elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dissel

dissel , duksel , disselbijl, Gron. dussel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dissel , [spinrokken] , dissel , (mannelijk) , spinrokken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
dissel , tjoeksel , zie: tjoeksêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dissel , dussel , dissel, soort van bijl, Drentsch duskel. Zegswijs: hij’s t’r of as Rōmke van de dussel = as de kikkert van de steert, ook: – as de kikkert van de steert = hij is er geheel af, is het voor goed kwijt. Als ironie geldt: hij komt ’r an as Rōmke an de dussel = hij heeft een fortuintje gehad.
de middelste rij van ’t kegelspel; dussel gooien geeft dubbele punten, althans te Winschoten, waar reeds omstreeks 1840 het kegelen zeer in trek was en waar later de kegelbanen zeer doelmatig en flink werden ingericht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dissel , dussel* , ook = dissel: een kromme bijl of houweel, met tamelijk langen steel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dissel , dissel , mannelijk , voor een dissel werd het paard gespannen en dat trok dan de wagen aan. Het peerd lop vüür ’n dissel.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dissel , disl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , disls , dislken , disselboom
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dissel , dizzel , duzzel , trekboom tussen twee paarden
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
dissel , dissel , zelfstandig naamwoord de , Disselboom, o.a. in de combinatie kromme dissel, kort, sterk gebogen hout voor een bepaald type boerenwagen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dissel , dissel , zelfstandig naamwoord , (zn) kleine hakbijl, in de hoepelmakerij gebruikt voor het kloven van hout (LPW: IJss).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
dissel , dissel , zelfstandig naamwoord , 1. kromme boog aan de voorzijde van de wagen, waarmee de wagen bestuurd werd (KRS: Hout; LPW: Lop). Synoniem: kromme dissel (KRS: Hout; LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens . 2. (zn) brandnetel (KRS: Wijk) 3. (zn) distel (KRS: Wijk); zie *dessel. Zie artikel De grienden rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
dissel , dissel , bijltje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dissel , diksel , dussel, dissel, duksel, dissel, dussel, dusel , diksels, duksels , Ook dussel (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), dissel (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën), duksel (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, dva), dissel (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe), dussel (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe), dusel (Zuidoost-Drents veengebied) = disselboom Sommige peerden huigen vrouger wel is over de dissel hen (Eco), Ze wolden de wagens achter mekaar doen, maor ze kunden het dikseltie nargens vinden (Bei), Aj twee peerden veur de lange diksel hebt, hej, wat mennen betreft, meer te zeggen as veur een kroeme diksel d.i. korte, kromme dissel (Rui), As de tweeide waogen an de eerste mus en beide waogens hadden een lang diksel, dan kwam de lang diksel van de tweeide under de eerste waogen deur, wur vaastmaokt met een touw an de bluktong van de eerste en zo kun de tweeide waogen nooit slingern (Eex), De duksel wuur eerder gebroekt um de gebinten te bekanten (Oos), Mit de biele wur een boom eerst bekaant en dan naobewarkt mit de dissel (Wsv), Hij houwt met de dussel de noosten van de paolen of (Bal), zie ook dikselboom
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dissel , dissel , dijsel , hakbijl om zijkanten van een balk glad te hakken, dissel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
dissel , dissel , (Kampereiland, Kamperveen) platte bijl
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dissel , dissel , (Kampereiland, Kamperveen) disselboom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dissel , disseltien , kleine disselboom.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dissel , tissel , zelfstandig naamwoord , de; gootdissel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dissel , dissel , distel , zelfstandig naamwoord , de 1. disselboom, dissel 2. disselboom voor twee paarden 3. platte kapbijl 4. brede beitel aan steel om hout te ontschorsen 5. gootdissel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dissel , desser , zelfstandig naamwoord mannelijk , dessers , - , bijl , (bep.soort bijl) desser VB: Bié 'nnen desser sjtèit 't geboëge iézer ién 't wës oppe sjtiël. De kêns gemêkelik de sjel van 'n sjtam aofhoële.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dissel , dessel , dissel.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
dissel , dessel , zelfstandig naamwoord , dessels , desselke , dissel, houweel, bijl (kuipers-, klompenmakerswerktuig), waarvan het vlakke of holle blad dwars op de steel zit en naar de steel gekromd is; vroeger ook gebruikt voor het behakken van boomstammen, uithakken van goten enz. zie ook dessele
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
dissel , dissel , zelfstandig naamwoord , dissels , disselke , boom (balk) in het midden van een tweespan waaraan de beide paarden werden vastgemaakt zie ook sjeij, trèksjeij
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
dissel , dissel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , dissels , (Nederweerts, Ospels) schop met haakse steel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
dissel , dissel , zelfstandig naamwoord , WBD latierboom (hangende boom die in de paardestal twee plaatsen scheidt)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal