elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doorgaan

doorgaan , doorgaan , 1) (deurgaan uitgesproken) voor weggaan; 2) voor: uit het geheugen gaan, bijv. Het is mij doorgegaan; 3) voor: voorbijgaan. , 1) als men heengaat, ik ga er van door. Hij is met haar doorgegaan, in de beteekenis van: hij heeft haar geschaakt. Goed doorgaan is met spoed of weinig oponthoud gaan; 3) Die vriend is in het dorp geweest, maar hij is bij mij doorgegaan: niet in mijn huis of bij mij aangekomen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
doorgaan , deurgoan , weggaan; ik goa d’r van deur = ik wil niet langer blijven, ik ga naar huis; hij is t’r van deurgoan = hij is weggegaan, en ook: hij is doorgegaan, hij heeft zich uit de voeten gemaakt. West-Vlaamsch doorgaan = weggaan, vertrekken. (De Bo). (Vóór ettelijke jaren van elders overgenomen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
doorgaan , deurgoan , een min of meer losbandig leven leiden; hij gait ’r an de toeten tou deur, fig. = hij is een groote losbol.
[voltooid deelwoord] deurgoan, door het hoofd gegaan, vergeten hebben.
Als de huid van winterhanden of wintervoeten ontvelt of berst zegt men: zij bin deurgoan, of alleen: zij bin deur. Vgl. zulthakken, en zie: deurwaid.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
doorgaan , deurgoan* , deurwald* (bl. 511), Nederlandsch: door het hoofd gegaan.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
doorgaan , duurgoan , werkwoord , 1 werkelijkheid worden, 2 doorbarsten, 3 de schijn wekken, 4 onp. vergeten worden; t geet r um duur, hij denkt er niet meer aan
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
doorgaan , doorgaon , góng door, is doorgegange , doorgaan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
doorgaan , deurgoan , gung deur, deur egoane , doorgaan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
doorgaan , deurgaon , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. doorgaan met iets Gao maor deur, ik luster wel praat maar door (Wee), IJ moet met die drank niet deurgaon, anders giet je gezin kepot (Exl), Det kan zo neet deurgaon, det lop mis (Pes), Wij gaot deur tot het bittere end (Zwin) 2. doorlopen (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) As der ruzie is, kunj beter deurgaon as der oe mit bemuien (Dwij), Zeg even tegen de venter dat hij wel deur kan gaon; ’k heb niks neudig vandage (Nam) 3. plaatsvinden Het feest möt deurgaon (Zdw), Zul het wel deurgaon mit die beide? (Dwij) 4. verder gaan, vervolgen Hie gung deur op wat de veurzitter zegd har (Bui) 5. doorgaan voor Hie giet veur een fatsoenlijk mèensk deur (Sti) 6. doorbreken De bloedvinne staot op deurgaon (Mep) 7. in Dat giet niet aaid deur gaat niet altijd op (Sle) 8. in Dat giet er met deur dat verdient de voorkeur, is het beste (Wijs)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doorgaan , deurgoon , durgaon , doorgaan, verdergaan. ’t moet wel deurgoon, het moet wel door gaan, verder gaan. zie ook dùrgaon. doorgaan. zal ’t durgaon?, zal het doorgaan?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
doorgaan , deurgaon , werkwoord , 1. verder gaan met iets, blijven doen 2. plaatsvinden, inderdaad worden verwezenlijkt 3. doorgaan met praten, vertellen 4. aanhouden, zo blijven gaan 5. naar een verder gelegen punt gaan 6. tussen iets door gaan 7. (toch) plaatsvinden 8. vergeten, niet denken aan, bijv. ’t Is mi’j hielemaole deurgaon 9. lijken alsof, beschouwd worden als 10. door iets heen gaan 11. in tijd doorlopen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
doorgaan , deurgaon , werkwoord , ga deur, ging deur, deurgegaon , 1. doorgaan 2. ophouden met mooie praatjes Gao jij maor deur mejje zije sokke Hou maar op met je mooie praatjes
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
doorgaan , doergoën , werkwoord , doorgaan , (zie 'gaan')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
doorgaan , durgôn , doorgaan
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
doorgaan , durgòn , doorgaan
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
doorgaan , deurgaon , (werkwoord) , doorgaan.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
doorgaan , durgòn , doorgaan, aan de gang blijven; zie voor vervoeging gòn , Dè go in een moeite dur. Dat gaat in een moeite door. , Gèij moet nie durgòn tó ge’r bèij nirvalt. Je moet niet aan de gang blijven tot je er bij neervalt.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
doorgaan , [sterven] , deurgaon , er op deurgaon, 1. sterven; 2. ingaan op een geboden prijs.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
doorgaan , doorgaon , doorgaan
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
doorgaan , doorgaan , ga jij maar door mè je nat hooi! hoepel maar op!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
doorgaan , durgaon , sterk werkwoord , durgaon - ging/góng deur - durgegaon , doorgaan; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEURGAAN - weggaan, vertrekken, heengaan; voorbijgaan; met kracht en spoed gaan.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal