elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blaaspijp

blaaspijp , blaozepipe , (vrouwelijk) , blaaspijp.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blaaspijp , bloazepiepe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , 1 pijp om haardvuur aan te blazen, 2 opschepper
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blaaspijp , blaospiêp , v , blaaspijp, vuuraanjager; domme vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blaaspijp , bleispoip , zelfstandig naamwoord de , Dialectische variant van blaasbalg.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blaaspijp , bloaspiepie , blaaspijpje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
blaaspijp , blaospiep , de , 1. blaaspijp voor het haardvuur Een blaospiepe was een iezern, holle piepe van zowat een meter laank, die an het ene ende wat nauwer was (Die), Een blaospiepe was een iezern, holle piepe van 65 - 75 cm lang (Hgv), Een blaospiepe wörde vaak emaakt van een olde geweerloop (Hav) 2. opschepper (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Het is toch zo’n blaospiepe, hij hef ’t altied beter en mooier as een aander (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blaaspijp , bloospijp , pijp om het vuur aan te blazen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blaaspijp , blaospiepe , blaozepiepe , blaaspijp. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: blaozepiepe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blaaspijp , blaospiepe , blaaspijp.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
blaaspijp , blaospiepe , zelfstandig naamwoord , de; blaaspijp
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blaaspijp , bloospèìjp , blaaspijp
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blaaspijp , blaospiêp , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , blaospiêpe , blaospiêpke , blaasbalg
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal