns, buunst (Zuidwest-Drenthe), beunst (Zuidwest-Drenthe), beuist (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), beust (Midden-Drenthe, Ros), buist (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), bies, biest (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = biest, eerste melk van een koe na het kalven, colostrum Het kalf wol de buust eerst niet zoepen (Geb), Wij moet wat buust achter de hand holden veur pankoek (Bor), ... beustkeze (Pes), ... wafels (Oos), zie ook beumt
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
biest , biest , eerste melk van een koe die gekalfd heeft. Soms werd witbrood ook met biest gebakken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
biest , biest , eerste melk van een koe na kalving
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
biest , buust , buuist, biest, boest , zelfstandig naamwoord , de; eerste melk na het kalven: vaak aan het kalf gegeven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
biest , bees , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , biest , VB: De bees van e përd woerd vreuger gebruk tiënge sjproëtele.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
biest , biest , (met korte ie) , (zelfstandig naamwoord) , (geen vkw.), eerste melk na het kalven.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
biest , bies , biestemelk , eerste melk die de koe geeft; biestepannekoek, pannenkoek uit beslag van biest.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
biest , [melk] , bees , (vrouwelijk) , biest, eerste melk van een koe na het kalven
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
biest , beest , biest (eerste melk van een koe na het kalven; eerste moedermelk) (Engels: beestings)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
Biest , Beest , eigennaam , Biest
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
biest , beest , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk, mannelijk , biest (eerste melk)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
biest , biest , zelfstandig naamwoord , biest, eerste melk v.e. kalfkoe; Dialectenquête 1879: biest; WNT BIEST - De eerste melk v.e. zoogdier, nadat het heeft gebaard.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal